Hoe Robert Blum de Maan zag

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Ook van Robert Blum wordt beschreven hoe hij de Maan bekeek als een zwarte planeet. Hij vraagt de Heer, wat dat eigenlijk voor een wereld is; De Heer: ‘Kijk eens naar haar duistere land en daar iets verder weg naar een kleine groep dwergachtige, menselijke wezens! Dat zijn de eigenlijke bewoners van de Maanzijde, die steeds van de Aarde afgekeerd is. Hun grootste lust zijn hun vrouwtjes, die ze uit pure liefde en tederheid meestal op hun schouders ronddragen.

 

Boven hen zien jullie heel montere geesten rondzweven. Dat zijn de zielen van gestorven Maanmensjes. Het is hun een vreugde om voor hun nog sterfelijke broeders goed te zijn en hen voor allerlei gevaren te behoeden. Hun aandacht is er hoofdzakelijk op gericht, dat de zeer materiële geesten, die de kale zijde van de Maan, die steeds naar de aarde toegekeerd is, bewonen, niet bij de bewoners van de begroeide kant van de Maan kunnen komen, omdat ze deze in hun huis, dat uit een ondergronds hol bestaat, aanzienlijke schade zouden kunnen toebren­gen.

 

[Opmerking: Volgens Lorber lijken de (hoge) bergen op de Maan als een kaalloos berglandschap van Afrika, in het midden van het grote land Ahala. Wellicht een link naar het daar bekende `Maangebergte´ in Afrika.] [HGt 1-18] – zie ook: ‘dal der gelukkigen”]

 

‘De Maan is vergeleken met onze Aarde wel een treurige wereld! De geesten aan onze zichtbare zijde van de Maan kunnen nooit meer het kindschap van God bereiken, maar nog wel een bepaalde graad van zaligheid. De Maanbewoners aan de andere kant van de Maan, staan daarentegen sterk in het innerlijke, beschouwende leven, waarin ze ook de bewoners van de Aarde zeer goed kennen; maar zij hebben slechts zelden enig welbehagen in ons, omdat wij door onze uiterlijk gerichte mentaliteit te ver van de innerlijke waarheid van het leven hebben verwijderd. De mensen op de Aarde worden door het oog der Maanbewoners gezien als dode zielen.’

 

Voorlopig weten jullie genoeg over de inrichting van dit kleine hemellichaam. Langs de weg van jullie toekomstige bezigheden zullen jullie alles door en door leren kennen. Daarom willen we ons ook niet langer bezighouden met het beschouwen van deze kleine wereld, maar ons direct naar de eerste deur van de avondlijke, westelijke wand begeven en van daar weer opnieuw de buitenwereld beschouwen.' (Hemel en Hel 2-295)

www.zelfbeschouwing.info