Vragen over de Maan

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Tijdens de levenswandel van Jezus op Aarde (2000 jaar geleden) wisten tijdens een gezellige en leerzame maaltijd met de Heer enige priesteressen heel wat merkwaardige zaken te vertellen, en het gesprek kwam op de Maan en de vaak ongeneeslijke inwerking op de Aarde en ook op heel veel mensen. Een priesteres vertelde dat zij een Maanzieke man gekend had, die meestal 's nachts bij volle Maan met gesloten ogen zijn kamer verliet, zijn handen naar de Maan uitstrekte en dan met onfeilbare zekerheid even gemakkelijk tegen de steilste rotswanden naar boven ging alsof hij zich over een vlakke bodem voortbewoog. Alleen n ding moest de verbaasde toeschouwer daarbij in het oog houden, namelijk dat hij stil en rustig moest blijven, omdat een menselijk geluid de Maanwandelaar het leven kon kosten. De priesteres vraagt de Heer: 'Wel, wat is dat dan voor bijzondere invloed van de Maan op bepaalde mensen, en hoe komen die mensen daartoe?

 

Daarop zei de Heer: 'Dat de Maan als meest nabije hemellichaam van de Aarde invloed op deze Aarde uitoefent is zeker; maar in het algemeen benvloedt zij geen mensen, dieren, planten en mineralen, maar in het bijzonder alleen maar dat, wat op deze aarde van haar afkomstig is. Let goed op, vooral jullie kalendermakers! Kijk, de Maan is haast net zo'n wereld als deze Aarde, en zij is de voortdurende begeleidster van deze Aarde bij haar reis van een jaar om de Zon, waaromheen ook de andere planeten in verschillende tijden hun baan doorlopen; die dichter bij de Zon staan hebben minder tijd nodig dan de Aarde, en die verderaf staan natuurlijk meer. Jupiter en Saturnus hebben ook Manen, maar omdat die werelden veel groter zijn, hebben zij er meer dan de Aarde, terwijl de kleinere planeten helemaal geen Manen hebben. Bij onze Aarde zorgt de dagelijkse omwenteling voor dag en nacht, en haar baan om de Zon duurt een jaar.' Daar keken de heidenen van op, omdat deze uitleg van Mij hun kennis ver te boven ging, en een priester zei: 'Heer, wij danken U voor alles, maar houd maar op met Uw uitleg, want wij kunnen het onmogelijk begrijpen omdat wij het ons niet voor kunnen stellen!'

 

Toen zei de Heer: 'Wel, als het aanschouwelijk gemaakt moet worden, dan zal dat meteen gebeuren!' Ogenblikkelijk zagen allen in de vrije, hoge ruimte van de zaal boven de tafel de Zon, de Maan en de Aarde, en ook alle andere planeten met hun Manen, en alles bewegend als in werkelijkheid. Aan de verbazing kwam geen einde, en de Heer legde het hun twee uur lang heel nauwkeurig uit, en toen begrepen zij alles, wat hun veel plezier deed. Behalve het wiskundige deel liet Hij hun echter ook de bewoonbaarheid van de Zon en alle planeten en hun Manen zien, en heel uitvoerig de bewoonbaarheid van onze aardse Maan, en zei toen in het bijzonder: (De Heer:) Omdat jullie dat nu inzien en begrijpen, kan Ik jullie ook het nodige vertellen over de Maanzucht. De bewoners van de Maan hebben als zeer eenvoudige en in zichzelf gekeerde mensen bij uitstek de gave van de helderziendheid, en dat met name tijdens hun nacht van veertien volle aardse dagen, die zij in hun onderaardse woonholen meestal slapend doorbrengen. Tijdens deze slaap blijft hun ziel echter volkomen wakker en deze ziet dan alles om zich heen tot in de verre omtrek, en dus ook deze Aarde, waar zij eigenlijk min of meer bij horen, die zij echter, vanwege de natuurlijke positie van de Maan tijdens hun waaktoestand, op hun lange dag nooit kunnen zien. Want de Maanmensen bewonen alleen het gedeelte van de Maan dat van de Aarde is afgekeerd omdat de Maan, zoals Ik jullie al uitgelegd heb, om heel natuurlijke redenen op de naar de Aarde toegekeerde kant geen lucht en geen water heeft, en als er al hier en daar in de vele dieper gelegen delen een soort lucht aanwezig is, dan is die toch niet toereikend voor de ademhaling van wezens met een lichaam, en is er ook niet geschikt voor, omdat het element zout (de zuurstof) geheel ontbreekt.

(Opmerking: dat deel van de Maan dus, die wij vanaf de Aarde met blote oog kunnen zien en waarop mogelijk eens astronauten hun voetstappen achtergelaten hebben!)

 

De mensen van de Maan hebben daar in hun natuurlijke toestand ook geen behoefte aan, omdat zij in hun droomleven, waar zij het meest van houden, toch al alles kunnen zien en te weten kunnen komen wat goed is voor het heil van hun ziel. Zij verlangen er dan ook het allermeest naar om snel bewoners van deze Aarde te worden, wat dan ook eigenlijk hun bestemming is. (Opm.: Maanbewoners aan de achterzijde van de Maan) En als zij op hun wereld hun lichaam hebben afgelegd, gaan hun zielen, als zij zich tijdens hun lichamelijke leven daarvoor waardig gemaakt hebben, meteen naar deze Aarde en worden bij een passende gelegenheid in een moederlichaam verwekt. Als kinderen van deze Aarde worden zij weer geboren, groeien vervolgens op en ontvangen de opvoeding van de aardse mensen, waardoor zij in ieder geval de mogelijkheid krijgen op de weg van de kinderen van God geplaatst te worden, hetzij reeds hier of aan gene zijde.

 

Wel, de zielen van deze mensen bestaan uit de substantie van de Maanwereld en voelen zodoende, vooral tijdens hun droomleven, een bijzondere drang naar waar zij vandaan gekomen zijn, wat het sterkst tot uiting komt bij het licht van de volle Maan, omdat er door het Maanlicht een groter aantal substantile, specifieke zieldeeltjes op de Aarde neerdalen en de genoemde mensen, die Maanzielen hebben, prikkelen en aantrekken. Dit euvel kan echter snel en gemakkelijk verholpen worden door het in geloof opleggen van de handen en door het gebruik van koude baden. (GJE 6-119-120) (Opm.: inderdaad, de remedie tegen nachtmerries en slaapwandelen verhelpt dit euvel snel door de betrokkene te laten lopen op een koude en natte dweil!)

www.zelfbeschouwing.info