Het begrip lichaam, ziel en geest

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Veel mensen zien het verschil niet tussen ziel en geest en het is ‘moeilijk uit elkaar te halen’’. We spreken over de ziel en haar gevoelens, over een zieke ziel of een zieke geest of een geesteszieke, en dat is psychisch niet in orde. In de Bijbel vinden we het al over het ‘fluïdum” in Genesis 2:7: Hij blies de ‘odem’ van het leven in zijn neus en zo werd de mens een levende ziel. Is het lichaam de ziel? Nee, maar ze wordt er wel door bezield. Wat is dan simpel gezegd de ziel? Daarin vertoeft de geest van de oerliefde, hoewel nog gevangen. De ziel moet afstand doen van haar hoogmoed en zich verdeemoedigen, zich isoleren uit het zinnelijke v.h. lichaam; ze krijgt dan gemakkelijker contact met de aan haar verwante zenuwgeest. Als deze situatie eenmaal ingetre­den is, zal de ziel het leven in zich voelen, ernaar streven  en zich steeds meer inspannen voor de naastenliefde en daardoor ook voor de zuivere liefde tot God, die zij in haar deemoed snel en moeiteloos zal vinden. Daardoor wekt de ziel haar geest aan gene zijde uit God en begint ermee één te worden. Als dat eenmaal gebeurt, gaat de ziel steeds meer in alles op God gelijken, en heeft een helder inzicht gekregen in het eeuwige.

 

Ieder mens werd een geestversterking meegegeven bij de geboorte om deze te bevrijden uit haar kooi. Deze geestversterking is de Goddelijke vonk, een nog ongeschapen geest, omdat deze het allerkleinste deel uit God is. Deze Geest is de eigen liefdesvlam uit het hart van God en die maakt dat wij in feite echte kinderen van God worden; wij zijn onuit­sprekelijk bevoorrecht boven engelen. De geschapen mens is dus weliswaar oorspronkelijk uit God, maar hij is (letterlijk) door de gevallen schepping gegaan. Feitelijk bestaat de mens uit een geschapen geest uit de oerschepping, die gevallen is. We kunnen ons natuurlijk nooit vergelijken met het eigenlijke oerwezen van God; maar in ons woont een onge­schapen, eeuwige geest uit God, en die kan in ons evenmin een beperking hebben als in het eigenlijke oerwezen van God Zelf, omdat wij daarmee één zijn. Kortom: we zijn feitelijk in ons wezen een levende ziel, waarin de Geest van de Schepper woont. Als je in jezelf hebt ingezien, dat je ziel met haar verstand en geest niet één en dezelfde zijn, dan zal je ook gemerkt hebben dat je feitelijk met je ziel en geest denken kan.

 

De mens heeft een dubbele gesteldheid: één van het hoofd en één van het hart! Het verstand is koud berekend, maar in het hart rust de liefde van de Goddelijke Geest, die alles in zich heeft. Dat is de ongeschapen Geest of de Goddelijke vonk in de mens. Een ‘wedergeboren mens’ kan enorm veel weten. Jezus zei tegen Zijn leerlingen: ‘Dat heeft niet jouw verstand maar je gewekte geest ingegeven’. De geest schept alles in de mens; deze schept en ordent; de ziel is als het ware een substantieel lichaam, zoals het stoffelijke lichaam een behuizing is voor de ziel. De ziel gaat meer en meer over in de geest en dus in het eigenlijke leven. Ziel en lichaam zijn zeker niet één en dezelfde! De ziel is een geestelijk product uit de materie. In de materie heerst een geestelijk gericht, die wacht op haar bevrijding. Een zuivere geest kan nooit in het gericht zijn. Ieder mens heeft in hem een gedeelde geest uit God. bron: GJE1-2 [6], 1-[18], 58 [6], 79, 2-132, 169 [3-7], 210, 218 en 3, 4 [26], 2-104, 3-12, 16 [3], 25 [11], 31 [3-7], 2-218, 219, 225 en jeugd van Jezus, hfdst.54www.zelfbeschouwing.info