Jakob Lorber

De kosmos in geestelijk perspectief

 

Een geestelijke astronomie

 

Boekenserie ‘Het wereldbeeld van de geest’,

deel 2/3

uitgegeven door Viktor Mohr


Vertaling: Auke van Gemert, oktober 1998

 

Oorspronkelijke titel:

Jakob Lorber, ‘Der Kosmos in geistiger Schau - eine geistige Astronomie’. Band 2/3 der Buchreihe ‘das Weltbild des Geistes’

3e Auflage, Lorber-Verlag, Bietigheim, herausgegeben von Viktor Mohr,

ISBN 3874951030


Inhoudsopgave

De boekenserie ‘Het wereldbeeld van de geest’

Voorwoord

 

 

Aarde en maan als kosmische dragers van leven

 

Het hart van de aarde

Bouw van de inwendige aarde

Voeding en rotatie van de aarde

Longen en ademhaling van de aarde

De milt van de aarde

Lever en nieren van de aarde

Het mannelijk-vrouwelijk karakter van de aarde

Gesteldheid van de middelste aarde

Korst en huid van de aarde

Het wezen en de bestanddelen van de lucht

De bovenste luchtregio

Natuurlijke gesteldheid van de maan

 

Geheimen van ons planetenstelsel

 

Een catastrofe in het rijk der planeten

Een blik op Saturnus

De wondere wereld van Neptunus

Iets over de mensen op Neptunus

 

Over het ware wezen van de zon

 

Het zonnelichaam

Oorsprong van het licht

Het ontstaan van zonnevlekken

Geestelijke oorzaak van de erupties van de zon

 

De kosmos in geestelijk perspectief

 

Oorzaak  van de materiële schepping

Omvang en ordening van het universum

Het centrum van onze hulsglobe

Het probleem van de dubbelsterren

De speciale positie van de aarde in de kosmos

Wat is de ’grote kosmische mens’?

Wie is de kosmische mens?

De verandering tot geestelijke hemelse mens

 

Nawoord

 

 


 

De boekenserie

‘Het wereldbeeld van de geest’

 

dient om de werken van de Nieuwe Openbaring van Jakob Lorber te verspreiden in een vorm, die de uitgaven van tot nu toe aanvult. Hoewel alleen het kennen van het totale werk van deze begenadigde mysticus van de 19e eeuw tot een diepgaand begrip van de daarin vervatte God, kosmos en mensheid omvattende geestelijke leer van Jezus Christus kan leiden, wordt in wijde kringen toch de behoefte gevoeld om bepaalde deelgebieden van dit geestelijk materiaal in compactere vorm te kunnen bestuderen. Dit heeft met name betrekking op die beschrijvingen, die Lorber door het innerlijke Woord over de natuur, het verborgen wezen van het universum alsook over de mens als verbindende schakel tussen de natuurlijke wereld en de goddelijke geestenwereld ontving.

Voor veel waarheidszoekers van deze tijd is - als gevolg van de enorme omvang van het werk van Lorber - het geheel en al doorwerken van zijn totale geschriften onmogelijk geworden. De uitgeverij heeft zich dus met de nieuwe boekenserie ‘het wereldbeeld van de Geest’ tot taak gesteld om voor ieder afzonderlijk deel een bepaald thema als grondslag te laten dienen, waarvan de toelichtende beschrijvingen zich dikwijls verspreid in verschillende Lorber-boeken bevinden en hier voor het eerst tot een gesloten geheel samengevat verschijnen.

Met uitzondering van een kort inleidend commentaar en eventuele verwijzingen van de uitgever volgen deze boeken nauwkeurig de tekst van het origineel. Daarbij werd evenwel getracht - zonder aan de geestelijke betekenis ook maar in het minst afbreuk te doen - een meer aan de huidige tijd beantwoordende stijl dan de soms verouderde spreekstijl van Lorber te bereiken. Daarmee wordt voldaan aan de eis, de unieke geestelijke schat van de Nieuwe Openbaring ook voor de moderne lezer opnieuw te ontsluiten in de wijze van denken en spreken van onze tijd.

Sinds de schriftelijke werkzaamheid van Lorber (1840-1864) heeft de mensheid veel nieuwe inzichten gewonnen door de zegetocht van een natuurwetenschap, waarvan het materialistische wereldbeeld nu langzaam begint te wankelen. Moge het eeuwige wereldbeeld van de geest, zoals de geïnspireerde geschriften van Jakob Lorber ons dat schenken, de ware wezenskern zo stralend openbaren aan alle verworven menselijke kennis, dat in het komende tijdperk religie en wetenschap - de boom des levens en de boom van kennis - weer verenigd uitgroeien tot de twee getuigen van de goddelijke liefde en scheppingswijsheid!

De uitgever.

 

 


 

 

Voorwoord

 

Waarschijnlijk kan geen aardse belevenis de mens meer met ontzag voor de grootheid van de scheppende Geest Gods vervullen dan een blik op de nachtelijke sterrenhemel. Al kan de microscoop talloze wonderen in het klein openbaren: het diepst wordt het gevoel van eeuwigheid en oneindigheid gewekt door de macrokosmos, het grote heelal.

Toen de mensheid van oude culturen nog verbonden met de geest en met een heldere blik op de natuur leefde, waren astronomie, de leer van het zichtbare universum, en astrologie, de kennis van het innerlijke wezen van het heelal, nog nauw verbonden. Tegenwoordig is de laatste nog slechts de zwakke afglans van oeroude wijsheid, en de kunst om de sterren te duiden doofde uit, omdat de leer der overeenstemmingen tussen de kosmos en de mens verloren ging. De astronomie als natuurwetenschap ontwikkelde zich echter verder tot die grenzen, die door de materiële hulpmiddelen aan haar gesteld zijn. Geen vakgebied is meer op theorieën en hypothesen gebouwd dan de astronomie, omdat deze beperkt blijft tot één enkel waarnemingsmedium, dat haar informatie verschaft over het buitenaardse - het licht. Daarom zijn het (naast de chemische spectraalanalyse) alleen de optische metingen, die met behulp van de zogeheten parallax (hoekmeting) conclusies toelaten over de grootte en afstand van andere hemellichamen. Helaas schiet deze trigonometrische methode op grote afstanden te kort, omdat daarbij de hoeken te klein worden.

Desondanks hebben de reusachtige telescopen van de moderne tijd, de fotografie en verfijnde meetinstrumenten de reële kennis van de hemel met een veelvoud vergroot, zelfs ten opzichte van de vorige eeuw. Ze schuiven de zichtbare grenzen steeds verder weg en ontdekken constant nieuwe nevelstructuren als verre naburige stelsels. Het aantal berekende lichtjaren daarheen (1 lichtjaar = 10 biljoen kilometer) bereikt in sommige gevallen getallen met zes nullen. Daarmee komt deze wetenschap echter in getalsdimensies terecht, die de door Jakob Lorber geopenbaarde grootheden en afstanden bij lange na niet meer zo ongelooflijk doen schijnen als vroeger. Dankzij modern onderzoek kunnen reeds wezenlijke gedetailleerde mededelingen van Lorber wetenschappelijk bevestigd worden, bijvoorbeeld de linzevormige gedaante van onze melkweg. Wanneer bepaalde schattingen van de astronomie de doorsnede van de melkweg als 100.000 lichtjaren en het aantal zonnen ervan als ongeveer 50 miljard aannemen, kan er gemakkelijk een brug geslagen worden naar de desbetreffende uitspraken van Lorber, om het berekende en het geestelijk geschouwde beeld van de kosmos met elkaar in harmonie te brengen.

Aan de andere kant ontwerpt de moderne astrofysica - die hoofdzakelijk op de mathematische formules van Einsteins relativiteitstheorie steunt - twijfelachtige theorieën, die door geen enkele geestelijke overweging ondersteund kunnen worden. Zo wordt er beweerd dat het universum eindig en oneindig tegelijk is, en dat het het beeld biedt van een voortdurende uitdijende ballon, waarvan de daarin aanwezige sterren van elkaar lijken weg te vluchten. Niet minder wonderlijk is de constatering, dat aan het heelal als geheel een leeftijd van hoogstens 5-7 miljard jaar toegekend dient te worden. Tevens hebben de inzichten uit de atoomkernfysica de wetenschap tot de bewering gebracht, dat alle zonnen gloeiende hemellichamen zijn, waarvan de hitte van miljoenen graden door onvoorstelbaar geweldige atoomexplosies opgewekt zou worden. En daaruit volgt dan noodzakelijkerwijze de conclusie, dat dergelijke sterren geen organisch leven kunnen bezitten, laat staan mensen als bewoners zouden kunnen dragen.

Tegenover het wetenschappelijk ontworpen kosmische beeld van de astronomie staat nu een geestelijk geschouwd c.q. langs inspiratieve weg doorgegeven beeld van het heelal. Dit zijn beschrijvingen in de Nieuwe Openbaring van Lorber, die van het universum als de ‘grote scheppingsmens’ spreken en niet alleen de structuur ervan tot in detail beschrijven, maar tegelijkertijd een diepe zin en doel van het materiële kosmische bouwwerk met al zijn geestelijke krachten verklaren. Hier voltrekt zich een synthese van religie en wetenschap, die beide hun wortels hebben in de geestelijk-goddelijke sferen. Natuurlijk zijn openbaringen, dat de materie ‘gerichte en gebonden geest’ is - voortgekomen uit een onstoffelijke oerschepping door de val, d.w.z. het zichzelf afsluiten van oerverwekte geestelijke wezens (het probleem ‘Lucifer’ of ‘satan’) - natuurwetenschappelijk niet bewijsbaar. Evenmin is de astronomie ter zake kundig in de leer, dat het universum als geheel een mens vormt, omdat de mens het einddoel van iedere schepping is en als ‘evenbeeld van God’ de maatstaf van alle dingen is. Wat een oneindige innerlijke verrijking is het toch te weten, dat overal geest en opbouwend leven heersen, daar waar de aardse wetenschap ‘dode materie’ en ‘levenloze hemellichamen’ vermoedt! Met de kennis van het heelal neemt tegelijkertijd het ‘Ken uzelf’ van de mens toe, en openbaart zijn aardse weg - ingebed in het kosmische gebeuren - die diepe betekenis, die zo velen zoeken en zo weinigen in zichzelf weten te vinden.

Vanuit de drang om steeds dieper in de geheimen van onze planeet door te dringen schiep de moderne wetenschap steeds verfijndere meetinstrumenten, zoals radarinstallaties, elektronisch echolood en dergelijke. Helaas bedient het onderzoek zich daarbij ook van explosieve atoomkrachten en begeeft het zich daarmee op gevaarlijke en onberekenbare wegen. De ontwikkeling van de rakettechniek maakte heet eerste doorstoten in de ruimte mogelijk door middel van satellieten. De geplande ruimteschepen willen deze grote stap tot in ons planetenstelsel uitbreiden. Het lijdt geen twijfel, dat zich daarbij op vele gebieden veel, wat tot nu toe onbekend is, aan het onderzoek kan onthullen. Maar hoe zou de aan de stof gebonden mens ondanks deze zeer hoge prestaties ooit zelf een blik kunnen werpen in de diepe afgronden van het inwendige van de aarde of in de verre ruimtelijke sferen van de ether? Zelfs als hem dat zou lukken, zou hij dan niet weer enkel van pulserende kracht doortrokken stof waarnemen, terwijl de geestelijke substantie langs deze weg eeuwig voor hem verborgen blijft?

Er s maar één weg om achter het voorhangsel van de dingen te kijken, en dat is het kijken naar de natuur met het geestelijke oog. Dit innerlijke schouwende vermogen is nog een toekomstig doel van een zich voleindigende mensheid. Slechts aan enkele voorlopers, profeten en visionaire mystici was het tot nu toe gegeven om met ontwikkelde geestelijke zintuigen zelf de innerlijke structuur van het universum te schouwen of, onderricht door de Geest Gods, te beschrijven wat de openbarende gaven van het Innerlijke Woord doorgaven.

In overvloedige mate ontving de mysticus en bode Gods Jakob Lorber dit vermogen. Zijn werken ‘Die Haushaltung Gottes’, het ‘Grote Johannes Evangelie’, ‘Aarde en maan’, ‘Die natürliche Sonne’ en ‘Der Saturn’ behandelen diepe scheppingsgeheimen van het heelal, waarvan de onthulling door verwijzingen in andere geschriften nog gecompleteerd wordt. Bij deze beschrijvingen kan waarschijnlijk niet alleen de religieus aangelegde lezer, maar ook de ontvankelijke wetenschapper een voorzichtig vermoeden krijgen van de verborgen mysteriën van het heelal, waar zelfs het onderzoek van ons atoomtijdperk, dat zich zozeer in ontdekkingen mag verheugen, nog volkomen onwetend tegenover staat. Pas wanneer geestelijke leer en wetenschap elkaar de hand reiken, zal het wereldbeeld van de geest een nieuwe opgang van de mensheid scheppen. Dan zal ook de verloren vrede weer haar intrede doen op onze thuisplaneet, waarvan de hoogten en diepten vol wonderen zijn.

Het is het doel van dit boek om in compacte vorm het wezenlijke uit het omvangrijke totale werk van Lorber samen te vatten, voorzover het betrekking heeft op het heelal en de onderdelen daarvan, op de grote ‘kosmische mens’ en zijn kosmische organen. Moge het de lezer tot verdere studie aansporen en hem tegelijkertijd de resultaten van het astronomische onderzoek vanuit het blikveld van de geest leren bezien! Want al het vergankelijke, natuurlijk zichtbare is slechts een gelijkenis voor de verborgen geest, die in al het geschapene heerst.

De uitgever.

 

 


 

 

Aarde en maan als kosmische dragers van leven

 

Onderstaande uittreksels uit het gelijknamige werk van Jakob Lorber (ontvangen 1846/47) tonen onze planeet samen met zijn satelliet als kosmische organismen met een opperste doelmatigheid. Hun gecompliceerde bouw is de uitdrukking van geestelijke ideeën en krachten, die als elementen de materie van alle natuurrijken vormen. De moderne wetenschap beschouwt onze planeet echter slechts als levenloze materie en maakt reeds plannen om door onderaardse atoomexplosies in de inwendige structuur van onze aarde in te grijpen.

Maar Goethe schreef eens aan Eckermann: ‘Ik stel mij de aarde met haar dampkring bij wijze van vergelijking voor als een groot levend wezen, dat eeuwig bezig is in en uit te ademen’. Daarmee voelde hij hetzelfde als wat aan de mysticus Lorber langs inspiratieve weg geopenbaard werd. Wat een kloof tussen het wereldbeeld van het materialisme en dat van de geest! - uitg.

 

Het hart van de aarde

 

Het hart van de aarde is het zwaartepunt van het leven der aarde, waarin in talloze kamers die kracht opgewekt kan worden, die in staat is de meest uiteenlopende levenssappen van de aarde naar de uitgestrekte organen te stuwen, om ze na het verrichten van hun dienst weer naar zich toe te trekken en ze opnieuw te verzadigen. De omvang van dit hart is niet met een nauwkeurig getal te bepalen, omdat dit hart van de aarde al naargelang de noodzaak nu eens wijder en dan weer aanzienlijk kleiner wordt. Als gemiddelde diameter kan voor de ruimte van dit zwaartepunt ongeveer 100 Duitse mijl (= ongeveer 750 km. - uitg.) aangenomen worden. Het kan echter tot tweehonderd mijl wijder of tot vijftig mijl kleiner worden.

Het hart van de aarde is meer een substantiële kracht, die in een daartoe ingericht stevig organisme in werkzame beweging is en daardoor op de hele rest van het aardeorganisme zijn invloed uitoefent. Het komt alleen aan op de kwaliteit van de materie, die stevig genoeg geplaatst moet zijn om deze in haar ontwikkelde hartekrachten zonder schade voor zichzelf te laten werken. Een organisme met een dergelijke stevige materie is in staat gedurende miljoenen jaren moeiteloos stand te houden tegen de met geweld werkzame krachten van het inwendige van de aarde. Het in de noordelijke streken van de aarde veelvuldig voorkomende metaal platina heeft iets gemeen met de materie, die als orgaan de heersende centrale kracht van de aarde dient. Jullie moeten je van het inwendige van de aarde echter niet voorstellen dat het dezelfde materiële gesteldheid heeft als het aardoppervlak. Want dit is slechts een uiterlijke, gevoelloze huid, terwijl het inwendige van de aarde zich tot de buitenste korst verhoudt als vlees en bloed ten opzichte van de uitwendige huid. De inwendige materie van de aarde is dus een soort vlees, bloed en botten, een dierlijk materiaal van het lichaam van de aarde, dat echter niet op de overeenkomstige materie van een dierlijk lichaam lijkt, maar een heel specifiek ‘aardevlees, aardebloed en aardebotten’ is. Voor het overige is het onmogelijk om jullie de gesteldheid in materieel opzicht nader uit te leggen, omdat jullie daar in lichamelijke toestand onmogelijk zouden kunnen komen. Weliswaar zou het meetkundige middelpunt van de aarde, onwrikbaar als het is, gemakkelijk aan te geven zijn, maar met het zwaartepunt gaat dat niet. Dit verlegt zich nu eens hierheen, dan weer daarheen. De positie ervan kan aan grote veranderingen onderhevig zijn. Wel is de inwendige dispositie van de aarde zodanig, dat het zwaartepunt zowel op de noordelijke als de zuidelijke helft een werkzame plaats kan innemen, maar aan het vastleggen van de werkzame substantie valt niet te denken. De oorzaak van de veranderlijkheid van het levenszwaartepunt bij lichamen is een heel diepe. Als het constant voortbestaan van de materie het eigenlijke doel ervan zou zijn, zou dit polaire zwaartepunt zodanig geplaatst kunnen blijven, dat iedere materie onveranderd zou voortbestaan. Want als deze polariteit in een lichaam steeds meer gefixeerd is en vrijwel samenvalt met het meetkundige middelpunt ervan, wordt dit lichaam des te vaster en duurzamer. Alleen, als gevolg van deze fixatie is het niet meer geschikt voor een verdere, hogere ontwikkeling, maar alleen voor zijn eigen, onveranderlijke voortbestaan. En zo zou het op een diamanten aarde met een diamanten plantenwereld beslist heel moeilijk wonen en oogsten zijn.

Het is dus absoluut onmogelijk om de exacte plaats van de zwaartepunt van de aarde precies vast te stellen. Alleen voor nu en wellicht het komende jaar (geschreven in 1846! - uitg.) kan aangegeven worden, dat het zwaartepunt zich tegenwoordig in de ruimte onder IJsland, een deel van Noorwegen, Zweden en Lapland bevindt. Desondanks is het zo actief, dat het zijn pulserende beweging tot onder Kamtsjatka en naar het zuiden tot onder de Middellandse Zee kan uitbreiden.

Aan het materiële oog zou dit in het aardelichaam actieve zwaartepunt zich als een vuur voordoen, dat met ongelooflijke snelheid door de daarvoor geschikte aardeorganen heen schiet en zodoende in alle delen de voor de instandhouding van het aardelichaam noodzakelijke reacties teweegbrengt. Als jullie dit vuur echter met geestelijke ogen zouden kunnen bekijken, zouden jullie een grote menigte geestelijke wezens ontdekken, die door de goddelijke wil tot een doelmatig vastgestelde activiteit worden aangezet, om tenslotte zelf hogerop te klimmen en dan, gekleed in lichtere materie, van het ene niveau naar het andere in een volmaakter vrij leven over te gaan (d.w.z. de gang van de geestelijke levenspotenties door de natuurrijken tot aan de mens! - uitg.).

 

Bouw van de inwendige aarde

 

Jullie weten, dat het bloed of de sappen door alle aderen en vaten voortstromen, op hetzelfde moment dat in het hart de harteklop of drijvende stoot plaatsvindt. Dit gebeurt, terwijl er geen andere drijvende krachten aanwezig zijn dan alleen deze ene, die voldoende is voor talloze vaten. Zo is het ook bij het hart van de aarde. Door de pulserende, stuwende stoot, die zich iedere zes seconden herhaalt, worden de zeer uiteenlopende in stand houdende sappen van het inwendige der aarde naar alle delen van het aardelichaam gestuwd, en alle verschijnselen van dit levensproces zijn  van deze ene drijvende kracht afhankelijk. Eb en vloed, maar ook de andere opheffingen van de aardkorst en ook de daardoor veroorzaakte winden vinden allemaal daarin hun oorsprong. Want het hart van de aarde vertegenwoordigt tegelijkertijd de positie van de longen in het dierlijke lichaam, waardoor verklaarbaar wordt dat zowel de regelmatige als de onregelmatige uitzettingen en inkrimpingen van het aardelichaam enkel en alleen hierin hun oorsprong hebben.

Om de inwendige bouw van de aarde te begrijpen, moet er allereerst op gewezen worden dat niet alleen de aarde, maar zelfs ieder gewas, iedere boomvrucht, ieder dier en tenslotte de mens zelf fysiek gezien in zekere zin in drie lichaam onderverdeeld kan worden. Laten we een boom bekijken. Hierbij is de schors (die weer onderscheiden wordt in de uitwendige dode en inwendige levende bast) de eerste boom. Totaal verschillend daarvan is de tweede boom, d.w.z. het eigenlijke stevige hout, dat een vereniging is van talloze cellenbuisjes, die geordend naast elkaar voortlopen. De derde of meest inwendige boom is de kern, gewoonlijk een wijdere buis, die gevuld is met een zwamachtig celweefsel, dat de sappen uit de aarde opzuigt, zuivert en daarna door haar extensie- en compressiekracht (uitzetting en samenpersing) naar alle organen van de andere boom leidt. Wat ontdekken we nu bij de vrucht van de boom? Het eerste is de buitenste schil, daarna komt de beschermende schil als tweede vruchtgedeelte en daarachter pas het derde en voornaamste deel van de vrucht, waarin het hart of de kiemhuls werkzaam rust.

Het dier is op soortgelijke wijze georganiseerd. Het eerste wat we eraan zien is de huid, die de gestalte van het dier rondom begrenst. Binnenin de dikwijls uit meerdere lagen bestaande huid bevindt zich het skelet, dat met een vleesmassa van spieren en kraakbeen stevig vastgemaakt is, precies zoals de harde schil van een noot of de schedel van het hoofd. Dit is het tweede, het bottendier. Daarbinnen vinden we de inwendige organen: longen, lever, milt, darmen, maag enzovoort, en temidden van deze edeler delen het leven verwekkende hart zelf. Dit is het derde dier, via welk de twee uitwendige door middel van talrijke organen en vaten hun voeding en leven ontvangen. Dezelfde betrekking is ook in de lichamelijke bouw van de mens aanwezig. Zo draagt ieder organisch, meer of minder levende lichamelijke wezen op het aardoppervlak het grondbeeld van de aarde zelf.

Ook bij de aarde is het uitwendige als het ware de dode schors, waarbinnen zich een meer levende bast bevindt, die gevoel heeft. Evenals echter de boomschors toch niet zo volkomen dood is, dat deze niet aan menig mosplantje voedsel kan bieden, en evenals ook de uitwendige huid van een dier niet alleen de haren, maar ook menige parasiet voedt - zo is ook de korst van de aarde niet volkomen dood en kan deze een hele planten- en dierenwereld de passende voeding bieden. Binnen de uitwendige aardkorst, die ongeveer twintig Duitse mijl maar hier en daar ook minder dik is, begint de tweede aarde. Dit is het eigenlijke stevige deel van de aarde, weliswaar niet overal even sterk, maar toch overal stevig genoeg om de uitwendige aardkorst met het grootste gemak te dragen. Binnenin deze middelste aarde bevindt zich het eigenlijke levende deel van het aardelichaam ofwel de inwendige organen, waar zich ook het hart van de aarde bevindt. De kracht daarvan werkt door alle drie de aarden heen, die op kunstige wijze met elkaar verbonden zijn.

Het hoofdzwaartepunt is in de organische materie het eigenlijke effectieve levenwekkende punt. Op iedere plaats in de materie bestaan echter ook kleinere neven-zwaartepunten. Alle geleidende kanalen zijn zulke nevenzwaartepunten, door toedoen waarvan de oorspronkelijke gesteldheid van de levenssappen van een lichaam in andere toestanden overgaat en deze daarmee ook andere effecten oproepen. De jaarringen van een boom, die daartussen liggende, zachtere, witte spint en de vanuit het centrum naar de bast lopende stralen tonen de werking van de genoemde nevenzwaartepunten voldoende aan. Hetzelfde proces vindt ook in het lichaam van de aarde plaats, natuurlijk op verhoudingsgewijs zeer uitgebreide schaal. Hoe dichter de organen bij het hart van de aarde liggen, des te groter zijn ze; hoe verder ervan verwijderd, des te kleiner, maar in plaats daarvan oneindigvoudig sterker vertakt.

Daaruit kunnen jullie begrijpen, hoe de genoemde drie aarden organisch met elkaar verbonden zijn, hoe het hoofdzwaartepunt van de aarde door deze kanalen tot aan het oppervlak zijn invloed doet gelden en van welke gesteldheid deze zogeheten nevenzwaartepunten zijn. Al worden de inwendige sappen van de aarde in een nog zo eenvoudige substantie in het hart van de aarde en de organen daarvan opgenomen, toch worden ze pas na een zorgvuldige scheiding naar de voortgeleidende kanalen geleid, zodat er geen druppel teveel of te weinig van iedere substantie bij zijn bestemming komt. Omdat het echter om substantiële dingen gaat, is daar weinig stoffelijks bij en moet niemand zomaar aannemen dat het koolzuur of zuurstof is. Want ook de ziel van dieren en mensen is substantie (geestelijke kracht-energie - uitg.) en geen materie in stoffelijke zin.

 

Voeding en rotatie van de aarde

 

Omdat de aarde in zekere zin een groot organisch dierlijk lichaam is, moet ze om voort te bestaan ook voedsel tot zich nemen. Daarvoor zijn - evenals bij een dier en zelfs bij iedere plant - een mond en ook verscheidene vreet- en zuigslurven nodig. Tevens bezit ieder dierlijk en ook planetair lichaam nog een groot aantal zuigpunten, om de elektrische en etherische levensstof uit de vrije lucht in zich op te zuigen. Aangezien alle plantaardige en dierlijke wezens typerende afbeeldingen in het klein van het aardelichaam zijn, is het gemakkelijk te begrijpen, dat dit alles bij het aardelichaam in uiterst grote overvloed aangetroffen kan worden. De aarde heeft dus een bij haar wezen passende hoofdmond, waardoor zij haar hoofdvoedsel opneemt. Daarnaast bezit ze overal nog ontelbaar vele grotere en kleinere zuig- en vreetslurven, waar weer een hoofdkanaal en een groot aantal kleinere kanalen voor de uitscheiding mee overeenstemmen.

De noordpool is de belangrijkste voedingsmond van de aarde, evenals de zuidpool het belangrijkste lozingskanaal ervan vormt. Deze voedingsmond is behoorlijk groot: de doorsnede aan de buitenste rand is 20 tot 30 mijl, maar naar binnen toe versmalt ze tot een achtste mijl. Met deze breedte verloopt de slokdarm dan tamelijk recht naar de aardemaag. De wanden van de slokdarm zijn zeer oneffen en zien er over grote gedeelten zodanig met punten bezet uit, alsof ze met de huid van een reusachtige egel overdekt waren.

De eigenlijke poolstreek vormt een grote, trechtervormige krater, die een doorsnede van ongeveer 180 mijl heeft en rondom door zeer steile ijsbergen en klippen omgeven is. De krater lijkt enigszins op de inbochting van een appel, waar het steeltje uitgetrokken wordt. Vanaf de monding van de krater - de eigenlijke opening van de voedingsmond - loopt het genoemde voedingskanaal naar het middelpunt van de aarde.

 

(Opmerking van de uitgever: Deze informatie van Lorber beginnen een verrassende bevestiging te krijgen door de noordpool-onderzoekingen van onderzeeërs van de VS. Onderwateropnamen en metingen hebben vastgesteld, dat de bodem van de zee onder de noordpool rond en hol is, naar de ijsgrens toe steil opklimt, maar daarentegen in de richting van de pool een kraterachtige diepte aanneemt!)

