Maanoppervlakte en Maangeesten

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Nadat we de bewoners van dit hemellichaam hebben leren kennen, willen we de beide oppervlakten aan weerszijden nog nader bekijken. Wat de naar de Aarde toegekeerde kant betreft, die is met een goed vergrotende kijker al heel duidelijk te zien en ook neemt men waar dat de oppervlakte niet gelijkmatig vlak is, meer zeer bergachtig. Het verschil met de Aarde is, dat er ten eerste geen watervlakten te zien zijn en ten tweede dat de gebergten niet zoals op de Aarde straalvormig of ketenvormig vanaf de hoogste punten naar beneden uitlopen, maar alleen ringen vertonen die grotere of kleine vlakten insluiten. Er zijn ook wel een paar bergrug≠gen die op de Aardse lijken, zowel wat betreft de straal - als ketenvorm, maar deze zijn veel zeldzamer en de straalvormig uitlopende zijn ei≠genlijk geen bergruggen, maar een ononderbroken rij van kleine ring≠vormige wallen, waarvan de doorsnede nauwelijks meer dan 50 meter bedraagt.

 

Zulke kleine ringwallen lopen dan met vele duizenden aan elkaar geregen in een rechte lijn door, en wel vanaf een of andere grote ringwal naar een andere toe - een grotere, een even grote of dikwijls ook een kleinere - en ze vormen op deze manier zoiets als straten tus≠sen al de ringwallen. Als men een sterkere kijker neemt, dan zal men deze uitlopers ontdekken als licht glanzende stralen en zien hoe ze zich vanuit een nog helderder en ook hoger gelegen punt naar alle richtingen uitstrekken. Haar celvormige aaneenrijging heeft veel astronomen op een onjuiste gedachte gebracht; ze beweren daar vegetatie te hebben ontdekt, terwijl die toch op de hele naar de Aarde toegekeerde kant niet te ontdekken is en ook onmogelijk ooit te ontdekken zal zijn, omdat die daar niet is.

 

Dat zelfde is ook het geval met de nog zeldzamer voorkomende kettingvormige bergketens, omdat deze of zelf uit louter dergelijke ringwallen bestaan en als plompe suikerhoeden aan elkaar geregen op hun top kleine ringvormige verdiepingen hebben; of het kan zijn dat zulke aaneengeregen rotsachtige dammen een grotere vlakte omringen, die soms meer dan 50 mijl groot is en die zelf weer uit niets dan grotere en kleinere ringwallen bestaat, waarin zelfs nog stompe kegels met kleine, ringvormige verdiepingen voorkomen; ja, zelfs de kleine walletjes en hellingen van de kegels zijn vaak nog van zulke ringwalle≠tjes voorzien.

Men zal wel graag willen weten, waartoe dit alles op de onbe≠woonde oppervlakte van een hemellichaam dient. (Opmerking: behalve de Maangeesten, die geen fysiek lichaam hebben)

 

Maar wat zou u er van denken als Ik zou vragen waartoe al die puntjes, haartjes en veelsoortige inkepingen bij alle bladeren van de loofbomen, struiken en planten dienen en bij alle dergelijke variŽtei≠ten en ook bij alle overige dingen in de levende en niet levende schep≠ping. - Kijk, dan zou er veel verklaard moeten worden, vooral als je daarbij nog bedenkt hoe onberekenbaar belangrijk een enkel haartje in een meest onbetekenend mosplantje al is.

 

Kijk, des te meer is dat het geval met de halve oppervlakte van een hemellichaam; daarom kan Ik jullie daarover alleen maar iets zeggen in het algemeen. Al deze ringwallen op de Maanoppervlak≠te zijn ten eerste voor het opnemen van het aard magnetisme zo ge≠plaatst, dat de randen van de wallen als het ware zuigers voor dit niet te wegen fluÔdum zijn; ten tweede echter zijn dan de verschillende ver≠diepingen vaten voor het opnemen van dit fluÔdum.

 

De reden waarom ze niet allemaal even groot en diep zijn is, dat deze kracht verschillend moet worden verdeeld, zodat dan uit het gemiddelde van zo' n precieze verdeling een wel afgewogen proportie tot stand wordt gebracht, zo≠dat daardoor de ordelijke instandhouding en beweging van de twee te≠genover elkaar liggende hemellichamen onveranderlijk bepaald is. - Kijk, dat is in het algemeen de bestemming van de iets wonderlijk voorkomende vorm van de Maanoppervlakte!

 

Een tweede bestemming van bijna al deze diepten is, dat de zich daarin bevindende atmosferische lucht, die noodzakelijk is voor de instandhouding van al deze vormen, daar bewaard wordt zoals men water vindt in de bekkens op Aarde. Men zal vragen waar deze lucht vandaan komt? Ik zeg jullie: waar ook die van de Aarde vandaan komt, namelijk uit de grote voorraadkamer van de oneindige, overal met licht en ether gevulde ruimte! ís Nachts, dat wil zeggen als de naar de Aarde toegekeerde kant zonder licht is - vullen deze diepten zich helemaal met atmosferische lucht. Schijnt dan het zonlicht er zo langzamerhand overheen, dan vormt zich in deze talloze ketels een zeer rijkelijke dauw als neerslag van de zich daarin bevindende atmosferische lucht. Deze dauw verstevigt dan weer opnieuw alle delen van de Maanoppervlakte en sijpelt ook als zuiver water door het hele hemellichaam heen, ter ondersteuning van de aan de andere zijde liggende waterbronnen en de weer daaruit voortkomende nevelen en permanente luchtla≠gen, - Kijk, dat is dus een andere belangrijke bestemming van de won≠derlijk voorkomende oppervlakteformatie van de Maan. Wil je wel geloven dat al deze keteldalen op de oppervlakte van de Maan nog een derde belangrijke bestemming hebben?

