Hoogst belangrijke uiteenzetting over Jezus' Wezen 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Daaraan aansluitend heet het in de Heilige Schrift (Lucas 2:52): 'Hij nam toe in jaren en in genade bij God en bij de mensen, en Hij bleef aan Zijn ouders onderdanig totdat Hij Zijn leraarsambt aan­vaardde. Vraag: Hoe kon Jezus, Die immers Het Enige Eeuwige Goddelijke Wezen was, nog toe­nemen in welgevallen en in wijs­heid voor God en voor de mensen, Hij, de God van alle Eeuwigheid? En hoe met name voor de mensen, daar Hij toch, reeds van alle eeuwigheid, het absoluut vol­maakte Wezen was? Om dit goed te kunnen be­grijpen moeten wij Jezus niet uit­sluitend willen beschouwen als de enige God, maar moeten wij ons Hem veeleer voorstellen als een mens in wie de Enige, Eeuwige Godheid Zich gevangen gaf, schijnbaar on­werkzaam, precies zo als de Geest (de goddelijke vonk in de mens.) in ieder menselijk wezen gevangen is. En alles wat een mens -in­gevolge de goddelijke orde-heeft te doen teneinde zijn geest in zich­zelf vrij te maken, datzelfde was ook de ernsti­ge taak van de mens Jezus, ten­einde in zichzelf het goddelijke vrij te maken, om er één in te kunnen worden. Nu is elke mens behept met bepaalde zwakheden, die de feite­lijke boeien van zijn geest zijn, welke hem als in een stevig om­hulsel inkapselt. Deze boeien nu kunnen pas geslaakt worden, wanneer de met het vlees vermengde ziel zich door de juiste zelfverloochening zoda­nig heeft versterkt, dat zij stevig en krachtig genoeg is om zijn vrije geest te bemachtigen en vast te houden!

Daarom kan de mens zijn zwakheden pas gewaar worden door allerlei verleidingen, die hem tevens doen ervaren hoe en waarin zijn vrije geest gekneveld is. Als hij dan juist op deze punten zichzelf verloochent in zijn ziel, dan maakt hij daardoor de boeien van zijn geest los, ter­wijl hij tegelijk daarmee zijn ziel aan banden legt.

Is dan te juister tijd zijn ziel met al die banden, die voordien zijn geest geboeid hielden, aan banden gelegd, dan gaat die ge­heel ontkluisterde vrije geest op natuurlijke wijze over in de nu gave en krachtige ziel, die daardoor volledig in de hemelse machtssfeer van de geest terechtkomt en volledig een met haar wordt.

In dat zich ontdoen nu van de ene boei na de andere, daarin bestaat de groei, de toename van de ziel in de geestelijke kracht, en die kracht is dus: wijsheid en ge­nade. (en dat is dus wedergeboorte.)

De wijsheid bestaat in het zuiver kunnen erkennen van de eeuwige ordening Gods in zich­zelf en de genade is het eeuwige licht van de liefde, dat alle dingen die bestaan, in hun grenzeloos­heid en hun oneindige aantal, in hun eindeloos gevarieerde ver­houdingen en levensprocessen doorlicht!

En precies zoals dat bij de mens het geval is, zo was dat ook bij de Godmens Jezus. Zijn ziel was net als die van iedere andere mens, ja, die was zelfs met te meer zwakheden be­hept, omdat de Almachtige Geest Gods Zichzelf wel in de allersterk­ste boeien diende te kluisteren, om in Zijn ziel te kunnen worden vastgehouden. De ziel van Jezus moest dus wel de allergrootste verleidingen doorstaan om - in zelfverlooche­ning­ de ontkluistering te kunnen bewerkstelligen van Zijn Godsgeest, Zichzelf aldus voldoende sterk makend voor de volmaakte vrijheid van de Geest aller geesten en daarmee één te worden. Hierin bestond dus dat toe­nemen in wijsheid en genade van Jezus' ziel voor God en voor de mensen, namelijk in die mate, waarin de goddelijke Geest Zich langzaam maar zeker, en meer en meer verenigde met Zijn uiter­aard goddelijke ziel welke de ei­genlijke Zoon is. Jeugd Jezus 299:1-19

 

Jeugd Jezus 300:1-22

Leven en zielsstrijd van Jezus vanaf twaalfde tot aan dertigste jaar

Hoe heeft de Heer Jezus dan geleefd van Zijn twaalfde tot Zijn dertigste jaar? Hij heeft in Zichzelf voort­durend en op de meest levendige wijze gevoeld dat Hij de Almach­tige Godheid was; Hij wist ook dat alles, wat in heel de grenzeloze oneindigheid bestaat, voor eeu­wig ondergeschikt is en moet zijn aan Zijn geringste wenk. Daardoor was er in Zijn ziel een allerhevigste aandrang om over alles te heersen. Trots, heerszucht, absolute vrijheid, gevoel voor het goede leven, drang naar vrouwen en dergelijk meer, en dus ook toorn, waren de voornaamste zwakheden van Zijn ziel. Maar met de wilskracht van Zijn ziel bestreed Hij al deze uitermate machtige, ja dodelijke drijfveren in Zijn ziel.

Hij verdeemoedigde Zijn trots door middel van de armoede; maar bedenken wij hoe hard dit middel wel moest zijn voor Hem, aan Wie alles toebehoorde, maar Die desondanks niets het Zijne mocht noemen! Hij legde Zijn heerszucht aan banden door middel van een allergewilligste gehoorzaamheid tegenover hen, die in vergelijking met Hem praktisch niets te bete­kenen hadden!

Zijn eeuwige absolute vrij­heid deed Hij geweld aan door Zichzelf­ hoe ontzettend moeilijk dat ook was - aan de mens uit te leveren, voor de meest vernede­rende slaafse arbeid!

Zijn uitermate sterke drang naar een goed leventje bestreed Hij door zeer menigvuldig te vas­ten, zowel uit nood alsook door Zijn Ziel daartoe vrijwillig gedreven!

Zijn hang naar vrouwen onderdrukte Hij door veelvuldige zware arbeid, door schrale kost, door gebed en door de omgang met wijze mannen. Op dit punt had Hij zelfs extra veel te verwerken doordat Zijn uiterlijk en de klank van Zijn stem buitengewoon aantrekkelijk waren, waardoor de vijf dochters van Cyrenius over het algemeen dodelijk verliefd op Hem waren en onder elkaar wedijverden om Hem het allermeest te bevallen. Dit soort van liefde beviel Hem wel, maar desondanks dwong Hij Zichzelf telkens weer tegen elkeen te zeggen: 'Noli me tangere!' (Raak mij niet aan, laat me met rust!)

 

Waar Hij voorts de slecht­heid van de mensen op het eerste gezicht doorzag, en hun slinksheid en huichelachtigheid dóór had, zoals Hij ook listigheid en egoïs­me kende, daar is het begrijpelijk dat Hij vlug opgewonden raakte, en dat Hij bijzonder gemakkelijk ge­kwetst en vertoornd kon worden; maar door middel van Zijn liefde kalmeerde Hij dan Zijn goddelijk gemoed, waarvan dan barmhartigheid weer het gevolg was.

 

Zijn leven voerde hij met uitsluitend zware zelfverlooche­ning, teneinde daardoor de ont­wrichte eeuwige orde te herstel­len. Hieruit is gemakkelijk te zien, dat Jezus deze achttien jaren als mens heeft doorgebracht on­der onophoudelijke verleidingen en bestrijding daarvan. En, nu dit alles voor een ieder positief is aangetoond, blijft er niets meer te zeggen over dan het verslag van de driedaagse ver­handeling in de Tempel met de wijsgeren en schriftgeleerden, maar dat kan nu­ evenmin als nog vele andere zaken - hier niet vol­gen.

Jullie moeten hiermede dus vooralsnog tevreden zijn; het ove­rige zal volgen op het moment, waarop jullie tot je knecht zullen zeggen: 'Broeder, kom bij ons en blijf bij ons wonen, in de Naam des Heren. Hiermede zij dan ook dit werk afgesloten, Mijn Zegen en Mijn Genade mogen voor nu en voor altijd met jullie zijn! Amen.


 

Jezus op twintigjarige leeftijd

Opmerking: De jongen Jezus groeide nu op tot Man. Er is in het grote Johannes-Evangelie nog een geschiedenis bekend van Jezus op twintigjarige leeftijd. 

 

Uit de jongelingsjaren van de Heer

GJE7-205:1-16

Ikzelf vertelde de gasten het een en ander uit Mijn jeugd, waar alle aanwezigen in hoge mate van genoten. De aanwezige bekeerde Farizeeën en schriftgeleerden bevestigden het allemaal; een van hen vertelde zelfs in het kort van de gebeurtenis, dat Ik op twaalfjarige leeftijd alle hogepriesters, Oudsten, schriftgeleerden en Farizeeën in de tempel met Mijn wijsheid tot opperste verbazing had gebracht en hij voegde er nog de opmerking aan toe, dat men reeds in die tijd gedurende enkele jaren zelfs in de tempel stellig de mening was toegedaan, dat Ik mogelijkerwijs toch de beloofde Messias was. Maar daarna had men van Mij niets meer gehoord en meende dat Ik als een geestelijk te vroeg gewekte knaap ofwel gestorven was, of dat de Essenen Mij hadden leren kennen en in hun scholen hadden opgenomen, natuurlijk met toestemming van Mijn aardse ouders. En zo was deze aangelegenheid bij de tempel toen langzaamaan ingeslapen en pas nu, de laatste tijd, weer wakker geroepen.

 

Toen de Farizeeën dit verhaal beëindigd hadden, vertelden ook Johannes, Jacobus en ook de andere leerlingen het een en ander uit Mijn jeugd', en Jacobus gaf zelfs het verhaal ten beste over de wonderbaarlijke wijze waarop Maria zwanger was geworden, over Mijn geboorte en vlucht naar Egypte en Mijn driejarig verblijf aldaar, en ook veel van wat zich daar allemaal had afgespeeld, waarover allen hoogst verbaasd waren. Velen benijdden nu Jacobus om het geluk dat hij al die tijd bij Mij had kunnen zijn.

Hierop zei Lazarus dan ook: 'Heer en Meester, het verheugt mij nu weliswaar onbeschrijflijk, dat ik mij met heel mijn hart een vriend van U mag noemen; maar ik zou nog gelukkiger zijn als ik Jacobus was, die U gewoonweg uit de geopende hemelen naar de aarde heeft zien komen en steeds aan Uw zijde was. Als ik toch ook Jacobus was geweest!'

Ik zei: 'Jacobus is inderdaad een geheel en al gelukkig mens en is ook door de engelen van de hemel zelf vaak benijd, maar wel in hoogst edele zin; maar hij heeft daarom niet iets voor op een ander mens. Zijn waarde ligt ook enkel en alleen in het feit dat hij Mijn woord hoort, gelooft en uit liefde tot Mij daarnaar handelt; en wie dat doet, heeft geheel hetzelfde voorrecht als Mijn dierbare broeder Jacobus.

Maar luister nu naar een zeldzame gebeurtenis uit de tijd na Mijn twaalfde jaar, waarin men van Mij niets bijzonders heeft vernomen!

Ik heb Mijn pleegvader Jozef als timmerman steeds vlijtig en onverdro­ten bij het werk geholpen, en waar Ik meewerkte vlotte het werk ook altijd goed en zelfs uitstekend. Op een keer echter kwam er een Griek, die een heiden was, bij Jozef om een voordelige overeenkomst met hem te treffen in verband met het bouwen van een heel nieuw huis en een grote varkensstal. Maar Jozef was een zuivere en strenge jood en zei tegen de rijke Griek: 'Zie, wij hebben een wet die ons verbiedt om met heidenen om te gaan en hun op wat voor manier dan ook diensten te bewijzen! Als je een jood was zou ik gemakkelijk zaken met je kunnen doen; maar omdat je een duistere heiden bent, kan ik om alle schatten van de wereld niet tegemoet komen aan je verzoek. En een varkensstal kan ik al helemaal nooit en te nimmer aannemen, zelfs als je een jood zou zijn!'

 

Toen zei de heiden heel opgewonden tegen Jozef: 'Nou, je bent toch wel een eigenaardige man! Ik ben weliswaar een Griek, maar Ikzelf en mijn hele familie hebben onze vele goden allang over boord geworpen, de zee in, en geloven nu aan dezelfde God als jij en hebben van Hem ook al menig onmiskenbare genade ontvangen. Maar dat wij de besnijdenis niet aanne­men, komt omdat wij ons niet willen onderwerpen aan jullie onverzadig­bare tempel, maar alleen aan God de Heer, die nu nergens erger ontheiligd en onteerd wordt dan in jullie tempel, waarvan wij heidenen de snode inrichting beter kennen dan jullie joden, die door jullie tempel. al helemaal zijn afgestompt. En als jullie enig ware God ook over ons heidenen Zijn zon laat schijnen, waarom verachten jullie ons dan?'

 

Toen zei Jozef 'je vergist je als je denkt dat wij joden jullie verachten; maar wij hebben een gebod van Mozes dat ons de omgang met heidenen verbiedt en ook verbiedt om handel met hen te drijven. Als een zuivere jood dat doet, verliest hij voor lange tijd zijn zuiverheid en zie, ik ben nog een jood die heel die wet van kind af aan streng in acht heeft genomen en er nu op zijn oude dag niet meer aan begint om daartegen te zondigen!’

 

De Griek zei: 'Goed, mijn vriend, ik zal je er ook met toe verleiden; want ik ben ook al zo oud als jij en ik ken je al langer dan jij je kunt voorstellen. Maar als jij deze wet met betrekking tot ons heidenen vandaag de dag zo streng in acht neemt, - hoe komt het dan dat je het niet zo nauw nam, toen je vanwege de vervolging van de kant van je geloofsgenoten met je jonge vrouw en je kinderen naar ons heidenen in Egypte kwam gevlucht?

Kijk vriend, jullie wetten zijn allemaal goed en waar; maar ze moeten ook in de geest van de innerlijke waarheid worden opgevat en dan pas in het leven toegepast worden! Wie zich alleen aan de letter van de wet bindt, bevindt zich nog ver van de weg der waarheid. Toen je in Egypte was werkte je wel voor ons heidenen, terwijl je desondanks een heel zuivere jood bleef. Waarom zou je nu dan onzuiver worden?

In die tijd had je een hoogst wonderbaarlijk zoontje, dat wij heidenen vanwege zijn wonderbaarlijke eigenschappen bijna als een God vereerden. Wat is er van dat kind geworden? Als het intussen niet gestorven is, moet het nu al een volwassen jongeling zijn!'

 

Omdat Jozef de Griek nu wel herkend had, zei hij enigszins verlegen: 'Ja, luister mijn vriend! je hebt me in Ostracine inderdaad grote vriendschap bewezen en het zou nu onredelijk van me zijn als ik niet aan je verlangen tegemoet zou komen; maar omdat ik een strenge jood ben, zal ik hier toch eerst met de Oudste van deze stad over spreken en dan handelen overeen­komstig zijn advies.’ Toen zei de Griek: 'Maar voorzover ik weet heb je in Ostracine steeds met je zoontje overlegd als je van plan was om iets te ondernemen! Als die zoon nog leeft, zal hij vast nog wijzer zijn dan hij toen was! Vraag je hem nu niet meer om advies, als hij zoals gezegd nog leeft?'

 

Jongelingsjaren Jezus

GJE206-1-16

(De Heer) : 'Toen wees Jozef met zijn hand naar Mij, die enkele passen van hem vandaan in de werkplaats een luik aan het doorzagen was, en hij zei: 'Daar in de werkplaats zie je hem aan het werk! Het is wel merkwaar­dig: Vanaf dat hij een kind was tot aan zijn twaalfde levensjaar waren ik. en zijn moeder, die nu in de keuken bezig is, er werkelijk geheel van overtuigd dat hij de ons beloofde Messias zou worden; maar na zijn twaalfde jaar is alles wat vroeger zo goddelijk aan hem leek zozeer verloren gegaan, dat er nu geen spoor meer van over is. Hij is verder wel heel vroom, gewillig en vlijtig en zonder te mopperen doet hij alles wat wij hem, naar zijn kunnen, te doen geven; maar, zoals gezegd, van al dat wonderbaarlijke aan hem is niets meer te merken. Als je wilt kun je zelf met hem praten en jezelf van alles overtuigen wat ik je gezegd heb.'

 

Hierop kwam de Griek naar Mij toe en zei: 'Luister, jongeman, achttien jaar geleden kende ik je al (opm. toen was Jezus twee jaar!) en bewonderde toen je zuiver goddelijke eigenschappen, die evenals je woorden de belangrijkste reden waren dat ik jullie geloof aannam, hoewel ik daarom nog niet de besnijdenis aan­vaardde. Maar wel heb ik omwille van jullie geloof Egypte verlaten om hier dieper te kunnen doordringen in jullie leer, die vele wijsheden bevat; en bij dat alles was jij de belangrijkste reden! En nu hoorde ik van je vader, die ik allang niet meer had gezien en gesproken, dat je al dat goddelijk­ wonderbaarlijke wat jou als kind eigen was, helemaal kwijt bent. Hoe is dat gekomen?'

 

Ik keek de Griek recht aan en zei: 'Als je goed ingewijd bent in onze leer, zullen je ook Salomo's wijze spreuken niet onbekend zijn. En zie, volgens een van die spreuken heeft alles in deze wereld zijn tijd! Toen ik een kind was, was Ik zeker nog geen krachtige jongeman; en omdat Ik nu een krachtige jongeling ben, ben Ik geen kleine jongen meer en werk Ik evenals iedere andere jongeling met alle vlijt en ijver, omdat Mijn Vader in de hemel dat zo wil. Ik ken Hem en weet ook altijd wat Zijn wil is, en doe alleen datgene wat Hij wil. En zie, dat behaagt Mijn Vader in de hemel! Ik verrichtte als klein jongetje waarlijk grote tekenen om de mensen kenbaar te maken, dat Ik als Heer uit de hemelen naar deze wereld ben gekomen; maar in de loop der tijd hechtten de mensen er niet zoveel waarde meer aan en ergerden zich zelfs als Ik voor hun ogen een teken verrichtte. Maar toch ben Ik Dezelfde gebleven die Ik ben en zal voor de mensen weer tekenen verrichten om hun kenbaar te maken dat Gods rijk nabij gekomen is. Wanneer Ik dat echter zal doen, zal door Mijzelf te juister tijd bepaald worden. Heil degene die aan Mij zal geloven en zich niet aan Mij zal ergeren!

 

Jij wilt graag dat Mijn pleegvader een nieuw huis en een grote varkensstal voor je bouwt. Dat moet hij ook doen! Want wat in Mijn ogen goed is, is ook voor God geen zonde. Het is voor de joden nooit verboden geweest om op een goede manier met eerlijke heidenen zaken te doen; maar het was en is voor de joden alleen verboden om, als ze met de heidenen omgaan, hun afgoderij over te nemen en hun slechte leer, zeden en gewoonten, en handelingen. Maar als een heiden het geloof der joden heeft aangenomen en derhalve door zijn geloof aan de ene, alleen ware God waarachtig besneden is in zijn hart en zijn ziel, kan men wel met hem omgaan!’ Hierop zei Jozef 'Wel, wel, dat is heel wat, dat je nu eens een keer zo veel en zo wijs hebt gesproken, en ik zie ook in dat je helemaal gelijk hebt. Maar toch moet je ook de priesters niet voor het hoofd stoten en van te voren met hen overleggen om te voorkomen dat ze je voor een ketter uitmaken. Als men van te voren met hen overlegt over een werk dat volgens de letter van de wet toch niet in de haak is en een klein offer geeft, dan geeft een wijze priester ook altijd graag toestemming voor een werk, dat niet duidelijk volgens de wet is toegestaan. Ik zal daarom meteen naar onze Oudste gaan en hem deze kwestie voorleggen.’

 

Ik zei: 'Maar wat wil je dan doen als hij je - ondanks het aangeboden offer- niet zal toestaan dit werk aan te nemen?' Jozef zei: 'Ja, dan is het duidelijk dat we het niet kunnen aannemen!' Ik zei: 'Luister, als Ik over een tijd met Mijn grote werk zal beginnen zal Ik de priesters niet vragen of Ik dat grote werk, dat zeer in strijd zal zijn met hun onbetekenende tempelvoorschriften, al of niet zal mogen onder­nemen, maar Ik zal dat grote en zware werk op Me nemen vanuit Mijn hoogst eigen macht en kracht! Want wat in Gods ogen goed is, moet ook door alle mensen als goed worden gezien, of ze het goede willen of niet!'

 

Toen zei Jozef weer: 'Mijn dierbare zoon, als je zo handelt, zul je weinig vrienden in de wereld hebben!’ Ik zei: 'Waarlijk, wie angstvallig de vriendschap van de wereld nastreeft, verspeelt daardoor gemakkelijk de vriendschap van God! Maar Ik geef hier het volgende advies: Wij bewijzen deze Griek vriendschap en vragen onze heers­ en hebzuchtige priesters helemaal niets, en doen wat er gedaan moet worden, want deze man heeft ons veel vriendschap bewezen; zouden wij hem nu vanwege onze priesters de door hem gevraagde vriendschap weigeren? Nee, dat doen wij niet! En als jij dat niet durft, dan zal Ik alleen dat huis en die stal voor hem bouwen!'

Toen zei Jozef : 'Nee maar, wat is er vandaag opeens met je aan de hand? Zo eigenzinnig en weerbarstig heb ik je al jaren niet meer gezien en ook niet horen spreken! Wanneer vooraanstaande joden en Oudsten mij bezoeken en vaak graag met je willen praten, ben je zo zuinig met je woorden en je bent ook nog haast nooit zo gebiedend opgetreden; en nu komt er een heiden en je wilt meteen alles voor hem doen wat hij maar wenst! Hoe komt dat nu zo opeens? Ik zou nu bijna weer geloven dat je voor deze Griek ook wonderen zou willen gaan doen, -wat je toch al zo lang voor geen enkele jood meer gedaan hebt!'

 

Ik zei: 'Word niet boos, Mijn oude en eerlijk rechtschapen vriend! Als Ik Me terugtrek voor de joden, dan heb Ik daar zeker Mijn wijze redenen voor! Is er hier dan ook maar één jood behalve jij, met een waar en volledig geloof? Toen Ik nog als jonge knaap af en toe een teken verrichtte, zeiden ze dat Ik bezeten was en met behulp van de duivel zulke dingen tot stand bracht, waartoe geen ander mens in staat was. Toen jijzelf een keer aan de Oudste vroeg of in Mij mogelijkerwijs toch misschien de geest van een groot profeet verborgen was, omdat er bij Mijn geboorte zulke grote tekenen waren gebeurd, zei de blinde Farizeeër geërgerd: 'Er staat geschreven dat er uit Galilea nooit een profeet opstaat; daarom is zo'n vraag reeds uit den boze!' En als het hier zo gesteld is met de priesters en ook met de andere joden, voor wie zou Ik dan een teken doen en waarom?!

Maar deze Griek is vol goed geloof en een vriend van het innerlijke ­ware levenslicht, die zich er ook niet aan ergert als Ik een teken voor hem doe; daarom is het dan toch ook heel begrijpelijk, waarom Ik Me tegenover hem heel anders gedraag dan ten opzichte van die duistere joden.

Maar Ik zeg je: 'Omdat nu de joden zo zijn, zal hun het licht van het leven afgenomen en aan de heidenen gegeven worden! Het heil van alle volkeren komt weliswaar van de joden, en dat heil ben Ik; maar omdat de joden Mij niet willen aannemen en erkennen, zal het heil hun ontnomen worden en aan de heidenen worden toevertrouwd!"

 

Jongelingsjaren Jezus

GJE7-207:1-27

(De Heer): 'Hierop zei de Griek tegen Jozef 'Nu herken ik je wonderbaarlijke zoon pas weer helemaal en het is een grote vreugde voor me dat hij ons heidenen niet zo beoordeelt als de andere joden, die zichzelf als de zuiverste kinderen van God beschouwen, maar als mensen gewoon­weg stinken van je reinste hoogmoed en elkaar nog erger vervolgen dan honden en katten. Als klein kind al heeft deze zoon van jou zich vaak beklaagd over het jodendom zoals het nu is; maar nu als volwassen jongeman heeft hij duidelijker gezegd wat hij dacht en laten zien hoe het eigenlijk met de joden gesteld is. Zijn oordeel doet me nu des te meer deugd, omdat hij het precies zo heeft gezegd als het in het diepst van mijn ziel leeft.

 

Het is toch geen manier van doen van het eerste volk van God om iedere heiden, die toch ook een mens is, meteen te verdoemen en dat zelfs ook als men hun de grootste weldaden heeft bewezen! Waarom verdoemen ze dan ons goud en zilver niet?! Dat is wel goed genoeg voor ze! Maar als een van ons ook maar de gang van hun huis heeft betreden, beschouwen ze hun huis en ook zichzelf een hele dag lang als onrein! O wat een dwazen! Ik heb geen woorden genoeg om uit te drukken hoe slecht en dom zo’n waangeloof is! En zie, dat bevestigt nu ook jouw goddelijk wonderbaarlijke zoon, en dat heeft me nu zo'n grote vreugde bezorgd als ik nog nooit eerder heb gehad.

 

Maar omdat we deze kwestie nu duidelijk hebben besproken en weten wat we van de wereldse voorschriften van de joden moeten denken, maar men van de andere kant toch ook nog heel goed weet dat jij van die vele joden de eerlijkste en meest waarachtige bent en je niet gebonden acht aan nietszeggende vormen, kunnen we nu misschien reeds met elkaar afspreken hoe en onder welke voorwaarden jij voor mij het woonhuis en de grote varkensstal wil bouwen. Je wonderbaarlijke zoon zal er vast wel voor zorgen, dat jij daarbij van geen enkele kant kritiek hoeft te verwachten. ­Zeg nu, vriend, hoe je erover denkt!'

Jozef zei: 'Mijn wonderbaarlijke zoon en jij hebben wel helemaal gelijk; maar als er toch ophef over komt, dan zal alleen ik ter verantwoording worden geroepen! Wat de kosten betreft zullen we gauw klaar zijn.’

 

Ik zei: 'Luister, Mijn aardse pleegvader Jozef. Alleen van Mijn wil hangt het af of iemand je bij dit goede werk kan verraden. Want hoewel Ik hier om genoemde redenen al lang geen tekenen meer heb verricht, ben Ik toch geheel Degene die Ik in het begin was en Mij zijn alle dingen mogelijk! Zon, maan, sterren en deze hele aarde, alsook alle hemelen en de hele hel moeten aan Mij gehoorzamen en zich richten naar Mijn wil, - en zou Ik dan vrees moeten koesteren voor de duistere en blinde priesters van onze synagoge?!

