Maan door geestesoog bekeken

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Maar toen begon de schaduw van de Aarde op de Maan al zichtbaar te worden. Aller ogen waren nu op de Maan gericht en volgden het voortschrijden van de schaduw. Weldra werd de hele Maan donker, en bij deze gelegenheid werd er een veel groter aantal sterren zichtbaar dan eerder bij het licht van de volle Maan. Toen vroeg Lazarus Jezus: 'Heer, hoe komt het, dat er nu zoveel sterren zichtbaar geworden zijn, die je eerder niet zag?'

 

De Heer zei: 'Dat komt, beste broeder, omdat het sterke licht van de volle Maan je oog niet beďnvloedt. De pupil van je oog is nu erg verwijd en je kunt daardoor ook het heel zwakke lichtschijnsel van zeer ver weg staande sterren waarnemen. Overdag zie je helemaal geen sterren omdat het licht van de zon de pupil van je oog noodzakelijkerwijs erg verkleint. Het oog van de mens is door God zo kunstig gevormd, dat het iedere gradatie van het licht kan waarnemen en zelfs precies kan berekenen. Maar hoe kunstig het lichamelijke oog van de mens ook gebouwd is, het is toch niet te vergelijken met het wonderbaarlijke geestesoog, dat alles in de juiste proporties en ook door en door ziet. Let maar eens goed op hoe de kleinste sterren langzaam maar zeker zullen verdwijnen wanneer de Maan nu uit de schaduw van de Aarde komt, dan kun je je ervan overtuigen dat dat door het steeds sterker wordende licht van de Maan komt. Heel anders is dat met het oog van de ziel. Dat wordt niet beďnvloed door het aardse licht, en nachtelijke duisternis van de Aarde of hellichte dag maken voor dat oog geen verschil.

 

Voor de ziel is het alleen maar voortdurend dag en nooit nacht, dat wil zeggen voor een ziel die in Mijn licht leeft en werkt; maar voor een ziel die alleen maar in het licht van deze wereld werkt, dat wil zeggen volgens de wereldse leer leeft, is er aan gene zijde ook alleen maar nacht en duisternis. Let nu allen echter op! Ik zal jullie voor enige ogenblikken, in zekere zin met geweld, innerlijk laten ontwaken en de Maan zo laten zien alsof jullie erop stonden!”

 

Toen wilde Ik dat, en allen slaakten tegelijkertijd een kreet van ontzetting, en Lazarus vroeg Mij zijn geestesoog weer te sluiten, want hij vond de Maan te woest, te verlaten en te leeg. Maar IK zei: 'Kijk eens wat beter, dan zullen jullie wel wezens ontdekken die op mensen van deze Aarde lijken!' Toen spanden allen zich in om nog beter te kijken en toen ontdekten zij menselijke wezens, en wel op de kant die steeds naar de aarde toegekeerd is, een soort luchtige, bijna geheel doorzichtige en daarbij toch erg kommervol uitziende kleine menselijke wezens, die hun volkomen vreemd voorkwamen; maar op de andere kant van de Maan beviel het hun iets beter. Omdat zij deze echter nu tijdens de veertien dagen durende nacht van de Maan zagen, vonden zij ook vanwege heel natuurlijke, op de Maan heersende toestanden de mensen en de weinige dieren daar in diepe slaap.

 

Toen allen zo de hele Maan bezichtigd hadden en al begonnen te zeggen dat zij nu de Maan meer dan lang en goed genoeg gezien hadden en Ik hun ook het innerlijke gezicht wel weer kon ontnemen, deed Ik dat dan ook; want allen werden een beetje bang dat zij nu misschien zelfs in deze zeer treurig uitziende wereld zouden moeten blijven. Toen zij allen de Maan weer met hun lichamelijke ogen zagen, waren zij erg blij, en één van de oudsten van de Joodse Grieken zei tegen Mij: ‘Heer, als er in Uw grote schepping ergens een wereld is waar de zielen als verdoemden gekweld worden, dan is de Maan daar volkomen geschikt voor, vooral op deze naar ons toegekeerde kant! En die vreemde, erg lelijke, donkergrijs doorzichtige en mistig luchtige menselijke wezens zijn zeker niets anders dan zulke in het geheel niet te benijden, ongelukkige zielen. Als een mens op onze Aarde door streken en landen reist, komt hij van de ene mooie streek vaak in een nog veel mooiere; maar op de wereld daar boven is het precies omgekeerd. Reeds de eerste en zeker nog de beste plaats die men ziet, ziet er al zo ontzettend wild en woest uit, dat men er van schrikt als van een monster.