 

O ja, al deze ketels zijn tevens woningen voor de geesten die zich moeten beteren, die uit de eerste graad van de hel werden gered door de daarheen gezonden leraren uit de betere en zuiverder wereld der geesten, die daarbij dikwijls hulp krijgen uit de eerste he≠mel. Als deze geesten daarheen worden gebracht, dan wordt hun uit de zich in de ketels bevindende lucht een aan hen gelijk zijnd lichaam terug gegeven, waardoor ze zowel geestelijke als ook - al naar gelang van de behoefte tot verbetering - materiŽle dingen kunnen zien. Als ze daar aankomen, bewonen ze eerst de diepste en voor jullie ogen tevens donkerste plaatsen van dit hemellichaam. Als ze zich beteren, dan wordt hun grovere luchtlichaam altijd in een fijner veranderd, waardoor ze dan ook in een hoger gelegen ketel komen; in de kleine ketels komen slechts enkelingen en in de grotere ketels gezelschappen van gelijkgezinden. Aan de oppervlakte kan men twee punten ontdekken die bijzonder licht zijn en wel de meest heldere in de onderste zuidelijke streek en de kleinere, iets minder heldere, op het noordelijk deel.

 

Deze twee punten zijn de verlossingspunten en wel het zuidelijke, waarvan de meeste lichtstralen uitgaan, voor degenen voor wie het niet nodig was in een Maanmensenlichaam opgelapt te worden - en het noorde≠lijke voor degenen, die op geen andere manier van hun liefde tot de Aarde te genezen waren dan door een hoogst kwellende invoeging in een allerarmzaligst lichaam van een Maanmens, van waaruit ze dan pas weer als geest voor een tweede keer in de luchtbekkens van de vanaf de Aarde zichtbare noordelijke oppervlakte van de Maan worden ge≠bracht en van daaruit langzamerhand naar de al genoemde noordelijke bevrijdingspunten omhoogklimmen. Men moet echter niet denken dat de reis door deze reservoirs zo gemakkelijk en vlug gaat als men dat misschien van geesten verwacht. Het gaat heel moeizaam; want zo dikwijls als een geest hogerop komt, moet hij in het vorige bekken net zo sterven als iedereen op aarde sterven moet. Dit sterven is ook altijd min of meer pijnlijk en wordt steeds begeleid door het gevoel van een mogelijke eeuwige vernietiging. Denk je in, dat zo'n geest vaak meerdere duizenden van zulke bekkens moet passeren en dat hij in zo'n bekken vaak een maand, soms ook een half jaar, ja vaak een heel jaar of langer moet blijven, dan kun je je ook van de tijdsduur van zo'n groeiproces een begrip vormen.

 

Op dit hemellichaam zijn nog geesten uit Abrahams tijd die hun reis nog niet voor drie vierde deel hebben afgelegd. Wat moet je dan van diegenen denken, die op dit moment, waarop je zit te schrijven, daar aankomen? (Opmerking: zulke geesten moeten daar tientallen duizenden jaren verblijven!) Dit is nu alles, wat nuttig is om te weten! Al het overige, van het kleinste tot aan het grootste zullen jullie in een meer volkomen geestestoestand stap voor stap in het grootste licht van Mijn genade zien, als jullie Mij boven alles liefhebben uit alle kracht die Ik je daartoe heb gegeven. Daarom is het ook niet nodig jullie meer over de bewoonde kant van de Maan mede te delen, vooral ook omdat die, wat de uiterlijke vorm betreft, volkomen gelijk is aan de onbewoonde kant, met alleen dat verschil dat daar de materie overheerst zoals hier het geestelijke.

 

Dat de dieren - en plantenwereld (op de bewoonde zijde van de Maan) voor de trapsgewijze vorming van de zielen van de Maanmen≠sen volkomen overeenstemt met de op deze zijde (d.w.z. de onbe≠woonde zijde) afgelegde luchtlichamen van de geesten, die - zoals eer≠der werd vermeld - door middel van het water door het hele Maan≠lichaam als het ware wegsijpelen en dat deze, op het magere niveau van vegetatie, en zo verder de hele rij van de dierenwereld door, weer belanden op de plaats van hun bestemming, dat alles zullen jullie eens pas in de meer volmaakte geestestoestand langs de weg van Mijn genadelicht duidelijk onderscheidend aanschouwen en inzien. Ten slotte zeg Ik jullie, dat Ik het ben die jullie dit alles verkon≠dig.

 

Ook aan jullie geef Ik Mij prijs, zoals Ik Mij eens in het hof van Gethsemanť aan de Joden, hogepriesters, FarizeeŽn en schriftge≠leerden heb prijsgegeven. Voor jullie echter is dit prijsgeven van Mij≠zelf ten Leven, zoals het toen was ten dode; want zoals toen de eeuwige Liefde zich prijsgaf ten gerichte en ten val, evenzo geeft zich nu diezelf≠de eeuwige Liefde aan jullie prijs ten leven en ter eeuwige opstanding! Dit is echter de grond en de verborgen, ondoorgrondelijke wijsheid van de eeuwige liefde, dat de val en de dood door het grote Ik voor jul≠lie werd tot leven en opstanding. Amen. Dat zegt de Ik van de dood tot het leven. Amen. (uit boek Johannes Evangelie)

www.zelfbeschouwing.info