Kapernaüm en omgeving

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Vroeger een heidens en belangrijk handelsstadje, gelegen op de grens van de provincie Zebulon en Naftali aan het meer van Galilea, niet ver van de plaats, waar Johannes de Doper aan de overzijde van de Jordaan doopte in de omgeving van Bethabara (GJE 1-12-1)

Meer van Galilea

Een vroege ochtend bij Kapernaum

 

De Heer: ‘Toen Ik van Kapérnaum terug naar Nazareth ging, en de overste met zijn vrouwen al zijn kinderen en veel van Zijn vrienden Mij begeleidden, kwamen wij heel rustig wandelend langs een plaats, waar een aantal wegen elkaar kruisten. Op deze plaats zaten de beide blinden gewoonlijk te bedelen. GJE1-129

 

Toen Ik na een paar uur thuis aangekomen was, wat die twee al vlug merkten, smeekten ze de dicht bijzijnde zienden of ze hen bij Mij wilden brengen. En Mijn leerlingen brachten hen toen dadelijk bij Mij in huis. GJE1-130 [3]

Nadat Ik het uitbeelden van het hemelrijk beëindigd had (Matth. 13,53) en de Sicharieten weer weg liet gaan, en ook van Kisjonah, die ditmaal op Mijn aanraden thuis bleef en Faustus niet vergezelde, afscheid genomen had, met de belofte hem binnenkort weer op te zoeken, gingen we dan om twee uur voor de middag op een groot schip. Wij voeren met Faustus, die met zijn jonge vrouw op Mijn schip meeging, naar de omgeving van Kapérnaum. Daar bevond zich de normale landingsplaats voor deze stad en voor Nazareth, dat zoals bekend, niet zo ver van Kapérnaum verwijderd lag. GJE2-11 [5]

 

De wachter, die zelf een snelle ezel heeft, toomt en zadelt het dier zo vlug mogelijk, haast zich daarmee naar Kapérnaum en brengt daar aan de vrouw van Jaïrus de boodschap over. De bedroefde vrouw staat vlug op en volgt de bode. De ezels lopen snel en in een klein uur zijn beiden in Nazareth in het huis van Maria, mijn lichamelijke moeder, die nu weer opgeruimd en blij is, omdat zij het oude huisje van Jozef teruggekregen heeft. Als de vrouw van Jaïrus de kamer binnenkomt, waar wij juist bezig zijn met een goed avondmaal, dat ditmaal door vriend Borus verzorgd werd, ziet zij dadelijk haar Sarah, die naast Mij heel vrolijk en monter en blakend van gezondheid, met veel eetlust een heerlijke vis zonder graat, toebereid met zout, olie en wat wijnazijn, zit op te peuzelen. GJE2-13 [6]

Bijna iedereen aan Mijn tafel is met stomheid geslagen, en CYRENIUS zegt: "Hoe is dat nu mogelijk? Die twee kunnen toch maar nauwelijks vijfhonderd passen afgelegd hebben - naar Kapérnaum is hiervandaan bijna twee uur lopen -, en ze zijn nu al weer terug! Ach, dat overtreft toch wel alles wat een arm mens op deze aarde ooit kan beleven!"

 

Toen Lydia, liefdevol door de verbaasde Faustus ontvangen, naar onze tafel gebracht werd, vroeg Cyrenius haar meteen: "Maar liefste Lydia, hoe kwam je nu toch zo vlug van Kapérnaum hierheen?! Was je soms al onderweg?" GJE2-37 [16,17]

Zelf heb ik gisteren en ook al vandaag op een afstand in 't geheim geobserveerd wat er allemaal in en buiten het huis van de oude Jozef is gebeurd. Ik zeg je: alleen maar wonderen en nog eens wonderen! Twee zichtbare volmaakt levende engelen dienen hem! De vrouw van Faustus was in Kapérnaum en de timmerman wilde haar bij de ochtendmaaltijd hebben, maar het zou wel bijna vier uur gekost hebben om haar van Kapérnaum naar Nazareth te brengen. Maar wat gebeurt er? De tim­merman wenkt de twee engelen. Die verdwijnen slechts enige ogenblikken en verplaatsen heel blijmoedig de mooie Lydia, de vrouw van Faustus, naar Nazareth! - Wat zeggen jullie daarvan? Dat gaat toch duidelijk boven ons verstand?!" GJE2-53 [2]

