Kindschap van God

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Het geestelijk bestaan blijft voortdurend zeer sterk gebonden in de oergeest van de eeuwige en oneindige Godheid. De Godheid Zelf heeft de materie geplaatst tussen Zichzelf en de geest, die mens moet worden, opdat de oorspronkelijk goddelijke mensengeest, als hij een godgelijke zelfstandigheid wil bereiken, uit de meer etherische delen van de ziel een op hemzelf gelijkend wezen maakt. Vervolgens dit met een substantiële, maar toch ook geestelijk intelligente ziel tot leven brengt, en zijn ziel dan ongemerkt verder ontwikkelt in de grootst mogelijke vrijheid van haar wil. En wanneer deze ziel dan in alle goede kennis en de werkzaamheid die het gevolg daarvan is, zo zeer is gegroeid, dat zij op haar oergoddelijke geest is gaan lijken, -hoofdzakelijk door de ware kennis van de enig ware, eeuwige God, in de liefde tot Hem en daardoor ook tot de naaste -en daarbij vol deemoed, geduld en bescheidenheid is, dan vindt er een voor alle eeuwigheden onscheidbare eenwording plaats van de ziel met haar oereeuwige geest.

 

Het lichaam is het huis van de ziel en de geest in haar is door God daar­aan toegevoegd opdat die de ziel onderwijst en wekt in alles wat geestelijk is, en het haar ook mogelijk maakt, ermee in contact te treden. Maar hoe kan de geest dat doen, als de ziel in het volledige bezit van haar vrije wil zich meestal buiten het huis bevindt en zich verkwikt en laaft aan het wereldse licht? Daardoor wordt ze zo verblind en verdoofd, dat ze dan niets meer ziet en gewaarwordt van wat er in haar huis gebeurt. De Heer zegt: “Wie Mij niet net als jij (iemand die slechts op Jezus is gericht zonder rekening te houden met de anderen!) heel jaloers liefheeft en Mij in zijn hart niet bijna zonder mededinging alleen wil bezitten, die bezit nog geen echte liefde tot Mij!

 

Als hij die niet heeft, dan bezit hij ook niet de volheid des levens; want in de mens ben Ik het werkelijke leven door de liefde tot Mij in zijn ziel, en deze liefde is Mijn geest in iedere mens. Wie dus de liefde tot Mij opwekt, die wekt zijn door Mij aan hem gegeven geest, en omdat Ik Zelf deze geest ben en moet zijn, omdat er in eeuwigheid geen andere levensgeest buiten Mij bestaat, wekt hij daardoor dus Mij Zelf in hem en is daardoor in het eeuwige leven helemaal ingeboren en kan dan voortaan in der eeuwigheid nooit sterven en nooit vernietigd worden -ook niet door Mijn almacht, omdat hij een is met Mij. Ik kan Mij Zelf ook niet vernietigen omdat Mijn oneindige bestaan zich in der eeuwigheid nooit in het niet-bestaan kan veranderen.

 

Denk daarom dus niet dat jouw liefde tot Mij dom is, maar zij is juist zoals zij zijn moet! Volhard daarin, dan zul je eeuwig geen dood voelen of smaken!" Maar in de ziel woont al de zuivere vonk van de Geest van God, waaruit de ware zelfkennis en de goddelijke orde zich kenbaar maken door de stem van het geweten. De geestelijke levensvonk van God is vooral sterk en aan god gelijkend aanwezig in de mens; daarom is hij dan ook met rede begaafd en kan hij verstandig worden, een taal heeft en aanvankelijk een vermoeden kan hebben van God als zijn Schepper en Hem later steeds zuiverder kan leren kennen en liefhebben, en zijn eigen wil volledig ondergeschikt kan maken aan het erkende goddelijke. De levende geest in de mens is Mijn eeuwige liefde en wijsheid, die alles schept, ordent en in stand houdt; en deze geest is eigenlijk de ware en in zich­zelf reeds eeuwige mens in de mens, die om zelfstandig te kunnen worden, zichzelf echter volgens Mijn eeuwige orde in hem pas mettertijd met een ziel en een lichaam bekleedt en zo een uiterlijk waarneembare vorm aanneemt”.

