Kanttekening Petrus en samenvatting

 

Petrus wordt in de Bijbel uitgebeeld door het geloof, terwijl Jacob de naastenliefde, en Johannes de werken der naastenliefde symboliseert. We zagen steeds in de Bijbelse geschiedenis beschreven, dat steeds deze drie personen – meer dan de overigen – de Heer zeer nauw gevolgd hebben. De Heer liet bijvoorbeeld in Markus 5:37 niet toe, behalve bij de genoemde drie, dat Hij anderen nooit bij speciale gevallen uitnodigde. En waar Petrus is, daar wordt ook vaak Johannes en Jacobus genoemd. Deze drie waren in de laatste levensloopjaren van Jezus de belangrijkste personen. Ook wordt Petrus het eerst genoemd door zijn broer Andreas; hierna Jacobus en Johannes (Mattheüs 4:18-20 – Johannes 1:41-43. In Markus 3:13,16,17 beklom Jezus de berg en riep tot Zich die Hij wilde. Eerst Simon, en Hij legde op hem de naam Petrus, dan Jacobus, de zoon van Zebedeüs en zijn broer Johannes. We lezen in Mattheüs 17:1-13 over de verheerlijking van de Heer. Daar zag Petrus, samen met Jakobus en Johannes de Heer verheerlijkt en zagen Hem met geestelijke ogen. Dit was een voorproef van hun eigen bestemming. Petrus had een soortgelijke opdracht als Mozes, die het Joodse volk op Zijn komst voorbereidde. Ook mochten zij gedrieën met Jezus in het huis van de overste der synagoge om getuige te zijn van de opwekking van het twaalfjarige meisje.

Volgens Swedenborg was Petrus de eerste apostel, omdat ‘het ware vanuit het goede’ het eerste van de kerk is. Daar Petrus ook onder verstaan. Petrus werd door de Heer, zoals diverse malen geschreven, Cephas of Kefas genoemd, hetgeen is Petra (rots). Een rots in het geloof aan de Heer. Maar opdat het een persoonsnaam zou zijn, wordt hij Petrus genoemd. Vissen zult gij vangen, zei de Heer. Dat betekent lesgeven aan de mensen. Natuurlijk had de Heer al lang voorzien welke geest in Petrus leefde. Alle vier Evangeliën onderstrepen de belangrijkheid van Petrus, dat hij een ‘rots’ in de branding zou worden (in het Aramees is ‘kefa’ rots).

 

Met Simon van Jona wordt het geloof vanuit de naastenliefde aangeduid. Met Simon ‘het luisteren naar’ (in het Hebreeuws betekent Simon: ‘werking van het gehoor’) – en de gehoorzaamheid. Met Jona de duif, waarmee ook de naastenliefde wordt aangeduid. Petrus werd drie keer door de Heer ondervraagd. Zie hier ook de link met zijn driemaal verloochening om de Heer, toen daarna de haan kraaide. Petrus’ ondervraging door de Heer betekent de volle tijd, van het begin van de kerk tot haar einde. De derde vraag betekende het einde van de kerk. Na deze ondervraging werd Petrus bedroefd. Petrus was ook jaloers op Johannes, die Jezus vanuit zijn hart volgde, toen de Heer zei: ‘volg Mij!’ Simon van Jona, zo werd Petrus drie keer aangesproken - ‘hebt gij Mij lief?’ (Johannes 21:15,16,17).

 

In de Bijbel wordt Petrus wel vijf keer met Simon aangesproken. Soms staat er Simon Bar (= zoon)  Jona - andere keren weer Simon Juda of dan soms Cefas. Één enkele keer wordt Petrus in de Nieuwe Openbaringen genoemd als Petri of Petro. In de apostelbrieven van Paulus (Korinthe en Galaten) wordt hij zelfs zes keer aangehaald als CEFAS. Het was eerst Cefas (Petrus) die Hem zag na de opstanding, daarna met de voltallige discipelen (1 Korinthe 15:5).