Sluit maar rustig een bouwcontract af met deze achtenswaardige man, en laat de rest aan Mij over! We zullen dan geen enkele moeite hebben met de bouw; want Hij die in staat was om hemel en aarde te bouwen, zal immers ook gemakkelijk in staat zijn om voor een brave Griek, die in zijn hart een volkomen jood is, een goed woonhuis en een varkensstal te bouwen! Ik zeg jullie dat een varkensstal waarlijk niet tot de bouwwerken behoort die de menselijke geest eer aandoen; maar de smerigste varkensstal is Me nu liever dan de tempel in Jeruzalem en menig synagoge in het grote land der joden!' Jozef zei: 'Luister eens, mijn zoon, je doet vandaag wel heel boude uitspraken! Als iemand uit de stad dat hoorde en ons zou aanklagen, wat zou er dan met ons gebeuren? We zouden beschuldigd worden van de vreselijkste godslastering en meedogenloos gestenigd worden! ' .

 

Ik zei: 'je moet je over andere dingen zorgen maken! Wie kan ons horen als Ik het niet wil, en wie zal ons stenigen terwijl Ik Heer over alle stenen ben? Kijk eens naar deze steen hier, die Ik nu heb opgetild! Ik wil nu dat hij voor de ogen van de wereld volledig teniet gaat! En kijk, het is al gebeurd! Als een domme jood nu zulke stenen naar ons zou gooien, zouden die ons dan enige schade kunnen toebrengen?! Kijk eens naar de zon! Zie hoe die straalt met haar heldere licht! En omdat Ik ook Heer ben over de zon, wil Ik dat ze nu enkele ogenblikken lang geen licht zal geven! En zie, het is nu duister als in de nacht!'

 

Hier schrokken Jozef en ook de Griek, en degenen die in het huis waren kwamen ontsteld naar buiten en vroegen vol angst wat dat was en wat dat te betekenen had. Ik zei: 'Nu ben Ik al zo lang bij jullie en jullie kennen Mij nog niet! Dat is Mijn wil! Maar Ik wil nu weer licht! En zie, de zon straalt weer zo volmaakt als tevoren! Dat heeft echter niets anders te betekenen dan dat jullie allemaal zullen weten en beseffen dat Ik bij jullie ben!' Toen zeiden allen: 'De Heer zij alle lof, - onze Jezus heeft Zijn kracht van God weer gekregen!'

 

Ik zei: 'Ik heb niets gekregen; want alle kracht en alle macht Zijn van Mij. Ik en Degene die in Mij leeft zijn Een en niet twee. - En zeg jij Mij nu, Jozef, of je nog vrees koestert voor de joden en de Oudsten van de synagoge!' Jozef zei: ' ja, mijn liefste zoon en ook mijn Heer, als het er zo voorstaat, heb ik natuurlijk geen angst en geen vrees meer; want nu pas heb ik mijn heil geheel en al gezien. Nu zullen we dan ook zonder enig bezwaar meteen met de bewuste bouw beginnen en vandaag nog naar de plaats gaan waar onze oude vriend zijn huis en zijn stal gebouwd wil hebben!’

 

De Griek zei: 'Ik dank jullie bij voorbaat; het loon zal rijkelijk volgen. Die plaats is niet zo erg ver hier vandaan en omdat ik buiten bij de herberg goede lastdieren heb staan, zullen we met gemak nog voor zonsondergang de plaats bereiken waar ik met de mijnen woon.’

Hierop riep Jozef Mijn andere broers en deelde hun mee wat er diende te gebeuren. Maar Josef was van mening dat het goed was wanneer een van hen thuis zou blijven, omdat er zich ook in het stadje iedere dag iets kon voordoen; tegelijk zou het ook minder opvallen en de toezichthouders van de synagoge, die toch al steeds hun ogen en oren vanwege Mij op dit huis gericht hielden, zouden minder van Jozefs vertrek merken en niet informeren waar en bij wie hij werk had aangenomen.

 

Ik zei toen: 'Ook jij moet eens gelijk hebben, maar niet helemaal! Want Ik stel vast dat behalve Jacobus niemand met ons hoeft mee te gaan en wij daarom ook maar voor drie man het hoogst noodzakelijke gereed­schap hoeven mee te nemen, en dat alleen maar opdat men weet, dat wij als timmerlieden van huis gaan. Jacobus, maak je daarom klaar voor de reis!' Jacobus ging zich klaarmaken en haalde het gereedschap.

 

Toen wij drieën en de Griek op het punt stonden om op weg te gaan kwam Maria, de moeder van Mijn lichaam, om te vragen hoe lang we weg zouden blijven. Jozef zei: 'Vrouw, bij zo'n grote opdracht is dat niet van te voren te zeggen!’ Daarop zei Ik: 'Mensen kunnen dat inderdaad niet; maar Mij is ook dat mogelijk!'n Maria zei: 'Wel, zeg jij me dan hoe lang jullie wegblijven! ,

Ik zei: 'Drie volle dagen, dat wil zeggen vandaag, morgen en overmorgen; op de sabbat, nog voor zonsopgang, zullen we hier weer terug zijn!'

 

Toen zeiden allen: 'Hoe kunnen jullie drieën in twee dagen een groot woonhuis en een grote varkensstal bouwen?' Ik zei: 'Dat is onze zorg; als jullie er maar voor zorgen dat thuis jullie werk in orde is!' Toen zei Maria tegen Mij: 'Maar mijn liefste zoon, ik vind je vandaag weer zo merkwaardig! je spreekt vandaag op zo'n gebiedende toon! Hoe komt dat toch?' Ik zei: 'Omdat Ik dat omwille van jullie heil moet doen! Maar houd ons nu niet langer op, want niemand van ons heeft iets aan dit gepraat. Voor de mens is tijd heel kostbaar!'

Maria zei: 'ja ja, jou kun je in niets tegenspreken, - jij hebt altijd gelijk; daarom wens ik jullie een voorspoedige reis en behouden thuiskomst!"

 

Jongelingsjaren Jezus

GJE7-208:1-31

(De Heer): 'Nu gingen we dan ook onmiddellijk op weg naar de herberg, waar de lastdieren van de Griek op ons wachtten.We waren daar nauwelijks aangekomen of er waren al een heleboel nieuwsgierigen die ons lastig vielen met vragen, en de eigenaar van de herberg, een goede bekende van Jozef, zei tegen hem: 'Vriend, ik zou vandaag niet op reis gaan; want er is een zonsverduistering geweest en zo'n dag gold al bij de ouden als een ongeluksdag!'

 

Ik zei: 'Wat zijn jullie mensen toch wijs! Aan zulke zinloze fabels, die geen enkele waarheid bevatten, hechten jullie waarde; maar alles wat zuiver en waar is behandelen jullie als vuil en willen jullie niet horen. Houd ons daarom niet op met zulke zinloze dingen!’ De waard zei: 'Maar, beste makker, de oude mensen waren ook verstandige lieden; daarom moeten jonge mensen goed rekening houden met hun ervaringen, anders zullen ze heel wat ongemakken te verduren krijgen!'

Ik zei: 'Houd jij je maar aan datgene wat Mozes en de profeten geleerd hebben; daar zul je meer aan hebben dan wanneer je rekening houdt met nieuwe maan en geluks­ en ongeluksdagen! Wie zich aan Gods geboden houdt en God boven alles liefheeft en zijn naaste als zichzelf, die heeft geen ongeluksdagen te vrezen; maar voor wie dat niet doet is iedere dag een ongeluksdag!’

 

De waard zei: 'ja, dat weet ik ook wel; maar daarom kun je toch nog wel waarde hechten aan de verhalen van de ouden!’ Daarop groette hij Jozef nogmaals en wenste hem veel geluk op zijn reis en met zijn werk. Wij bestegen de lastdieren, en onze reis ging snel voorwaarts over bergen en dalen in westelijke richting op de weg naar Tyrus. Toen we halverwege waren en bij een herberg kwamen, die ook van een Griek was, zei onze Griek: 'Vrienden, hier zullen we wat versterkends nemen en de lastdieren laten voeren!’

Met dit voorstel was Jozef het helemaal eens, ofschoon hij meteen vroeg of men hier wel spijzen kon krijgen die ook voor de joden waren toegestaan.

De waard zei: 'ja vriend, dat zal een beetje moeilijk worden! Varkensvlees, gerookt, heb ik wel voldoende, en ook gezuurd brood, zout en wijn; maar iets anders zal er nu niet in voorraad zijn.’

 

Jozef zei: 'Dat ziet er niet zo mooi uit voor ons; want varkensvlees mogen wij joden niet eten en in deze tijd ook geen gezuurd brood, omdat bij ons de tijd van de ongezuurde broden is begonnen. Heb je dan geen vis, of kippen en eieren?'

De waard zei: 'Kijk, deze herberg staat hoog op een berg! Waar zou men dan vis vandaan moeten halen? En ook is het hier moeilijk om kippen te houden; want ten eerste gedijen ze hier bijna niet wegens gebrek aan het noodzakelijke voer en ten tweede zijn er hier te veel roofvogels van allerlei soort, die niet alleen het houden van kippen nagenoeg onmogelijk maken, maar ook de schapenteelt zeer bemoeilijken omdat de lammeren voor deze beesten uit de lucht niet één ogenblik echt veilig zijn. Daarom heb ik alleen wat runderen, zoals stieren, ossen en koeien en natuurlijk ook een paar kalveren en ook nog varkens, die het hier heel goed doen; maar de wijn moet ik in Tyrus zelfkopen. Zo staan de zaken er hier voor; maar wat er is wil ik jullie royaal en voordelig geven.’

 

Ik zei: 'Breng maar wat je hebt, dan eten we dat!' Jozef zei: 'Maar zoon, wat zal de wet van Mozes daar dan van zeggen?' Ik zei: 'Ben je nu alweer vergeten wie Ik ben? Hij die in Mij is, heeft de wetten aan Mozes gegeven en Deze zegt nu tegen jou: Eet, wat voor je op tafel wordt gezet als het niet anders kan; want voor iemand die zuiver is, is alles zuiver!

Mozes heeft de joden het vlees van deze onreine dieren alleen maar verboden om te voorkomen, dat ze zelf nog onzuiverder zouden worden dan ze al vanaf hun geboorte waren; maar in geval van nood mochten ook de joden het vlees van de als onrein bestempelde dieren eten. Maar wijzelf waren nooit onrein en zullen ook nooit onrein worden, en zo kan ons ook geen enkele spijs die goed is toebereid verontreinigen.'

 

Met deze toelichting waren Jozef en ook Jacobus tevreden en de waard bracht ons meteen goed gerookt en toebereid varkensvlees, brood, zout en een goede wijn, wat wij allemaal met een gerust gemoed aten. Onze Griek wilde natuurlijk de rekening betalen en het deed hem echt deugd, dat wij ons zo geheel en al tevredengesteld hadden met zijn maaltijd. Na de maaltijd zei Ik tegen de waard van de herberg: 'Deze herberg is nu een groot heil ten deel gevallen! Vanaf vandaag kun je kippen en schapen houden zoveel je maar wilt en kunt; want Ik wil dat dit gebied door geen enkel roofdier meer wordt lastiggevallen, noch op de grond noch in de lucht, zolang jij en je nakomelingen deze herberg en dit gebied zullen bezitten. Maar als er later ooit andere en slechtere waarden in bezit zullen komen van deze herberg en dit gebied, zullen ze ook weer door de oude plaag geteisterd worden!’

 

De waard zei: 'jonge vriend, hoe kun je me ervan overtuigen dat het ook zo zal gebeuren als je me nu zo ernstig hebt beloofd, alsof je er niet in het minst aan twijfelt? 'Ik zei: 'Dat zal even zeker gebeuren als dat het zeker is, dat jij in je huis een schat bezit, die noch jij noch een van je familieleden en ook je voorouders niet hebben gekend! Neem een spade en graaf daarmee, precies op de plaats waar je nu staat, een kuil van slechts drie handbreedtes diep in de grond die uit leem bestaat, en je zult op de schat stoten, waarmee je dan naar eigen believen kunt doen wat je wilt.'

 

De waard bracht onmiddellijk een spade en groef met behulp van zijn knechten meteen een kuil in de grond zo diep als aangegeven en vond tot zijn grote verbazing enkele zware gouden schalen, die samen een gewicht van meer dan tweehonderd pond hadden. Nu vroeg hij natuurlijk meteen hoe en wanneer deze waardevolle dingen daar terecht waren gekomen. Ik zei: 'jij bent nu al de zevende bezitter van deze oude herberg sinds de tijd dat deze dingen, die toentertijd een oosterse karavaan afhandig zijn gemaakt, hier in deze grond zijn begraven, uit vrees dat ze ontdekt werden. Meer hoef je niet te weten. Maar degenen die de schat hier hebben begraven waren geen mensen van jouw stam en jij bent geen nakomeling van hen - want jij komt uit Athene -; maar die bezitters kwamen uit Cyprus en waren dieven en nog net geen roofmoordenaars.’

 

De waard wederom zei: 'Maar hoe kun je dat allemaal zo precies weten? Wie heeft je dat laten weten?' Ik zei: 'Zo goed als Mij iedere van je meest geheime gedachten bekend is, in en uit Mijzelf, zo is ook dat aan Mij bekend in en uit Mezelf! En om je te laten zien dat ook jouw gedachten precies aan Mij bekend zijn, zeg Ik je wat jij vanmorgen heel bewust bij jezelf hebt gedacht. je dacht het volgende: Mijn herberg is af en toe weliswaar goed bezet en is wel winstgevend, maar als er een koper te vinden zou zijn, die hem van me zou kopen voor een prijs waarvoor ik in Tyrus een betere herberg zou kunnen opzetten, dan is dat wel wat ik het liefst van alles zou willen!'

Zie, dat was vooral wat je dacht! En daarna dacht je erover na of je die gedachte ook aan je vrouw zou meedelen; maar je vond al gauw dat het daarvoor nog te vroeg was, omdat je vrouw dan ongeduldig zou kunnen worden en er dan met alle geweld op aan zou dringen om die gedachte dan ook maar onmiddellijk uit te voeren.  Zeg Me, of Ik wel precies weet wat je denkt of niet!’

 

De waard was buiten zichzelf van verbazing en zei: 'Nee maar, ik heb veel gezien, gehoord en ervaren, maar zoiets heb ik nog nooit meegemaakt! ja, nu geloof ik ook zonder enige twijfel dat dit gebied volledig gezuiverd zal worden van roofdieren. Je hebt me nu buitengewoon veel goeds bewezen, -hoe zal ik in staat zijn om je daar naar behoren voor te belonen? Wat wil je dat ik daarvoor voor jou zal doen?' Ik zei: 'Luister, je bent weliswaar ook een heiden, maar je gelooft niet aan je vele goden en je hebt je daarom vertrouwd gemaakt met onze leer, waar je heel goed aan hebt gedaan! Maar Ik zeg je: geloof maar vast aan de enig ware Ene God van de joden, heb Hem zelfs boven alles lief en ook je medemensen zoals jezelf, doe voor hen datgene waarvan je redelijkerwijs kunt willen dat ze dat ook voor jou zullen doen, dan doe je daarmee voor Mij voldoende in ruil voor alles wat Ik nu voor jou heb gedaan; maar een materieelloon heb Ik waarlijk niet nodig!’

 

Alweer was de waard verbaasd over Mijn totale belangeloosheid en wilde van onze Griek geen betaling aannemen voor hetgeen we bij hem genuttigd hadden. Maar onze Griek wilde dat niet en betaalde alles met de woorden: 'Verdeel wat jezelf niet nodig hebt onder de armen, dan zul je de enig ware God van de joden en eigenlijk van alle mensen behagen!' De waard beloofde plechtig dat allemaal te doen en zijn hele huis te bekeren tot het geloof van de joden. Toen stonden wij op, bestegen nogmaals onze lastdieren en trokken verder. De weg die we nog af moesten leggen was heel mooi en zo bereikten we nog een uur voor zonsondergang de plaats van onze bestem­ming.

 

Jongelingsjaren van Jezus

GJE7-209:1-24

(De Heer): 'Dit was een oud gehucht, ook op een tamelijk hoge berg gelegen; vanaf het hoogste punt kon men op een heldere dag de grote zee zien. Iets boven het plaatsje stonden de huizen en stallen van onze Griek, die ook reeds erg bouwvallig waren en natuurlijk allemaal afgebroken moesten worden en waarvoor in de plaats andere gebouwd moesten worden. Toen Jozef dat allemaal goed bekeken had zei hij tegen Mij: 'Mijn zoon, als we dat op natuurlijke wijze af moeten breken en dan weer opnieuw op moeten bouwen, dan hebben we veel meer dan een jaar nodig voor dat werk! ’Ik zei: 'Maak je daarover niet bezorgd! Wat Ik zei zal ook gebeuren! Maar niet vandaag en morgen; maar overmorgen zal alles er geheel en al ordelijk bijstaan.’

 

Nu vroeg de Griek: 'Ik zou vanavond graag op goede joodse wijze jullie gastheer zijn; maar in dat opzicht heb ook ik wel wat moeilijkheden. Met de vis als lievelingskost van de joden gaat het bij ons geen haar beter dan bij de waard bij wie wij ons middagmaal nuttigden; want er is hier geen beek van betekenis, geen meer, en tot aan de zee is het toch wel een beetje te ver. Maar kippen, eieren en lammeren en kalveren heb ik wel, evenals gezuurd brood, zout en een goede wijn, die ikzelf in mijn vele en grote wijngaarden verbouw. Het hangt nu alleen van jullie af wat jullie kiezen, dan zal alles op de juiste tijd zijn toebereid.'

Jozef zei: 'Laat dan een lam voor ons toebereiden; de rest zal vast zonder meer goed en in orde zijn!'

 

De Griek zei: 'Heel goed! Het beste en vetste van mijn vele lammeren zal geslacht en toebereid worden! - Maar nu vraag ik me nog af, wat we zullen doen tot het echt volop avond is geworden, opdat de tijd ons niet te lang valt.’ Ik zei: 'Laten we dan helemaal naar de top van jouw berg gaan en daar een beetje deze omgeving bekijken, die heel mooi is; daar kan dan nog zo het een en ander gebeuren, wat ons veel stof tot nadenken en tot gesprek kan geven!' Toen Ik deze wens had uitgesproken waren allen het er mee eens. We gingen op weg en waren al gauw boven op de berg, en wel op de hoogste top. Van daaruit konden we meteen de grote zee helemaal zien omdat het een heldere zomerdag was, en we waren allen zeer verheugd over deze geweldig heerlijke aanblik.

 

En Jozef zei zelf geheel ontroerd: 'O, als deze aarde als opvoedings­plaats van Gods kinderen al zo mooi is dat je je niets mooiers en heerlijkers kunt wensen, hoe mooi moet de hemel dan wel zijn, die ons na de dood van dit lichaam en na de opstanding op de jongste Dag staat te wachten! Tussen dit matte leven in het lichaam en die heerlijke opstanding ligt wel een heel lange, levenloze, duistere nacht, maar ik zie dat als volgt: als iemand nu, levend in zijn lichaam, een hele nacht wakker moet blijven, hoe lang moet dat dan wel niet voor hem duren. Maar als de mens die hele lange nacht heerlijk doorslaapt, dan komt die hem 's morgens vaak nog te kort voor. En zo denk ik dat de lange nacht ons op de dag van de opstanding niet te lang voor zal komen. De goede God heeft immers alles op z'n best ingericht, zodat het de mensen die zich aan Zijn geboden houden en het volste vertrouwen in Hem hebben tot geluk en het grootste heil strekt.’

 

Ook onze Griek was het met de mening van de oude Jozef eens, maar hij vroeg Mij toch wat Ik daarop te zeggen had. En Ik zei: 'Ja, ja, dat zijn wel echt mooi en wijs klinkende woorden! Het was een heel goed beeld; maar het enig vervelende eraan is, dat het niet zo waar is als het zich laat aanhoren als het zo mooi en plechtig uitgesproken wordt. Maar nu Ik toch bij jullie ben, -waarom vragen jullie Mij dan niet, hoe het met het leven van de ziel na de dood van het lichaam zal gaan? Ik zal het toch beter weten dan jullie! Maar Ik weet niets van een bijna eeuwenlange doodsnacht van de ziel na het afvallen van het lichaam; op het moment dat het zware lijf van je af zal vallen, zul je je ook meteen in de opstanding bevinden en verder leven en werken in eeuwigheid, dat wil zeggen, als je als een in Gods ogen gerechtigd mens deze wereld zult verlaten. Sterf je echter als een in Gods ogen ongerechtigd mens, dan zal er wel een zeer lange nacht tussen de dood van je lichaam en je ware opstanding volgen - het is echter niet zo dat je je daar niet bewust van bent, de ziel is er zich wel van bewust -, en dat zal een echte en lang durende dood van de ziel zijn. Want een dood waar de ziel geen weet van heeft, zou ook geen echte dood voor haar zijn; maar de dood waarvan ze zich bewust is in het rijk van de onzuivere geesten, zal een grote pijn en kwelling voor haar zijn. Zie, zo zal het gaan! En nu jullie dat weten, moeten jullie een volgende keer duidelijker en meer volgens de waarheid denken en spreken; en waar jullie niets van weten, daar moet je Mij naar vragen, opdat je door je woorden niet tot allerlei verkeerde denkbeelden vervalt! Onthoud dat allemaal goed!'

 

Daarop zei de Griek: 'Ja, zo is het en zo moet het ook zijn, en nooit of te nimmer kan het anders zijn! Maar nu wij hier van zo'n heerlijk uitzicht genieten en dit kennelijk alleen gezien wordt door onze levende en voelende ziel, door de ogen van het lichaam als door een paar ramen van haar tijdelijk levend wandelende huis, dat wij lichaam noemen, en daar de ziel zelf daarover nadenkt en met volle teugen geniet van die heerlijkheid, is het toch de vraag of de ziel ook na het afvallen van het lichaam deze wereld en haar schoonheid zal kunnen zien en beoordelen, dat wil zeggen, als ze zich ergens op deze aardbodem zou bevinden. -Wat kun jij daarover, goddelijke jongeling, voor opheldering geven?'

 

Ik zei: 'De ziel van een volkomen en gerechtigd mens zal niet alleen met een enkele oogopslag deze hele aarde door en door en geheel en al kunnen zien en over alles uiterst helder en volledig kunnen oordelen, maar over nog eindeloos veel meer; want deze aarde is niet de enige in de eindeloze scheppingsruimte, maar er zijn er nog eindeloos veel meer, en ook zulke die veel groter zijn en evenveel overeenkomstige zijn er ook in het rijk van de zuivere geesten. Maar daar kan een mens pas een duidelijke voorstelling van krijgen ­als hij dat van Gods geest in het hart van zijn ziel verneemt en is overgegaan tot een meer omvattend schouwen. Kortom, de volkomen ziel kan alles; maar de onvolkomen ziel, die geestelijk blind is, zal niets anders kunnen zien dan de lege en wezenloze voortbrengselen van haar ijdele fantasie. Maar als dan een ziel ook in het andere leven, zonder lichaam, in zichzelf zal keren en zich mogelijkerwijs zal beteren, zal zij daardoor ook overgaan tot een helderder schouwen in grotere waarheid, - maar wel via een weg die langer duurt en veel moeilijker is dan hier. En nu weten jullie ook wat dat betreft het meest noodzakelijke; geloof dat het zo is en niet anders en houd je aan de geboden, dan zullen jullie volkomen worden in je ziel!'

 

Toen zei de Griek nog: 'Dat geloof ik nu ook vast, zonder enige twijfel, en ik ben ervan overtuigd dat het zo is; maar ons Grieken ontbreekt het nog aan een juiste en ware voorstelling van de gestalte en vorm van een ziel. Zou je ons ook daarover misschien nog wat kunnen zeggen?' Ik zei: 'Jazeker, wat goed is voor jullie doe Ik altijd graag! Zie, de ziel heeft dezelfde gestalte en vorm als haar lichaam, alleen in veel meer volkomen mate. Echter is hier alleen sprake van een volkomen ziel. Die heeft alles wat haar lichaam had, maar natuurlijk en vanzelfsprekend voor heel andere doeleinden. Maar haar geestelijk lichaam is geen materie, maar pure substantie. En de substantie is zoals het licht dat van de zon komt, dat ten opzichte van de materie helemaal niets lijkt te zijn en toch de grondstof van de materie is, zonder daarmee een en hetzelfde te zijn; want alle oerstof is vrij en ongebonden. En zo weten jullie nu ook hoe dat is. En opdat jullie je daar een nog duidelijker beeld van kunnen vormen, wijs Ik jullie erop dat jullie je verschijningen herinneren van overleden mensen, die jullie op bepaalde momenten meermaals gezien en zelfs gesproken hebben. Zagen ze er anders uit dan tijdens hun leven?'

 

De Griek zei: 'Ja, ja, nu besef ik pas helemaal dat je in alles de volle waarheid hebt gesproken! Ik heb al heel vaak zulke verschijningen gehad, heb met verschillende overledenen zelfs gesproken en ben zelfs over heel wat dingen door hen onderwezen, en ik heb ze nooit anders gezien dan in een volmaakt menselijke gestalte. Ik dank je daarom voor deze uiteen­zetting.’ Ook Jozef en Jacobus gaven Mij hetzelfde getuigenis, wat diezelfde Jacobus nu hier als Mijn leerling kan bevestigen. Daar tijdens Mijn onderricht de zon was ondergegaan, verlieten we allemaal blij en opgewekt de mooie hoogte en begaven we ons naar het huis van de Griek, waar reeds een goed toebereid avondmaal op ons stond te wachten, dat we dan ook met een goede eetlust tot ons namen; daarna begaven we ons meteen ter ruste, waar vooral Jozef al grote behoefte aan had.'

