Licht in de duisternis

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: De Heer: ‘Dat is dan ook de reden, waarom het licht aan de eigen kinderen zal worden ontnomen, en waarom Het in alle volheid aan jullie zal worden gegeven! Daartoe leg Ik in jou, als Kind, het zaad, dat Mij eens de boom zal opleveren, waaraan in der eeuwigheid de edelste vruch­ten zullen groeien voor Mijn Huis! Maar de vijgenboom, die Ik reeds in Abrahams tijd heb ge­plant bij de kinderen van mijn volk in Salem, een stad, die Ik met eigen handen in Melchizédek heb gebouwd, die vijgenboom zal Ik vervloeken, omdat die niets dan bladeren voortbrengt. Waarlijk, tot nu toe heb Ik altijd honger gehad! En, hoewel Ik hem vele malen door goede tuinlieden liet bemesten, gaf hij mij toch geen vruchten!’

                                                                                         

Nog voordat er een eeuw vervlogen zal zijn, zal deze stad, die Mijn eigen hand voor Mijn eigen kinderen heeft gebouwd, aan jullie, vreemdelingen, ten prooi vallen: de zoon van jouw broeder zal tegen Salem het zwaard opnemen! Maar, zoals jij nu deze ar­men aanneemt als kinderen, zo zal ook Ik jullie, vreemdelingen, aan­nemen als Mijn kinderen en zij zullen de kinderen van Mijn eigen volk buiten werpen! JVJ-152-14-19

 

Wie een vriend is van het licht, zal niet ’s nachts maar overdag wandelen en zal het licht direct herkennen, omdat hij uit het licht is. En dit licht heet: het geloof van het hart. Wie gelooft dat de Mensenzoon een licht uit God is, heeft het leven al in zich. (GJE 1-21)

 

God is Zelf licht in het licht van Het Licht. Wie of wat was dan wel dit Licht, deze grote gedachte, deze heilige grondgedachte van al het toekomstige, werkelijke, vrije bestaan? ‑Dat was niemand anders dan God Zelf, omdat in God, door God en uit God onmogelijk iets anders dan God Zelf Zich in Zijn eeuwig volkomen wezen liet zien; en daarom mag deze tekst ook als volgt luiden: 'In God was het Licht, het Licht vloeide door God en straalde om God en God Zelf was Het Licht'.

 

Het getui­gt, dat het ervoor beschreven 'woord' of 'licht' of 'de grote scheppingsgedachte' niet ontstaan is in de loop van het God­delijke bestaan, maar dat het met God, als een deel van Hem, eeuwig is en daarom nooit iets kan zijn, wat met een vroeger ontstaansproces te maken heeft. Daarom geeft het tweede vers als een soort getuigenis de verklaring: Het bestond altijd al in de diepste grond van al het zijn en al het latere worden, als een deel daarvan in en uit God, en was dus Zelf geheel en al God. bron: GJE1‑1

 

(In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Joh. 1:1)

Dit vers heeft al heel wat veelsoortige onjuiste verklaringen en interpretaties ten gevolge gehad. Uitgesproken godloochenaars maakten zelfs juist van deze tekst gebruik om daarmee met nog meer succes Mijn goddelijkheid te bestrijden, omdat ze het bestaan van het Opperwezen over het algemeen verwierpen. Wij willen het nu niet over deze kunstgrepen hebben, waardoor de verwarring slechts groter in plaats van kleiner zou worden, maar meteen met de kortst mogelijke uitleg voor den dag komen. Deze uitleg, die zelf licht is, in het licht van Het Licht, zal vanzelf de dwalingen bestrijden en te niet doen.