Lydia, vrouw van opperrechter Faustus

Lydia was de jonge vrouw van de opperrechter Faustus - zij werd voor het oog van Faustus en Cyrenius door twee beeldschone engelen uit Kapernaüm naar Nazareth opgehaald - een afstand waar je normaliter twee uur te voet over doet. bron: GJE2-37

 

Het lager gelegen Kapérnaum was toentertijd een tamelijk belangrijke handelsstad, die gelegen was op de grens van de provincies Zebulon en Naftali aan de Galilese zee. Het lag ook niet ver van de plaats waar Johannes aan de overzijde van de Jordaan in de omgeving van Bethabara doopte, zolang deze vaak geheel droogstaande rivier voldoende water had.

 

'Het land Zebulon en het land Naftali, aan de weg langs de zee aan de overzijde van de Jordaan, en het heidense Galiléa, dit volk, dat in duisternis was, heeft een groot licht gezien en voor allen, die daar in de schaduw van de dood zaten, is een geweldig licht verschenen.' - Als men dat in Jesaja gevonden heeft, en weet dat Ik datgene, wat in de Schrift staat, van A tot Z waar moet maken, dan begrijpt men ook waarom Ik van Nazareth naar Kapérnaum gegaan ben. In Kapérnaum bleef Ik maar kort, omdat daar vrijwel geen geloof en nog minder liefde te vinden was, want het was een plaats waar veel handel gedreven werd. Waar men bezeten wordt door de handelsgeest daar hebben geloof en liefde afgedaan en waar zijn, daar kan Ik weinig of niets doen. (bron: GJE1-12:1,5)

 

Vroeger een heidens en belangrijk handelsstadje, gelegen op de grens van de provincie Zebulon en Naftali aan het meer van Galilea, niet ver van de plaats, waar Johannes de Doper aan de overzijde van de Jordaan doopte in de omgeving van Bethabara (GJE 1-12-1) - Kapernaum was een goddeloze stad volgens Matth.11:23 en Micha 1:5,6 - De normale landingsplaats voor Kapernaum en voor Nazareth - niet zo ver van Kapernaum verwijderd.

We zijn nu inmiddels voor de muren van Kapernaüm gekomen en Ik zie door de stadspoort een Romeinse hoofdman ons tegemoet snellen, vergezeld van de overste Cornelius en zijn koninklijk familielid.  GJE1-96

 

Zeven dagen na de bruiloft verliet Ik Nazareth en trok met Maria, Mijn vijf broers, waarvan er twee tot Mijn leerlingen behoorden, en met de tot dat tijdstip opgenomen leerlingen naar het lager gelegen Kapérnaum. Dat was toentertijd een tamelijk belangrijke handelsstad, die gelegen was op de grens van de provincies Zebulon en Naftali aan de Galilese zee. Het lag ook niet ver van de plaats waar Johannes aan de overzijde van de Jordaan in de omgeving van Bethabara doopte, zolang deze vaak geheel droogstaande rivier voldoende water had.

 

Men kan zich hierbij afvragen, wat Ik in deze bijna geheel heidens geworden stad te zoeken had. - Daarvoor moet men dan de profeet Jesaja 9 vers 1 en verder lezen; daar vindt men dan het volgende: 'Het land Zebulon en het land Naftali, aan de weg langs de zee aan de overzijde van de Jordaan, en het heidense Galiléa, dit volk, dat in duisternis was, heeft een groot licht gezien en voor allen, die daar in de schaduw van de dood zaten, is een geweldig licht verschenen.'