 

De andere plaatsen en streken zijn echter nog veel afschrikwekkender en ontzettender, en in die streken wonen menselijke wezens die er zo treurig en verkommerd uitzien, dat men de bewoners van onze slechtste en stinkendste poelen bij hen vergeleken ware koningen zou kunnen noemen. Heer, Heer, wat zijn dat toch voor wezens?' IK zei: 'Ja, ja, dat zijn nu niet bepaald erg gelukkige wezens, en zij hebben veel van de hel in zich, maar zij kunnen en zullen mettertijd toch naar een beter leven overgaan, -maar dat zal niet zo snel gebeuren. Degenen die zich al op de oppervlakte van die Maanaarde bewegen en een bepaalde doorzichtigheid gekregen hebben, zijn er in ieder geval al beter aan toe; maar degenen die nog in de diepe holen, gaten en kraters wonen, maken het nog slecht, en het zal nog geruime tijd duren voor zij naar een betere levenstoestand zullen overgaan. Kijk, het zijn zielen van mensen van deze Aarde, die tijdens hun lichamelijke leven bovenmatig toegegeven hebben aan een ontzettende liefde voor de wereld en voor zichzelf. Deze zielen, die in feite merendeels stoffelijk zijn ingesteld, krijgen op de Maan uit zichzelf een soort halfstof­felijk lichaam, waardoor zij ook nog de kwade stoffelijke indrukken, zoals kou, hitte, alsook het licht van de Zon en de weerschijn van deze Aarde en de andere planeten waarnemen; maar zij kunnen hun hebzucht niet meer niet in iets aards stillen.

 

Zij zien de Aarde erg goed, en weten ook hoe goed zij eens op haar bodem geleefd hebben, waar zij veel goederen en aanzien bezaten en veel mensen hen dienden; nu zijn zij alleen aan zichzelf overgelaten en naakt, en hebben behalve de heel dunne lucht totaal geen voedsel, zelfs geen water en al helemaal geen wijn. De bodem van hun aarde is een soort puimsteen, en er groeit zelfs geen mos. En daarom is de Maan voor zulke zielen een heel geschikte plaats om behoorlijk van al het materiële ontdaan te worden en tot het inzicht te komen dat alle aardse goederen erg bedrieglijk en waardeloos zijn; en tenslotte maakt zich het verlangen van hen meester om helemaal te vergaan en niet meer te bestaan. Velen proberen zichzelf te doden, anderen zich door een soort slaap te onttrekken aan elke verdere wereldbeschouwing; maar noch het een noch het ander lukt. Dan beginnen zij te zoeken of er niet de een of andere uitweg uit de holen en dalen van hun lijden voert naar een streek waar zij misschien wijzere mensen zouden kunnen ontmoeten om met hen over de oorzaak van hun erg treurige bestaan te spreken. En kijk, dan vinden zij met veel moeite en inspanning een uitweg. Dan komen zij op grote vlakten, beklimmen de zeer hoge bergen en ontmoeten daar ook wijze geesten, die hen wijze lessen geven en ook vertellen dat er een almachtige, wijze, goede God bestaat, in wie zij moeten geloven en die zij moeten liefhebben, en dat het hen ook gauw beter zou vergaan als zij dat zouden doen.

 

Dat nemen zij dan graag aan en zij worden daarna al gauw bevrijd van hun materie en krijgen een geestelijk gewaad en worden vervolgens naar een andere Aarde, bijvoorbeeld Venus of Mercurius, later naar Jupiter, Saturnus en nog andere planetaire aarden gebracht. Daar ontdoen zij zich dan gewoonlijk al van al het stoffelijke, juist door de materie van de kleine (Manen) en grote aarden (planeten) die zij moeten doorlopen. Daarna kunnen zij naar de Zon overgaan, waar zij zich dan heel veel wijsheid en ook liefde eigen kunnen maken. Dan worden zij pas zuivere geesten en gaan zij over naar de zuiver geestelijke zon, waar waarlijk geen gebrek is aan talloze, zeer wijze leerscholen. Zo worden dan zulke erg aan de stof gehechte mensen na verloop van zeer lange tijd ook zuiver, en kunnen genieten van een grote zaligheid; maar zij kunnen nooit komen waar een van de minste van Mijn kinderen zal komen.

 

Maar ook deze Maanbewoners in ellende zullen verlost worden wan­neer Ik weer teruggekeerd zal zijn naar de plaats vanwaar Ik gekomen ben. Dus weten jullie nu wat de Maan is?' Lazarus zei: 'ja, Heer, dat weten wij nu heel precies, dat wil zeggen, wat betreft de kant die naar ons toegekeerd is! Maar de achterkant schijnt meer overeen te komen met onze Aarde. Wij zagen daar gewassen en wateren, en wij zagen daar ook wolken aan de hemel. Wat is daar dan?' De Heer zegt: ‘Zulke natuurlijke mensen als bijvoorbeeld in het hoge noorden van deze Aarde zijn natuurlijk vanwege de heel andere dag­ en nachtom­standigheden van die Maan enigszins anders georganiseerd. De rest zal de geest jullie leren’. (GJE 6-156-157)

www.zelfbeschouwing.info