 

De maag van de aarde ligt vlak onder het hart, tamelijk in het centrum van het aardelichaam. Het is een ongeveer tien vierkante mijl grote holle ruimte, van waaruit zich echter allerlei dwarsverlopende stroken - sommige met een doorsnede van 200 klafter (= ca. 380 m. - uitg.) - in alle richtingen uitstrekken en deze voor een deel als zuilen ondersteunen. Deze maag en de dwarse steunen ervan, die er uitzien als ovale stroken c.q. zuilen, bestaan niet uit een vaste massa. Qua gesteldheid lijken ze op een elastische gummi zak, waarvan de binnenwanden aan weerszijden met dezelfde massa bekleed zijn, opdat ze niet door de van buitenaf inwerkende zwaartekracht op elkaar gedrukt worden. Vanuit deze maag loopt een als een schroef gewonden hoofdkanaal door het gehele aardelichaam, dat in de zuidpool uitmondt. Dit kanaal is van dezelfde materie als de maag, alleen wordt het in de richting van de uitmonding verhoudingsgewijs steviger. Het hoeft nauwelijks genoemd te worden, dat er vanuit de hoofdmaag van de aarde en vanuit het belangrijkste lozingskanaal talrijke voedingskanalen en vaten lopen.

Waaruit de bestaat de belangrijkste voeding van de aarde? In de hoogste poolstreek van het noorden komen een aantal verschijnselen voor, die overigens nergens op het oppervlak van de aarde aangetroffen worden. Ten eerste een zeer koude luchtregio, die in de winter sterk verdicht raakt. Met deze zware en koude lucht verenigt zich een steeds dichter wordende dampmassa, waar in de richting van de noordpool frequent talloze lichtbundels als van vallende sterren doorheen schieten. Verder vindt men daar rondom de uitgestrekte poolrand een enorm grote, damachtige opeenhoping van sneeuwkristallen, en af en toe ook verscheidene klafter hoge ijsspitsen. Dit alles wordt door de magnetische aardemond met grote kracht als voer naar binnen getrokken en naar de aardemaag geleid, waar deze stoffen zich tegen de wanden en dwarse steunen ervan als kristallen afzetten.

Als de maag gevuld is, komt er door de warmte van het aardehart een vibrerende beweging van de maagwanden op gang; daarbij rekken de inwendige dwarse steunen zich nu eens nauwer samen, dan weer zetten ze weer uit. Daardoor wordt het voedsel fijngewreven en een nieuwe elektrische stof verkregen, die in de maag de voedende waterdelen ontleedt en naar de talrijke voedingskanalen leidt. Vervolgens grijpt een uitgescheiden, negatief-elektrische stroom de onverteerbare resten en drijft die met groot geweld voort door het schroefachtige lozingskanaal, waarbij deze uit te scheiden voedseldelen als gevolg van de geweldige wrijving de laatste resten van hun voedende substantie moeten afgeven. Om deze reden is het noordelijke deel van de aarde veel compacter dan het zuidelijke, aangezien op het laatstgenoemde alleen de laatste en minderwaardiger delen van de voeding vrijkomen.

De zuidpool wordt gevormd door een bergachtig land, dat op verscheidene plaatsen door diepe wateren doorsneden wordt. Deze pool is niet zo door steile ijs- en rotsformaties omgeven als de noordpool, maar lijkt op een half samengeperste bolvormige massa, die voor een deel uit een bepaalde kalksteen, maar grotendeels uit eeuwig ijs bestaat. Het centrum van de pool wordt gevormd door een grote krater, die door zes kleinere nevenkraters omgeven is. De doorsnede van alle kraters samen is 130 Duitse mijl, ze dienen voor het in een lucht-etherische vorm uitscheiden van het onbruikbare deel van de voeding van de aarde. De zuidpool steekt verscheidene mijlen boven de zeespiegel uit. Daarmee krijgt hij het uiterlijk van een hoge, afgestompte berg en geeft de aarde meer de gedaante van een peer dan van een appel. In verhouding tot de totale omtrek is zijn hoogte van nauwelijks twintig mijl niet zo groot, maar toch moet iedere andere berg op aarde daarbij vergeleken een dwerg lijken. De stijging in hoogte gaat niet steil, maar verloopt geleidelijk.

Door het uitdrijven van de substantiële uitwerpselen van de aarde wordt tevens de rotatie van de aarde veroorzaakt, doordat de uitgeworpen stoffen - die natuurlijk zeer gasvormig zijn - in draaiende richting naar buiten tegen de vrije ether stoten. Hierdoor krijgt de aarde een roterende draaiing, net als bij een raket, die - aan een wiel vastgebonden - bij ontbranding het wiel in beweging zet, doordat de lucht uit de raket zo heftig vrijkomt, dat de buitenlucht die niet even snel kan ontwijken. Het gevolg is een drukkolom, die het wiel, waar de raket aan vastgemaakt is, noodzakelijkerwijze in beweging brengt - evenals een snel toenemende luchtkolom van onderen een stijgraket de hoogte in stuwt. Uit dit voorbeeld wordt duidelijk, dat de dagelijkse rotatie van de aarde door haar eigen natuurlijke mechanisme teweeggebracht en steeds gelijkmatig in stand gehouden wordt.

 

Longen en ademhaling van de aarde

 

Het ademhalen van het aardelichaam herkent iedereen gemakkelijk bij de getijden van de zee in het regelmatig aanzwellen en afnemen van eb en vloed. Zo’n verschijnsel kan alleen van een inwendige, maar nooit van een uiterlijke oorzaak afkomstig zijn. Als de aarde de lucht naar binnen trekt, zet het zachtere ‘buikgebied’ van de aarde, dat gewoonlijk door de zee bedekt is, verder uit; daardoor stijgt het daarboven aanwezig water en overstroomt de oevers. Als de aardelongen de lucht weer uitstoten, zakt het buikgebied weer verder naar beneden en treedt het zeewater van de oevers terug (een vergelijking hierbij: iemand die zich in een badkuip baadt kan zich ervan overtuigen, dat het water bij iedere inademing enigszins stijgt en bij iedere uitademing dienovereenkomstig daalt. Wat hier in het klein zichtbaar wordt, gebeurt bij het aardelichaam in het groot).

De longen van de aarde, die een inhoud van ongeveer duizend kubieke mijlen hebben, bevinden zich vlak onder de harde, stevige aarde en omvatten een oppervlak van meer dan vijfduizend vierkante mijl. Deze longen zijn een reusachtig vlechtwerk van cellen, waarbinnen zich een groot aantal holle kamers bevinden, die door middel van grotere en kleinere buizen met elkaar verbonden zijn. Ze vervullen twee functies: ten eerste leiden ze de lucht naar de kamers, maar ten tweede kunnen deze buizen als gevolg van hun elasticiteit samentrekken en uitzetten. Dit proces vindt plaats door de constante verandering van de positief-elektrische in de negatieve pool; deze poolwisseling is enkel en alleen geworteld in de zielesubstantie, en zonder deze wisseling zou er geen vrije beweging in de lichamen denkbaar zijn. Deze omkering van de polariteit wordt - voorzover het fysiek trouwens verklaard kan worden - bewerkstelligd, doordat iedere ziel (dus ook die van de aarde) in de longen alleen de stiklucht (koolzuur - uitg.) achterlaat, zodra ze de levensstof uit de ingeademde lucht hebben opgenomen. En dit veroorzaakt, dat de voorheen bij het inademen positieve pool onmiddellijk in de negatieve wordt veranderd, doordat hij met de stiklucht geen enkele relatie heeft.

Als de genoemde buizen nu uitzetten, worden de kamers steeds meer in elkaar gedrukt, waardoor het uitstoten van de lucht plaatsvindt. Bij het samentrekken van de buizen zetten de kamers weer uit en bewerkstelligen ze het inademen, waarbij de negatieve pool weer positief wordt en een nieuwe fase begint.

Evenals dier en mens door mond en neus ademen, doet ook de aarde dat. Door de hoofdmond, die de voeding opneemt, zuigt ze ook de adem naar binnen (etherische substantie - uitg.). Halverwege takt er van deze hoofdmonding een zijmonding af, die naar de grote aardelongen leidt. Om de zes uur ademt de aarde een keer in en een keer uit. Bij het uitstoten van lucht uit de longen blijft de voedingsmond weer gesloten. Zo wordt de aarde in de bovengenoemde perioden via de longen wel voortdurend gevoed, maar via de eigenlijke voedingsdarm naar de maag alleen om de twaalf uur. De aarde neemt het voedsel dus tot zich in de tijd, dat de longen de opgezogen lucht en de levensstof chemisch ontleden. Daaruit volgt, dat de aarde in 24 uur twee keer in- en twee keer uitademt, maar daarbij slechts twee keer voedsel in de maag opneemt.

De vorm van de longen van de aarde lijkt nog het meest op die van een olifant, die blauwachtig groen van kleur zijn en qua vorm sterk op een grote holle kokosnoot lijken. Met de passende afmetingen zijn de longen van de aarde hiermee enigszins voor te stellen, maar een nadere beschrijving heeft weinig zin, omdat het geheel van dit grote instrument van de aarde voor mensen nooit overzichtelijk beschreven kan worden. Even vergeefs zou het zijn om de elastische stof van de longen in detail te beschrijven, hoewel iedere dierenlong op meer verfijnde schaal op die van de aarde lijkt, aangezien die van de aardelong afstamt. Want waar zouden mens en dier alle stoffen voor de opbouw van hun lichaam vandaan halen, als deze niet reeds tevoren in de aarde gevormd waren? Zo moet het aardelichaam gedeelten van alles, wat erin aanwezig is, door talloze organen naar de oppervlakte laten opstijgen. Dit geleverde materiaal wordt in eerste instantie door de planten en daarna door de dieren opgenomen en wordt in hen weer veranderd in datgene, wat het oorspronkelijk in het inwendige van de aarde was. Daarom moet de aarde alles in zich dragen, wat de op haar levende wezens stoffelijk voor hun opbouw nodig hebben.

 

De milt van de aarde

 

Eén van de belangrijkste inwendige organen bij mens en dier is de milt, die de eigenlijke vuurhaard van ieder lichaam is. Pas het vuur van de milt ontleedt alle aangevoerde delen van de voeding en leidt deze door de aan het vuur eigen kracht naar de vaten, waar ze in het bloed overgaan en als zodanig pas het hart en hun veelvuldige verdere bestemming bereiken. Deze vuurhaard van het dierlijke lichaam bestaat uit een speciale, losse massa, die met haar kriskras door elkaar gevlochten celweefsel volkomen geschikt is om in zichzelf door de constante wrijving van haar celweefsel het elektromagnetische vuur op te wekken.

Evenzo is ook in de aarde eenzelfde orgaan aanwezig. Deze milt van de aarde ligt evenals bij het dierlijke lichaam dicht bij de maag, maar staat aan de andere kant ook in zeer nauwe organische verbinding met het hart van de aarde, omdat de maag uit de milt zijn verteringswarmte en het hart zijn pulserende kracht uit dit belangrijke inwendige orgaan put.

Wat zijn nu de zichtbare effecten van de milt van de aarde? Kijk eerst eens naar de vuurspuwende bergen op aarde: dat zijn natuurlijk maar onbeduidende uitlopers van deze belangrijkste vuurhaard, maar kunnen toch een idee geven van welke krachten daar heersen. Kijk vervolgens eens naar het grote aantal kokendhete waterbronnen, die hun warmte eveneens ontlenen aan dit inwendige orgaan, waarvan het belangrijke centrale vuur via talloze organen de hele aarde doordringt en deze in al haar delen voldoende verwarmt. Bij het via schachten dieper doordringen in het inwendige der aarde kan iedereen zich ervan overtuigen, hoe macht dat grote verwarmingsapparaat hier reeds werkt. Als er nu water in deze diepte binnendringt, wordt het weldra opgelost in dampen, die vervolgens de huid van de aarde opblazen. Als gassen of dampen dringen ze dan door poriën, scheuren en andere holten in de aardkorst heen, vullen de lucht en verstoren het evenwicht daarvan. Dit is de eigenlijke oorzaak van het ontstaan van winden en orkanen. Als deze inwendige waterdampen en gassen als gevolg van overvulling een gewelddadige uitweg zoeken, worden daardoor af en toe kleinere en grotere aardbevingen teweeggebracht, en in het gebied van de uitbarsting worden niet zelden wervelwinden en zelfs vuurorkanen tevoorschijn geroepen.

Hoe gaat het nu in zijn werk in de kamers van de aardemilt? Zie hoe ieder ogenblik talloze bliksems door de grijsbruine wanden schieten, waarbij de hevigste donderende geluiden te horen zijn. Zie hoe er vanuit de brede kanalen van de kamers een geweldige stroom naar binnen stort, die door de elektrische vlammen in dampen met een grote spanning wordt opgelost. Met onmetelijk geweld drijven deze dampen via andere kanalen verder en storten er weer nieuwe stromen de kamers binnen. Daar is een koken en bruisen, zoals op het oppervlak van de aarde nog nooit gehoord is. Kijk naar de geweldige bloedvaten, die in de hierboven beschreven vorm tussen de rijen kamers heen lopen en tijdens het binnenstorten van de stromen als reusachtige oerslangen nu eens samentrekken en dan weer uitzetten, om hun inhoud verder te transporteren! Zo gebeurt hier in het groot hetzelfde als in de milt van een mens of dier op kleine schaal. Dat de sappen van de aarde evenals bij het dier van de maag in de milt overgaan en als het alles voedende bloed naar het hart gebracht worden, hoeft hier nauwelijks nader toegelicht te worden.

 

Lever en nieren van de aarde

 

Zowel in het dierlijke lichaam als in het tellurische lichaam van de aarde is de lever het apparaat om de gifstoffen af te zonderen, die naast de leven wekkende voedingsstof in ieder voedsel aanwezig zijn.

Evenals bij de milt wordt de actie en reactie bewerkstelligd door het elektrische fluïdum, dat in kamers door hun wrijvende beweging ontstaat. In eerste instantie wordt het elektrische vuur van de lever hoofdzakelijk door dat van de milt opgewekt. De lever zit bij mens en dier eveneens ter hoogte van de maag, omdat ze het meest nodig is voor de functie daarvan. Op soortgelijke wijze, zij het ook op grote schaal, is dit inwendige orgaan in de aarde aangebracht, waar het hetzelfde doel moet vervullen. De lever van de aarde is een niet minder machtig levenwekkend orgaan dan iedere dierlijke lever, want uit de lever komt in eerste instantie alles voort, wat de aardkorst in zich en op haar oppervlak draagt. Zo is ook al het water van de zeeën daarvan afkomstig. In feite is dit water niets anders dan de uitgestoten urine van het aardelichaam, dat echter - doordat het door verdamping in wolken overgaat - door de inwerking van het zonlicht voor een deel weer in zoet drinkwater wordt veranderd.

Ook de nieren zijn in het dierlijke organisme een levensinstrument, dat zeer de aandacht verdient, want deze hebben buitengewoon belangrijke bestemmingen, zonder welke het animale leven niet zou kunnen bestaan.

De nieren hebben de bestemming om het uit de lever afgevoerde, voor het levensorganisme ongeschikte water op te nemen. Het volledig onbruikbare deel van dit water wordt verder naar de urineblaas gevoerd, terwijl het nog voor het leven dienende gedeelte geabsorbeerd en tot de eigenlijke materiële stof van het bevruchtende zaad wordt omgevormd.

De bouw van de nieren vertoont weer een aanzienlijke overeenkomst met die van de milt en de lever, terwijl ze zich daarvan door de kussenachtige indeling wezenlijk onderscheidt.

 

Het mannelijk-vrouwelijke karakter van de aarde

 

Het vermogen om zich voort te planten is beduidend veelvuldiger dan dat van mens, dier of plant. Want de aarde kan in zekere zin als een mannelijk-vrouwelijk wezen (hermafrodiet) beschouwd worden en lijkt daarin op de eerste mens, die oorspronkelijk (als geestelijk wezen! - uitg.) ook mannelijk en vrouwelijk tegelijk was. Het voornaamste voortplantingsorgaan van de aarde is de sterk als een wrong verdikte zuidpool. Op grond van dit orgaan is de aarde vrouwelijk, doordat de hele zuidpool negatief is, evenals het vrouwelijke wezen, dat zich eveneens negatief verhoudt tegenover het positief-polaire mannelijke wezen. Vanaf dit punt als vrouw beschouwd, is de aarde niet zelf in staat zich voort te planten, maar alleen in staat tot verwekking. Wie verwekt er dan bij de aarde? Dat is de zon met haar tegengestelde mannelijk-polaire kracht.

Een belangrijk kind van de aarde, dat op deze wijze verwekt is, is de maan als het oudste kind van de aarde van deze tellurische vrouw. Andere kinderen van de aarde zijn een groot aantal kometen, die in de wijde etherruimte geboren zijn en daar rondcirkelen. Andere kinderen van de voortplanting van de aarde zijn de zwermen vallende sterren, die meestal rond de equinoxen (tijden waarop de nacht en dag even lang zijn) in ontelbare aantallen tevoorschijn komen. Dat deze niets anders zijn dan zeer kleine, door de aarde nieuw gebaarde komeetachtige planeetjes, bewijst hun altijd elliptische loop en hun ronde vorm. Evenals de meeste voortbrengselen van de aarde worden ze door de aarde echter weer gevangen en opgegeten, op soortgelijke wijze als in de fabel van Saturnus, die zijn kinderen verslond.

De aarde bezit talloze geboortekanalen. Het belangrijkste kanaal bevindt zich echter in het midden van de Stille Oceaan, niet ver van de evenaar, en wel in de buurt van de groep eilanden van Tahiti. Van daaruit werd eens de maan van de aarde gescheiden en later nog een aantal bestaande kometen.

 

Gesteldheid van de middelste aarde

 

Nu volgt een overzicht van de tweede, vaste aarde, opdat daarna de derde, uitwendige aarde met haar verschijnselen begrijpelijk wordt. De stevige structuur van de (middelste) tweede aarde is buitengewoon gecompliceerd en beslaat verreweg het grootste deel van het hele aardelichaam. Evenals het stevige hout van een boom tegelijkertijd de grootste massa ervan vormt en daarin het meest kunstige mechanisme is aangebracht, zo is dat ook bij de aarde. De vaste deel ervan dient als het ware als een school beschouwd te worden, waardoor de uit het inwendige van de aarde opstijgende, vooreerst nog plomp gevormde levende wezens hun eigenlijke kleur en vorm krijgen.

De tweede, vaste aarde bestaat uit een heel specifieke massa, die vrijwel overal hetzelfde is. Alleen naar het inwendige toe is deze minder massief, maar naar de buitenkant toe neemt ze toe in intensiteit, want waar enorme lasten gedragen moeten worden, moet de stevigheid dienovereenkomstig groot zijn. In de richting van het inwendige, waar de polaire krachten ven de ingewanden van de aarde werken, moet de dichtheid echter geringer zijn en aan de inwendige druk toegeven, opdat de inwendige organen bij hun onophoudelijke opzwellen en inkrimpen niet door een al te stevige wand schade ondervinden. Naar de buitenkant toe wordt de kunstige structuur van de tweede aarde uiterst stevig in een dikte van bijna 200 mijl, welke dikte sterk genoeg is om met groot gemak de gehele derde, buitenste aarde samen met al haar landstreken en zeeën te dragen.

Wat het materiaal van de tweede aarde betreft, bevindt zich op het aardoppervlak niets wat erop lijkt, omdat de bestanddelen van elk van de drie aardelichamen totaal verschillend zijn. De massa van de tweede aarde bestaat noch uit gesteente noch uit metaal, noch uit diamant noch uit goud of platina, want zulke stoffen zouden tegen het vuur van de inwendige organen geen stand houden. Het meest lijkt deze materie nog op asbest, als ze tot een stevige massa samengeperst is. Alleen is deze steenwol vrijwel onvernietigbaar door vuur en zuren, wat het verschil met de bekende asbest uitmaakt. Als er op het aardoppervlak iets bestaat wat er nog meer op lijkt, dan is dit een bepaald soort puimsteen, die echter alleen in de buurt van de zuidpool aangetroffen kan worden, diep ingebed in het ijs. Eén gram van dat gesteente zou natuurlijk meer waard zijn dan een centenaar zware parel, en wel vanwege de enorm glanzende kleurenpracht en algehele onverwoestbaarheid ervan. Naar boven toe is de kleur van dit materiaal van de aarde meer witgrijs en zou het er in het zonlicht als een parel uitzien. Verder naar beneden wordt het steeds donkerder en neemt het als een gouden parelmossel de wonderlijkste kleuren aan. Tegelijkertijd is deze stof buitengewoon zwaar; dat moet ze ook zijn, want van deze stof is de belangrijkste roterende beweging van de aarde afhankelijk.

Wat bij botten de zichtbare poriën zijn, dat zijn bij de tweede aarde wijd uitgestrekte, soms vele klafter brede kanalen, die op verschillende punten van diverse sluitkleppen voorzien zijn. Wie een boek over anatomie of onder de microscoop een houtvezel bekijkt, zal op kleine schaal volkomen gelijksoortige inrichtingen vinden.

De sappen, die vanuit het inwendige van de aarde door de stevige middelste aarde omhoog gestuwd worden, zouden weldra hun kracht verliezen, die substantieel aan hun wezen is toegevoegd. Om dit op hun lange weg te verhinderen, komt er een buitengewoon kunstig mechanisme te hulp: in de richting van noord naar zuid lopen talloze buitengewoon fijne draden van mineralen, die merendeels louter ijzer bevatten. In omgekeerde richting, van zuid naar noord, bevatten deze draden platina, soms ook koper. Deze mineraaldraden zijn zo buitengewoon fijn, dat de draad van een spin vele malen sterker is. Ze lopen niet in rechte lijn voort, maar getand zoals de vertanding van een zaag. Bovendien soms nog met andere windingen, met name in gebieden, waar ze dicht langs de opstijgende aders en kanalen gaan, want daar moeten deze geleidedraden hun invloed speciaal uitoefenen.

Het zijn geen buisjes, maar louter aan elkaar geregen, verschillende soorten kristallen, die als de schakels van een ketting met elkaar verbonden zijn. Hun positie is ongeveer zo, dat kleine driekante piramiden met hun toppen precies in het midden van het basisvlak van elke volgende piramide komen te staan. Daarbij zijn de toppen van de ijzerhoudende piramiden naar het noorden gericht en die van de platina- of koperhoudende naar het zuiden. Deze leiding moet mechanisch zo geordend zijn, omdat iedere gladde leiding het stromende elektromagnetische fluïdum over een lengte van niet zelden drieduizend mijl zou verliezen. Maar deze piramideleiding zou op zichzelf nog niet geschikt zijn als geleider over zo’n afstand, als ze niet zodanig in een speciale buis zou lopen, dat door het materiaal daarvan geen elektrische vonk heen kan dringen. Op bepaalde plaatsen, met name in het gebied van op stijgende kanalen, zijn verzamelkamers aangebracht, waarin deze fluïdale stof zich ophoopt. Als zo’n kamer volledig geladen is, doet deze haar invloed gelden op de vloeistof in het kanaal en verleent die nieuwe kracht. Deze verzamelkamers zijn deels positief, deels negatief, opdat - als de substantie van een opstijgende vloeistof door de positieve elektriciteit al te sterk verhit is geraakt - de negatieve elektriciteit het teveel in zich opneemt en in zichzelf verandert. Wat de pluspool dus teveel verwarmt, koelt de negatieve pool weer af.

Nog een andere bestemming van de geleidingsdraden is, om de vele aandrijfpompen van de kanalen in beweging te zetten. Zonder deze ondersteuning zou de eerste kracht uit het hart van de aarde weldra moeten verlammen, aangezien die bij iedere hartstoot met triljoenen centenaars te maken heeft, zoals het gewicht van de uitgestoten sappen van de aarde aantoont. De vaten voor het terugleiden of weer opzuigen, die de voor de voeding van de aarde nog niet volledig bereide sappen weer naar het hart voeren, zijn eveneens van sluitkleppen voorzien, die alleen opengaan wanneer het hart van de aarde samentrekt (vgl. het aderstelsel van het menselijke lichaam! - uitg.). Deze kanalen zijn doorgaans nauwer dan de opstijgende en de vloeistof daarin stroomt veel trager. Ook dienen bovengenoemde kleppen er alleen maar voor te zorgen, dat deze kanalen bij opstijgende hartestoot niet helemaal geblokkeerd, maar alleen nauwer gemaakt worden.

 

Korst en huid van de aarde

 

De uitwendige, derde aarde stelt in zekere zin de korst of de huid van het aardelichaam voor. Dit gedeelte heeft het minst mechanisch-kunstige bouwwerk, maar dit wordt vervangen door talloze andere vormen en structuren. Hier bestaat daarvan zo’n overvloed, dat geen menselijk verstand zou kunnen begrijpen, wat er allemaal in de aardkorst gebeurt, en hoe. Zo kan men de activiteiten in het inwendige van de aarde vergelijken met een eenvoudig drijfrad, waardoor echter op de buitenste aarde ontelbare en allerlei soorten effecten teweeggebracht worden.

De uitwendige aarde is niet door een lege luchtruimte of een tussenliggende bestaansvorm - zoals bijvoorbeeld een onderaardse zee - van de vaste aarde gescheiden. Beide aarden zijn even stevig en innig met elkaar verbonden als de bast met het hout van een boom. Tegen de tweede aarde rust in eerste instantie een verscheidene mijlen dikke, voelende huid van de aarde, waar overheen dan pas de eigenlijke, ongevoelige huid van de aarde (de niet gevoelige epidermis of opperhuid) ligt, waar de uitwerkingen van het inwendige organische leven pas echt duizendvoudig naar voren treden. Hier wordt alles in zichzelf en buiten zichzelf gevormd: het zaad wordt nieuw gevormd en in zichzelf precies zo gemaakt als zijn ontkiemde uiterlijke vorm later moet worden. Of er wordt voor het zaad kracht bereid en overeenkomstig iedere soort gescheiden, al naargelang ze geschikt is om de reeds aanwezige zaden voor planten en dieren tot leven te wekken.

Voor die voorbereiding is een oneindige gecompliceerdheid van de organische constructie van dit deel van de aarde nodig. Elke mechanica zou echter niets tot stand brengen, als deze inrichtingen voor het afzonderen  en verdelen van de opstijgende sappen en krachten niet aangevuld werden door subtielere, door middel waarvan de inwerkingen vanuit de uitwendige kosmos (zoals licht en kosmische stralen - uitg.) opgenomen en naar hun bestemming gebracht worden. Als reeds een plant een kunstig mechanisme bezit om alle benodigde stoffen te verwerken, hoeveel van zulke zeer uiteenlopende mechanismen zullen er in dit derde gedeelte van de aarde dan wel niet aanwezig moeten zijn, waar het gaat om de vorming van het totale mineralen-, planten- en dierenrijk.

Door de huid van de aarde heen lopen talloze, kriskras verlopende kanalen, waartussen een groot aantal grotere en kleinere reservoirs liggen voor de uit het inwendige van de aarde opstijgende vloeistoffen. Tevens zijn er reservoirs, die de terugstromende sappen opnemen en via teruglopende kanalen naar het inwendige van de aarde terugleiden. De meeste van deze reservoirs hebben een eivorm en dienen hoofdzakelijk om de genoemde sappen tot een soort gisting te brengen, waardoor ze chemisch gescheiden en in die nieuwe toestand voor bepaalde doeleinden verder geleid worden. Deze reservoirs moeten echter niet verwisseld worden met de grote onderaardse waterbassins, van waaruit reeds het drinkbare water het aardoppervlak bereikt. Zulke bassins kunnen op sommige plaatsen zelfs door een diepe artesische boring in de aarde bereikt worden en bevinden zich allemaal in het ongevoelige deel van de aardkorst, terwijl de bovengenoemde reservoirs voor de aardesappen allemaal nog in het gevoelige deel van de huid van de aarde liggen.

Een andere gesteldheid van deze aardkorst is de op zuilen lijkende ondersteuning, waar de gehele niet-gevoelige huid van de aarde met al haar zeeën, meren, bergen en landen op steunt. De zuilen zelf rusten in eerste instantie op de vaste aarde en lopen van daar af als een skelet omhoog naar het aardoppervlak. Ze zijn niet zo stevig als stenen, maar hebben een meer kraakbenige stevigheid, waar een aanzienlijke mate van elasticiteit mee verbonden is. Dit is noodzakelijk, omdat niet zelden geweldige gasontwikkelingen grote holle ruimten tussen de delen van de aardkorst maken, die de buitenste aardkorst dikwijls een flink stuk optillen en niet zelden uit elkaar trekken, waardoor aardbevingen en machtige orkanen teweeggebracht worden. Omdat deze steunen nu rekbaar zijn, blijven deze effecten beperkt tot slechts plaatselijke delen van het aardoppervlak.

