De twaalfde Apostel

 

Een noodzakelijk voorwoord ter verduidelijking

Niet iedereen heeft tijd en de mogelijkheid om de verhalen over de discipel Judas Iskarioth nader te onderzoeken. Vaak ontbreekt hierover een volledig zoekregister. Veel recherchewerk in de Nieuwe Openbaringen, de Bijbel en andere geschriften hebben uiteindelijk geresulteerd tot één chronologisch geheel, waarbij de diverse samenhangen omtrent de persoon Judas op de juiste wijze kon worden samengevat. Wellicht,  dat velen hiermee wat inspiratie hiermee kan opdoen, en zo kan dit nuttige verzamelwerk misschien als bruikbaar informatiewerk of als naslag dienen. Het Nieuwe Testament geeft duidelijk in de Evangeliën uitsluitsel, wie de eersten discipelen waren.

 

Inleiding over de twaalfde apostel

Van de twaalf apostelen (ook wel discipelen genoemd) werd Judas Iskariot later vervangen door Matthias (Handelingen 1:26). Zij behoorden tijdens de laatste jaren van Jezus leven op Aarde tot de binnenste kring van Zijn aanhangers. De brief van de apostel Judas is niet geschreven door Judas Iskariot. De schrijver Judas werd in het verleden vereenzelvigd met Judas, de broer van Jakobus (zie Judas 1:1), alsook met Judas, de broer van Jezus. Zonder bovenstaande gegevens zou het auteurschap dan onduidelijk geleken hebben. Het gaat hier dus zeker om de broer van Jezus, die ook Judas heette. (Zie Markus 6:3 en Mattheüs 13:55).

 

In de volgende hoofdstukken worden citaten aangehaald van alles wat bekend en ontvangen is door Jakob Lorber, Mayerhover en Leopold Engel, dan wel ook iets van Max Seltmann. De boeken van de Nieuwe Openbaringen van Johannes vormen de belangrijkste bronnen. Minder bekend is het boek van Pathiel: ‘Die grösse Zeit der Zeiten’. ‘Het zal iemand geen schade berokkenen, wanneer Ik het grootste wil verkondigen. Zo iemand zal voorwaar het leven slechts ontbinden uit zijn slaap om met Mij alleen de handen te dompelen, alleen met Mij – zoals bij Judas – dat is Mijn sleutel van het leven. Waarlijk, die zal elk einde deel worden, zoals Mijn verrader heeft ervaren – in de tijd, toen Satan in zijn lichaam en ziel was gevaren. Maar omdat ik deze dingen trouwerwijs en vertrouwelijk tot jullie kinderen spreek, met wie Ik het grootste medelijden heb en de liefde draag. Jullie moeten daarom hiervan niet al te zeer schrikken, want Ik wil jullie slechts tot het eeuwige leven opwekken.’

 

Wat betekent de naam JUDAS. De Hebreeuwse nam voor Judas is geschreven met de letters en getallen: J H W D H (10-5-6-4-6=30). Deze naamwaarde dertig kan misschien in verband gebracht worden met de dertig zilverlingen, die Judas ontving, hoewel Judas zelf dit van tevoren niet wist. De naam Judas is de Griekse vorm van Juda. Vroeger was dit een vaak uitgesproken naam, die ook nog een andere apostel van Jezus droeg (namelijk Judas Thaddäus).De bijnaam (maar niet de familienaam) Iskariot zouden we hier kunnen opsplitsen in Ish = mens of man. Een man uit Kariot, een dorpje in Judea. Hij was de enige persoon uit Juda, de andere discipelen kwamen allen uit Galilea. Toch zei Jezus later tegen een opperrechter, dat Judas een Galileeër was.

 

Judas had volgens Johannes 12:4-6, binnen de groep, de opdracht om de geldmiddelen te beheren, maar stiekem nam hij daarvan een deel. Het motief van Judas om zijn Meester te verraden had nauwelijks met zijn hebzucht van doen. De dieper liggen motivatie had te maken met de teleurstelling, dat Jezus niet Degene was, waarvan hij de verwachting had gekoesterd Hem als Bevrijder en Strijder tegen de Romeinen te zien. Doch Jezus verkondigde steeds weer het komende Gods Rijk (Joh.18:36), dat echter niets te maken had met de wereldlijke heerschap. Judas heeft Jezus willen dwingen, zich als Messias te openbaren, omdat hij geloofde, dat Hij alle macht zou hebben. Het Griekse woord voor verraden = ‘prodidomi’; in het Grieks staat er eigenlijk het woord ‘paradidomi’, dat letterlijk ‘overgeven’ betekent en identiek staat met verraad.

 

We gaan even terug naar Genesis 37:26,27,28 waar Juda zich tot zijn broers wendt met de woorden: ‘welk gewin zal het zijn, dat wij onze broeder doodslaan en zijn bloed verbergen? Kom, laat ons hem aan deze Ishmaëlieten verkopen. En zij verkochten JOZEF voor twintig zilverlingen.’ Juda was één van de twaalf zonen van Jakob. Hier leggen we ook een verband met Judas, die immers ook één van de twaalf discipelen was, die JEZUS voor dertig zilverlingen ‘verkocht’. De aardse pleegvader van Jezus was Jozef.

 

Swedenborg noemt zelfs in sectie 4751 Judas Ischkarioth, die de Joodse kerk uitbeeldt. ‘Heb Ik niet u twaalven uitverkoren; doch een uit u is een duivel’. ‘Door hem ook werd uit hoofde daarvan, dat hij de Heer verkocht. Iets eenders uitgebeeld als hier door Jehudah, die zei: ‘Gaat, en laat ons Jozef verkopen.’

 

Over de precieze navolging van de discipelen, die ook wel apostelen worden genoemd, is een uitgebreide verklaring in het Grote Johannes Evangelie te vinden. In Mathheüs 13:55 en Markus 6:3 is sprake van een zekere Judas. Deze is niet echter Judas Iskarioth en mag er ook niet mee verward worden. Judas Iskarioth wordt voor het eerst genoemd in Markus 3:19 en Johan.12:4 als de verrader van Jezus. In Markus 14:10,43, Mattheüs 26:14,25,47, Lukas 22:47,48 en Joh. 13:2 wordt zijn verraad beschreven. De Satan voer in hem (Lukas 22:3) Johannes 13:26 en Johannes 18:2, waarop in Matth. 27:3 zijn berouw wordt beschreven.

In Johannes 6:71 wordt Judas Iskariot de zoon van Simon genoemd.

 

De apostel, die in de plaats van Judas Iskarioth kwam, was Matthias. In de Bijbel is dus sprake van een Judas, de Galileer en de Judas, de Judeeër. Judas Iskariot kwam echter Juda, maar leefde voornamelijk in Galilea, waardoor hij min of meer een Galileeër werd genoemd. Deze twee Judassen moeten niet met elkaar verward worden.

 

Een zekere Judas wordt in het boek Handelingen 5:37 genoemd. Deze kan ook onmogelijk de discipel Judas Iskariot zijn geweest. In die tijd waren er meer personen, die ook Judas heetten, zoals tegenwoordig ook velen eenzelfde voornaam hebben. Elders treffen we in Handelingen nog een Judas aan, ook wel Barsabas genoemd. (Hand.15:22). Nu, deze Judas, die een profeet was en tevens ook een leraar van het Woord, was hiermee begaafd en bekwaam dingen uit te leggen. Hij was gezonden om vermaningen te doen. Hij is dan de schrijver van de het Bijbelboek Judas. De apostel Judas schrijft met opzet in zijn zendbrief, dat hij de (2e) broer is van Jacobus, die in grote achting was onder de apostelen. In Joh.14:22 wordt ter onderscheiding genoemd de andere Judas, broer van Jacobus, die ook wel Lebbeus wordt genoemd. En deze is het dus, die de zendbrief geschreven heeft (Hand. 1:13). Er zijn dus twee apostelen bekend onder de naam Judas.

 

Dan blijft nog de vraag, over welke Jakobus wij het hebben. Onder de apostelen zijn er ook twee apostelen geweest met de naam Jakobus. De ene was de zoon van Zebedeus en een broer van Johannes, de lievelingsdiscipel van Jezus. Deze laatste (Johannes) heeft ook het Johannes-Evangelie geschreven en de Openbaringen. De andere heet Jakobus, de zoon van Alpheus, werd ook wel de mindere (de kleine) genoemd. Deze was een broer van Judas, maar niet van Judas Iskarioth. Deze Jakobus heeft eveneens een zendbrief achtergelaten! De eerste Jakobus is vermoord geworden met het zwaard door Herodes. Daarom voegt Judas, die dus de zendbrief heeft geschreven en ook het recht had zich apostel en profeet te noemen, dit speciaal in het opschrift als citaat hem van de andere Judas (Iskarioth) te onderscheiden. 

 

Jakobus was ook een broer (indirect dus een neef) van Jezus . Hij was niet de zoon van Maria, maar van de eerste vrouw van Jozef, die al niet meer leefde. Jozef was meer een pleegvader van Maria, maar was wel officieel met haar getrouwd. Het waarom, lezen we uitvoerig in het prachtige en bijzondere boek: “De Jeugd van Jezus” [echt een aanrader!].

