Petrus’ rijke wereldse vriend

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Een rijke man uit Kapernaüm riep Petrus bij zich. Deze kocht vroeger altijd vis bij Petrus en ondersteunde zijn huis financieel. In het gesprek met Petrus verwijt hij hem, dat hij al geruime tijd zijn huis en familie verwaarloost en dat hij voor niets met de profeet uit Nazareth rondtrekt. Ik hield hem bijna voor een gezalfde profeet, maar af en toe vind ik hem een dwaas, vooral zijn toespraak in deze school van Kapernaüm. Petrus antwoordt daarop wat geprikkeld en zegt, dat hij voor deze bewering eerst goed zijn Meester moet kennen om een deugdelijk oordeel te vellen. Ik ben nu al meer dan een jaar voortdurend bij Hem en weet meer dan jij weten kunt. Ik ben niet op mijn achterhoofd gevallen en ken de Schrift, daarom kan ik veel grondig beoordelen.

 

Zijn toespraak van gisteren was vol innerlijk leven en goddelijke geest. Dat velen Hem niet begrijpen ligt niet aan Hem. Kijk nu eens naar de zee, hoe deze tiert en raast en zie verderop langs de oever, waar geen golfje te bekennen is. Dat komt alleen door Zijn wil. De Heer heeft publiekelijk gisteren nog gezegd, Wie Hij is. Waarom heb je Hem dan niet geloofd en ben je niet op je knieën voor Hem gebogen? Ik weet en zie wie Hij is. Daarom blijf ik bij Hem en alleen door Hem zal ik het eeuwige leven oogsten. Hij is de beloofde Messias en dit is in overeenstemming met alle profeten van de Schrift. Ik beschouw het als de hoogste eer om door Hem Zelf als leerling geroepen te zijn.

 

Nooit ben ik iets te kort gekomen, vraag het mijn huisgenoten. Hij geeft ons te eten door Zijn wil. Hij alleen zorgt er voor, dat de hele aardbodem bebouwd wordt. O vriend, wat ben je toch blind! Van jou heb ik geen lesje nodig. Ik heb genoeg aan de lessen van de Ene. Als je een verstandig mens bent, dan zou je toch minstens gevraagd hebben, wat mijn Meester leert en doet. In tegenstelling van wat jij over ons zegt, houden wij niemand van jullie dom en lichtzinnig. Maar jullie doen dat wel en je houdt ons voor werkschuwe leeglopers en lichtzinnige avonturiers. Daartoe geven wij toch de minste aanleiding.

 

De oude vriend zegt dan, dat het niet zijn schuld is, dat Petrus de Heer beter kent. Hij beoordeelt zijn Meester naar datgene wat hij over Hem weet. Het zou beter zijn voortaan met wat gematigde woorden op mijn vergissing te wijzen. Ik vind echter, zei de rijke, dat je overal met liefde en geduld bij de mensen meer uitricht, dan met de ernst, die je nu zonder noodzaak tegenover mij hebt laten zien. Petrus, die nu wat verlegen wordt, zegt, dat zijn oude vriend op zijn manier gelijk heeft. Maar om mij nu voor een lichtzinnig mens uit te maken, omdat ik mijn huis, beroep en gezin heb verlaten en de Heilige van God uit Nazareth ben gevolgd, was van jouw kant niet netjes. Het ontbreekt je aan geestelijke kracht om de diepste geheimen van God te begrijpen. Je verwerpt toch ook niet het Hooglied van Salomo, ofschoon geen van ons beiden daarvan iets begrijpen. Dit lied waardeert men alleen nog maar vanwege zijn ouderdom. Maar onze Heer verricht meer daden waarvan Salomo nooit heeft kunnen dromen. Terecht wond ik mij op tegenover jou. Ik moest je echter aantonen, dat ik en de andere broeders, door alles te verlaten en Hem te volgen, geen arbeidsschuwe dwazen zijn. Dit zeg ik je als oude vriend. In deze man, die jullie een profeet uit Nazareth noemen, woont de volledige Godheid.