De rekbare steunzuilen worden in het niet-gevoelige deel van de aardkorst geleidelijk steeds steviger, zoals ook in een dierlijk lichaam de stevige botten in kraakbeen overgaan en omgekeerd. Deze stevige botten van de aarde zijn aan het oppervlak van de aarde hier en daar al zichtbaar als oergesteente, bijvoorbeeld als oerkalk, graniet of kwarts. Hoe verder deze steensoorten omhoog reiken, des te gemengder, onzuiverder, harder en brosser worden ze. De uitlopers ervan zijn gewoonlijk de hoge oergebergten, die qua vorm, hoogte en materiaal merkbaar verschillen van alle later ontstane bergen. Deze laatste vormen vaak als het ware de deksels boven reusachtige waterbassins, die weer door speciale zuilen ondersteund worden.

Er dient nog vermeld te worden, waar de zee in hoofdzaak zijn voeding vandaan krijgt. Deze voeding is hoofdzakelijk afkomstig van de vele sapreservoirs in de gevoelige huid van de aarde, die in zekere zin de eigenlijke urineblaas van de aarde vormen. Verder ontvangt de zee ook een aanzienlijke toename uit de genoemde grote waterbassins door de grote toevoerende rivieren. Deze toename is uiterst noodzakelijk, omdat de uit de aarde opstijgende vloeistoffen te zout zijn en zonder bijmenging van zoet water al gauw dermate korstig en tot een vaste massa zouden worden, dat er louter hoog oprijzende zoutbergen zouden ontstaan. Deze zouden mettertijd de lucht zodanig verzuren, dat er daardoor geen levend wezen zou kunnen bestaan. Tegelijkertijd zouden deze bergen een stuwing van de urine van de aarde veroorzaken, waardoor de aarde binnen korte tijd volledig in brand zou raken, af zou sterven en daarna voor geen enkele levend wezen meer als woonplaats geschikt zou zijn.

 

Het wezen en de bestanddelen van de lucht

 

Ten aanzien van de natuurlijke beschouwing van de aarde rest ons nog de atmosfeer ervan te bespreken, die als lucht tot een hoogte van tien Duitse mijl de aarde in hoofdzakelijk drie verschillende sferen omgeeft. Daarboven heerst de ether, die met zijn lichttrillingen reeds de overgang naar de geestelijke sferen vormt. Weliswaar is het water van de zeeën en meren ook een soort verdichte lucht, om welke reden daar ook dieren in kunnen leven, maar toch behoort deze lucht nog bij het aardelichaam zelf, en wel tot de buitenste aardkorst ervan. Tot de atmosferische lucht kan echter alleen dat gedeelte van het water gerekend worden, dat in nevels en wolken aanwezig is, verder ook het vrije waterstofgas in de lucht zelf, dat voor het oog niet zichtbaar is. Daarenboven bestaat de atmosfeer in al haar delen uit een ontelbaar aantal eenvoudige soorten lucht, die de naam ‘gassen’ dragen. De natuurwetenschap noemt vier belangrijkste bestanddelen van de lucht, die in een bepaalde verhouding gemengd zijn: zuurstof, waterstof, koolstof en stikstof. Als de lucht daarentegen niet nog vele andere luchtsoorten zou bevatten, die de natuuronderzoekers nog niet kennen, dan zou het er slecht voor staan met de groei van planten en het ontstaan van mineralen (opm.: de moderne chemie heeft reeds een aantal van deze luchtsoorten ontdekt, zoals bijvoorbeeld edelgassen - uitg.).

Iedere plant zuigt uit de atmosferische lucht de alleen bij haar passende luchtsoort in zich op en scheidt iedere andere soort uit. Als dat niet zo was, zou niet iedere plant al naargelang de soort een verschillende vorm en haar specifieke geur en smaak hebben. Dienovereenkomstig moeten er dus evenveel luchtsoorten aanwezig zijn als de diversiteit van de gebruikers ervan! Als echter reeds de planten zoveel basale soorten atmosferische lucht nodig hebben om te bestaan, hoeveel te meer moeten er dan terwille van de dieren verschillende grondstoffen aanwezig zijn, opdat ieder dier in de lucht de bij hem passende inademingsstof vindt. Weliswaar ademt ieder wezen de gehele gasinhoud van de atmosferische lucht in, maar het behoudt alleen datgene in zich, wat aan hem gelijksoortig is. Al het overige stoot het weer uit.

Vroeger zijn er op aarde planten en dieren geweest, die tegenwoordig niet meer bestaan. In plaats daarvan ontstonden er andere soorten planten en dieren, die destijds niet aanwezig waren. Al deze veranderingen hebben als oorzaak, dat de vroegere soorten niet meer de met hen overeenstemmende basisvoeding in de lucht vonden. Een dergelijke oorzaak ligt meestal ook ten grondslag aan niet zelden nieuw opduikende ziekten. Dit zijn gevolgen van het ontbreken van een grondstof in de ademlucht, en slechts één medicijn, dat de ontbrekende grondstof zou bevatten, zou ogenblikkelijk effectieve hulp brengen.

 

De bovenste luchtregio

 

De derde luchtregio rust op de tweede, ongeveer zoals zuiver etherische olie op zuiver water drijft en, zonder zich te vermengen, de waterspiegel een twee keer zo mooie glans geeft. Deze hoogste luchtregio is hetzelfde als etherische olie en tegelijk het etherische zout, dat de lagere luchtlagen kruidt en geschikt maakt voor mensen, dieren en planten om te gebruiken. Geur, smaak en kleur van met name bloemen en vruchten zijn hoofdzakelijk afkomstig van de derde luchtregio, want dit zijn zuiver etherische substanties en kunnen dus alleen daar hun oorsprong hebben, waar het dichtst bij de ether zijn. Deze specifieke etherische substanties vormen in die luchtregio een fluïdum, dat zich met de diverse stralingen van de sterren in chemische verwantschap verbindt en, wanneer het naar de aarde komt, die planten en dieren substantieel vervult, die voor de verschillende grondstoffen van het licht een overeenkomstige innerlijke verwantschap bezitten.

Deze luchtregio is in feite het oog van de aarde, en als deze niet een algemeen gezichtsvermogen had, zou geen van haar wezens dat bezitten. De aarde ziet constant de gehele oneindige ruimte om zich heen, en dit roept bij alle op haar wonende geestelijke wezens een algemene overeenkomstige voorstelling van de wereld daar buiten op. De aarde als lichaam weet natuurlijk niets van hetgeen ze ziet. Het zou ook niet nodig zijn de aarde een eigen zelfbewuste kennis te geven, omdat ze als zodanig niet een zelfstandig, afzonderlijk wezen is, maar een grote vereniging van talloze afzonderlijke intelligenties. Het zijn deze geestelijke intelligenties (natuurgeesten van de elementen - uitg.), die het grote oog van de aarde nodig hebben, evenals ook ieder mens en ieder dier zonder dit kosmische oog met zijn ogen niets zou zien. Door het oog van de aarde ziet de mens de zon, de maan en de sterren, want met zijn kleine oog zou hij onmogelijk de grote zon kunnen overzien, als het oog van de aarde niet eerst een klein beeld daarvan zou opnemen en naar het menselijke oog zou leiden. Niemand ziet dus de zon of een of andere ster zelf, maar alleen de afbeeldingen daarvan, zoals het oog van de aarde deze als een zeer zuivere waterspiegel glanzend opneemt.

Behalve de bovengenoemde eigenschappen heeft de derde luchtregio nog een speciale eigenschap: door een of andere verstoring is ze buitengewoon gemakkelijk ontvlambaar. In het bijzonder ontvlamt ze gemakkelijk op die plaatsen, waar bijvoorbeeld een meteoor in haar regio terechtkomt en daar over een flinke afstand doorheen vliegt. Dit ontvlammen is echter geen verbranding, maar een zeer intens stralen. Een door deze luchtsfeer vliegende meteoor scheurt de lucht met geweld uit elkaar, waardoor als gevolg van de snelle beweging tijdelijk een holle ruimte ontstaat. Deze vormt nu een spiegelend oppervlak, waarin zich ogenblikkelijk de lichtstralen van talloze sterren als in een cilindrische spiegel concentreren. En deze weerkaatsing van stralen geeft vanaf de aarde gezien de aanblik van een vuur. Dit verschijnsel van de derde luchtregio kan in de lagere luchtlagen niet plaats vinden, omdat de lucht daarin te zwaar is en achter een lichaam, dat er doorheen vliegt, te snel weer samenvalt. De zeer lichte lucht van de hoogste regio sluit zich achter een meteoor echter maar heel geleidelijk, en daarom is daarachter nog een lange lichtende streep te zien.

 

Natuurlijke gesteldheid van de maan

 

De maan is een nog vaster hemellichaam dan de aarde, en is vroeger uit de meest grove bestanddelen van de aarde gevormd. Hij is aan de aarde toegevoegd om de van de aarde uitstromende magnetische kracht op te vangen deze kracht naar behoefte weer naar haar terug te leiden. Om deze reden vindt zijn loop rond de aarde niet een vaste baan, maar tamelijk onregelmatig, want hij richt zich steeds naar de grotere of kleinere hoeveelheid van het op dat moment aanwezige aardemagnetisme als de natuurlijke levensstof. Als een planeet kleiner is dan de aarde, heeft deze geen maan nodig. Die positie wordt dan vertegenwoordigd door zeer hoge gebergten, zoals bijvoorbeeld bij Mercurius, Venus, Mars en ook nog enkele veel kleinere planeten (asteroïden - uitg.), terwijl aanzienlijk grotere planeten weer verscheidene manen moeten hebben.

Ook op de maan zijn er, evenals op aarde, mensen en talloze andere schepselen, alleen met dit verschil, dat geen enkele maan op de constant naar de planeet gekeerde zijde bewoond is, maar altijd op de afgekeerde, tegenoverliggende zijde. Dit is omdat hij op de naar de aarde toegekeerde zijde noch lucht, noch water, vuur en alle voor het organische leven noodzakelijke dingen bezit. Geen enkele maan mag een beweging om zijn eigen as hebben, omdat de aantrekkingskracht van de aarde of een planeet nog te sterk werkt over de afstand, waarop de maan zich bevindt.

Dit hemellichaam is eigenlijk alleen op de naar de planeet gekeerde zijde ‘maan’, echter op de tegenoverliggende zijde een volkomen vast stuk aarde. Wat voor jullie dus ‘maan’ is, is niet stevig, maar lijkt op stijf geworden zeeschuim, waarvan de vastere delen als bergen uitsteken en de zachtere delen als een soort nissen of trechters in de richting van het centrum van het gehele hemellichaam zijn weggezakt. In enkele van de reusachtige kraters bevindt zich nog atmosferische lucht, die niet heeft kunnen ontwijken en jullie door sterke telescopen bijna de indruk van zeeën geeft (vandaar de astronomische benaming ‘mare’ = ‘zee’ - uitg.). Alle hoge punten en ook de minder diepe trechters bezitten doorgaans geen atmosferische lucht, maar zijn enkel gevuld met ether, zoals die in de vrije ruimten tussen planeten en zonnen aanwezig is. Op deze kant van de maan woont dus ook geen organisch levend wezen, maar de bewoners ervan zijn van geestelijke aard. Op de aarde van de maan (d.w.z. op de van ons afgekeerde zijde) bestaat een spaarzame planten- en dierenwereld en ook een dwergachtig mensenras. Zij hebben te kampen met grote kou en duisternis, maar ook met ondraaglijke hitte, want hier duurt iedere dag en iedere nacht bijna veertien volle aardse dagen. Tegen het einde van de maannacht wordt het daar even koud als op aarde op de noordpool, en vanaf het midden tot het einde van de maandag wordt het zo heet, dat geen levend wezen het op het oppervlak zou kunnen uithouden, om welke reden alle organische wezens in onderaardse woningen leven.

 

 


 

 

Geheimen van ons planetenstelsel

 

Een catastrofe in het rijk der planeten

 

Als een waarschuwing voor de mensheid van ons atoomtijdperk cirkelen er tussen de banen van Mars en Jupiter stukken van een gebarsten grote planeet. Het is de zwerm asteroïden met zijn vier kleine planeetjes Ceres, Pallas, Juno en Vesta en duizenden kleinere brokstukken, die tegenwoordig nog het getuigenis vormen van een geweldige kosmische catastrofe. Dat de mensheid van die planeet zelf de basis daarvoor heeft gelegd, blijkt uit verscheidene onthullingen in de geschriften van Lorber. Uit de werken ‘Het Grote Johannes Evangelie’, ‘Bisschop Martinus’, ‘Die natürliche Sonne’ en ‘Naturzeugnisse’ volgen hier enkele uittreksels over dit thema. - uitg.

 

Vroeger bestond er in jullie rijk der planeten nog een grote aarde, die van jullie zon haar licht ontving en een grote bestemming had. Ten tijde van de pre-adamieten was dit vroegere hemellichaam werkzaam aanwezig als levenskamer in het hart van de grote kosmische mens. De eerste gevallen geest Satana koos deze planeet voor zichzelf uit met de belofte, zich daar te verdeemoedigen en in de orde van God terug te keren. Daarom moest deze ster eenmaal de ster van alle heil zijn. Hier wilde Satana (Lucifer) helemaal in zichzelf teruggetrokken werken, en geen enkel schepsel van deze ster en nog minder andere planeten met hun bewoners zou door hem in hun sfeer gehinderd worden. Hij hield zijn beloften echter niet en werkte daar in de hem toegestane vrijheid dermate boosaardig, dat geen enkel leven meer vooruit kon komen. Daarom werd hij naar het vuurcentrum van jullie aarde verbannen en is de bestemming van die planeet nu aan jullie aarde gegeven, namelijk: de hoofdlevenszenuw in het hart van de grote kosmische mens te zijn.

Toen de planeet nog heel was en rijk aan machtige volkeren, verleidde de oude draak hun harten. Toen ontbrandden ze allemaal in de meest woedende heerszucht en zwoeren elkaar eeuwige oorlog en algehele vernietiging tot de laatste man. De mensen gingen over in de grootste hoogmoed en volledige godvergetenheid. Zij die tenminste nog in God geloofden, probeerden Hem in zekere zin van de troon van Zijn eeuwige macht te stoten. Slechte wereldse wijzen zeiden, dat God in het centrum van hun aarde woonde. Daarom moest men mijnen graven om Hem daar gevangen te nemen. Ze groeven dus heel diepe gaten in het inwendige van de aarde, waarbij een ontelbaar aantal mensen te gronde ging. Toen er boodschappers van de geestelijke wereld naar hen toe kwamen om hen te waarschuwen, werden ze altijd als mensen gewurgd, en de mensheid van die planeet beterde haar leven niet.

Bij hun graafwerkzaamheden stootten de mensen op wit glanzende stenen, en evenals bij jullie goud en diamanten werden deze stenen ware stenen des aanstoots. Wie geen witte steen bezat, gold al gauw voor minder dan een onnozel dier. Daarom vergaarden de machtiger mensen die stenen bij hopen en gaven de zwakkeren niets, om hen des te gemakkelijker te kunnen tiranniseren. Zo ging de hebzucht verder, tot de voornaamste bezitters zichzelf als ware goden beschouwden en zich als zodanig aan het volk opdrongen. Omdat van deze goden één de hoogste wilde zijn, liet ieder van hen zo diep mogelijk in de ingewanden van de planeet graven, om door het grootste bezit aan stenen zijn voorrang te bewijzen.

Deze machthebbers mishandelden het vol op zeer wrede wijze en lieten het dag en nacht in het inwendige van de aarde naar stenen graven. Anderen moesten zich weer in grote troepen verzamelen om het bezit aan stenen van een andere God te verkleinen. Door deze steencultuur bleef nu iedere ware cultuur van het land achterwege en dreigden de volkeren samen met hun goden in verschrikkelijke hongersnoden om te komen. Toen maakten de vier laatste en machtigste heersers een wet, volgens welke de volkeren van de ene machthebber de anderen mochten vangen, slachten en opeten. Dit was evenwel het tijdstip van hun einde, want de mensen waren heel vindingrijk en ontdekten al duizenden jaren tevoren een soort springstof, die alles vernietigde, als die ontstoken werd.

En ze handelden, zoals ook de bewoners van Hanoch voor de zondvloed van Noach met menige berg deden, doordat dezen de inwendige watersluizen van de aarde openden en toen in de hoog gestegen wateren daarvan omkwamen. Zo voerden ook de bewoners van die planeet steeds ergere oorlogen en hielden steeds vreselijker huis. De een ondermijnde het land van de ander diep en in alle richtingen, vulde de mijnen met grote hoeveelheden van deze springstof, die na ontsteking hele landstreken verwoestten. In het verdere verloop groeven ze steeds diepere schachten naar het inwendige van hun aarde, die bijna tweeduizend keer groter was dan die van jullie (Opmerking: Op grond van de buitengewoon geringe totale massa van alle ontdekte brokstukken kunnen geen conclusies getrokken worden over de omvang van de vroegere planeet, die bijna de helft groter was dan de naburige Jupiter. Want verreweg het grootste aantal van die kosmische brokstukken moet intussen door de zon c.q. de andere planeten ingevangen zijn. Vermoedelijk zijn de twee kleine manen van Mars evenals de opvallend schamele kleine satellieten onder manen van Uranus en Neptunus zulke brokstukken, die binnen de aantrekkende sfeer van die planeten geraakt zijn. - uitg.).  tenslotte kwamen ze toch te diep, waardoor de inwendige kamers van de aarde, die van nature met oerbrandstof gevuld zijn, in een hevige, snelle brand raakten. Dit inwendige vuurgeweld duwde de hele planeet uit zijn voegen en deed hem aan alle kanten in stukken barsten. En daarmee had deze aarde samen met al haar slechte mensen het einde bereikt. Haar bewoners hadden zich veel teveel aangematigd, en daarom gebeurde het, dat er een groot gericht over hen kwam, zoals het jullie aarde ook al eens niet veel beter is vergaan. Die planeet werd echter geheel vernietigd en in stukken gerukt, en samen daarmee alle mateloos trots en zondig geworden mensen.

Bij de vreselijke splijting van de planeet vonden vele miljoenen van deze reusachtige mensen de lichamelijke dood. Dat deze catastrofe voor die mensen een verschrikkelijk gericht was, is heel zeker, maar toch droegen alleen zij daar de hele schuld van. De bewoners waren tevoren gedurende lange tijd onderricht, vermaand en gewaarschuwd. Er was hun getoond wat hun te wachten stond, maar toch hielden zij in hun grote wereldse slimheid dit alles voor hersenspinsels van die zieners, die naar men zei zulke dingen aan het lichtgelovige volk vertelden om daardoor aanzien en verzorging te verkrijgen. De groten en machtigen vervolgden hen dus te vuur en te zwaard, ja ze verzetten zich tenslotte zo ernstig tegen al het geestelijke, dat iedereen, die het waagde over de geest te spreken of te schrijven, zonder genade gedood werd.

Deze vernietigde planeet zweefde aan het begin van de zesde ontwikkelingsperiode tussen de banen van de planeten Mars en Jupiter, omcirkeld door zijn vier manen. Qua grootte benaderde hij deze laatste, alleen bezat hij meer vasteland en ook een hogere dampkring. Verder had hij een sterkere inclinatie en daarmee ook een schuinere baan rond de zon (opm.: de astronomie bevestigt, dat de helling van de huidige vier kleine planeten t.o.v. de ecliptica aanzienlijk groter is dan die van alle andere planeten! - uitg.).

Dat was de orde waarin de planeet verkeerde. Toen vond echter de genoemde verbrijzeling plaats, die de planeet in talloze kleinere stukken verdeelde. Alleen de vier manen bleven als geheel behouden. Omdat deze echter hun centrale lichaam kwijt waren geraakt, raakten ze in wanorde en verwijderden ze zich steeds verder van elkaar, doordat ze bij het barsten van de planeet een flinke stoot hadden gekregen. De stukken van de planeet verdeelden zich over de zeer brede ruimte tussen de banen van Mars en Jupiter (!). Een groot aantal kleinere brokstukken verwijderde zich ook buiten de aangegeven banen. Sommige vielen op Jupiter, andere op Mars, enkele zelfs op jullie aarde, evenals op Venus, Mercurius en de zon.

Zelfs de reusachtig grote mensen werden daarbij in grote aantallen de vrije hemelruimte in geslingerd, evenals de andere schepsels. Enkele verdroogde lijken zweven nog altijd rond in de wijde etherruimte, andere liggen dood en vergaan onder de brokstukken van hun huizen, die op de grotere brokstukken van de planeet nog bleven bestaan. Sommige van die menselijke lijken vielen zelfs op jullie aarde, waar ze echter reeds na enkele jaren volkomen opgelost werden. Van deze val is de tegenwoordig nog overgeleverde heidense mythe afkomstig over de oorlog van de giganten tegen de giganten. Zo stierven de eerste mensen op de resten van de vroeger grootste planeet van jullie zonnegebied.

De zeeën van de verwoeste planeet verdeelden zich samen met hun bewoners van allerlei aard bij het barsten in grotere en kleinere compacte massa’s, waarvan enkele een doorsnede van vele mijlen hebben. Daarbij hebben ze ook vastere aarde in zich en worden nog door allerlei dieren bewoond. Op de kleine brokstukken bestaat echter geen organisch leven meer, afgezien van verwering en langzame oplossing.

Alleen op de vier manen leven nog nakomelingen van de vroegere schepselen, maar nog slechts in een verkommerde toestand. Deze vier kleine hemellichamen kunnen ook dode planeten genoemd worden, omdat het aantal levende wezens nog maar klein is. De nog aanwezige mensen zijn uiterst natuurlijk van aard en het geestelijke is hen nagenoeg vreemd. De vegetatie daar is buitengewoon armzalig. De nauwelijks drie span grote mensen hebben met de dieren van jullie aarde de winterslaap gemeen, die op deze vier stukken wereld soms meer dan twee jaar duurt. Af en toe ook korter, al naargelang zo’n kleine planeet vanwege zijn onregelmatige loop meer of minder dicht bij de zon komt. Zo zijn alleen deze vier manen overgebleven als afgeronde kleine werelden, die nog een armzalig hoger organisch leven dragen.

Zo spreekt de Heer: ‘Ook de mensen van jullie aarde zullen deze verschrikkelijke springstoffen samen met een groot aantal andere vernietigingsinstrumenten weer uitvinden (is al werkelijkheid geworden! - uitg.). Ze zullen daarmee veel verwoestingen op aarde aanrichten. Dat ze echter niet te diep in de aarde komen, daar zal door Mij voor gezorgd worden. Daarom zal zo’n volledige verwoesting op jullie aarde nooit kunnen gebeuren. Maar plaatselijke, zeer grote vernietigingen en verwoestingen zullen beslist plaats vinden. Daarbij zullen de mensen in grote angst, schrik en ellende raken, en velen zullen versmachten van vrees en bange afwachting van de dingen, die over de aarde komen!’

 

Een blik op Saturnus

 

Onder de planeten van ons zonnestelsel neemt Saturnus een bijzondere positie in, omdat hij als enige door een ringvormige structuur omgeven is. Terwijl de astronomie over het wezen en het doel van deze dubbele ring enkel theorieën kan opstellen, ontving Jakob Lorber daar heldere onthullingen over. De precieze beschrijving van de planeet samen met zijn ringen en manen staat in het werk ‘Der Saturn’, waar de onderstaande beschrijvingen als fragmenten aan ontleend zijn. - uitg.

 

De planeet Saturnus is meer dan duizend keer groter dan jullie aarde. De diameter van zijn gehele dubbele ring bedraagt 40.000 geografische mijlen, de afstand van het buitenste oppervlak van de binnenste ring tot het binnenste oppervlak van de buitenste ring 545 geografische mijlen. De binnenste ring heeft nog drie halve spleten in zich, die elk 20 tot 30 mijl breed zijn. Deze lopen niet door de gehele tweede ring, maar zijn gevuld met louter eivormige bollen met een zodanige diameter, dat door deze ertussen liggende bollen de drie inwendige delen van de ring slechts één ring vormen. Daar waar de spleten zich bevinden, loopt door de hele ring heen zowel van beneden naar boven als van boven naar beneden een vrije ruimte als een naar binnen gebogen piramide. De dicht tegen elkaar aanliggende bollen in die drie spleten hebben al menige astronoom op het verkeerde idee gebracht, dat deze ring samengesteld zou zijn uit zeer veel kleine manen. Want door een krachtige telescoop lijkt deze ring op een rozenkrans, die eveneens uit louter kleine bollen bestaat.

Rond de planeet Saturnus cirkelen zeven c.q. tien manen (drie ervan zijn nevenmanen van de hoofdmanen - uitg.) met een verschillende grootte en afstand. De eerste, meest nabije en tegelijkertijd kleinste maan is slechts 120 mijl, de laatste, buitenste en grootste maan is 1120 mijl in doorsnede. Hij staat ongeveer 361.000 mijl van de planeet vandaan. Uit deze getallen kunnen jullie afleiden, dat dit hemellichaam dankzij zijn grootte, uiteenlopende constructie en talrijke manen geen geringe bestemming bezit in de scheppingsruimte.

Het oppervlak van de planeet bestaat voor het grootste deel uit water. Er is hier eigenlijk geen vast land, maar voor het merendeel aan de evenaar afzonderlijke, behoorlijk grote eilanden, die op zichzelf evenwel groter in omvang zijn dan jullie vijf continenten bij elkaar. Naar de polen toe is het hemellichaam bedekt met eeuwige sneeuw en ijs, dat daar al 40 graden (noorder- en zuiderbreedte) eerder begint dan op aarde. Vandaar dat jullie zogenaamde ‘gematigde zone’ op Saturnus het rijk van de sneeuw, jullie ‘koude zone’ het rijk van het eeuwige ijs en jullie ‘hete zone’ daar de eigenlijke gematigde zone is, die als enige door mensen bewoond kan worden. In deze heldere en milde zone bevinden zich de 77 grote eilanden, waarvan een gemiddeld eiland groter is dan het continent Amerika. Ieder eiland verschilt qua formatie en de producten ervan veel meer van de andere dan jullie Lapland van de zuidelijke tropenlanden.

Ondanks de grote afstand tot de zon ontvangt de planeet voldoende licht en warmte. Want ten eerste heeft hij ook een eigen licht, in dezelfde mate als hij de aarde in grootte overtreft. Ten tweede wordt de planeet omgeven door een duizend keer grotere atmosfeer, die ongeveer 100.000 mijl hoog reikt, terwijl die van jullie aarde nog geen 2000 mijl hoog is. Daarom kan deze grote luchtbol evenredig veel zonnestralen opnemen, om ze daarna steeds geconcentreerder naar het oppervlak te leiden. Vandaar dat de bewoners van de planeet de zon ook als veel groter zien dan jullie. Om die reden zou de warmte aan de evenaar niet te verdragen zijn, als die niet door de ring zodanig getemperd zou worden, dat deze de meest geconcentreerde zonnestralen opneemt. Hier worden ze gedeeltelijk zelf verbruikt, gedeeltelijk ook weer naar de kosmos teruggekaatst, waardoor de ring door de telescopen gezien een glanzender uiterlijk heeft dan de planeet zelf. De schaduw van de ring werkt uiterst weldadig, doordat hij de hete zone tot een gematigde maakt.

Als gevolg van deze ring is het op dit hemellichaam ook nooit nacht zoals bij jullie. Want aan de zonzijde is het voortdurend dag, terwijl aan de tegenoverliggende zijde - aangezien de ring door de zon aan de binnenkant wordt verlicht - steeds voldoende licht heerst, dat bovendien nog versterkt wordt door de in allerlei verschillende banen rondcirkelende manen. Bij deze eigenlijke ‘nachtdag’ komt nog het licht van de vaste sterren, die vanwege de zuivere en uitgestrekte atmosfeer als tien keer zo groot zichtbaar zijn en een krachtiger glans uitstralen, evenveel als Venus bij jullie in helder avondlicht. Verplaats je in de geest naar een land in deze middelste zone van de planeet en kijk van daar uit de geweldige heerlijkheid van de sterrenhemel. Al vergroten jullie je fantasie nog zozeer, jullie kunnen je geen begrip vormen van een miljoenste deel van de pracht, die daar heerst! Want hier is de nacht lichter dan bij jullie de dag. En overdag ontbreekt daar onder de schaduw van de ring nooit de aanblik van de mooie sterren. Met name vanaf de bergen met hun onmetelijke uitzicht is het effect van het sterrenlicht onder de ring zo veelvuldig in kleurenpracht, dat jullie je daar niet de minste voorstelling van kunnen maken.