 

Judas was een van de twaalf apostelen, die ook Thaddeüs en „Judas, de zoon van Jakobus,” werd genoemd. In de opsomming van de apostelen in Mattheüs 10:3 en Markus 3:18 worden Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Thaddeüs [ook wel Lebbeüs genoemd] samen vermeld. In de opsomming in Lukas 6:16 en Handelingen 6:16 en Handelingen 1:13 komt Thaddeüs niet voor. In plaats daarvan vinden wij de vermelding „Judas, de zoon van Jakobus,” waaruit valt op te maken dat Thaddeüs een andere naam voor de apostel Judas is. Misschien heeft men soms de naam Thaddeüs gebruikt om de twee apostelen die beiden de naam Judas droegen, niet met elkaar te verwarren. Sommige vertalers geven Lukas 6:16 en Handelingen 1:13 weer met „Judas, de broer van Jakobus,” aangezien uit het Grieks niet precies blijkt om welke verwantschap het gaat. De Syrische Pesjitta voegt echter het woord „zoon” toe. Bijgevolg staat in een aantal moderne vertalingen: „Judas, de zoon van Jakobus”. Het enige vers in de Bijbel waar enkel de naam Judas voorkomt, is Johannes 14:22. Om te kunnen vaststellen welke Judas in dit vers sprak, staat daar „Judas, echter niet Iskariot”.

 

Judas Iskariot, was de zoon van Simon en tevens de beruchte apostel die Jezus verraden heeft. De Bijbel verschaft weinig rechtstreekse inlichtingen over de familie en de achtergrond van Judas. Zowel hij als zijn vader werden Iskariot genoemd [zie Lukas 6:16 en Johannes 6:71]. Over het algemeen wordt aangenomen dat zij — gezien deze naam — uit de Judese stad Kerioth-Hezron afkomstig waren. Judas was onder de twaalf apostelen de enige Judeeër, terwijl alle anderen Galileeërs waren.

 

Judas wordt enige tijd na het Pascha in 31 G.T., ongeveer twee jaar nadat Jezus met zijn bediening was begonnen, voor het eerst in de door de Evangelieverslagen verschafte opsomming van de apostelen genoemd (Markus 3:19 en Lukas 6:16]. Men mag logischerwijs aannemen dat Judas reeds enige tijd een inofficieel discipel was voordat Jezus hem officieel tot apostel aanstelde. Veel schrijvers schetsen een volledig negatief beeld van Judas. Ook Mattheüs had enige ervaring op het gebied van geld en cijfers! [Johannes 12:6 en Mattheüs 10:3]

 

Niet lang voor het Pascha in 32 G.T. werd Judas samen met de andere apostelen uitgezonden om te prediken [Matth. 10:1,4,5]. Kort nadat Judas was teruggekeerd en minder dan een jaar na zijn aanstelling tot apostel, bestrafte Jezus hem in het openbaar, hoewel hij niet zijn naam noemde. Sommige discipelen verlieten Jezus omdat zij aanstoot namen aan zijn leringen, maar Petrus zei, dat de twaalf Christus trouw zouden blijven. In antwoord daarop erkende Jezus dat Hij de twaalf had uitgekozen, maar zei: „Toch is één van u een lasteraar [Gr.: di·aʹbo·los, wat „duivel” of „lasteraar” betekent].” Uit het verslag blijkt, dat degene die reeds een lasteraar was, betrekking had op Judas; „deze zou Hem verraden, ofschoon hij één van de twaalf was”. [zie Johannes 6:66-71]

 

In verband met dit voorval zegt Johannes: „Jezus wist van het begin af  wie het was die Hem zou verraden” [Johannes 6:L64]. Uit de in de Hebreeuwse Geschriften opgetekende profetieën was al bepaald, dat  Jezus door een metgezel verraden zou worden. [Psalm 41:9, 109:8 en Johannes 13:18,19]. Toch was Judas ertoe voorbeschikt om ontrouw te worden aan Zijn Meester zonder dat hij dat feitelijk wist. Jezus liet hem echter wel in die vrije keuze. [Zie verder Johannes 2:24 ben Openbaringen 1:1 en 2:23]. Judas moet niet echt geweten hebben dat hij de door Jezus genoemde „lasteraar” was, maar hij bleef met Jezus en de getrouwe apostelen rondreizen en veranderde zich blijkbaar niet. [hij was blind en ging te zeer  in op het wereldse koningschap van Jezus]

 

De Bijbel treedt niet in bijzonderheden over de beweegredenen voor Judas’ verdorven handelwijze, maar een voorval dat zich op 9 Nisan 32 G.T. voordeed, vijf dagen vóór Jezus’ dood, werpt misschien licht op de zaak. Te Bethanië, in het huis van Simon de melaatse, zalfde Maria, de zuster van Lazarus, Jezus met welriekende olie, die 300 denarii waard was (ongeveer het jaarloon van een arbeider)  [zie Mattheüs 20:2]. Judas maakte hiertegen ernstig bezwaar en zei dat de olie verkocht en het geld „aan de armen gegeven” had kunnen worden. Kennelijk beaamden de andere apostelen dit, daar het argument hun deugdelijk toescheen, maar Jezus bestrafte hen. In werkelijkheid maakte Judas bezwaar omdat hij de geldkist beheerde en hij „een dief was en geroutineerd was het [in de geldkist] gestorte geld weg te nemen”. Judas was dus een hebzuchtige gewoontedief [zie Johannes 12:2-7 en Mattheüs 26:6-12; ook Markus 14:3-8.]

 

Het Verradersloon

Judas voelde zich ongetwijfeld gegriefd toen Jezus hem wegens het gebruik van het geld bestrafte. Op dat moment ’voer de satan in Judas’. Dit wil waarschijnlijk zeggen dat de verraderlijke apostel bezweek voor de wil van de duivel en zich door hem als werktuig liet gebruiken om satans plan, Jezus te doden, uit te voeren. Enkele dagen later, op de 12e van de Nisan, ging Judas naar de overpriesters en de tempelhoofdlieden om te zien hoeveel zij hem zouden betalen wanneer hij Jezus aan hen verried; hierdoor trad opnieuw zijn hebzucht aan het licht. [zie Mattheüs 26:14-16 en Markus 14:10,11, Lukas 22:3-6 en Johannes 13:2]

 

De overpriesters waren op diezelfde dag met „de oudere mannen van het volk”, de invloedrijke mannen van het Sanhedrin, bijeengekomen. [zie Mattheüs 26:3] Misschien werden de tempelhoofdlieden erbij betrokken, omdat zij invloedrijk waren en om de beraamde arrestatie van Jezus een wettelijk tintje te geven. We kunnen ons hier de vraag stellen, waarom de joodse religieuze leiders voor het verraad van Jezus slechts dertig zilverstukken boden. Want Judas kreeg dertig zilverstukken (indien sikkelen: $66) aangeboden. [zie Mattheüs 26:14,15]

 

De’ religieuze leiders’ stelden waarschijnlijk deze prijs vast om hun verachting voor Jezus kenbaar te maken en te tonen hoe gering zij Hem achtten. Volgens Exodus 21:32 bedroeg namelijk de prijs van een slaaf dertig sikkelen. Ook Zacharias kreeg echter voor zijn werk als herder van het volk „dertig zilverstukken” uitbetaald.. De Heer versmaadde dit als een zeer gering bedrag en beschouwde het aan Zacharia uitbetaalde loon als iets waarmee het ontrouwe volk tot uitdrukking bracht hoeveel waarde God zelf in hun ogen had. [zie Zacharias 11:12,13].

 

Door voor Jezus dus slechts dertig zilverstukken te bieden, gaven de religieuze leiders te kennen dat zij hem van weinig waarde achtten. Terzelfder tijd vervulden zij echter de profetie van Zacharia 11:12 en bejegenden de Heer  geringschattend door op voornoemde wijze te handelen met degene die Hij [God] als Zijn vertegenwoordiger had uitgezonden om Israël te weiden. De verdorven Judas „stemde [met de prijs] in, en van toen af zocht hij een goede gelegenheid om [Jezus] aan hen te verraden zonder dat er een schare bij was”. [zie Lukas 22:6]

 

De laatste nacht met Jezus. Ondanks het feit dat Judas zich tegen Jezus had gekeerd [feitelijk onbedoeld!], bleef Judas bij Hem. Op de 14e Nisan 32 G.T. kwam hij met Jezus en de apostelen bijeen om het Pascha te vieren. Terwijl de Pascha maaltijd aan de gang was, bewees Jezus de apostelen nederig een dienst door hun voeten te wassen. De huichelachtige Judas liet zijn voeten eveneens door Jezus wassen. Maar Jezus merkte op: „Niet allen zijt gij rein” [Johannes 13:2-5,11]. Bovendien zei Jezus, dat een van de aan tafel aanliggende apostelen Hem zou verraden. Waarschijnlijk wilde Judas niet de indruk wekken schuldig te zijn en vroeg derhalve of hij het was. Als een verdere aanwijzing gaf Jezus Judas een bete en zei tot hem: „Wat gij doet, doe dat met nog meer spoed.” [Mattheüs 26:21-25, Markus 14:18-21, Lukas 22:21-23 en Johannes 13:21-30]

 

Onmiddellijk verliet Judas de groep. Uit een vergelijking van Matth. 26:20-29 en met Johannes 13:21-30 blijkt, dat Judas vertrok, voordat Jezus de viering van het Avondmaal des Heren instelde. Kennelijk heeft Lukas dit voorval niet in strikt chronologische volgorde opgesteld, want het lijdt geen twijfel dat Judas reeds was vertrokken toen Christus de apostelen prees omdat zij bij hem waren gebleven; dat kon van Judas niet worden gezegd. Bovendien zou Jezus hem niet zomaar in het „verbond voor een koninkrijk” hebben opgenomen. [Lukas 22:19-30].

