Dieren op de Maan

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Evenals op Aarde zijn op de Maan vele soorten klassen van dieren, zowel in de lucht als op de Maan-aarde en in het water. Onder alle dieren is maar één tamme soort dat in aardse taal ‘Maanschaap' heet; alle andere soorten zijn niet tam, dat wil zeggen, dat ze niet dienstbaar zijn in de menselijke samenleving. Dit Maanschaap is voor de Maanbewoners dat, wat het rendier is voor de noordelijke volken. Het ziet er als volgt uit: het lichaam is helemaal rond, als een volle zak meel. Dit lichaam wordt op vier poten gedragen die niet lan­ger zijn dan een handbreedte, en voorzien zijn van vier hoeven. Zijn kop is volkomen gelijk aan die van een aards schaap en zit op een hals van een el lengte en een vierde el dikte. Het heeft twee lange oren, die lijken op die van een ezel. Op zijn kop heeft het maar één hoorn, die voorzien is van naar alle kanten gerichte vingerlange, zeer scherpe uitsteeksels. Verder heeft het nog een staart, die op de staart van een leeuw lijkt, met aan het eind een flinke bos haar. Zijn kleur is wit en zijn hele lichaam is, zoals bij aardse schapen, met wol be­dekt. Het is van groot nut voor de Maanbewoners. Ten eerste voedt het hen met zijn overvloedige, goudkleurige melk. Ten tweede maakt de Maanmens uit zijn rijkelijke wol al zijn kleren, die bestaan uit een soort hemd en mantel, die door beide geslachten gedragen worden. Ten derde maakt het met zijn hoorn de aarde los en de mensen gooien dan in de losgewoelde aarde de zaden van wortel­vruchten, die dan in veertien dagen naar aardse tijd gerekend, tot volle rijpheid komen. Zo'n dier wordt vaak driehonderd maandagen oud. (Opmerking: dat is circa 300x28=8400:354= ruim 23 jaar)  Als het sterft wordt het gestroopt en zijn vel wordt in de onderaardse kamers als bed gebruikt, maar het vlees wordt naar een insectenhoop gesleept; de insecten lijken veel op jullie mieren. Deze eten in korte tijd al het vlees van de beenderen af en als dit gebeurd is, komen de mensen weer, nemen de beenderen benevens de hoorn mee en maken daar hun werktuigen van. Dit is het nut van dit tamme dier.

 

Er zijn nog veel dieren op de Maan-aarde, die min of meer gelijkenis vertonen met de dieren op Aarde; maar ze zijn allemaal kleiner dan deze en ook kleiner dan het al bekende schaap, dat als het ware de koning der dieren is. Onder alle Maandieren zijn naast het schaap vooral twee soorten de aandacht waard; dat is ten eerste de driepotige muilaap en ten tweede de éénpotige duiker en springer. De driepotige muilaap heeft de grootte van een kat. Zijn kop lijkt op die van een aap met dat verschil, dat hij zijn muil tot halverwege de hals kan openen. Zijn twee voorpoten lijken volkomen op apenpoten, maar wat zijn enige achterpoot betreft, die lijkt op de slurf van een olifant en kan tot een handbreedte samengetrokken wor­den, waardoor hij dan ook in een verhouding tot het hele dier heel dik wordt, maar hij kan in het tegenovergestelde geval tot een lengte van twee meter worden uitgerekt.

 

Jullie zullen wel vragen: Waarom zo'n wonderlijke gestalte? Kijk, zoals we al weten is de temperatuur van de Maan heel anders dan de temperatuur op Aarde. In verloop van bijna 28 aarddagen wordt de Maan-aarde met meters dikke sneeuw bedekt, daarna in de volgende zeven aard(maan)dagen (98 aardse dagen) vaak in alle richtingen overstroomd en spoedig daarna weer door een niet uit te houden zonnehitte geteisterd. Kijk, de muilaap moet zich steeds, vanwege zijn bestemming, in de atmosferische lucht bevinden en daardoor heeft hij zijn slurfach­tige voet nodig; want tijdens de nacht of winter staat hij op zijn ver­lengde voet en reikt zo boven de oppervlakte van de sneeuw uit en lokt daar een soort nachtvogels, die wel lijken op kleine vleermuizen, naar zich toe en vangt ze daar of laat ze eigenlijk veel meer in zijn wijd opengesperde, weldadige warmte uitstralende muil naar binnen vlie­gen en verteert ze dan snel. Dat was dus één bestemming van die lange voet.