Hoe groot de planeet Saturnus was, toont zijn huidige ring, want het oppervlak van de buitenste ring was eerst het oppervlak van de gehele planeet. Op een keer moest dit in het zuiden en noorden in zekere zin afgesneden worden, waardoor de twee grote kappen als twee reusachtige holle schillen de wijde kosmische ruimte in geslingerd werden. En waarom? Omdat ook daar op deze twee delen de slechte slang (Satana) een flinke hoeveelheid boosaardig gebroed had geplaatst! Alleen de bewoners van de hete middelste zone bleven zuiver, daarom bleef deze ook behouden als een altijddurend gedenkteken, dat de grote kosmische Bouwmeester ook een hemellichaam in stand kan houden, als dit niet meer zijn eerste planetaire volmaaktheid heeft.

Waaruit is na de catastrofe nu dit tegenwoordig veel kleinere aardelichaam van Saturnus ontstaan? Let op, want jullie zullen nu een scherpe blik niet alleen op deze planeet, maar op alle hemellichamen kunnen werpen: het huidige hemellichaam binnen de ring was ook vóór het afkappen reeds aanwezig, evenals dat ook bij jullie aarde het geval zou zijn, als deze van zijn kappen ontdaan zou worden. Want ook binnen de buitenste aarde zit nog een kleinere, en daarin een nog kleinere, die alleen door lucht, water of vuur met elkaar in verbinding staan. Derhalve is de huidige Saturnus reeds de (inwendige) middelste bol, omdat de ring al uit twee bestaat, aangezien deze volkomen zonder onderlinge aanraking gespleten is. Als deze middelste bol nog eens van zijn kappen ontdaan zou worden, zou er op die manier onder de grotere ringen opnieuw een nog kleinere tevoorschijn komen, waarbinnen zich nog eens een volmaakt ronde planeet zou bevinden, even vrij zwevend als de huidige binnen de grote ring.

De zeven hoofdmanen oefenen een aanzienlijke invloed op de planeet uit. Zo gebeurt het op de momenten, als alle zeven manen als gevolg van hun niet even snelle beweging aan dezelfde kant van de planeet komen te staan, dat daardoor het zeewater tot enorme hoogten wordt opgeheven. Als er, zoals bij jullie, slechts één kleine maan rond de aarde cirkelt, zou het natuurlijk onverstandig zijn om eb en vloed aan de maan toe te schrijven, hoewel hij daar een aanvullende, onbetekenende invloed op uitoefent. De getijden ontstaan door het ademen van de aarde, en de invloed van de maan bedraagt bij een natuurlijke stijging van zes voet nauwelijks meer dan een duim. Bij een planeet zoals Saturnus geeft de aantrekkingskracht van de zeven manen echter reeds een aanzienlijke uitslag van zeker zeventig klafter, als jullie die duim op aarde op Saturnus overdragen in de verhouding, waarin al het overige van Saturnus tot de aarde staat. Neem bovendien nog aan dat het zeewater daar op het tijdstip van de vloed gewoonlijk zestig klafter stijgt, dan zou zelfs het vlakke binnenland over een afstand van duizend mijl in gevaar komen, als de ring boven de zee niet regulerend zou werken. Want door de aantrekking van de ring vormt de zee bij vloed onder de ring echte waterbergen, die het al te ver binnendringen van het water in het oeverland verhinderen. Ze lijken veel op waterhozen bij jullie, en groeien daar tot huiveringwekkende hoogten uit. Daarbij wordt een reusachtige bevruchtingsdaad voltrokken, waarbij de atomistische etherdiertjes van het luchtruim in het water worden opgenomen, waarin ze zich dan van de ene klasse naar de andere voortplanten. Zo is het water van de zee overal de eerste woonplaats van het dierenrijk.

In het begin is jullie getoond, dat Saturnus eigenlijk klimatologisch slechts twee zones heeft: een volstrekt gematigde, waarin alle bewoonbare landen liggen, waarvan de breedte als geheel meer dan eenderde van de afstand tussen de polen bedraagt. Deze woongebieden worden aan de noord- en zuidzijde omspoeld door ononderbroken zeeën, waarvan de uiterste delen reeds tot de regio van de eeuwige sneeuw reiken.

Nu zullen we ons naar de ringstructuur van Saturnus wenden. De ring als zodanig vormt een volkomen compact, stevig hemellichaam, waarvan de oppervlakte die van de eigenlijke planeet verscheidene malen overtreft. En ook de inhoud van het ringlichaam is even zovele malen groter. Deze ring heeft alle bestanddelen van een planeet: buitengewoon hoge bergen, grote meren en rivieren, en overal is hij omgeven door atmosferische lucht. Alleen zijn het water en de lucht van de ring veel lichter en fijner dan op de planeet. De ring heeft ook een draaiing om zijn as rond het middelpunt, dat hij met de planeet gemeenschappelijk heeft, alleen verschilt de snelheid van zijn draaiing van die van de planeet. Als de planeet bijna twee keer om zijn as draait, is de binnenste ring - die eigenlijk uit twee ringen bestaat, die door louter elliptische sferen met elkaar verbonden zijn - nauwelijks één keer om zijn as gedraaid. De middelste ring heeft een nog langzamere rotatie, de buitenste en grootste heeft voor zijn rotatie een tijd van bijna zeven Saturnusdagen nodig.

Als jullie de verschillende diameters van de ringen bekijken, zal dit verschil in hun rotaties jullie gemakkelijk duidelijk worden. Als bijvoorbeeld de binnenste ring een even snelle rotatie als de planeet zelf zou hebben, zou deze snelheid hem als gevolg van de middelpuntvliedende kracht onmiskenbaar uit elkaar rukken, enzovoort. Maar op deze manier is hun beweging zeer nauwkeurig afgewogen, opdat er als gevolg van de constante slingerkracht in de planeet geen deel van de ring op de planeet kan neerstorten of de kosmische ruimte in geslingerd kan worden.

Als de ring van Saturnus niet voortdurend nu eens zuidelijk en dan weer meer naar het noorden een de hitte temperende schaduw zou werpen op dat deel van de planeet, waar anders de hete zone zou moeten ontstaan, zou al heel gauw het gehele zonnegebied ervaren, welk karakter, kracht en machtig geweld de oergrondgeesten van deze planeet bezitten. Door de ring wordt een voortdurend gelijkmatige zone in de bewoonbare landen van de planeet tot stand gebracht, wat tot gevolg heeft, dat deze oergrondgeesten niet kunnen ontbranden en dus ook geen verwoestingen in de kosmische gebieden kunnen aanrichten. Daarom moeten zelfs de Saturnusmensen zelf als gevolg van hun geestelijke afkomst tegen iedere al te grote opwinding beschermd worden. Ze moeten voortdurend in de hoogste achting voor en punctuele gehoorzaamheid aan de ‘grote Geest’ gehouden worden. Daarom wordt hun ook over de liefde niet al teveel verkondigd, maar slechts zoveel, dat ze tot diep ontzag daarvoor gebracht worden. Om dezelfde reden heeft daar zelfs de echtelijke liefde en het verwekken van kinderen een zodanige vorm, dat het gemoed van de mensen daarbij nooit al te sterk opgewonden raakt. Al met al moeten deze mensen steeds in de grootste deemoed worden gehouden.

Ook de hele schepping op Saturnus, van het plantenrijk tot aan de mens, is gekleed in reusachtige lichamen. Deze grote lichamen zijn de menselijke geesten van Saturnus gegeven, opdat ze absoluut geen druk van de materie zullen ondergaan, die hen van buiten naar binnen zou kunnen drukken om hen te doen ontbranden. Om dezelfde reden zijn hun buitengewoon bevallige lichamen gegeven, opdat de gemakkelijk te prikkelen geest niet iets zal tegenkomen, wat zijn natuur bedrukt en daarmee de ontvlambaarheid van zijn geest activeert. Door de aantrekkingskracht van de ring wordt ook het lichamelijke gewicht van de mensen zodanig verminderd, dat deze grote lichamen bijna honderd keer lichter zijn dan die van jullie ten opzichte van de aarde. De verscheidene doeleinden van de ring zijn dus uiterst belangrijk, zodat hij niet alleen als een ring  rond een planeet, maar als een sterke, beschermende band over een hele kosmos beschouwd moet worden.

Als een Saturnusmens lichamelijk sterft, wordt hij naar een ‘koelcel’ gebracht, en dat is de ring van deze planeet. De eerste ring dient voor het afkoelen van de grootste (geestelijke) hitte, de tweede voor de verdere afkoeling en de laatste voor het soepel maken van de geest, waarna iedere Saturnusmens pas in staat raakt om liefde op te nemen. Als de geesten van Saturnusmensen uit hun eerste, aardse lichaam treden, zijn het niet onmiddellijk zuivere geesten, wat reeds af te leiden valt uit het feit, dat ze gemakkelijk weer aan hun nabestaanden verschijnen. Want bij hun overgang naar de grote ring hebben deze geesten nog een soort materieel lichaam, dat evenwel veel lichter en zuiverder is dan het vroegere stoffelijke lichaam op de planeet. En zelfs dit etherische zuiverder lichaam wordt daarna nog zuiverder en geestelijker, naarmate het in een hogere sfeer van de ring overgaat.

De bewoners van de ring leven, eten en drinken daar precies zoals voorheen op de planeet. Alleen zijn alle producten in gelijke mate subtieler en substantiëler als de mensen, die daar komen. Het verschil tussen de planeet en de ringen is alleen, dat op deze tweede wereld geen dieren meer voorkomen, maar wel voldoende vruchtbomen, die zonder zaad uit de bodem opgroeien zoals bij jullie de zwammen. De bewoners van de ringen kunnen zich, gehoor gevend aan de innerlijke wens van een mens op de planeet, voor korte tijd van de ring terug naar de planeet begeven, en wel met de snelheid van de geest. Omdat de levensomstandigheden van de geestmensen op de ring echter onvergelijkelijk veel heerlijker en aangenamer zijn, hebben zulke geesten nooit zin om langer op de planeet te verblijven dan overeenkomstig de wens van de Grote Geest noodzakelijk is. Daarom worden ze dus buitengewoon blij, als ze weer naar de sferen van de ring kunnen terugkeren.

Tot slot nog een blik op de zeven manen van Saturnus. Deze vormen geestelijk gezien een trapsgewijze afdaling, zoals die bij jullie natuurlijk niet kan bestaan, omdat de aarde maar één maan als satelliet bezit. Deze manen hebben geen rotatie om hun as, maar keren steeds hetzelfde gezicht naar hun planeet. Om deze reden zijn ze ook dubbel bewoonbaar, namelijk geestelijk én natuurlijk. Derhalve wordt iedere maan van Saturnus op de van de planeet afgekeerde zijde door mensen en dieren bewoond, bezit plantengroei, water en lucht en heeft alles, wat noodzakelijk is voor de ondersteuning van het natuurlijke leven.

De mensen, die daar op natuurlijke wijze leven, zijn veel kleiner dan die van de planeet en zijn op de kleinere manen nauwelijks zo groot als jullie. Op de grotere, buitenste drie manen overtreft hun lichaamsgrootte die van de mensen op aarde. Deze maanmensen staan voortdurend in verbinding met de bewoners van de planeet. De geesten van die Saturnusmensen, die zich tijdens hun natuurlijke leven niet hebben bekwaamd om direct op de ring te komen, moeten al naargelang hun gesteldheid eerst de een of andere maan en soms ook verschillende manen doormaken, voordat ze in de onderste ring opgenomen kunnen worden. Op de manen komen zelfzuchtige en heidense geesten, die tijdens hun aardse leven de ring als een godheid aanbeden hebben.

Op iedere maan verschijnen deze geesten eerst op de natuurlijke zijde. Door de lichamen van de daar wonende natuurmensen nemen ze de natuurlijke dingen waar, maar niet de ring, die voorheen hun afgod was. Als ze daardoor de ring in zekere zin vergeten zijn en zelfs geen herinnering aan hun planeet meer hebben, dan pas trekken ze naar de naar de planeet toegekeerde zijde; van daaruit zien ze dan pas de planeet samen met de ring als één vrijwel concreet lichaam. Daardoor en tevens door andere, hogere geesten worden ze onderricht, dat de ring niet een of andere godheid of de zetel daarvan is, maar een door de Grote Geest geschapen hemellichaam, met als doel de geesten van gestorven planeetmensen daar voor een hoger leven voor te bereiden. Daardoor krijgen ze een verlangen naar de ring en meer nog naar de zuiver geestelijke toestand, waarna ze dan onmiddellijk naar de ring worden gebracht.

Voor geesten met een andere gesteldheid zou één maan wel voldoende zijn voor deze scholing. Voor de Saturnusgeesten, die in de grote geestelijke mens (meer hierover in de hoofdstukken aan het slot - uitg.) hun zetel onder een knie hebben, is dat echter niet voldoende. Want de voeten vormen het fundament van het levensterrein, en de gewrichten zijn dat op hun beurt weer bij de voeten. Omdat de bewoners van de geestelijke Saturnus een uiterst belangrijk deel van de voet onder de knie van de grote scheppingsmens vormen, moet bij iedere afzonderlijke geest van de Saturnusmensen op zeven verschillende manieren gekeken worden, welke van de zeven geesten, waar iedere geest uit bestaat, het gevaarlijkst is. Voor dat doel zijn de zeven manen er, opdat op iedere maan een andere soort geest tot rust en in overeenstemmende orde met de overige zes geesten wordt gebracht.

 

Het Lorberwerk ‘Der Saturn’ bevat zeer diepgaande beschrijvingen van de natuurrijken en menselijke wereld aldaar, die hier vanwege gebrek aan ruimte niet weergegeven kunnen worden. - uitg.

 

De wondere wereld van Neptunus

 

(Uit een door Lorber op 24 oktober 1842 ontvangen dictaat, dat de omstandigheden beschrijft van een planeet, die pas vier jaar later op 23 september 1846 door de astronoom Lavarrier in Parijs berekend en door Galle in Berlijn ontdekt werd. Een zeer duidelijk bewijs voor de geestelijke oorsprong van deze openbaringen! - uitg.)

 

‘… Het is noodzakelijk om nu een kort bezoek te brengen aan een - voor jullie nu nog onbekende - planeet van dit zonnestelsel. Hoe heet deze planeet eigenlijk? Omdat de aarde er nog niets van afweet, zullen wij hem hier de naam geven, die hij van zijn bewoners zelf heeft gekregen. Hij heet daar ‘Miron’, wat zoveel betekent als: ‘wereld van wonderen’. Uit deze juiste naam blijkt al, wat deze voor dit hemellichaam betekent, want de echte naam van een ding is niet zo onbelangrijk als sommigen van jullie zouden denken.

Miron is qua grootte een planeet, die ongeveer het midden houdt tussen Uranus en Saturnus. Zijn dampkring is echter groter dan die van Jupiter en heeft een diameter van bijna 100.000 mijl. Omdat de planeet zeer langzaam beweegt, heeft hij bijna vijfhonderd jaar nodig om zijn baan rond de zon één keer te voltooien (dit zou Lorber verkeerd verstaan kunnen hebben, want de omlooptijd van Neptunus bedraagt ongeveer 165 jaar - uitg.). Miron heeft tien manen (drie hoofd- en zeven nevenmanen), die er op verschillende afstanden omheen cirkelen en door hun positie de nachttijd van de planeet tamelijk goed verlichten. De manen staan behoorlijk ver van de planeet af: de eerste al meer dan 60.000 mijl, terwijl de laatste er meer dan een miljoen mijl vanaf staat (opm: de afgelopen tijd bestaan er bij de astronomen twijfels of Pluto, de laatste planeet van ons zonnestelsel, een echte planeet is of een verloren gegane maan van Neptunus. De sterke helling van zijn baan vergeleken bij de andere planeten alsook zijn massa en diameter geven daar aanleiding toe. Nu hebben de Amerikaanse astronoom dr. Kuiper van de sterrenwacht Net. Locke in Texas en ook astronomen aan het Lowell-obeservatorium vastgesteld, dat Pluto zeseneenhalve dag nodig heeft voor een draaiing om zijn as. Dat is volgens hen voor een echte planeet veel te lang. Daarom vatten ze hem op als een satelliet van Neptunus. De astronomen veronderstellen, dat het niet de eerste keer is, dat Neptunus één van zijn manen is kwijtgeraakt en later weer ingevangen heeft. - uitg.). Aan de hand van de omlooptijd van deze laatste maan, die daar ongeveer dertien van jullie aardse maanden voor nodig heeft, worden daar ook de jaren geteld. Daar wordt namelijk niet in zonnejaren gerekend, omdat deze op de planeet geen merkbare verschillen teweegbrengen. Tevens kunnen deze als gevolg van de kortere levensduur van een Mironmens moeilijk geteld worden, omdat zo’n zonnejaar minstens vijf tot zes generaties omvat.

Op deze planeet zijn evenals op Saturnus alleen de streken van de evenaar bewoond. De poolstreken ervan zijn met eeuwige sneeuw en ijs bedekt, zodat hier aan bewoonbaarheid niet gedacht kan worden. Als jullie je op deze planeet zouden bevinden, zouden jullie de zon nauwelijks zo groot als een rijksdaalder waarnemen. Desondanks zien de bewoners van deze planeet hem even groot als jullie op aarde. De oorzaak daarvan ligt in de grotere ontwikkeling van het oog, waardoor de pupil meer afgevlakt is en zodoende ook een grotere stralenbundel kan bevatten dan het aardse oog van de mens. De tweede oorzaak ligt echter in de voor deze planeet buitengewoon hoog reikende luchtregio, via welke op het grensvlak ervan nog altijd een aanzienlijke hoeveelheid zonnestralen wordt opgenomen. Volgens de wet van straalbreking vallen deze stralen steeds dichter opeen op het oppervlak van de planeet, waardoor ze daar met name in de gebieden van de evenaar heel aangename temperaturen teweegbrengen.

Omdat deze planeet echter ook al dichter bij een andere zon staat dan jullie aarde - alhoewel die zon er nog zeven biljoen en negenhonderdduizend mijl vanaf staat - en bovendien zijn dampkring zo geweldig groot is, ontvangt hij ook daarvan enig licht en enige warmte. Op deze wijze benut de planeet Miron ook de stralen van andere zonnen, waardoor op de poolgebieden het overmatig aangroeien van ijs wordt tegengegaan. Verder komt het ijs daar slechts voor tot een bepaalde hoogte. Want daar, waar de stralen elkaar weer van alle kanten ontmoeten, wordt de temperatuur van de lucht weer milder. Wat polaire omstandigheden van deze planeet betreft, die zijn hetzelfde als op jullie aarde.

Het bewoonbare land lijkt op een gordel. Zowel aan de zuid- als aan de noordzijde is het door vrijwel onbeklimbare bergketens omsloten. Daar overheen kan niemand gemakkelijk de zeegebieden bereiken, waar het constant ongeveer even koud is als in het noordelijke deel van Siberië. Op de zee daar drijft voortdurend drijfijs, zodat het niet raadzaam zou zijn om zich daar met een schip op te wagen. De meer dan duizend mijl brede woongordel vormt dus een ingesloten dal, waar maar weinig kleine bergketens doorheen lopen.

Omdat het gehele hemellichaam in tien uur om zijn as draait, wat een nacht van nauwelijks vijf uur tot gevolg heeft, heeft deze gordel een even goede temperatuur als bij jullie een gemiddelde zomer. Deze temperatuur is niet onderhevig aan wisselingen, behalve af en toe door winden en de frequente wisseling van de manen. Daaruit kan geconcludeerd worden, dat de bewoonbaarheid van Miron ondanks zijn grote afstand tot de zon niet de onaangenaamste is en heel goed geschikt blijkt te zijn voor het voortbrengen van een planten- en dierenwereld.

De bewoonbare bodem van de planeet is in doorsnee genomen meer vlak dan bergachtig. De vlakten worden doorsneden door grote en kleine rivieren, die dan door een bergkloof heen met geraas en gebruis in zee storten. Zowel bij de zuidelijke als de noordelijke berggrens treft men talrijke vulkanen aan, dikwijls ook kokendhete bronnen en beken, waardoor de temperatuur van dit land aanzienlijk verhoogd wordt. Want behalve de verwarming door de lucht wordt de aarde al van binnenuit verwarmd, waardoor ze heel vruchtbaar wordt en overal de meest opmerkelijke planten en vruchten voortbrengt. De vlammen van de vulkanen hebben niet zoals op jullie aarde een vuilrode, maar een lichtgroene kleur, wat weldadiger werkt voor het verlichten en verwarmen dan de vuilrode kleurenstraling. Evenzo zien de bewoners van deze planeet de zon zelf in een groenachtig wit licht.

De oorzaak daarvan is de uitgestrekte atmosferische luchtregio en de bijzondere zuiverheid daarvan. Daarom doen ver verwijderde landstreken zich ook niet blauw voor zoals bij jullie, maar groen. Daarentegen zijn de bladeren van bomen en planten evenals van het gras blauw, dus precies andersom als op jullie aarde. Weliswaar overheerst de kleur blauw reeds op Saturnus, maar toch bij lange na niet zo intens en levendig als hier. De groene kleur van de lichtether is de krachtigste, vandaar ook dat deze op de dichter bij de zon gelegen hemellichamen vrijwel de gehele plantenwereld beheerst. Alle overige kleuren zijn minder intens en kunnen dus alleen teerdere voorwerpen doordringen. De kleur blauw is het minst krachtig, vandaar daar daarvan ook het minst verbruikt wordt en de lucht er steeds mee gevuld kan zijn. Dat is de reden, waarom op jullie aarde ver verwijderde voorwerpen zich steeds blauw gekleurd voordoen.

Op de planeet Miron echter is, gezien zijn grote afstand tot de zon en zijn uitgestrekte luchtomhulling, juist het tegenovergestelde het geval. De groene kleur van het licht heeft door de grote afstand tot het lichtende lichaam de zon noodzakelijkerwijze aan intensiteit ingeboet. Tevens kunnen jullie aannemen, dat op de hele planeet Miron minder zonnestralen vallen dan alleen al op jullie continent Afrika. Als deze weinige zonnestralen nu op het uitgestrekte oppervlak van de luchtregio van Miron vallen, worden de groene al gauw daardoor opgezogen, omdat deze de weldadigste zijn. Alleen de veel minder levenwekkende blauwe straal wordt door de zuivere lucht doorgelaten en bereikt de bodem onverzwakt. Om deze reden verschijnen de planten dan voor het merendeel in de mooiste blauwe kleuren, met uitzondering van de bloemen.

Wat de vegetatieve wereld van Miron betreft, deze is voor jullie begrippen werkelijk wonderbaarlijk. Zo groeit er bijvoorbeeld een vruchtboom, die een hoogte van ongeveer honderd klafter kan bereiken, heel weelderig gedurende twintig tot dertig Mironjaren. Dan vindt er bij de boom van de ene op de andere dag een plotselinge verandering plaats. Ofwel hij verdwijnt volkomen uit het bestaan en ontdekt men bij onderzoek in zijn plaats een groot aantal nieuwe insecten. Ofwel de boom werpt zijn takken af, zoals bij jullie de bladeren, en produceert nu geheel andere takken, waaruit na verloop van tijd ook heel andere vruchten tevoorschijn komen. Als de boom echter in insecten verandert, leven deze een tijdlang op de plaats van de boom. Daarna sterven ze af en ontwikkelt zich uit hun ontbindende resten een nieuwe plantensoort, die absoluut geen verwantschap vertoont met de voorgaande boom.

Zulke metamorfosen zijn daar afhankelijk van de verschillende constellaties van de manen. Evenals bij de bomen gaat het ook bij de kleinere planten. De wet van zulke overgangen strekt zich zelfs uit tot het dierenrijk, tot aan de viervoetige, grotere en grootste landdieren. Het rijk van de amfibieën en insecten en ook de gehele vogelwereld is onderworpen aan de wet van de veranderlijke overgangen. Echter niet zoals op jullie aarde, waarbij uit een rups steeds dezelfde vlinder en uit een worm steeds hetzelfde insect voortkomt. Op de planeet Miron gebeurt dit allemaal al naargelang de omstandigheden en het tijdstip. Daarom kan niemand daar vaststellen, wat er hier of daar tevoorschijn al komen. De bewoners van deze planeet leggen zich dus niet sterk toe op de natuurwetenschap, wat de vegetatie en de lagere dierenwereld betreft. Wel doen zij echter onderzoek, waar de natuur consistent begint te worden.

 

(Hierna volgen in Lorbers boek ‘Die natürliche Sonne’ uitvoerige beschrijvingen van zulke ‘Mironwonderen’, die hier vanwege de beperkte ruimte echter niet in detail weergegeven kunnen worden - uitg.)

 

Iets over de mensen op Neptunus

 

De grootte van de mensen is heel verschillend. Zo zijn er mensen, die een lengte van veertig klafter, en mensen, die dikwijls nauwelijks een lengte van twintig klafter bereiken. Laten we als middenklasse een man van 30 klafter en een vrouw van 28 klafter in ogenschouw nemen.

De man heeft een ernstig, maar niet afstotend uiterlijk. Het hoofd heeft lange haarlokken, die donkergroen van kleur zijn. De huidkleur is wit, enigszins overlopend in lichtgroen. Ook de ogen hebben allerlei kleuren groen. De volle baard is eveneens groen, en ook de vingernagels vertonen zich als sterk groen gekleurd glas. De tanden zijn blauwachtig, ongeveer zoals parelmoer. De welluidende stem is heel laag en is voor jullie oren zo sonoor luid, dat jullie die op een afstand van twee mijl nog als een verre donder zouden kunnen horen. Ook de vrouw praat laag, maar toch is haar stem buigzamer dan die van de man en klinkt voor de man van deze planeet buitengewoon aantrekkelijk. Temeer daar deze planeet in zekere zin het vaderland van de toonkunst is, niet alleen vanwege de soepele vrouwelijke stemmen, maar ook door allerlei welluidende muziekinstrumenten.

De vrouw bezit gewoonlijk een buitengewone schoonheid. Haar gezicht drukt een wonderbaarlijke zoetheid en bevalligheid uit. Ronding, zachtheid en teerheid zijn de vrijwel nooit ontbrekende kenmerken van haar lichamelijke bouw. De huid is teer en verblindend wit van kleur, alleen de wangen gaan enigszins over in zachtgroen/rood. De haren zijn zwartgroen en glimmen bij licht als een pauwenveer. De vingernagels zijn levendig groen en glanzen als fijn gepolijst glas. Het gelaat behoort volgens jullie principes tot de mooiste vormen: een hoog voorhoofd, uitgesproken wenkbrauwen, grote en levendige ogen, waarvan de pupil een kleurenspel vertoont van vurig groen, waar soms rode stralen doorheen breken. De neus is recht en licht afgerond. De mond heeft de juiste verhouding, de hals is middelmatig lang en rond, de nek laat geen uitstekende botdelen zien. Beneden de volle borsten wordt de vrouw slank tot aan haar heupen, daarna wordt ze weer voller tot aan de heupgewrichten. De voeten hebben eveneens de juiste proporties.

De kleding van de mensen is evenals bij jullie heel verschillend. Ook hier dragen mannen en vrouwen al naargelang land en gebruik verschillende overjassen, mantels, beenbekleding, schoenen en hoeden. Als jullie de betere Europese en Aziatische drachten op natuurlijk uitgebreidere schaal op de bewoners van deze planeet overdragen, krijgen jullie een goede voorstelling van hun manier van kleden.

Tevens wonen deze mensen evengoed als jullie in huizen. Hun huizen hebben nooit verscheidene verdiepingen, maar alleen een gelijkvloerse woonlaag. De daken zijn meer toegespitst dan bij jullie en lijken daarin op gotische bouwwerken. Een huis heeft nooit meer dan drie kamers, maar ieder daarvan is zo groot, dat het met gemak een gezelschap van honderd mensen kan bevatten. Het materiaal van de huizen is doorgaans gehakte stenen. De ruiten zijn van een elastisch, natuurlijk glas en zijn gevat in metalen ramen. De kleur van het glas is verschillend, al naargelang de natuur het levert. Behalve de woonhuizen zijn er nog speciale kinderhuizen en ook economische gebouwen. Er dient nog vermeld te worden, dat de mensen hier meestal in dorpen bij elkaar wonen.