 

Later vond Judas Jezus en zijn getrouwe apostelen in de hof van Gethsemane, een plaats die de verrader goed kende, want zij waren daar al eerder samengekomen. Judas voerde een kleine schare aan, onder wie zich Romeinse soldaten en een militaire bevelhebber bevonden. Het gepeupel had niet alleen knuppels en zwaarden bij zich maar ook fakkels en lampen, ingeval de volle maan door wolken werd bedekt of Jezus zich in de schaduw bevond. De Romeinen zouden Jezus waarschijnlijk niet herkend hebben, daarom begroette Judas de Heer door hem op huichelachtige wijze ’zeer teder te kussen’, hetgeen een van tevoren afgesproken teken was om hem te identificeren. [Matth. 26:47-49 en Johannes 18:2-12].

 

Pas later werd Judas door een enorm schuldgevoel gekweld. De volgende morgen wilde hij de dertig zilverstukken teruggeven, maar de overpriesters namen ze niet aan. Uiteindelijk smeet Judas het geld in de tempel. [Mattheüs 27:1-5].

 

Judas pleegt zelfmoord

Volgens Mattheüs 27:5 heeft Judas zich opgehangen. Handelingen 1:18 zegt: „Met het hoofd voorover neergestort, is hij met veel geluid midden opengebarsten, en al zijn ingewanden werden uitgestort.” [Deze dan heeft verworven een akker door het loon der ongerechtigheid, en voorwaarts over gevallen zijnde, is midden opgeborsten, en al zijn ingewanden zijn uitgestort.] De betekenis van deze tekst is als volgt: ‘dat hij verworgd is, zo is het gemeen gevoelen, dat hij zichzelven met een strop verhangen heeft, en dat hij alzo voorwaarts over óf in den strop is gevallen, óf de strop gebroken zijnde, voorovergevallen is en geborsten, en dat hij alzo zijn ingewand door een rechtvaardig oordeel Gods uitgestort heeft. Zie dergelijk voorbeeld ook in Achitofel!

 

Mattheüs schijnt het te hebben over de wijze waarop Judas een poging tot zelfmoord deed, terwijl Handelingen het resultaat beschrijft.  In verband met zijn dood rijst ook de vraag wie voor de dertig zilverstukken het veld heeft gekocht dat tot begraafplaats werd bestemd. Volgens Mattheüs 27:6,7 kwamen de overpriesters overeen dat zij het geld niet in de heilige schatkist konden werpen, dus hebben zij het veld ervoor gekocht. Maar het verslag in Handelingen 1:1         9 zegt over Judas: „Deze nu heeft met het loon voor onrechtvaardigheid een veld gekocht.” [En het is bekend geworden allen die te Jeruzalem wonen, alzo dat die akker in hun eigen taal genoemd wordt Akeldama, dat is een akker des bloeds.]

 

Het antwoord schijnt te zijn dat de priesters weliswaar het veld kochten, maar aangezien het geld van Judas kwam, de koop ook aan hem kon worden toegeschreven.  „Het was in die tijd niet geoorloofd voor de koop van heilige dingen onrechtmatig verdiend geld voor de Tempelschatkist aan te nemen. In zulke gevallen moest het geld volgens de Joodse Wet aan de schenker worden teruggegeven. Zou hij er echter op staan het toch te willen geven, dan diende men hem ertoe te bewegen het voor het algemeen welzijn uit te geven. Naar wettelijke fictie werd het geld nog steeds beschouwd alsof het van Judas was en alsof hij het had gebruikt om het bekende ’veld van de pottenbakker’ te kopen”  Deze koop hield wellicht verband met de vervulling van de profetie uit Zacharia 11:13.

 

Judas is deze weg moedwillig ingeslagen en daarbij hebben boosaardigheid, hebzucht, trots, huichelarij en intrige een belangrijke rol gespeeld. Naderhand voelde hij wroeging vanwege de schuld die hij op zich had geladen  In de laatste nacht van zijn aardse leven zei Jezus zelf in feite over Judas: „Het zou voor die mens beter zijn geweest als hij niet geboren was.” Later noemde Jezus hem „de zoon der vernietiging”.[Markus 14:21, Johannes 17:12 en Hebr. 10:26-29].

 

Judas door iemand anders vervangen

Op een tijdstip tussen Jezus’ Hemelvaart en de Pinksterdag van 32 G.T., zette Petrus aan een groep van ongeveer 120 bijeengekomen discipelen uiteen, dat het op grond van de profetie uit Psalm 109:8 passend scheen, om een vervanger voor Judas uit te kiezen. Men stelde twee kandidaten voor en wierp het lot over hen, waarop Matthias werd gekozen „om de plaats in te nemen van deze bediening en dit apostelschap, waarvan Judas is afgeweken om naar zijn eigen plaats te gaan”. [Handelingen 1:15, 16, en 20-26.] ‘Een slaaf van Jezus Christus, maar een broer van Jakobus.” Op deze wijze leidt de schrijver van de geïnspireerde brief die zijn naam draagt, zichzelf in. Hij was niet dezelfde als „Judas, de zoon van Jakobus,” een van de elf getrouwe apostelen van Jezus Christus [Lukas 6:16]. Hij noemt zichzelf „een slaaf”, maar niet een apostel, van Jezus en gebruikt hij de derde persoon „zij”  wanneer hij over de apostelen spreekt.[Judas 1:17,18]

 

Hoewel de christelijke Griekse Geschriften melding maken van meer personen die de naam Judas dragen, onderscheidt deze Bijbelschrijver zich duidelijk van de anderen door de naam van zijn broer te vermelden. Hieruit kan men opmaken dat zijn broer Jakobus onder de christenen goed bekend was. Slechts één persoon met deze naam schijnt zo’n belangrijke figuur te zijn geweest. De apostel Paulus noemde deze Jakobus een van de „pilaren” van de gemeente in Jeruzalem en „de broer van de Heer”  [Galaten 1:19, 2:9 en Handelingen 12:17, 15:13-21].

 

Derhalve was Judas blijkbaar een halfbroer van Jezus [Mattheüs 13:55 en Markus 6:3]. Deze Judas trachtte geen munt te slaan uit zijn vleselijke verwantschap met Jezus, maar noemt zich nederig „een slaaf van Jezus”.

 

Over het leven van deze Judas is bijna niets bekend. Klaarblijkelijk was hij aan het begin van Jezus’ bediening met zijn drie broers en zijn moeder Maria in Kana toen Jezus een wonder verrichtte, en later reisde hij met Jezus en zijn discipelen voor een korte tijd naar Kapernaüm. [Johannes 2:1-12]. Ruim een jaar later vergezelde hij naar alle waarschijnlijkheid Maria en zijn broers om Jezus te zoeken [Matth. 12:46 – zie ook Johannes 7:5].

 

Na de opstanding van Jezus verscheen Hij echter aan zijn halfbroer Jakobus. [1 Korinthe 15:7]. Ongetwijfeld heeft dit er veel toe bijgedragen dat niet alleen Jakobus, maar ook Judas en zijn andere broers ervan overtuigd raakten dat Jezus werkelijk de Messias was. Daarom hielden zij in de tijd tussen Jezus’ Hemelvaart en de Pinksterdag in 32 G.T. met de elf getrouwe apostelen en anderen in een bovenvertrek te Jeruzalem aan in het gebed. Schijnbaar bevonden zij zich eveneens onder de ongeveer 120 personen die bijeengekomen waren toen Matthias door het lot werd uitgekozen om de plaats van de ontrouwe Judas Iskariot in te nemen. [Handelingen 1:14-26]

  

Judas wordt door Thomas geïntroduceerd [GJE1-89-4]

De eerste discipel die Jezus volgde was Andreas (met nog een andere discipel, die Jezus volgden – en dit was Thomas). Dit was na de doop van de Heer door Johannes. Intussen zocht Andreas naargeestig naar Petrus, om hem ook te betrekken bij Jezus. Intussen ging Thomas naar zijn familie (in Bethabara); hij wilde eerst orde op zaken stellen en wat nog belangrijker was, dat hij naargeestig ‘ijveraars’ zocht voor Jezus. Hij wilde de kennismaking met Jezus doorvertellen aan zijn vrienden, wat later ook in het verhaal blijkt. Pas later voegde Thomas zich bij de intussen gegroeide groep discipelen van Jezus in Kana (op de berg) op het bruiloftsfeest.

 

Judas de ijveraar

Judas was een Jood, maar geen oorspronkelijke Galileeër. Zijn achternaam was Iskarioth. Tot op zekere hoogte was hij de ijverigste van al de volgelingen van Jezus.  Hij speelde voor rekenmeester en betaalde overal alles en gedroeg zich een beetje als een kwartiermeester en leider op die plaatsen, waar Jezus kwam. In het geheim wist Judas ook goede munt te slaan uit de daden en leringen van de Heer. Deze geldhonger maakte hem tenslotte tot datgene, wat hij geworden is, namelijk een verrader van de Heer.  [GJE1-89-4]

 

Judas, de redenaar

Thomas was de tweede apostel die in het begin – na de doop van Jezus – Hem volgde, samen met Andreas. In het rijtje der apostelen [of discipelen] komt hij echter op de zevende plaats en Judas als laatste. [Matth. 10:4] – Judas was erg gesteld en ging daarover met Jezus in een lange discussie. Deze uitgebreide uiteenzetting vinden we terug in het GJE1-94 over de vloek en de gevaren van het geld. Het karakter en sarcasme en de grote redenaarstalent van Judas, wordt uitvoerig in de GJE-’s vermeld. Zijn karakter wordt ook insinuerend genoemd [GJE1-95].