 

Als men dat in Jesaja gevonden heeft, en weet dat Ik datgene, wat in de Schrift staat, van A tot Z waar moet maken, dan begrijpt men ook waarom Ik van Nazareth naar Kapérnaum gegaan ben. Tevens moest Ik in deze streek nog twee leerlingen, met name Jacobus en Johannes, zonen van Zebedéus, opnemen. Zij waren ook vissers en visten in de Galilese zee, niet ver van de monding van de Jordaan en ook niet ver van de visplaats van Petrus en Andréas, die beiden ook in de zee mochten vissen. Velen geloofden, maar nog meer ergerden zich en wilden Mij grijpen en van een berg in zee gooien.

 

In Kapérnaum bleef Ik maar kort, omdat daar vrijwel geen geloof en nog minder liefde te vinden was, want het was een plaats waar veel handel gedreven werd. Waar men bezeten wordt door de handelsgeest daar hebben geloof en liefde afgedaan en waar zijn, daar kan Ik weinig of niets doen. (En het Joodse Paasfeest was nabij en Jezus ging op naar Jeruzalem. Joh. 2: 13) - GJE1-12 [1 en volgende]

 

We zijn nu inmiddels voor de muren van Kapérnaum gekomen, en Ik zie door de stadspoort een Romeins hoofdman ons tegemoet snellen, vergezeld van overste Cornelius en zijn koninklijk familielid, er moet weer een zieke genezen worden. GJE1-96 [9]

 

GJE1-101 [14] Petrus zegt nu verder niets meer en maakt toebereidselen om de vis te bergen. Omdat de avond echter valt, gaan wij naar huis, waar door de ijver van de gezond gemaakte schoondochter van Petrus een goed en rijkelijk avondmaal op ons wacht. Iedereen is nu opgewekt en blij; en Petrus zet de lofzang in en allen antwoorden eenstemmig in een wisselzang. Opm. Blijkbaar toch nog een afstand van een kwartier lopen? Vanaf het meer naar het huis van Petrus in Bethabara of Kapernaum? GJE1-96 [9]

 

Ik zeg: 'Maak het grote schip maar klaar, dan varen we helemaal naar de andere kant van het meer, anders beleven we hier een spektakel! (Matth. 8,18) Het volk heeft weliswaar de beste bedoelingen, maar het priesterdom zal ook achter het volk aangeslopen komen, en met hen willen wij voorlopig niets te doen hebben!'

Petrus maakte meteen het grootste schip klaar, al gauw gingen wij aan boord en roeiden het met de wind mee snel het meer op. GJE1-102 [16,17]

 

Maar Ik zeg: 'Waarom noemt u Mij goed?! Weet u dan niet, dat er buiten God niemand goed is?!' De Farizeeër zegt: 'Ik smeek u, wees toch niet zo streng tegen mij; want ik heb uw beproefde hulp nodig!” Ik zeg: 'Ga weg en houd Mij niet op; want Ik wil vanmiddag naar beneden aan het meer en daar op de visvangst gaan. Daar kunt u Mij vinden!' GJE1-110 [14]

 

Bij onze terugkomst aan de wal was daar zo'n menigte mensen, dat we nauwelijks verder konden komen, en het kostte ons wel drie uur om het huis van Jaïrus te bereiken, terwijl de doorsnee wandelaar dat anders toch zonder moeite in een uur kon lopen. (van het meer naar Kapernaum) - GJE1-111 [7]

 

Na deze woorden toonde iedereen zich uitermate verbaasd. En toen Ik weer verder ging met de leerlingen, kwam die hele massa volk, zo'n drieduizend mensen, Mij na en begeleidde Mij naar Nazareth. (opm. zo’n trektocht zou best wel langer geduurd kunnen hebben, waar je normaliter twee uur over deed, nu zeker toch wel meer dan drie uur…)

Hoewel het al tamelijk laat in de nacht was toen wij thuis kwamen, waren Maria en de broers en zusters nog op. Er wachtte ons een goed toebereid avondmaal, wat velen van ons goed van pas kwam; want omdat wij sinds die ochtend niets gegeten hadden, was het wel begrijpelijk dat ze een behoorlijke honger hadden. (opm. want vooraf vroeg Maria of zij het eten kon klaarmaken voor de middag en avond) [GJE1-114-7,8]

Ka-per'-na-um (Kapernaoum (Textus Receptus), Kapharnaoum (Codex Vaticanus, Codex Sinaiticus, Codex Bezae, enz.): ( Mattheüs 11:23 Lukas 10:15 ).  ( Mattheüs 04:13 ) De Heer maakte het belangrijkste centrum van Zijn activiteit tijdens een groot deel van Zijn openbare bediening. Dichtbij riep Hij de vissers om Hem te volgen (Marcus 1:16 ), en ook de tollenaar uit het tolhuis ( Mattheüs 09:09 , enz.). 