Ieder dorp heeft een gemeenschappelijk stuk grond, dat groot genoeg is om allen rijkelijk van alle voedende vruchten te voorzien. Een specifiek bezitsrecht geldt alleen voor die stukken, die een bewoner voor een bepaalde tijd bewerkt heeft voor het voortbrengen van vruchten. Zulke plekken worden afgebakend met het eigen teken van het huis. Na de oogsttijd valt het weer toe aan het algemeen bezit en kan het door de bewoners van een ander huis overgenomen worden. De grote vruchten van de bomen zijn echter allemaal gemeenschappelijk bezit van het hele dorp. Ook de huisdieren horen weer tot het algemeen bezit, maar hun producten, zoals melk en wol, worden alleen met het naburige huis gedeeld. Minerale producten en opbrengsten van de jacht worden in gelijke delen verdeeld, maar voor deze bezigheden moet er door ieder huis een gelijk aantal arbeiders geleverd worden. Voortbrengselen van huiselijke kunst zijn specifiek eigendom van ieder huis en kunnen alleen als geschenk of door ruiling naar een ander huis overgaan. Daartoe behoren hoofdzakelijk muziekinstrumenten en ook mechanische producten met een praktisch nuttig karakter.

Een eigenlijke leiding van een dorp bestaat er niet, maar alles berust op wederzijdse overeenstemming. Toch worden in belangrijke gevallen de oudsten van het dorp, die tegelijkertijd priesters en leraren zijn, er als raadgevers bij gehaald. Als dezen iets gemeenschappelijk hebben besloten, dan wordt zo’n beslissing onherroepelijk door de hele gemeenschap aangenomen. Tevens bestaan er koningen noch andere heersers. Ieder dorp is in zijn algemeenheid zijn eigen baas. Daarom kent men hier ook geen belastingen en geen oorlogen. Bovendien liggen de dorpen meestal zo ver van elkaar verwijderd, dat ieder dorp voor zijn onderhoud een landgebied bezit, dat niet zelden groter is dan jullie keizerrijk Oostenrijk.

Bij het samenleven van de gezinnen luidt de belangrijkste regel: achting voor achting, liefde voor liefde, vriendschap voor vriendschap! Daar richt iedereen in een huis zich naar. De vader is het hoofd voor het mannelijke, de moeder voor het vrouwelijk deel van het gezin. Deze twee polen verenigen zich echter tot één punt van werkzaamheid, aangezien alleen uit wederzijdse achting de ware liefde kan voortkomen. Zo achten en beminnen derhalve ook alle kinderen hun ouders en omgekeerd. Deze band van achting en liefde drukt zich uit in een wederkerige, buitengewoon hartelijke vriendschap. Alle leden van een gezin zijn elkaar zo na, dat er in feite nooit van ruzie sprake kan zijn. En hoe meer gezinnen er in één huis bij elkaar wonen, des te inniger en gezegender gaat het daar toe. De mensen zijn werkelijk zo verliefd op elkaar, dat ze zichzelf eerder alles zouden laten aandoen dan elkaar ook maar in het minst lastig te vallen.

Om deze reden houden de mensen ook zo van muziek, omdat die van alle kunsten het meest met hun karakter overeenstemt. Musiceren behoort daarom tot de voornaamste bezigheden van een huis. Hun muziekinstrumenten hebben absoluut geen gelijkenis met die van jullie, en daarom klinkt de muziek daar ook anders dan bij jullie. Blaas- en snaarinstrumenten worden nergens aangetroffen. In plaats daarvan gebruiken zij een soort klokkeninstrumenten, verder bepaalde schijf- en bolinstrumenten. De tonen van de klokken worden op twee manieren voortgebracht: ofwel door het aanslaan met een zachte hamer, ofwel door wrijven met de vingers, die tevoren in enigszins gezout water worden gedoopt. Dit door mannen bespeelde instrument dient hoofdzakelijk voor het begeleiden van de harmonische zang van de vrouwen. Het schijfinstrument is gemaakt van glas. De schijven zitten op pennen, en onder het draaien hiervan wordt de toon voortgebracht door er met de met hars bedekte vingers over te wrijven. De toon is doordringend en wordt gebruikt om de harmonie van het klokkenspel te versterken. Het solo-instrument bij uitstek is evenwel het bolinstrument. Dit is samengesteld uit gedraaide buizen, die naar het inwendige toe een volmaakt ronde vorm aannemen. De polen van de bollen zijn trechtervormig open, en de bol rust op een open driepoot, waaronder een krachtig blaasapparaat is aangebracht. De wind wordt door ventielen over de verschillende buizen verdeeld.

Wat hun religie betreft, is er nergens een ceremoniële zogeheten eredienst. Hun hele religie is het innerlijk kennen van één God. Ze hebben zelfs geen gebeden, maar in plaats daarvan wijden ze zich aan de enige innerlijke vorming van de geest. Daarnaar te leven en te handelen is de enige eredienst, die zij altijd beoefenen. Als jullie in jezelf aan deze religieuze grondbeginselen enige aandacht schenken, zullen jullie ook begrijpen, dat Paulus leerde: ‘Bidt zonder ophouden!’. Ook de astronomie van de Mironbewoners is een soort eredienst. Want daaruit leren zij de almacht, grootheid en orde van de Schepper kennen. Dat op het gebied van de sterrenkunde hoofdzakelijk de manen hun aandacht trekken, is gemakkelijk te begrijpen. Want vanwege de grote afstand van Miron tot de zon kunnen de bewoners hoogstens Uranus zien van alle planeten, die dichter bij de zon staan. De manen van deze enigszins uitzonderlijke planeet Miron hebben de eigenschap, dat zijn eerste hoofdmaan zelf twee nevenmanen bezit, die daar omheen bewegen en gemeenschappelijk hun baan rond de planeet volgen. De tweede, hoger staande maan heeft eveneens weer twee nevenmanen en is groter dan de eerste. De derde en verst verwijderde maan heeft zelfs drie nevenmanen als satellieten, waardoor hij gemakkelijk van de andere twee hoofdmanen onderscheiden kan worden. Door zijn omloop wordt de jullie reeds bekende tijdsduur van het jaar van de planeet berekend. Hiermee zijn de onthullingen ten einde, voorzover het gaat om het fundamentele van deze nog onontdekte planeet.

 

 

Over het ware wezen van de zon

 

De moderne wetenschap beschouwt de zon als een enorme gloeiende gasbol, waarvan de hitte van miljoenen graden het resultaat is van onophoudelijk optredende atoomexplosies, waarbij kernsplijting van het basiselement waterstof plaatsvindt. Maar hoe kan dit wereldbeeld overeenstemmen met het feit, dat onze zon de moeder van al het natuurlijke leven op alle planeten is?

Tegenover deze materialistisch-mechanische theorie staan geestelijke onthullingen van geheel andere aard. In Lorbers boek ‘Die natürliche Sonne’ bevindt zich een nauwkeurige beschrijving van haar ware gesteldheid, waarbij menig raadsel opgelost lijkt te zijn, dat tegenwoordig voor de exacte natuurwetenschap nog onbekend gebied is. Hieronder volgen enkele verkorte uittreksels uit wezenlijke hoofdstukken van het genoemde boek. - uitg.

 

Het zonnelichaam

 

Gezien de eromheen cirkelende hemellichamen is de zon zoveel als een vaste ster. Op zichzelf is ze echter slechts een volmaakte planeet, aangezien zij zelf samen met al haar satellieten rond een veel grotere centraalzon, de ster Sirius beweegt. Om deze grote baan te voltooien heeft de zon bijna 28.000 aardse jaren nodig. Als volmaakte planeet moet de zon in vervolmaakte mate beslist al die planetaire bestanddelen in zich dragen, die op de eromheen cirkelende planeten in sterk verminderde potentie te vinden zijn. De zon is in natuurlijk opzicht dus het volmaakte prototype van al haar kosmische kinderen. Daarom komt op de zon levend-volmaakt al datgene voor, wat op een planeet, maan of komeet bestaat.

Zo is bijvoorbeeld de bodem van de zon niet steenachtig en zanderig, maar zacht en elastisch zoals het vlees van een mens. Daarom grijpen de bij een plant behorende delen elkaar zonder zaad reeds rechtstreeks in de aarde zelf vast. Daarna groeien ze uit tot talloze nuttige gewassen, waarvan de schoonheid en kwaliteit al het voorstelbare op alle andere planeten veelvoudig overtreft. Het enige zaad voor alle plantengroei is daar de menselijke wil. Vandaar dat daar alleen een boom of plant uit de bodem van de zon opgroeit, waar een zonnemens die wil hebben en in de vorm waarmee hij zich het gewas in zijn innerlijk voorstelt.

De zon als planetair lichaam bestaat eigenlijk uit zeven zonnen, waarvan steeds een kleinere binnen een grotere rust, zoals de ene holle bol in de andere. Alleen de binnenste, die als het ware het hart van de zonneplaneet is, is compact van zijn oppervlak tot aan zijn middelpunt. Tussen iedere zon is een vrije tussenruimte van duizend tot drieduizend mijl. De materie van het zonnelichaam is, uiterlijk gezien, een enigszins steviger gehouden zielsorgaan, waarin talloze geesten als het ware in een lichtere gevangenschap worden gehouden (etherisch- substantiële fijne stof).

Het lichtomhulsel is eigenlijk de atmosferische dampkring rondom de zonneplaneet. Het glanst alleen zo sterk aan het buitenste oppervlak; in de richting van de aarde van de zon wordt het steeds donkerder, zodat vanaf de zonnebodem even onbelemmerd door deze kring van lichtende stof heen de vrije kosmische ruimte in gekeken kan worden als vanaf een andere planeet. Van buitenaf echter verhindert de overvloed aan lichthoeveelheid iedere blik op het zonnelichaam. De stralende lichtglans van de zon, zoals deze vanaf de planeten zichtbaar wordt, is in eerste instantie niets anders dan alle opgenomen stralen van miljarden andere zonnen, die ieder op zich op het zeer uitgestrekte, spiegelende oppervlak van de zonnelucht weerspiegelen. Aangezien de zon meer dan een miljoen keer groter is dan jullie aarde en bovendien een enorm grote en zuivere, etherische dampkring bezit, wordt het duidelijk, dat alle zonnen van dit zonnenal, hoe ver ze ook verwijderd zijn, daarop een aanzienlijk lichtbeeld moeten oproepen. En wel zodanig, dat zelfs de zonnen van ver verwijderde zonnengebieden, die zich op jullie aarde zelfs aan het scherp gewapende oog slechts als een nevelvlek voordoen, daar een diameter van verscheidene duim bereiken en zo intens stralen, dat jullie met het vrije oog nog geen seconde naar zo’n beeld zouden kunnen kijken.

 

Oorsprong van het licht

 

Nu komt de vraag op: ‘Waar halen dan de andere zonnen hun licht vandaan, en wat is de fundamentele oorzaak van dit over en weer bestralen?’. Herinner je de jullie reeds bekende hulsglobe (een veelvoud van melkwegstelsels, waarvan de organisatie in een later hoofdstuk uiteengezet wordt - uitg.), waarvan de voor jullie begrippen oneindige omhulling uit een soort etherische watermassa bestaat. Het middelpunt van iedere hulsglobe is een eindeloos grote centraalzon, die als enige zelf licht uitstraalt. Want deze s op al haar onmetelijk uitgestrekte oppervlakten voortdurend door zeer intens stralende vlammen omgeven, die afkomstig zijn van de drukke activiteit van de oergeesten, die van hieruit vertrekken of terugkeren. Het stralen van deze grote centraalzon dringt door tot de eerdergenoemde wanden van de hulsglobe en wordt daar vandaan teruggekaatst door de oneindige ruimten van de zonnegebieden. Langs deze weg wordt iedere zon al voor de helft verlicht. Wordt het licht dan door de tegenoverliggende wanden van de hulsglobe teruggekaatst, dan verlicht het de andere zijde van de zonnen, die vervolgens elkaar ook nog eens ontelbare malen over en weer verlichten.

Toch bezit iedere afzonderlijke zon uit het gebied van de daarin wonende geesten een eigen licht, echter bij lange na niet zo intens als jullie het licht van de zon waarnemen. Dit toegevoegde licht bewerkstelligt hoofdzakelijk een constante reiniging van het luchtoppervlak van het zonnelichaam, opdat dit des te volmaakter de uitstralingen van de andere zonnen in zich kan opnemen en kan doorgeven. Om deze reden bestaan er op ieder zonnelichaam een groot aantal vulkanen, met name in de streek van de evenaar, die door hun activiteit de luchtatmosfeer geschikt houden om licht op te nemen.

Wat is nu de oorzaak van het stralen van een vlam, aangezien zojuist over het eigen licht van een hoofdcentraalzon als een licht van vlammen werd gesproken?  Jullie weten, dat het geestelijke, absoluut beschouwd, niet kan bestaan zonder een uiterlijke omhulling als orgaan, waardoor het pas in staat is zich te ‘uiten’. Iedere uiterlijke omhulling is echter niets anders dan de goddelijke liefdevolle wil, die het geestelijke (de gedachten van God) omgeeft en het een bepaalde orde oplegt om een doel te bereiken, dat overeenstemt met de bedoeling van de eeuwige scheppingsorde. Als nu een geestelijke kracht, verborgen onder een omhulsel, door welke oorzaak ook geactiveerd wordt, geschud of geduwd, dan raakt zij daardoor uit haar vastgestelde orde. Ze raakt uit haar evenwicht en voelt zich daardoor nadelig beïnvloed. Daarom probeert ze dan haar vroegere positie weer te herstellen (wet van de traagheid!) of, als ze te sterk geprikkeld werd, onmiddellijk haar hele orgaan in stukken te scheuren (explosie!) en zodoende in de absolute toestand over te gaan.

Bedenk nu, dat de doorsnede van een hoofdcentraalzon een lijn vormt, waar zelfs het licht meer dan een triljoen aardse jaren voor nodig zou hebben om die te doorlopen. Als echter het volume van dit zonnelichaam voor jullie begrippen regelrecht onbevattelijk is, zal dan ook het gewicht van de materie niet een onbegrijpelijk zware druk op het middelpunt uitoefenen? Denk maar eens alleen al op jullie nietige hemellichaam aan het gewicht van één enkele berg.  Stel je dan eens jullie hele zon voor, die een miljoen keer groter is dan jullie aarde en derhalve ook een miljoen keer sterkere aantrekkingskracht in zich draagt. Als dat net zo zou zijn, zou ze niet hele planetenlichamen op biljoenen mijlen afstand zodanig kunnen aantrekken, dat deze zich niet uit haar gebied kunnen verwijderen. Zoals op een hemellichaam echter de aantrekking is, zo is ook het gewicht. Aangezien nu alle centraalzonnen, zonnen, planeten, manen en kometen bij elkaar nauwelijks een miljoenste deel van een hoofdcentraalzon uitmaken, hoe machtig moet dan haar aantrekkingskracht wel niet zijn en hoe enorm krachtig de druk op haar centrum?

Waaruit bestaat de materie eigenlijk? Deze is niets anders dan een gevangenschap van het geestelijke ofwel geesten. Als nu reeds op aarde door het tegen elkaar slaan van twee stenen dikwijls streng gevangen geestelijke potenties tot uitbarsting komen (ontwikkeling van vonken!), en als in het inwendige van de aarde de machtige druk van buitenaf zeer hevige uitbarstingen van vulkanen en af en toe alles verwoestende aardbevingen bewerkstelligt - wat gebeurt er dan, als jullie deze miniatuurverhoudingen van jullie planeet op een centraalzon overdragen? Daar zouden jullie pas zien, wat voor druk de daar opgesloten geesten te verdragen hebben, en wel om de erbarmende reden, dat zij als materieel gevangenen door de machtige druk weer tot nieuw leven en nieuwe activiteit worden opgewekt.

Om deze reden is een centraalzon zon dan ook vol met de grootste vuurspuwende bergen, waarvan de kleinste een zodanige doorsnede heeft, dat in zijn krater meer dan dertigduizend miljoen van jullie zonnen een plaats zouden vinden! Weet nu, dat het stralen door de vibraties van de geestelijke kracht binnen het deze omsluitende omhulsel bewerkstelligd wordt. Hoe heviger een daarin gevangen potentie door een uitwendige druk, stoot of slag geactiveerd wordt, des te heviger schietende trekkingen gaat ze vertonen. En des te feller en intenser wordt ook het uiterlijke verschijnsel als het stralen van een vonk of een vlam. Maar waar kunnen zulke geesten heviger geactiveerd worden dan juist op deze centraalzon? Onder zulke omstandigheden straalt een vonk daar zo buitengewoon krachtig, dat geen menselijk ook die ook maar één ogenblik zou kunnen verdragen. Als een korrelgrote vonk zich bij jullie op een hoogte van duizend mijl zou ontwikkelen met hetzelfde hevige oplichten als op zijn hoofdcentraalzon, zou de uitstraling ervan de hele aarde binnen één seconde als een druppel water op gloeiend ijzer doen verdampen.

Stel je nu de hele, enorme hoofdcentraalzon voor, overdekt met zulke allersterkste, lichtende vlammen, en oordeel dan, hoe ver de stralen ervan als het uitzwermen van vrijgekomen geesten wel niet kunnen reiken! Daarmee kunnen jullie zien, hoe zo’n zon heel goed een algemene kroonluchter in het grote vertrek van de zonnewerelden van een hulsglobe kan zijn. Daaruit blijkt, hoe ook iedere planeet op zichzelf een eigen licht kan ontwikkelen, waarvan de specifieke eigenheid en sterkte zich altijd richt naar de grootte van zijn volume en zijn zwaartekracht.

 

Het ontstaan van zonnevlekken

 

Herhaaldelijk kan waargenomen worden, dat de zon merendeels op haar evenaar af en toe één of verscheidene, in grootte verschillende vlekken vertoont, waar omheen zich aan het gewapende oog een walvormige omranding vertoont. Daarachter breiden zich dan naar alle kanten golven van licht uit, die door de astronomen ‘fakkels’ worden genoemd. De zon is een bol met een doorsnede van ongeveer 200.000 mijl, die in ongeveer 29 dagen om haar as draait (opm.: de astronomie geeft hiervoor 25, 2 dagen aan, maar ze kan slechts de snellere rotatie van de dampkring meten. - uitg.). Door deze snelheid ontstaat aan de evenaar een sterke middelpuntvliedende kracht, die alle enigszins vluchtiger delen van de inwendige zonnematerie onder de evenaar samenperst, deze delen streven ernaar de bovenste korst van de zonnebodem te doorbreken en zich dan met ongelooflijke hevigheid van de zon te verwijderen, de kosmische ruimte in.

Aan het begin hebben jullie gehoord, dat de aarde van de zon niet zo hard en bros is als die van jullie aarde, maar overal elastisch, met name in het gebied van de evenaar. Als de bodem bros en breekbaar zou zijn, zouden als gevolg van de enorme middelpuntvliedende kracht de bergen en stukken land de ene na het andere met zeer grote kracht van het oppervlak van de zon de oneindige ruimte in geslingerd worden. Omdat de bodem van de zon echter taai en elastisch is, is dat niet mogelijk, ook al zou de rotatie twee keer zo snel plaatsvinden. Maar wat kan er desondanks gebeuren, als de drang van binnenuit op de hiervoor beschreven wijze optreedt en hier en daar geweldige samenpersingen en in zekere zin verhardingen onder het oppervlak teweegbrengt? Het is zoiets als een ziekte van de zon, want ook hemellichamen kunnen fysiek ziek worden. Daardoor kunnen zulke verharde knollen door hun drang naar buiten toe op een bepaald punt tot ontbranding komen en het oppervlak doorbreken, om zich dan met groot geweld niet al te ver of bijna eindeloos ver van het zonnelichaam te verwijderen.

Dat is de oorzaak van de daarop volgende zwarte vlekken van de zon. Want bij de geweldige doorbraak wordt niet alleen de aardkorst van de zonneplaneet, maar ook zijn lichtomhulsel zodanig uit elkaar gescheurd, dat dit op zo’n plek niet in staat is het opgenomen licht van andere zonnen op te nemen en te reflecteren. Evenmin kan het omhulsel dan zijn eigen licht laten uitstromen, dat zich voortdurend op de aardbodem van de zon ontwikkelt, zolang deze niet op de beschreven wijze uit elkaar is gescheurd. De wal, die rond de zwarte vlekken ontstaat, is het op dat moment omhoog werpen van zo’n verharding, die aan alle zijden als een trechtervormige muur opgeworpen werd. Dat deze wal zich ten opzichte van het eigenlijke zwarte punt zwak verlicht vertoont, heeft de volgende oorzaak. Ook al bevindt zich boven de verscheurde delen eigenlijk geen glanzende lucht, ontwikkelen ze door hun hevige vibraties zelf enig eigen licht, dat gelijk staat met het oorspronkelijke eigen licht van de zon. Daaraan kunnen jullie zien, hoe weinig jullie zon zou stralen zonder de ondersteuning van het algemene sterrenlicht.

De zogeheten fakkels zijn golven zonlicht, die ontstaan door het golven van de atmosferische, glanzende lucht, dat bij de doorbraak veroorzaakt wordt. Daarbij weerspiegelt de ene lichtgolf in de andere, waardoor de glans ervan zich vele malen sterker gepotentieerd voordoet, terwijl de dalen tussen de golven zich noodzakelijkerwijze zwakker voordoen. Als gevolg van zijn elasticiteit begint de aardbodem na zulke doorbraken langzaam weer te sluiten, waardoor de zwarte zonnevlekken verdwijnen. Zo genezen ook wonden van planeten, op soortgelijke wijze als opengebroken zweren in het menselijke lichaam. Veel van deze vlekken hebben een zodanige omvang, dat in de zwarte ruimte ervan met gemak dertig aarden naast elkaar plaats zouden vinden. Bij de grootste zonnevlekken kan men aannemen, dat de inhoud van de weggeslingerde massa’s tenminste duizend aardelichamen groot is.

Daarmee komt de vraag op: ‘Als het totale volume van de zon een miljoen keer dat van de aarde bedraagt, zouden duizend van zulke na elkaar volgende grote vlekken de massa van de zon toch volledig moeten verbruiken?’. Het antwoord daarop luidt: ‘Evenals een eik in de loop van tweehonderd jaar een veelvoud van haar volume in de vorm van bladeren, takken en vruchten afgeeft, en daarbij toch toeneemt in grootte en omvang, zo vervangt ook de zon de afgegeven massa’s door het constant opnemen van kosmisch voedsel uit de haar omringende ether!’.

 

Geestelijke oorzaak van de erupties van de zon

 

Aan het begin werd reeds vermeld, dat de zon geen volkomen compact lichaam is, maar dat ze uit zeven inwendige zonnen bestaat, waartussen steeds een holle ruimte van verscheidene duizenden mijlen bestaat. Al deze binnenzonnen zijn ook bewoond. Zijn de bewoners nu lichamelijke mensen of hebben ze misschien overeenkomsten met de natuurgeesten van lucht, vuur, water en aarde? Geen van beide; deze bewoners zijn geestelijke mensen, die mettertijd in het natuurlijke leven over kunnen gaan: ofwel op het oppervlak van de zon (als materiële zonnemensen) of in het minder gunstige geval in het uiterlijke leven op de planeten.

Het beste kunnen ze aangeduid worden met de naam ‘grondlichtgeesten’ van de zon. Onder elkaar zijn ze voor elkaar zichtbaar als natuurlijke mensen; ze kunnen daartoe uit de aldaar aanwezige lucht een lichaam vormen, hoe en wanneer ze willen. Als ze van deze toestand van hun zelfstandigheid en vrijheid een juist gebruik maken, worden ze geleidelijk steviger in hun hele wezen. Dan kunnen ze rechtstreeks via de weg van verwekking en geboorte naar het oppervlak van de zon overgaan. Als de geesten van de inwendige zon deze intelligente vrijheidstoestand echter op een manier gebruiken, die niet afgestemd is op de goddelijke orde, dan vormen ze zich ook wanordelijk en zijn hun vormen onuitsprekelijk verschillend van karakter. Als de wanordelijke geesten het gunstige resultaat van de binnen de orde van God opgeklommen geesten zien, scholen ze met triljoenen in grote groepen samen. Want zij willen zich eveneens verheffen en het oppervlak van de zon met geweld bereiken, en daarmee de absolute vrijheid.

Het scherpst komen de verschillen naar voren op de laatste inwendige zon, de eerste na de zichtbare uiterlijke zon. Van de meest inwendige, compacte zon, die in zekere zin het hart van het hele zonnelichaam vormt, stromen deze geestelijke wezens in allerlei vormen tot aan de bovenste zon, op dezelfde manier als het bloed van het hart in alle delen van het lichaam overgaat, de voedende stof afgeeft en het onbruikbare en ongezuiverde weer terugbrengt. Zo gebeurt het voortdurend dat de geesten van de anti-orde, ook al zijn ze tot het oppervlak doorgedrongen, weer moeten omkeren, en wel via de polen. Op deze wijze worden ze dan weer verenigd met het hart van de zon, om na lange tijden aan een nieuwe opklimming te beginnen.

Het opklimmen door de inwendige zonnen is meer een geestelijk, voor het grootste deel onmerkbaar omhoogstijgen, dar daardoor niet met uitbarstingen gepaard gaat. De agressieve doorbraak van de laatste inwendige zon naar het oppervlak uit zich echter steeds op een buitengewoon gewelddadige wijze. Het effect daarvan hebben jullie al bij de verklaring van de zonnevlekken leren kennen. Hoe dit langs intelligent-geestelijke weg plaatsvindt, zij hier in het kort uiteengezet. Als zulke groepen geesten zich voldoende sterk voelen, dringen ze door tot aan het binnenvlak van de uitwendige zon en speuren daar op hun gevoel naar een plek, waar dit binnenvlak het zwakst is. Als ze zo’n plaats hebben gevonden, die tegelijkertijd een groot aantal aders en kanalen vertoont, dan dringen ze daarin binnen. Hier beginnen ze steeds intenser te ontbranden en brengen daarmee ook het vlak, waar ze zich genesteld hebben, tot gloeien. Hierbij verbinden ze zich bovendien nog met de in deze materie gevangen geesten en oefenen ze geleidelijk aan een zodanig geweld uit, dat de enkele duizenden mijlen dikke zonnekorst uiteindelijk voor hen moet wijken en zich tenslotte omhoog moet laten duwen en laten doorbreken. De omstandigheid, dat deze geesten zich door hun anti-ordelijke streven verdichten en dus in zekere zin een materieel gewicht krijgen, komt hun in zoverre goed van pas, dat ze daardoor gebruik maken van de krachtige  rotatie van de zon om haar as.

Als de uitbrekende geesten op gewelddadige wijze de gewenste vrijheid verkregen hebben, zwermen ze met vele miljoenen naar buiten, de onmetelijke ruimte in. Daar raken ze in zekere zin afgekoeld, waardoor ook hun streven kalmer wordt. Nu heeft echter ook iedere geest voedsel nodig om voort te bestaan. Als hij dit niet krijgt, raakt hij tenslotte in een toestand van bewusteloosheid, die op een diepe slaap lijkt. Zo’n toestand is ook het gevolg van  de met geweld verworven vrijheid van die wanordelijke zonnegeesten. In die positie vallen ze al gauw ten prooi aan de overal loerende aantrekkingskracht van de planeten, voor welke zij een welkom voedsel vormen.

Een deel van zulke geestelijke deserteurs wordt echter reeds bij hun doorbraak weer door de kracht van de geestenwereld van de zon weer tot omkeren gedwongen en valt terug in de grote zonnezee om te kalmeren en af te koelen. Een nog groter deel, dat zich iets verder weg van de zon waagde, wordt door de machtige polariteit van de zon gegrepen en daardoor weer naar de oorspronkelijke toestand, d.w.z. naar het eigenlijke zonnehart teruggevoerd. Ook de door de wateren opgenomen geesten maken mettertijd een teruggaande beweging, maar sommige worden gebruikt voor de vorming van het uitwendige, materiële oppervlak van de zon.

Die geesten van de inwendige zon, die al verscheidene keren na een onsuccesvolle doorbraak teruggevoerd zijn, verbinden zich niet gauw weer met diegenen, die een doorbraak bij de evenaar willen ondernemen. Zij proberen langs zijwegen in de richting van de poolstreken te komen, om daar in kleine groepjes hun doel te bereiken. De talrijke vulkanen, die zich daar bevinden, vormen de plaats waar ze een uitweg vinden, maar toch kunnen ze zich daar nauwelijks zo ver van de zon verwijderen, dat e de glanzende lucht bereiken.  Al gauw daarna worden ze door de kracht van de polen weer gevangen en opnieuw naar de inwendige zon gebracht. Er zijn ook nog allerlei andere geesten, die door de polen van de zon worden opgenomen. Dat zijn  voor een deel vluchtelingen van de planeten, die de zon omgeven, maar deels ook geesten van andere zonnen, die bij hun binnenkomst in ons zonnestelsel door de poolkracht van de zon gegrepen en aangetrokken worden.