 

Slaaf van eigen zonde

De mens is een slaaf van zijn zonden. Judas zijn ziel is een duivel en wil van God de wijsheid leren; maar die gedachte zal hem niet veel goeds brengen, zegt Jezus tegen Thomas over Judas. De mens is een slaaf van zijn zonden. Judas zijn ziel is een duivel en wil van God de wijsheid leren; maar die gedachte zal hem niet veel goeds brengen, zegt Jezus tegen Thomas over Judas.  [GJE1-96]

 

Woordenwisseling  met Thomas

Vaak blijken Judas en Thomas met elkaar heftige woordenwisselingen te hebben en daaruit blijkt het karakter en de wil van Judas overduidelijk. [GJE1-95,96] Judas had wel eens vaker een grote woordwisseling met Thomas of met de anderen.  Thomas walgde van Judas, en Judas verontschuldigde zich over zijn gedrag. Judas zei tegen Jezus: ‘Heer, doden roept u uit de graven, en zij leven, waarom laat u dan mijn hart in het graf van het verderf te gronde gaan? Ik wil een beter mens worden en toch kan ik het niet, omdat ik mijn hart niet kan veranderen. Vormt u daarom mijn hart om en dan ben ik een ander mens’[GJE2-75] - ]. Zo vraagt Judas een keer Petrus of er in de buurt ook wijn te koop is. Waarop Petrus hem antwoordt: “Een paar landwegen gaans hiervandaan is een herberg; daar kun je wijn kopen! Waarop Judas hem nogmaals vraagt, of hij iemand kan sturen om een zak volle wijn te halen” [GJE1-101]

 

Judas de gulzige eter

Judas dronk blijkbaar graag wijn en was ook gulzig in zijn eetgedrag.  Eens at hij een zeven pond zware gebraden vis op, en kreeg hiervan maagpijn en beschuldigde de kok van een te oude gebakken vis. Petrus gaf hem ook een aantal lessen die bij Judas niet in goede smaak  vielen. Op een zekere dag vroeg Judas Petrus naar de visvangst. Petrus zei: ‘ga naar buiten en kijk om je heen!’Doch Judas zag slechts een zeer groot publiek en toen hij weer van buiten terugkeerde bij Petrus vroeg hij hem, waar de vissen dan wel mochten zijn, want hij had geen vis gezien. Daarop antwoordde Petrus hem, dat de blinden niets zien en de dommen niets begrijpen kunnen behalve dat, wat hun maag nog nodig heeft. Kijk dan om je heen Judas, zei Petrus: al  die duizenden mensen om het huis zijn de heerlijke goede vissen, die ik bedoel. [GJE1-114]

 

Judas, een slechte betaler

Van betalen was Judas niet bepaald een goede vriend. Want hoewel gulzig met het eten, kon hij ook matig zijn, bang voor een hoge rekening. [GJE1-122]

 

Ook Judas werd uitgezonden

Eens, toen alle twaalf discipelen werden uitgezonden en na enkele weken door de Heer op een zeer ongebruikelijke wijze teruggeroepen werden, was Judas de enige, die de terugreis door de lucht geen pretje vond. Judas beschreef dat zo: ‘dat ging zo ongelooflijk snel, dat ik van het aardoppervlak niets anders zag dan een razend snel voorbijschietende strook. Ik was het verste weg van iedereen, ver achter de overkant van de zee en te voet zou ik er vijf dagen over gedaan hebben. [Dit was Griekenland]. In een Grieks dorp was ik net klaar met mijn toespraak, maar men wilde niet zo bijzonder naar mij luisteren, hoewel ik al verscheidene van hun zieken heb genezen. Dat ergerde mij en ik verliet dat domme nest. Toen ik echter moederziel alleen het dorp zo’n duizend pas achter mij gelaten had, stak er een wervelwind op, en voor ik het wist, hing ik al hoog in de lucht. Toen joeg een ongelooflijke sterke windvlaag nog in mijn richting met een snelheid, zodat ik maar niet het geringste kon zien van wat er zich op de aardbodem bevond. Zelfs de zee zag eruit als een bliksemflits. Het was echter nog verbazingwekkender o Heer, toen ik na die enerverende luchteis hier heel zachtjes voor u neergezet werd. [GJE1-164]

 

Teveel slaap doet snel verouderen

In een gesprek met de Heer over het uitrusten zei Jezus tegen Judas: ‘Te lang slapen of nietsdoen werkt nadelig.’ Judas: ‘Heer, als dit zo is, dan moet de mens de slaap mijden als de pest; want tijdens de slaap rusten er toch ook een aantal levenskrachten, al zijn het dan ook uiterlijke!’ De Heer: ’Zeker, daarom zullen langslapers ook nooit zo bijzonder oud worden. Wie zijn lichaam in de jeugd vijf uur en als oudere zes uur slaap gunt, zal ook meestal een hoge leeftijd bereiken en lang een jeugdig uiterlijk, terwijl een langslaper gauw veroudert, een rimpelig gezicht krijgt en grijze haren en er op latere leeftijd als een schim uitziet. Zoals het lichaam echter door te veel slaap steeds meer afsterft, net zo en nog veel sterker uit zich dat bij de ziel, als ze steeds meer nalaat om volgens Mijn Woord en wil bezig te zijn. [GJE1-220]

 

Judas over mediums

Judas had veel geweldige tovenaars en geestenbezweerders en geestenverdrijvers gezien; die hebben met de zielen van gestorvenen gesproken en deze spraken echt en zeiden verborgen dingen. De vraag van Judas was, hoe deze dan in het geestenrijk zijn binnengedrongen? Dat is dan toch ook wel een soort van geestelijke wedergeboorte? De Heer: ‘Ja, maar nietr voor de hemel, die Gods troon is, maar voor de hel, waar de satan en zijn dienaars wonen.’ [GJE1-226]

 

Judas een dief

Judas kon het niet laten om een pond goud in staafvorm te bekijken en daarop werd hij betrapt. Judas, zei de Heer: ‘zo lang je bang bent voor de wettelijke gevolgen, gedraag je je openlijk nog niet als een dief; maar in je hart ben je het al lang. Als Ik nu alle wetten zou opheffen, dan zou jij als eerste naar de schatten grijpen!’ [GJE2-2]

 

Judas, de betaalmeester

Van de leerlingen, die Mij van Bethabara, waar Johannes doopte, gevolgd waren, ging alleen Thomas naar huis met het voornemen daar nog meer volgelingen voor Mij te werven, wat hij dan ook deed. Maar daaronder was ook een zekere Jood, die geen oorspronkelijke Galileeër was, genaamd Iskariot, die Mij later verried. Deze was tot aan dat bepaalde moment de ijverigste van al Mijn volgelingen. Hij speelde voor betaalmee­ster, betaalde overal alles en gedroeg zich een beetje als kwartiermeester en leider op die plaatsen, waar Ik vervolgens heentrok. Maar hij wist in het geheim ook goede munt te slaan uit Mijn daden en leringen, en deze geldhonger veranderde hem tenslotte in dat, wat hij geworden is, namelijk een ‑ verrader van Mij! Petrus en de andere leerlingen, die Mij ook reeds vanaf Bethabara gevolgd waren, bleven echter. [bron: GJE1-89]

 

Heeft Judas uit de kelk gedronken?

Judas was de derde die het H. Sacrament van Jezus ontving. Het is de vraag of hij uit de kelk gedronken heeft, waarschijnlijk nog wel. Judas zou bij het Sanhedrin gezegd hebben dat Jezus voortijdig het H. Avondmaal bediende, maar Nicodemus bewees Kajafas uit schriftrollen, dat dit gebruik van afscheid een oude gewoonte was. Ook Judas voeten werden gewassen (Joh.12:10) – dit was na het eten van de Paaslam. Dat de Evangeliën dit verhaal niet in de volgorde beschrijven verklaart de schijnbare tegenspraak. 

 

Het getal 666

Getal 666 is het getal dat bestaat uit 600, 60 en 6 delen. De echt dienende  mens zorgt 6-voudig voor zichzelf, 60-voudig voor zijn naasten die hem welgezind zij n en 600-voudig voor zijn Heer. [GJE2-77]

 

Judas, de bijgelovige

Judas prijst de wonderen van de Essenen, maar Bartholomeus, die zich daar eens liet inwijden, opent de ogen van Judas. Judas blijft echter bijgelovig. Want als hij niet door Jezus op zijn manier wordt ingewijd, dan is dat volgens hem nog steeds mogelijk bij de Essenen. [GJE2-97-99]

 

Spreken op het juiste moment

Judas maakt zich druk over al die zieke mensen, maar de wijze Nathanael zegt tegen hem, dat nu eens een verstandige zet van hem zou zijn, iets wat ik altijd bij je gemist heb. Spreken op het juiste moment is een goede zaak voor iemand, die iets te zeggen heeft en spreken kan, maar voor een domme is volmaakt zwijgen nog veel beter [Mattheus 15:30 en GJE2-171]

 

Over wie Jezus echt is

Judas is daarover met Thomas in gesprek. Dus jij Thomas houdt Hem dus alleen maar voor een profeet? Thomas tegen Judas: ‘Ja, maar wel de grootste, die de Aarde ooit gedragen heeft.’ [GJE2-176]

 