 

‘Als U daarentegen een vriend van het licht bent, van de dag, de waarheid uit God, dan handelt u ook naar de goddelijke waarheid en zult u zeker vurig wensen dat uw werken voor alle ogen aan het licht zouden komen en voor iedereen openbaar worden. Want u weet dat uw werken, omdat ze in het licht van Gods waarheid verricht zijn, goed rechtvaardig zijn en daarvoor erkenning en openbare beloning ver­dienen. Zo 'n vriend van het licht zal niet 's nachts, maar overdag wandelen en zal het licht direct herkennen, omdat hij uit het licht is. En dit licht heet - het geloof van het hart. (GJE1-22:14,15)

 

Wie of wat was dan wel dit Licht, deze grote gedachte, deze heilige grondgedachte van al het toekomstige, werkelijke, vrije bestaan? -Dat was niemand anders dan God Zelf, omdat in God, door God en uit God onmogelijk iets anders dan God Zelf Zich in Zijn eeuwig volkomen wezen liet zien; en daarom mag deze tekst ook als volgt luiden: 'In God was het Licht, het Licht vloeide door God en straalde om God en God Zelf was Het Licht' (bron: GJE1-1:7)

 

Licht in het begin?

De uitdrukking 'In den beginne' is erg onjuist en versluiert de innerlijke betekenis in hoge mate. Zoals het er nu staat zou daarmee zelfs het eeuwige bestaan van het Opperwezen bestreden en in twijfel getrokken kunnen worden. Dit is dan ook door een aantal denkers van deze wereld gedaan, en men kan wel stellen dat de godloochenaars van deze tijd uit hun school zijn voortgekomen. Als we nu echter deze tekst herwaarderen, zal het omhulsel maar zeer dun blijken, en dan zal het niet moeilijk zijn de innerlijke betekenis, door dat nauwkeurig te onderkennen.

De juiste vertaling luidt: 'In de diepste grond, of ook wel in de grondoorzaak (van al het zijn), was het Licht (de grote heilige schep­pingsgedachte, de werkelijke idee). Dit Licht was niet alleen in, maar ook bij God, hetgeen betekent, dat het Licht zichtbaar uit God kwam en dus niet alleen in, maar ook bij God was en op een bepaalde manier om het goddelijke bestaan heen stroomde. Hiermee wordt reeds de basis zichtbaar voor het toekomstig mens worden van God, wat in de eerst­volgende tekst al duidelijk aangegeven wordt. (bron: GJE1-1:5,6)

Licht in de duisternis

Hoewel Gods licht haar uiterste best doet, en al haar licht Iaat schijnen om deze nacht weer om te vormen in het echte licht van God, herkent die nacht, die zelf uit het licht van God ontstaan is, maar nu geen werkelijk zicht meer heeft, dit licht van God toch niet.

Zo kwam ook Ik, als de eeuwige diepste grond van al het bestaan en als Gods bron van al het licht en leven, in de wereld van de duisternis naar degenen, die uit Mij waren; maar ze herkenden Mij niet in de nacht van hun verduisterd hoogheidgevoel!

 

Dit vijfde vers geeft aan hoe Ik, door alle eeuwen heen onveranderlijk, in deze door Mij en uit Mij geschapen wereld kom, en deze Mij niet herkent als haar eigen oorsprong. Maar Ik, als diepste grond van al het bestaan, moest wel vanuit Mijn totale licht zien, hoe het hoogheidgevoel, als Gods licht in de mensen, door de voortdurende strijd steeds matter en zwakker en daardoor als levenslicht duisterder en tenslotte geheel donker werd, en dat daarom het grootste deel van de mensen Mij niet herkennen zou, als Ik in die vorm tot hen zou komen, die zij, toen zij naar Mijn evenbeeld geschapen werden, ook gekregen hadden; en dat ze Mij zeker niet zouden herkennen als Ik geheelonverwacht en onvoorbereid als een Deus Ex Machina ( een plotseling verschijnende God) in de beperkte mensenvorm tot hen zou komen. Ik zou het dan aan Mij Zelf te wijten hebben, als de mensen Mij onmogelijk zouden kunnen herkennen, omdat ze niet voorbereid waren op Mijn komst.