 

Nu zei de rijke burger: ‘Wees toch nuchter en bedenk, dat er nog nooit iemand uit de hemel op aarde is gekomen. Hoe konden wij weten, dat achter de timmermanszoon nu opeens de volledige Godheid moet schuilen. Wij kennen hem al vanaf dat hij kind is. Hij heeft nooit ook maar in het minst laten merken, dat hij iets meer was dan een heel gewoon stil, vlijtig en welgemanierd mens. Nooit heeft hij een school bezocht en is ook nooit in het buitenland geweest om daar iets te leren. En zo sprak deze rijkaard verder en wist Petrus nog heel wat over Jezus te vertellen. Tenslotte zei Petrus, dat hij niet zal aarzelen een oude vriend de volle waarheid te zeggen. Zo wens ik je nu verder een genoeglijke voortzetting in de naam van mijn Heer en zuiver goddelijke Meester. Ik moet nu naar Hem toe, in de kamer hiernaast, want ik heb Zijn stem binnen in mij gehoord. (GJE6-58)

 

Het wezen van de wereldse mens

Petrus werd door Jezus om speciale reden van zijn oude vriend weggeroepen. Toen hij binnenkwam zei hij, dat hij Hem in zijn binnenste had horen roepen. Voor mij geldt altijd boven alles Uw heilige wil, zei hij. Je hebt genoeg tegen deze zonderlinge oude rijke man gezegd, zegt Jezus. Maar in je eigen vaderland is het moeilijk mensen tot zuivere waarheid te brengen. Iemand die twijfelt aan de persoon van de leraar, twijfelt ook aan zijn leer. Mensen met wonderen of buitengewone tekenen tot een bepaald geloof dwingen, is een beroving van zijn ziel en wilsvrijheid. Mochten er van deze mensen toch nog enkelen zijn, die naar Mij vragen, vertel hen dan niet te veel over Mijn wonderen, maar geef hen slechts aanduidingen en vertel wat nodig is om het eeuwige leven te verkrijgen. Zijn ze daarmee niet tevreden, laat ze gaan. Want het is niet goed om edele parels als voer voor de zwijnen te gooien, zegt Jezus.

 

Er zijn mensen die in geestelijke gesprekken getroost worden. Maar als ze weer opgeslokt worden door wereldse zaken, denken ze niet meer terug aan de geestelijke troostwoorden, die ze ontvingen. Dus, waarom was die dan goed voor? Zo ging het ook met jou in gesprek met je oude vriend, Mijn Simon Juda, zegt Jezus. Nu onderhandelt hij over een zeer voordelige aankoop en hij is jouw goede gesprek allang weer vergeten. Als deze man gewild had met Mij te willen praten, dan was Ik er voor hem geweest, maar de koopman uit Kana is hem nu veel belangrijker. Wees gerust, hij zal het met jou niet meer over Mij hebben. Zulke mensen zijn nog lang niet geschikt voor het Rijk van God. Als jullie later als volleerde leerlingen in Mijn naam de mensen Mijn leer verkondigen, let er dan op of men je goed zal ontvangen. Blijf daar en geef deze mensen lessen en doop hen zoals Johannes dat deed. Ik zal hen dan dopen met Mijn geest van boven. Maar als men je niet opneemt, schud dan het stof van je voeten, dat wil zeggen, ontdoe je van hun woorden, opdat niets van zulke wereldse mensen aan je blijft kleven.

 

Mijn Rijk is niet van deze wereld. Het moet geschapen worden door het leren kennen en nakomen van Mijn woord in het innerlijke van de mens. Het scheppen van de innerlijke levens en dus tevens de hemelwerelden blijft moeilijk, zolang aan een mens nog enige wereldse zin kleeft. De wereldse mens heeft beleefde, uiterlijk vriendelijke en passende woorden. Veel van zulke mensen bevatten niet de ernst van de waarheid. Ze zijn te vergelijken met waardeloos stof, dat ook geen wandelaar iets nuttigs kan opleveren. Ja, het kan hen zelfs schaden, de stof die hun ogen doen verblinden. De vele lege woorden van mensen vertroebelt de innerlijke blik en kan verstikkend inwerken op het zielenleven. Het vertraagt ook hun geestelijke vooruitgang. Zolang er nog een werelds atoom aan de ziel kleeft, kan zij niet volledig Mijn Rijk binnengaan. Al het wereldse is gif voor de ziel. Een druppel gif kan het lichaam doden en een atoom wereldsheid doodt de ziel. Petrus zegt, dat het dan niet gemakkelijk zal zijn om Zijn woord aan de andere mensen te verkondigen. Zijn oude vriend is goedaardig en doet goed voor arme mensen.