Het was het toneel van vele "machtige werken" ( Mattheüs 11:23 Marcus 01:34 ). Hier genas Jezus iemand; (Mattheüs 08:05 , enz.), de zoon van de edelman ( Johannes 4:46 ), Simon Peter’s schoondochter ( Marcus 1:31 , enz.), en de verlamde ( Mattheüs 9: 1 , enz.); Hij wierp de onreine geest uit ( Marcus 1:23 , enz.), en ook hier, waarschijnlijk, Hij wekte de dochter van Jaïrus tot leven ( Marcus 5:22 , enz.). In Kafarnaüm was het kleine kind als voorbeeld gebruikt om de discipelen nederigheid te leren, terwijl in de synagoge Jezus leerde over het brood des levens ( Johannes 6 ). 

Sommigen denken dat de woorden "Gij zult verhoogd worden," enz. ( Mattheüs 11:23 Lukas 10:15 ), betekenen dat Hij koning zou worden op een troon. Het was de buitensporige trots van de inwoners in hun stadje. Een douanestation, de woonplaats van een hoge officier; ( Mattheüs 09:09 Johannes 04:46, enz.). Het werd bezet door een detachement Romeinse soldaten, wier bevelhebber dacht, dat de goede wil van het volk het waard was om het veilig te stellen van het bouwen; vandaar de synagoge ( Mattheüs 08:05 Lukas 07:05 ). 

Het stond aan de zee ( Matteüs 04:13 ) en van John 6:17 (vergelijk Mattheüs 14:34 Marcus 6:53 ), we zien ook dat het lag in of nabij de vlakte van Gennesaret. Josephus noemt tweemaal Kafarnaüm. Het speelde geen grote rol in de geschiedenis van zijn tijd, en het lijkt aan belang te hebben ingeboet, als hij verwijst naar het "dorp." In de strijd in el-BaTeichah viel zijn paard in een modderpoel, en heeft hij schade geleden, die hem uitgeschakeld hebben voor verdere gevechten. Zijn soldaten droegen hem naar het dorp van Kafarnaüm (deze referentie is echter twijfelachtig, de naam in haar huidige vorm Kepharnomon welke Niese corrigeert naar Kepharnokon), vanwaar hij werd overgebracht naar Tarichea. 

Rond de vlakte Gennesaret geniet men de heerlijke vruchten, en wordt er gezegd dat men wordt gevoed door een zeer vruchtbare fontein, die de mensen van het land noemen Capharnaum. In het water van deze fontein wordt de Coracinus gevonden. Josephus bevestigt dus de Bijbelse gegevens, en voegt de informatie over de fontein en de Coracinus vis. De vis wordt echter gevonden in andere bronnen in de buurt van het meer, en is dus geen hulp in de richting van deze identificatie. De twee belangrijkste rivalen voor de eer van het vertegenwoordigen van Kafarnaüm zijn Tell Chum, een verwoeste plaats op de oever van het meer, bijna 2 1/2 mijl ten westen van de monding van de Jordaan, en Khan Minyeh volledig 2 1/2 mijl verder naar het westen, in de noordoostelijke hoek van de vlakte van Gennesaret. 

Dr Tristram stelde dat bij `Ain El-Madowwerah een grote veer omsloten was door een cirkelvormige muur, aan de westelijke rand van de vlakte. Maar het staat ongeveer een mijl van de zee vandaan, en er zijn geen ruïnes om aan te geven dat een aanzienlijk dorp hier ooit gestaan heeft. En het water is beschikbaar voor slechts een klein deel van de vlakte ten gunste van Tell Chum is. De plaatsen Chorazin zouden 2 mijl van Kapernaüm gelegen moeten hebben. Als Kerazeh was ooit Chorazin, dit past. Tel Chum lijkt beter dan Khan Minyeh. 