 

Jongelingsjaren van Jezus

GJE7-210:1-16

(De Heer): "s Morgens gingen wij al een uur voor zonsopgang naar buiten en wel nogmaals naar de reeds bekende hoogte, vanwaar we de mooie omgeving in het ochtendlicht heel goed konden zien. Men kon namelijk in het ochtendlicht de zeegebieden achter Tyrus veel beter waarnemen dan in het avondlicht. Daarbij kwam nog de in zekere zin opnieuw tot leven gekomen natuur van de planten en meer nog van de dierenwereld; en we genoten meer dan een uur lang in de vrije natuur. Daarna begon Jozef met de Griek over het nodige bouwmateriaal te spreken en hij vroeg hem of hij wel de benodigde hoeveelheid hout bezat en of dat goed gedroogd was. Toen zei de Griek: 'Meester Jozef, iets zal er wel zijn, maar of het voldoende is, moet jouw inzicht bepalen! Mocht er iets te weinig zijn, wel, dan heb ik hier dit mooie cederbos, dat ons vast kan leveren wat we te kort komen! Na het ochtendmaal kun je het bouwmateriaal dat ik vergaard heb naar believen bekijken. Voorzover ik het kan beoordelen, denk ik wel dat er voldoende bouwmateriaal zal zijn.’

 

Jozef zei: 'Dat is goed, dat zullen we meteen na het ochtendmaal doen en daarna een bouwplan maken!’ Ik zei: 'Dit werk en deze moeite kunnen we ons voor vandaag besparen; want morgen zullen we geen bouwmateriaal en nog minder een bouwplan nodig hebben. Ik had gedacht om vandaag naar Tyrus te gaan en daar een beetje rond te kijken om te zien of er niet iemand is die onze hulp nodig heeft.’ Ook daarmee ging de Griek akkoord en zei: 'Maar dan moeten we wel proberen om met mijn lastdieren snel op pad te gaan; want het duurt ruim zeven uur om van hier naar Tyrus te komen!’ Wij waren het met zijn voorstel eens en dus begaven we ons dan ook onmiddellijk naar het reeds klaar staande ochtendmaal, en iets minder dan een uur later waren we al welgemoed op weg naar Tyrus. Ons kleine groepje ging zonder oponthoud voort en zo bereikten we de stad al na vijf uur, waar de Griek erg verbaasd over was. En hij gaf openlijk toe dat hij deze weg nog nooit in zo'n korte tijd had afgelegd; want een gewone karavaan zou er wel een volle dag voor nodig gehad hebben om door dit zeer uitgestrekte gebied te reizen. Derhalve was deze reis voor onze Griek ook een klein wonder .

 

Toen we in Tyrus aankwamen, namen we onze intrek in een goede herberg en de Griek bestelde onmiddellijk een middagmaal volgens joodse traditie, omdat er een heleboel goede vis was te krijgen en aan wijn -vooral uit Griekenland -was hier ook geen gebrek. We namen een beetje rust, omdat de reis ons enigszins had vermoeid. In die tussentijd was ons middagmaal ook al klaar en we nuttigden het onmiddellijk. De Griek betaalde meteen alles en begaf zich daarna met ons naar een plek waar men de zee en de vele schepen goed kon overzien. Toen we daar al een hele tijd genoeg naar de zee, de golven en allerlei schepen hadden gekeken, zei Jozef 'Nu we eigenlijk het meest karakte­ristieke van deze stad hebben gezien en de weg naar de plaats waar we vandaan zijn gekomen even lang is als hier naar toe, zal het nu wel al tijd zijn om ons weer op weg naar huis te begeven.’

 

Ik zei: 'O Jozef, dat kan nog wel wachten; maar hier zal men onze tegenwoordigheid al gauw nodig hebben. Zie daarginds eens, hoe daar nog behoorlijk ver weg een groot schip flink te kampen heeft met de almaar toenemende storm! Op dat schip bevindt zich onze Cyrenius, die mogen we niet te gronde laten gaan! Hij is in Klein-Azië geweest en komt nu weer thuis; maar door de storm kan hij nu niet aan land komen. Hij heeft ons vroeger waarachtig grote vriendschap bewezen en nu is het aan ons om hem te helpen, en dat is strikt genomen de eigenlijke reden waarom Ik vandaag hier in Tyrus wilde zijn.’

Jozef zei: 'Hoe kunnen we dan helemaal over die razende golven komen om de landvoogd daar te kunnen helpen?' Ik zei: 'Hebben jullie gisteren dan niet gezien hoe Mijn wil ook tot aan de zon heeft gereikt? Als Ik de zon kon gebieden, dan zal Ik nu ook wel in staat zijn om de zee te gebieden! Ik had dat ook wel vanuit de verte kunnen doen; maar het is nu toch beter dat we allemaal ter plekke zijn, ­wat jullie later duidelijk zullen inzien. Maar nu moet er vooral geholpen worden - en daarna pas gepraat!’ Hierop strekte Ik Mijn handen uit over de razende golven en sprak luid: 'Leg je ter ruste, razend monster! Ik wil het en zo zij het!' Toen Ik deze woorden had gesproken was de zee plotseling volkomen rustig en het schip van Cyrenius werd door een onzichtbare macht snel naar de veilige oever getrokken en op deze wijze gered voor een zeker ondergaan met man en muis.

 

Op de plaats waar Ik dat bewerkstelligd had, bevonden zich echter nog meer mensen, die zich zeer verwonderd afvroegen wat Ik dan wel voor een mens was, dat de elementen aan Mij gehoorzaamden. Sommigen dachten dat Ik een zeer beroemde magiër moest zijn; anderen meenden echter dat Ik een vroom mens was en daarom onder de genade van de goden stond, die Mij verhoorden als Ik hun iets vroeg. Weer anderen merkten op dat Ik een jood was en dat joden vaak geweldige profeten hadden en dat Ik misschien wel zo'n ziener van de joden was of misschien zelfs wel een Esseen. Zodoende ontstond daar druk gepraat, maar toch waagde niemand zich in Mijn buurt om Mij te vragen wie Ik was.

Nu kwam ook het schip naar de oever en iedereen snelde er naar toe om de landvoogd te begroeten. Maar wij bleven staan.’

 

Jongelingsjaren van Jezus

Het weerzien met Cyrenius

GJE7-211:1-29

(De Heer): 'Toen Cyrenius aan de oever kwam, zei hij tegen de hooggeplaatsten die hem geluk wensten: 'Ik dank jullie voor je oprechte medeleven met het ongeluk dat mij zeker te wachten gestaan zou hebben; maar het is uiterst verbazingwekkend, hoe de geweldig tekeer gaande storm zo plotseling ging liggen. Dat deed me helemaal denken aan eenzelfde gebeurtenis bij Ostracine in Egypte. Daar bevond zich toen een wonder­baarlijk kind van een joodse familie die daar naartoe was gevlucht. Dat kon de storm ook zo plotseling doen bedaren, terwijl het omgekeerd ook een storm tevoorschijn kon roepen. Dat zal ongeveer twintig jaar geleden zijn. Ik heb al alles geprobeerd om uit te laten zoeken waar dat gezin verblijft, maar tot nog toe was het allemaal tevergeefs. Ik heb nu ook allang niet meer aan dat gezin gedacht; maar het plotselinge ophouden van deze storm heeft dat vergelijkbare verschijnsel, dat ik, zoals ik net zei, al eens eerder heb meegemaakt, weer in mijn herinnering geroepen.

Het is werkelijk hoogst merkwaardig! Als zo'n storm hier begint te razen duurt het meerdere dagen tot de grote zee weer zo rustig is geworden, dat men het aandurft om met een schip de zee op te gaan, - en zie nu eens hoe rustig de hele zee nu is geworden, zonder enige golfslag! Wat me ook zo wonderlijk vreemd voorkwam, is hoe mijn schip als het ware door een geheime kracht getrokken snel de oever naderde. Ik zeg jullie: dat is niet op natuurlijke wijze gebeurd!’

 

Een hooggeplaatst persoon zei tegen Cyrenius: 'Kijk eens naar die vrije, in zee vooruitspringende plek. Daar zie je nog die vier mensen. Een man van ongeveer twintig jaar oud heeft tijdens de storm zijn handen uitgestrekt om de storm het zwijgen op te leggen, en de storm zweeg. Wij weten niet wie hij is, maar houden hem in eerste instantie toch voor een profeet van de joden; want een jood is hij, aan zijn kleren te zien. Of hij de storm werkelijk door zijn machtswoord heeft doen bedaren, durven we niet met zekerheid te beweren, maar het blijft merkwaardig dat de storm precies op het moment dat hij luid zijn bevel uitsprak, ging liggen. Het zou werkelijk de moeite waard zijn om nader uit te zoeken wat en wie die man is.'

 

Cyrenius zei: 'Wacht eens, er gaat me nu een licht op! Het kan heel goed zijn dat die man nu precies die wonderlijke zoon is van dat gezin waar ik zojuist over sprak. Ik moet zelf met hem spreken!’ Toen snelde Cyrenius naar de plaats waar wij vieren nog stonden en vanwaar wij de nu rustige zee met zijn veelsoortige verschijnselen gade­sloegen, alsook de meest verschillende soorten zeevissen en ander gedierte, dat zich hier, gedwongen door Mijn wil, moest laten zien. Toen Cyrenius bij ons aankwam, vroeg hij aan Jozef, die hij zich nog tamelijk goed herinnerde: 'Vriend, ben jij niet dezelfde jood die ongeveer twintig jaar geleden vanwege de vervolging door de oude Herodes met zijn kleine gezin met mijn hulp naar Egypte, en wel naar Ostracine is gevlucht? En als jij dat bent, zeg me dan ook wat er van dat kleine wonderbaarlijke jongetje is geworden, dat ik voor een God aanzag!'

 

Jozef maakte een diepe buiging en zei: 'Eerbiedwaardige, het is een te grote eer die u ons, arme timmerlieden uit Nazareth, hebt bewezen door zelf naar ons toe te komen, terwijl u toch maar hoefde te gebieden dat wij naar u moesten komen! Maar nu u al hier bent, zeg ik u met mijn hart vol dankbaarheid voor al het goede, dat u mij en mijn gezin inderdaad ongeveer twintig jaar geleden, reeds hier en later in Egypte, hebt bewezen, dat ik werkelijk diezelfde timmerman Jozef ben en dat ook deze nu volwassen jongeman, nu ook timmerman, precies dezelfde is die u toen als een wonderbaarlijk jongetje hebt leren kennen.'

Toen Cyrenius dat gehoord had, begon zijn gezicht werkelijk te stralen van vreugde. Hij omarmde Jozef en overlaadde hem met kussen en keerde zich toen tot Mij en zei: 'O Heer, acht U mij, grote zondaar in Uw ogen, wel waardig ook U te kussen?' Ik zei: 'Heil zij jou en alle heidenen, dat jullie Mij in jullie zonden veel eerder hebben herkend, dan de joden in hun licht! Daarom zal ook het licht van het leven aan de joden ontnomen worden en aan jullie, heidenen, worden gegeven. Kom jij maar en kus Me! Want wie met jouw liefde bij Mij komt, ook al kleefden er zoveel zonden aan zijn ziel als er gras is op de hele aarde en zand in de grote zee, Ik zou hem niet verstoten maar hem opnemen zoals een vader zijn zoon zou opnemen, die weliswaar voor hem verloren is gegaan maar die hij weer heeft teruggevonden!'

 

Toen onze Cyrenius zulke woorden uit Mijn mond had vernomen was hij tot tranen bewogen, hij kwam naar Me toe, omarmde Mij en kuste Me zonder ophouden. Pas daarna dankte hij Mij voor de wonderbaarlijke redding uit het grote levensgevaar. Tegelijkertijd nodigde hij ons uit om mee naar zijn residentie te gaan, waar hij onze gastheer wilde zijn en wij hem alles moesten vertellen wat er in die tussentijd met ons gebeurd was.

Maar Ik zei: 'Lieve Cyrenius, vanavond willen wij wel gehoor geven aan jouw wens; maar morgenvroeg moeten we bij deze Griek zijn, die meer dan zeven uur hier vandaan woont, omdat we daar een nieuw woonhuis en een grote varkensstal moeten bouwen.”

 

Cyrenius zei: 'Goed, mijn goddelijke vriend, - ikzelf zal jullie daarheen begeleiden en daar ik nu een tijdlang niet hoef te werken, zal ik ook enkele dagen bij jullie blijven. Want nu ik jullie weer eenmaal gevonden heb, wil ik jullie niet zo gauw weer uit het oog verliezen! Ik zei: 'Dat is allemaal heel goed, best en mooi van je, en wij zullen ook gehoor geven aan je uitnodiging. Maar nu zouden we graag nog een tijdje hier blijven; want Ik wil "Mijn broer Jacobus en ook deze brave Griek Anastocles de verschillende dieren van de zee laten zien en daar zullen we nog wel een paar uur voor nodig hebben.’ Cyrenius zei: 'O Heer, dat zou ikzelf ook wel graag willen zien en zeker ook de anderen daar, die in de kleine haven op mij wachten!’

 

Ik zei: 'Heel goed, laat ze allemaal hier komen, want dit is de gunstigste plaats daarvoor!’ Toen liet Cyrenius alle anderen bij zich komen, het waren er bijna zeventig. Ze gingen langs de rand van de verhoogde vooruitstekende plaats staan en waren al gauw buiten zichzelf van verbazing, toen ze op het spiegelgladde zeeoppervlak dieren voorbij zagen trekken die ze nog nooit tevoren hadden gezien. Cyrenius zei vol verbazing: 'O eindeloos grote fantasie van de ene ware God! Wat een oneindig grote volheid van belichaamde gedachten van God! Wat een oneindige verscheidenheid! Wat een kolossen van zeemonsters komen telkens weer hier naar toe, aangetrokken door een onzichtbare scheppende kracht! Ruim een uur duurt deze wonderbaarlijke processie al, en nog is bij lange na het einde niet in zicht! Niet eens een duizendste deel kennen we bij naam en U, o Heer, roept ze in Uw wil naar Uw wijsheid zeker bij hun naam en alle dieren volgen Uw almachtige roep! O, allen die hier zijn moeten goed kijken, want jullie zien nu wat het oog van een sterfelijk mens nog nooit heeft gezien!’

 

Een hooggeplaatste vroeg aan Cyrenius of Ik dat allemaal veroorzaak­te.’  Cyrenius zei: 'Wie anders? Wij beiden in ieder geval niet!' De hooggeplaatste zei: ' Als die man dat kan, dan moet hij zonder meer een God zijn, en dan zullen we hem wel goddelijke eer moeten laten bewijzen door onze priesters!' Cyrenius zei: 'Doe dat maar niet; want ik ken Hem allang en weet het beste wat Hij wil en wat Hem welgevallig is! Met een priester zouden we Hem alleen maar van ons verdrijven.’ Toen onze Cyrenius dat tegen de hooggeplaatste had gezegd, nam deze het woord priester niet meer in de mond.

 

Er kwamen nu de meest zeldzame schelp­ en schaaldieren voorbij zwemmen en Cyrenius sprak de wens uit dat hij, als aandenken aan deze wonderbaarlijke dag, graag enkele van die heerlijke schelpen en hoorns zou bezitten. Ik zei tegen hem: 'Zeg dan tegen een van je dienaren, dat hij met een vaartuig op het water hier naartoe moet komen, dan zal Ik hem van daaraf wel aanwijzen welke exemplaren, die al volwassen zijn, hij uit het water moet halen!’ Dat gebeurde onmiddellijk. Binnen enkele ogenblikken roeiden onder de vooruitstekende rotspunt drie flinke vaartuigen en de handige vissers haalden alle door Mij aangewezen prachtexemplaren uit het water en vulden hun boten daarmee.

 

Toen zei Ik tegen Cyrenius: 'Laat ze voor vannacht in kalkhoudend water leggen, haal morgen ieder exemplaar er behoedzaam uit en reinig de mooie schelp van de vlezige inhoud, droog hem goed af en wrijf hem dan aan de binnenkant in met wat nardusolie! Dan kunnen ze in je schatkamer als aandenken worden bewaard!’ Ook dat werd nauwkeurig uitgevoerd en Cyrenius kwam daardoor aan een schat, die enkele duizenden ponden goud waard was. Na twee uur was de voorbijtrekkende stoet ten einde, en maakten wij aanstalten om onze plek te verlaten.’

 

Jongelingsjaren van Jezus

GJE7-212:1-13

(De Heer): 'De Griek Anastocles verontschuldigde zich dat hij wellicht niet met ons mee kon gaan naar Cyrenius, omdat hij in de herberg nog het een en ander in orde moest maken. Maar Ik zei tegen hem: 'Laat de herberg maar de herberg, - die zal zelf wel weten wat er gedaan moet worden; maar wat jou bij ons ten deel valt, zal je meer tot voordeel strekken dan je herberg, en je huis -want je weet nu wel met wie je in Mij van doen hebt - zal morgen nog eerder klaar zijn dan dat wij van hier bij je huis terug zullen zijn. Tijdens de nacht zal in jouw huis de verandering zo gebeuren, dat niemand van je mensen het merkt! Maar 's morgens zullen ze van verbazing grote ogen opzetten, wanneer ze zich in een heel nieuw huis bevinden, dat echter toch helemaal hetzelfde is als het oude, alleen zal het in alles groter en comfortabeler zijn, -zoals dat ook met de stal het geval zal zijn. Als je dat nu uit Mijn mond weet, kun je nu helemaal gerust zijn en met ons mee naar Cyrenius gaan, waar het voor ons allemaal goed zal zijn te vertoeven.

 

Anastocles zei daarop: 'Ja, als dat zo is, laat ik de herberg natuurlijk de herberg en ga ik met jullie mee naar Cyrenius! Misschien herinnert hij zich ook mij nog van Ostracine!' Ik zei: 'Laat dat maar gerust aan Mij over, daar zal Ik wel voor zorgen; want Ik kan alles wat Ik wil!’ Daarmee was onze Anastocles helemaal tevreden gesteld en hij ging met ons naar het prachtige paleis van Cyrenius en zijn hoge raadsheren, ministers en veldheren, die allemaal in het grote paleis woonden.

 

Toen wij in de vertrekken van Cyrenius kwamen, was de Griek werkelijk buiten zichzelf van pure verbazing; want zo'n pracht en een dergelijke rijkdom hadden zijn ogen nog nooit ergens gezien. Zachtjes. zei hij (Anastocles) tegen Mij: 'Maar Meester vol goddelijke kracht, dat is gewoon onmenselijk wat voor schatten en onuitsprekelijke rijkdom hier is! Wat bezit één mens veel en hoe uiterst weinig daarentegen vele honderdduizenden!’

Ik zei: ' Maar zo is het beter; want als alle mensen zulke en zovele schatten zouden hebben, zouden die ten eerste geen waarde hebben en ten tweede zouden de mensen al gauw hun drang om actief te zijn verliezen en tenslotte evenals de dieren, in volledige traagheid voortleven. Alleen honger en dorst zou hen dan tot de vereiste activiteit aanzetten; al het andere zou voor hen geen prikkel en stimulans zijn. Maar wanneer zulke schitterende schatten en rijkdommen zich alleen maar in handen van enkele verstandige mensen bevinden, hebben ze voor alle andere mensen vanwege hun grote zeldzaamheid ook een nauwelijks te schatten waarde, en de mensen worden daarbij actief en werklustig om bij zulke rijke lieden ook een klein deel van de kostbare schatten te verdienen. En zie, dat is immers goed!

 

Je ziet hier wel grote hoeveelheden goud en zilver en een onnoeme­lijke hoeveelheid uiterst kostbare edelstenen en parels; wanneer Cyrenius jou slechts een van die heerlijke parels zou geven, opdat jij een bepaald werk voor hem zou verrichten, dan zou jij zeker dadelijk al je krachten aanwenden om slechts één zo'n parel te verdienen. Maar als jij van jezelf al een grote hoeveelheid van zulke parels zou hebben, dan zou jij omwille van die ene parel zeker niet al je krachten aanwenden, maar tegen jezelf zeggen: 'O, wie dat wil moet maar voor die ene parel werken! Ik heb er toch al genoeg en kan het er goed van nemen!' Daar kun je al aan zien dat het in de wereld voor de mensen heel goed is, wanneer dergelijke grote schatten en rijkdommen zich altijd in handen van slechts enkelen bevinden. - Zie je dat in?'

 

De Griek zei: 'Wie zou dat niet inzien, als U het hem uitlegt? Cyrenius is weliswaar een strenge, maar daarbij toch ook een rechtvaardige en goede regent. Hij denkt altijd aan de werkelijk armen, ofschoon hij iedereen van te voren altijd goed controleert, of hij werkelijk arm is of dat hij, wat vaak het geval is, lui is en niet van werken houdt. En omdat hij zo'n man is, is het ook goed en redelijk dat hij zulke grote schatten en rijkdommen bezit.' En zo werd onze Griek nu dan ook rustiger en kon de pracht van het paleis gemakkelijker en kalmer verdragen.

Terwijl Ik zo met de Griek bezig was, sprak Cyrenius met grote belangstelling met Jozef over Mij en wat Ik in die tussentijd allemaal gedaan had, hetgeen Jozef en Jacobus hem ook allemaal in het kort waarheidsge­trouw meedeelden, wat hem grote vreugde verschafte. Dat vragen en vertellen duurde ruim twee uur; ook de meeste hoge raadsheren en ministers namen daaraan deel en aan hun verbazing over Mij kwam geen einde.'

 

GJE7-213 (Hoe men God waarlijk vereert. Jezus als voorbeeld voor de mensen)

(De Heer): 'Aan het eind van Jozefs verhaal zei een hoge raadsheer tegen Cyrenius: ' Als dat allemaal waar blijkt te zijn wat er over deze mens verteld wordt, moet hij zonder meer een God zijn; want niemand heeft ooit gehoord dat een natuurlijk mens, alleen door de macht van zijn wil, zulke daden heeft verricht. Wij hebben ook wel een heleboel magiërs gezien die allerlei wonderlijke daden verrichtten, - maar meestal kwam men er al gauw achter, hoe en met welke middelen. Ook in het verre achterland van Egypte moeten er mensen zijn, die door hun wil en hun blik in staat zijn om alle dieren te temmen, - maar dat is toch allemaal niets vergeleken met het vermogen van deze mens!

Hij wil het, en de elementen onderwerpen zich aan zijn wil. Hij geeft bevelen aan de dieren van de zee, zoals een veldheer aan zijn troepen en ze gehoorzamen aan zijn bevel. Ik voor mij heb geen verdere tekenen als bewijs nodig, dat zijn gehele wezen van volledig goddelijke natuur moet zijn! Want wie in staat is tot hetgeen deze man kan en vermag, moet ook tot alle andere dingen in staat zijn. Van déze man zou ik durven te beweren, dat hij ook een wereld zou kunnen scheppen als hij dat wilde. Daarom zouden we hem dan ook goddelijke eer moeten bewijzen!'

Nu zei Ik tegen die raadsheer: 'Hoe zouden jullie dat dan aanpakken om Mij goddelijke eer te bewijzen?' De raadsheer zei: 'Wel, zoals we bij ons de opperste god Jupiter vereren of zoals jullie priesters hun onzichtbare Jehova vereren!’

 

Ik zei: 'Vriend, aan beide vereringen is Mij waarlijk niets gelegen, omdat de ene noch de andere een juiste en ware verering van God is! De ware en voor God geldende verering bestaat uit het volgende: ten eerste dat men zonder twijfel en vast gelooft aan slechts één ware God, die hemel en aarde en alles wat er is, heeft geschapen; ten tweede dat men deze ene door het geloof erkende God boven alles liefheeft en volgens Zijn wil leeft en handelt; en ten derde dat men ook zijn naaste zo liefheeft als zichzelf.

Zie, uit deze drie dingen bestaat de ware verering van God; al het andere is ijdel en heeft voor God niet de minste waarde! Alleen wat in liefde wordt gedaan, is een waar iets voor God; maar wat men doet uit een zekere vrees voor Gods macht, om God zachter en milder te stemmen, is voor God een gruwel. Want voor het verrichten van de zogenaamde godsdienstige handelingen, die met alle mogelijk ceremonieel plaatsvinden, worden nu eenmaal altijd en overal bepaalde priesters aan­gewezen. Deze beschouwen zichzelf daarom ook als veel waardiger dan de andere mensen en kijken op hen neer, zij laten zich enorme eer bewijzen en zitten boordevol hoogmoed. Tenslotte houden zij zichzelf voor goden en spreken vanuit hun eigen willekeur recht over hun arme naasten, die vaak duizend keer beter zijn dan de verwaande en heerszuchtige priesters. Denk jij echt dat God vreugde en plezier zal beleven aan zulke opgeblazen protserige vereringen, die door de zojuist beschreven priesters worden uitgevoerd en door het volk duur worden betaald?

 

Ik zeg je: wanneer er zo'n dienst wordt gehouden ter ere van God en God daar in Zijn allerhoogste wijsheid vreugde aan zou beleven, zou Hij geen God zijn, maar evenals de dienstdoende priester een blind dom mens vol hoogmoed en vol heerszucht. Hoe kan iemand de ware God daartoe instaat achten, die door Zijn eeuwige liefde, wijsheid en macht toch alles uit Zichzelf geschapen heeft en door Zijn eeuwige goedheid en erbarming ook alles eeuwig doet voortbestaan? Waar is in Gods hele oneindigheid een wezen, dat zich met succes tegen God zou kunnen verzetten en het tegen Hem zou kunnen opnemen? Alles wat de eindeloze scheppingsruim­te bevat, is immers Gods gedachte en wil! Als God deze aarde niet meer zou willen laten bestaan, wanneer ze met Hem zou willen strijden, hoeft Hij immers maar te willen dat ze niet meer bestaat, en ze is er niet meer! En daarom heeft God van de mensen, die Hij tot Zijn ware kinderen wil maken en opvoeden, geen andere verering nodig dan dat ze Hem als een ware, heilige Vader boven alles liefhebben en altijd graag doen wat Hij hun als Zijn wil te kennen geeft.

Daarom zeg Ik jullie allen hier: wat groot is in de ogen van de wereld, is voor God een gruwel! Maar waarachtig groot is voor God een deemoedig mens, die Hem boven alles liefheeft en zijn naaste als zichzelf en die zich niet als een heer boven hen verheft maar slechts als een vriend die hun goed wil doen. Nemen jullie nu een voorbeeld aan Mij! Zoals Ik ben, is er zeker geen tweede in de wereld! Hemel en aarde staan onder Mijn macht en Mijn gezag, en toch ben Ik met heel Mijn hart zachtmoedig en deemoedig en ben Ik hier om jullie allen, hoog en laag, te dienen. Doen jullie hetzelfde, dan zullen jullie Mij daardoor het beste eren!"

 

Jeugd Jezus 214:1-14 (De vrije wil van de mens)

(De Heer): 'Toen allen deze woorden uit Mijn mond hadden vernomen, waren ze verbaasd over Mijn wijsheid en Cyrenius zelf zei: 'Ja, ja, dat zijn geen woorden zoals mensen ze spreken, maar die woorden zijn waarachtig van God; want uit ieder woord komt als het licht uit de zon de stralende waarheid, waar zelfs het meest scherpzinnige menselijk ver­stand niets tegen in kan brengen.