 

Johannes 1:43  En hij leidde hem tot Jezus. En Jezus hem aanziende, zei: ‘Gij zijt Simon, de zoon van Jonas; gij zult genaamd worden Cefas, hetwelk overgezet wordt Petrus.1 Korinthe 1:12 En dit zeg ik, dat een iegelijk van u zegt: ‘Uk ben van Paulus en ik van Apollos; ik ben van Cefas, en ik van Christus. 1 Korinthe 3:22 Hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Cefas, hetzij de wereld, hetzij leven, hetzij dood-, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomende dingen, zij zijn alle uwe. 1 Korinthe 9:5 Hebben wij niet de macht, om een vrouw, een zuster zijnde, met ons te leiden, gelijk ook de andere apostelen, en de broeders des Heeren, en Cefas? 1 Korinthe 15:5 En dat Hij is van Cefas gezien, daarna van de twaalven. Galaten 2:9 En als Jakobus, en Cefas, en Johannes, die geacht waren pilaren te zijn, de genade, die mij gegeven was, bekenden, gaven zij mij en Barnabas, de rechterhand der gemeenschap, opdat wij tot de heidenen, en zij tot de besnijdenis zouden gaan.

 

De brieven van Paulus uit Rome kunnen dateren uit de jaren 61-63. In de daarop volgende jaren werd hem verboden om met zijn omgeving te vertoeven, zodat hij nog twee jaren geketend in de kerker leefde, tot aan zijn einde. Het Calendarium Romanum vertelt echter – en dat is overigens waarlijk gelogen – dat Petrus van 42-69 in Rome was. Gelukkig bewijzen de apostelbrieven echter het tegendeel. Paulus noemt in geen enkele zendbrief noch van een bisschop noch van een Petrus in Rome. Petrus kan historisch gezien – dus ook nooit bisschop van Rome zijn geweest, omdat hij in het jaar 44 als gevangene en in het jaar 51 als een zuil van de gemeente Jeruzalem werd genoemd. Hij was een apostel van Azië, maar heeft nooit de bodem van Europa betreden. Petrus was al gestorven als Paulus naar Rome kwam. In het jaar 44 werd Petrus door Herodes Antipas in de kerker geworpen, maar verlost door de Heer.

 

Johannes, die Jezus volgde, betekenen de goede werken; en dat deze niet zullen vergaan tot het einde van het leven. Met Petrus in deze tekst betekent het hier ‘een van de naastenliefde gescheiden geloof’. Immers, hij verloochende de Heer driemaal. Zijn naam duidt op geloof zonder naastenliefde. Maar de Heer riep eerst Petrus door middel van zijn broer Andreas. Deze laatste stond in het geloof aan de Heer niet zo sterk in zijn schoenen als Petrus. Ook Jacobus en Johannes kregen van de Heer andere namen (3:17), namelijk de Boanerijls, dat wil zeggen: ‘zonen des donders’. In Johannes staat beschreven: ‘Voorwaar, voorwaar, zeg Ik u: toen gij een jonger waart, gordet gij uzelf, enz.’ Rijst nog de vraag, of Petrus na zijn bezoek aan de Heer in de hut, vlak bij de Jordaan, constant bij zijn Meester vertoefde, of is er misschien nog een korte periode geweest, dat Petrus daarna is teruggegaan naar zijn huis. Marcus 1:16-20 en Mattheüs 4 schrijven: ‘Want Simon en Andreas zijn broer wierpen het net in de Galileesche zee (want zij waren vissers) en op een gewone werkdag hoorden zij een stem die riep: ‘Kom en volg Mij. En zij volgden Hem. Want Jezus liep daar aan de oever. Natuurlijk moeten Peter en Andreas al gekend hebben (met hun bezoek in Zijn hut) en wordt Petrus in het gangbare gebruik nog Simon genaamd.

 

Naschrift over de schrijver Markus

Een andere Markus die bekeerd was kende Paulus erg goed. Deze Markus zou ook voor een groot deel zijn informatie uit Paulus geschriften en zijn leer gehaald hebben. Maar het ligt voor de hand, dat Petrus’ zoon Markus, alle informatie van zijn vader had. Hij moet dus veel van Jezus leer afgeweten hebben. Hij heeft immers Jezus ook van zeer dichtbij meegemaakt. Petrus heeft hem het aanvullende overgedragen zowel in zijn geboorteomgeving als op reis naar en in Bagdad. Johannes is de enige geschiedschrijver die over Markus verhaalt naast de Evangelist Markus zelf. Er waren dus twee evangelisten die de naam Markus droegen. De ene Markus had dus veel omgang met Paulus, een tot Christendom bekeerde Jood. Het kan mogelijk zijn geweest dat deze Markus fungeerde als tolk voor Petrus en Paulus, want Markus beheerste nauwelijks de Griekse taal. Hij trok samen op met zijn neef Barnabas en vergezelde Paulus. Petrus zoon Markus wordt echter een bedreven man genoemd om zijn schrijven wegens zijn vader. De Bijbel en de Nieuwe Openbaringen doen hierover geen duidelijke uitspraken (zie GJE10-25). Wel weten we, dat Mattheüs en Markus nauwgezette schrijvers waren, vooral Markus. Lukas en Johannes hebben de Evangeliën veel later geschreven.