Een snelweg liep eens door de Tel Chum waar langs het verkeer als karavanen van en naar het Oosten trokken, maar de plaats zelf lijkt niet gesitueerd te zijn met het grote noord-en-zuid verkeer.  De vroegere naam Kaniset el Kufry, betekende "kerk van de ongelovigen." Zichtbaar in die tijd [1911] nog een beetje een vervallen muur die boven het groen ten westen van de lagune lag. Gennesaret komt overeen met el-Ghuweir, de vlakte lag op de Noordwest kust, en Khan Minyeh stond aan de noordoostelijke uiteinde van de vlakte. De overvloedige fonteinen bij eT-Tabigha, een halve mijl naar het Oosten, leverde water en werd vervoerd rond het gezicht van de rots in de richting van Khan Minyeh op een hoogte die het mogelijk maakte om een groot deel van het water als reservoir te nemen.

Op een smal stuk grond tussen de bergen en het meer. Er zijn namen die ooit getuigen van het vroegere Kapernaum, zoals de Khan Minyeh, vlak bij Kapernaüm, dat in puin lag, en later bewoond werd door de Minim, dat wil zeggen, Joodse bekeerlingen tot het christendom. De naam Minyeh kan hieraan worden ontleend. 

Tussen de verwoeste Khan en de zee zijn er sporen van oude gebouwen. De weg van het Oosten was verenigd met hetgeen naar beneden vanuit het noorden, dat via Khan Jubb Yusif ging, een belangrijk centrum van zowel vanuit militair oogpunt gezien en voor de douane. De Heilige Plaatsen van het Evangelie geven misschien een relatie aan tussen de Tell Chum en de fontein bij eT-Tabigha.

Niemand die Arabisch spreekt, zegt hij, "zou ooit denken dat het woord Tell, `heuvel, betekent, een vlakke wijdverspreide ruïne. In het Arabisch betekent ‘vertellen’ puinhoop, of heuvel. Zodat de ruïnes van Tell Chum zichzelf tegenwoordig een' vertelling is. Belangrijke Romeinse overblijfselen zijn nu gevonden tussen de verwoeste Khan en de zee. Het is niet langer te betwijfelen dat dit was de plaats van een grote Romeinse stad. De Romeinse periode bestrijkt echter een lange ruimte. De gebouwen op Tell Chum zijn door velen toegewezen aan de dagen van de Antonines van Herodus’.

De weg naar Kapérnaum is vrij pittig, en we moeten toch voor zonsondergang daar zijn en er onderdak voor ons vinden!' GJE1-94 [21]

Ik (JUDAS) ben nu pas een paar uur in het gezelschap van deze grote profeet, en het is mijn heilige plicht om Hem te doorgronden en zoveel mogelijk te Leren kennen, zowel in Zijn zienswijze als in de strekking van Zijn optreden! Jij (Thomas) bent nu al ongeveer een half jaar in Zijn omgeving en je moet Hem daarom ook beter kennen dan ik! Moet ik me echter daarom, omdat jij Hem al kent, helemaal geen moeite geven om Hem tenminste ook zover te leren kennen als jij Hem tot nu toe hebt leren kennen?!' GJE1-95 [3]

 

Deze sarcastische woorden van Judas maken dat Thomas bijna uit zijn vel springt van ergernis en woede, en hij wil hem letterlijk zo hard mogelijk te lijf gaan. Maar Ik ga nu, terwijl we bijna halverwege Kapérnaum zijn, naar Thomas toe en zeg: 'Broeder, zolang je Mij rustig en bedaard ziet, wees jij dan ook zoals je Mij ziet als je maar vaak genoeg, naar Mij kijkt! Maar, als je op een keer ziet dat Ik er op los sla, spring er dan snel op af en sla zo hard je kunt! Maar dat is nu bepaald nog lang niet nodig. De nacht blijft nacht ondanks alles wat je er aan doet, en Judas zal Judas blijven! Het is voor hem geen verplichting zoals voor de nacht, die de natuurlijke schaduw van de aarde is, maar als hij Judas blijven wil, dan moet hij dat maar blijven; wij blijven echter dat wat wij zijn! De toekomst zal leren, hoever hij het zal brengen met Judas te zijn!” GJ1-96 [1]