Niet in de ogen kijken

De jonge Jara over Judas: ‘Ík vertrouw namelijk nooit die mensen, die iemand, waarmee ze spreken, niet in de ogen kunnen kijken.’ [GJE2-204]

 

Judas profeteert over de toekomst

Ik zeg je Thomas, de hemelse vredesleer zal binnen niet al te lange tijd over de gehele aardbodem de grootste onvrede zaaien en volkeren onderling, de onverzoenlijkste ruzie, onenigheid en in oorlogen storten!!! [GJE3-108]

 

Mathaël over Judas

“Zijn ziel komt niet van boven en zijn geest is te iel en te zwak om zijn harde, wereldse ziel te verzachten net als die van jullie tot leven te brengen [GJE3-109]

 

Het leven van Judas Iskarioth

Dit wordt uitvoerig in het Grote Johannes Evangelie besproken. Al gauw werd toen ook over een verkeerde opvoeding gepraat, want deze aanleiding was namelijk het gedrag van Judas. [GJE4-126]

 

Judas geldzucht

Zijn geldzucht wordt benadrukt in het GJE5-196 en 273

 

Judas wordt aanbevolen een poosje naar zijn huis te gaan

Tijdelijk verblijft Judas op aanraden van de Heer in zijn eigen huis en komt dan weer terug. [GJE6-26,34]

 

De kinderen van Judas

Zijn eigen kinderen geven geen goede getuigenis over hun vader. Zelfs MARIA zei al gauw daarna tegen Judas Iskariot: 'Als je zo doorgaat en je hart niet verandert, zal je einde een verschrikking zijn voor velen en tot aan het einde der wereld in de gedachtenis van de mensen blijven. Neem je daarom voortaan goed in acht om te kunnen voldoen in de ogen van de Heer! Ik heb over jou nog nooit een goede droom gehad en zie nu ook waarom. Daarom zeg ik nog een keer: Zorg dat je voldoet in de ogen van de Heer!’ Deze woorden bewaarden alle leerlingen diep in hun hart…(GJE6-35, 36)

 

Waarom koos de Heer Judas als apostel?

Judas werd ook vanwege het goede en niet vanwege het slechte door Jezus als aankomende zendbode met de andere elf uitgekozen. Hij sprak het meest met Nathanaël, waar hij goed mee kon opschieten en praatte ok veel met Thomas. [Johannes 6:71] – Hij was welbespraakt en het was moeilijk om met hem te redetwisten. Hij was vaak tegendraads. [GJE6-47]

 

Elders zegt Jezus tegen Judas: ‘Ontdoe je van je oude Adam!’ [GJE9-100]

 

De elf discipelen niet ingenomen met Judas

De andere elf discipelen waren niet echt ingenomen met Judas. De Heer zei: ‘Ik heb jullie bij een bepaalde gelegenheid al eens duidelijk gezegd, dat één van jullie een duivel is, en jullie hebben wel in jezelf begrepen, wie Ik bedoeld heb. Maar toch heb Ik daarom nooit tegen hem gezegd, dat hij weg moet gaan, want ook de duivel heeft zijn vrije wil, die hem niet afgenomen wordt.’[GJE9-135]

 

Een vraag over Judas Iskariot

De opperstadsrechter [vlakbij een stadje in het gebergte van Nebo] vroeg Mij: 'O Heer en Meester, hoe is het mogelijk dat die man onder Uw leerlingen is opgenomen? Want kijk, ik vraag U dat niet zomaar; die man is mij met mijn scherpe blik van een rechter direct opgevallen, omdat hij niemand recht in het gezicht kon kijken en ook bij Uw buitengewoon goddelijke woorden en voordrachten geheel afzijdig duister voor zich uit keek en met geen enkele gelaatsuitdrukking blijk gaf van enige verbazing of bijval! Ook zei hij geen woord waaruit men had kunnen opmaken wat voor redenaarstalent hij bezit, terwijl alle andere leerlingen toch over en weer praatten, deels met Uzelf, deels ook onder elkaar. Kortom, ik moet U zeggen dat die leerling van U mij absoluut niet bevalt.

 

Als ik er zo een onder mijn vele dienaren had, zou ik hem allang ontslagen hebben. Uit welke stad is hij eigenlijk afkomstig?' Ik zei: 'Hij is een Galileeër en van beroep pottenbakker. Hij is van al Mijn leerlingen het meest bedreven in de Schrift en als leraar een begaafd redenaar; maar hij is daarbij zeer geldzuchtig, en dat is de eigenlijke duivel in hem die hij niet kwijt zal raken -want alle soorten duivels en boze geesten zijn, als ze het hart van een mens eenmaal in hun greep hebben gekregen, gemakkelijker uit de mens te verwijderen dan de gierigheidsduivel.

 

In iedere andere slechte geest zijn nog vonkjes van enige naastenliefde te vinden, maar bij de gierigheidsduivel niet; daarom is hij ook de hardnekkigste en doordringt hij de hele mens net zolang tot die helemaal aan hem gelijk wordt, en dan kan hij die mens het beste voor de meest schandelijke daden gebruiken. Laat iedereen zich dus vooral hoeden voor gierigheid; want iede­re zondaar zal gemakkelijker en eerder het rijk Gods binnengaan dan een gie­rigaard!’ De opperstadsrechter zei: ' Als Uw leerling van dat soort is en U toch almachtig bent, stuur hem dan van U weg! Want wat heeft zo iemand in Uw gezelschap te maken?'

 

Ik zei: 'Juist omdat Ik de Heer ben en almachtig, moet Ik - met name op deze aarde, die een kweekschool voor Mijn kinderen is - ook de duivels even­goed dulden als de engelen; want niemand kan zonder een volkomen vrije wil Mijn kind worden, en voor de duivel zelf is de weg tot ommekeer niet volkomen versperd. je zult derhalve ook inzien dat Ik een leerling, aan wie Ik overigens geen welgevallen heb, zolang in Mijn nabijheid duld als hij daar zelf wil blijven; wil hij echter vandaag van Mij weggaan, dan zal hij door niemand uit Mijn gezelschap tegengehouden worden. Overigens, als hij niet verandert, zal hij binnenkort zijn loon wel krijgen. Maar laten we nu ophouden over die afwezige leerling, want er zijn immers nog andere dingen die wij moeten bespreken!’ [GJE10-223]

 

Judas geen slecht mens

Op zichzelf was Judas geen slecht mens. In Jericho deed hij zijn verhaal de ronde over de opstanding van Lazarus en iedereen luisterde met opperste verbazing. Zo droeg Judas veel bij aan het bekend worden van de leer van Jezus. Maar, dat, wat hij aan de medediscipelen vertelde, als hij terugkwam van zijn missie, was voor de helft echter waar en Jezus sprak hem daarop een keer aan. Judas had, als hij onderweg was met zijn redevoeringen, hier altijd een zekere bijbedoeling mee, dat hij namelijk een deel van de bewondering voor de wijsheid van Jezus, dit naar zichzelf toe wilde trekken. [GJE11-43]

 

Judas, een goed mensenkenner

Judas was een goed mensenkenner. In Jericho had hij gelegenheid genoeg gekregen om zich persoonlijk van koning Herodes en zijn wrijvingen met de Romeinen op de hoogte te brengen. Judas merkte ook al gauw waar de grote interesse van Herodes naar uitging. Later deed hij dan ook veel moeite om Jezus met zijn schitterende redenaarstalent de noodzaak van een uiterlijke bevrijding van het volk duidelijk te maken, waarbij hij zinspeelde op ondersteuning van Herodes. [GJE11-61]

 

Judas commentaar op de dure olie van Maria

Toen wij daar nu allemaal nog zwijgend zaten na het betoog van Judas, waarbij ieder met zijn eigen gedachten bezig was, ging de deur open en Maria, de zuster van Lazarus, kwam binnen. Met haar ogen op Mij gericht kwam ze naar Mij toe, zonder zich om de aanwezigen te bekommeren. Ze zonk neer aan Mijn voeten en bedekte die met kussen. Daarna nam ze een fles kostbare nardusolie, brak die open en zalfde met de olie Mijn voeten, die ze toen met haar lange haren weer droogde. Daarbij huilde ze luid en vroeg Mij met ontroerende stem deze zalving toch toe te laten.

 

Het is weinig bekend dat alleen zeer voorname personen zich een derge­lijke luxe konden veroorloven; want evenals het veelvuldige wassen van de voeten in die tijd een absolute noodzaak was, omdat het dragen van schoenen door de meesten die niet zo bemiddeld waren afgewezen werd, was ook het herhaaldelijk zalven van de voeten noodzakelijk om de huid soepel te hou­den. Nu had nardusolie speciale opwekkende eigenschappen, rook heel lieflijk en werkte buitengewoon verfrissend, maar was vanwege zijn geliefde en bij­zondere eigenschappen heel duur, zodat een dergelijke voetwassing tot de zeer uitzonderlijke luxe behoorde die alleen heel rijke mensen zich konden veroorloven.

 

Het huis werd helemaal vervuld van de geur van de olie, wat een teken was van de uitzonderlijke kwaliteit ervan, zodat Judas, die steeds erg op het geld lette, niet kon nalaten op te merken: 'Had men de zalf niet beter kunnen verkopen en met de opbrengst vele armen te eten kunnen geven?! Waarom heeft de Heer zulke olie nodig; Hij bezit immers de kracht om Zich ook zon­der die olie ieder moment te kunnen verfrissen?!'