 

Resumé

Petrus is een mannelijke eigennaam. Petrus (Petros) is een Griekse vertaling van het Aramese woord Kē(j)fā' dat ‘steen’ of ‘rots’ betekent. Simon Petrus, de broer van Andreas en de zoon van Jona of Johannes, werd geboren in het Galilese dorp Betsaida, maar woonde ten tijde van zijn eerste ontmoeting met Jezus in het niet ver daarvandaan gelegen Kafarnaüm met zijn vrouw, schoondochter/moeder en broer (Marc.1:29). Daar oefende hij met Andreas het beroep van visser uit, vaak in samenwerking met Johannes en Jakobus, de zonen van Zebedeüs (Luc.5:10). Andreas, die een discipel van Johannes de Doper was, stelde zijn broer Simon (Petrus) aan Jezus voor. Bij deze eerste ontmoeting, veel zuidelijker aan de Jordaan, sprak Jezus: ‘Gij zijt Simon de zoon van Johannes, gij zult heten Kefas’ (Joh.1:43).

 

Enige tijd later worden Petrus en Andreas tijdens het vissen door Jezus tot discipel geroepen (Matt.4:18-20; Marc.1:16-18). Petrus wordt een van Jezus dierbaarste discipelen. Wij treffen hem steeds vooraan in de apostellijsten aan, hetgeen erop wijst, dat hij vanaf het begin als eerste onder de discipelen gold (Matt.10:2; Marc.3:16; Luc.6:14; Hand.1:13). Samen met Jakobus en Johannes nam hij bij Jezus een bevoorrechte positie in. Gedrieën werden zij betrokken bij de meest bijzondere gebeurtenissen in Jezus’ bediening. Zo mogen zij getuige zijn van de opwekking van het dochtertje van Jaïrus (Marc.5:37), van de verheerlijking op de berg (Matt.17:1-9; Marc.9:2-10; Luc.9:28-36), en van Jezus’ gebedsworsteling in Getsemane (Matt.26:37-40; Marc.14:33-38).

 

In de evangeliën wordt Petrus getekend als een man met een spontaan, enthousiast, maar ook een impulsief karakter. Wanneer Jezus tijdens een storm over het water naar zijn discipelen gaat, wil Petrus over de golven naar Jezus toelopen (Matt.14:28). Wanneer Jezus zijn discipelen vraagt, wie zij denken, dat Hij is, reageert Petrus als eerste en belijdt, dat Jezus de Christus is, de Zoon van de levende God. Met een woordspeling op de naam Petrus verklaart Jezus, dat Hij op deze Petra (rots, zie woord 3542) Zijn gemeente zal bouwen (zie daarover commentaar in Matt.16:18). De Heer belooft aan Petrus ‘de sleutels van het koninkrijk der hemelen’, hetgeen inhoudt, dat Petrus door zijn prediking het koninkrijk van God toegankelijk zal maken voor zowel Joden als heidenen (zie commentaar in Matt.16:13-20; par.).

 

Even later is Petrus degene die meent zijn Meester tegen Zichzelf te moeten beschermen, wanneer Jezus aankondigt, dat Hij zal moeten lijden en sterven (Matt.16:22; par.). Tijdens de verheerlijking op de berg stelt de enthousiaste en spontane Petrus voor om dit moment van verheerlijking vast te houden, door drie tenten voor respectievelijk Jezus, Mozes en Elia op te zetten. Ook bij het laatste avondmaal herkennen we deze impulsiviteit van Petrus. In eerste instantie weigert hij zich door Jezus de voeten te laten wassen. Een moment later wil hij zich ook de handen en het hoofd laten wassen (Joh.13:8,9). Tijdens de maaltijd beweert Petrus stellig, dat hij bereid is samen met Jezus te sterven en dat hij Jezus nooit zal verloochenen (Matt.26:33-35). Wanneer echter zijn leven in gevaar komt, verloochent hij de Heer zelfs driemaal (Matt.27:75; par.).Ondanks deze drievoudige verloochening wordt Petrus de kroongetuige van Jezus’ opstanding uit de doden. De vrouwen die het lege graf ontdekken, worden door de engel uitdrukkelijk ook naar Petrus gezonden (Marc.16:7). Petrus is uiteindelijk de eerste van de apostelen aan wie de Heer na Zijn opstanding verschijnt (Luc.24:34; 1Cor.15:5). Bij Zijn verschijning aan het meer van Galilea vraagt de Heer in het bijzijn van de meeste andere apostelen tot driemaal toe aan Petrus, of deze Hem waarlijk liefheeft (Joh.21:15). De bedroefde Petrus belijdt nu driemaal, dat hij de Heer liefheeft. Daarmee is de verloochening ongedaan gemaakt en wordt Petrus ten volle in zijn ambt hersteld. Jezus kondigt daarbij aan, dat Petrus als martelaar zal sterven (Joh.21:18,19).

