Maanmensen

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: De mensen op de Maan zijn evenals op de Aarde, van beiderlei geslacht; ze werden echter pas ongeveer duizend jaar later door een ge­volmachtigde engel geschapen. Ze zijn maar iets meer dan twee voet groot en vertonen veel gelijkenis met de noordelijke dwergen. Ze hebben een heel grote buik, die bij hen een dubbele functie heeft; de ene functie is vertering van de spijzen door de maag, de andere functie is het door middel van een tweede maag verzamelen van een soort licht gas, wat hun een driedubbel voordeel geeft. Ten eerste maakt dit gas hen licht zodat ze, wegens gebrek aan hout, waardoor ze geen bruggen kunnen bouwen, heel gemakke­lijk over elke stroom heen kunnen springen. En zijn er erg brede rivie­ren of ook wel hier en daar binnenzeeën, dan kunnen ze als een vis ge­makkelijk over de oppervlakte heen zwemmen. Dat is dus het eerste voordeel van deze maag. Het tweede voordeel bestaat hierin, dat ze door het uitstoten van deze lucht een soort knallende geluiden voortbrengen, waarmee ze aan elkaar hun aanwezigheid in de onderaardse vertrekken kenbaar maken.

 

Ook gebruiken ze deze lucht voor een duidelijker spraak naar buiten want die is wel erg magertjes; want het spreken door middel van hun longen is erg zwakjes en zacht en deze spraak wordt alleen maar gebruikt door de in de maanmens levende geest, die daar ter ver­betering is ingebracht. De eigenlijke Maanmensen hebben aanvanke­lijk een afschuw van deze taal. Als de geest echter langzamerhand beter wordt, dan raakt de ziel van de Maanmens bevriend met de te verbete­ren inwonende geest van een Maan-aardemens. Als de ziel van de Maanmens volkomen één wordt met de verbeterde geest, dan veroorzaakt deze toestand dan ook de meestal pijnloze dood van het Maanmensenli­chaam.

 

Een derde voordeel van deze lucht in de maag is dat ze hun ondergrondse holen verwarmen door deze lucht vaak tijdens de kou­de nacht uit zich te laten stromen; dat gebeurt op de volgende manier: Omdat hun woonholen er uitzien, of liever van binnen zo zijn uitge­hold, dat ze ongeveer op een stompe grote klok lijken, waarvan de in­gang van de bodem af door een soort trap wordt bereikt, verzamelt zich de uitgestoten, lichte lucht onder deze luchtdichte woonklok, maakt de woning draaglijk warm en verhindert het vrije binnenstro­men van de atmosferische zeer koude buitenlucht; hiervan wordt dan door dit lichte gas zoveel opgenomen, als absoluut noodzakelijk is voor het fysieke leven. Hetzelfde doel heeft die maaglucht ook gedurende de onver­draaglijk hete dagen, wanneer deze Maanmensen eveneens onder de aarde moeten gaan, alleen met dit onderscheid dat dit gas door de in­werking van de spijsmaag in afkoelende zuurstof wordt omgezet, waardoor dan ook hun klokvormige woning, door het veelvuldig uit­stoten, voor het binnendringen van warme lucht wordt behoed. Dit was dus het derde voordeel van de windmaag. Een andere eigenaardigheid van deze mensen is, dat hun oog een tweevoudige eigenschap heeft. De eerste eigenschap is die van het zien, zoals bij de mensen op Aarde.

 

De tweede is dat hun ogen hen als licht dienen in hun donkere kamers, welke eigenschap zelfs op Aarde bij bepaalde dieren evenals bij mensen in verschillende streken aangetroffen wordt en wel bij diegenen wier pupil rood is zoals die van konijntjes. Nog een andere eigenaardigheid van deze mensen is het ongewoon sterke gehoor, waardoor ze in staat zijn het zwakste geruis vanaf een zeer grote afstand heel gemakkelijk te horen, daarom zijn hun oortrechters dan ook heel wat groter en compacter. De mannen zijn veel sterker dan de vrouwen, maar niet in dezelfde verhouding als op Aarde, maar zoals de kracht van een tienja­rig kind zich verhoudt tot die van een volwassen man. Daarom zijn de­ze mannen van de Maan dan ook echt teder tegenover hun vrouwen en dragen hen letterlijk niet slechts op handen, maar ook op hun schou­ders, zodat de voeten aan beide kanten van de hals op de borst hangen, waardoor dan altijd twee mensen boven elkaar worden gezien.

