Maan leert kuis te zijn

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: In het eerste Johannesdeel hfdst. 56 wordt de Maan een kuise planeet genoemd. Aan Martinus, de aardse bisschop werd door Petrus een ernstige vermaning toegesproken vanwege zijn grote zinnelijkheid, die nog in hem gevonden werd, toen hij aan genezijde wandelde met Jezus en Petrus in de sfeer van de natuurlijke Zon. Petrus zegt dan tegen Martinus, die zoveel kwebbelde: 'Ja, dat is met jou vaak wel het geval. Maar de oorzaak daarvan is dat je, zonder daartoe door de Heer te zijn geroepen, aan één stuk door praat en vraagt. Bovendien heb je ook nog een aanzienlijke portie zinnelijkheid in je, die in je ziel als kleine slangen heen en weer krioelt. Dat vertroebelt voortdurend de zinnen van je geest dusdanig, dat je alleen pas dan in staat zult zijn een beetje wijzer te praten, als de in je rustende zinnelijkheid niet door uiterlijke prikkels opnieuw wordt opgewekt. Ik vraag je echter om wille van de Heer, sluit toch eindelijk een verbond met jezelf en begeer voortaan niet meer, wat je geest niet waardig is! Dan zal het inzicht van je geest steeds helderder worden en je zult altijd woorden spreken vanuit de zuiverste wijsheid. Indien je dat echter niet ernstig doet, zul je nooit van je domheid afkomen.

 

En de Heer zal je, in plaats van je hoger te brengen, op de Maan van deze Aarde plaatsen, 1000 jaren lang - volgens de natuurlijke tijd van de Aarde. Er zullen nu meteen een aantal van de allermooiste en bekoorlijkste vrouwen en dochters van de Zon tevoorschijn komen. Ik zeg je in naam van de Heer in volle ernst: Tot hiertoe en niet verder is de Heer van plan je te leiden om je eindelijk van je zinnelijkheid los te maken. Als je deze beproeving zult doorstaan, dan zal het heel goed voor je zijn. Zul je daarin echter niet staande blijven, dan zul je door ons plotseling verlaten zijn en je in plaats van op de Zon op de kaalste bodem van de Maan bevinden en met een wijze van die planeet heb je vroeger al eens kennis gemaakt. Want zie, alles wat sedert je aankomst in onze geestenwereld met jou en om jou heen gebeurde, dat gebeurde allemaal hoofdzakelijk terwille van jou, om een flinke werker in de grote wijngaard van de Heer uit je te maken.

 

De Heer Zelf zei ook al tegen je, dat je voor Hem vooral op deze wereld een nuttige dienaar zou kunnen zijn, en daarom doet Hij ook zulke grote dingen om uit jou een goede engel te maken. Maar je moet zelf ook iets doen, als de Heer zo veel doet, anders zul je een uiterst ongunstig lot over jezelf afroepen. En je zult dan in het echte Godsrijk, dat je tot nu toe nog steeds onbekend is, in het beste geval niets anders dan een armzalige voddenraper worden! (Opmerking:Martinus bevindt zich nog niet in de echte of volledige hemelse sfeer!)

 

Nu weet je, wat dit allemaal betekent. Beheers je daarom nu eindelijk eens voorgoed, wees ernstig en goed en als een al te grote schoonheid je in de war wil brengen, kijk dan naar de Heer en je zult al gauw rust vinden. Want je moet het zo ver brengen, dat nog veel en veel grotere schoonheden je nooit meer in hun ban krijgen en wel daarom, omdat je van de Heer bent en eeuwig wilt zijn. Dan pas zul je geschikt zijn om in de ware hemel te worden opgenomen, waar zaligheden zonder naam en tal op je wachten, waarvan je nu nog geen vermoeden hebt. Want tot nu toe heeft je oog nog niet aanschouwd, wat de Heer voor diegenen heeft bereid die Hem waarachtig en getrouw liefhebben. En die niet net als jij bij de aanblik van de gladde ronding van een vrouwenhuid Hem bijna helemaal vergeten, zolang hun toestand nog maar enigszins draaglijk is, en pas dan weer tot Hem hun toevlucht nemen, als ze door hun grenzeloze dwaasheid tot hun nek in een poel zijn weggezonken. Zie Martinus, tot nu toe was je toch bijna altijd zo geaard en was je volgens je eigen herhaaldelijke bekentenissen steeds meer rund dan mens. Nu we echter het doel nabij zijn, leg dan in naam van de Heer het dierlijke eindelijk eens helemaal van je af! Leg de oude Adam volkomen af en trek in alle liefde Christus volkomen tot je, dan word je meteen opgenomen in de ware eigenlijke, vaste hemel, in het Nieuwe Jeruzalem, waar ik, Johannes en talloze anderen al heel lang burgers van zijn. Martinus, heb je me nu begrepen?'

 

Martinus zegt heel nadenkend: 'Dus - nog steeds beproeving, mijn beproe­ving! Dus dit alles alleen ter wille van mij! O God, o God, wanneer zullen deze beproevingen dan toch eindelijk voorbij zijn? Ik zal misschien wel zo lang beproefd worden, tot ik niet voor de hemel, maar voor de hel rijp genoeg ben. Daarom moet ik nu waarschijnlijk zo veel van het hemelse proeven, opdat de hel mij dan des te verschrikkelijker zal voorko­men? Hoe dikwijls heb ik al gehoord, dat men tegen me zei: 'Nu Martinus, lieve broeder, ben je volmaakt!' Maar als ik dus volmaakt ben, kan en moet ik dan voor de eigenlijke hemel nog méér dan volmaakt zijn? O God, U had me beter nooit kunnen scheppen, dan zou mijn niet-zijn zaliger zijn dan nu mijn bestaan onder louter beproevingen tussen hel en hemel!  Weliswaar weet ik nu, hoe ik er aan toe ben en ik dank je, lieve broeder Petrus. Maar ik zeg je ook: met deze onthulling heb je ook reeds met één slag aan alle beproevingen voor mij een eind gemaakt! Je kunt nu engelen of duivels voor mij laten aanrukken, dan zal me dat net zo om het even zijn als mijn toekomstige zijn of niet-zijn, of hemel of hel! Want als dat ook nog beproevingen zijn en ik niet anders dan aan één stuk door beproefd word, dan stel ik me van een verder leven niet veel meer voor!

 

En bij God, jij zei eerder iets over een kale Maan. O zet mij daar maar gauw, maar dan voor eeuwig neer! Daar zal ik gelukkiger zijn dan hier onder deze voortdurende beproevingen, waaruit ik maar al te duidelijk zie dat ik, - hoewel jullie eerste hemelvorsten om mij heen zijn samen met de Heer, - in plaats van naar de hemel naar de hel wordt gebracht! Maar het moge nu zijn zoals het wil. Zoals ik al heb gezegd: laat nu maar engelen of duivels voor me verschijnen, dat zal mij om het even zijn; want van nu af aan zal ik zwijgzamer zijn dan een steen!' Petrus zegt: 'Broeder, laat die angel vallen! Want deze is de dood, die de ontucht van het vlees in zich draagt. Zijn naam is 'toorn', waarom ook kinderen van het vlees 'kinderen van de toorn' worden genoemd! - Maar nu komen ze ook al naar buiten. Wees daarom kalm; jouw ernst zal je van nut zijn!' (Bron: Martinus 1:59-60) (Opmerking: zelfs ook Swedenborg schrijft in zijn boekje ‘Aardbollen’ iets over de geesten en de bewoners van de Maan.)

www.zelfbeschouwing.info