 

Maar Ik zeg: 'Waarom noemt u Mij goed?! Weet u dan niet, dat er buiten God niemand goed is?!' De Farizeeër zegt: 'Ik smeek u, wees toch niet zo streng tegen mij; want ik heb uw beproefde hulp nodig!” Ik zeg: 'Ga weg en houd Mij niet op; want Ik wil vanmiddag naar beneden aan het meer en daar op de visvangst gaan. Daar kunt u Mij vinden!' GJE1-110 [14]  Van Kapernaum naar Nazareth is het bijna vier uur te voet. bron: GJE2-53

De weg van Nazareth om in Kapernaum te wonen. Het ligt aan de zee – in het gebied van Zebulon en Naftalie, zo bericht Mattheus. Kafr Nahum, de stad van Nahum, gelegen aan het Galilese meer. De afstand tussen deze beide stadjes waren 2000 jaar geleden bij vier uur lopen [zo’n 16 kilometer]. Deze weg zou nog deels bestaan en werpt een blik op de bovenste Jordaandal. Bethabara laat nog resten zien van een vroegere bewoning. Daar moet ook nog een muur zijn van een Romeinse verdedigingswal.

 

Met een snelle muilezel kun je zelfs in een uur van Kapernaum naar Nazareth rijden. Cyrenius, de vicekeizer van Augustus zegt: ‘naar Kapernaum van Nazareth zijn het bijna twee uren!!! [GJE2-53-2, 13-1-6, 37-16]

Men wilde Jezus van de berg Kapernaum in het meer van Galilea werpen [GJE1-12-4]. {waarschijnlijk is dat in de brede Jordaan geweest} - Kapernaum lag klaarblijkelijk aan het meer. [Lukas 4:28-30]. De ligging daarvan moet enige kilometers landinwaarts te zoeken zijn.

 

Kfar Nachum [Nachum is een eigennaam!] – betekent dorp van troost  - Nachum=troost en Na’um= mooi.

Enerzijds is hier sprake van vier uren, anderzijds twee uren. [De vier uren in een langzaam tempo en de twee uren in een vlotte loop – dat is dus mogelijk]. Daar moeten een aantal wegen zich kruisen. [Lukas 7:1-10 en Matth.8:5-13]. Het tijdverschil van 2 en 4 uren ligt daaraan, als men van Kana naar Kapernaum loopt in één uur, zo is dat met onze tijdrekening twee uren. Kapernaum lag op de grens van de provincies Zebulon en Naftali. De afstand van Kapernaum naar Kana is voor een goede loper nauwelijks een uur gaans (=2 x 55 minuten)

 

Volgens Matth.14:34 en Marcus 6:53 zien we, dat het nabij de vlakte van Genezareth lag. Het land van Capharnaum. Bij de Tell Chum is aardewerk gevonden van de Romeinse periode. Tell Chum is een verwoeste plaats aan het meer, bijna 2 ½ mijl ten westen van de monding der Jordaan. Van Kapernaum naar Jesaïra is het nog tamelijk ver. Waarschijnlijk lag Jesaira aan de overzijde van Kis en Nazareth. Een halve dagreis van Jesaïra-Nazareth. [GJE1-1777-179,181,188,190]. Het stadje Kapernaum moet uniek gelegen hebben, vlak aan het meer en bij de Jordaan. [1 Korinthe 9:5]. Kana lag veel hoger dan Kapernaum. Het lag ook niet zo ver van Bethabara. [zie ook Jesaja 9:1].

 

Het was ongeveer 15 minuten lopen van Petrus’ huis naar Bethabara. Het lopen vanaf het meer naar Kapernaum duurde toch zeker wel een uur.

Van Kana naar Kapernaum was het destijds 90 minuten lopen. Een snelle loper deed het in een uur! In het nieuwe Kafar Nahum kan je overnachten in het Benedictijnenklooster Tabgha.