 

“Deze geest rust weliswaar in het binnenste centrum van jullie ziel, maar hij is daar nog helemaal geïsoleerd van de algemene geest, omdat hij door jullie te geringe liefde tot God ook een veel te geringe voeding krijgt. Daardoor kan de geest zich niet in de ziel uitbreiden en haar doordringen en zich zo door jullie hele wezen uitbreiden, dat wil zeggen niet ruimtelijk, maar in de sfeer van de wil, die in hem evengoed aanwezig is als in God Zelf, door Wie hij als een onverwoestbaar levensvonkje in het hart van de ziel werd gelegd. De geest uit God woont in het binnenste centrum van onze ziel; daar is het nog gescheiden van de algemene Goddelijke Geest, omdat hij door de te geringe liefde tot God te weinig voeding heeft - de ziel wil zelf haar wil volledig ondergeschikt maken aan de erkende wil van God en laat zich vrijwillig helemaal door hem beheersen.

 

Is het zo, dat een ziel zich als het ware van buiten af door de herkende en nauwkeurig opgevolgde wil van God tot in haar binnenste laat door­dringen, dan wekt deze de geest uit God, die in het binnenste van de ziel rust en sluimert. Deze verenigt zich dan terstond met de aan hem gelijke geestwil, die de hele ziel doordrongen heeft en die de eigenlijke geest van God is, en is dan in alles één met hem, zoals God dat - maar dan in een veel hogere graad -ook is en blijft, als het ware zoals het ene oog één is met het andere, hoewel bij een mens ook het ene oog altijd scherper en gemakkelijker ziet dan het andere.

 

De geest echter van wie Ik zeg dat hij jullie geest is, is ook Mijn geest in jullie en deze kent alle dingen en verhoudingen zoals Ikzelf en kan jullie alle wijsheid binnenleiden. Maar nu is hij in jullie nog niet gewekt en volledig werkzaam, dat wil zeggen, dat hij weliswaar op zichzelf wel wakker en werkzaam is, maar zijn waken en werken is voor jullie, ofschoon het voor jullie bestemd is, nog als iets vreemds en iets wat je nog niet eigen is, omdat jullie ziel nog niet zuiver genoeg is om zich volledig met Mijn geest te verenigen. In de geest ofwel de eeuwige essentie woont de liefde, als de alles tot stand brengende kracht, de hoogste intelligentie en levende vaste wil. Hij brengt dat alles bij elkaar met de substantie van de ziel voort en geeft haar de vorm ofwel het wezen van het lichaam. Als de ziel of de mens er dus eenmaal is, overeenkomstig de wil en de intelligentie van de geest, trekt de geest zich diep in het centrum terug en geeft de nu bestaande ziel volgens zijn diepste innerlijke wil en intelligentie aan een als van hem gescheiden vrije wil en een vrije als het ware zelfstandige intelligentie; en de ziel kan dan deels door uiterlijke waarne­mingszintuigen en deels door een innerlijk opnemingsvermogen zich deze zo toe-eigenen en vervolmaken als zou deze volkomen vrije intelligentie haar eigen werk zijn.

 

Ten gevolge van deze noodzakelijkerwijs zo gevormde toestand, waarin ze zich als het ware gescheiden voelt van haar geest, is de ziel in staat om zowel een uiterlijke als een innerlijke openbaring te ontvangen. Als ze die ontvangt, aanneemt en ernaar handelt, begint ze daardoor ook één te worden met haar geest en gaat daardoor dan ook steeds meer in de onbeperkte vrijheid van de geest over, zowel ten aanzien van de intelli­gentie en de wilsvrijheid overeenkomstig die lichtende intelligentie, alsook in de kracht en de macht om alles te kunnen bewerkstelligen wat ze erkent en wil. Elk mens die hier wordt geboren, krijgt een geest uit Mij en kan ontegenzeggelijk volgens de voorgeschreven ordening het volko­men kindschap van God verkrijgen. Op de andere hemellichamen echter krijgen de mensen geesten van de engelen (opmerking: de geestgesteldheden van de engelen).

 

Want elke engel is een kind Gods en moet op deze Aarde, net zoals Ikzelf en zoals elke aartsengel, de weg van het vlees doormaken, waardoor hij dan ook de scheppende kracht in zich heeft, die hij uit de overvloed van zijn liefde en licht kan nemen en dan in de nieuw wordende mensen van andere planeten kan leggen en waardoor hij op deze manier als een God kinderen kan verwekken, die zijn naam dragen. Deze kinderen zijn derhalve slechts secundaire kinderen en geen werkelijke kinderen uit God, maar ze kunnen wel, op de weg van een nieuwe incarnatie op deze Aarde, tot het kindschap van God komen. De geest in de mens is een God in de kleinste maat, is volledig uit het hart van God – de geest is niet deelbaar, maar waar hij in een grote of kleine ziel gelegd werd, daar blijft hij ook een eenheid.