 

Als de sneeuw echter begint te smelten en het water vaak meerdere voeten hoog de mijlenverre vlakten overdekt, die ook op het bewoonbare gedeelte van de Maan door hoge gebergten worden omringd, dan moet dit dier als hij niet wil verdrinken, dank zij deze achterpoot weer boven de watervlakte uitkomen. Tijdens de hitte van de dag gaat hij de rivier in en staat daar vaak dagenlang zo in het water, dat zijn kop en twee poten boven de oppervlakte van het water uitsteken. Stijgt het water, dan verlengt hij zijn voet en zakt het, dan maakt hij zijn voet evenredig korter. Valt zo'n rivier dikwijls hele­maal droog, dan beweegt hij zich zo voort, dat hij vooruitschuift door zijn achterpoot zover mogelijk te verlengen. Met zijn voorpoten houdt hij zich dan aan iets vast, totdat hij de slurfvoet helemaal heeft ingetrokken, waarop hij weer de vier lange tenen aan het eind van zijn achterpoot in de aarde steekt en zijn hele lichaam weer tamelijk behendig vooruitschuift. Deze gang houdt hij zolang vol, tot hij weer water heeft bereikt waar hij zich dan weer vlug in begeeft evenals tevoren, op zijn achtervoet. Overdag bestaat zijn voedsel uit een soort vliegende kreeften, die wel wat lijken op het vliegende hert van de Aarde.

 

Wat de zogenaamde springers en duikers betreft, deze dieren hebben één poot en zijn een soort variëteit van de muilaap. Ze bezitten echter een veel grotere elasticiteit in die poot dan de muilaap, waardoor ze zich ook springend kunnen voortbewegen. 'Duiker' heet hij, omdat hij in staat is zich zo samen te trekken, dat hij in ineengedoken toestand er uit ziet als een middelgroot brood dat op de grond ligt. Als hij dan echter wil springen, rekt hij zich plotseling uit tot een lengte van vijf el. Door dit plotseling uitrekken werpt hij zich ongeveer vier of vijf meter omhoog, hij springt altijd in de vorm van een boog, zodat een dergelijke sprong niet zelden een lengte van tien tot veertien meter bereikt. Hij springt meestal heel vlug na el­kaar en is, vooral overdag, zo snel, dat hij elke vogel in de lucht inhaalt. Zijn voedsel is gelijk aan dat van de muilaap en zo ook zijn woonplaats. Zulke dieren bewonen met nog veel anderen alleen maar de vlakten en komen zelden met de mensen in aanraking, omdat deze alleen op de bergweiden wonen.

 

Op de bergen wonen behalve de bekende schapen en de mierachtige insecten, alleen nog maar een groot aantal kleine vogels, wier grootte nauwelijks die van de aardse spreeuw evenaart; de klein­ste zijn niet groter dan jullie vliegen. Ook het water is door allerlei soorten vissen en wormen bewoond en vooral door heel veel kleine kreeften, waarvan al eerder een vliegend soort werd vermeld. Ook zijn er schaaldieren zoals deze voorkomen in de zeeën op Aarde. Van deze soort is de zogenaamde 'blauwe kogel' merkwaardig, omdat dat een dier is dat zijns gelijken op Aarde niet heeft. Deze blauwe kogel kan zich in twee halve kogels delen, die dan met kleine spierbandjes verbonden blijven. Hij voedt zich door wormen tussen de beide halve kogels sa­men te wrijven, het vocht in zich op te zuigen en de overblijfselen weer met water weg te spoelen. Deze 'blauwe kogel' die de grootte heeft van een flinke meloen, bezit nog de eigenschap, dat zijn oppervlak ‘s nachts zo sterk glanst, dat de stromen en de meren daardoor een veel lichtere glans krijgen dan de zee op Aarde onder de keerkringen; want men zal nog wel niet weten dat de zee onder de keerkringen op Aarde zo'n sterk licht geeft als de sneeuw bij volle Maan. Alle overige Maandieren zullen wel van minder belang voor jullie zijn, omdat ze ten eerste veel gelijkenis vertonen met de dieren op Aarde - alleen zijn ze in verhouding veel kleiner - en ten tweede omdat jullie hun geestelijke bestemming nu nog onmoge­lijk kunnen begrijpen; en ook al zouden jullie die begrijpen, dan zou dat jullie van even weinig nut zijn als de sneeuw die duizend jaar vóór Adam op Aarde viel. Bron: GJE Jacob Lorber

www.zelfbeschouwing.info