Leerlingen Jezus zien Maanbewoners

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: ‘De Heer liet Zijn leerlingen een blik op de Maan werpen, en zij beschreven in het kort deze treurig uitziende kale wereld, waarin zij behalve enige groepen treurig uitziende, grijze kobolden, niets zagen. Er was daar geen boom en geen gras en ook geen dier te bekennen. Daarna bracht de Heer hen weer in hun normale toestand terug waarbij zij de volledige herinnering behielden aan alles wat ze hadden gezien.’ (Opmerking: de leerlingen van Jezus zagen de kant van de Maan, die wij vanaf de Aarde kunnen zien!)

 

Toen zij zich dus weer helemaal in de natuurlijke toestand bevonden, zei Nikodemus: 'O Heer, dat is toch wel meer dan wonderbaarlijk! Wij waren hier, zagen U en alle anderen duidelijk, en toch zagen we ook alles wat wij beschreven heel duidelijk en helder, en ik heb nu waarlijk zelf ondervonden hoe onbeschrijflijk veel duidelijker het zien van de vrije ziel is dan wanneer de ziel met het lichaam is verbonden. Maar wij zagen alles niet alleen veel duidelijker, zowel dichtbij als ook op grote afstand, maar wij hoorden ook alles.

 

Als we een boom, een huis of een schip op zee of ook een mens of een dier zagen, dan zagen we het helemaal in de natuurlijke uiterlijke vorm; maar we zagen het ook door en door, hoewel het niet doorzichtig was. Ja, bij de mensen zagen we zelfs hun gedachten, die eerst als kleine beeldjes in hun hart zichtbaar werden. Wanneer die net als een muggen­zwerm naar hun hoofd opstegen, werden ze lichter en meer gevormd, daalden vervolgens weer naar het hart terug, werden daar groter en duidelijker en traden dan weldra buiten de sfeer van die mens, werden groter en groter en vormden een echte wereld om hem heen. Maar bij de dieren was daarvan niets te ontdekken. (Opmerking: denken schept duidelijk een vormwereld of een vormsfeer rondom de mens.)

 

Maar wat is er aan de hand met die armzalige Maan? Dat het een materiële wereld is, dat is duidelijk, maar zo kaal, woest en verlaten als de hoogste top van de berg Ararat! Wie zijn toch die armzalig kleine, grijze kobolden? Ze hebben wel zo ongeveer de menselijke vorm, maar ze lijken toch meer tot een diersoort van dat hemellichaam te behoren, hoewel ze in zekere zin toch eerder geesten dan stoffelijke wezens lijken te zijn. Want ik zag dat zo'n wezen zich in eens erg groot maakte en dan weer popperig klein. Als zo'n wezen zuiver stoffelijk zou zijn, geloof ik dat hij zijn lichaam niet zo gemakkelijk zou kunnen vergroten en verkleinen.

 

Dus, Heer en Meester, wat is er met de Maan aan de hand?' Ik zei: 'Dat, Mijn vriend, zul je nog vroeg genoeg te weten komen, en daarover kun je van gedachten wisselen met Mijn leerlingen, die van dat alles al heel precies op de hoogte zijn. Maar Ik heb jullie nog veel belangrijker dingen te laten zien en te vertellen. (GJE 7-58) 

www.zelfbeschouwing.info