 

De vrouw mag daar bijna helemaal geen arbeid verrichten en wordt door de man gevoed en wel zo, dat de man zelf de spijzen van te voren goed doorkauwt en die dan vanuit zijn mond in die van de vrouw geeft. Zij komt alleen maar in noodzakelijke gevallen buiten de woning en komt bij vergevorderde zwangerschap van zijn schouders af. Een vrouw baart daar in haar leven maar twee keer, één keer 's nachts en één keer overdag, maar brengt steeds vier levende kinderen ter wereld en wel overdag vier mannetjes en 's nachts vier vrouwtjes. De kinderen kunnen dadelijk al lopen en de mannetjes worden er al dadelijk aan gewend vrouwtjes te dragen. Dat de kinde­ren vaak al jong sterven is een net zo natuurlijke zaak als op Aarde. Ze worden pas door vreemde geesten in bezit genomen als ze honderd of meer dagen oud zijn.

 

Alle Maanmensen hebben een tweede gezicht en worden van binnenuit door de daarheen gestuurde engelengeesten onderwezen in de Godskennis. Het onderwijs dat ze daar van die engelengeesten krijgen is een onderricht voor de inwonende geest van de aardmens en zo wordt de schade die een mens op Aarde door zijn uiterst dwaze wereldse houding aan zijn ziel heeft toegebracht, door de ziel van de Maanmens hersteld. Daardoor heeft dan zo iemand die op de Maan moeizaam verbeterd is, een gerepareerde ziel en zal zich daardoor eeuwig van de volkomen zuivere geesten onderschei­den. Hij zal nooit in hun vrije gezelschappen kunnen komen, maar hij zal zich tot hen verhouden als de Maan tot de Aarde; deze begeleidt de Aarde wel steeds, maar kan haar nooit naderen als de ene vriend de an­dere.

 

Alleen die geesten, voor wie het niet nodig was om ter verbetering in een Maanmens gelegd te worden, maar die als geesten al een vreselijke afschuw van de Aarde kregen, worden daarvandaan naar de hogere regionen gevoerd en ze kunnen dan in het kinderrijk wor­den opgenomen, wat de hoogste trap van zaligheid voor hen is. Maar het is voor hen onmogelijk om hoger te komen; want hun beperkte hoedanigheden zouden niet in staat zijn een hogere toestand te verdra­gen, net zomin als een mens op Aarde, zolang hij nog in zijn lichaam leeft, het in de fijnste ether zou kunnen uithouden.

 

Kijk, dat is het lot van de beste wereldgezinde mensen. Want wie niet uit liefde tot Mij vrijwillig van de wereld afstand doet, maar bij wie door Mijn grote erbarming al het wereldse door zulke buitenge­wone dwangmaatregelen moet worden uitgedreven, die heeft niet vrij gehandeld; wie echter niet vrij handelt, handelt als een slaaf. Wie kan echter de gedwongen handelingen van een slaaf beschouwen als diens eigen verdienste?

Als een slaaf echter de hem dwingende voorwaarden vervult, dan is, ondanks dat, zijn handelen toch zoveel waard, dat men hem brood als voedsel reikt, opdat hij ook zal leven in zoverre hij, wel noodgedwongen, maar gewillig heeft gewerkt. Hier is duidelijk uiteengezet, waarom zulke wezens tot geen hogere zaligheid in staat zijn dan kinderen, die van hun aardse leven overgaan naar het geestelijke, want deze Maanmensen zijn niets anders dan blindelings gehoorzame slaven en moeten dat ook zijn. (Bron: Grote Johannes Evangelie Jakob Lorber)

www.zelfbeschouwing.info