Meisje Jarah droomt over kruisiging Jezus

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: JARAH zegt: “Nu, dat zou ik wel kunnen doen, maar mijn dromen zijn meestal heel verschrikkelijk en laten mij de wereldse mensen in hun hele afschuwelijke gedaante zien, en ik zie dan in hun plaats enkel en alleen duivels! En pas geleden had ik zo’n droom! Ik zag toen een wondermooie persoon, die veel op U leek, o Heer. Deze mens zag ik als een misdadiger met touwen geboeid.

 

Ik vroeg aan de huilende mensen die hem volgden, wat deze wondermooie mens dan wel gedaan mocht hebben om door de wereldse mensen zo slecht behandeld te worden. En ze zeiden tegen mij allemaal hetzelfde: ‘Hij was een geweldige weldoener der mensheid. Nooit beging hij een onrechtvaardigheid, en de zuiverste waarheid kwam als honingzeem uit zijn mond.

 

Hij heeft de wereldminnende en heerszuchtige Farizeeën te veel de waarheid gezegd en zij hebben hem daarom door de zwakke Romeinse landvoogd tot de dood aan het kruis laten veroordelen. Zij brengen hem nu naar de plaats der terechtstelling. Kom met ons mee en zie wat voor loon de grootste mensenvriend krijgt van de slechte buitengewoon zelfzuchtige mensen!’

 

En ik beklom met de huilende mensen een lage berg en zag de eerlijke mens een zwaar kruis slepen, terwijl hij geslagen was en vol bloed zat en ter verhoging van de kwelling op het hoofd een krans van dorens droeg. Op de plaats der terechtstelling ontkleedde men hem, wierp hem daarna meedogenloos als een wild beest op het kruis. Men nam veel puntige spijkers en sloeg deze met zware hamers door handen en voeten en deed hem zo op gruwelijke wijze op het harde en zware kruis! –

 

O Heer, dat was me toch een verschrikkelijk gezicht! Als ik maar aan deze droom denk, dan duizelt het mij! Uiteindelijk zette men het kruid rechtop, plaatste het in een al gegraven gat en sloeg het met een wig vast, zodat het vast stond. Het wonderlijkste echter bij dit alles was dat deze buitengewoon eerlijke mens ook bij al die pijnlijke martelingen niet één kreet van pijn gaf, terwijl toch twee anderen, die lang zo gruwelijk niet werden gemarteld, vreselijk schreeuwden en jammerden!

 

Toen werd ik wakker en beefde over mijn hele lichaam. Heer zo’n droom is heus geen grapje voor een teergevoelig meisjeshart als het mijne! Ik bad toen meteen de lieve Vader in de hemel of Hij mij toch niet meer zo’n nare en kwellende droom zou willen geven, en gelukkig, tot op heden kreeg ik niet meer z’n nare droom te doorstaan. Mijn vader zei me wel steeds, dat dromen bedrog zijn en door traag bloed ontstaan. Dat is mogelijk! Maar als mijn bloed zo traag zou zijn, dan zou ik toch ook slomer moeten zijn dan ik ben, maar ik ben een vlug en kwiek meisje, - hoe kan ik dan traag en lui bloed hebben?”

 

Onder deze vertelling was IK wat somberder geworden, maar IK zei: “Nee, nee, Mijn allerliefste Jarah, jij hebt alleen maar etherlicht bloed en jouw droom is erg belangrijk! – Maar nu houden wij erover op, de tijd zal het wel leren. En jij, die zoiets in de droom hebt gezien, bent zalig! Het was heel weinig profeten gegund om dat in hun visioenen te zien. Veel is echter voor de mensen op deze aarde verborgen. Het grote ‘Waarom’ zullen zij pas in het hiernamaals te weten komen! – Maar vertel Mij nu nog een droom, die je drie dagen daarna over dezelfde mens gedroomd hebt!”

 

JARAH zegt: “Oh, die vertel ik ook veel liever, want die is duizend keer vrolijker! Ik bevond mij opeens erg vroeg in de morgen zo te zien in een heel aardige tuin, van waaruit ik echter jammer genoeg duidelijk de in de eerdere droom genoemde plaats der terechtstelling kon zien. Die aanblik vervulde mij meteen met grote angst, zodat ik toen in de droom begon te bidden of de lieve Vader in de hemel mij toch bewaren wilde voor een soortgelijk droomgezicht, want helaas zag ik ook nog de drie bekende kruisen rechtop de plaats der terechtstelling staan.

 

Maar toen kwam er meteen een wonderschone jongeman naar mij toe en troostte en sterkte mij met de woorden, die ik heel goed heb onthouden: “Vrees niet, gevoelige reine ziel! Dat, wat je drie dagen geleden hebt gezien, moest zo gebeuren volgens het raadsbesluit van God, omdat anders geen mens zou hebben kunnen zalig worden en tot het aanschouwen van God komen. Hij, Die gekruisigd werd, was Gods Zoon, en God was in Hem.

 

Nu na drie dagen zal deze Zoon van God geheel uit eigen kracht weer uit de dood van Zijn goddelijke vlees opstaan en voortaan heersen over de gehele oneindigheid, en aan Zijn rijk en Zijn heerschappij zal in eeuwigheid geen einde komen. Voor Zijn naam zullen alle machten en krachten zich buigen, en die zich niet willen buigen, die zal Hij te gronde laten gaan. Maar het laatste gelukzaligste ogenblik nadert, let daarom goed op de zware verzegelde grafsteen.

 

Toen de jongeman dat tegen mij had gezegd, kijk, daar verhief de steen zich vanzelf van het graf, en daaruit steeg met een blij, maar tevens toch zeer waardig gezicht precies dezelfde man, die ik drie dagen geleden zo verschrikkelijk zag kruisigen. Ik zag zelfs de wondertekenen aan handen en voeten en ik twijfelde er geen ogenblik aan dat hij het was. En de man kwam naar mij toe en zei met een buitengewoon welluidende stem: ‘dat, wat je hier in je droom hebt gezien, was alleen maar een vooruitblik op datgene wat binnenkort zal gebeuren.

 

Maar voordien zul je Mij nog in werkelijkheid zien, en na Mijn opstanding nog meerdere malen!’ – Na deze woorden werd ik weer wakker en heb veel daarover nagedacht. Maar behalve U kwam ik zo iemand in de werkelijkheid nog niet tegen!” IK zeg: “Nou, misschien ben IK het? – Maar nu houden we er over op, en daarom hebben we het nu over iets anders voor de dag van morgen!” (GJE 2-120)

www.zelfbeschouwing.info