 

Dan herinnert Jezus hem aan de rijke jongeman, die eens vroeg, wat hij dan moest doen om het eeuwige leven te bereiken. Toen Jezus hem zei, dat hij al zijn bezit moest verdelen en aan de armen geven en vervolgens Hem te volgen, zou hij daardoor een grote schat in het hemelrijk verwerven. Daarop werd hij treurig en zonderde zich af. Zouden wij de jongeman aangepraat hebben om toch maar te doen, wat hem gezegd werd, zou dat niets opgeleverd hebben. Dan zou hij vele wereldse tegenargumenten ons voorgehouden hebben en hadden we tenslotte tevergeefs moeite gedaan. We gingen toen maar snel verder en al gauw kwam er een betere gelegenheid. Predik dus niet bij mensen, die er niet rijp voor zijn, want het zal bij hen geen wortel schieten.

 

Petrus, je hebt die man behoorlijk de waarheid gezegd, alsof je Mij de woorden uit de mond genomen had, maar het heeft geen uitwerking op hem gehad. Deze man is rijk en daarop teert hij. Zo zijn er zovele net als wroetende zwijnen. Zulke mensen moet je Mijn parels niet voorwerpen. Je oude vriend blijft weliswaar goed gehumeurd, maar alleen zolang zijn geldzaken goed gaat. Gaan de geldzaken minder goed en je spreekt dan bij hem over geestelijke zaken, dan zal hij je onmiddellijk de deur wijzen. Je kunt hem vergelijken met een goed gemanierde vriendelijke man, net als een mooi gesierde grafsteen aan de buitenkant, maar van binnen is er veel dode drek en verpestende lucht. Ook had de rijke geen oog voor het wonder van de golven en het rustige deel. Wel dacht hij, dat jij nog eens getroffen zult worden door het gericht van je lege maag. Hij had geen oor voor je opmerking, dat hij als ongelovige getroffen kan worden door Mijn gericht. Dan zegt Petrus, dat hij liever een varkenshoeder is bij een Griek, dan een prediker voor zulke mensen. Nu begrijp ik wel Uw toorn vorig jaar in de tempel. Dit gebroed is nog slechter dan de meeste jaloerse Farizeeër. Het is goed, dat U mij daarop gewezen hebt. (GJE6-59)

 

Geestelijke onverschilligheid van kooplieden

Nu verlaat Jezus met Zijn leerlingen de herberg. Hierbij passeren zij een grote groep gasten. De waard werd steeds door hen aangeklampt en hij verontschuldigde zich, dat hij het druk had met zijn bezoekers. Jezus zegt, dat hij zich daarover niet druk moet maken. Wie met zijn hart bij Hem is, kan rustig zijn dagelijkse werk doen en hierbij schenkt hij de Heer de volle waarachtige aandacht. We zullen een paar uur buiten blijven, zegt Jezus. Hij zal dan een zware regenbui met onweer oproepen, om de hinderlijke kooplieden uit het huis te jagen. Deze zullen in alle haast, bang voor het onweer, naar de stad teruggaan. Pas maar op, dat er geen een zonder te betalen de benen neemt, zegt Jezus tegen de waard. De herbergier bedankt Jezus voor dit advies en heel speciaal voor het beloofde onweer.

 

Buiten vraagt Jezus aan Petrus of hij zijn oude vriend nog gezien heeft. Petrus zegt dan verontwaardigd, dat dit toch wel het toppunt is, dat zulke mensen hen geen blik waardig keuren. Zulke domme en onverschillige mensen ben ik nog nooit tegengekomen. Als wij vandaag in een kudde varkens terechtkomen, dan zullen deze dieren ons beslist bekijken en tegen ons knorren. Maar voor deze mensen zijn wij lucht, alsof we niet bestaan. O slechte, dove stekeblinde wereld! O Heer, laat alsjeblief een ontzettend onweer met talloze bliksemschichten boven hun hoofden losbreken, zodat ze hun meer dan stoïcijnse kalmte verliezen. Ja, waarlijk, dit zijn echt die zwijnen die men Uw levensparels niet voor moet werpen.