Kijk eens naar onze goden en onze priesters, wat een onzin zien we dan en wat een boze dwaasheid! En hier straalt de waarheid als een zon! Daarom zeg ik nu niets dan: Heer, help ons spoedig uit onze grote nood!

Er zijn onder ons veel mensen die fysiek arm zijn en die wij, rijken en in aards opzicht machtigen, wel altijd kunnen helpen als we dat maar willen; maar wij zijn allemaal arm in geestelijk opzicht en deze armoede is veel erger dan fysieke armoede, omdat niemand van ons de ander kan helpen. Want wat men zelf niet heeft, kan men ook een ander niet geven. Maar U bent in Uw geest oneindig rijk en kunt ons van Uw eindeloos grote overvloed wel zoveel doen toekomen als nodig is om ons te helpen.

Laat vooral de volle waarheid in het hart van de mensen doordringen en laat ons zien, hoe we van de ergste plaag voor onze zielen op deze wereld af kunnen komen!

Deze ergste plaag is echter ons afgodendom en zijn onze priesters. Deze duizendmaal duizend geprivilegieerde bedriegers van de mensen hebben verstand van magie en toverij of liever gezegd, ze plegen allerlei soorten bedrog, imponeren daardoor de met blindheid geslagen volksmenigte en zijn, doordat zij voornamelijk met het volk omgaan, in het volle bezit van de macht over het volk, wat het voor ons eindeloos moeilijk maakt om het volk voor te lichten; want als uiteindelijk zelfs de keizer betere scholen zou willen oprichten voor het volk, zouden die vreselijke priesters het hele volk maar al te gauw tegen de keizer opzetten en zou hij met leger en al verloren zijn.

Daarom lijden wij, Romeinen en Grieken die beter en helderder van geest zijn, grote nood waarvan wij ons met alle schatten van de wereld niet kunnen bevrijden. Wijst U ons op een middel daartegen, -dan zal het ook bij ons licht worden,- en dan zullen wij en vele duizendmaal duizenden mensen geholpen zijn!’

Ik zei: 'Dat is een goede gedachte van je en wat je wenst zal ook geschieden. Maar zo plotseling als Ik de storm op zee deed bedaren, gaat het niet met de geestelijke hulp; want daarbij had Ik alleen maar met geesten en krachten te maken die nog lang geen eigen vrije wil hebben en Mij derhalve ook onvoorwaardelijk moeten gehoorzamen.

Maar ieder mens heeft een volkomen vrije wil volgens welke hij vrij kan doen wat hij wil en daarom is zijn gehoorzaamheid logischerwijze daarvan afhankelijk. God Zelf kan en mag hem nooit en te nimmer door Zijn almacht dwingen, maar Hij kan de mens alleen in zulke situaties brengen dat hij door middel van ervaringen, als het ware uit zichzelf, tot een zuiverder inzicht komt en zo dan ook zijn wil door zijn eigen verstand kan leiden.

Maar zou God door Zijn almacht, vanuit Zijn wijsheid de wil van de mens leiden, dan zou de mens niets hoger staan dan een dier; hij zou er zelfs nog enigszins onder staan, omdat zelfs aan het dier al een kleine vrijheid van wil is verleend in zoverre het, zoals de ervaring jullie leert, ook een verstand en een geheugen heeft, honger, dorst en pijn voelt en daarom ook, al is het nog zo vaag, iets kan denken, kan oordelen en door zijn geluid, gezichtsuitdrukking en bewegingen te kennen kan geven wat het nodig heeft en wil hebben.

Maar een mens, die wat zijn wil betreft puur afhankelijk is van Gods almacht, zou bijna zijn als een boom, die zo moet groeien en bestaan als Gods wil hem heeft neergezet.

Daaraan kun je al zien dat het met de juiste ontwikkeling van een mens heel anders gaat, dan met het plotseling doen bedaren van een storm op zee. Wanneer de mensen ook op die manier behandeld zouden moeten worden, zou het wel dwaas van Mij zijn om nu met jullie vanuit Mijn wijsheid te spreken en jullie volgens de waarheid te onderwijzen; dan zou Ik jullie namelijk ook wel meteen de lichtste gedachten in jullie ziel kunnen leggen en dan jullie wil met Mijn macht kunnen dwingen om niet anders te willen en te handelen dan alleen zo, als Ik het Zelf wil. Maar zou iemand er iets aan hebben, als Ik hem tot een pure machine van Mijn almachtige wil zou maken?

Maar de nog zo boosaardige en zelfzuchtige priesters van jullie zijn ook geheel mensen met een volledig vrije wil en kunnen daarom doen wat ze willen en dat des te meer, omdat jullie wereldse wetten hen niet aan banden leggen en jullie hen anderzijds zoals ze zijn, goed voor het volk kunnen gebruiken.

Maar wie zich van hun juk wil bevrijden, moet de waarheid zoeken en zich daaraan houden; want ieder mens kan alleen maar door de in zichzelf gevonden waarheid volledig vrij worden van het juk der duisternis, die een uitwas is van het duizendkoppige bijgeloof.

Wanneer jullie dat begrepen hebben, moet je er ook naar handelen, dan zullen de priesters jullie ten eerste geen schade kunnen berokkenen en ten tweede zelf ermee ophouden, wanneer ze op jullie terrein van de lichte waarheid, geen respons meer vinden op hun dwaasheden."

 

GJE7-215 (De opvoeding van de mensheid)

(De Heer): 'Nu zei de hoge raadsheer weer: 'Maar waarom zou het dan met name voor de hogepriesters schadelijk zijn, wanneer ze door de almacht en de wijsheid van jouw God gedwongen zouden worden, althans voor enkele jaren, de afgoderij te laten vallen en het volk de waarheid te onderwijzen? Mochten ze dan, als Gods almacht hen weer vrijlaat, op­nieuw tot de oude afgoderij terug willen keren, dan zou het verlichte volk hen zeker zodanig terechtwijzen, dat ze zich nooit meer met die oude afgoderij zouden inlaten! Heb ik gelijk of niet?'

Ik zei: ' Als dat raadzaam zou zijn en heilzaam voor de mensen, zou God de priesters niet nodig hebben, maar zou Hij ook de bomen en de stenen kunnen laten spreken, wat nog meer teweeg zou brengen bij het volk. Maar in beide gevallen zou dat niet alleen geen nut hebben voor de vrije wil van de mensen, maar het zou de vrije ontwikkeling van het innerlijke zelfstandige leven van de ziel alleen maar schaden; want als opeens al jullie priesters voor het nu nog grotendeels bijgelovige volk, dat zijn overtuigingen op onwaarheden baseert, luidkeels zouden beginnen te prediken tegen de oude goden en afgodsbeelden, zou het volk hen voor vijanden van hun oude goden aanzien, hen grijpen en wurgen. Maar wanneer bomen en stenen het volk zouden onderwijzen, zou daardoor een enorme dwang uitgeoefend worden op hun bewustzijn en hun wil en dan zou het volk ook al gauw alle afgodsbeelden en hun priesters te lijf gaan en hen vernietigen.

Zeg nu zelf wie daar mee geholpen zou zijn! Het volk niet; dat zou dan een onvrij en geheel en al opgedrongen geloof, bewustzijn en wil hebben, waardoor hun zielen evenmin vrij zouden kunnen worden als door hun oude bijgeloof, dat nu toch al bij velen onder jullie zeer doorzichtig is geworden als gevolg van het eigen onderzoeken en denken.

 

Een geloof dat de mensen door wonderen is opgedrongen, zou -zoals zojuist besproken- geen zin hebben, omdat het evenals het oude een bijgeloof zou zijn, en voor de priesters zou het evenmin nut hebben en voor jullie ook niet. Of kun jij bewijzen, dat je werkelijk een wijze bent als je alleen de vragen die je jezelf stelt, beantwoordt?

Wanneer Ik nu bijvoorbeeld de zuilen in dit paleis zou doen spreken, en hun dan allerlei uiterst diepzinnige en wijze vragen zou stellen, waarop de zuilen Mij dan zulke wijze en ware antwoorden zouden geven als aan geen mens ter wereld en ook aan geen engelengeest in de hemel mogelijk zou zijn, wat zou jij daar dan op zeggen?'

De hoge raadsheer zei: 'Enerzijds zou dat wel heel wonderbaarlijk zijn; maar de zuilen zouden uiteindelijk toch alleen maar in overeenstemming met uw wil en volgens uw inzicht die wijze antwoorden kunnen geven, en dat zou dan eigenlijk hetzelfde zijn als wanneer u zichzelf vragen zou stellen en die dan zou beantwoorden.’

Ik zei: 'Dat heb je heel goed gezien en goed beantwoord. En zie, precies hetzelfde zou het ook zijn wanneer God de levensorde, die Hij ooit voor eeuwig bepaald heeft, de mens door Zijn almachtige wil zou inprenten. Dan zou God Zelf willen en handelen in de mens! Maar als het zo zou gaan, wat zou er dan terechtkomen van het volkomen vrije zelfstandige leven van de mens ?

Maar God heeft de mensen niet geschapen als zogenaamde speelpoppen voor Zichzelf, maar als volledig aan Hem gelijke evenbeelden, die Hij uit Zichzelf in het leven heeft geroepen, niet als schepselen van Zijn almach­tige willekeur, maar als ware kinderen van Zijn eeuwige vaderliefde; en Hij heeft hun de geheel aan Hem gelijke creatieve eigenschap geschonken om zich volkomen vrij vanuit de eigen levenskracht zelf volgens de eigen totaal vrije wil te ontwikkelen tot zij helemaal aan God gelijk zijn. En zie, daarom mag bij de ontwikkeling van de mensen hun vrije wil door geen enkele goddelijke dwang worden geremd, maar men moet hen zelfs onder de kwalijkste omstandigheden hun volkomen vrije wil laten behouden, zelfs ook wanneer dat Mijzelf Mijn aardse leven aan het kruis zou kosten!

Zie, zo veel liefde heeft de goddelijke wijsheid voor de mensen, die ze ooit als haar kinderen in deze wereld heeft geplaatst ter beproeving van de volstrekt vrije wil, die hun werd gegeven. Begrijp dat daarom goed en stel verder geen zinloze vragen aan Mij; want God heeft uit Zichzelf voor eeuwig een orde bepaald en daar zal het ook eeuwig bij blijven! En laten we nu over iets anders praten, als jullie dat willen!

 

Hier zei Cyrenius: 'Maar, mijn Heer en Meester in alle dingen, U bent daar toch niet boos om? We zijn zoals we zijn: nog sterk aardse mensen die traag van begrip zijn en daarom vragen we U om geduld.’

Jozef zei nu: 'Dat duurt bij Hem nooit zo lang! Het is nu verstandiger Hem met rust te laten; want hij heeft nu werkelijk wel heel veel gepraat en gesproken. En als Hij eenmaal zo optreedt, is het maar het beste Hem te laten gaan en te doen wat Hij heeft aangeraden. Daar kan ik, als het ware zijn vader, ook niets aan doen. Opeens wordt Hij dan stil en laat ons praten wat we willen. Laat Hem daarom, eerbiedwaardige vrienden en bescherm­heren, maar een tijdje met rust; dan zal Hij zelf wel weer met iets komen!'

Cyrenius zei tegen Jozef: 'Maar zeg me toch of Hij Zichzelf ooit wel eens heeft tegengesproken?' Jozef zei: 'Nog nooit! Wat Hij eenmaal zegt, dat is zo goed als voor de hele eeuwigheid gezegd, en dat vaak bij de kleinste en onbeduidendste dingen! Dat kan ik geheel naar waarheid getuigen.’

Cyrenius zei daarop: 'Ja, dan is het inderdaad maar verstandiger ons zo te gedragen als Hij dat wenst; want Zijn innerlijk is vervuld van Gods geest en wat Hij wil, gebeurt. Wij, zwakke mensen, kunnen dan maar beter geen gevecht met Hem aangaan, waar ik twintig jaar geleden al van overtuigd was. Maar nu is het de vraag over wat voor andere dingen we nu dan nog zullen praten, omdat Hij toch het meest gedenkwaardige fenomeen van deze tijd is, zoals ook van alle andere tijden en dat ook tot aan het einde van de wereld zal blijven."

 

GJE7-216 (Kritiek van de Romein op de aardse toestanden)

(De Heer): 'Hierop zei Jozef: 'O, dan kan ik je wel onmiddellijk een onderwerp noemen, dat wel aantrekkelijk voor Hem is! Luister, wat hebben jullie, die toch in heel wat mysteries zijn ingewijd, voor een voorstelling van de schepping van het eerste mensenpaar op deze aarde?'

De hoge raadsheer zei daarop: 'Vriend, wat dat betreft staan er bij niets anders in de wereld zoveel vraagtekens als juist bij dit hoogst twijfelachtige punt! Daarover iets definitiefs en zekers te zeggen is en blijft voor ons mensen onmogelijk, en hoe meer onderzoek men daar naar doet bij alle bekende volkeren van de aarde, in een des te groter labyrint van onzeker­heden komt men terecht. Wie zich zo echt vol vertrouwen in de armen heeft geworpen van een blind geloof aan de ene of de andere volkssage, is er bijna altijd nog het beste aan toe. Als men niet achter de waarheid kan komen, moet men een levensechte fantasie zien te vinden, dan is men in zo'n levensechte droom meestal veel gelukkiger dan wanneer men eeuwig naar een waarheid zoekt die werkelijk nooit te vinden is!

De Perzen hebben een andere sage dan de Indiërs en dan jullie joden, de Scythen weer een andere, wij Romeinen en Grieken ook weer en zo ook de Opper-Egyptenaren, en de mij bekende Germanen weer een heel andere! 0, daar zou heel wat over te zeggen zijn, maar uiteindelijk zou men er niets mee opschieten.

Daarom ben ik van mening dat we dit uiterst onvruchtbare onderwerp helemaal moeten laten vallen; want daar krijgen wij evenmin ooit helemaal duidelijkheid over, als de astronomen over het wezen van de planeten aan het firmament.

Ik wil dus zeggen: Als er na het afvallen van dit lichaam werkelijk een hoger en meer volkomen leven bestaat, dan zullen we in dat leven ook zeker diepere waarheden begrijpen; en mocht het na de dood van het lichaam ook helemaal afgelopen zijn met het leven van de ziel, dan is er werkelijk niets verloren als we niet al te wijs zijn geworden. Kijk, vriend, zo denken wij, zeer ervaren en meer ontwikkelde Romeinen! 

Het is ook moeilijk om te bewijzen dat de ziel van de mens na de dood voortleeft, maar het is nog altijd gemakkelijker dan met zekerheid aan te tonen of, hoe en wanneer een enkel mensenpaar of misschien ook wel meerdere mensenparen in dezelfde tijd of in zeer verschillende tijden op deze aarde zijn gezet. Alleen een God kan dat weten, maar nooit een kortzichtig en ook veel te kort levend mens; want als hij dank zij zijn vele ervaringen misschien net tot het beschouwen van diepere waarheden zou kunnen komen, moet hij de wereld al verlaten! Omdat ik dat maar al te goed ken, geef ik werkelijk niets meer om zulke dingen en onderzoeken! Kortom, hoe het hele leven op aarde is ingericht, is en blijft voor denkende mensen slecht.

Ook al zijn we tot het kindschap van God geroepen, dan kan dat zeker maar door een klein deel van de mensen bereikt worden! Waarom dan niet door allen?

Waarom moet er ongeveer een derde van de mensen als nog onmondige kinderen sterven? Wat kunnen die weten van God en hun latere bestemming en hoe kunnen ze zich door het juiste gebruik van hun vrije wil ontwikkelen totdat ze Gods gelijke zijn?

Daarom beweer ik: De blindste dwaas is duizendmaal gelukkiger dan de grootste wijze, en we doen er 't verstandigst aan ons hier met andere dingen bezig te houden dan met zulke onvruchtbare beschouwingen; want hoe meer een mens weet en begrijpt, des te duidelijker wordt het hem dat hij uiteindelijk helemaal niets weet. En voor zo'n uiterst saai levensvermaak zal ik zeker niet al te dankbaar zijn. Ik heb gezegd!’

Cyrenius zegt daarop: 'Ja, ja, als je dat met ons puur natuurlijk verstand bekijkt, heb je helemaal gelijk; maar…-' De raadsheer zei: 'Niets maar! We hebben toch geen ander dan alleen maar een natuurlijk verstand?! Als dat niet voldoende is, waar halen we dan een bovennatuurlijk verstand vandaan?! Een mens is zichzelf toch het meest nabij - en kent zichzelf niet; hoe zou hij dan iets moeten kennen dat verder van hem afstaat?! Houd toch op! De natuur van de mens is zonder zijn willen en weten ofwel helemaal bedorven en deugt nergens meer voor, of de mens is gedoemd, meer nog dan ieder dier, zijn onvolkomenheid te voelen en daardoor zo ongelukkig te zijn als maar mogelijk is. Want ik heb nog nooit een wijze gezien die werkelijk gelukkig is. Hoe wijzer iemand is, des te ongelukkiger is hij ook aan het eind van zijn dagen. En zijn grootste vriend is dan altijd de dood. Werkelijk, een merkwaardige liefhebberij van een almachtige en hoogst wijze God: aan één stuk door scheppen en meteen daarna weer vernietigen!’

 

GJE7-217 (1-10) - (Gods bedoeling met de mensen)

(De Heer): 'Toen zei Ik: 'Vriend, je bent een beetje opgewonden, omdat Ik jullie allen zojuist de waarheid over de bestemming van de mensen heb voorgelegd; maar dat is helemaal niet erg! Ik heb die klippen van twijfel in je gezien en wilde dat je ze openlijk prijsgaf; daarom moest Jozef ook met zo'n onderwerp komen, dat jouw tong op de juiste plek losmaakte. Je hebt ook heel goed gesproken en je twijfels en kritiek ten aanzien van de menselijke natuur goed naar voren gebracht. Maar nu ben Ik aan de beurt en Ik kan je daarover iets heel anders zeggen dan wat jij over het onderwerp denkt, dat jullie nu onder elkaar hebben besproken.

Zie, als God de mensen alleen voor deze aarde had geschapen, zou het wel een vreemde liefhebberij van Zijn kant zijn om aan één stuk door te scheppen en het geschapene dan weer te vernietigen; maar omdat Hij de mensen voor een hoger en eeuwig leven heeft geschapen en hen slechts zo lang op deze aarde laat bestaan tot ze de strikt noodzakelijke beproeving van hun vrije wil, of op z'n minst het bestaan in het vlees hebben doorgemaakt, is het een ware en levende liefhebberij van God ten opzichte van Zijn mensen, dat Hij ze op deze jammerlijke wereld slechts zo lang in het vlees laat leven als voor de ene of andere mens hoogst nodig is! Wanneer de eigenlijke mens deze aarde verlaat, zal hij aan gene zijde wel naar scholen gestuurd worden die geschikt zijn om hem tot de hogere en geheel ware levensvervolmaking te brengen. Daar zal hij dan ook wel een ware voorlichting krijgen over de genesis van de eerste mensen van de aarde.

Maar menigeen zal, ook al omwille van zijn medemensen, op deze aarde gelijk Mij vervolmaakt worden, maar alleen langs de enig mogelijke weg van de ware verering van God, die Ik jullie zojuist heb uiteenge­zet, toen jullie overwogen Mij goddelijke eer te bewijzen.

Maar opdat je voortaan niet meer twijfelt aan het leven van de ziel na de dood van het lichaam, zal Ik de ogen van je ziel een tijdje openen en dan kun jij ons meedelen wat je allemaal gezien hebt. Maar dat wil Ik ook alleen maar doen als jij dat wilt.’ De raadsheer zei: 'Ja, dat zou ik graag willen! Doet u dat voor mij!'

 

Nu riep onze Jozef Mij bij zich en zei zachtjes tegen Mij: 'Luister, mijn lieve zoon van de Allerhoogste, maak het niet te bont met die hoogge­plaatste Romeinen; want ik heb steeds de indruk dat ze je al een tijdje verkeerd begrijpen! De hoge raadsheer heeft dat zojuist min of meer te verstaan gegeven, ofschoon hij er aanvankelijk vóór was om je goddelijke eer te bewijzen.’

Ik zei: 'Je hoef je geen zorgen te maken! Wat Ik hem nu ga laten zien, zal hem op heel andere gedachten brengen!' Jozef zei: 'Doe dan maar wat je goed dunkt!'

 

Hierop opende Ik enkel door Mijn innerlijke en niet hardop uitgespro­ken wil voor de raadsheer het zogenoemde tweede gezicht, en hij werd onmiddellijk omringd en omgeven door zijn vele overleden familieleden, vrienden en bekenden en tenslotte kwam zelfs Julius Caesar ook nog te voorschijn, waar de raadsheer zich buitengewoon over verbaasde, zodat hij Mij haastig vroeg: 'Is dat allemaal waarheid of zinsbegoocheling?'

Ik zei: 'Praat met hen, zij zullen het je zeggen; want een drogbeeld kan niet spreken!"

 

GJE7-218:1-18 (de geesten vertellen over gene zijde)

(De Heer): 'Daarop vroeg de raadsheer aan de hem verschenen geesten of ze werkelijkheid waren of misschien een begoocheling van zijn wellicht betoverde zintuigen. De geesten zeiden: 'Wij zijn waarheid en als je dat niet ziet en niet wilt begrijpen, houd jij je alleen zelf voor de gek!'

De raadsheer zei: 'Waarom kan ik jullie dan nu alleen maar zien en waarom niet ook andere keren? Waarom lieten jullie je niet aan mij zien toen ik zo vaak reeds zelf vurig naar jullie verlangde?' De geesten zeiden: 'Je zou ons ook vaker kunnen zien en spreken, als je ziel niet zo verblind zou zijn door de genotzucht van de materiële wereld.

De eenvoudige oermensen van deze aarde konden dat; maar toen de latere nakomelingen steeds meer en meer verzonken in het materiële van de wereld, verloren ze ook het vermogen om de afgescheiden zielen te zien en met hen om te gaan. Daardoor kwam het duister van de twijfel over hen, waarin ze zelfs ook het geloof aan een voortleven na de dood van het lichaam verloren en zich angstig onder elkaar begonnen af te vragen of er na de dood van het lichaam wel een voortleven van de ziel bestond.

En zie, deze toestand vol twijfel van de grof zinnelijke mensen is een ware straf voor hun zedelijke verdorvenheid, en het is goed zo! Want zonder deze bittere straf zouden de mensen steeds meer en dieper wegzin­ken in het gericht van de materie; en zo houdt de angst voor de dood van het lichaam hen daarvan af, omdat ze niet kunnen weten en beseffen wat er na de dood van het lichaam met hen zal gebeuren!

Op de wereld tijdens ons leven in het lichaam hebben wij allemaal diezelfde straf doorgemaakt en waren vol twijfel over allerlei zaken; alleen de werkelijke scheiding van ons lichaam heeft ons er pas van overtuigd dat men na het afvallen van het vlees voortleeft. En tijdens dit voortleven gaat het alleen met diegene goed, die in zijn lichaam op de wereld rechtschapen was en goede werken heeft verricht; maar met de lasteraars en degenen die niet rechtschapen, hard en geheel liefdeloos waren gaat het slecht, zelfs duizendmaal slechter dan met degenen die hier in de duistere kerkers smachten.

Jij bent weliswaar een rechtschapen man, maar daarbij toch hard en onverbiddelijk. Wanneer jij bij ons naar deze wereld komt met die eigenschappen, zul jij ook die strenge en onverbiddelijke gerechtigheid vinden, maar geen liefde en erbarming. Want geen enkele ziel vindt bij ons iets anders dan wat ze in haar gemoed heeft meegebracht; want bij ons staat men pas op hoogst eigen grond. Begrijp dat en houd er rekening mee, opdat je goed verzorgd bij ons aankomt; want jij hebt nu een betere gelegenheid dan wij ooit gehad hebben!’

 

Toen zei de raadsheer: 'Nu geloof ik dat jullie echt en geen zinsbegoo­cheling zijn! Maar zeg me eens wie die jonge joodse man is, die zulke wonderbaarlijke werken verricht voor onze ogen!' De geesten zeiden: 'Hij is Degene die Hij is, die Hij was en die Hij altijd zal zijn! Meer mogen we niet over Hem zeggen; want dat gebiedt ons Zijn wil. Maar Hij is toch bij jullie, je kunt het Hem zelf vragen!'

Daarop richtte de raadsheer zich speciaal tot Julius Caesar en vroeg hem: 'U was op aarde een heel verstandige en machtige held; alles en iedereen had zich te schikken naar uw geboden. Maar hoe leeft u nu in de wereld van de geesten?'

 

De geest (Julius Caesar) zei: 'In de wereld heb ik reeds een vreselijk loon geoogst voor hetgeen ik gedaan heb omwille van mijn roem; daarom heb ik ook weinig goeds in mezelf hier mee naartoe gebracht, en daarom was grote armoede mijn loon en mijn wereldse roem was hier gelijk een duistere nacht, waarin ik slechts hier en daar een paar sterretjes zag glinsteren door dikke zwarte wolken. Lange tijd was ik helemaal alleen zonder ook maar enig gezelschap en ik had niemand behalve mijzelf Hoe ik ook riep, smeekte, huilde, rondliep en zocht, het hielp allemaal niets. Alle goden riep ik aan, maar er kwam geen antwoord. Na een lange, treurige, wanhopige tijd in mijn verschrik­kelijke toestand, kwam ik op het idee me tot de God der joden te richten. ­Toen werd het lichter om me heen en die paar sterren werden ook lichter en het leek of ze dichterbij kwamen. Toen ik dat merkte stelde ik mijn volle vertrouwen in de God der joden en vroeg Hem vurig mij te helpen uit mijn grote nood en ellende.

Toen werd het nog lichter om me heen en een ster kwam naar beneden, dicht bij me. En al gauw ontdekte ik dat de ster een volkomen menselijke gedaante aannam en deze mens was iemand die ik in de wereld een keer een echte weldaad had bewezen; hij zei tegen me: 'Heil zij jou, dat je tijdens je nacht de ware God der joden hebt gevonden! Verban je valse afgoden en verban ook je eigen grootste afgod, je Caesar roem; word geheel en al deemoedig, dan zal ik je meenemen naar mijn woning!