Alleen als zulke groepen grondlichtgeesten zich in een ver van het zonnebereik verwijderde sfeer met elkaar verenigen en zodoende in natuurlijk opzicht tot kometen worden, kunnen ze soms geruime tijd als een planeet bewegen. Als ze in hun baan echter te dicht bij de zon komen, worden ze daar in ieder geval door gevangen en als het ware opgegeten. Want wat de zon eenmaal met haar polaire kracht heeft gegrepen, is zo goed als volkomen haar prooi. Met haar kracht knaagt ze dan voortdurend aan zo’n gast, verzwakt hem het ene duizendtal jaren na het andere en trekt hem tenslotte in haar uitgestrekte vurige schoot. Dat kunnen jullie ook zien aan de huidige posities van de planeten, waarvan de huidige banen sterk verschillen van de vroegere.

Zo doorliep vele miljoenen jaren geleden de planeet Mercurius de baan waar nu jullie aarde loopt, en jullie aarde die van Jupiter. Bereken nu eens, hoeveel de aantrekkingskracht van de zon deze planeten naar haar heeft toegetrokken. Daaraan kunnen jullie gemakkelijk zien, dat de zon zich eenmaal van alle nog vrij zwevende planeten meester zal maken, opdat ook de hardnekkigste geesten van zulke hemellichamen weer hun verlossing volgens de orde of een verdere proef op de zon bereiken.

Op de plaats van zulke door de zon volledig opgenomen planeten komen weer andere tot leven. Dat kunnen jullie al zien aan de omstandigheid, dat er alleen al rond jullie zon een leger van minstens tienduizend miljoen kometen zwermt, waaruit dan steeds de een of andere verder ontwikkelde komeet in de positie van een planeet kan overgaan. Zelfs nu is er in het uitgestrekte zonnegebied al een groot aantal goed ontwikkelde kometen, die voor het grootste deel al bewoond zijn - zij het ook niet door mensen, dan toch door de plantenwereld en allerlei verschillende primitieve dieren. Zo is dus de kosmische orde voor jullie begrippen  oneindig, maar voor God vormen zowel het begin als het einde een eenheid. Zoals echter de zon haar planeten verlost, zo kunnen ook centraalzonnen hun nevenzonnen en kan tenslotte de hoofdcentraalzon hele menigten zonnegebieden en zonnenallen verlossen. In plaats van de opgeloste hemellichamen worden weer nieuwe geplaatst, zodat de loop in de orde van de dingen eeuwig nooit meer zal ophouden te scheppen.

Zo spreekt de Heer: ‘Als God denk Ik eeuwig, en Mijn gedachten zijn de wezens. In Mijn oneindigheid heeft ook het oneindige een plaats, en dit zal eeuwig nooit de ruimte vullen, ook al zou de voortdurende toename van wezens nog onuitsprekelijk veel groter en talrijker zijn dan hij als gevolg van de bestaande orde is. Want jullie goede, heilige Vader is groter, machtiger en volmaakter dan een zwakke aardse geest zich Hem zelfs in zijn meest verheven ogenblikken kan voorstellen’.

 

 


 

 

De kosmos in geestelijk perspectief

 

Oorzaak van  de materiële schepping

 

De leer van de val van een gedeelte van de oergeschapen geesten is in het christendom veel sterker uitgesproken dan in andere religies. Echter pas in het aan Lorber geopenbaarde ‘Grote Johannes Evangelie’ staan leringen van Jezus Christus over de samenhangen, die er tussen deze val der geesten en de daardoor veroorzaakte materiële schepping bestaan.

‘Toen God in het allereerste begin Zijn rijp geworden scheppingsideeën als geesten buiten zich plaatste en ze zodanig met Zijn kracht vervulde, dat ze zelfstandig begonnen te denken en te willen, moest hun tegelijkertijd een orde getoond worden, volgens welke e moesten handelen. Samen met deze gegeven orde moest in de eerste wezens echter tevens de prikkel om zich daar niet aan te houden gelegd worden, anders zouden ze nooit van hun vrije wil gebruik hebben kunnen maken. Pas deze in hen gelegde prikkel bracht een echte levende activiteit in hen teweeg, als gevolg waarvan ze begonnen te kiezen, willen en handelen. De prikkel om in strijd met de orde te handelen nu trok vele van de eerste geesten uit de aangegeven orde. Het gevolg was, dat ze tenslotte in hun steeds machtiger tegenwerking moesten verharden (op zichzelf betrokken zijn!) en op deze wijze de basis voor de materiële kosmische schepping legden.

Alles, wat materie is, was vroeger geest, die vrijwillig uit de goddelijke orde trad en zich baseerde op de verkeerde stimulansen. Materie is dus niets anders dan gerichte en uit zichzelf verharde geest. Of duidelijker: ze is een zeer grove en zware omhulling van de geestelijke kern. Ondanks een nog zo stevig omhulsel kan geest zelf echter nooit volkomen tot materie worden, maar leeft en bestaat voort in de materie, van welke aard deze ook is. Als de materie (= door de wil van God vastgehouden toestanden van etherische oerstof) heel hard is, dan is ook het geestelijke leven daarin sterk gebonden en kan het zich niet verder uiten en ontplooien, als het niet op een of andere wijze van buitenaf wordt geholpen.

Zo kan bijvoorbeeld het in hard gesteente wonende leven zich pas gaan uitdrukken, als dat gesteente over een lange periode door de inwerking van de elementen steeds brosser wordt. Dan ontsnapt iets van zijn leven als ether in de lucht, een ander deel vormt een nieuw en lichter omhulsel in de vorm van tere schimmel- en mosplantjes. Het aanvankelijk tere omhulsel wordt evenwel door de activiteit van de ingesloten geesten, die het drukkende materiële steeds meer van zich afduwen, ook weer harder en grover. Daarom streeft het geestelijke leven steeds verder omhoog en vormt het door alle natuurrijken heen steeds nieuwe en hogere levensvormen tot aan het menselijke lichaam, dat de drager is van biljoenen ziele-intelligenties.

Alles, wat wereld en materie heet, is verkeerd en verzet zich tegen de ware geestelijke orde uit God, omdat het oorspronkelijk als een tegengestelde prikkel in hen gelegd moest worden, om de vrije wil in het tot leven gekomen - en als zelfstandige wezens vanuit en buiten God geplaatste en gevormde - idee te wekken (de dualiteit of polariteit van al het geschapene!). En zo werden ook de in strijd met de orde handelende geesten van een omhulsel voorzien in de materie, en wel eerst de materie van de centraalzonnen, waaruit tenslotte alle overige zonnen en hemellichamen met al het leven daarop voortkwamen.

Zulke oergeesten zonderden zich eerst af in grote verenigingen en zochten een plaats in de onmetelijke ruimte, op menselijk onvoorstelbaar grote afstanden. Ieder vereniging van die geesten wilde vanwege haar eigenliefde niet meer van een tweede horen of weten. Door dit steeds sterker binnengaan in zelfzucht, hoogmoed en heerszucht schrompelden de talloos vele levensvormen tenslotte volgens de wet van de zwaartekracht (samentrekking en op zichzelf betrokken zijn!) samen tot een zeer grote klomp - en de materiële oercentraalzon van een hulsglobe was ontstaan. Nu bestaan er in de oneindige ruimte echter een ontelbaar aantal van zulke kosmische stelsels of hulsgloben (vgl. de spiraalnevels van de astronomie!), waar overal zo’n oercentraalzon het gemeenschappelijk middelpunt van talrijke kosmische gebieden vormt. Zulke oerzonnen zijn dus de in elkaar geschrompelde verenigingen van oergeesten, waaruit in de loop van aeonenlange tijden alle overige zonnenallen, zonnengebieden, nevencentraalzonnen, planetaire zonnen, planeten, manen en kometen zijn voortgekomen.

Hoe gebeurde dat? In de oercentraalzon werd voor veel grote geesten de druk van hun omhulling te hevig. Daardoor ontbrandden ze in toorn en maakten ze zich los van de oerdruk, waarbij ze bijna eindeloos ver van hun eerste verenigingsklomp wegvluchtten. Een tijdlang zwermden ze vrij en ongebonden in de ruimte rond en stonden ze op het punt om weer tot de zuiver geestelijke orde terug te keren. Omdat ze het element van de eigenliefde echter toch niet kwijt konden raken, begonnen ze weer opnieuw tot een vaste klomp in elkaar te schrompelen. Daardoor ontstonden de centraalzonnen van de tweede orde in elk van deze hulsgloben.

In deze centraalzonnen van de tweede rang werden de hoofdgeesten in de loop van de tijd weer boos vanwege de toenemende druk, ontbrandden en maakten zich met ontelbare massa’s vrij van de gemeenschappelijke klomp van de tweede orde. Na een eerste aanzet om tot het zuiver geestelijke over te gaan kregen ze toch weer teveel welbehagen in zichzelf. Daardoor namen ze echter opnieuw toe in materieel gewicht (verdichting van de massa!) en schrompelden nu in elkaar tot centraalzonnen van de derde orde.  Weldra ontstond hier dezelfde moeilijkheid: de hogere geesten, geringer in aantal, werden door de talrijkere ondergeschikte geesten te hevig onder druk gezet, weer opnieuw boos en rukten zich met vele miljoenen met groot geweld los van de gemeenschappelijke klomp, met het vaste voornemen om nu eindelijk in het volkomen geestelijke leven over te gaan. Onvoorstelbaar lange tijden zweefden ze als van elkaar gescheiden massa’s etherdamp in de uitgestrekte scheppingsruimte. In deze werkeloze vrijheid begonnen ze in de loop van de tijd echter voedsel van buitenaf te zoeken om zich te verzadigen. Want begeerte is hetzelfde als een magneetsteen, die al het ijzer met onweerstaanbare kracht naar zich toe trekt.

Wat was daar het onvermijdelijke gevolg van? Hun wezen begon zich weer te verdichten (toename van ether!). Daarmee ontwaakte al gauw weer de eigenliefde en de gevolgen daarvan, wat een hernieuwd in elkaar schrompelen tot een klomp bewerkstelligde. Natuurlijk was hier steeds een ontelbaar aantal aardse jaren voor nodig. Uit de laatst beschreven schrompelingsprocessen ontstonden en ontstaan nog de planetaire zonnen, waarvan de zon, die onze aarde verlicht, er één is. Dit soort zonnen zijn in hun wezen weliswaar veel tederder en milder dan de centraalzonnen. Alleen hebben ze toch een enorme massa zware materie als gevolg van de eigenliefde van hun onvoorstelbaar vele geesten. Voor de edelere en betere van deze geesten in deze lichtende klomp wordt in de loop van de tijd de druk van die gewone geesten, die helemaal materie zijn geworden, weer veel te zwaar en ondraaglijk. Het gevolg daarvan is, evenals bij de voorgaande zonnen, gewelddadigheid in de vorm van eruptieve uitbarstingen, waarmee de edelere geesten zich uit de vereniging daarvan vrijmaken (geestelijke verklaring van de bekende protuberanties, d.w.z. de roodachtige uitsteeksels van de corona van de zon!).

Verenigingen van geesten, die zich van de zonneklomp losmaakten, maar zich ondanks de beste voornemens niet helemaal konden bevrijden van hun eigenliefde, werden daardoor opnieuw samengebald. Als nevelige kometen met een lange staart werden ze materieel zichtbaar. Een kometenstaart duidt op de honger van reeds materieel wordende geesten, als de begeerte naar materiële verzadiging. Deze begeerte haalt uit de ether hetgeen bij haar past, en zo’n komeet dwaalt dan vele duizenden jaren in de grote etherruimte rond en trekt constant nieuw voedsel naar zich toe. Daardoor wordt hij echter zwaarder en dichter en wordt hij mettertijd weer in zoverre aangetrokken door de zon, waar hij vanuit is gegaan, dat hij volgens de orde om haar heen moet cirkelen. Eenmaal in zo’n orde een plaats gekregen wordt hij tot een planeet, waarvan iedere planetaire zon er verschillende in haar bereik telt.

Dit herhaalde malen beschreven proces van het uitbreken van geesten is nog een keer mogelijk; daarbij bevrijden de geesten zich, die door de materie van de aarde teveel in het nauw komen, maar volgens de wet van de eigenliefde verharden ze opnieuw en worden ze tot manen (satellieten van de aarde). Vele miljoenen jaren geleden was onze aarde lichamelijk nog aanzienlijk zwaarder en stonden de daarin opgesloten onder zware druk. Toen werden de slechtere geesten boos en scheidden zich af - deze keer zelfs samen met veel grofmateriële aardemassa - en zwermden vele duizenden jaren lang in een zeer onordelijke baan rond deze aarde.

Omdat alle delen echter op enkele klompen na toch helemaal zacht en voor de helft vloeibaar waren en de gehele massa in een constante rotatie verkeerde, vormde deze zich tenslotte tot een grote bol. Haar asrotatie was echter voor haar kleine diameter veel te langzaam om op haar oppervlak de vloeistof gelijkmatig verdeeld te houden, aangezien de omloop van de maanbol rond de aarde heel snel ging; het gevolg hiervan was, dat al het vloeibare steeds op het van de aarde afgekeerde deel moest blijven. Daardoor verschoof het zwaartepunt van deze maanklomp steeds meer naar die kant, waar zich voortdurend alle vloeistof bevond. Toen de klomp zelf dichter werd en de meegenomen golven al te sterk tegenwerkend bruisend tegen de ontstane hoge bergwanden braken, moest de steeds langzamer wordende asdraaiing tenslotte helemaal ophouden. Sinds dat gebeuren toont de maan aan zijn aarde, vanwaar hij uitgeworpen werd, steeds maar één en dezelfde zijde.

Er is nu beschreven, hoe de gehele materiële kosmische schepping heeft plaatsgevonden, tot aan de manen van de planeten, die vrijwel overal hetzelfde karakter hebben en hetzelfde doel dienen. Zoals nu uit de oorspronkelijk in zichzelf gevallen oergeesten de totale materiële kosmische schepping tot aan de manen plaatsvond, zijn op dezelfde manier in de loop van de tijd op de hard geworden hemellichamen de bergen - als de eerste reuzenplanten van de wereld - en daarna alle planten, dieren en op het laatst de mens zelf voortgekomen. Betere geesten maken zich met geweld los van de steeds toenemende druk van de materie, doordat ze hun eigen materie met hun wil oplossen. Ze zouden dan rechtstreeks in de orde van de zuivere geestenwereld over kunnen gaan, maar de oude prikkel oefent nog altijd zijn oude macht uit. De eigenliefde ontwaakt steeds weer: de plant zuigt, het dier vreet, en de ziel van de mens zoekt meestal begerig materiële kost en een traag welbehagen. En de ziel zou weer tot de hardste materie worden, als God er niet een wachter, een vonkje van Zijn geest van liefde in had geplant.

Hoewel de prikkel om in strijd met de orde te leven in de oergeschapen geesten noodzakelijk was als beproeving van hun wil, was als gevolg daarvan het zondige (= af-zonder-ende!) ontstaan van het heelal beslist geen noodzakelijkheid! Dit was slechts een vanuit de goddelijke orde toegelaten gevolg van het feit, dat zoveel geesten geen weerstand wilden bieden aan de prikkel, hoewel ze het hadden gekund - even goed als er zes keer zoveel oergeesten in staat waren binnen de hun gegeven orde van God te blijven.

Op deze manier ontstonden de zonnen en aarden allemaal op zichzelf, maar toch ook in een algemene samenhang. Zo ontstond ook de mens in engere zin op zichzelf en tevens in het algemeen. Want als geheel is de schepping van het grootste tot het kleinste gelijk aan alle geestelijke en materiële werelden en komt ze volledig overeen me een mens, omdat de mens de eigenlijke oorzaak en het uiteindelijke doel van de hele schepping vormt. Omdat de mens datgene is, wat God door alle talloze voorafgaande scheppingen wilde bereiken en ook heeft bereikt, komt alles in de hemelen en op alle hemellichamen bij elkaar in alle opzichten met een mens overeen - zoals ook Mozes in zijn scheppingsgeschiedenis beeldend heeft weergegeven.

Deze grote kosmische mens met alles wat hij bevat is het vast geworden zielelichaam van de oergeschapen lichtgeest, die door de Schrift ‘Lucifer’, d.w.z. ‘lichtdrager’ wordt genoemd. Het feit, dat deze geest echter uit louter vast geworden afzonderlijke hulsgloben is opgebouwd, is zijn door hemzelf geschapen gericht (Opmerking van Lorber: Een ‘hulsglobe’ is de samenvattende naam voor het geheel van deciljoenen keer deciljoenen zonnen, die als centraalzonnen van de eerste, tweede, derde en vierde orde samen met hun planetaire zonnen - zoals die van onze aarde er één is - allemaal in uitgestrekte banen rond een middelpunt (een onmetelijk grote hoofdmiddenzon) bewegen. Ontelbare van zulke hulsgloben, die op voor ons mensen onvoorstelbaar grote afstanden van elkaar af staan en de oneindige ruimte vullen, dragen de gemeenschappelijke naam ‘de grote kosmische mens’). Zijn leven - dat daardoor in bijna eindeloos vele afgesloten delen is gescheiden - dient niet meer als een geheel, maar als een zeer sterk verdeeld leven beschouwd te worden. Want alleen binnenin iedere globe is leven, maar daarbuiten geen ander dan dat van de eeuwig onveranderlijke wil van God (Opm.: Over de verlossing (vergeestelijking) van de materiële kosmische mens en zijn verandering in de grote hemelse mens: zie het laatste hoofdstuk! - uitg.).

 

Omvang en ordening van het universum

 

Omdat de grote ‘kosmische of scheppingsmens’ in een nauwkeurig overeenstemmende relatie staat met de microkosmos ‘mens’, is de analogie zowel in alle details als in het geheel gegeven. De ledematen, organen en functies van de menselijke cellenstaat zijn derhalve terug te vinden in die grotere en kleinere kosmische stelsels, waarover Lorber zich als volgt uitdrukt.

 

(Zo spreekt de Heer:) ‘ De zon is een miljoen keer groter dan deze aarde. Maar reeds de dichtstbijzijnde centraalzon is meer dan een miljoen keer groter dan deze planetaire zon en heeft een grotere lichamelijke inhoud dan alle bij haar behorende planetaire zonnen samen met al hun aarden, manen en kometen bij elkaar, die in voor jullie onvoorstelbaar uitgestrekte kringen met zeer grote snelheid rond zo’n centraalzon bewegen. Met name de verst verwijderde zonnen hebben dikwijls miljoenen aardse jaren nodig om slechts één keer hun volledige baan rond de centraalzon te doorlopen. Nu bestaat er nog een tweede soort centraalzonnen, waar omheen in eindeloos veel grotere banen hele zonnegebieden met hun centraalzonnen bewegen. Hun verst verwijderde delen hebben al een aeon aardse jaren nodig om slechts één keer rond deze tweede centraalzon te cirkelen (Opmerking van Lorber in GJE III: een ‘aeon’ is een rekenkundige maat van ‘3 keer een 10 met 60 nullen’). Zo’n centraalzon van de tweede orde, waar omheen hele zonnengebieden met hun aanhang cirkelen, zullen wij samen met haar miljoenen zonnengebieden een ‘zonnenal’ noemen.

Stel je nu eens een even groot aantal van zulke zonnenallen voor. Deze hebben weer in onmetelijke diepte en op onmetelijke afstand eveneens een gemeenschappelijke centraalzon, die als hemellichaam tien miljoen keer groter is dan de zonnenallen, die daar omheen in wijde kringen hun baan volgen. Deze centraalzon van de derde soort zullen wij een ‘zonnenal-al’ noemen.

Van zulke zonnenal-allen bestaan er weer voor jullie ontelbaar grote aantallen, en allemaal hebben ze in een eindeloze diepte weer een enorm grote oercentraalzon, waar omheen zij zonder verstoring van hun specifieke eigen bewegingen als één lichaam cirkelen in een baan, waarvan de uitgestrektheid alleen voor engelengeesten te bevatten is. Laten we zo’n stelsel van zonnen en kosmossen rond een oercentraalzon een kosmos-hulsglobe noemen, omdat alle hiervoor beschreven al-allen bij elkaar - die in alle richtingen rond deze oercentraalzon cirkelen - een onmetelijk grote bol vormen. Als gevolg van hun beweging, die zo snel als een gedachte is, en de daardoor teweeggebrachte middelpuntvliedende kracht vormen ze naar buiten toe een soort huls, waarvan de dichtheid tamelijk dicht bij die van jullie atmosferische lucht komt en van binnen een doorsnede heeft, die naar de grootheden van deze aarde gemeten met een afmeting van miljoenen aeonen nog veel te klein ingeschat zou zijn.

Waarom wordt nu dit omhulsel als gemeenschappelijk omhulsel van de talloze al-allen gevormd? Alles, wat in zichzelf een geheel is, van het grootste tot het kleinste, moet als bedekking en bescherming van zijn inwendige een omhullende huid bezitten. Deze heeft verder het belangrijke doel om van het inwendige mechanisme van een levend lichaam het zuivere in zich op te nemen en het onzuivere - dat voor het organische leven niet bruikbaar is - naar buiten toe af te leiden, waar vandaan de huid in plaats daarvan gelouterde, voedende levensstof (ether!) opzuigt en naar het inwendige levensmechanisme van het lichaam leidt.

Vraag echter niet naar de omvang en de doorsnede van zo’n hulsglobe! Want voor de menselijke rekenkunde zou waarschijnlijk geen getal denkbaar zijn, waarmee men - de afstand van de aarde tot de zon als maatstaf nemend - deze aeonenachtige afstanden zou kunnen bepalen. Zo’n kosmos-globe is echter maar één enkel punt in de grote scheppingsruimte. Stel je buiten deze grote huls of buitenste huid van een hiervoor genoemde globe de wijde, eindeloze ruimte voor als volkomen leeg. En wel zo, dat iemand zelfs met de scherpste blik van de naburige hulsglobe slechts een schemerig lichtpuntje zou ontdekken. Daarmee zou je dan een maatstaf hebben voor de ruimtelijke afstand tussen twee even grote hulsgloben, die door de enorme afstand tot een nauwelijks meer waarneembaar punt samensmelten.

Van zulke hulsgloben bestaan er in de onmetelijke scheppingsruimte een voor het menselijke verstand onbevattelijk groot aantal. Als omvattende totaliteit stellen ze echter overeenkomstig Gods orde nauwkeurig een mens met al zijn organen voor! Hoe groot moet nu iedere scheppingsmens wel niet zijn, als reeds één enkele hulsglobe (overeenkomend met een menselijke cel!) zo eindeloos groot, en de afstand van de ene globe tot de andere nog aeonen maal groter is! Maar ook deze universele mens is in zijn buitenste omhulling precies zoals iedere hulsglobe omgeven door een soort etherische huid. Natuurlijk is die veel steviger dan die van een hulsglobe, maar toch heeft deze huid voor het grote geheel hetzelfde doel als de huid van één enkele globe.

Buiten deze kosmische mens reikt de vrije etherruimte eeuwig verder in alle richtingen, en deze mens vliegt, gedreven door Mijn wil, hier in een voor jullie eindeloos grote cirkel met onbegrijpelijke snelheid doorheen. Dit gebeurt vanwege de voedende stof uit de etherzee, waar hij in zekere zin als een vis doorheen zwemt. Omdat er in de vrije etherruimte echter nergens een boven of beneden bestaat en ook niet een bepaalde kant, staat deze mens even goed en stevig in de ruimte als deze aarde, de zon en de aeonenmaal aeonen zonnen in een hulsglobe. Het is zijn handelende bestemming om alle in hem aanwezige grote gedachten en ideeën van God te doen rijpen voor de toekomstige vrije en zelfstandige ontplooiing van geestelijk leven’.

(Uit het Grote Johannes Evangelie, deel VI)

 

In uitgebreidere vorm verschijnt het thema van de grote kosmische mens en zijn kosmische organen nog eens in het tweedelige Lorberwerk ‘Robert Blum’:

 

‘… De vele miljoenen planetaire zonnen, waar omheen planeten zoals jullie aarde bewegen, maken met hun eigen centraalzon (Z1) een zonnegebied uit (Z1 is volgens Lorber de vaste ster Sirius, onze helderste ster aan de hemel - uitg.). Iedere centraalzon is steeds zo groot, dat zij de lichamelijke inhoud van de eromheen cirkelende zonnen met al hun planeten en manen soms honderd keer overtreft; af en toe ook een miljoen keer, want er zijn grotere en kleinere zonnengebieden. Hoe groter een gebied is, des te groter is ook de centraalzon ervan, om haar nevenzonnen vanwege de verder verwijderde banen op een bepaalde afstand te houden. Want het volume van een centraalzon moet even sterk toenemen, naarmate het aantal nevenzonnen en de afstand daarvan groter wordt, om meester over alle daar omheen cirkelende planetaire zonnen te blijven.

Veel zonnegebieden bij elkaar hebben weer een gemeenschappelijke middenzon en volgen, door die zon gedragen, een onvergelijkelijk veel grotere cirkelvormige baan daar omheen. Deze zon moet natuurlijk weer vele malen groter zijn dan al haar zonnengebieden samen, waarvan er vaak vele duizenden rond zo’n centraalzon (Z2) cirkelen. De totaliteit van zulke zonnengebieden met hun gemeenschappelijke middenzon leveren een zonnenal op.

En verder hebben vele duizenden zonnenallen een centraal middelpunt: een middenzon, die weer in dezelfde verhouding duizenden malen groter is dan alle zonnenallen die er omheen cirkelen. Zo’n al-middenzon (Z3) is het centrum van een zonnenal-al, en haar licht neemt in dezelfde verhouding toe als haar omvang ten opzichte van alle zonnenallen in haar bereik bij elkaar.

Jullie kunnen ongeveer de volgende verhouding aannemen: Als bijvoorbeeld een planetaire middenzon (Z1) een diameter van een biljoen aardse landmijlen heeft, bedraagt de diameter van een middenzon van een zonnengebied (Z2) reeds het miljoenvoudige daarvan, dus een volle triljoen aardse mijlen. En een middenzon van een zonnenal (Z3) neemt dan weer - al naargelang ze meer of minder zonnenallen omvat - met een miljoen keer, ja soms zelfs een biljoen keer toe in de overeenkomstige verhouding van omvang en licht. De diameter daarvan kan dan een quadriljoen tot een quintiljoen mijl zijn.

Deze soort zonnen hebben reeds een eigen vuurlicht en zijn niet meer geschikt voor bewoning door materiële wezens op hun onmetelijke oppervlakten. In plaats daarvan wonen er des te meer vuurgeesten in hun geweldige vuurzee, die daar hun heersersgebieden hebben. Weliswaar wonen er ook lichamelijke mensen op zo’n zon, echter niet op het buitenste oppervlak, maar op een meer naar binnen gelegen gedeelte. Want alle zonnen bestaan uit verscheidene zonnelichamen, die zich binnen in de buitenste zon bevinden ongeveer zoals de planeet Saturnus binnen zijn ringen.

De activiteit van de vuurgeesten bestaat in natuurlijk opzicht uit het bereiden van zeer zuiver gas in de grote ondergrondse vaten, waar er triljoenen van zijn. Dit gas moet steeds in overvloed voorradig zijn en geeft, wanneer het ontstoken wordt, het eigen licht van zulke zonnen. Ook op aarde bereiden bepaalde geesten brandbaar gas in de inwendige kamers van vuurspuwende vulkanen, en ze ontsteken het, wanneer het in voldoende hoeveelheid onder druk staat. Het gas bestaat in feite louter uit zuivere natuurgeesten, die een dergelijke loutering door een verbrandingsproces moeten doormaken, voordat ze in een bepaald wezen over kunnen gaan.

Het centrale punt van een hulsglobe is echter een hoofd- en oercentraalzon (Z4), waar omheen verscheidene miljoenen zonnenuniversa (= zonnenal-allen) bewegen. Bij de oerzon, die jullie hier geestelijk getoond is, zijn er precies zeven miljoen van zulke universa. Deze zon, die Urka heet, is een miljoen keer groter dan al die zeven miljoen zonnenuniversa bij elkaar. De diameter ervan bedraagt ongeveer twee octiljoen aardse landmijlen. Het licht zou, met zijn elektromagnetische snelheid (12.000 mijl = 300.000 kilometer per seconde - uitg.), zou een triljoen aardse jaren nodig hebben om van de ene pool van deze oerzon naar de andere te komen. En toch is deze zon zonder meer de kleinste van allemaal. Een deciljoen mijl is voldoende om haar - vanaf de aarde gezien - tot de schijnbare diameter van Venus samen te drukken.