 

Dan zegt Jezus, dat Hij dit van tevoren heeft gezegd, hoe het er met deze kooplieden voorstaat. Zij kennen alleen hun waar en geld. Wie dat bij hen niet heeft is ook geen mens en wordt vergeleken met een slaaf. Velen onder hen bedrijven heimelijk slavenhandel. Jouw oude vriend is één van de grootste onder hen. Wat vind je ervan, als een Jood zoiets doet? Petrus zegt, die moet gestenigd worden. Petrus begrijpt dan niet zo goed, hoe de Heer de misdaden van deze walgelijke mensen met zoveel geduld en lankmoedigheid kan aanzien. Het is immers nog erger dan in Sodom en Gomorra. Als de heidenen zoiets doen, zijn zij te verontschuldigen, - maar een Jood nooit ofte nimmer!’ (GJE6-60)  - Opmerking: dan verklaart de Heer naar aanleiding van dit voorval in hoofdstuk 61 van deel 6 van het grote Johannes Evangelie, waarom soms reïncarnatie nodig is en dat de aarde als school bedoeld is voor Zijn kinderen.

 

De grote zeeslang

Tijdens de hevige storm zien zij een enorm groot monster, dat op rooftocht uitgaat. Jezus zegt,  dat dit zeedier zich altijd in de diepste zee bevindt. Als zij genoeg gegeten heeft ligt zij weken op de bodem van de zee. Maar als ze te weinig voedsel in het water vindt om haar honger te stillen, kruipt ze tegen de oever en verslindt daar allerlei dieren, zoals lammeren, geiten, varkens en jonge ezels. In de buurt van schepen is dit monster zeer gevaarlijk, want ze verslindt ook mensen. Petrus zegt, dat hij dit grote dier ooit één keer heeft gezien. Hij dacht te doen hebben met een reusachtige aal en wilde het beest vangen, maar deze ontweek hen. Jezus zegt, dat dit in de huidige omstandigheden vrijwel onmogelijk is. De zeeslang is zeer sluw en erg snel. Het beste zeilschip kan haar niet inhalen. Bovendien is zij ongelofelijk sterk. Ze kunnen de vijand ogenblikkelijk platdrukken, als zij zich in het nauw gedreven voelen. Van deze dieren bestaan er nog twee in dit meer. Ze zijn erg oud en behoren tot het voorwereldlijke dierentijdperk en ze hebben nu de leeftijd van Noach, dat wil zeggen, vanaf zijn tijd tot nu toe. Ze behoren in de grote oceaan thuis, maar tijdens de zondvloed van Noach zijn ze in deze binnenzee terecht gekomen en ze zullen nog een paar honderd jaar hier blijven leven.

 

In deze reuzendieren verzamelt zich de allerruwste levensstof van wereldse zielen. Deze worden in deze vis verzacht en rijper gemaakt voor een hoger bestemd leven. Als het dier sterft gaat al zijn verzamelde leven over in zeer hogere levensvormen. Die bereiken dan in korte tijd een grotere levensrijpheid, bijv. als een hogere vis in de zee, een vogel in de lucht of één of ander dier op aarde. Dat gaat dan zo door tot de menselijke fase is bereikt. Maar de mensenzielen die zich via deze weg ontwikkeld hebben, staan op een lagere trap. Zij worden door de oude wijzen nog ‘kinderen van slangen en draken’’ genoemd. Dat zijn kinderen van deze wereld, die op hun manier erg knap, rijk en machtig zijn. Maar ze zijn nog lang niet geschikt om het hogere geestelijke leven op te nemen. Onze kooplieden in Kapernaüm hebben precies dezelfde geestelijke afkomst. Zij gaan met hun handel op rooftocht uit. Ze bezitten nog zeer veel van de vraatzuchtige natuur van zo’n zeeslang. Als het dier dan dood is, wordt hem alles afgenomen en onder hogere levensvormen verdeeld. Op deze manier wordt ook na de lichamelijke dood van zulke rijke zelfzuchtige zonderlingen alles afgenomen. Zij zullen aan gene zijde door grote armoede, honger en dorst gelouterd moeten worden van hun oude slangennaturen. (GJE6-62)

www.zelfbeschouwing.info