 

Toen richtte ik me weer tot de God der joden en vroeg Hem mijn roem en alle valse afgoden weg te nemen. Daarop kwamen ook de andere sterren als mensen naar me toe en zeiden: 'Ook wij zijn net als jij op de aarde geweest; maar wij waren arme joden, die door jouw priesters vervolgd werden; maar jij hebt ons beschermd, gaf ons geschenken en hielp ons om weer naar ons land te gaan. Nu ben jij arm en hebt van alle aardse schatten niets behalve datgene wat je voor ons hebt gedaan; en daarom zijn we nu ook doordat God het toeliet naar je toe gekomen om je het goede te vergelden dat je voor ons hebt gedaan; Wanneer je zonder enige roem met ons wilt meegaan, dan zul je bij ons onderdak vinden!'

 

Toen ging ik en kwam meteen in een wonderlijk lieflijke omgeving. Het leek een breed dal met een groot mooi meer. Het dal was zeer uitgestrekt en omsloten door hoge bergen, die prachtig waren om te zien. Voor me stonden een paar huisjes, zoals men die op de wereld in groten getale goed kent onder de naam vissershutten. Verder weg zag ik nog meer van dergelijke hutten. De velden waren weelderig groen. Alleen bomen zag ik weinig, maar ze hingen vol met de mooiste vruchten. Bij mijn aankomst vond ik, in de woonhut die zich aan de rechter kant bevond, onderdak bij mijn vriend, die in mijn grootste nood het eerst bij me kwam, en daar vond ik ook dadelijk iets te eten en te drinken; alles was hoogst eenvoudig, maar toch gaf het me veel meer vreugde dan mijn grote schatten en paleizen mij op de wereld ooit gegeven hebben.

 

Toen ik me zo gelukkig in de hut bevond en me ook voldoende had gesterkt, nam mijn vriend me weer mee naar buiten, waar we een boot ontdekten op het heldere wateroppervlak van het meer; er zat een mens in die, met zijn hand aan het roer, op ons afkoerste. Ik vroeg mijn vriend wie die schipper wel mocht zijn. En hij zei: 'Hij komt af en toe bij ons over dit meer, waarvan wij niet weten hoe lang het is, en geeft ons altijd heel vriendelijk te kennen wat ons verder te doen staat. Daarna moeten we dan weer aan het werk. We doen dan weer het werk dat ons is aangeraden, werken met volle inzet en met vreugde en lust, en onze inzet wordt telkens gezegend door de God der joden. Toen wij naar deze omgeving kwamen zoals jij nu, zag het er nog woest en verlaten uit; alleen door onze vlijt en ijver is het in deze bloeiende staat gekomen. Ook jij zult nu voortaan zo met ons willen werken en daarbij ook de zegen ontvangen die wij hebben ontvangen!"

 

GJE7-219 (Het leven van Julius Caesar aan gene zijde)

(De Heer): '(Julius Caesar): 'Dat verheugde mij zeer en ik begaf me met mijn vriend naar de oever van het meer. De schipper ging dadelijk aan land en zei: 'Daarginds aan de oever van het meer, rechts, landinwaarts, is nog een vreselijke poel, waarin zich nog allerlei verschrikkelijk onge­dierte bevindt, dat af en toe de lucht van deze omgeving verontreinigt. Deze poel moeten jullie droogleggen! Gooi er net zo lang goede aarde in tot de poel, die niet erg diep is, opgevuld is, dan zullen jullie je omgeving daardoor flink verbeteren en er een vruchtbaar stuk land bij hebben!' Mijn vriend en ook ik bedankten hem met blijdschap voor deze raad. Hij voer snel weer weg en wij gingen onmiddellijk aan de werkelijk zware arbeid.

In het huis was ook meteen het benodigde gereedschap te vinden voor het werk dat ons was aangeraden. We pakten het, opgewekt en blij, gingen naar de genoemde plaats en begonnen te werken. Maar toch werd ik angstig en bang, toen ik zag hoe groot de poel was; want er was daar zo'n enorme hoeveelheid verschrikkelijk uitziend ongedierte, dat ik tegen mijn vriend zei: 'Luister, eer wij die poel hebben drooggelegd, zijn er minstens honderd volle jaren op aarde voorbijgegaan!'

Daarop zei mijn vriend: 'Wat maakt het ons uit, hoeveel jaar er op aarde voorbij zijn gegaan! Zo'n tijd bestaat hier niet, want hier heerst een en dezelfde eeuwige dag, en onze tijd ligt in onze wil. En deze poel is slechts een noodzakelijke uitbeelding van de onzuiverheid, die zich nog binnen in je hart bevindt, en hier is het vooral jouw taak om je daarvan te zuiveren door een ernstige wil en door geduld, wat je op aarde totaal vreemd was. Maar ik zal je helpen, dan zal ook deze vreselijke poel gauw en zonder al te veel moeite in een vruchtbaar stuk land veranderd worden!’

Toen ik dat hoorde versterkte ik mijn wil en begon met alle geduld te werken. In het begin leek het wel alsof de poel nooit vol zou worden; maar langzaam aan werd het toch zichtbaar dat we niet tevergeefs werkten; en zo was die afschuwelijke poel dan ook al gauw helemaal gevuld met goede aarde, het ongedierte bezweek onder het gewicht van de aarde en werd voor eeuwig begraven en wij wonnen een goed en mooi stuk land en plaatsten er ook meteen een nieuwe woonhut op, die wij de aanko­mende nieuwelingen ter beschikking stellen, want wij helpen hen meestal op dezelfde manier vooruit als waarop de vriend, waarover ik spreek, mij vooruit heeft geholpen.

De schipper is sindsdien al meerdere keren bij ons geweest en heeft ons telkens weer tot nieuw werk aangezet, dat wij ook verricht hebben, waardoor onze omgeving in een waar Eden is veranderd. Ik woon daar nog en verlang voor mezelf niets hogers, mooiers en beters. Laat je daarom op deze wereld met niets in, wat in aards opzicht groot en waardevol is; want bij ons zijn slechts de werken en daden die waarachtig goed en edel zijn van waarde!'

Geheel verbluft zei toen de gestrenge hoge raadsheer tegen de geest van Julius Caesar: 'Waar bevindt zich dan voor aardse begrippen het gebied dat je nu zo getrouw hebt beschreven?'

Julius Caesar zei: 'Op deze aarde zal dat door mij beschreven gebied zich wel nergens bevinden, maar toch is het zo dat het plaatselijk overal kan zijn; want waar ik ben, is ook dat gebied. Zo langzaam aan heb ik wel geleerd dat de plaats, de omgeving en alles wat mij in onze wereld als schijnbaar levenloze materie omgeeft, uit mijzelf is gegroeid -zoals in zekere zin een boom uit de aarde–of met andere woorden: ikzelf ben de schepper van de wereld die ik bewoon. Ik en mijn vrienden bewonen daarom ook eenzelfde landschap, omdat wij eenzelfde liefde, dezelfde wil en derhalve ook eenzelfde denkwijze hebben; maar op dezelfde plek kunnen ook nog talloze andere geesten wonen, en ieder in een andere omgeving. Dat is het grote verschil tussen ons, geesten, en jullie, nog aardse mensen.

De raadsheer zei: 'Dat begrijp ik niet! Hoe kunnen nu op een en dezelfde plek meerdere omgevingen en landschappen zijn?'

Julius Caesar zei: 'O, dat kan gemakkelijk, en uiteindelijk zelfs ook nog op heel natuurlijke wijze! Kijk, in een en hetzelfde vertrek slapen bijvoor­beeld honderd mensen en allen dromen! De een is in Rome, de ander in Athene, een derde in Jeruzalem, een vierde in Alexandrië en ga zo maar door, iedereen is heel ergens anders en dat zo levensecht dat hij er overdag maar niet over uitgepraat raakt. Wel, hoe is dat dan mogelijk? Alle honderd in een en hetzelfde slaapvertrek -en toch ieder in een heel andere omgeving?! Ja, hoe is dat dan als duizenden mensen zich op een veld bevinden en ieder op een en hetzelfde ogenblik iets anders ziet?

Kijk, zo ongeveer is alles in die andere, of liever gezegd, in onze geestenwereld! Het verschil tussen onze wereld en die van jullie hier, is alleen maar het volgende: Wij, geesten, wonen in feite eigenlijk in onze geheel eigen wereld, maar jullie wonen in de wereld van God. Want onze wereld is het werk van onze gedachten, ideeën, begeerten en onze wil; maar deze wereld is het werk van de liefde, de gedachten, de ideeën en de wil van God.

Daarom is de mens het evenbeeld van God, heeft hij scheppingskracht in zich en kan in zuiver geestelijke toestand zijn wereld zelf scheppen en zodoende in zijn volkomen eigendom wonen. Dat zul je nu wel begrepen hebben?!'

De raadsheer zei: 'Maar dan zijn de mensen die jou omringen en met je omgaan toch ook slechts jouw werk en jouw eigendom in de wereld die als een droombeeld uit jou is voortgekomen!'

Julius Caesar zei: 'Ook dat, ten dele; maar ik zou hen zonder dat zij dat willen niet voor de geest kunnen halen en nog minder met hen kunnen omgaan, hen zien, horen en spreken. Maar dat lijkt ook heel sterk op het zien, horen en voelen van je medemensen op deze aarde. Want jij ziet de werkelijke mens ook niet, maar alleen een afbeelding ervan in jezelf, je voelt hem slechts door je eigen gevoel en hoort het geluid van zijn woorden in je oor, dat zo is ingericht dat het het geluid dat er door de lucht naar toe komt, nabootst. Maar wanneer jij blind, doof en zonder gevoel bent, bestaat er voor jou geen medemens, ook al zou hij zich heel dicht in je buurt bevinden. Maar al hoor, zie en voel jij nog zo veel mensen en stel jij je hen in gedachte voor, dan zul je toch in werkelijkheid niemand zien, horen en voelen als er niemand is.

En zo moet ook in de geestenwereld de geest waar jij mee om wilt gaan er zijn, in ieder geval met zijn wil, zijn liefde en zijn bewustzijn. Zonder dat ben je alleen of de mensen die je soms even ziet zijn niets anders dan fantomen van je fantasie, hebben op zichzelf geen bestaan, geen realiteit en kunnen derhalve ook niet wederzijds met jou omgaan; want alles wat zij lijken te zijn, ben jij zelf.

En dat is ook hetzelfde en eindeloos grote verschil tussen God en ons mensen, die op Hem gelijken, dat slechts God alleen vanuit Zijn grote gedachten volkomen, zelfstandige en geheel vrije mensen in het leven kan roepen, terwijl wij, geesten, wel fantomen maar geen realiteiten in het leven kunnen roepen. Zo is ook de wereld die een geest bewoont, eerder een fantoom dan werkelijkheid; want geesten met een grotere volmaakt­heid hebben mij ook hun wereld laten zien op een en dezelfde plaats, en die wereld zag er heel anders uit dan de wereld die ik bewoon. Maar dat zul je pas helemaal begrijpen en inzien als je zelf een bewoner zult zijn van je eigen innerlijke geesteswereld.

En nu heb ik je voldoende laten zien hoe het staat met het leven nadat het lichaam is weggevallen; stel ons daarom nu verder geen vragen meer!"

 

GJE7-220 (over geloven en zien)

(De Heer): 'Op dat moment ontnam Ik de raadsheer het innerlijk gezichtsvermogen en hij zag geen geest meer. Maar toen vroeg hij Me vol angst waar de geesten nu naar toe waren gegaan omdat hij er geen een meer kon zien, horen of spreken.

Ik zei: 'Ze zijn er nog net zo als zojuis; maar je kunt ze nu niet meer zien, horen of spreken omdat je ziel nog te zeer één is met je vlees en nog helemaal niet verenigd is met Gods geest in haar. Maar als je ernaar gaat streven om je te verenigen met de geest in je, zul je ook altijd de geesten die zich om je heen bevinden kunnen zien, horen en spreken. -Heb je dat goed begrepen?'

De raadsheer zei: 'Jawel, - maar het vergaat me nu net als iemand die dronken is, die ook soms heel helder van geest is en meteen daarna ook weer heel dom is en zegt: Ik zal er jaren voor nodig hebben eer me dat helemaal duidelijk zal zijn!’

 

Ik zei: 'Wie ijverig zoekt zal ook vinden wat hij zoekt. Maar een mens kan zich - zoals dat in het algemeen maar al te vaak gebeurt - gedurende zijn hele leven afsloven en zo zijn lichaam en meer nog zijn ziel bederven; maar omgekeerd kan hij zich ook erg inspannen tot eeuwig voordeel van zijn ziel. Wanneer de mensen zoveel over hebben voor hun lichaam, dat na korte tijd zal sterven, - waarom dan niet des te meer voor de ziel, wier bestemming het is om eeuwig te leven? Wees ook jij daarom voortaan werkzamer voor het welzijn van je ziel dan voor het welzijn van je lichaam, dan zal het wellichter en helderder in je worden!' ­

Allen waren tevreden met deze les en loofden Mijn wijsheid. Cyrenius echter zei tegen Mij: 'Heer, Waarom mochten ook wij de geesten die mijn raadsheer zag en sprak eigenlijk niet zien en spreken?' Ik zei: 'Niemand van jullie is zo ongelovig als de raadsheer. Voor hem was een tastbaar bewijs noodzakelijk. Hij gelooft nu omdat hij de onte­rechte reden van zijn twijfel heeft gezien. Maar het is geen verdienste van hem dat hij nu voortaan niet moeizaam in zichzelf hoeft te zoeken naar het bewijs, dat de ziel verder leeft na het afvallen van het lichaam.

Maar wie niet gezien heeft wat hij heeft gezien, gelooft wat Ik hem zeg en geloven is heilzamer voor de ziel dan zien, omdat de ziel zich in het geloof vrijer beweegt dan in het zien. Ik ken jouw geloof en weet dat de werken die jij Mij zag verrichten, voor jou reeds als een absoluut bewijs dienen voor de algehele waarheid van wat Ik zeg; en daarom zou het geen enkele zin hebben om jou de overledenen nog te laten zien, opdat ze jou zouden vertellen dat Ik tegen jullie de waarheid spreek.

En wanneer je door je inspanningen vol echt geloof zult zijn, zul je ook vanzelf tot het ware en vrije schouwen komen, dat je ziel dan niet meer dwingt. Zie, dat is de goede reden waarom jullie niet hebben mogen zien wat de raadsheer, die vol twijfels zat, wel heeft gezien!'

Toen Cyrenius en de vele andere gasten dat van Mij vernomen hadden dankten ze Mij zeer voor deze uitleg en waren daarna echt blij dat ze de verschenen geesten niet gezien en gesproken hadden.

 

Omdat het intussen avond was geworden, werden de lichten aange­stoken en werd ons meegedeeld dat het avondmaal in de grote eetzaal was opgediend. Cyrenius ging staan om alle aanwezigen uit te nodigen aan het avondmaal deel te nemen. Maar sommige raadsheren verontschuldigden zich door te zeggen dat ze dat thuis eerst hadden moeten meedelen, omdat men anders met het avondeten op hen zou wachten. Maar Ik zei hun: 'Geef gehoor aan de wil van Cyrenius! Jullie familie is er reeds van in kennis gesteld dat jullie nu hier te gast zijn genodigd!’

Een raadsheer vroeg: 'Wie heeft onze families dan in die korte tijd hiervan op de hoogte kunnen brengen?' Ik zei: 'Precies Dezelfde die in staat was om de storm op zee te doen bedaren! Blijf daarom en geloof dat het zo is!'

 

Na deze woorden bleven allen en gingen we naar de eetzaal. Daar was een speciale tafel, waar voor Mij, Jozef en Jacobus en ook voor de Griek Anastocles zeer goed bereide joodse spijzen stonden en een voortreffelijke wijn. Toen Jozef die speciale aandacht voor ons merkte, zei hij tegen Cyrenius: ' Maar, hoge vriend en gebieder, waarom toch voor ons weinigen die speciale aandacht? We zouden ons immers ook wel tevreden gesteld hebben met de spijzen die jullie, Romeinen, tot je nemen!'

Cyrenius zei heel vriendelijk: 'Vriend, ik ken je nog van Ostracine en weet dat je je streng houdt aan jullie joodse wetten, en daarom was het nu ook mijn plicht om zo voor jullie te zorgen, dat jullie gemoed er niet door benauwd wordt. Maar wij, Romeinen, zijn gewend aan onze spijzen, die 's avonds meestal bestaan uit het vlees van dieren die jullie niet eten; voel je dus niet bezwaard, dat ik voor jullie speciale spijzen heb laten bereiden!’

Dat stelde Jozef gerust, en wij namen plaats aan onze tafel. En de Romeinen namen plaats aan de grote tafel, maar zo, dat Cyrenius heel dicht naast ons zat om tijdens de maaltijd over verschillende dingen met ons te kunnen praten.’

 

GJE7-221:1-11

(Adam en Eva, de eerste mensen van de aarde

De pre-adamieten)

(De Heer): 'We aten en dronken welgemoed en tijdens de maaltijd, toen de wijn de tongen losser had gemaakt, werd door de raadsheer die met de geesten had gesproken nogmaals de vraag gesteld of er vroeger slechts één mensenpaar of meerdere op verschillende plaatsen van de aarde zijn geweest. Want dat hadden de geesten hem niet duidelijk gemaakt en toch wilde hij ook dat met begrijpelijke zekerheid weten, omdat daar al eerder sprake van was geweest.

Daarop vroeg Cyrenius Mij of Ik de raadsheer daar uitleg over wilde geven.

Maar Ik zei tegen Cyrenius: 'Ik zou dat wel kunnen doen, maar niemand zou daar echt iets aan hebben! En wat de mensen echt moeten weten, heeft Mozes heel duidelijk uiteengezet in zijn Genesis en tot slot in nog twee boeken, waarin alles verklaard wordt, maar die in onze tijd niet meer erkend en als apocriefen verworpen worden. Wie dus wil weten hoe het ontstaan van de mensen op deze aarde geschiedde, moet Mozes' schriften lezen en geloven dat het zo en niet anders was, dan komt hij daardoor volledig waar en echt te weten of er in het begin slechts één mensenpaar of bijvoorbeeld meerdere mensenparen tegelijk op de aarde zijn gezet.

Ik kan er alleen aan toevoegen, dat er van de mensen die ertoe bestemd zijn om kinderen van God te worden slechts één paar, namelijk Adam en zijn vrouw Eva, op de aarde zijn gezet. Met hen is ook de geestelijke opvoeding vanuit de hemel begonnen, die tot op dit uur werd voortgezet.

Dat er echter ook reeds lang vóór Adam wezens hebben bestaan die op mensen lijken is heel zeker en waar, en er bestaan nog van die wezens op aarde; maar tussen hen en de eigenlijke vrije mensen bestaat een heel groot verschil.

Want de ware mens kan zichzelf ontwikkelen tot volledige godgelijk­heid en kan God en Zijn werken door en door erkennen, vergelijken, beoordelen en hun doel begrijpen; maar die zogenaamde diermens zal daar wel nooit toe in staat zijn.

 

Dat echter ook de dieren in de loop der tijd, door veel inspanningen van de ware mensen, ook een soort hogere ontwikkeling aannemen, hebben jullie allemaal met jullie huisdieren ervaren. De mensen zouden nog meer kunnen bereiken met de dieren, wanneer ze zoals de eenvoudige oervaderen van de aarde in een ware en volledige verbinding zouden staan met hun geest van gene zijde uit het hart van God.

In het verre Opper-Egypte leven nog mensen die op de oervaderen lijken. Die zijn nog heer over de natuur, die hen moet dienen volgens hun wil. Maar om heer over de natuur te worden, moet de ware mens zich in zijn ziel niet ónder de natuur maar in de geest bóven alle natuur van de materie en het vlees verheffen. Want in de natuur van alle materie ligt het gericht, de onmacht en de dood; alleen in de geest ligt de eeuwige vrijheid, het ware leven en alle macht en soevereiniteit. (opmerking: zie boekje: ‘in het dal der gelukkigen’! - En het bewijs dat dát zo is, heb Ik jullie buiten bij de zee geleverd.

Streef er daarom naar dat jullie ziel één wordt met jullie geest, - die zal jullie dan vanzelf in alle wijsheid binnenleiden; maar zonder de geest zullen jullie steeds schommelen tussen licht en duisternis en tussen leven en dood en tussen vrijheid en gericht!

Tot éénwording van de geest uit God met de geschapen ziel, komt de mens alleen door echt en waar aan de ene ware God te geloven, Hem boven alles lief te hebben en zijn naaste als zichzelf. Wie dat weet en doet zal dan ook in zichzelf ervaren, dat Ik nu de volle waarheid tot jullie heb gesproken!’

Allen waren tevreden met Mijn woorden en er werden verder geen vragen meer gesteld over het begin van het menselijk geslacht op deze aarde.'

 

GJE7-222 Schijnbare waarde uiterlijke cultuurontwikkeling

(De Heer): 'We aten en dronken nu weer verder, maar natuurlijk met mate. Cyrenius sprak daarbij met ons over allerlei praktische dingen, en over dingen die betrekking hadden op de bouwkunde en de andere gasten luisterden naar ons en gaven Mij en Jozef in alles gelijk.

Tenslotte meende een veldheer, die tot nog toe geen enkel woord had gesproken: 'Het zou met betrekking tot de bouwkunst ook vooral bekeken moeten worden of de zeeschepen niet zodanig geconstrueerd kunnen worden dat men ten eerste beter weerstand zou kunnen bieden aan stormen dan tot nu toe het geval is. En ten tweede lijkt het me goed, als er bij grotere schepen geen riemen nodig zouden zijn; want als de riemen te hoog boven boord zijn aangebracht, zijn daar te lange stelen voor nodig, die moeilijk te bedienen zijn. Er is een groot aantal krachtige roeiers voor nodig, terwijl de riemen toch maar weinig kracht uitoefenen in het water en als het stormt gemakkelijk breken. En als de riemen zoals dat bij kleinere schepen het geval is, lager zijn bevestigd, dringt het water bij slechts iets hogere golven door de roei-openingen het schip binnen en kan men niets anders dan aan een stuk door water scheppen om niet onder te gaan. En ten derde hebben onze grote schepen tenslotte nog de fout, dat ze vanwege de vele roeiers te weinig ruimte hebben om een flink aantal andere reizigers mee te nemen, terwijl men ondanks de vele roeiers, bij ook maar een beetje tegenwind, toch niet van zijn plaats komt.

Kijk, mijn beste, jonge, uiterst wijze en wonderbaarlijk machtige man, u zou ons, Romeinen, ook wat dat betreft een goed en waar advies kunnen geven! Die oude Foeniciërs schijnen vaartuigen gehad te hebben, waarmee ze zelfs snel en veilig een heel eind de grote oceaan op konden varen. Wij, Romeinen, moeten ons altijd beperken tot het varen langs de oever en durven alleen maar op rustige dagen en tijden op volle zee te varen. Hoe denkt u daarover?'

 

Ik zei: 'Ja, Mijn vriend, het is niet zo gemakkelijk om een echt goed advies te geven! Want wat zou je er aan hebben wanneer je het tenslotte toch niet ten uitvoer zou kunnen brengen?

Voor een goede en veilige zeevaart is vooral nauwkeurige kennis van de sterren aan de hemel nodig, verder kennis van de aarde en speciaal van de ligging van de zee, de grootte en de diepte. Maar die kennis hebben jullie nog lang niet en jullie kunnen die ook niet hebben, omdat jullie domme priesters dat met alle geweld tegen zouden werken; daarom zouden jullie ook niets hebben aan beter geconstrueerde schepen, omdat jullie ze toch niet zouden kunnen gebruiken.

De schepen van de Foeniciërs waren wel iets bruikbaarder, maar niet veel. Bij gunstige wind konden ze wel beter omgaan met hun zeilen dan jullie; maar ze meden ook de volle zee en voeren ook slechts langs de oevers.

Maar als jullie je scheepvaart willen verbeteren, moeten jullie dat van de Indiërs leren, die aan de zee wonen; want die kunnen met de zeilen omgaan, ook al is dat nog lang niet perfect.

 

Zorgen jullie er maar voor dat je het zover brengt, dat jullie ziel spoedig één wordt met de goddelijke geest, dan zal de geest jullie wel laten zien hoe je de zeevaart sterk kunt verbeteren! Overigens zijn jullie schepen voor deze tijd heel goed en zeer bruikbaar. Jullie nakomelingen zullen later nog zeer wonderbaarlijk vernuftige sche­pen bouwen, waarmee ze zo snel als vogels in alle richtingen over de zeeën zullen kunnen varen; maar dat zal het geluk van de mensen noch fysiek en al helemaal niet geestelijk verhogen, maar juist enorm vermin­deren. Blijf daarom nog maar lange tijd bij datgene wat jullie nu hebben; want een te grote verbetering in aardse dingen is altijd een ware en blijvende verslechtering wat het geestelijke betreft, wat toch het enige is dat de mens moet cultiveren met al zijn levenskracht.

Wat voor zin heeft het als de mens alle schatten van de wereld voor zichzelf zou kunnen verkrijgen maar daardoor grote schade zou lijden aan zijn ziel?! Kennen jullie de korte levensduur van al het vlees op deze aarde nog niet en het uiteindelijke lot van het vlees? Of je nu als keizer sterft of als bedelaar, aan gene zijde maakt dat niets uit! Wie hier veel had, zal aan gene zijde veel moeten ontberen, maar wie hier weinig of niets had, zal aan gene zijde ook weinig of niets te ontberen hebben en zal des te gemakkelijker en eerder de innerlijke en enig ware levende schatten van de geest verwerven.

Daarom waren de oervaderen van deze aarde zulke gelukkige mensen, omdat ze zo eenvoudig mogelijk voorzagen in hun aardse levensbehoeften. Maar toen vooral de mensen, die in de lager gelegen dalen woonden, steden begonnen te bouwen, is daarmee ook de hovaardij in hen gevaren. Ze werden verwekelijkten, werden traag en vervielen spoedig in allerlei kwaad en daardoor in allerlei ellende. Wat voor goeds hadden ze eraan? Ze verloren God uit het oog van hun ziel en alle innerlijke levenskracht van hun geest verliet hen, zodat ze zoals velen van jullie niet meer konden geloven aan een leven na de dood van het lichaam.

Was dat niet een vreselijke ruil, om voor een groter comfort van het materiële leven het geestelijke zo goed als helemaal te verliezen?