Wat is nu het terrein, waarop de daar aanwezige, voor jullie werkelijk reusachtige vuurgeesten van zo’n oercentraalzon actief zijn? Behalve het geboren doen worden van steeds nieuwe planetaire en middenzonnen reikt hun invloedssfeer tot aan de buitenste grenzen van een hulsglobe. Zoals reeds gezegd, is ieder complex van zonnen- en kosmos-universa, die in zeer wijde kringen rond hun centrale oerzon bewegen, met een stevig omhulsel omgeven, waar geen materieel wezen doorheen kan dringen. Dit omhulsel bestaat uit een speciale diamantachtige, doorzichtige materie (etherisch water - uitg.) en is van binnen volkomen spiegelglad. Al het licht, dat van de talloos vele zonnen uitstraalt en niet door een aarde of zon gereflecteerd wordt, wordt door dit omhulsel opgevangen en weer naar het inwendige van de globe teruggekaatst. Omdat het uitwendige omhulsel in de loop van de tijd op haar spiegelende oppervlak echter toch steeds matter zou kunnen worden, worden er vanaf deze oercentraalzon door de vuurgeesten voortdurend lichtballen met ongelooflijk geweld naar buiten geslingerd. Deze bereiken het genoemde oppervlak van de huls en worden daar gebruikt om de kristallen huls te reinigen. De schoonmakers zijn speciaal daartoe bekwaamde, machtige geesten, die in grote aantallen aanwezig zijn. Want alles, wat er in natuurlijk opzicht in de hele oneindigheid gebeurt, vindt plaats door Gods geesten en grote engelen.

Iedere hulsglobe heeft haar vaste plaats in de grote kosmische mens (zoals de cellen in het menselijke lichaam! - uitg.). Ze draait echter zowel rond haar oercentraalzon als om haar eigen as, opdat haar buitenste huid voortdurend tegen de haar overal omringende ether wrijft. Door die wrijving wordt de benodigde hoeveelheid elektrisch vuur, wat hetzelfde is als de bliksem, opgewekt, dat als hoofdvoedsel dient voor alle hemellichamen van een hulsglobe.

Het totaal van alle hulsgloben vormt de grote kosmische mens (macrocosmos), wiens grote geheim jullie nog zullen vernemen. In iedere hulsglobe cirkelen deciljoenenmaal deciljoenen zonnen, planeten, manen en kometen rond. De afstand van de ene globe tot de andere bedraagt in doorsnee bijna steeds een miljoen keer de diameter van een hulsglobe. De beweging van de grote kosmische mens is het rondcirkelen in de vrije etherruimte (rond een verborgen centrum, dat met de wil van God overeenkomt - uitg.). De snelheid van zijn beweging in een oneindig grote cirkel is zo buitengewoon groot, dat hij in één ogenblik duizend hulsglobeafstanden verder komt, maar tevens toch honderd miljoen zonnejaren nodig heeft om weer bij zijn oude plaats aan te komen. En daarmee is er door de macht, wijsheid en orde van God voor gezorgd, dat ook de gehele kosmische mens voor al zijn zenuwen en vezels de nodige voeding ontvangt.

 

Het centrum van onze hulsglobe

 

Ons lensvormige melkwegstelsel is ondanks zijn reusachtige afmetingen niet meer dan een bouwsteen van een hulsglobe. In de zin van de ordening volgens Lorber moet het slechts een ‘zonnengebied’ genoemd worden. Daarom zou - in tegenstelling tot de aannamen van de astronomie - Sirius, de helderste ster aan het firmament als de centraalzon van onze melkweg moeten gelden. Alle daarbuiten zichtbare kosmische structuren (grote groepen sterren en nevels) behoren derhalve tot onze hulsglobe, aangezien er van naburige globen geen licht naar de andere kan doordringen.

Over de oercentraalzon Regulus, het centrale gesternte van onze hulsglobe, met zijn ieder menselijk bevattingsvermogen overstijgende afmetingen en omvang, vinden wij bij Lorber de onderstaande opmerkenswaardige aanwijzingen - uitg.

‘Kennen jullie het sterrenbeeld Leeuw met zijn voornaamste ster Regulus? Wat is deze voor jullie oog? Een zwak glimmend puntje! En toch is hij daar, waar hij in de ruimte zweeft, een zo groot hemellichaam, dat een bliksem meer dan een triljoen aardse jaren nodig zou hebben om de afstand van zijn noord- tot zijn zuidpool te overbruggen.

Zijn eigenlijke naam is ‘Urka’ (‘ur’ - licht, ‘ka’ = kracht - uitg.) of, nog beter: ‘Ouriza’ (‘our’ = lichtvuur, ‘za’ = opwekking - uitg.). Regulus is het begin van de schepping van aeonenmaal aeonen zonnen, de ziel en het zwaartepunt in een scheppingsglobe met een eindeloos uitgestrekt omhulsel, die als zodanig echter slechts een zenuw in de grote kosmische mens vormt. Hij is de oercentraalzon van jullie hulsglobe, waarbinnen de aarde als een klein stofje rond haar planetaire zon cirkelt. Zijn voor jullie begrippen niet te berekenen afstand vanaf hier heeft hem tot een klein punt, een glinsterende vaste ster temidden van miljoenen andere laten samenkrimpen.

Op de oercentraalzon Regulus hebben al menselijke wezens bestaan, nog voordat de aarde van haar zon werd gescheiden. Deze mensen hebben echter een andere levensduur dan de mensheid van de aarde. Als zo’n Urka-mens nog maar tien jaar oud is, is hij al ouder dan deze hele aarde. Daaruit valt gemakkelijk af te leiden, dat de eerstgeborenen van dit reusachtige hemellichaam nog goed en wel tot op dit moment kunnen leven. En enkelen, die daar worden geboren, zullen even lang leven als deze aarde zal bestaan.

Deze oerzon is verscheidene deciljoenen aardse jaren ouder dan jullie aarde, die toch ook al een leeftijd van enkele quintiljoenen jaren bezit. Maar de goddelijke geest in de mens is in staat zich niet alleen boven deze scheppingstijdsduur, maar ook boven alle vrijwel oneindig uitgestrekte hulsgloben, ja zelfs boven de gehele grote kosmische mens te verheffen…’

(Uit het ‘Grote Johannes Evangelie’, deel IV en VI, en uit ‘Aarde en maan’)

 

Het probleem van de dubbelsterren

 

Dubbelsterren in de astronomische betekenis zijn bepaalde zeer dicht bij elkaar staande vaste sterren, die om elkaar heen draaien en alleen met een telescoop als twee gescheiden zonnen te herkennen zijn. Een voorbeeld hiervan is de ster Castor in het sterrenbeeld Tweelingen. Sommige dubbelsterren worden enkel door hun wisseling van licht als zodanig herkend, doordat periodiek de kleinere zon voor de andere komt te staan. Voorbeeld: Algol in het sterrenbeeld Perseus. Over deze dubbelsterren staan in deel VI van het ‘Grote Johannes Evangelie’ van Lorber de onderstaande onthullingen - uitg.

 

Er bestaat een soort zonnen, die in ieder zonnengebied herhaaldelijk voorkomt. Dat zijn de zogeheten dubbelzonnen, die echter nooit centraalzonnen, maar enkel wat meer speciale planetaire zonnen zijn. Eén van de twee is steeds aanzienlijk groter dan haar metgezel. Beide zonnen staan zelden meer dan zestig miljoen uur over een rechte weg van elkaar af. De kleinste zon draait als een planeet rond de grootste, maar om elk van de twee zonnen bewegen ook een aantal planeten van verschillende grootte.

Op de kleinere planeten hebben de bewoners ervan zeer goede bestaansvoorwaarden. Want ze hebben daar bijna nooit een volledige nacht, noch strengere kou, en wel met name bij die planeten, waarvan de baan tussen de twee zonnen door loopt. Bij de grotere planeten valt dit voordeel weg, aangezien deze een grote elliptische baan rond de twee zonnen beschrijven.

Deze dubbelzonnen hebben in ieder zonnengebied een heel belangrijke bestemming. Ze zijn de natuurlijke regelaars van de bewegingen van alle enkelvoudige planetaire zonnen en bovendien de verdelers van de bekende voedende stof voor een heel zonnengebied. De indeling van deze sterren is zodanig, dat op iedere zevenhonderd tot duizend enkele zonnen zo’n dubbelzon voorkomt.

 

De speciale positie van de aarde in de kosmos

 

Voor een goed begrip van dit hoofdstuk is het noodzakelijk de oude leer der overeenstemmingen te kennen, die in de hermetische esoterische leer ‘Zo boven, zo beneden’ wordt uitgedrukt. Volgens deze leer is de microkosmos ‘mens’ een evenbeeld van de macrokosmische ‘grote scheppingsmens’ en bestaat er tussen deze twee een analogie in al hun organen en functies. In de veelomvattende scheppingsleer van Lorber wordt - zowel in natuurlijk als in geestelijk opzicht - herhaaldelijk naar deze waarheid verwezen , en alleen door die geïnspireerde onthullingen wordt een brug geslagen om de grote betekenis van onze kleine planeet, waar wij wonen, te begrijpen. - uitg.

 

(Uit de lessen van Jezus in het Grote Johannes Evangelie:)

‘Kijk, zoals in het klein ieder mens voor zijn lichamelijk korte proefleven is ingericht, zo is op overeenstemmende wijze de gehele grote scheppingsmens dat in grote trekken ook. Nu moeten jullie weten, dat juist deze hulsglobe, waarin jullie aarde zich met de zon en talloos vele andere hemellichamen bevindt, tot de inrichting van het hart in de grote scheppingsmens behoort. Maar hoe is het hart van een lichamelijk aards mens voor zijn functie ingericht?

Het organisme van ieder mens heeft dichtbij het centrum van het hart zijn levenszenuw: een zeer klein klompje, van waaruit het gehele lichaam tot leven wordt gebracht. De delen van klompje hartzenuw zijn ervoor ingericht om de levensether uit het bloed en de ingeademde lucht zodanig naar zich toe te trekken, dat zij zelf buitengewoon levenskrachtig blijven en deze levenskracht vervolgens aan het gehele organisme kunnen meedelen. In het menselijke hart bevinden zich twee buitengewoon kleine kamertjes, die met de twee grote bloedkamers overeenstemmen. Door hun inrichting brengen ze het leven van het hart teweeg en daardoor dat van het hele lichaam. Het eerste kamertje is het positieve van de geest en van het leven; het tweede, negatieve, komt overeen met de materie en is enkel een opnamevat voor het leven, dat het van de positieve pool ontvangt.

Nu is jullie zon met de daar omheen cirkelende planeten het beamende (positieve) levenskamertje van de grote kosmische mens. En in dit kamertje brengt juist de aarde de eigenlijke geestelijke fundamentele levensstof voort - wat een wereldse wijze vast nooit kan ontdekken!

Ikzelf ben sinds eeuwigheid de grondslag van al het leven en zijn in het hart van de oneindigheid. Als Ik op grond van Mijn liefde, wijsheid en orde besloten heb om in deze schepping het lichamelijk-menselijke aan te nemen, kon Ik dit in de grote universele mens toch alleen maar realiseren op dat punt, dat volledig aan Mijn oerwezen beantwoordt: in de levenszenuw van het grote kosmische hart.

Het is evenwel niet gezegd, dat juist deze aarde de eigenlijke voornaamste beamende punt in de scheppingsmens zou moeten voorstellen. Dat zou ook een andere bij deze zon behorende planeet kunnen zijn. En inderdaad was daar vroeger al een andere aarde toe bestemd; maar de bewoners daarvan gedroegen zich veel onwaardiger dan nu de bewoners van deze aarde, en zo werd de planeet verworpen en samen met zijn bewoners verwoest (vgl. het hoofdstuk ‘Een catastrofe in het rijk der planeten’ - uitg.). Omdat nu sinds de tijden van Adam jullie aarde daartoe werd uitverkoren en Ik op haar bodem het menselijke kleed heb aangenomen, zal zij dat ook blijven tot aan het einde der tijden van de gerichte geesten in alle materie.

Jullie hebben gehoord, dat het bepaalde, zeer onaanzienlijke, positieve hartskamertje eigenlijk het fundamentele levensbeginsel van de mens vormt en reeds in zichzelf het licht, de waarheid en het leven is. Zo is het ook met de mensen van deze aarde. Ten opzichte van de mensen van andere hemellichamen zijn ze uiterst onbeduidend, verborgen, duister, klein en machteloos. Door de geesten van andere werelden worden ze niet gekend en in feite kennen ze ook zichzelf niet. Maar in hun verborgen levensdiepte zijn zij vanuit Mij het fundamentele levenspunt van de gehele grote scheppingsmens, en daarom kunnen ze zeer hoge levensvermogens ontwikkelen, die bij de mensen van andere aarden slechts in een zeer eenzijdige en ondergeschikte graad voorkomen. Zoals de mens echter zijn totale geestelijke ontwikkeling alleen uit het leven van zijn hartskamertje ontvangt, zo ontvangen op dezelfde wijze de mensen van andere werelden de voor hen bestemde ontwikkeling ook alleen vanuit het levenskamertje van het hart van de grote scheppingsmens. Want de andere hemellichamen met hun mensen, de hulsgloben met hun zonnenallen en bewoners verhouden zich tot deze aarde en haar mensheid als de overige lichaams- en zielsdelen tot de positieve levenszenuw van het hart, waaruit al het fundamentele leven voortkomt.

Bij alle talloze voorafgaande scheppingen, die allemaal een grote kosmische oermens voorstelden, heb Ik Mij niet overeenkomstig Mijn wil in vlees gehuld, maar trad Ik met hun menselijke schepselen alleen in verbinding door zuivere engelengeesten. Alleen deze scheppingsperiode heeft het voor jullie nog onzichtbare voorrecht, dat ze in de hele eeuwige oneindigheid de enige is, waarin Ik als Schepper van alle werelden volkomen de vleselijke menselijke natuur heb aangenomen. In de gehele grote scheppingsmens heb Ik deze hulsglobe uitgekozen, daarin het centraalzonnegebied van Sirius, uit de tweehonderd miljoen daar omheen cirkelende zonnen juist deze van jullie, en van de daar omheen draaiende hemellichamen juist jullie aarde, om daarop Zelf mens te worden. Hier nam Ik ten behoeve van het hoofdlevenscentrum van Mijn goddelijke zijn het vlees van de materie aan om Mij aan jullie, Mijn kinderen, als zichtbare en tastbare Vader te tonen en jullie zelf uit Mijn mond en hart de ware goddelijke liefde en wijsheid te leren. Hier wil Ik voor alle toekomstige tijden en eeuwigheden volledig aan Mij gelijke kinderen opvoeden, die samen met Mij eenmaal de gehele oneindigheid beheersen’ (Dit is de ware zin van de tekst uit de scheppingsgeschiedenis van Mozes over de mens als evenbeeld van God en als kroon van de schepping. - uitg.).

 

Wat is de ‘grote kosmische mens’?

 

Bij het begrip ‘hulsglobe’ wordt in de scheppingsleer van Lorber dat van de grote ‘kosmische mens’ gevoegd, ook wel scheppingsmens of universele mens genoemd. Met de onthulling, dat het materiële heelal in zijn totaliteit de gestalte van een mens bezit, wordt de geestelijke visie van de kosmos voltooid. De astronomie zal met haar beperkte mogelijkheden deze realiteit waarschijnlijk nooit kunnen bevestigen; Lorber bekrachtigt en verbreedt hiermee evenwel oeroude esoterische leren, die over een overeenstemming van het universum als macrokosmos met de microkosmos mens spreken.

Onderstaande uittreksels zijn ontleend aan verschillende werken van Lorber en zijn hier tot een geheel samengevoegd. Voor een completerend begrip worden deze voorafgegaan door een boodschap van Gottfried Mayerhofer, die in het jaar 1871 eveneens door het Innerlijke Woord een dictaat over deze scheppingsgeheimen ontving. - uitg.

 

‘Hier zullen wij het ‘waarom’ bespreken van de materiële kosmische mens, die - bekleed met een dichte etherische huid - een begrensd geheel binnen het onbegrensde vormt. Zie, hoe hij zo snel als een gedachte zijn lucht in de oneindige ruimte uitvoert, rond een centrum, dat hij zelf niet kent. Zie, hoe hij met al zijn organen, de ontelbare hulsgloben, uit de eeuwige oerether al het levenskrachtige opneemt en het verbruikte weer aan de ether teruggeeft. Zijn vorm en gestalte lijken op die van een mens. Maar waarom heeft hij nu juist deze vorm?

De menselijke gestalte, die Mijn eigen goddelijke gestalte is, heb Ik als het grondbeeld in de hele schepping gesteld. Dienovereenkomstig zijn ook alle wezens, van de kleinste dieren tot aan de mens zo geschapen, dat ze in trapsgewijze opklimming geleidelijk deze gestalte ontwikkelen. Allemaal dragen ze tenminste in het ene of het andere deel als grondidee sporen van gelijkenis met de grondvormen van een menselijk lichaam in zich. Al naargelang hun specifieke eigenschappen en leefwijze gaan ze voort tot steeds volmaaktere vormen, totdat als einde van de ontwikkelingsreeks het culminatiepunt - de menselijke vorm - bereikt is.

Toen Ik de materiële wereld in haar gehele omvang en bereik dacht en schiep, werd haar verdere zelfstandigheid en zelfstandige instandhouding bepaald. Om deze vast te leggen, moest Ik aan ieder wezen behalve zijn buitenkant een inwendige organisatie geven, die aan deze voorwaarden kan voldoen. Wat daarbij in het klein gebeurde, zie je ook in het grootste, waar de scheppingsmens rondcirkelt in dimensies, die slechts voor een hoge geest te bevatten zijn. Ook in hem pulseert een hart, dat alles in stand houdt en zijn levenskrachten tot in de uiterste zonnestelsel stuwt. Ook hij heeft longen om net als de menselijke lucht de etherische substanties in zijn eigen bruikbare elementen te veranderen. Ook hij bezit alle organen net als jullie, en in deze organen leven eveneens wezens zoals in die van jullie lichaam, dat ook een wereld van voor jullie ogen onzichtbare levende wezens is. Op soortgelijke wijze als bij jullie lichaam vormen in de grote kosmische mens alle organen bij elkaar een geheel: overal heerst dezelfde orde als in het menselijke organisme.

Wezens, die in het overeenstemmende orgaan van lever of longen leven, kunnen niet tot harte- of nierenmensen gevormd worden. Ze zijn gelukkig in hun bestaan en wachten daar zonder verlangens hun verandering af, om net als alle geschapen wezens na het afleggen van hun lichaam in soortgelijke organen van de grote ‘geestelijke mens’ overgebracht te worden of reeds in edeler organen van de kosmische mens dichter naar hun bestemming te komen.

Alle organen van de kosmische mens voeren dezelfde taken uit als die van het menselijke lichaam. Hier stuwt het hart het met nieuwe levenskrachten bezwangerde bloed door het aderstelsel; daar is het grote zonnestelsel, dat op het hart lijkt, met dezelfde middelen toegerust om het uit de ether opgenomen nieuwe levensbeginsel aan alle overige delen van de materiële kosmische mens mee te delen en zo zijn bestaan veilig te stellen. De longen, die andere zonne- en planetenstelsels zijn met een verschillend karakter, ontvangen de verbruikte stof uit het bloed van de kosmische mens. Door het inademen van de onmetelijke ether veranderen ook zij het verbruikte weer in levend materiaal en stoten het onbruikbare door uitademing weer naar buiten, de uitgestrekte etherruimte in.

De grote en kleine kanalen, die als slagaders, aders en haarvaten door het menselijke lichaam lopen, worden daar vertegenwoordigd door ondergeschikte stelsels en kometen. Met name de laatstgenoemde zijn de brengers van leven en licht, die - terwijl zij bezig zijn met hun eigen ontwikkeling - door hun langgerekte banen de levensstof tot in de buitenste huid van iedere hulsglobe brengen en het afgeleefde ofwel zelf verteren dan wel weer naar het overeenkomstige orgaan van een zonnenal terugbrengen. Om die reden zijn zij vrijwel helemaal vrij van de aantrekkingskracht, die planeten dwingt om in korte banen rond hun zonnen te cirkelen. Niets weerhoudt een komeet ervan zijn doel te volvoeren, totdat ook hij zwaarder en dichter wordt  en zijn omloop korter wordt. Als rondcirkelende planeet sluit hij zich dan aan bij een zon, waar hij een nieuwe ontwikkelingsperiode doormaakt, die hem in staat stelt hogere opgaven op te lossen.

De hersenen van de grote scheppingsmens grijpen geestelijke stralingen vast en geven die af aan de in zijn organen levende wezens, en deze verspreiden ze via de zenuwen als geestelijke geleiders naar de overige zonnenallen.  Het oog kijkt naar buiten, de uitgestrektheid van de oneindigheid in, ziet het doel van verre en deelt het mee aan de kosmische hersenen. Het is de middelaar tussen het uiterlijke en het innerlijke en deelt de indrukken via de hersenen aan de in het gehele organisme levende wezens mee. In het kosmische oog breken de zeven kleuren in het proces van licht en zien. Daar in die constellaties zijn deze kleuren in verdeeld hele kosmische stelsels, die elk een andere kleur vertegenwoordigen. Daar in de grote kosmische mens bestaan zonnen met de verschillende kleuren van de regenboog. De mensen zelf zijn daar qua kleur op overeenkomstige wijze gevormd. Daar zijn wonderen van een omvang en intensiteit, waar jullie als aardse schepselen nooit enig vermoeden van kunnen hebben.

Het kosmische oor hoort de grote harmonieën der sferen en verrukt daarmee de geestelijke bewoners van zijn orgaan. Wat in het oog door licht bewerkstelligd wordt, wordt in dit zonnencomplex vervangen door de toon. En evenals in het menselijke organisme steeds het ene orgaan met het andere in verbinding staat, zo is het ook in de kosmische mens, waar een geestelijk genot in het ene orgaan voelbaar aan het andere wordt meegedeeld. In het orgaan van dit oor zijn de harmonieën en hun wetten zo uitgebreid en volmaakt, dat jullie soort muziek niet de minste vergelijking daarmee doorstaat.

In het hersencomplex met zijn grote centraalzonnenallen is alles licht en wijsheid. Daar ziet en begrijpt de geestelijke bewoner de gehele kosmische mens, hij kent zijn missie en kent ook Mij als de ‘grootste Geest’. Evenals in de menselijke hersenen fosfor een grote rol speelt, is daar in dat stelsel alle licht, en wel zodanig, dat schaduwen tot de onbekende dingen behoren.

In het hart, de zetel van het leven, beweegt alles en drijft alles de grote kosmische machine aan. De mooiste en meest verheven gevoelens van zaligheid zijn daar van blijvende aard. Alle wezens kennen Mijn liefde en weten, wat hun taken zijn. Met name de kleine stimulerende bewegingszenuw van het kosmische hart is tevens de plaats, waar niet al te ver vandaan jullie kleine zonnestelsel zijn plaats heeft.

Alle overige organen, zelfs die van de uitscheiding en voortplanting, zijn daar op analoge wijze voor dezelfde doelen bestemd als in het menselijke lichaam. De analogieën van de bewoners van deze onmetelijke werelden zijn even verschillend van aard als hun organen zelf, en het zou vergeefse moeite zijn te proberen die begrijpelijk voor jullie te maken. Een oneindige God kan alleen oneindige dingen scheppen; verlang dus geen beschrijving van kosmische gebieden en hun bewoners, waarbij geen enkele beschrijving toereikend zou zijn om de wonderen van zelfs de kleinste wereld te schetsen. Zulke bijzonderheden kunnen alleen met het geestelijke oog bevat en met geestelijke gedachten gedacht worden. Zolang jullie in je aardse omhulsel leven, is het niet mogelijk dit uit te leggen, maar later aan gene zijde zullen jullie het met het toegenomen gezichtsvermogen van de geest gemakkelijker begrijpen. Laat het jullie voldoende zijn te weten, dat jullie overal, tot waar jullie gedachten zouden reiken, de menselijke gestalte als de enige heersende vorm zouden kunnen vaststellen. En bedenk daarbij, wat jullie zelf met betrekking tot het zenuwcomplex van het kosmische hart moeten worden: de bewegende, algemene drijfveren van Mijn gehele materiële schepping!

De functies van de grote kosmische mens moeten jullie je evenwel niet zo voorstellen als die van jullie lichaam, maar in analoge overeenstemmingen. Daar drukken hele zonnestelsels door hun aantal, gesteldheid en positie datgene uit, wat het een of andere orgaan in het menselijke lichaam met betrekking tot het geheel moet uitvoeren. Zo is bijvoorbeeld de milt de elektrische vuurhaard, waar het bloed na zijn kleine kringloop weer opnieuw tot leven wordt gewekt. Ook in de grote scheppingsmens is het overeenkomstige zonnenal met zijn vele duizenden zonnen niets anders dan  de centrale verdeler van leven naar vele andere werelden, die daar dichtbij staan en ervan afhankelijk zijn. Deze verdelen hun overschot aan kracht en licht dan weer door immens uitgestrekte lichtruimten naar andere zonnen en werelden. Hun magnetisch-elektrische uitstraling geeft weer een impuls tot duizendvoudig verschillende processen, en dat gaat zo door, tot alles zijn kringloop heeft voltooid en het verbruikte door middel van de uitscheidingsorganen weer aan de ether wordt teruggegeven.

Dit is het proces van instandhouding van de grote kosmische mens, die door zijn snelle beweging in de oneindige ruimte door wrijving de in de ether aanwezige levenselementen wekt en deze vervolgens via biljoenen zuigorganen, gelijk aan de poriën in de menselijke huid, aan de inwendige organen overdraagt. Op deze manier leven wekkend en gevend vliegt de grote scheppingsmens in de ruimte zonder grenzen aeonen spannen tijds voort, tot ook hij eenmaal innerlijk en uiterlijk opgebruikt zal zijn en zijn verval tegemoet gaat. Dan zal hij evenals het menselijke lichaam in andere elementen opgelost worden. Uit zijn overblijfselen zullen zich andere kosmische voortbrengselen vormen, die tot nieuwe scheppingen leiden.

De materie, waar hij uit geschapen is, zal zich moeten laten scheiden: het geestelijke erin zal geestelijke, en het materiële erin zal stoffelijke verbindingen aangaan. Ieder deel voor zich zal dan opnieuw aan een grote kringloop van ontwikkeling beginnen en zal zich opnieuw in de vorm van een menselijk lichaam organiseren. Zo komt er uit het einde van de huidige kosmische mens een andere voort, die uit fijnere geestelijke elementen samengesteld is en weer een nieuwe kosmische mens zal zijn. Maar in de loop van het vergeestelijkingsproces zullen al zijn bewoners en levende wezens steeds meer geestelijk van aard zijn. Wat in het lichaam van de mens de daarin gebonden ziel en de geest als leider van het geheel waren, zal in de kosmische mens de drijvende kracht zijn, die al het materieel geschapene naar zijn verlossing en al het geestelijke naar een steeds hogere vergeestelijking stuwt.

Zo gaat het voort over oneindige spannen tijds, waarbij miljoenen jaren de kleinste perioden vormen. Uit al dit worden, bestaan en vergaan ontwikkelt datgene, wat in de materie gebonden is, zich tot hogere geestelijke niveaus. Het verfijnt zich van potentie tot potentie, wordt zuiverder, geestelijker, goddelijker, tot het in de veel grotere ‘geestelijke kosmische mens’ kan overgaan; daar begint dan een nieuwe trapsgewijze ontwikkeling, die omhoog leidt tot aan Mij en Mijn eeuwige rijk der hemelen’.

 

Wie is de kosmische mens?

 

(De Heer:) ‘… Nu Ik jullie geestelijke oog heb geopend, zien jullie de grote scheppingsmens als een volmaakte menselijke gestalte. De knieën zijn enigszins gebogen, de handen hangen werkeloos naar beneden. Het hoofd met de lange haren is als dat van een treurend mens naar voren gebogen, waarbij het in de bodemloze diepten van de afgrond kijkt. De lendenen zijn schamel bedekt met een gerafeld uitziende lendendoek, en de hele gestalte maakt een bedroefde indruk. Dit beeld is overeenkomstig Mijn eeuwige orde een getrouwe weerspiegeling van het universum. Op de manier, waarop het jullie getoond is, is het voor niemand behalve voor Mij in zijn ware realiteit zichtbaar.

