Vragen met betrekking tot de Maan

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: [Eerst zei vermeld ,dat vrienden van Jakob Lorber – 1840 -, de schrijfknecht van de Schepper, vragen gesteld hebben over de Maan, hoe wezens, die net als de mens met een lichaam bekleed, op de achterkant van de Maan wonen].

 

De Heer: ‘Hoe staat het dan met de verering voor Mij van een beter soort mensen op Aarde, die voor het verzorgen van hun lichaam per dag drieëntwintig uur nodig hebben, terwijl Ik wordt afgedaan met nauwelijks een verloren uurtje. Is dat wel het rijk van God zoeken? Ik zeg jullie, de kikkers op de plassen en de mollen in de grond zouden jullie wel als belerende apostelen kunnen dienen, want werkelijk, de kikker kwaakt de mees­te tijd van de dag in zijn vreugde over het leven, dat hij in zijn plas mag doorbrengen en looft Mij onbewust in zijn kwakende vreugde over het bezit van dat leven; de mol beseft het en baant zich een weg in de duisternis van de aarde; zijn weg en zijn geluidloze rust is een stille lof­zang, waardoor hij onophoudelijk Mij, zijn Schepper, prijst. Maar de mens, voor wie Ik alles heb geschapen, voor wie Ik zoveel groots heb gedaan, en nog eeuwig zal doen, ja voor wie Ik onophoudelijk zorg, en voor wie Ik al Mijn wijsheid en liefde inzet, meer dan een met liefde vervulde bruidegom voor zijn allerlief­ste, dierbaarste bruid, deze mens vindt overdag nauwelijks een uurtje voor Mij en dan alleen maar op de manier zoals een slonzige kookster vaak heel gedachteloos zout in het eten doet, omdat ze dat gewoon is te doen, of om tenminste te kunnen zeggen dat ze zout in de soep heeft gedaan ook al smaakt deze vaak niet veel beter dan puur lauw water zonder kraak of smaak’.

 

‘Werkelijk, Ik zeg jullie, door zo'n verering wordt jullie God niet dikker en daardoor jullie eigen leven ook niet krachtiger. Want het leven van jullie houten huis - en kamercrucifixen, die jullie door een erbarmelijk lichaam toont hoezeer jullie verering en jullie godsdienst op die van de joden lijkt, die tenminste de levende aan het kruis hebben geslagen, terwijl jullie hier veel te lui en te lauw voor zouden zijn en er genoegen mee nemen, dat iemand jullie zo'n volbrachte houten kruisiging verkoopt, die dan juist geschikt is om in Mijn plaats de atomen van jullie verering aan te nemen. O, jullie dwazen! Jullie vereren dus het bewerkte hout, steen of metaal, net zoals de hond een hoeksteen vereert, die een voorganger heeft besnuffeld, zo drukken jullie je lippen op het hout en denken, als jullie daarbij nog een zogenaamd 'Onze Vader' en 'Weesgegroet' hebben gebrabbeld, of als jullie in een stenen kerk vol beeldhouwwerk bijna een uur lang gedachteloos en uitgedost, met een verguld gebe­denboek in de hand hebt doorgebracht, dat je Mij gediend en Mij bo­ven alles vereerd hebt. O, jullie dwazen’.

 

‘Geloven jullie dan dat Ik in hout ben, in steen, in metaal of enig ander ijdel houtsnijwerk dat ge­maakt is door meubelmakers, beeldhouwers, draaiers, bankwerkers, slotenmakers, smeden, metselaars en schilders? Waarlijk, Ik zeg jullie: al die vereerders, als ze zich tenminste hier op Aarde niet anders zullen bedenken, zullen mettertijd aardig lang op de Maan naar school moeten gaan en daar onder de grootste geestelijke en ook lichamelijke moeilijkheden moeten ervaren, dat de levende God beslist geen wel­gevallen heeft aan zo'n onzinnige verering, want die is veel slechter dan die van de blinde heidenen, die hun afgoden tenminste uit vrees, al is het dan niet uit liefde, een werkelijk offer brengen terwijl jullie Mij de levende God, vereren alsof Ik helemaal niet bestond, of alsof Ik waarlijk alleen maar van hout was of, in een gunstiger geval, oudbak­ken of pas gebakken uit meel’.

 

‘Willen jullie nu weten hoe de Maanmensen Mij vereren? Bij de Maanmensen bestaat de verering van God, zowel op de geestelijke alsook op de lichamelijke kant van dit hemellichaam, uit niets anders dan het langzamerhand leren waaruit de ware Godsverering bestaat; tengevolge van dit leren beginnen ze God in geest en in waarheid te vereren en wel in zichzelf, maar niet zoals jullie het doen, slechts een uurtje per dag en daarbij ook heel lauwtjes en in hout en an­dere geestelijk geprezen dwaasheden. Ook bestaat die verering van God daaruit, dat diegenen, die hier hun lichaam drieëntwintig uur per dag hebben welgedaan, daarginds lange tijd zullen moeten leren, zulke extra fijne lichamelijke genoegens te ontberen, zich tot in de binnenste vezels van het leven te verloochenen en alles alleen maar van Mij te ver­wachten. Ze moeten hun geloof vaak door de veelvuldigste en zwaarste beproevingen heen, steeds weer als levend erkennen, maar niet zo als jullie, die of helemaal geen geloof hebben, of, als jullie er al een hebben, Mij, de levende God, dan omvatten met een even weinig vertrouwende kracht als waarmee je een houten, slecht gevormde cru­cifix omvat’. [bron: Hemelse Gaven – Jakob Lorber]

www.zelfbeschouwing.info