Dat zei hij echter alleen maar uit gierigheid, omdat Lazarus' rijkdom hem een doorn in het oog was en hij vaak de gelegenheid te baat nam om erop te wijzen dat de rijken zwolgen, terwijl rechtschapen Israëlieten nood moesten lijden.

 

Maar Ik antwoordde daarop, wijzend op Maria, die daar nog knielde: 'Wat zij heeft gedaan, heeft ze uit liefde gedaan, en Mij is ieder offer aangenaam als het uit een liefdevol hart komt. Met deze daad heeft zij niet zozeer Mijn lichaam als wel Mijn ziel gesterkt; want waar zoveel liefde wordt geschonken, zal Ik op Mijn beurt door die liefde nog meer liefde aan de mensheid geven. Zij heeft zich daardoor het recht verworven om Mij voor de dag van Mijn begrafenis de nodige kracht te geven die Mijn ziel nog nodig heeft om het zwaarste te overwinnen. En daarom zal haar daad van liefde nooit worden vergeten, en waar jullie Mijn evangelie verkondigen, moeten jullie ook haar niet vergeten! Laat haar daarom met rust!' (GJE11-62)

 

Het eerste verraad van Judas

Nu vroeg Petrus Mij of Ik van plan was morgen naar de stad te gaan en in de tempel te spreken. Toen Ik dat beaamde, raadde hij het Mij dringend af, omdat hij in de herberg reeds verschillende tempeljoden had gezien die Mij met vijandige blikken bekeken en in ieder geval kwaad tegen Mij in de zin hadden. Daarop zei Ik tegen hem: 'Vanwege het volk moet Ik erheen, en niemand zal Mij dat beletten; want alleen omwille van het volk ben Ik hierheen geko­men, opdat het verlost wordt!’ Toen Judas dat hoorde, stond hij heimelijk op en verdween, zonder dat iemand anders dan alleen Ik dat wist. Hij liep naar buiten naar het volk dat in en bij de herberg was toege­stroomd, en vertelde aan iedereen dat Ik er was en dat Ik morgen naar de stad zou komen. Zij moesten ervoor zorgen dat het bekend raakte: de Heiland van Nazareth zou naar het feest komen.

 

Onder de vreemdelingen in de stad waren er velen die juist omwille van Mij naar het feest waren gekomen, omdat ze meenden dat ze Mij dan zeker zouden zien. Omdat bekend was dat Ik bij Lazarus verbleef, hadden ze boden gestuurd om te weten te komen of Ik daar was, en wat Ik besloten had te doen. Nu hoorden ze door het eerste verraad van Judas wat Ik van plan was en ze vertelden het heel snel rond in de stad. (Joh. 12:9)

 

Hij ging zelf ook naar Jeruzalem naar de verschillende herbergen, waar hij vreemdelingen en inwoners ertoe trachtte te bewegen Mij tegemoet te gaan, wanneer Ik morgen op het feest zou komen. Omdat het aantal van Mijn aanhangers zeer groot was, raakte het ook heel snel overal bekend, vooral omdat er voor het volk niets belangrijkers in Jeruzalem was dan Mijn optreden in de stad. nTerwijl dit in de stad in voorbereiding was, zaten wij heel rustig in het huis van Lazarus en spraken nu over meer onbelangrijke dingen, toen Petrus uit­eindelijk opmerkte dat Judas niet meer aanwezig was. Hij maakte er de ande­re broeders eerst op attent, en vroeg toen direct aan Mij waar Judas heen was gegaan.

 

Daarop antwoordde Ik dat hij zich niet om hem moest bekommeren. Wat hij deed, deed hij uit vrije innerlijke drang, en dat had niets gemeen met wat de leerlingen aanging.

Hij vroeg nu ook niet verder, maar uitte alleen zijn ongenoegen over het feit dat die man toch steeds terugkeerde, terwijl ze allemaal zo vaak hadden gehoopt dat ze hem niet terug hoefden te zien. Lazarus vond: 'Als de Heer hem weg wilde hebben, zou dat voor Hem beslist niet moeilijk zijn. Maar omdat Hij hem steeds toestaat om in Zijn nabijheid te blijven, is hij vast en zeker ook voor grote dingen uitverkoren, en daarom past het ons niet een oordeel te vellen, maar om ons daarvan te ont­houden.’ (GJE11-63)

 

De intocht in Jeruzalem

Toen vroegen de leerlingen, onder wie ook Judas zich weer bevond, die tegen de ochtend heimelijk terug was gekomen: 'Heer, hoe bedoelt U dat, en waarmee kunnen wij ons tegen de vijand beschermen?' Ik zei: 'Zie toe, en open jullie zielen voor het licht van de wijsheid, dan zullen jullie nu begrijpen waarvan de profeten hebben gesproken! Heb alleen God lief en niet de wereld, dan zullen jullie jezelf ook tegen alle aanvallen kunnen beschermen!’ Hierop wendde Ik Mij naar de richting van Jeruzalem en riep luid: 'Maar jij, dochter van Sion, maak je gereed om je koning te ontvangen!'

 

Na deze woorden kwam de zon helder stralend op met een glans, zoals nog nooit was gezien, en op hetzelfde ogenblik zagen Mijn leerlingen ­behalve Judas, die opgewonden terzijde stond - met geestelijke ogen, hoe zich in de ether een grote, omvangrijke stad vormde, die een evenbeeld was van het aardse Jeruzalem, maar veel prachtiger. Wijd waren de poorten geopend, en een onafzienbare menigte prachtige menselijke gestalten stonden daar vol verwachting, alsof ze op een vorst wachtten die daar binnengehaald zou wor­den. Slechts korte tijd duurde dit geestelijke visioen; daarna verdween het beeld, en Ik zei tegen hen: 'Daar wordt de Zoon verwacht en zal Hij van nu af aan tronen in eeuwigheid. Het is billijk dat ook de Zoon des mensen ver­hoogd wordt. Kom en volg Mij!'

 

De discipelen vragen Jezus welke weg Hij zal gaan

Judas, die deze woorden had gehoord, zei glimlachend: 'Vriend, de Heer weet wel welke weg Hij moet gaan! Niet naar de hel, maar tot roem en eer van Zijn volk bewandelt Hij de weg van de Gezondene Gods!' Vol geestdrift keek hij naar Mij; want Mijn luide woorden leken hem de bevestiging te zijn van al zijn wensen, zodat hij de weg open zag liggen naar alle eer, die ook hij zou ontvangen als wegbereider van de Messias, die veel aan hem te danken zou hebben. Petrus keek verbaasd naar Judas, die zo'n trotse, zelfbewuste houding toonde, maar hij zweeg, omdat het hele gebeuren van deze morgen hem heel vreemd voorkwam, en samen met de andere elf zette hij nu rustig zijn weg voort… (GJE11-66)

 

Judas voor de Hoge Raad

Dit is uitvoerig te lezen in GJE11-70

 

Laatste avondmaal

Johannes 13 beschrijft het laatste avondmaal en wie de verrader is.

 

Judas verbijsterd

Judas, die nu inzag dat alles waarschijnlijk anders leek af te lopen dan hij had gedacht, zag hoe Ik weggeleid werd, en volgde de stoet verbijsterd en vol vrees over het welslagen van zijn bedoeling. Hij wilde ook met Mij tot de hogepriester doordringen, maar de toegang werd hem ontzegd. Natuurlijk vielen allen hem onmiddellijk bij; want in de Raad waren alleen diegenen bijeen, van wie Kajafas wist dat zij hem toegewijd en volg­zaam waren. Voor degenen die Mij op een of andere manier vriendelijk gezind waren -wat bij de laatste zittingen al was gebleken -was de bedoeling Mij gevangen te nemen en het verraad van Judas verborgen gehouden. Het doodsoordeel was daarom ook snel klaar, en het ging er alleen maar om de goedkeuring van Pontius Pilatus te verkrijgen. (GJE11-73)

 

Jezus wordt weggevoerd

Toen Ik nu weggevoerd was naar Golgotha, in die tijd de algemene plaats van terechtstelling van Jeruzalem, kwam Judas Iskariot totaal wanhopig toe­gesneld en probeerde door de ring heen te breken die de tempelwachters rond de plaats hadden gevormd. Hij werd met geweld teruggedreven en bleef met starende ogen dichtbij staan kijken, nog altijd hopend dat er iets buiten­gewoons zou gebeuren dat Mij zou bevrijden. Hij was steeds in de buurt geweest toen Mijn veroordeling plaatsvond, en naarmate het hem duidelijker werd dat Mijn kracht hier ofwel verdwenen was of niet door Mij werd gebruikt, groeide zijn angst. Ten slotte rende hij terug naar de Hoge Raad om het geld terug te geven, en daarbij zei dat hij onschuldig bloed had verraden en zichzelf hevig aan­klaagde. Natuurlijk werd hij vol hoon afgewezen, met de opmerking dat hij maar moest zien hoe hij met zichzelf in het reine kwam.

 

Vol vertwijfeling wierp hij het geld in de kist voor de aalmoezen van de tempel en rende naar buiten, zich nog altijd vastklampend aan de zwakke hoop dat Ik Mijzelf zou bevrijden, voordat het ergste zou gebeuren. Toen hij nu zag hoe Mijn lichaam op de grond gegooid en op het kruis gelegd werd, toen hij de hamerslagen hoorde die de spijkers door Mijn vlees in het hout dreven, schreeuwde hij het uit en rende onmiddellijk weg. Zonder een blik achterom te werpen rende hij naar een eenzaam gebied, waar hij zich met het koord van zijn kleed aan een vijgenboom ophing. Hij had zijn dwaling, zijn geldzucht en zelfzucht duur betaald. Over hoe het daarna met hem is gegaan, zal nog een keer bericht worden.