 

(En terwijl hij afdaalde, ontmoetten hem zijn knechten. verkondigden hem en spraken: 'Uw kind leeft" Joh. 4.51 )

 

(Hier moet naar aanleiding van het woord 'gisteren' een kleine verklaring bijgevoegd worden om haarkloverijen te voorkomen. Het was namelijk zo, dat de dag, speciaal in Galiléa, slechts duurde tot de zonsondergang. Na de zonsondergang sprak men over de afgelopen dag al als 'gisteren'. Met zonsondergang begon de eerste nachtwake voor de komende dag; een nachtwake duurde net zo lang als drie uren bij ons, en een uur overdag was in de zomer haast zo lang als twee uren bij ons en in de winter nauwelijks één, want de tijd tussen zonsopgang en zonsondergang moest altijd twaalf uren duren, of de zon nu lang of kort aan de hemel stond. Als daarom hier gezegd wordt, dat de vorstelijke persoon in één uur van Kapérnaum naar Kana ging, dan zou dat met onze tijdrekening neerkomen op bijna twee volle uren. -Deze korte ingelaste uiteenzetting is hier even noodzakelijk, omdat anders verschei­dene voorvallen in dit Evangelie nauwelijks goed te begrijpen zouden zijn, omdat de overeenkomstige tijdsaanduidingen alleen op de toenmalige en niet op de huidige tijdsrekening betrekking hebben.) GJE1-90 [14]

 

Toen Ik na een paar uur thuis aangekomen was, wat die twee al vlug merkten, smeekten ze de dicht bijzijnde zienden of ze hen bij Mij wilden brengen. En Mijn leerlingen brachten hen toen dadelijk bij Mij in huis. GJE1-130 [3]

Nadat Ik het uitbeelden van het hemelrijk beëindigd had (Matth. 13,53) en de Sicharieten weer weg liet gaan, en ook van Kisjonah, die ditmaal op Mijn aanraden thuis bleef en Faustus niet vergezelde, afscheid genomen had, met de belofte hem binnenkort weer op te zoeken, gingen we dan om twee uur voor de middag op een groot schip. Wij voeren met Faustus, die met zijn jonge vrouw op Mijn schip meeging, naar de omgeving van Kapérnaum. Daar bevond zich de normale landingsplaats voor deze stad en voor Nazareth, dat zoals bekend, niet zo ver van Kapérnaum verwijderd lag. GJE2-11 [5]

 

De wachter, die zelf een snelle ezel heeft, toomt en zadelt het dier zo vlug mogelijk, haast zich daarmee naar Kapérnaum en brengt daar aan de vrouw van Jaïrus de boodschap over. De bedroefde vrouw staat vlug op en volgt de bode. De ezels lopen snel en in een klein uur zijn beiden in Nazareth in het huis van Maria, mijn lichamelijke moeder, die nu weer opgeruimd en blij is, omdat zij het oude huisje van Jozef teruggekregen heeft. Als de vrouw van Jaïrus de kamer binnenkomt, waar wij juist bezig zijn met een goed avondmaal, dat ditmaal door vriend Borus verzorgd werd, ziet zij dadelijk haar Sarah, die naast Mij heel vrolijk en monter en blakend van gezondheid, met veel eetlust een heerlijke vis zonder graat, toebereid met zout, olie en wat wijnazijn, zit op te peuzelen. GJE2-13 [6]

 

Bijna iedereen aan Mijn tafel is met stomheid geslagen, en CYRENIUS zegt: "Hoe is dat nu mogelijk? Die twee kunnen toch maar nauwelijks vijfhonderd passen afgelegd hebben - naar Kapérnaum is hiervandaan bijna twee uur lopen -, en ze zijn nu al weer terug! Ach, dat overtreft toch wel alles wat een arm mens op deze aarde ooit kan beleven!"