 

Wie van jullie derhalve wijs is, probeert nu weer het onnodig overdreven goede en comfortabele materiële leven in te ruilen voor het zuivere, ware, geestelijke; daar zal hij oneindig veel beter aan doen dan wanneer hij zou uitvinden hoe men veilig en zo snel als een vogel over alle zeeën kan varen. Ooit zal hij toch moeten sterven! Wat voor nut zullen zijn grote uitvindingen dan voor zijn ziel hebben?! Blijf daarom bij hetgeen jullie hebben! Hecht er geen belang aan en kijk vooral hoe je meer en meer op de weg van de geest kunt wandelen, dan zullen jullie daarmee de grootste en beste uitvinding gedaan hebben voor de grote scheepvaart, vanuit dit aardse naar het andere rijk, aan gene zijde, het geestelijke!

Wend al jullie krachten en middelen ten volle aan om datgene te bereiken wat eeuwig duurt; maar zorg slechts in zo verre voor het aardse, voor je lichaam, als redelijkerwijs nodig is! Dat een mens moet eten en drinken en zijn lichaam moet beschermen tegen kou en grote hitte, is heel natuurlijk; maar wie voor het lichaam meer doet dan voor de ziel en tenslotte alleen nog maar voor het lichaam zorgt, is werkelijk een blinde en domme dwaas.

Ja, wanneer iemand zijn lichaam tegen Gods wil in een eeuwig leven kan verschaffen - wat onmogelijk is -, dan moet hij alleen voor het welzijn van zijn lichaam zorgen; maar anders moet hij alleen zorg dragen voor hetgeen eeuwig zal en moet duren, omdat God dat zo heeft bepaald!

Wanneer jullie dat nu goed hebben begrepen, vragen jullie Mij niet meer hoe je nutteloze, aardse dingen veel kunt verbeteren; want Ik ben alleen maar naar deze wereld gekomen om jullie de wegen te wijzen naar het eeuwige leven en deze goed te banen, opdat jullie er veilig en gemakkelijk op vooruit kunnen komen!"

 

GJE7-223 De weg tot geestelijke voleinding

(De Heer): 'Toen allen deze woorden van Mij vernomen hadden, zeiden ze onder elkaar: 'Hij heeft volkomen gelijk en er is niets tegen in te brengen; maar wij zijn al vanaf onze geboorte te diep ondergedompeld in de wereld en zullen ons er nu niet zo gemakkelijk meer geheel van los kunnen maken. Volgens Zijn goed beargumenteerde uitspraak moet iedereen zich, door daar zelf geheel vrijwillig aan te werken, uit zijn materiële toestand verheffen naar de vrije geestelijke toestand; en daarbij kan men geen speciale hoop koesteren op wonderbaarlijke hulp van de ware God, omdat de wil van de mens daardoor al een soort dwang zou ondervinden terwijl die eeuwig vrij moet blijven. Om daar puur zelfstandig aan te werken hebben mensen zoals wij kennelijk te weinig kracht, moed, wil en echt volhardend geduld, en daarom zal het voor ieder van ons moeilijk worden om zonder moe te worden en regelmatig te vallen, vooruit te komen op de wegen die Hij ons getoond heeft.

 

Het zou inderdaad heel goed zijn om de puur geestelijke toestand te bereiken en het zou ook eindeloos meer waard zijn dan alle schatten van de hele aarde; maar de weg erheen schijnt zeer lang en hobbelig te zijn. Daarom zou het misschien tenslotte niet overbodig zijn om Hem nog te vragen hoe lang het duurt om de volle, puur geestelijke toestand te bereiken wanneer men gewetensvol, trouw en vlijtig de wegen van het leven bewandelt, die Hij heeft aangeraden. Want men werkt zeker veel gemak­kelijker wanneer men alvorens aan het werk te gaan, weet op hoeveel tijd men moet rekenen voor het geheel voltooid is, wanneer men zich naar behoren inzet; want het is en blijft moeilijk om aan een werk te beginnen, als men van te voren niet kan overzien hoeveel werk noodzakelijk is om het te voltooien, en zodoende ook niet kan weten wanneer het doel bereikt wordt. Laten we de zojuist genoemde vraag aan Hem voorleggen!’

 

Die vraag werd aan Mij gesteld en Ik gaf daarop het volgende antwoord: 'Geestelijke werken en geestelijke wegen worden niet in uren en ellen gemeten, maar puur naar de kracht van de wil, het geloof en de liefde tot God en de naaste.

Wie zich in één keer dermate zou kunnen verloochenen, dat hij alles van de wereld opgeeft en -in de juiste mate- zijn schatten aan de armen zou geven, alleen uit pure liefde tot God, en zich niet te buiten zou gaan aan het vlees van de vrouwen, zou waarlijk binnen heel korte tijd voleindigd zijn! Maar wie klaarblijkelijk langere tijd nodig heeft om zich van alle aardse slakken en aanhangsels te zuiveren, moet ook langer wachten tot hij de volledig gelukkig makende toestand van de ware geestelijke voleinding bereikt.

Jullie zijn hoge staatslieden en moeten jullie beroep uitoefenen; en dat is voor God geen hindernis, die jullie ervan af zou kunnen houden, de door Mij getoonde wegen juist te bewandelen, maar dat verschaft jullie nu juist de middelen, waarmee jullie des te gemakkelijker en eerder tot ware geestelijke voleinding kunnen komen.

Maar denk niet dat jullie het ambt en de eer en het aanzien van het ambt zijn! Eer en aanzien van het ambt is de wet en jullie zijn daar slechts handlangers van. Maar als jullie getrouw zijn en goed en rechtschapen, dan staan ook jullie zelf in eer en aanzien van de wet, en de verdienste van de wet, ten aanzien van de mensen die door de wet beschermd en rustig en veilig zijn, komt dan ook jullie voor Gods aangezicht ten goede.

En jullie zijn ook buitengewoon rijke mensen; maar ook jullie rijkdom is geen hindernis voor het bereiken van de puur geestelijke toestand, wanneer jullie daar met ware liefde tot God en tot de naaste, zoals goede en wijze vaders tegenover hun kinderen, goed mee omgaan en niet zuinig en gierig zijn bij het steunen van de armen; want in dezelfde mate waarin jullie je liefde ten goede laten komen aan de armen, zal God jullie geestelijk en indien nodig ook in natuurlijk opzicht, altijd belonen.

En als jullie denken dat God degene die met volle inzet ernstig voort wandelt op de weg naar Gods rijk en naar het leven van de geest, helemaal niet helpt, wanneer hij af en toe moe en zwak wordt, dan vergissen jullie je flink. Ik zeg jullie: Wie eenmaal in volle ernst deze weg heeft betreden, wordt ook zonder het te weten door God geholpen om vooruit te komen en het doel uiteindelijk ook zeker te bereiken.

God zal de eenwording van de ziel met de geest uit Hem natuurlijk niet met Zijn almacht afdwingen, maar Hij zal het hart van de mens steeds meer verlichten en het vervullen van ware wijsheid uit de hemelen en daardoor zal de mens geestelijk groeien en krachtiger worden en zal alle hindernissen die, ter grotere beproeving van hem nog op zijn pad kunnen komen, steeds gemakkelijker en met meer vertrouwen overwinnen.

Hoe meer liefde tot God en zijn naaste een mens in zichzelf waarachtig zal beginnen te voelen en hoe barmhartiger hij in zijn gemoed wordt, des te groter en sterker is dan ook Gods geest in zijn ziel geworden. Want de liefde tot God en van daaruit tot de naaste is nu juist Gods geest in de ziel van de mens. Naarmate die liefde toeneemt en groeit, groeit ook Gods geest in haar. En is ten slotte de hele mens tot zuivere en weldadige liefde geworden, dan heeft ook de volledige eenwording van de ziel met Gods geest in haar plaatsgevonden; dan heeft de mens voor eeuwig het aller­hoogste levensdoel bereikt dat God hem heeft gesteld.

God Zelf is in Zich immers de allerhoogste en zuiverste liefde en dus is de door God aan ieder mens gegeven geest dat ook.

Wordt de ziel door haar vrije wil geheel zoals de liefde van de geest uit God, dan is het ook duidelijk dat ze één wordt met de geest uit God, die in haar is. En als ze dat wordt, dan is ze ook voleindigd. En daar is geen bepaalde tijd voor vast te leggen, maar dat moet het eigen gevoel van de ziel zeggen en aangeven.

De ware, zuivere en levende liefde is in zichzelf geheel onbaatzuchtig; ze is vol deemoed, actief, vol geduld en erbarming; zij zal nooit iemand onnodig tot last zijn en duldt graag alles; ze schept geen behagen in de nood van haar naaste; maar zij is er aldoor op uit om iedereen te helpen die hulp nodig heeft.

Zo is de zuivere liefde ook in de hoogste mate kuis en beleeft geen vreugde aan de geilheid van het vlees, maar des te meer behaagt haar de zuiverheid van hart.

Wanneer de ziel van de mens ook zo zal zijn door de inspanningen van haar eigen wil, dan is de ziel als haar geest en is dan dus ook in God voleindigd.

En zo weten jullie nu heel precies wat jullie te doen staat om de zuiver geestelijke voleinding te bereiken. Wie zich daar geheel en al op toe zal leggen, zal ook het snelst voleindigd zijn.

En wie vlijtig en ernstig zijn best doet om deze weg te bewandelen, zal ook altijd waar en zeker door God worden geholpen om het allerhoog­ste levensdoel te bereiken, daar kunnen jullie allen zeker van zijn; want kwam God jullie nu al via Mij te hulp, terwijl jullie er amper een vermoeden van hadden dat er zo'n weg zou bestaan, hoeveel te meer zal Hij jullie dan wel niet te hulp komen, wanneer jullie deze weg door eigen werkzaamheid zullen bewandelen! -Hebben jullie dat begrepen?'

 

Allen waren vol verbazing over Mijn belerende woorden en zelfs Jozef zei: ' Zo wijs en waar heb ik hem zelfs nog bijna nooit horen spreken!’ Daarop richtte hij zich tot Mij en zei: 'Waarom heb je onze priesters nog nooit op zo'n manier onderwezen? Als er één van hen hier aanwezig was geweest zou hij zeker ook anders over je zijn gaan denken!'

Ik zei: 'Ik acht Me eerder in staat de vissen in de zee te bekeren dan onze rabbi's! Ik raad je ook aan dat noch Jacobus noch jij thuis iets vertellen van wat zich hier allemaal heeft afgespeeld, want dan zouden jullie grote moeilijkheden met de rabbi's krijgen. Want hun hart is verstokter dan de hardste steen en hun ziel is veel onreiner dan een zwijn in een stinkende poel, en liever bouw Ik nog duizend stallen voor de zwijnen van de Grieken en andere heidenen waar dan ook, dan dat Ik één woord zou verspillen aan onze uiterst domme, duistere en kwaadwillende rabbi's in Nazareth, Kafarnaüm en Chorazin! Maar er zal nog wel een tijd komen waarin Ik ook daar overal Mijn mond open zal doen, - maar niet om hen te troosten, maar als een gericht over hen, wanneer hun boze maat vol zal zijn!"

 

GJE7-224 Aankomst in Nazareth

(De Heer): 'Daarmee was ook Jozef het eens en wij gingen toen rusten en reisden de volgende morgen, door Cyrenius en enkele dienaren van hem begeleid, naar de woning van onze Griek; want Cyrenius wilde zich overtuigen van Mijn wonderbaarlijke bouwwerk bij de Griek.

In een paar uur waren wij ter plaatse en zagen al van verre het geheel nieuwe woonhuis en de eveneens nieuwe en grote varkensstal. Aan de verbazing van de Griek en Cyrenius kwam geen einde en ook de mensen uit het huis van de Griek waren hoogst verbaasd en wisten niet hoe dat 's nachts gebeurd kon zijn. Maar ik gebood allen het niet te verraden voordat er tien jaren voorbij waren. Allen beloofden dat ten stelligste.

 

Toen overhandigde Cyrenius aan Jozef dertig pond goud en de Griek overhandigde hem honderd pond zilver. Jozef nam het aan ter ondersteuning van de armen, van wie er altijd velen grote barmhartigheid bij hem vonden. Daarop vertrokken we en kwamen de volgende dag tamelijk vroeg weer in Nazareth aan. We hadden weliswaar diezelfde dag nog tot Nazareth kunnen komen, omdat de Griek ons met zijn goede lastdieren naar huis liet brengen; maar Ik wilde dat niet, omdat Ik daar een goede reden voor had. We bleven daarom weer in die herberg waar we op de heenreis varkensvlees hadden gegeten.

Toen we de volgende dag 's ochtends in Nazareth aankwamen, vroegen allen onmiddellijk hoe het ons was vergaan, wat we hadden gedaan en of er voor ons bij een heiden ook een flinke verdienste aan had gezeten.

Maria dacht dat het loon voor anderhalve dag werk nu niet bepaald groot uitgevallen zou zijn.

Maar Jozef zei: 'Wees allen rustig en zwijg tegenover al het volk hier en ook elders; want het volk is vol afgunst over het geluk van zijn naaste! Ik zal daarom mijn hart voor de waarachtig armen nooit sluiten en de naam die ik al sinds lang bij iedereen heb, moet blijven zoals hij is: Wie nergens meer hulp kan vinden, wordt altijd nog geholpen door de oude, arme Jozef met het weinige dat hij zelf eerlijk en door hard te werken verdient. Maar zeg daar vooral niets van tegen het volk - en al helemaal niet tegen de priesters! Maar des te meer zal hier nu gelden: De oude jozef helpt de armen nog steeds meer!”

Toen alle aanwezigen deze woorden van Jozef hadden gehoord, namen ze die ter harte en Maria, uit wie Mijn lichaam was geboren, zei daarop: 'O Jozef, jouw woorden zijn goed en waar en zullen door ons worden nagevolgd alsof ze een gebod van God zijn; maar jullie drieën kunnen ons toch wel meedelen wat jullie in die korte tijd bij die heiden voor een wonderbaarlijk werk hebben uitgevoerd, dat jullie daar zoveel goud en zilver voor hebben gekregen!’

 

Jozef zei: 'Lieve moeder, ik heb je toch gezegd dat God deze keer op wonderbaarlijke wijze met ons was! Maar wat er zich precies allemaal heeft afgespeeld, zullen jullie als het uitkomt nog wel op het juiste moment te weten komen. Maar zorg nu dat we iets te eten en te drinken krijgen; want we hebben vandaag nog niets genuttigd, terwijl we toch al in de vroege ochtendschemering op weg waren!'

Nu ging Maria snel met haar helpsters naar de keuken om meteen aan het werk te gaan voor een goed ochtendmaal. En Jozef borg intussen het vele geld veilig op.

Toen het maal was toebereid en wij aan tafel hadden plaats genomen om het te nuttigen, kwam er een oude rabbi uit de stad om te informeren waar wij geweest waren, wat voor werk wij hadden gedaan en hoeveel we verdiend hadden. De hebzuchtige rabbi wilde dat weten omdat hij recht had op een offerpenning van onze verdienste, een dom gebruik dat in heel Galilea van kracht is.

Dat ergerde Jozef en hij zei: 'Je kent me genoeg om te weten dat ik mijn plicht nog altijd trouw ben nagekomen en dat zal ik ook deze keer doen; maar het maakt me werkelijk boos dat je uit hebzucht niet thuis kunt wachten tot ik, zoals altijd, zelf naar je toe ben gekomen. Wie heeft je eigenlijk verteld dat ik met Jezus en Jacobus weg was voor een opdracht?'

De rabbi zei: 'Je was nog maar nauwelijks vertrokken, of ik kwam je een vriendschappelijk bezoek brengen, zoals ik dat al sinds lang doe; toen werd me verteld dat jij met je twee zoons een heel eind weg was voor een opdracht, en dat je na drie dagen weer thuis zou komen, omdat het werk niet al te groot was. Wel, zo ben ik dan nu ook gekomen om je weer te zien en me door jou te laten vertellen hoe het er overal aan toe gaat en wat voor nieuws en bijzondere dingen je daarover hebt te vertellen! Want als je amper anderhalve dag hebt gewerkt, zul je wel niet zoveel verdiend hebben, dat er een offerpenning van betaald moet worden die een beetje de moeite waard is. En als je daar toch iets van aan de synagoge wilt laten toekomen, hoef je ons immers geen contant geld te betalen, omdat wij nog steeds geld aan jou verschuldigd zijn voor je laatste werk! Dus, oude vriend, hoef je helemaal niet boos op me te worden omdat ik je vandaag vroeger dan gewoonlijk heb bezocht!'

Jozef zei: 'Dat is het werkelijk niet waarom ik op jou of iemand anders boos ben; maar alleen omdat je me anders niet gauw bezoekt, tenzij je aan de weet bent gekomen dat ik weg ging voor een opdracht of er weer van thuis kwam. Maar voor het werk dat ik voor jullie heb gedaan zijn jullie me een aardig bedragje schuldig en in ruil voor de offerpenningen die ik jullie iedere keer moet betalen, zouden jullie mij het liefst zo gauw mogelijk niets meer schuldig zijn; daarom informeren jullie ook zo ijverig wat ik voor werk had en hoeveel ik verdiend heb. En als ik nu wellicht een hele maand lang geen werk buitens huis zal hebben, zul je zeker geen enkele keer naar mij toe komen!

O, geloof me, ik weet altijd precies wat ik van mijn vrienden moet denken! Maar dat geeft niets, want daarom zal ik toch nooit arglistig zijn tegenover een van mijn vrienden. En daarom zeg ik je ook deze keer dat ik met dit werk precies zoveel heb verdiend dat de offerpenningen, die ik jullie daarvan moet betalen, net zoveel zijn als hetgeen jullie mij schuldig zijn volgens mijn altijd zeer schappelijke rekening; en daarom kun je thuis de hele schuld schrappen!’

Toen de rabbi dat vernomen, had keek hij heel vrolijk en zei: 'O, dat is goed! Als overste van de synagoge is me nu een zware steen van het hart gevallen! Er is nu weer een heel groot werk op komst en ik zal je er vandaag nog nadere mededelingen over doen. Maar nu wil ik je geen ogenblik langer meer storen!’

Daarop stond de rabbi ook onmiddellijk op en ging snel weer naar de stad terug.’

 

GJE7-225 (De dood van de rabbi)

(De Heer): 'Maar daarop zei Ik, toen we begonnen te eten: 'O, wat is die mens toch ontzettend blind! Wat zal hij nog hebben aan die paar honderd penningen? Want vandaag nog, en dat binnen een uur, zal hij sterven! Maar dan zal er een iets beter iemand in zijn plaats komen; die zal ons betalen voor het werk, zoals ook wij hem de offerpenningen niet zullen onthouden.’ Maria zei: 'Mijn beste zoon, ben je nu weer helderziend geworden?'

Ik zei: 'Dat ben Ik altijd geweest! Alleen voor Nazareth en zijn duistere omgeving ben Ik stom; want waar geen geloof is, is ook geen waar verstand en geen licht. Verraad Mij dus niet! Wanneer jullie echter over een paar uur in de stad het klagen en het betaalde wenen zullen vernemen, ga dan niet onmiddellijk nieuwsgierig naar de stad zoals de andere blinde mensen, maar blijf thuis, omdat jullie nu reeds weten wat er aan de hand zal zijn! En als het nieuws hier wordt bekend gemaakt, zeg dan: Tegen Gods wil kan geen sterveling vechten! God heeft het zo bepaald en klagen, huilen en wenen heeft geen enkele zin! Maar tot het nieuws komt, kunnen we buiten werken; en na het nieuws laten we het werk liggen en begeven we ons naar Kafarnaüm. Aan het meer zullen we werk vinden tot de sabbat!’

Jozef zei: 'Dat is allemaal prima, maar wat zullen de Nazareners met hun grote mond daarvan zeggen?'

Ik zei: 'Deze dwazen mogen zeggen wat ze willen; maar wij doen wat Ik jullie zojuist heb aangeraden, en het zal dan ook goed zijn!’

Na deze woorden zei niemand meer iets en na het ochtendmaal begonnen we meteen aan een kleine opdracht, namelijk het vervaardigen van een graankist voor iemand uit de buurt.

Na drie uur kwam er al een zwarte bode uit de stad om ons het bericht te brengen: 'De rabbi-overste is een uur geleden in de synagoge door een slag van Jehova geraakt en was onmiddellijk helemaal dood. Alle pogingen hem weer tot leven te brengen, mochten niet baten. De rabbi-overste is derhalve werkelijk dood. Daarom mogen wij van nu af aan drie dagen lang niet meer in het openbaar werken!’ Ik zei: 'Slechts twee dagen, want de derde is het toch immers sabbat!' Toen corrigeerde ook de bode zichzelf: 'Ja, ja, dus maar twee dagen!' Daarna ging hij verder.

 

Spoedig daarop begaven wij ons op weg naar Kafarnaüm en vonden daar, in de jullie reeds bekende herberg aan het meer, nog diezelfde dag een goed karwei, waar we tot de sabbat aan werkten, en waarmee we honderd muntstukken verdienden. Gedurende de sabbat bleven we nog in Kafarnaüm aan het meer en we voelden ons daarbij heel goed en vrolijk. Op zondag keerden we pas weer terug en vernamen we van onze mensen thuis hoe alles zich had toegedragen. Velen hadden naar Jozef gevraagd en zich erover verwonderd, dat de anders toch zo vrome man niet aanwezig was geweest bij de begrafenis van de overste.

Ik vroeg hun of ze diegenen dan ook gezegd hadden wat Ik hun had aangeraden en wat die anderen daarop geantwoord hadden.

Daarop zei een dienstmaagd: 'Toen we hen zo troostten gaven ze ons gelijk en gingen verder.

Ik zei: 'Zo was het goed, - de waarheid mist nooit haar goede doel! En wij hebben aan het meer zoveel verdiend als de overste ons schuldig was voor het hem geleverde werk, en dus is ook dat nu vereffend! We kunnen nu rustig de graankist voor de buurman afmaken.’

Meteen gingen we aan het werk, wat Jozef graag had, omdat hij gewild had dat de kist al klaar was geweest, omdat de buurman hem ook erg nodig had. Er was echter iets merkwaardigs met die kist. Telkens als we eraan begonnen te werken, gebeurde er iets waardoor we ofwel opgehouden werden met het werk of dagenlang onderbroken werden. Jozef dacht daarom dat dat door een boze geest veroorzaakt werd, en vond dat we ons door hem nu niet langer moesten laten storen en net zo lang moesten doorwerken tot de kist eindelijk helemaal klaar was. We deden dan ook wat we konden, zodat er 's middags nog maar enkele latten aangebracht moesten worden. En zie, het huis van iemand die een klein eindje verderop woonde, raakte in brand! Vanwege het dreigende gevaar moesten we ons werk snel in de steek laten en onmiddellijk naar de brand gaan om te blussen.

 

Toen zei Jozef nogmaals: 'Had ik geen gelijk dat er met deze graankist kennelijk een boze geest in het spel is? Voordat we nog met die paar latten klaar waren, moet er een huis beginnen te branden, zodat we vandaag in geen geval die kist af kunnen maken! Mijn liefste Jezus, zeg eens wat jij ervan vindt!’

Zeker niet wat jij ervan vindt, ofschoon er wel iets van waar is wat je denkt! Onze buurman, voor wie de kist is, heeft een boze knecht, die liever die oude kist heeft waar hij naar believen graan uit kan halen om het dan 's nachts heimelijk aan voorbijkomende graanhandelaren te verkopen en het geld zelf te houden. Ofschoon we meestal door andere voorvallen van het werk zijn afgehouden, was ook die boze knecht meermaals de oorzaak dat we het werk aan de kist moesten staken. Ook nu is hij de schuld van deze brand, ofschoon hij nu zelf het hardst bezig is om de brand te blussen.

Vannacht wil hij nog graag een paar mud graan van zijn heer ontvreemden, omdat het graan morgen al in de nieuwe kist gedaan zal worden, die heel goed kan worden afgesloten. Hij had echter in de gaten dat wij nog een paar uur vóór de avond klaar zouden zijn met de kist en zijn heer er dan ook onmiddellijk gebruik van zou maken. Dus ging hij naar het huis van deze buurman, die met al zijn mensen op het veld aan het werk was en stak het in brand, om te voorkomen dat wij de kist vandaag nog klaar zouden krijgen.

En kijk, Jozef, dat is dus ook wis en waarachtig een boze geest, die zich bij de buurman ophield, en ons vaak heeft gehinderd bij het werken aan de kist; maar een heleboel andere dingen die er tussen kwamen, waren van natuurlijke aard en toegelaten door God.

Maar de dood van de rabbi-overste lag geheel in de wil van de Heer besloten; want het bedrog dat deze rabbi heimelijk pleegde tegenover armen, weduwen en wezen was ten hemel schreiend. Nu weet je hoe het zit; maar houd alles voor je en erger je dus niet!'

Jozef zei: 'Maar die boze knecht moeten we toch onmiddellijk overleveren aan de rechtbank?!' Ik zei: 'Dat zal niet gaan omdat je niemand hebt die hem op heterdaad heeft betrapt; Mijn getuigenis alleen zou voor de rechters zo goed als geen waarde hebben en de knecht zou ons dan wegens openlijke lastering voor het gerecht kunnen dagen. Laten we dat daarom niet doen! Maar God, die alles ziet en weet, zal de boze knecht toch wel spoedig het loon doen toekomen dat hij heeft verdiend!"

 

GJE7-226 (De brand in het huis van de buren)

(De Heer): 'Terwijl er ijverig en flink geblust werd, zei Jozef nog heimelijk tegen Mij: 'Heb je over dit alles verwoestende element niet ook dezelfde macht als over winden en water?' Ik zei: 'Ik weet wel wat je nu wilt; maar daar is het hier nog niet de juiste tijd voor! Laat de boze knecht zich nu maar flink uitsloven tot hem uit angst gewoonweg horen en zien vergaan! Zo dadelijk zal hij flink letsel oplopen door een val en weggedragen worden onder hevige pijn. Pas dan zal Ik door Mijn wil een definitief einde maken aan de brand. Maar waar Ik nu al voor zorg is, dat de vlammen het huis geen noemenswaardige schade kunnen toebrengen. -Maar let op wat er nu gaat gebeuren!'

Er kwamen nu een heleboel mensen uit de stad, meer uit nieuwsgie­righeid en om de sensatie, dan dat ze mee wilden helpen met het blussen van de brand. De ijverige knecht begon van de nieuwkomers te eisen dat ze zouden helpen met het blussen en hen die geen gevolg gaven aan zijn woorden op grove wijze uit te schelden. Dezen maakten zich daar erg kwaad over, grepen de knecht vast en duwden hem met veel geweld op een hoop brandende balken van het dak.