Pas enkele dagen na zijn dood werd zijn lijk gevonden, dat van het koord was losgeraakt en gevallen en waar honden en jakhalzen aan knaagden. Op diezelfde plek werd hij ook begraven. (GJE11-74)

 

Vermaakgeesten in de mens

Geschiedenis en aardrijkskunde zouden zulke mensen nader tot het goddelijke brengen, terwijl ze door de hierboven aangegeven moderne opvoeding met huid en haar zonder genade of pardon regelrecht naar de onderste hel gevoerd worden. En dat alles is het gevolg van de al in de vroegste jeugd ingewortelde en het vlees in bezit genomen hebbende speelduivel, die tot de allerhardnek­kigste behoort, want hij verenigt in zich speelzucht, behaagzucht, voortdurend verlangen zich te vermaken, materieel winstbejag en daarmee verkapte heerszucht. Deze duivel is het allermoeilijkst uit het mensenvlees te drijven en gaat bijna op geen andere manier eruit, dan zoals hij bij Judas Iskariot is uitgedreven, die nog veel beter was dan de beste modegek tegenwoordig [AARDE EN MAAN 1-60]

 

Twaalf spelers die om elf penningen gokken

In de Jeugd van Jezus lezen we het verhaal over de twaalf spelers die om elf penningen gokken. Dit was overigens een profetische verwijzing naar de latere Judas Iskarioth, hetgeen gemakkelijk is in te zien. [JJ290-27]

 

Martinus over de kruisiging

De bisschop Martinus betreurde het, dat de Joden Jezus niet herkend hebben. Hadden toch de Joden maar zo gesproken, toen U op aarde kwam. Dan zou er geen Judas zijn geweest om U te verraden en geen Kaiphas en Pilatus om U te laten kruisigen. Want ook daar kwam U in Uw volledige eigendom, maar de Uwen hebben U niet herkend zoals nu deze vreemdeling hier in deze wereld! Maar wat gebeurd is, kunnen mensen niet meer ongedaan maken! Vergeef daarom, 0 Gij beste Vader, allen die niet weten wat ze doen - tot wie ik helaas ook de eer heb te behoren!' [Bisschop Martinus 1-167-13]

 

Hoe Judas zijn Meester verried

Zo verried ook Judas zijn Meester, Heer en God, omdat hij de leer van het heil slechts opnam in zijn uiterlijke geesten, die hun zetel hebben in het verstand en van daaruit in allerlei verlangens. Daardoor lokte hij zijn eigenlijke levensgeest uit zijn innerlijke woning en opende deze voor de satan, die er vrij kon binnentrekken. Het gevolg daarvan is al zo bekend, dat ik het jullie niet opnieuw behoef te vertellen. [Hemel en Hel 1-60-10]

 

Is Judas verloren gegaan?

Jezus in gesprek met iemand over de geestelijke toestand van Judas in het hiernamaals. Jezus antwoordde daarop: ‘De man die naast jou zit, is vader Adam, zoals hij ongeveer zesduizend jaar geleden op aarde als eerste geschapen mens, heeft geleefd. Naast hem zie je Noach en daarnaast vader Abraham, dan Isaak en Jakob. Dan zie je er nog twee: de eerste is Mozes en de andere David. De ernstig uitziende mannen die op deze zeven volgen, zijn de jou welbekende twaalf apostelen (Met inbegrip van de volgens Handelingen 1, 26 erbij gekozen Matthias..) Achter hen staan nog twee apostelen: de voorste is Paulus en die daar wat achter hem staat is Judas, die Mij verraden heeft. De anderen ken je zonder meer. En nu weet je dus in wat voor een beslist zeer merkwaardig gezelschap je je bevindt… [Hemel en Hel 1-79-2]

 

Thomas bij de Heer in de geestelijke Hemel

Thomas zegt: 'O eeuwige Heiland van alle zieke zielen en geesten, een maaltijd die Uzelf voor Uw verdienstelijke dienaren bereid hebt, ben ik toch niet waardig! Dat zou te veel erbarming voor mij zijn, omdat ik op aarde steeds grof gezondigd heb tegenover U. Het huis wil ik wel binnengaan, maar deelnemen aan zo'n heilige maaltijd zou ik nooit durven, omdat ik daar al te gemakkelijk het lot van Judas Iskariot zou kunnen ondergaan en dat zou toch iets heel verschrikkelijks zijn.'

 

Ik zeg: 'Mijn dierbare Thomas, je bent nog erg dom! Ik droeg Judas niet op met Mij het brood in de schotel dopen, want Ik wist dat het hem tot oordeel zou strekken, omdat hij onwaardig was met Mij het brood des levens te eten. Jou echter nodig Ikzelf uit, omdat Ik in jou niets onwaardigs ontdek, en daarom kun je zonder bezwaar doen wat Ik nu van je verlang. Bovendien houdt hier iedere gerechtelijke toerekening op, omdat iedere daad hier zonder meer zijn gevolgen heeft in overeen­stemming met de geest waarin hij werd begaan. Omdat iedere geest naargelang zijn daden hier volkomen eigen rechter is, heb je ook van geen enkele kant een vreemde invloed meer te duchten. Wat jij wilt, zul je ook doen, en dat handelen zal jou oordelen overeenkomstig jouw wil, die de eigenlijke drijfveer is van iedere handeling. [Hemel en Hel 1-126-23 en 1-127-1]

 

De onverzadigbare geldbuidel

Wie van jullie heeft ooit God gezien en met Hem gesproken? Wie van jullie kan met een zuiver geweten zeggen dat hij door God is onderricht? Ja, jullie hebben wel Gods Woord gelezen, maar hebben het verdraaid en ervan gemaakt wat jullie maar wilden, opdat het dan jullie onverzadigbare geldbuidel spekte... en dat is nu jullie nacht! Judas verried slechts eenmaal de Heer, omdat hij zich door satan had laten overwel­digen, waarna deze bezit van zijn lichaam nam en hem doodde. Nu vraag Ik jullie: is Judas niet een grote heilige vergeleken bij jullie, die God dag in dag uit ten overstaan van heel de wereld wel honderd keer hebben verraden?

 

Jullie allen hebben Judas, die Mij slechts éénmaal verried en spoedig daarop het diepste berouw voelde, in de hel geplaatst. Waar moet Ik jullie, miljoenvoudige verraders van God, dan laten? Jullie noemen Mij een ketter; wat zijn jullie dan, miljoenvoudige godslasteraars en godloochenaars? Wat willen jullie hier?' Na deze toespraak staan de drie afgezanten totaal perplex en niemand weet tegen de anderen een zinnig woord uit te brengen. Zij bekijken Mij van top tot teen en weten niet, wat ze van Mij moeten denken, want Mijn woorden komen hun voor als gloeiende pijlen en ze erkennen daarin de diepe wijsheid. [Hemel en Hel 2-270-12]

 

Judas door de tempel uitbetaald

’Ook Judas is door de tempel met geld uitbetaald geworden. Hij wierp aan het einde van zijn leven dit bloedgeld weer in de tempel terug. Dit tot een grote getuigenis, omdat de tempel reeds van oudsher een moordkuil was van Gods Geest.’ [Geestelijke Zon 1-70-4]

 

Judas in het hiernamaals

’Je vraagt weliswaar ook hier naar die Judas, of hij eveneens bij de tafel zal zijn. Wat denk je wel, of de verrader zich hier zou willen  bevinden? De prior spreekt: O heer, U allerliefste heilige Vader! Ik weet wel, dat Uw gerechtigheid zo groot is als Uw liefde, genade en erbarming. Maar dit alles ongeacht, moet ik U openlijk bekennen, dat het mij toch wel wat hard voorkomt, als ik deze verloren apostel in de ernst voor eeuwig missen moest. Want u hebt immers zelf gezegd, dat deze ene verloren ging, daarmee de Schrift vervult werd. Deze tekst heeft mij dan ook heimelijk betreffen dit opzicht van deze ongelukkige aposten steeds met een kleine troost vervult. Want ik zei bij me zelf: Die Judas moest misschien, indien ook volgens zijn vrije keuze, ook zo U  tot een dienend werktuig zijn, dus een apostel der doden, daarmee juist door zijn verraad U zeker van eeuwigheid een voorbestemd heilig plan in de allerheiligste uitvoering kwam! – Zie, o Heer, U allerliefste heilige Vader! Zulks vloeide dan steeds door mij een zalige hoop voor de arme ongelukkige apostel.’

 

’De prior, bijna van liefde tot de heer bezwijkend, spreekt: ‘O heer, U alleroneindigste liefdevolste, allerheiligste Vader! Waarlijk, ik heb U mij wel al die tijd als allerhoogst liefdevol en eindeloos goed voorgesteld. Dit terzijde heb ik mij echter nooit durven te denken, dat Uw oneindige erbarming, genade en liefde zich ook tot Judas zou strekken. Want op aarde had ik mij met zulk een gedachte zeker voor grove zonde aangezien. Maar nu zie ik, hoe eindeloos ver Uw oneindige goedheid, genade en erbarming alle menselijke voorstellingen overtreffen…’ (Geistige Sonne 2-7-10,12)

 

’Nog meer echter was ik al die tijd daardoor gekalmeerd, toen ik bedacht, hoe U aan het kruis Uw Vader in U voor al Uw vijanden om vergeving bad. Daar kon ik toen de arme Judas ondanks zijn zelfmoord niet uitsluiten. Hiervoor was ook toch kennelijk aan deze van zijn laatste daad volgens de Schrift de in hem varende duivel schuldig aan. Daarom zou ik wel ook deze apostel, indien niet hier, maar zo zeker toch minstens ergens anders niet in de hoogste graad van ongeluk wanen.