De enorme gestalte, die alle diepten van de eindeloze ruimte helemaal lijkt te vullen, bestaat uit louter zeer kleine glinsterende puntjes, die als zandkorrels dicht opeen gestrooid lijken te zijn. Het aantal van deze zacht glanzende puntjes is duidelijk oneindig of in ieder geval zodanig, dat geen geschapen geest het zich kan voorstellen. In dit beeld van de grote kosmische mens is elk van deze glinsterende puntjes in materieel opzicht een gehele hulsglobe vol zonnen en werelden, en toch is ieder daarvan nauwelijks een zenuwknobbeltje van zijn totale wezen.

Van een uiterlijk leven als geheel van deze grote mens is niets te ontdekken: hij verschijnt jullie enkel als een fosforescerend beeld, door de almacht van de Schepper tegen het oneindige firmament geademd. En ook al beleeft deze mens zichzelf in zijn totaliteit slechts als één leven, bestaat hij daarom werkelijk alleen uit een ongedeeld leven? O nee, deze grote kosmische mens leeft een zeer veelvoudig leven. Want alle hulsgloben met hun centraalzonnen en ondergeschikte kosmische stelsels zijn immers lichaamsdelen en organen, die op zichzelf - evenals iedere bewoners daarvan - een afgesloten leven in zich dragen.

Wie is nu deze scheppingsmens, gezien in het licht van de geest? Verneem allemaal het grote geheim! Ieder mens is in zijn gehele gestalte het vast geworden zielenkleed van de oergeschapen geest, die door de Schrift Lucifer, de ‘lichtdrager’ wordt genoemd. Weliswaar bezit zijn geest na zijn val nog steeds zijn volledige zelfbewustzijn, maar niet meer zijn oerkracht. Hij is door de materie gevangen en in al zijn delen gericht. Slechts één weg staat hem steeds vrij, namelijk die naar Mijn Vaderhart. Voor iedere andere is hij zo goed als dood en kan hij geen voet of hand ook maar een haarbreed verplaatsen, waarheen dan ook.

Dat, wat jullie glinsterende zandkorreltjes leken te zijn, zijn louter hulsgloben, en in elk daarvan zijn deciljoenenmaal deciljoenen zonnen en bovendien nog een miljoen keer zoveel planeten, manen en kometen in een omhulsel gevangen. De afstand van de ene hulsglobe tot de andere bedraagt gemiddeld bijna steeds een miljoen keer de doorsnede van zo’n globe. Dat ze hier in het beeld dicht op elkaar staand verschijnen, komt door de grote afstand, van waaruit jullie de figuur bekijken. Ook voor het aardse oog lijkt de sterrenhemel een gewelfd vlak, dat met dicht op elkaar staande groepen sterren bezaaid is, terwijl in werkelijkheid twee dicht bij elkaar en eigenlijk achter elkaar staande sterren dikwijls heel goed verscheidene triljoenen mijlen van elkaar af kunnen staan.

Dat deze geest nu in louter zulke vaste globen is opgesplitst, is zijn eigenlijke gericht. Zijn leven, dat daardoor in bijna eindeloos veel afgesloten delen gescheiden werd, dient niet als een geheel, maar als een zeer sterk verdeeld leven beschouwd te worden. Want binnenin iedere globe is leven, maar daarbuiten geen ander dan dat van Mijn eeuwig onveranderlijke goddelijke wil. Iedere hulsglobe heeft haar vaste plaats en kan haar positie ten opzichte van haar naburige globen niet in het minst veranderen.

Helemaal onderaan, in de linker kleine teen van de kosmische mens, zien jullie een enigszins roodachtig glinsterend puntje. Dat is die globe, waarin zich in natuurlijk opzicht jullie aarde binnen haar grote zonnegebied bevindt. En alleen in dit punt is nu het totale geestelijke leven van die grootste oergeschapen geest gevangen. Als hij zich daar wil verdeemoedigen en als de verloren zoon weer naar Mij wil terugkeren, dan moet zijn vroegere oerleven weer vrijgegeven worden en zou de grote kosmische mens weer doortrokken zijn van het volkomen vrije leven. Als deze oergeest van Mijn schepping echter in zijn hoogmoedige anti-orde wil volharden, kan hij daar voor eeuwig blijven, of tenminste net zolang, tot de gehele materie zich in een nieuw leven van zielen en geesten opgelost zal hebben.

Evenals jullie, mensen van deze aarde, zullen er nog talloos vele geesten uit de materiële kosmische mens verlost worden en vrijkomen, en wel net zolang, tot alles wat in hem gericht en gevangen is in een volkomen vrij geestelijk leven overgegaan zal zijn! Maar hoe zouden jullie het aantal jaren kunnen meten, dat zal verlopen tot aan het oplossen van de totale kosmische mens! De omlooptijd van deze zon rond haar centraalzon Sirius bedraagt ongeveer 28.000 aardse jaren, wat dus één zonnejaar is. Voor de veelheid van zulke reeds verlopen zonnejaren kennen jullie in je rekenkunde geen getal. Nog minder zou er een getal te geven zijn op de vraag, hoe vaak zij tot aan haar eigen oplossing haar grote kringloop nog moet maken: aeonenmaal aeonen zonnejaren zouden daarbij als vrijwel niets beschouwd moeten worden!

Maar wat betekent de leeftijd van een planetaire zon vergeleken bij die van een centraalzon van een zonnegebied, die een eindeloos lange tijd eerder bestond. En wat is op zijn beurt deze bestaansduur vergeleken bij een centraalzon van een zonnenal, en de levensduur daarvan vergeleken bij haar eerstvolgende hogere centraalzon? En hoe vrijwel niets is de levensduur van zelfs deze zon vergeleken bij die oercentraalzon in een hulsglobe, die in feite de oereerste moeder is van al haar kinderen, de zonnen en werelden! Hoeveel zonnengebieden zijn er al niet uit haar voortgekomen, die allang zijn opgelost; en hoeveel nieuwe zijn er onvoorstelbaar lange tijden geleden al niet in hun plaats gekomen en zullen er in de verste tijden nog uit haar voortkomen?

Maar ook deze oercentraalzon (Urka/Regulus - uitg.) zal eenmaal opgelost worden, nadat alle overige zonnen uit haar eindeloos lange tijdruimten hun einde gevonden hebben. Maar daarmee is de totale grote kosmische mens nog lang niet onmiddellijk opgelost. Want zoals het verouderen en afsterven van een mens geleidelijk plaats vindt, zo is dat bij de scheppingsmens eveneens het geval.

Als jullie aarde eenmaal over onvoorstelbaar veel jaren al haar gevangen geesten zal hebben vrijgegeven, zal zij zelf in de lichtzee van de zon in een geestelijke aarde veranderd worden. Ook de andere lichtloze planeten zoals Mercurius, Venus, Mars, Jupiter, Saturnus en nog verscheidene andere, die samen met de ontelbare kometen (die later ook menselijke wezens dragende planeten worden) tot jullie zon behoren, deze zullen na aeonen aardse jaren allemaal in de zon worden opgelost. Op deze manier schrijdt de oplossing van de ene zon voort naar de eerstvolgende grotere midden- en centraalzon gedurende aeonen (een deciljoenmaal deciljoen) jaren van jullie kleine aarde, totdat alles tenslotte opgelost wordt in de enige oercentraalzon - waarvan de lichamelijke omvang voor jullie begrippen onmetelijk is. Maar waar wordt deze zon zelf van haar materie bevrijd? In het vuur van Mijn wil! Vanuit deze trapsgewijze oplossing zullen dan alle hemellichamen geestelijk tot hun vroegere orden en bestemmingen terugkeren en geestelijk eeuwig voortbestaan in al hun pracht, grootheid en wonderbaarlijke activiteit. Ondanks deze voor jullie niet te vatten bestaansduur van de grote kosmische mens zal zijn materiële bestaan eenmaal ten einde zijn. Daarmee wordt opnieuw een scheppingsperiode afgesloten, waarna in een ander gebied, dat in de ruimte eindeloos ver weg ligt, tot een nieuwe schepping wordt overgegaan’.

(Uit het ‘Grote Johannes Evangelie’, ‘Robert Blum’ en ‘Die zwölf Stunden’)

 

De verandering tot geestelijke hemelse mens

 

Terwijl de grote kosmische mens van het materiële universum lichamen vormt, waarbij de zielenpotenties van de gevallen oergeest Lucifer (Satana) in de gang door alle natuurrijken heen een loutering ondergaan, geeft de hemelse mens, af en toe ook geestelijke mens genoemd, het einddoel van de schepping weer: de vrijmaking van alle in de materie gefixeerde geest; de verlossing van al het geschapene, dat qua ziel van Lucifer afstamt, maar via geestelijk wedergeboren mensen opnieuw de hereniging met God bereikt.

Hier volgt in eerste instantie weer het tweede van de desbetreffende mededeling van G. Mayerhofer, waar de uittreksels uit de werken van Jakob Lorber bij aansluiten. - uitg.

 

(De Heer:) ‘… Het streven van de in de materie gebonden geestelijke macht duurt net zolang, tot alles, wat daarin vast is geworden, weer vrijgemaakt is. Als in de grote kosmische mens de met de menselijke organen overeenstemmende kosmische stelsels afgeleefd zijn en al het levende, alles wat in staat is licht en warmte op te nemen, eruit verdwenen is, blijft alleen datgene over, wat als het ware tot hard gesteente is geworden. Als deze toestand is ingetreden, wordt de grote kosmische mens door Mijn wil opgelost. Daaruit komt dan weer - zoals volgens een oude wereldse sage de Feniks - een nieuwe en mooiere geestelijke wereld voort, die alles bevat wat de vroegere kosmische mens bezat: al zijn organen en functies, maar verfijnder en geestelijker. Dan begint er een nieuw trapsgewijs scheppen. Leven en warmte stromen weer binnen in de kosmische mens, die zich opnieuw levend van zichzelf bewust is. Er begint een nieuwe levensloop, waarin dood en vernietiging niet meer als grondbeginselen tot fundament van een nieuwe schepping hoeven te dienen. Slechts een zachte overgang van het ene niveau naar het andere kenmerkt het voortschrijden, wanneer het materiële ophoudt en de geestelijke wereld begonnen is.

Dan begint het leven in de grote geestelijke mens, dan beweegt de nu vergeestelijkte kosmische mens rond Mijn ver op de achtergrond stralende centraalzon, het hart van de gehele geestelijke wereld. Nu zuigt hij geen etherisch voedsel meer op, maar geestelijk voedsel, en zo vergeestelijkt hij zijn innerlijk, dat zodoende in zijn individualiteit langzamerhand overeenkomstige organen van de zeer grote geestelijke kosmische mens gaat vormen. Doordat deze zich eveneens in de oneindig uitgestrekte ruimten voortbeweegt, neemt hij uit de hem omringende geestelijke ether (de adem van God - uitg.) zijn eigen levensbeginselen op en legt daarmee de basis voor het eeuwig voortschrijden, veranderen, opnieuw scheppen en opnieuw gelukkig maken van de geesten, die op zulke werelden leven.

In de grote geestelijke mens is het levensdoel van alle geschapen geesten om diegenen te leiden, die nog minder bekwaam zijn, om hun sferen te vervolmaken en hun zielen steeds dichter naar Mij toe te leiden. En kijk, toen Ik de grote geestenwereld met haar onmetelijke uitgestrektheid schiep, plaatste Ik de grootste geest, uit Mij geboren zoals wijsheid uit liefde, buiten Mij in de wijde schepping. Ik droeg alle geestelijke werelden aan hem over, stelde hem in staat werkzaam te zijn en te scheppen en gaf hem de naam ‘Lucifer’ - of ‘Satana’ in de hemelse taal. Maar, omdat hij zich van zijn enorme macht bewust was, werd hij verblind door zijn eigenliefde en verleidde hij miljoenen massa’s geesten om van Mij, de oorsprong van al het leven, af te vallen.

En zo werd deze oergeest verbannen uit het eeuwige rijk van de geestelijke mens, uit Mijn hemelrijk, omdat de daar heersende hemelse orde van liefde en vrede hem niet beviel. Ver vloog hij naar buiten, de oneindigheid in. Maar om te zorgen dat hij ondanks zijn verzet tegen Mij toch mijn scheppingsplan moet uitvoeren, schiep Ik een materiële wereld uit de substanties van hem en zijn geesten. Ik kleedde hem en de zijnen in de leerschool materie, opdat hij gelouterd - zij het niet als totaliteit, dan toch opgelost in kleine zieledeeltjes - weer bij Mij zou terugkomen. Zijn geest zelf, samen met alles, wat hem na de materialisatie van zijn zielenkrachten overbleef, is nu gevangen op en in jullie aarde, die het hemellichaam is, waarvan Ik reeds aeonen geleden had vastgesteld, dat Ik daar het grote verlossingswerk voor alle mensen en geesten Zelf zou volbrengen.

In de grote geestelijke scheppingsmens gaat het actieve organiseren en scheppen voortdurend door. Daar leven de geesten eveneens in de met alle organen van de materiële kosmische mens overeenstemmende hemelen. Maar alles is daar anders dan in de eerste scheppingsmens. Wat in deze laatste in de vorm van materie is uitgedrukt, leeft en bestaat daar geestelijk. Dar is de grofste materie licht en de fijnste materie zuivere geest. In Mijn geestelijke scheppingsmens vormen liefde en wijsheid de voornaamste substantie, zoals dat bij de kosmische mens licht en warmte en bij de aardse mens bloed en lucht zijn. Evenals het bloed in het menselijke lichaam loopt de liefde als licht door de aderen van de geestelijke hemelse mens, waarbij ze overal heil, zegen en leven verspreidt. De wijsheid verlicht Mijn wonderen voor de onderzoekende geest. Wat Mijn hoogste engelen en geesten in de grote hemelse mens helder aanschouwen, dat vermoeden de bewoners van zonnen en werelden van de materiële kosmische mens slechts en zoeken onderzoekers in de geestelijke krachten van de natuur.

In de kosmische mens zijn talloze geesten en mensen, die op hun verlossing wachten. Allemaal gaan ze het veranderingsproces van de verlossing tegemoet. In de geestelijke hemelse mens, aan de andere kant van de grenssteen van de dood, bestaan zaligheid en een eeuwige uitwisseling van al het geschapene. Daar heerst enkel liefde, gepaard aan wijsheid, en daar beleven de voleindigde geesten als kinderen Gods pas dat leven vol gelukzaligheid, dat bereid is voor allen, die volgens de regels van de eeuwige scheppingsorde leven en actief zijn.

(Uit ‘Schöpfungsgeheimnisse’)

 

(De Heer:) ‘… Hoe zit het eigenlijk met de materiële voedingsbodem, als al het intelligente leven zich daar eenmaal van vrijgemaakt heeft? Moet deze in zekere zin misschien als uitgebrande slakken, die geen enkele bestemming meer hebben, als het ware volkomen dood in de oneindige ruimte rondcirkelen? Of zou het iets kunnen zijn in de sferen van de levende en voleindigde geesten? Om echter over een bestemming te spreken, moet men toch over een geestelijke, eeuwigdurende spreken, aangezien er nooit ergens een materieel-eeuwige bestemming kan bestaan. Iedere materie, die als zodanig in ruimte en tijd gesloten en begrensd is, is vergankelijk. Als ze in een ontwikkelingsperiode aan haar bestemming heeft beantwoord en een hoger levensdoel heeft gediend, en daarbij als bruikbaar vat vermolmd en lek is geraakt - wat zou er dan nog verder van deze puimsteen moeten worden?

Wat er echter met de materiële aarde gebeurt, zal zelfs een oercentraalzon overkomen: alle materiële hemellichamen worden opgelost en omgevormd tot geestelijke hemellichamen, die bewoond zullen worden door volkomen vrije en zalige geestelijke wezens. Zulke hemellichamen zullen dan echter niet uitwendig, maar veeleer inwendig bewoond worden in alle met de vroegere organisch-materiële vormen overeenstemmende levenstempels. Daar zullen de mensen als voleindigde geesten pas de inwendige gesteldheid van de werelden, die hen vroeger droegen, volkomen leren kennen en met grote blijdschap de buitengewoon kunstige inrichting van zowel de kleinste als de grootste organen ervan bewonderen.

Natuurlijk dienen jullie je het oplossen van de grote kosmische mens en zijn verandering tot geestelijke hemelse mens niet zo voor te stellen, alsof dit al in de nabije toekomst plaats zou vinden. Als jullie een aards jaar zouden nemen voor ieder zandkorreltje, zoveel als de aarde daarvan bezit, zou dat nauwelijks toereikend zijn voor de materiële bestaansduur van de aarde. Om maar niet te spreken over de onmetelijk veel langere bestaansduren van alle zonnen, van jullie planetaire zon tot aan de oerzon van een hulsglobe, die nog voortdurend nieuwe massa’s hemellichamen voortbrengen. Maar ondanks hun aeonenlange levensduur als wereld zal eenmaal toch ook hun tijd aflopen en zal daarmee opnieuw een scheppingsperiode afgesloten zijn.

Alles, wat jullie nu hebben gehoord en gezien, is alleen maar groots voor de nog jonge bewoners van Mijn eeuwige rijk. Als ze eenmaal meer vertrouwd raken met hun meest innerlijke leven, dat Mijn liefde in hen is, zal hun alles, wat tot de gerichte materie behoort, heel klein toeschijnen. Het kleinste evenwel, dat Gods kracht en leven in zich draagt, is groter dan een gehele dode oneindigheid. Aanschouw dus de grote hemelse mens van de tweede schepping!

Jullie zien hem als een eindeloos grote mens, omgeven door zacht en lieflijk stralend licht. Vanuit de hartstreek dringt een machtig licht naar buiten, dat in het oog een uiterst zaligmakend gevoel oproept. Onder de linker voet van deze hemelse mens is een menselijke gestalte in half liggende positie te zien, die omgeven is door een zwakke, mat rode glans.

Daarmee hebben jullie de eerste en de tweede schepping in één beeld, want de kleine gestalte onder de voet stelt de jullie bekende grote kosmische mens voor. De grote lichtmens echter is de nieuwe geestelijke schepping: een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, die zich niet meer in de kleine teen van de voet bevindt, zoals dat bij de materiële scheppingsmens nog het geval is, maar in het hartscentrum van deze nieuwe schepping. Het machtige licht uit de hartstreek is afkomstig van de nieuwe aarde, die een eeuwig woonhuis voor Mijn liefde en al Mijn kinderen zal blijven.

Als jullie deze zeer grote geestelijke mens vol helder licht nauwkeuriger bekijken, zullen jullie gemakkelijk ontdekken, dat ook hij uit talloze prachtige sterren bestaat, zowel wat zijn gewaad als zijn lichaam betreft. Van deze sterren is iedere ster afzonderlijk onberekenbaar veel groter dan de gehele vroeger getoonde kosmische mens met al zijn hulsgloben, waarbinnen toch overal vele deciljoenen zonnen en werelden rondcirkelen. Want deze sterren zijn verenigingen van zalige geestelijke mensen, waarvan iedere kleinste duizend keer groter en machtiger is dan die van de eerste mens, wiens beeld jullie hier - in de juiste verhouding tot deze tweede, hemelse mens - onder de teen van zijn voet als een kronkelende worm zien. Vergeleken bij de werkelijke grootte van deze tweede mens is hij nauwelijks, wat een zandkorrel is vergeleken bij de grootte van een gehele hulsglobenmens. Deze tweede, geestelijke mens stelt in feite Mijzelf voor in Mijn scheppende werkzaamheid.

Verder zien jullie, dat ook de vorm van deze hemelse mens noodzakelijkerwijze een begrenzing moet hebben, omdat jullie er anders geen mens in zouden kunnen zien. Maar wat zien jullie voorbij deze vorm, die in al haar delen puur leven is? Jullie zien licht en licht, zover jullie geestelijke oog reikt! Dat is allemaal Mijn geest, Mijn macht, Mijn liefde! Hierin zullen nog talloze myriaden van zulke grote mensen nog ruimschoots voldoende plaats vinden, want Mijn oneindige geest kan alleen oneindige dingen scheppen.

En verder toont het beeld een voleindigde menselijke geest in Mijn nieuwe rijk, die hier in de juiste verhouding tot de eerste scheppingsmens is weergegeven. Het toont de volmaakte maat van een mens (als evenbeeld van God! - uitg.), die oneindig veel verhevener is dan het hele universum in de gestalte van de verloren zoon, zoals jullie dat eerder getoond is. Want de geest van Lucifer zal niet als een geheel terugkeren. Als dat mogelijk was geweest, zou er nooit een materiële schepping hebben plaatsgevonden. In ieder afzonderlijk mens, die door het Woord en de verlossing wordt wedergeboren, keert deze verlorene terug in het eeuwige Vaderhuis. Werkelijk, iedere mensengeest, die één met Mij is geworden, is oneindig maal meer dan de oergeest Lucifer vroeger was in zijn voor jullie onbegrijpelijke grootheid!

Geen enkele geschapen geest bevat de totaliteit van de hemelse mens, ten opzichte van wiens grootte de eerste scheppingsmens zich verhoudt als het triljoenste deel van een atoom ten opzichte van de totale grote kosmische mens. Het hemelse heelal is zo oneindig, dat alle ontelbare miljarden hulsgloben van de eerste scheppingsmens in een haartje van de hemelse geestmens voldoende ruimte zouden hebben om zich daar vrij te bewegen. Hoeveel individuele levens moet deze mens dan wel niet in de kleinste delen van zijn organen hebben, en hoeveel in zijn hart en al helemaal in zijn hele lichamelijke wezen! En toch denkt deze hemelse mens slechts als één op zichzelf bestaand mens, terwijl in hem toch vele miljarden volmaakte engelen en geesten afgesloten op zichzelf leven en denken zoals de gehele grote mens. In hem bestaan nog andere betrekkingen, volgens welke wezens, die op volkomen dezelfde manier denken en liefhebben, in zekere zin een vereniging vormen, die op zichzelf beschouwd weer een volmaakt mens vormt. Ook deze kan zelf precies zo denken en voelen, alsof hij niet slechts een deelorgaan van de grote hemelse mens, maar een afzonderlijk, op zichzelf staand mens was.

Ja, Ik zeg jullie nog meer: In Mijn oneindigheid bestaan er zelfs verscheidene van zulke hemelen, en elk daarvan is als zodanig een volmaakte mens. Al deze hemelen bij elkaar vormen samen een mens van zo’n oneindige grootheid, dat hij door niemand gedacht en beleefd kan worden, behalve door Mij. Want in feite is hij Mijn lichaam zelf, ofwel God in Zijn oneindigheid, die Zichzelf en Zijn al-eenheid het allerduidelijkst denkt en voelt’.

(Uit het ‘Grote Johannes Evangelie’, ‘Robert Blum’ en ‘Die zwölf Stunden’)

 

 

 


 

 

Nawoord

 

Wat een nieuw, al het aardse denken overweldigend beeld, dat dit geestelijke perspectief op de kosmos openbaart! Het herhaalt gebiedend de oude eis van Christus aan de mensheid: ‘Metanoite!’ ‘Leer anders te denken!’ Of, nog beter: ‘Leer jezelf met de vleugels van de geest boven het aan de aarde gehechte verstand uit tot het rijk van het eeuwige te verheffen!’. Een daad van bevrijding, die de mens uit de engheid van zijn aan de stof gebonden kennis voert naar de oneindige verten van de goddelijke scheppingsgeest, wiens vormen vol heerlijkheden en wonderen zijn.

Waar astronomie en fysica enkel de leer van de dode kosmische ruimte verkondigen en de wiskunde zich uitput in bloedeloze, abstracte definities, onthult het universum zich voor het innerlijke oog als een geestelijk scheppingsbouwwerk, waarvan de ruimte tot in de uiterste verten een van kloppende kracht doortrokken leven ademt. Een kosmisch panorama, waarvan de verhevenheid op zijn beurt alleen door het eeuwigheidbewustzijn in de mens nagevoeld kan worden.

Beslist wekken reeds de dimensies van tijd en ruimte, die de astronomie ons in haar eenheidsmaatstaf van lichtjaren meedeelt, bij iedere ontvankelijke sterrenvriend ingekeerdheid en ontzag vanwege de omvang van het heelal en de harmonie van de banen van de sterren daarin.  Tevens brengen zij de lezer dichter bij de overeenkomstige informatie van Jakob Lorber, waarvan veel een wetenschappelijke onderbouwing krijgt. Maar - ondanks hun getallen, die tot in het rijk van het onmeetbare grijpen, stellen ze nauwelijks iets voor binnen blikveld van het geestelijke perspectief. Hoe kan het oneindige ook met eindige middelen begrepen worden?

Voor God vormt zowel het atoom als de oercentraalzon, zowel het kleinste als het grootste een ondeelbare eenheid. Voor God zijn niet alleen duizend jaar - zoals de bijbel symbolisch leert - maar biljoenen lichtjaren slechts één scheppingsdag, en deze weer een ogenblik in de eeuwigheid. En de grote kosmische mens is voor Hem maar een punt in de gedachteruimte van Zijn schepping. Maar waarom heeft dit geopenbaarde wereldbeeld van de geest met zijn onbevattelijke dimensies niet vernietigend op de mens, die zich daardoor toch bewust zou moeten worden van zijn verlorenheid temidden van kosmische stelsels zonder tal of grenzen?

Het antwoord ligt in het grote geheim van de scheppingsmens zelf, die ook de microkosmos ‘mens’ in zijn onthulling betrekt, , ja, hem zelfs tot het centrale punt van het gehele scheppingsplan maakt. Pas dit geestelijke perspectief op de kosmos werpt een verhelderend licht op het duistere bijbelwoord van Genesis, volgens welk de mens naar het beeld van God geschapen is en tot kroon van de schepping is uitverkoren. En zo geeft de geweldige leer over de grote kosmische mens en zijn weg van voleinding door de aeonen ook aan ons aardse leven pas zin en doelgerichtheid. Want het doet de volle grootte vermoeden die in de mens, dit liefdes-scheppingsidee van God, als een kiem verborgen ligt en zich eenmaal in de glorie van zijn voleinding zal openbaren.

Nog altijd staat de aardse mensheid aan het begin van haar geestelijke ontwikkeling, waarbij maar weinig pioniers vooruitsnelden. Van het ene tijdperk naar het andere veranderen de waarden van culturen. Het nu aflopende vissentijdperk, aan het begin waarvan de geboorte van de christelijke religie stond, heeft nog niet de vervulling gebracht van haar diepste wezenskern, de gedachte van verlossing. Slechts het intellect ontwikkelde zich tot een graad, die doet vermoeden waartoe de ware geest in staat is, waarvan het intellect maar zwak de afglans weerspiegelt en daarmee toch prestaties levert, die in wetenschap en techniek reeds hoogtepunten vormen. Maar de mens heeft daarbij de eigenlijke kracht van zijn geest, zijn denken met hart en gemoed, meer en meer laten verkommeren. Hij kan dus ook het geestelijke in de kosmos niet meer herkennen. De profetie van de openbaring van Johannes kondigde deze toestand aan met het beeld: ‘En de hemel week terug als een samengerolde boekrol’.

Zo weken ook de vroegere visioenen over de inwendige kosmos voor de astrofysische theorieën, die ons in plaats van het levende perspectief van de Grote Kosmische Mens enkel zonnen vol atoomexplosies, ijzige kou in de kosmos en een uiteen drijvend universum als laatste resultaat van menselijk onderzoek opleverden.  Hoe anders klinkt echter de stem van de Heilige Geest, als deze als het Innerlijke Woord in de mens ontwaakt en begint te spreken!

Een oeroude geestelijke visie leert, dat de mensheid in het nu aanbrekende tijdperk van de Waterman dankzij een nieuwe goddelijke geestesimpuls de verloren en bedolven innerlijke krachten van zijn gemoed zal heroveren. Verrijkt met de verworven krachten van het intellect zal zij een ‘denken met het hart’ bereiken, dat de ‘hemel’ (de goddelijke geest in de mens) weer met de ‘aarde’ (zijn verstandsdenken) zal verbinden. Geloof en kennis, religie en wetenschap zullen opnieuw de priesterlijk-koninklijke eenheid vormen, die het kenmerkend teken van de geestelijke werelden is.

De grote kosmische openbaringen van Jakob Lorber lopen nu al op dit nieuwe ontwaken vooruit. Wat daarvan in dit boek geschetst kon worden, is slechts een fractie van het totale geestelijk bezit van de begenadigde ziener, in wiens geschriften waarheid en werkelijkheid elkaar de hand reiken. Moge hetgeen hier gegeven is de lezer aansporen om naar de rest van de schatten te grijpen en door de overvloed aan nieuwe inzichten zijn wereldbeeld van de geest te verbreden en verdiepen.

De uitgever.