Daardoor brak de knecht zijn arm en kreeg een paar brandwonden in zijn gezicht, zodat hij daar weggedragen moest worden. Ik zei tegen Jozef 'Kijk, die heeft zijn loon te pakken, dat hem uiteindelijk nog tot een beter mens zal maken; Ik wil nu echter dat de brand ophoudt!’

Toen Ik dat, terwijl alleen Jozef het hoorde, had uitgesproken, doofde het vuur zo snel dat er aan of in het huis geen gloeiende vonk meer te vinden was. Ook was er aan het huis geen andere schade te zien dan die aan het dak, dat natuurlijk voor meer dan de helft verbrand was. Maar omdat er zich onder het dak niets bevond wat door de vlammen verwoest had kunnen worden, was de schade niet bepaald groot te noemen, en wij kregen weer een werk aangeboden dat we echter voor de buurman, die niets aan het ongeluk kon doen, helemaal voor niets uitvoerden en waarvoor we hem ook het nodige materiaal schonken.

Onder het volk ontstond echter grote verbazing over het feit dat het vuur opeens helemaal uit was gegaan en men nergens ook maar een vonkje kon ontdekken, dat er ook nergens meer rook opsteeg en daarbij ook nog de verkoolde balken helemaal koud aanvoelden. Velen zeiden dat dát onmiskenbaar een wonder was. Anderen waren weer van mening dat dit kwam doordat men op het laatst met vuil water geblust had. En weer anderen zeiden dat God de bede van een rechtschapene verhoord had en dat kon niemand anders zijn dan de knecht die door de heilloze woede van een paar beledigde nietsnutten in de vlammen geduwd was.

Maar de buurman, voor wie wij de kist bouwden, zei tegen Jozef: 'Dat die hevige brand zo plotseling doofde, komt door jullie, en in het bijzonder door jouw jongste zoon! Want sinds zijn jeugd heb ik vaak wonderbaarlijke dingen aan hem opgemerkt, vooral als hij helemaal alleen was; dan speelde hij met de elementen en krachten van de natuur. Maar voor het oog van de mensen liet hij al sinds meer dan acht jaar niets meer merken van zijn innerlijke kracht en deed en werkte als andere mensen.

Maar ik heb een keer gezien hoe hij helemaal alleen een grote eikenboom velde. Iemand als wij zou voor het vellen van zo'n boom, die ruim vijf ­tot zeshonderd jaar oud was, wel een paar dagen nodig hebben gehad; maar hij had nauwelijks de bijl aan de wortel gezet of de boom viel alom. Daarna werd hij even snel van zijn dikke takken ontdaan; de takken trokken zichzelf naar de zijkant en lagen dadelijk in de grootst mogelijke orde, gekloofd bij elkaar. Toen werd de stam rechthoekig gehakt; en ook dat hakken gebeurde even snel als daarvoor het andere werk en tenslotte ook nog het klein hakken en bij elkaar leggen van de stukken hout die van de boom afkwamen. Kortom, het hele werk duurde amper een half uur. Toen hij met het werk gereed was, nam hij de bijl, ging naar huis en gaf jou te kennen dat de eikenboom helemaal klaar was om in de bouw te gebruiken; jij alleen moest hem bezichtigen en mocht de andere broers daar voorlopig niets van vertellen.

Kijk, dat en nog meer heb ik zo af en toe bij hem gemerkt en daarom ben ik er nu ook vast van overtuigd dat hij die brand zo snel heeft geblust! Wel, broeder, wat zeg jij ervan?'

Jozef zei: 'ja, ja, je hebt helemaal gelijk en het zal ook wel zo zijn; maar wat jij nu gelooft en weet moet je vóór je houden anders krijgen we zo dadelijk allerlei moeilijkheden met de mensen van de synagoge, wat ik heel vervelend zou vinden! Ik herinner me die geschiedenis met de eikenboom nog heel goed - en nog meer dingen, vooral van de laatste dagen; maar we moeten erover zwijgen omdat we zijn toekomstige plannen en bedoelingen anders meer schade dan nut toebrengen. - Begrijp dat goed, beste vriend, en handel ernaar, daar zul je goed aan doen!' We gingen van de plaats van de brand weer naar huis en gingen dadelijk slapen, omdat wij deze dagen veel gewerkt hadden.

 

De volgende dag, een maandag, maakten wij die kist snel af vóór zonsopgang en gingen na de ochtendmaaltijd meteen naar de buurman­ wiens huis door de brand was beschadigd. Hij verzocht ons zijn bescha­digde huis weer te herstellen. Toen zei Ik tegen hem: 'Wanneer jij zou kunnen zwijgen en slechts een uur lang al je bedienden, ook je vrouwen kinderen, van je huis zou kunnen weghouden, zou je Gods grote heerlijkheid kunnen zien! je huis zal dan spoedig in orde zijn!’ De buurman zei: 'Ik zal zwijgen als het graf en ook mijn mensen zal ik nu naar het veld sturen waar ze allemaal moeten werken, dan kunnen jullie doen wat je goed dunkt!' Ik zei: 'Goed, doe dat, dan zal Ik het Mijne doen!'

 

De buurman zorgde er onmiddellijk voor dat zijn mensen weg gingen­. Wij waren alleen en zonder getuigen. Toen we daar zo stonden en de buurman Mij vroeg wat Ik nu zou gaan doen zei Ik: 'Jouw huis zal nu op een voor jou wonderbaarlijke wijze hersteld worden! Uit vroegere jaren is je nog bekend, dat het Mij gegeven is om door Mijn wil menig wonderbaarlijk werk te verrichten, maar Ik heb dat in de tijd na Mijn twaalfde levensjaar niet meer gedaan, vanwege de grote slechtheid van de mensen en hun totale ongeloof. Maar jij behoort nog tot het kleine aantal rechtschapen mensen en gelooft wat Ik je zeg en daarom zul je nu weer eens ervaren waartoe Gods kracht en heerlijkheid in de mens in staat is. Kijk naar je zeer beschadigd huis! Ik, Jozef en Mijn broers zullen geen bijl in de hand nemen en toch zal je huis goed en degelijk gerepareerd worden!’

 

De buurman zei: 'Heel goed, mijn jonge vriend, ik geloof vast dat jou dat allemaal mogelijk is; maar zoals je ziet heb ik nog geen bouwmateriaal! Waar zullen we dat nu vandaan halen en waarvandaan het geld en eventueel nog andere middelen om dat materiaal te kopen en dan geschikt te maken?'

Ik zei: 'Ik heb er gisteren al over gesproken dat wij je voor niets zullen helpen, ook met het materiaal, en daarom hoef je je nu nergens meer zorgen over te maken! Kijk alleen nog eens naar je huis, hoe het daar staat met het halfverbrande dak, wat een meelijwekkend gezicht! Maar Ik wil dat het er nu ogenblikkelijk goed gerepareerd bij staat! En zie, waar is nu nog de geringste schade aan je huis te ontdekken?'

De buurman was buitengewoon verbaasd en zei: 'Ja, mijn jonge vriend, dat is waarlijk Gods macht en heerlijkheid! Daarom eer aan God in den hoge, dat Hij de mens zulke kracht en heerlijkheid heeft gegeven!"

 

GJE7-227 De barmhartigheid van enkele burgers

(De Heer): 'Terwijl de buurman nog zo bezig was God te loven en te prijzen, kwamen er een paar wat betere burgers uit de stad die de buurman een kleine weldaad wilden bewijzen.

Maar toen ze zagen dat het huis helemaal gerepareerd was, zeiden ze (de burgers): 'O, kijk, de oude Jozef is ons vóór geweest! Jullie moeten wel de hele nacht uit alle macht hebben doorgewerkt dat jullie dat nu al zo volkomen hersteld hebben en nog beter dan wij het vroeger ooit hebben gezien! Ja, ja, zo'n bouwmeester als Jozef is er in heel Galilea geen tweede! Maar wat zal onze Jozef voor zo'n snel en perfect werk wel vragen? Wat hij ervoor vraagt, zullen wij je geven.'

Jozef zei: 'Ik vraag er niets voor, dus hoeven jullie mij ook niets te geven. Maar geef het aan andere armen, dat zal beter zijn dan het weer naar de synagoge te brengen, zoals jullie dat volgens een oud gebruik altijd doen!'

Een van beiden zei: 'Maar men moet een goedbedoelde gift toch steeds aan het godshuis schenken, als degene voor wie het bedoeld was het niet wil of kan aannemen!’

Ja, ja, zo luidt wel een nieuwe tempelverordening; maar Mozes zelf heeft ons alleen maar op het hart gedrukt, dat wij met onze overvloed vooral voor de armen, de weduwen en wezen moeten zorgen! Mozes heeft nergens gesproken over het onderhouden van een of ander bid­ of leerhuis, behalve dat hij de tiende voor de stam Levi heeft vastgesteld. - Is dat niet zo?'

Beiden zeiden: 'Ja, ja, je hebt gelijk! In die nieuwe voorschriften is teveel hebzucht van de tempel zichtbaar, die God zeker nooit heeft voorgeschreven, omdat Hij immers tegen alle mensen heeft gezegd: Je moet niet begeren wat van je naaste is! Maar de priesters begeren onmid­dellijk alles wat ze bij ons zien en zeggen dat het veel verdienstelijker is om aan de tempel te offeren dan andere goede werken te verrichten. En dat kan niet Gods woord zijn omdat God alleen maar zegt dat men zijn naaste moet liefhebben als zichzelf. Zodoende zullen wij wat we deze vriend hadden toegedacht, stilletjes aan de armen geven.'

Ik zei: 'Daar doen jullie heel goed aan! Als jullie dat willen doen, ga dan naar de omgeving van Kafarnaüm! Aan het meer zul je daar een arme vissershut aantreffen. De bezitter heet Simon Juda en heeft een ongeluk gehad bij zijn werk, zodat hij zichzelf nu niet gemakkelijk weer uit de nood kan helpen. Want een slechte man heeft al zijn visgerei ontvreemd en de visser heeft niet de middelen nieuw aan te schaffen en lijdt daarom met zijn gezin grote nood. En omdat hij verder iemand is die altijd voor Gods aangezicht en dat van de mensen een rechtschapen leven heeft geleid - wat Mij zeer wel bekend is -, doen jullie werkelijk een heel goed werk als jullie die man een offer brengen!'

Toen beiden dat vernamen zeiden ze: 'O ja, die man kennen wij heel goed en we weten ook dat hij een zeer rechtschapen en redelijk mens is; maar we wisten niet dat hij in zulke slechte omstandigheden verkeert! Kom, dan gaan we hem onmiddellijk helpen!'

De beide burgers namen afscheid en gingen snel naar de visser om hem voldoende geld te geven voor een volledige vissersuitrusting.

En hier onder ons zit nu, als Mijn leerling, diezelfde visser die tien jaar geleden door Mijn raad geholpen is!’  Petrus zei: 'Ja Heer, dat is me werkelijk overkomen!'

 

GJE7-228 In het bos van de buurman

Ik wilde nu ophouden met het lange verhaal; maar onze Agricola vroeg Me of Ik nog meer uit de tijd van Mijn jeugd wilde vertellen. En Ik zei: 'Luister dan nog een korte tijd naar Mij! Die beide burgers zijn dus vertrokken en wij zeiden tegen onze buurman: ' Alles is bij jou nu weer helemaal in orde; maar houd het wonder zo lang voor je tot er een tijd zal komen dat het zinvol is om het ook aan andere mensen mee te delen!’

De buurman zei: 'Maar wat moet ik tegen mijn mensen zeggen als ze vanavond naar huis komen en vast en zeker stomverbaasd zullen zijn wanneer ze zien dat het hele huis weer helemaal is gerepareerd?'

Ik zei: 'Jouw mensen, die toch al geen geloofshelden zijn en overal eerder aan geloven dan aan een wonder, zullen je niet vragen hoe het huis in zo'n korte tijd weer is hersteld; want ze zullen denken dat wij er met man en macht aan gewerkt hebben en het dus ook gemakkelijk in één dag hersteld hebben. Jouw vrouw heeft zelfs al heel vaak haar mening uitge­sproken dat de timmerlieden met gemak een huis in een paar dagen zouden kunnen afbouwen als ze harder zouden werken. Wel, deze keer hebben wij heel hard gewerkt en heeft je vrouw dus een keer gelijk gehad!'

Met deze raad was de buurman het volkomen eens. Wij verlieten hem en gingen weer naar huis om daar tot de middag te rusten. Toen nuttigden wij ons middagmaal en overlegden wat we 's middags zouden doen, omdat er geen werk op ons lag te wachten.

Joses, de oudste zoon van Jozef, dacht dat we ergens werk konden gaan zoeken.

Maar Ik zei: 'Omdat er in deze omgeving nog andere timmerlieden zijn die ook willen werken en leven, moeten we hen niet vóór zijn! De mensen kennen ons en ons werk per slot van rekening, en zullen komen als ze ons nodig hebben; maar we dringen ons niet aan hen op!

Wanneer we toch iets willen doen, laten we dan naar het bos van onze dichtst bij wonende buurman gaan, dat hier slechts een klein half uurtje vandaan is, daar zullen we wel werk vinden voor vanmiddag!'

Jozef dacht dat dát wel het geval kon zijn, ofschoon hij daarvoor nog geen opdracht had van de buurman.

Ik zei: 'Laat dat maar helemaal aan Mij over! Die opdracht is allang heimelijk een hartewens van hem en we zullen hem zelf in het bos aantreffen, terwijl hij bij zichzelf overweegt hoe hij die tien oude ceders geschikt kan maken om er een nieuwe schuur mee te bouwen. Hij wilde die ceders deze week door zijn drie knechten laten vellen en er dan pas met jou over spreken om ze door ons klaar te laten maken voor de bouw; maar omdat nu zijn, naar hij meent, beste en eerste knecht ziek in bed ligt, denkt hij aldoor hoe, wanneer en door wie hij zijn tien ceders geschikt kan laten maken voor de bouw.

Hij heeft al een paar keer aan Mij gedacht, sinds ik die bewuste eik bouwklaar heb gemaakt; maar hij had de moed niet om Mij of jou erover aan te spreken. En als wij hem nu vandaag in deze kwestie uit eigener beweging te hulp zullen komen, zal hem dat zeker des te meer welkom zijn. Daarom kunnen we onmiddellijk op weg gaan!' Jozef zei: 'Wat voor gereedschap nemen we dan mee?' Ik zei: 'We hebben alleen een bijl en een zaag nodig, dan hebben we meer dan genoeg!’ Toen namen we de bijl en de grote zaag en gingen op weg.

 

Maria vroeg weliswaar, hoe het toch kwam dat we zo zelden thuis konden blijven. En Ik zei: 'Omdat we thuis niets te doen hebben! Als we thuis iets te doen hebben, blijven we ook thuis; maar jij hebt thuis altijd veel te doen, en daarom is het ook goed dat jij meer thuis blijft dan wij! Daarop zei ze niets meer en wij gingen; we kwamen al spoedig op de plek waar onze buurman helemaal alleen naar zijn ceders stond te kijken en stond te wikken en te wegen hoe hij dat het best kon aanpakken.

Opeens zag hij ons, kwam allervriendelijkst op ons af en zei tegen Jozef (de buurman): 'O broeder, je komt als duizendmaal geroepen! Je weet dat ik even dringend een nieuwe schuur nodig heb als die nieuwe graankist. In de wijde omtrek kan men er geen mooier hout voor vinden dan dit! Maar het heeft me al veel hoofdbrekens gekost hoe ik dit hout klaar moet maken voor de bouw! Ik heb daarbij al vaak aan jou gedacht; maar het vellen van deze kolossale bomen is toch eigenlijk geen werk voor een bouwmeester en zijn meesterzonen. Daarom durfde ik er tot nog toe ook nog niet met jou over te beginnen, ofschoon we al wel een paar keer met elkaar gesproken hebben over de noodzaak van een nieuwe schuur. Maar omdat jullie hier nu toch zijn - zeker deze weg nemend omdat jullie misschien in deze bergen een opdracht hebben, wil ik graag kort met jullie overleggen wat ik het beste zou kunnen doen.’

 

Jozef zei: 'Je vergist je als je denkt dat wij nu op weg zijn om hier ergens in het gebergte te gaan werken. Wij zijn speciaal voor jou hier naartoe gekomen om voor jou datgene te doen waarover je me niet durfde aan te spreken!’ Toen de buurman dat hoorde was hij heel blij en begon meteen met Jozef over het loon te praten. Maar Jozef zei: 'Pas als de schuur klaar is, zullen we over het loon praten! Maar laat ons nu maar onmiddellijk aan de slag gaan; want de dag zal nog een paar uur duren en we kunnen nog heel wat werk verrichten!’ De buurman zei: 'Doe, wat je vaardigheid en kennisje toestaan; want wat jullie vaak in uiterst korte tijd kunnen, weet ik maar al te goed, vooral je jongste zoon! Maar daar praat ik nu verder niet over!'

 

Ik zei: 'Geloof je aan Mijn innerlijke kracht en almacht?' De buurman zei: 'Meester, hoe zou ik daar niet aan kunnen geloven, terwijl ik er toch al zoveel bewijzen van heb?!' Ik zei: 'Goed dan! Maar zorg er allemaal voor dat jullie niet over Mij spreken vóór de tijd! En wanneer die zal komen, zullen jullie wel van Mij vernemen. Maar geef Me nu de bijl, zodat Ik onmiddellijk deze tien bomen vel!' Ik nam nu de bijl en kapte met iedere slag een boom om, waar andere houthakkers minstens een volle dag voor nodig gehad zouden hebben. Toen die tien bomen daar nu lagen hadden allen een eigenaardig gevoel en Jozef zei tegen zijn andere zoons: 'Jullie hebben allemaal al aan hem getwijfeld, ofschoon ik jullie vaak heb gezegd: Wie eenmaal door God is uitverkoren vanaf de wieg, verlaat Hij nooit meer! En nu hebben jullie je er allemaal zelf van overtuigd hoe God nog geheel en al met hem is en wonderbaarlijk werkt! Daarom moeten jullie voortaan niet aan hem twijfelen, maar hem ook aan niemand verraden; want hij weet zelf wel waarom hij nu nog verborgen wil blijven!'

Allen gaven Jozef gelijk en beloofden ook plechtig, over dit en ook ieder ander wonder, te zwijgen, zolang Ikzelf dat wilde.'

 

GJE7-229 (Het vreugdemaal bij de buurman)

(De Heer): 'Hierna zei Ik: 'Nemen jullie vieren nu de zaag en deel iedere boom in de lengte precies in vieren!' Joses zei: 'Daar zullen we met onze puur menselijke kracht lang voor nodig hebben’ Daarop zei Ik: 'Geloof en doe zoals Ik jullie gezegd heb!’ Hierop nam het viertal de zaag, zetten hem op de stam en nauwelijks hadden ze er één keer aan getrokken of de stam was al volledig doorge­zaagd. En zo duurde het helemaal niet lang tot de tien grote bomen in veertig delen waren gezaagd. Toen dit werk beëindigd was zei Ik: 'Nu hoeven jullie verder niets meer te doen dan met de bijl de bovenste delen van de stammen, de kronen, weg te nemen, dan kan Ik de stammen zo bewerken dat ze geschikt zijn voor de bouw!’ Het viertal ging er naar toe, -één van hen nam de bijl en de drie anderen ruimden de stukken van de takken op, die gedeeltelijk als brandhout en gedeeltelijk als nagels en pennen voor de bouw te gebruiken waren. Toen nu ook dit werk na een uur klaar was nam Ik de bijl weer ter hand en maakte de veertig stammen rechthoekig, zogezegd met één slag en zo, dat uit de dikke stamdelen van de wortel twee in drie goede balken voor de bouw kwamen en de stukken schors zo netjes van de onderste en bovenste plank verwijderd waren, dat ze zo heel goed voor de vloer van de schuur gebruikt konden worden, en de minder stevige planken voor het dak van de schuur.

 

Toen Ik met dit werk klaar was, dat alles bij elkaar ook niet langer dan een uur geduurd had, legden we de stammen en de schors ordelijk neer. En toen het hele werk zo in een paar uur beëindigd was zei Ik tegen de buitengewoon verbaasde buurman: 'Nu komt het er op aan dat jij zo gauw mogelijk al dit hout thuis krijgt; want openlijk op straat kan Ik je niet meer zo wonderbaarlijk helpen. Zo zal ook de bouw van je schuur, weliswaar versneld, ook op geheel natuurlijke wijze plaatsvinden; want, zoals gezegd, op een openbare plaats, waar we door alle voorbijkomende mensen bekeken kunnen worden, kan en mag Ik geen wonder doen in verband met hun ongeloof en hun verstoktheid en verkeerdheid. Zie dus maar dat dit hout zo snel mogelijk op de juiste plaats komt, die je wel zult kennen, omdat je immers wel zult weten waar je de schuur gebouwd wilt hebben. En omdat wij nu klaar zijn met dit werk, kunnen we ook wel weer naar huis gaan.’

 

De buurman zei: Ja, dat doen we, en wel met de grootste vreugde in het hart, omdat er een werk is voltooid waar ik de grootste zorgen over had. Maar vanavond zijn jullie allen mijn gast. Er zal onmiddellijk een vet kalf geslacht en toebereid worden; en daarvoor zal ook ieder die in Jozefs huis mens genoemd wordt, uitgenodigd worden. Ook zal mijn beste wijn de bekers van mijn gasten vullen en we zullen in Jehova's naam vrolijk zijn tot midden in de nacht!’

Ik zei: 'Dat is een goede gedachte van je, en het zal volgens een oud gebruik voor de bouwlieden gebeuren; maar in jouw huis ligt je trouwste knecht zwaar ziek op bed en daarom is het een beetje ongepast om naast een zwaar zieke opgewekt en blij te zijn.'

 

De buurman zei: 'Dat is wel waar, maar het bed van de zieke staat, zoals je dat ook niet onbekend zal zijn, niet in het herenhuis, maar in het huis dat mijn vader al zo doelmatig voor het personeel heeft laten bouwen, en daarom kunnen we in mijn grote herenhuis dus best heel vrolijk zijn, en het blijft dus bij mijn woorden. Mijn wil zal wel eeuwig nooit de macht verkrijgen die de jouwe heeft; maar dit keer moet je, mijn dierbare vriend Jezus, toch ook mijn wil een beetje laten gelden!'

 

Reeds onderweg naar huis zei Ik: Ja, dat zal Ik ook; want niemand ter wereld respecteert de vrije wil van de mens zozeer als Ik en je zult nog niet van Mij hebben meegemaakt dat Ik Me ooit tegen iemands wil heb gekeerd als het om iets goeds ging, maar wel tegen de domheid van zo vele mensen. En daarom zal Ik, zoals reeds gezegd, deze keer zoals ook altijd, gevolg geven aan jouw goede wil; maar daarvoor moet jij ook iets doen wat Ik nu van je ga vragen.

Zie, tot nog toe dacht jij dat je eerste knecht ook de trouwste was! Maar Ik zeg je dat je eerste knecht, aan wie je alles hebt toevertrouwd, nu juist je meest ontrouwe knecht was! Hij heeft ten gunste van zijn eigen geldbuidel in een jaar tijd meer dan honderd mud tarwe uit je grote kist gehaald en dat 's nachts aan voorbijtrekkende Grieken verkocht en ook zoveel gerst, gierst, linzen en ook steenvruchten. Je merkte het gewichts­verlies wel op, maar de dief in huis ontdekte je niet; je dacht dat anderen het waren en daarom liet je ook door ons een nieuwe stevige kist maken, die goed afgesloten kan worden. Maar jouw eerste knecht beviel dat helemaal niet en zie, hij was er steeds de zeer sluwe en listige oorzaak van, dat wij vaak weken lang zijn opgehouden bij het maken van de kist; want hij verschafte ons meermaals werk, dat ver weg lag, om te voorkomen dat we door konden gaan met het bouwen van je kist. Want hij zag in dat de nieuwe kist niet gunstig uit zou vallen voor zijn dieverijen en probeerde daarom zo lang mogelijk de oude te behouden. Gistermiddag merkte hij echter dat de nieuwe kist wellicht klaar zou komen. Hij ging naar de andere buurman en stak diens huis in brand, om zo nog te verhinderen dat wij gisteren de kist afmaakten, daar hij 's nachts nog, ten behoeve van zijn eigen buidel, aan de bestelde Grieken een aardige hoeveelheid graan uit de oude kist wilde verkopen.

Maar daarmee is zijn boze maat ook vol geworden en Ik zei in Mezelf: Slechte man, tot hier en niet verder! En als iemand die heel goed wist waarom hij zo ijverig deelnam aan het blussen, kreeg hij zijn verdiende loon. Nu weet je watje aan je trouwste knecht hebt. Wat ga je nu doen?'

 

Geheel uit het veld geslagen zei de buurman: 'Maar vrienden, waarom hebben jullie dat zo lang voor mij verzwegen? Als ik dat maar enigszins had kunnen vermoeden, zou ik hem allang overgeleverd hebben aan het gerecht en mijzelf schadeloos hebben gesteld met het geld dat hij voor mijn graan heeft gekregen.’

Ik zei: 'Dat kan ook nu nog, en er zal je geen cent ontgaan; want je knecht is een gierigaard en heeft al het verkregen geld nog op een hoop in zijn kast veilig opgeborgen. Maar nu komt het erop aan dat jij eerst aan Mijn wil voldoet, wanneer je ons vandaag te gast wilt hebben. Je knecht zul je behouden, Ik zal hem beter maken, maar hem ook zijn slechte daden voor ogen houden en hem flink waarschuwen. Dan zal hij jou met plezier je geld tot op de laatste cent teruggeven en dan zul je pas een trouwe dienaar aan hem hebben. Zie, Ik heb reeds lang voorzien dat het zo zou gaan en daarom heb Ik je ook niets gezegd totdat Ik zag dat het tijdstip gekomen was dat het voor jou en voor hem zin zou hebben en dat zal ook zeker het geval zijn. - Ben je hiermee tevreden?'

 

De buurman zei: 'Wie zou daar niet mee tevreden zijn? Ik dank je, mijn waarachtig van God vervulde meester en beste als ook rechtvaardige rechter! Daarom zal er vandaag bij mij een echt vreugdefeest plaatsvinden en ieder in mijn huis zal zich verheugen! Over dat alles zal ik zwijgen als het graf en nooit zal iemand te weten komen hoe mijn knecht tegenover mij heeft gehandeld!’

Ik zei: 'Doe dat, dan zul je hier en eeuwig gelukkig zijn! Want wie zijn grootste vijanden van ganser harte kan vergeven, hem zullen ook door God alle zonden vergeven worden, al zijn ze nog zo groot.

