Maansverduisteringen & Maanstanden

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Jonatha (een vriend van Jozef) zegt tegen Jozef, de pleegvader van Jezus: ‘De Maan is immers ook een hemellichaam, waarom zou die niet aan dezelfde wonderlijke wetten onderworpen zijn? Het zou wel eens kunnen zijn, dat wij haar hebben getrof­fen, en dat ze ergens in brokken is neergestort op aarde, want ik heb een aantal deeltjes zien wegschie­ten! Of zou het soms kunnen zijn, dat wij nu door de Maan be­zeten zijn, zodat we Maanziek worden? Dat zou dan een vrese­lijke bezoeking voor ons kunnen worden! Een van die dingen zal ze­ker wel het geval zijn, want het is overduidelijk, dat de Maan niet meer bestaat. Het is alleen de vraag: wie heeft haar opgeslokt of waar is ze gebleven!?'

 

Jozef antwoordde: 'Ik be­denk, wat ik al eerder heb ge­hoord, dat de Maan zoals ook de Zon, wel eens verduisterd wordt. Dan zou dat nu best eens het geval kunnen zijn, alhoewel ik mij niet kan herinneren ooit iets dergelijks te hebben gezien! Van oude mensen heb ik gehoord, dat bij tijd en wijle Gods engelen deze beide hemelse lam­pen oppoetsen, zoals wij dat doen met een lamp als de pit gesnoten moet worden. Bij dat werk wordt het op Aarde dan wat donker. Zoiets zou nu ook best het geval kunnen zijn! Want het fabeltje, dat een draak die twee hemellichamen zou kunnen verslinden, lijkt me toch wel wat al te dol: goed voor het duisterste heidendom!' Terwijl Jozef en Jonatha dit met elkaar overlegden, begon de Maan aan de andere zijde weer zichtbaar te worden. De kinderen en de zonen van Jozef bemerkten dat en zei­den: 'Kijk kijk, de Maan komt al weer te voorschijn!' Nu keken beiden naar bui­ten, en bij Jonatha viel er een steen van zijn hart toen hij de Maan weer te zien kreeg. Nu vroeg Jozef het Kindje, hoe zoiets in zijn werk zou gaan.

 

Het Kindje Jezus zei echter: 'Laat die arme Maan toch eerst eens te voorschijn komen uit de schaduw, die de Aarde erop werpt, dan kun­nen we zien of zij veranderd is! De Aarde is immers geen li­chaam zonder einde, maar zij is rond, net als de sinaasappel die Ik zojuist heb gegeten. Zij zweeft vrij rond en er­omheen is een eindeloze ruim­te; daardoor kunnen de stralen van de Zon haar altijd van alle kan­ten belichten. Maar dat betekent ook, dat die grote aardbol een schaduw werpt, en komt de Maan daar­in, dan wordt zij donker, omdat die anders ook door de Zon wordt verlicht. Hiermee moeten jullie het maar doen!' (JJ 1-176)

 

Over de Maanstand

In het navolgende ontvangt de lezer een les van Cyrenius, die 2000 jaar geleden reeds wist, wat sommigen (ongeschoolden) nu nog niet weten. Zo zegt Cyrenius, dat de Maan een hemellichaam is, die ongeveer vijftig maal kleiner is dan onze Aarde en de Aarde steeds begeleidt op haar grote baan om de Zon. In de tijd dat de Aarde eenmaal in de 365 dagen die baan doorloopt, wentelt de naburige Maan ongeveer dertien maal om de Aarde. Tijdens deze omwentelingen verandert de Maan natuurlijk steeds van plaats. Omdat de Maan een even donker hemellichaam is als de Aarde, komt haar licht ook, net als bij de Aarde, van de Zon.

 

Als de Aarde bijna tussen de Zon en de Maan staat, zien wij de Maan helemaal verlicht en is het volle Maan. Als de Maan echter na ongeveer veertien dagen, tengevolge van haar snelle beweging, bijna tussen de Zon en de Aarde komt te staan, zodat wij daardoor slechts heel weinig van haar verlichte oppervlak te zien krijgen, is het nieuwe Maan. Komt de Maan echter toevallig precies tussen Zon en Aarde te staan, dan bedekt zij de Zon en houdt het zonlicht voor een bepaald deel van onze Aarde tegen. Dat wil zeggen voor dat deel, van waaruit een rechte lijn te trekken valt door de Maan tot aan de Zon. Daar ontstaat dan op heel natuurlijke wijze een zonsverduistering.

 

Maar die delen van de Aarde, die niet precies in de eerder beschreven rechte lijn liggen, krijgen niets van zo'n verduistering te zien en met name die niet, welke zich op de ons tegenovergestelde halve bol van de Aarde bevinden.  Want deze Aarde waarop wij wonen, is net als de Zon en de Maan een bol en er ontstaat slechts dag en nacht, omdat zij in vierentwintig uur om haar as draait, gedurende welke tijd zij langzaam maar zeker al haar landen en zeeën vanaf noord­ tot Zuidpool onder het licht van de Zon brengt en laat verlichten en verwarmen.’ (GJE 3-139)

www.zelfbeschouwing.info