 

Nadat de geest in het hart van de ziel is gelegd, bij sommige kinderen vroeger, bij anderen weer later gebeurt, vaak ook drie dagen voor de geboorte, komt het lichaam sneller tot rijpheid en de geboorte kan plaats vinden. In deze tijd moet de moeder zich in het bijzonder van alle begeerten en prikkels onthouden, want die zijn meestal van de hel afkomstig, en overal waar de moeder zich in een dergelijke geprikkel­de toestand dan bezeert, daar wordt als tegenovergestelde pool de in de ziel gelegde geest geprikkeld en dit tekent de ziel op de overeen­komstige plaats. Deze tekening van de ziel drukt zich dan ook op het lichaam af, daar komen bij kinderen de zogenaamde moedervlekken vandaan.

 

Dat zo'n teken slechts plaatselijk is en maar een heel kleine plek en niet op de hele ziel en daarna op het hele lichaam inwerkt, dat bewerken de geesten. Zou dat niet het geval zijn, dan kon door zo'n onvoorzichtige aanraking en de daarop volgende algehele brandmer­king van de hel de hele ziel bedorven worden en kon daarop de dood van het lichaam volgen en dat is juist de bedoeling van de hel. Daarom moet iedereen zich enigszins in acht nemen voor dergelijke mensen die veel en grote moedervlekken op hun lichaam hebben zoals hierboven beschreven werd. Want niet zelden worden de specifica van de hel meer of minder in zo'n wezen gewekt en zijn ze eenmaal gewekt dan is zo'n individu, dat veel van dergelijke grote tekenen op zijn lichaam draagt, niet zelden op een of andere ma­nier boosaardig. Of zulke mensen geloven dan niets of ze zijn aan on­tucht overgeleverd of hebben een slechte reputatie en de volgende waarschuwing geldt hier: "Neem je in acht voor de getekenden!"

 

Want de hel tekent alles wat ze geeft, zodat het haar niet kan worden afgenomen, opdat ze hetgeen haar toebehoort weer na afloop van de vastgestelde tijd herkent om het rechtens terug te nemen. En zoals een mensenziel uit vele volkszielen samengevoegd wordt, zo gaat het ook met haar bijbehorende geest, die de eigenlijke verwekker (dat wat opwekt), verdere begeleider, ontwikkelaar en instandhou­der van de zielen is tot aan de menselijke ziel toe, die daarna pas volledig haar sfeer van vrijheid binnentreedt en in staat is zichzelf in moreel opzicht verder te ontwikkelen. Pas wanneer de ziel zich door zichzelf tot een bepaalde graad van geeste­lijke volmaaktheid heeft verheven, verenigt zich haar licht­ en liefdesgeest van gene zijde met haar, en vanaf dat moment begint de mens in alles steeds meer op God te lijken; en als het lichaam dan van de ziel wordt weggenomen, is ze al een geheel op God gelijkend wezen en kan ze vanuit zichzelf alles tot bestaan roepen en ook door haar wijsheid in stand houden.

 

Als de geest in je ontwaakt, zul je zijn stem waarnemen als heldere gedachten in je hart. Daar moet je goed naar luisteren en je in je gehele levenssfeer naar richten, dan zul je daardoor je eigen geest een steeds groter werkgebied verschaffen; zo zal de geest in je groeien tot de grootte van een man en je gehele ziel doordringen en daardoor je gehele materiële wezen. De geest in de mens is uit God, en als die heer is geworden in de mens, leert hij de ziel in een uur veel meer dan je op Aarde zelfs van de meest wijze leraren in duizend jaar zou kunnen leren. . bron: GJE1-2 [6], 1-[18], 58 [6], 79, 2-132, 169 [3-7], 210, 218 en 3, 4 [26], 2-104, 3-12, 16 [3], 25 [11], 31 [3-7], 2-218, 219, 225 en jeugd van Jezus, hfdst.54

www.zelfbeschouwing.info