Toen Lydia, liefdevol door de verbaasde Faustus ontvangen, naar onze tafel gebracht werd, vroeg Cyrenius haar meteen: "Maar liefste Lydia, hoe kwam je nu toch zo vlug van Kapérnaum hierheen?! Was je soms al onderweg?" GJE2-37 [16,17]

 

Zelf heb ik gisteren en ook al vandaag op een afstand in 't geheim geobserveerd wat er allemaal in en buiten het huis van de oude Jozef is gebeurd. Ik zeg je: alleen maar wonderen en nog eens wonderen! Twee zichtbare volmaakt levende engelen dienen hem! De vrouw van Faustus was in Kapérnaum en de timmerman wilde haar bij de ochtendmaaltijd hebben, maar het zou wel bijna vier uur gekost hebben om haar van Kapérnaum naar Nazareth te brengen. Maar wat gebeurt er? De tim­merman wenkt de twee engelen. Die verdwijnen slechts enige ogenblikken en verplaatsen heel blijmoedig de mooie Lydia, de vrouw van Faustus, naar Nazareth! - Wat zeggen jullie daarvan? Dat gaat toch duidelijk boven ons verstand?!" GJE2-53 [2]

Lydia was de jonge vrouw van de opperrechter Faustus - zij werd voor het oog van Faustus en Cyrenius door twee beeldschone engelen uit Kapernaüm naar Nazareth opgehaald - een afstand waar je normaliter twee uur te voet over doet. bron: GJE2-37

 

Vroeger een heidens en belangrijk handelsstadje, gelegen op de grens van de provincie Zebulon en Naftali aan het meer van Galilea, niet ver van de plaats, waar Johannes de Doper aan de overzijde van de Jordaan doopte in de omgeving van Bethabara (GJE 1-12-1) - Kapernaum was een goddeloze stad volgens Matth.11:23 en Micha 1:5,6 - Toen Ik van Kapernaüm weer terug naar huis naar Nazareth ging en de overste met zijn vrouw en al zijn kinderen en veel van zijn vrienden Mij begeleidden, kwamen wij heel rustig wandelend langs een plaats waar een aantal wegen elkaar kruisten. bron: GJE1-130

 

Daar zou dus een berg zijn die steil aan de zee of aan de Jordaanmonding lag in het vrijzinnige Galilea, het oord van vele predikingen. Destijds wilden ze Jezus grijpen en van een berg in de zee gooien. In de tijd van Jezus lag het Romeinse meer onder water. Restanten zijn nog aan beide kanten van de Jordaan aan te treffen. De waterspiegel zonk drastisch en er ontstond een nieuw Kapernaum in 132 n. Chr.

 

Van hier naar Kana is voor een goede loper nauwelijks een uur gaans. Daar bevindt zich de beroemde genezer Jezus uit Nazareth! Ik heb Hem Zelf op mijn reis hierheen daar aan­getroffen en gesproken! Hij zal daar zeker nog zijn; want Hij heeft mij beloofd, van daaruit rechttoe rechtaan naar mij in Kapérnaum te komen en mij te bezoeken! Wat Hij belooft, dat doet Hij ook zonder enige twijfel! Omdat Hij echter tot nu toe nog niet is gekomen, is Hij beslist nog in Kana! Ga daar zo snel mogelijk persoonlijk heen en vraag Hem, of Hij bij je zoon komen en hem helpen wil! En ik sta er voor in, dat Hij direct komt en je zoon zal helpen!'

 

Zodra de vorstelijke persoon dat van zijn broer Cornelius hoort, snelt hij in allerijl naar Kana en komt dan ook, zoals reeds hierboven vermeld, helemaal buiten adem in Kana aan, op het moment dat Ik de eerste stap voor de verdere reis zette­ Nauwelijks bij Mij aangekomen, valt hij voor Mij neer en smeekt Mij om toch zo vlug mogelijk met hem naar Kapérnaum te gaan, omdat zijn enige zoon, die zijn alles is, al met de dood worstelt en er in Kapérnaum geen dokter is die hem helpen kan. Als Ik niet zo snel mogelijk met hem mee zou gaan, zou zijn zoon zeker sterven voordat Ik in Kapérnaum zou zijn, als zijn zoon al niet nu reeds gestorven zou zijn! GJE1-90 [1,2]

www.zelfbeschouwing.info   ************