 

Ja, dat zag Ik reeds eeuwen van te voren, en Ik liet daarom al vanaf hun eerste ontstaan uit Mij tot aan Mijn werkelijke komst, door vele duizenden zieners, die in de strijd het licht niet verloren hadden, deze komst van Mij voorspellen en de aard en manier en zelfs de plaats en de tijd van Mijn komst getrouw vastleggen. Bij Mijn daarop werkelijk gevolgde komst liet Ik grote tekenen plaats vinden en verwekte een man, waarin de geest van een hoge engel zijn intrek nam, opdat hij Mijn komst en lijfelijke aanwezigheid op de aarde aan de blinden zou verkondigen. (GJE1 – 1:21-25)

 

Licht en duisternis

Toen scheidde God het licht van de duisternis en noemde het licht dag en de duisternis nacht.' Dit wordt echter gemakkelijker begrijpbaar, als je in plaats van de beide door Mozes gebruikte algemene begrippen, de overeenkomstige meer bijzon­dere neemt, zoals in plaats van dag: het reeds zelfstandige leven en voor de nacht: de dood, of voor de dag: de vrijheid en voor de nacht: het oordeel, of voor de dag: de zelfstandig­heid en voor de nacht: de gebondenheid, of voor de dag: het zich reeds zelf kennende liefdeleven van de Goddelijke geest in het nieuwe creatuur en voor de nacht: de gedachten en ideeën van God die nog geen leven hebben.

 

Bij iedere plant zweeft nog de geest van God, voor de voorbereidende vormgeving van de levendragende materie, over de wateren der duistere diepten zweeft. Dit is dan de scheiding van het licht en de duisternis, van het vrije leven en het leven onder het gericht, of eigenlijk van het onverwoestbare leven en het leven dat verwoest kan worden onder het gericht en dat te vergelijken is met de dood onder het algemene, alles omvattende begrip 'nacht'. bron: GJE2-221

 

Scheppingsdag

Volgens Genesis schiep God toch al op de eerste dag het licht en zo ontstond uit de avond en de ochtend de eerste dag. Zeg dan eens, wat dat voor licht was, dat voor drie dagen vol­doende was om dag en nacht te bewerkstelligen. Op de vierde dag zegt God weer: laten er lichten aan de hemel zijn. Dan vraag Ik (de Heer) wat dan voor lichten zulke die dag en nacht moeten scheiden. Over een maan en een zon wordt helemaal niets gezegd. bron: GJE1-160

 

Scheiding licht en duisternis

Toen scheidde God het licht van de duisternis en noemde het licht dag en de duisternis nacht. De dag staat voor het zelfstandige leven, de vrijheid, de zelfstandigheid, het reeds zelf kennende liefdeleven van de Goddelijke geest in het nieuwe creatuur de nacht voor de

dood, het oordeel, de gebondenheid, de gedachten en ideeën van God die nog geen leven hebben.

 

De geest van God zweeft nog over de voorbereidende vormgeving van de levendragende materie, over de wateren van de duistere diepten. Dan is er de scheiding van het licht en de duisternis, van het vrije leven en het leven onder het gericht, of eigenlijk van het onverwoestbare leven, en het leven dat verwoest kan worden onder het gericht, en dat te vergelijken is met de dood onder het algemene, alles omvattende begrip nacht. bron: GJE2-221

 

God is Zelf licht in het licht van Het Licht. Wie of wat was dan wel dit Licht, deze grote gedachte, deze heilige grondgedachte van al het toekomstige, werkelijke, vrije bestaan? ‑Dat was niemand anders dan God Zelf, omdat in God, door God en uit God onmogelijk iets anders dan God Zelf Zich in Zijn eeuwig volkomen wezen liet zien; en daarom mag deze tekst ook als volgt luiden: 'In God was het Licht, het Licht vloeide door God en straalde om  God en God Zelf was Het Licht'. Het getui­gt, dat het ervoor beschreven 'woord' of 'licht' of 'de grote scheppingsgedachte' niet ontstaan is in de loop van het God­delijke bestaan, maar dat het met God, als een deel van Hem, eeuwig is en daarom nooit iets kan zijn, wat met een vroeger ontstaansproces te maken heeft. Daarom geeft het tweede vers als een soort getuigenis de verklaring: Het bestond altijd al in de diepste grond van al het zijn en al het latere worden, als een deel daarvan in en uit God, en was dus Zelf geheel en al God. bron: GJE1‑1

www.zelfbeschouwing.info