De Heer spreekt: hoor, mijn geliefde zoon, er bestaat niet één, maar twee Judas Iskariot. De eerste is de mens, die met Mij op Aarde leefde, en de andere is de satan, die in zijn toenmalige vrijheid zich deze mens renteplichtig had gemaakt. De tweede Judas Iskarioth is wel nog helemaal de grond van de allerdiepste hellen, - maar niet dus de mens Iskariot, want deze was het vergeven. En in hoeverre, dan hoef je maar om je heen te kijken. Want degene, die zojuist met je broeder spreekt en nu ook een liefdesverraad begaat, indien hij je broeder alvast in het vooruit Mij grote liefde toont, is juist die Judas Iskarioth, waarom hij zo bezorgd was. Ben je nu tevreden met Mij?’ (Geestelijke Zon 2-7)

 

’Aan de rechter kant van de arme broeder van de prior zit Judas en na hem nog enige anderen, die Ik hier nog niet noemen wil. Verderop zien jullie ook onze Jozef en naast hem Maria; naast Maria Magdalena en een nog andere jullie welbekend vrouwelijk wezen. Daarnaast zien jullie Lazarus, Nikodemus en nog enkele grote vrienden van de Heer’ [Geistige Sonne 2-7-15]

 

’Ik duld ook geen vrouw, die mij tot meer ergernis is dan Iskariot.’ (Himmelsgaben 3-42-12-17-4)

 

Kennis van geschiedenis en aardrijkskunde

Geschiedenis en aardrijkskunde zouden zulke mensen nader tot het goddelijke brengen, terwijl ze door de hierboven aangegeven moderne opvoeding met huid en haar zonder genade of pardon regelrecht naar de onderste hel gevoerd worden. En dat alles is het gevolg van de al in de vroegste jeugd ingewortelde en het vlees in bezit genomen hebbende speelduivel, die tot de allerhardnekkigste behoort, want hij verenigt in zich speelzucht, behaagzucht, voortdurend verlangen zich te vermaken, materieel winstbejag en daarmee verkapte heerszucht. Deze duivel is het allermoelijkste uit het mensenvlees te drijven en gaat bijna op geen andere manier eruit, dan zoals hij bij Judas Iskariot is uitgedreven, die nog veel beter was dan de beste modegek tegenwoordig. (Aarde en Maan 1-60-8)

 

Opheldering gevraagd over Judas

In Himmelsgaben wensen enigen van de Lorber vrienden opheldering over Judas Iskariot.. ‘Ja, jullie werden bij de grote lust naar zulke hoofdschatten ook niet minder gelijk zijn aan Judas Iskariot, die Mij voor 30 zilverlingen te koop aanbood. Want zie, het vergaat iedereen zoals met deze verrader, die zichzelf met wat steeds verrijkt, zij het met wetenschap of met goud. Want zo hij dit alles niet van Mij ontvangt of zich zulks niet op zijn minst uit grote liefde tot Mij en zijn naaste verwerft, zo is hij, evenzogoed als een Judas Iskariot, een dief en een rover, omdat hij alles zich dit begerig eigen maakt en zomede op Mijn kosten zondigt. (Himmelsgaben  1-41-3-6)

 

Mattheüs, de Evangelist

’Van de betrekking tot Mijn familie wist hij (Mattheus, de Evangelist), zolang hij met Mij rondtrok, zeer weinig. En wat hij wist, deelden hem bij gelegenheid Jakobus, Simon en Johannes mee, dat hij zich echter niet op de plaats zelf aantekeningen maakte, maar eerst enige jaren na Mijn opstanding, als hij in plaats van Judas Iskariot tot apostel werd gekozen.’ (Himmelsgaben 3-64-3-18-3)

 

 

Judas voor de Heer in het hiernamaals

Wederom werd geluidloos een steeg gevormd onder de ontelbare geesten, - en de moordenaar Dismas [één van de gekruisigden naast Jezus] kwam gebroederlijk met Judas! Bevend trad Judas voor Zijn meester. Jezus echter zag hem aan met ogen van hartelijke liefde en sprak: Judas! Zie je nu, na al je lijden, dat ‘het ware leven’ slechts in de liefde te vinden is? Zie, duizenden heb Ik kunnen helpen en deze duizend keer duizenden zijn spoedig geholpen, indien ze het nieuwe genadeleven reeds zien en willen aangrijpen! Jij echter hebt niet op Mijn woorden gelet. Mijn leer, naar welke ontelbare harten verlangden en die ook jouw hart tot heil moest dienen. Daarom toon Ik je nu Mijn wonden. Deze wonden zullen al degenen, die daar in het dwaalspoor tot de wegwijzer van de alles vergevende genade gaan. Tot al dezen hier kon Ik zeggen: ‘O, ga met Mij! Ik toon jullie de weg naar het leven!’ Tot jou zeg Ik nu: ‘Je moet de weg naar Mij alleen vinden! Je kent mijn woord, Mijn leer en Mijn handelingen! Judas, jou kan Ik noch advies geven noch je helpen! Alleen kan Ik je vergeven!’ Judas stortte zich voor Zijn Meester neer en wilde Zijn voeten omklemmen. Toen sprak Jezus opnieuw tot hem: ‘Judas, jij arme, als wij nog mensen waren, had Ik je toen kunnen helpen, toen was je nog een onwetende.

 

Maar hier, in het Rijk van het geestelijke leven, bepaald alleen de eigen vrije wil. Je bent nu een wetende en je kunt de weg naar Mijn Wezen alleen vinden door je nog dieper te buigen in je gedachte! Er leeft nog haat, woede en gekrenkte eigenliefde in je! Nog voert het wereldse verstandsleven je de heerschap. Maar Ik vergeef je, omdat je in blinde wereldzucht hebt gehandeld. Nu echter, begrijp, dat Mijn Rijk een geestelijk Rijk is. Het rijk van het eeuwige leven. En zo neem ter harte Mijn wonden’.Tot de anderen sprak Jezus: ‘nu laat ons naar de tempel gaan. Wie daar wil, die kome mee!’ Weer vormde zich een steeg. Jezus ging midden door de menigte der geesten, een eindeloos lange stoet volgde Hem en trok naar de tempel. Het was, alsof de muren zich verwijdden. Jezus ging echter binnen in het allerheiligste. Alleen twee bleven op Golgotha achter: Judas en de moordenaar van het kruis.’ [bron: Max Seltmann]

 

 

De leer van Johannes voldeed Judas, omdat die alleen maar een strenge boetedoening voorschreef en aan iedereen een onverbiddelijk godsgericht verkondigde die niet tot de echte boetedoening zou overgaan; over dit onderwerp heeft hij dan ook meermalen met Johannes geredetwist. Johannes was helemaal vervuld van de boetedoening, en Judas precies het tegenovergestelde daarvan. Hij legde Johannes zonder omwegen uit, dat een zogenaamde 'zak en as'-boetedoening het domste was wat een mens kon doen, de mens moest zich echt wel verbeteren, maar niet in zak en as!

 

Nu is het wel zo dat Johannes niet direct zak en as heeft aanbevolen als beslist noodzakelijk voor de boetedoening; hij heeft het als het ware vergelijkenderwijs in zijn toespraken naar voren gebracht en wilde daarmee een grondige verbetering van de mens, die een slaaf van zijn zonden was geworden, aanduiden; maar Judas, die alles beter wilde weten en begrijpen, was het er niet mee eens dat men ook door beelden en gelijkenissen kan lesgeven, want hij vond, dat men zich over zulke belangrijke zaken, waar het heil van de mensen vanaf hing, altijd in heldere, begrijpelijke taal moest uitdrukken!

 

De profeten waren naar zijn idee pure ezels, omdat ze in beelden gesproken hadden, die men uit kon leggen zoals men dat zelf wilde; het was alleen aan hen te wijten dat de priesters, de koningen en het hele volk bedorven waren! Kortom, bij hem is ieder mens, hoog of laag, een ezel, als die niet zo denkt en doet als hij; en daarom denk ik, dat hij niet in ons gezelschap zal passen. Ik zeg: 'Mijn beste Thomas! Wat je Mij nu hebt verteld, wist Ik allang; maar toch blijf Ik erbij: Als hij wil gaan, dan gaat hij; als hij echter wil blijven, dan blijft hij!

 

Ik weet nog veel meer van hem en weet zelfs, wat hij Mij Zelf aan zal doen; maar toch moet hij blijven, als hij wil blijven! Want zijn ziel is een duivel en wil van God de wijsheid leren; maar die gedachte zal deze ziel niet veel goeds brengen! Maar nu houden we erover op! In Judas Iskariot woont de geest van Kaïn, zegt de anders zeer wijze en spraakzame Nathanaël. Deze geest verbetert zich op Aarde niet; want de geest van Kaïn is de wereld en daarvan kun je geen verbetering verwachten. Bij de mens is echter het bloed luie materie en de geest is en blijft voor eeuwig geest. Wat heb je aan het bloed van een kind van God als daarin, zoals bij jou (Judas), een onzuivere geest woont bron:  GJE1-96 [5-9], 1-114.  Zie ook: andere samenhangen over Judas>

www.zelfbeschouwing.info