 

Al direct in het begin van het boek Handelingen treedt Petrus uit het midden van de apostelen op de voorgrond. Hij stelt voor om de lege plaats van Judas door een nieuw te kiezen apostel te laten vervullen (Hand.1:15vv.). Hij spreekt op de Pinksterdag namens de apostelen tot de verzamelde menigte (Hand.2:14vv.). Hij geneest in Jezus’ naam de verlamde man bij de ingang van de tempel en predikt daarna tot de verbaasde menigte (Hand.3). Samen met Johannes komt hij dan ook als eerste in de gevangenis en moet voor het Sanhedrin verschijnen (Hand.4). In de eerste helft van het boek Handelingen wordt Petrus als leider en woordvoerder van de apostelen geschilderd. Ook Paulus rekent Petrus (Kefas), naast Johannes en Jakobus, de broeder des Heren, tot de leiders van de gemeente (Gal.2:9). Petrus en Johannes bezoeken samen de tot geloof gekomen Samaritanen en bidden onder handoplegging voor de vervulling met de Heilige Geest (Hand.8:14-25). Petrus overbrugt de kloof tussen Joden en heidenen, door met onbesnedenen te eten en hen te laten dopen (Hand.10). Hij wordt dan ook gezien als degene die met de zending onder de heidenen een officieel begin heeft gemaakt (Hand.15:7).

 

Toen Petrus op last van Herodes was gearresteerd en na een wonderbaarlijke ontsnapping zich niet langer in Jeruzalem kon ophouden, kreeg Jakobus, de broeder des Heren, steeds meer erkenning als leider van de plaatselijke gemeente van Jeruzalem (Hand.12:17; 21:18). Kort voor het apostelconvent verbleef Petrus enige tijd in Antiochië, waar hij met Paulus in conflict raakte wegens zijn houding inzake de tafelgemeenschap met de gelovigen van heidense afkomst (Gal.2:12-14). Tijdens het apostelconvent bevond Petrus zich weer in Jeruzalem en pleitte hij ervoor dat de heidenen van de Joodse spijswetten en de besnijdenis zouden worden vrijgesteld. Paulus vermeldt in 1 Cor.9:5, dat Petrus, vergezeld van zijn vrouw, zendingsreizen ondernam, maar hij zegt niet waarheen. De aanhef van de eerste brief van Petrus maakt aannemelijk, dat Petrus reizen heeft gemaakt naar Pontus (Noord-Turkije, langs de Zwarte Zee), Galatië, Kappadocië, Asia en Bitynië.

 

Het is niet uit te sluiten, dat Paulus vanwege Petrus’ werkzaamheid in deze gebieden doorreisde naar Europa (Hand.16:6,7). Aan het eind van zijn leven verbleef Petrus enige tijd in Bagdad 1 Petr.5:13, (Babylon 74-67 n. Chr.). Met medewerking van Silvanus (dezelfde als Silas) en in aanwezigheid van Marcus schreef hij daar vandaan zijn eerste zendbrief. Volgens Eusebius, die zich beroept op Papias (160 n.Chr.), heeft Marcus, als tolk van Petrus, naar aanleiding van Petrus’ predikingen het evangelie naar Marcus samengesteld (Eusebius, Historia Ecclesiastica, III, xxxix, 15). Van Petrus zijn ons twee brieven bewaard gebleven, de inleidingen tot de beide brieven van Petrus en de excurs ‘Vroege Gnostiek’.

www.zelfbeschouwing.info