Als wij je zwaar zieke knecht bij jou thuis zullen bezoeken, mag er behalve jij en wij, die nu hier lopen, niemand anders bij zijn; maar om te voorkomen dat de genezing van de knecht iemand opvalt, zal Ik hem pas over acht dagen volledig genezen. Zet jij zodra wij aankomen je bedienden aan het werk voor het gastmaal, dan zullen wij in die tussentijd de aangelegenheid met de knecht behandelen en afwikkelen!’

Toen we nu bij de buurman aankwamen, gaf hij alle aanwijzingen en ook onze mensen thuis werden onmiddellijk op de hoogte gebracht, en Mijn moeder Maria kwam al gauw met een paar dienstmaagden om ook deel te nemen aan de toebereiding van het feestmaal, dat in een paar uur gereed was.

 

In die tijd waren wij met de knecht bezig. Hij bekende alles, vroeg zijn heer en ons om vergeving en overhandigde hem al het geld uit de kast met de volle verzekering dat hij, wanneer hij weer beter zou zijn, zou proberen om alles weer goed te maken door hard te werken. De buurman vergaf hem alles en hield hem als eerste knecht in dienst.

Daarop gingen wij naar het avondfeestmaal, dat reeds was toebereid, en tot midden in de nacht heerste er vreugde. ­

Zie, dat waren de daden die Ik in Mijn twintigste levensjaar heb verricht, waarvan tot nu toe slechts heel weinigen op de hoogte waren. 

 

 

Getuigenissen over de jeugd van Jezus

Farizeeërs over Jezus

GJE1-88 [3-4] De Farizeeër CHIWAR zegt tegen zijn collega: " Jouw mening is zeker niet slecht, en ik zou je haast gelijk geven, als ik bij deze Jezus nu juist niet zo veel dingen met mijn eigen ogen gezien zou hebben, die de totale Elia een hele oneindigheid ver achter zich laten. Natuurlijk zou je hier wil vragen: 'Welke dan? Noem ze eens?' Maar ik moet je openlijk toegeven, dat mij de woorden volkomen zouden ontbreken om dat te beschrijven. Want dat moet men zelf gehoord, gezien en gevoeld hebben, anders kan men zich daar beslist geen begrip van vormen. En ik deel daarom de mening van enige duizenden, dat deze Jezus zonder meer de beloofde Messias is! Want het is voor mij zeer de vraag, of die, als hij op een andere tijd nog zou komen, grotere tekenen zal doen!? Bovendien stamt Hij volgens de kroniek, die doorloopt tot de grootvader van Jozef, in rechte lijn van David af. (Matth. 1:1-­17) Achim was de vader van Eliud, Eliud de vader van Eleasar, die de vader van Matthan, die de vader van Jacob, en Jacob was de vader van Jozef, en die de vader van onze Jezus. Als je volgens deze kroniek verder teruggaat, dan kun je in rechte lijn bij David terechtkomen en er staat geschreven dat de Messias van David zal afstammen en dat iedereen Hem zal herkennen aan Zijn daden. Naar mijn mening stemt alles van deze Jezus daarmee overeen: de afstamming staat authentiek vast, en zulke daden, die de aarde op haar bodem nooit heeft meegemaakt, zijn ook overvloedig aanwezig. Daarom weet ik echt niet wat ons zou verhinderen om Hem als Diegene aan te nemen, die Hij zeer duidelijk is!?

 

 

OVER JEZUS GEBOORTE

Een onjuist verhaal van een Farizeeër

GJE1-171 (9,10) Enige weken voor de bevalling zond hij (Jozef) in het geheim boden naar Perzië en liet drie wijzen uitnodigen, die hij in zijn jeugd had leren kennen. Deze kwamen naar Nazareth; en omdat in diezelfde tijd keizer Augustus voor heel Judéa de volkstelling in Bethlehem had uitgevaardigd, waren Jozef en Maria met de kinderen naar Bethlehem opgetrokken om zich daar te laten inschrijven. De in Nazareth gearriveerde drie wijzen met hun grote en schitterende schaar bedienden wisten toen niet waar ze naar toe moesten, gingen op naar Jeruzalem en deden daar ongelukkigerwijs bij de oude Herodes navraag naar de pasgeboren koning van Israël en goten daarmee. olie op het vuur! Herodes kon hen natuurlijk niets anders zeggen dan in de eerste plaats, dat hem dat totaal onbekend was, en in de tweede plaats, dat als er iets van waar was, deze familie zich dan net als vele duizenden anderen in verband met de door de keizer verordende volkstelling, zeker in Bethlehem zou bevinden. Daarop haastten de drie wijzen zich meteen naar Bethlehem en vonden daar wat ze zochten.

 

De drie wijzen uit het Morgenland

GJE7-107 [3] Toen Ik in deze wereld in Bethlehem in een schapenstal geboren werd, kwamen uit datzelfde morgenland ook drie wijzen, die Mij als eersten een groet brachten en Mij goud, wierook en mirre offerden, waarna zij weer naar hun land terugkeerden; en enige tijd geleden kwamen zij nogmaals, en deze waard en buurman van Lazarus heeft hen gezien en gehuisvest. Dus daar zijn ook al wijzen, maar niet erg veel!

 

 

Jezus over dertig jaar geleden

GJE3-197 (1-4) en Matthéus 2:12 - IK zeg: "Hebben jullie dan in je land nooit het bericht ontvangen, dat er dertig jaar geleden in een stal te Bethlehem, de oude stad van David, uit een maagd een koning der Joden werd geboren? Drie wijzen uit jullie morgenlanden zagen een ster en vroegen hun geest, wat deze ster, die zij niet kenden, betekende. En de geest droeg hen op de ster te volgen. Deze zou hen leiden naar de pasgeboren koning der Joden, die op Aarde een rijk zou vestigen dat eeuwig geen einde zou hebben. De wijzen namen goud, wierook en mirre, bestegen hun lastdieren met een groot en schitterend gevolg en trokken de ster achterna, die niet rustte, aleer de geboorteplaats van de pasgeborene werd bereikt. Daar zochten de drie toen naar de pásgeborene en kwamen bij Herodes, die hen ook niet kon inlichten, maar hen weer naar Bethlehem verwees, waar de wonderbaarlijke ster stil stond. Hij raadde hun aan ijverig te zoeken en verzocht hun tevens het hem direct te melden, opdat ook hij er heen zou kunnen gaan om de pasgeborene eer te bewijzen. Toen de wijzen vervolgens de pasgeborene vonden en hem hun offers aanboden, waarschuwde hen terstond een geest uit de hemelen, hun ontdekking niet aan Herodes te melden, waarop zij toen langs een andere weg naar hun land terug gingen.

 

Cyrenius over dertig jaar geleden

GJE5-149 (4-8) Cyrenius: Ik heb in Hem juist die mens gevonden, die ik - laten we zeggen ­dertig jaar geleden tegen de gruwelijke vervolging van de oude Herodes beschermd heb; Hij is het ook, die dertig jaar geleden, toen mijn broer Augustus de volksregistratie en volkstelling in het hele uitgestrekte Ro­meinse rijk en dus ook in het land der joden invoerde, in Bethlehem in een schaapsstal is geboren uit de jonge vrouw van de timmerman Jozef, waarbij zich allerlei wonderbaarlijke verschijnselen voordeden. Wijzen uit het morgenland, daarheen geleid door een grote komeet, herkenden Hem en hebben Hem begroet als de toekomstige koning der joden en Hem geschenken gebracht; reeds toen werd Hij door de verbaasde herders als een bijzondere verschijning voor de mensen van deze aarde bezongen, waarvan jullie je zeker nog wel iets zullen herinneren!

Mochten jullie daarover niets gehoord hebben, ofschoon jullie toch al wel minstens zestig jaar oud zullen zijn, dan staat hier mijn broer Cornelius, die toen juist in Bethlehem de Romeinse registratie leidde, als nog volop levende getuige vóór jullie en naast hem sta ikzelf; ook ik had hoogst onverwacht de gelegenheid, aan het kind dat amper veertien dagen oud was, reeds dermate goddelijke tekenen waar te nemen en te beleven, dat ik er in mijn grote en eerbiedige verbazing geen ogenblik aan heb getwijfeld, dat dit kind overduidelijk meer was dan het meest volmaakte mensenkind.

 

En toen ik nu als grijsaard het kind van toen als een man vol geest en goddelijke wonderkracht terugvond, ontdekte ik al gauw dat Hij die ene is, die uit dit kind is voortgekomen; en het zal hopelijk niet moeilijk te begrijpen zijn, dat ik toen zelf voor Hem mijn grijze hoofd door mijn hoogst eigen gevoel in uiterste eerbied en liefde moest buigen. En deze man vervolgen jullie zo jachtig en willen Hem geheel te gronde richten en vernietigen?! O, jullie onzinnige en blinde dwazen! Heeft Mozes dan niet over Zijn komst geprofeteerd en na hem bijna alle grote en kleine profeten, die jullie vaders in hun erbarmelijke domheid ook met stenen doodden, zoals jullie nu Hem ook zouden willen doen?! Hem, die als enige jullie kan en ook wil helpen, vervolgen jullie nu zelfs al met allerlei listen, noemen Hem een monster, spreken de ergste vloek over Hem uit en willen Hem dan ook nog doden?!

 

Jullie hebben deze omgeving, waar jullie naar op zoek waren, niet herkend, omdat de grote, gevreesde rots uit het bestaan is verdwenen en deze hele, voordien buitengewoon woeste baai in een waar Eden werd veranderd. Maar wie heeft dat bewerkstelligd? Ik en alle hier aanwezigen zijn er getuigen van dat hieraan geen mensenhand ook maar met een enkele vinger heeft meegewerkt. Hij was en is onder ons en verrichtte dit wonder enkel door Zijn wil!

 

Cyrenius getuigenis over Bethlehem en Jezus

GJE5-149:4-7 - Ik heb in Hem juist die mens gevonden, die ik - laten we zeggen ­dertig jaar geleden tegen de gruwelijke vervolging van de oude Herodes beschermd heb; Hij is het ook, die dertig jaar geleden, toen mijn broer Augustus de volksregistratie en volkstelling in het hele uitgestrekte Ro­meinse rijk en dus ook in het land der joden invoerde, in Bethlehem in een schaapsstal is geboren uit de jonge vrouw van de timmerman Jozef, waarbij zich allerlei wonderbaarlijke verschijnselen voordeden. Wijzen uit het morgenland, daarheen geleid door een grote komeet, herkenden Hem en hebben Hem begroet als de toekomstige koning der joden en Hem geschenken gebracht; reeds toen werd Hij door de verbaasde herders als een bijzondere verschijning voor de mensen van deze aarde bezongen, waarvan jullie je zeker nog wel iets zullen herinneren!

Mochten jullie daarover niets gehoord hebben, ofschoon jullie toch al wel minstens zestig jaar oud zullen zijn, dan staat hier mijn broer Cornelius, die toen juist in Bethlehem de Romeinse registratie leidde, als nog volop levende getuige vóór jullie en naast hem sta ikzelf; ook ik had hoogst onverwacht de gelegenheid, aan het kind dat amper veertien dagen oud was, reeds dermate goddelijke tekenen waar te nemen en te beleven, dat ik er in mijn grote en eerbiedige verbazing geen ogenblik aan heb getwijfeld, dat dit kind overduidelijk meer was dan het meest volmaakte mensenkind.

En toen ik nu als grijsaard het kind van toen als een man vol geest en goddelijke wonderkracht terugvond, ontdekte ik al gauw dat Hij die ene is, die uit dit kind is voortgekomen; en het zal hopelijk met moeilijk te begrijpen zijn, dat ik toen zelf voor Hem mijn grijze hoofd door mijn hoogst eigen gevoel in uiterste eerbied en liefde moest buigen.

En deze man vervolgen jullie zo jachtig en willen Hem geheel te gronde richten en vernietigen?! O, jullie onzinnige en blinde dwazen! Heeft Mozes dan niet over Zijn komst geprofeteerd en na hem bijna alle grote en kleine profeten, die jullie vaders in hun erbarmelijke domheid ook met stenen doodden, zoals jullie nu Hem ook zouden willen doen?! Hem, die als enige jullie kan en ook wil helpen, vervolgen jullie nu zelfs al met allerlei listen, noemen Hem een monster, spreken de ergste vloek over Hem uit en willen Hem dan ook nog doden?!

 

Jezus ontmoet de kindermoordenaars van Bethlehem

GJE5-194 [8] Jullie waren destijds nog als jonge kerels de fanatieksten bij de kinder­moord in Bethlehem, omdat jullie toen al dachten met hen ook Mij te doden. Maar Jehova 's eeuwige geest die Mij altijd met alle macht en kracht vervuld heeft, heeft dat weten te verhinderen. En na die daad hebben jullie nog talloze ongehoorde gruwelen aan de arme mensheid begaan, waarvoor het menselijke verstand nog helemaal geen namen heeft gevonden; daarom heb Ik Zelf gewild dat jullie juist hierheen moesten komen, om als duivels in menselijke gedaante jullie lang reeds welverdiende loon te ontvangen!"

 

Farizeeën over Mozes en Elia

GJE6-4 - IK zei: 'O, denk vooral niet dat Ik u bij Mijn Vader zal aanklagen! Er is een ander die u aan zal klagen, en dat is Mozes, waarvan u hoopt dat hij eens eerst nog met Elia zal komen. (Joh, 5, 45) Hij is ook gekomen, maar door u evenmin herkend als u Mij Zelf nu herkent. (n.b.: Mozes' geest was in Zacharias en Elia's geest in Johannes.)  - relatie met Lukas 1:5

 

Jezus, 32 jaar later – in gesprek met de drie wijzen

Als Jezus al een paar jaar in Palestina en voornamelijk in Galilea rondtrok, kwam Hij (32 jaar) weer in contact met de drie wijzen uit het Oosten, die Hem eens – toen Hij in Bethlehem geboren was – Hem aanbaden en Hem overladen met geschenken. De kerken weten niet precies, of dit astrologen waren astronomen waren; de meningen daarover zijn tot vandaag toe nogal verdeeld.  Het nu volgende kan ons veel uitsluitsel geven in verhelderende taal:

 

GJE6-37 [4-17] IK zei tegen de waard: 'Er zijn bij de reizigers ook vier magiërs uit Egypte, echter geboortig uit Perzië vlak bij de grens met Indië. Drie van hen zijn vooraanstaande magiërs en al op hoge leeftijd, de vierde is slechts een leerling. Wel hebben zij ook nog een groot gevolg, maar dat is voor het grootste deel op andere plaatsen geherbergd; hier hebben zij slechts de benodigde persoonlijke bedienden bij zich. Wel, deze vier magiërs, die nu een aantal jaren in Egypte actief zijn geweest, kun je binnen laten komen, en dan zullen we hen eens aan de tand voelen om te zien wat voor mensen het zijn.' Toen ging de waard naar de kamer waar de magiërs zich bevonden en zei hun dat Ik hen had toegestaan om bij Mij te komen.

Daarover waren de magiërs erg verheugd, omdat zij zelfs tot over de grenzen van Kanaän al zoveel over Mij gehoord hadden. Zij stonden meteen op en gingen, begeleid door de waard, vlug naar Mij toe. Toen deze eerbiedwaardige grijsaards binnenkwamen, bogen zij diep en groetten heel hoffelijk, zoals dat bij hen gebruikelijk was. Omdat zij de Hebreeuwse taal meester waren, konden zij ook door alle leerlingen goed verstaan worden.

IK zei meteen tegen hen: 'Degene, die u graag nader zoudt willen leren kennen, ben Ik; maar kom nu bij ons zitten, dan zullen wij eerst wat nader kennis maken!’ De magiërs namen aan onze tafel plaats, en IK vroeg hun: 'Vertelt u Mij eens openlijk wat u zoal voor kunsten en toverijen verricht, dan zult u ook van Mij horen wat Ik allemaal doe! Misschien kunnen wij elkaar dan wederzijds van dienst zijn!

Toen bogen de magiërs, en de ene MAGIËR zei: 'Meester, dit is onze oudste en wijste, zijn naam is HAHASVAR (hoeder van de sterren), hij zal voor ons spreken! Hij is de driemaal dertig jaar reeds gepasseerd. Ik zelf ben pas tachtig en deze naast mij telt zeventig volle jaren, en in de sterren staat geschreven dat ieder van ons vanaf nu nog dertig jaar moet leven. Mijn naam is MEILIZECHIORI (Heeft inzicht of kennis om de tijd te meten) en de naam van mijn buurman is OU LI TESAR (bezweerder of bedwinger van de wil). De vierde van ons is nog jong en heeft nog geen speciale naam omdat hij nog leerling is. (opm.: resp. Caspar, Melchior en Balthazar)  Moge nu onze oudste spreken!

 

Toen begon dus DE OUDSTE en zei: 'Wij drieën zijn al eens dertig jaar geleden hier geweest en maakten een lange reis van het verre morgenland hier naartoe, want wij zijn door een bijzondere ster daartoe opgeroepen en in de taal der sterren stond geschreven: 'In het verre westen is bij het ontaarde volk van God een nieuwe koning geboren. Zijn lichamelijke moeder is een maagd die nooit door een man werd aangeraakt; want het kind in haar schoot is verwekt door de grote kracht van God, en zijn naam zal groot zijn onder alle volkeren der aarde, en hij zal een rijk vestigen en daarin als almachtig koning eeuwig heersen. En allen die in zijn rijk zullen leven zal het goed gaan; want over hen zal de dood geen macht meer hebben!’ Toen wij dat lazen, maakten wij ons gereed, volgden de loop van de ster en vonden werkelijk te Bethlehem, en wel in een oude schapenstal, heel wonderbaarlijk een pasgeboren kind, en wij offerden hem onze gaven. Wij wilden zoals afgesproken weer via Jeruzalem naar ons eigen land terugrei­zen, maar werden in een droom gewaarschuwd door een lichte geest dat wij langs een andere weg naar huis moesten gaan en de pasgeboren koning niet aan de kwade vorst moesten verraden. Dat hebben wij toen ook gedaan. Wat er daarna met dat wonderbare kind is gebeurd, konden wij ondanks onze naspeuringen op geen enkele wijze meer te weten komen.

 

Wij hoorden van oude mensen dat de oude, wrede vorst Herodes te Bethlehem vanwege die pasgeboren koning een kindermoord gelast had, waarbij alle jongens van 1 tot 2 jaar met het zwaard zijn omgebracht; maar de ouders moeten met hun wonderkind toch nog juist op tijd naar Egypte gevlucht zijn en zo de wreedheid van de krankzinnige vorst ontlopen zijn. Wij zochten nu een aantal jaren in Egypte naar datzelfde kind en die koning en konden niet het geringste ontdekken. Pas onlangs in Memphis in Egypte kwam ons ter ore dat er in Galilea een groot wonderdoener is opgetreden, die tekenen en daden verricht waarvan op deze aarde nog nooit werd gehoord, en die daarbij zulke wijze toespraken houdt, dat alle grote wijzen der aarde daartegenover puur in het stof zouden moeten kruipen. Velen zouden daarom in hem geloven en aannemen dat hij blijkbaar God Zelf moet zijn, omdat zijn doen en laten anders niet te verklaren is.

 

Naar aanleiding van dat bericht zijn wij speciaal weer hier naar Kanaän, of naar het joodse land gekomen, om die buitengewone mens ergens te ontmoeten, en wel om twee redenen: ten eerste, om ons zelf van alles persoonlijk te overtuigen, en ten tweede, om te onderzoeken of deze man soms voortgekomen is uit dat in Bethlehem geboren kind.

Toegegeven, de beroemde wonderdoener is nog geen koning, -maar dat maakt helemaal niets uit; want hoewel wij slechts wijzen zijn, sterrenkundigen, en vanwege onze kennis van de natuurkrachten in de ogen van de blinde mensheid ook heel buitengewone magiërs, zijn wij in de verre hooglanden achter Perzië ook koningen met land en een grote bevolking, en wij hebben geen vijand te duchten omdat iedere naburige vorst ons hoogacht en voor onze geheime macht de grootste eerbied heeft. En toch is onze macht slechts een heel natuurlijke, die ieder mens kan leren; hoeveel te meer kan die beroemde man van het joodse land dan koning zijn, die enkel door zijn wil bergen en rotsen kan vernietigen, doden het leven terug kan geven en de elementen kan gebieden!

Vanmorgen kwamen wij reeds hier in deze streek aan en deden navraag naar deze man, en men zei, dat hij onlangs hier was geweest en dat hij waarschijnlijk binnenkort hier weer zou komen. En nu laat op de avond ging het in huis van mond tot mond dat de beroemde man met zijn leerlingen was aangekomen.

Nu kunt u, meester, zich wel voorstellen wat een hevig verlangen er in ons allen begon te branden om in u de man te zien over wie wij zulke wonderbaarlijk grote dingen gehoord hebben, en om u vervolgens ook met de grootste bescheidenheid te vragen of u soms toch uit dat wonder­kind, dat in Bethlehem werd geboren, bent voortgekomen.’

 

GJE6-38 [1-15] IK zei: 'Dat is allemaal heel mooi en prijzenswaardig van u, maar men vertelde toch dat de drie wijzen die het in Bethlehem geboren wonderkind bezocht hebben, later - al ongeveer vijftien jaar geleden - gestorven zijn. Hoe komt het dan dat u nog leeft en nog overal in de wereld actief bent?'  Daarop zei DE OUDSTE: 'Edele vriend, bij ons in ons land kan men vijf­ maar ook zevenmaal sterven en daarna, opnieuw tot leven gebracht, weer verder leven. Dat brengen daar de lucht, de aarde en haar geesten, de wonderkruiden en onze krachten ontleend aan de geheime krachten van de natuur, teweeg. Maar toen wij destijds in Bethlehem waren, bevonden er zich nog drie geesten in ons, stammend uit de oertijd van de mensen van deze aarde (opm.: zie ook 'De geestelijke zon deel 2, hfst.15, 17 en 18: Adam, Kaïn en Abraham);  zij zijn nu niet meer in ons en met ons verbonden, wij zijn nu vrij en alleen. Toen deze geesten ons verlieten, leek het uiterlijk of wij gestorven waren; maar onze geesten maakten ons weer levend, en wij leven nu weer heel goed verder voor ons zelf en zullen nog geruime tijd verder leven. Maar als dit lichaam eens helemaal onbruikbaar zal worden, zullen wij niet zoals de arme mensen hier in dit land, erbarmelijk sterven, maar wij zullen bij vol bewustzijn zelf vrijwillig ons lichaam verlaten en dan als geesten voortleven en ook -werken onder mensen zoals wij. Kijk, edele, grote meester, zo staan bij ons de zaken omdat wij nog een onbedorven oer­ en natuurvolk zijn.’

 

IK zei: 'Dat weet Ik wel, en Ik weet ook dat er op deze Aarde nog een paar van zulke volkeren zijn, (opm. ook in het ‘dal der gelukkigen’ in Midden-Oostafrika!) waar Ik beslist niets tegenin te brengen heb, en Ik neem dan ook aan dat u die drie wijzen uit het verre morgenland bent die het in Bethlehem in een schapestal geboren wonderkind bezocht hebben, en nu weer teruggekomen bent om de wonderkoning te bezoeken die uit dit kind is gegroeid om hem weer uw eerbied te betuigen, wat ontegenzeggelijk erg prijzenswaardig van u is. Maar Ik vroeg u ook, wat u dan op uw verre reizen zo allemaal voor kunsten en werkzaamheden verricht, en wat voor nut u daar dan van heeft. Daarover moet u Mij ook iets vertellen, opdat in ieder geval deze leerlingen van Mij ook iets van u kunnen leren. Daarna zal Ik u over Mijzelf wat meer vertellen.'

 

DE OUDSTE zei: 'Ja, grote meester, als u alles doet wat wij over u gehoord hebben, dan zullen uw leerlingen bepaald niet zo erg veel van ons leren; maar omdat u dat wenst, kan ik u wel het voornaamste vertellen. Het eerste en de eigenlijke hoofdzaak is voor ons, de mensen uit de sterren veel dingen te voorspellen waar ze wat aan hebben, en dat gebeurt dan meestal ook. Weliswaar komt het daarbij, eerlijk gezegd, meer aan op een vernuftige positie van de woorden dan op de positie van de sterren die, behalve die van het handjevol planeten, toch altijd onveranderd blijft. Alleen bij de geboorte van het joodse wonderkind, toen wij nog min of meer door die bepaalde geesten bewoond werden, hebben wij in het westen wel heel vreemde posities van de sterren gezien en ook een ster van bijzondere grootte die naar het westen toe een lange staart had, en omdat wij ook goed waarnamen dat deze ster juist naar het westen toe sneller bewoog dan de andere sterren, dachten wij dat er in het avondland iets groots gebeurd moest zijn. En weldra lazen wij in de sterren alsof er geschreven stond: 'Bij de Joden is een nieuwe koning geboren, die een rijk zal vestigen dat nooit in der eeuwigheid zal eindigen, en hij zal heersen over alle volkeren der aarde!’

 

Wel, wat daar geschreven stond was niet verzonnen, en wij kozen toen onze reis precies volgens de beweging van de ster die ons bij de juiste stad en op de juiste plaats leek te blijven staan, en daar vonden wij werkelijk een geboorte waarbij alle mogelijke wonderen waren gebeurd, zodat wij geen moment konden twijfelen of we wel op de juiste plaats waren. Toen was dus onze uitleg van de sterren helemaal juist; voor de juistheid van de volgende en latere zouden wij eerlijk gezegd niet volledig in kunnen staan. Zo is het dus gesteld met onze sterrenwijsheid. Onze magie bestaat echter uit drie delen. Het eerste, voornaamste deel is het resultaat van onze vele proeven, experimenten en ervaringen, waardoor wij kennis kregen van en vertrouwd werden met de geheime krachten van de natuur, zodat wij in staat zijn duizend en één dingen en zaken ten uitvoer te brengen die de blinde en onwetende mensheid in stomme verbazing brengen en ons een groot aanzien en ook een groot inkomen bezorgen.

 

Momenteel zijn wij in het bezit van een geheim om korrels te fabriceren die zeer licht ontvlambaar zijn, maar tijdens hun snelle ontvlam­men in een gesloten ruimte zo 'n kracht ontwikkelen dat daardoor de sterkste en hardste rots met een grote knal in duizend stukken uit elkaar vliegt als men er van tevoren door een hiervoor gemaakte opening een paar pond van de genoemde korrels inbrengt en door een onzichtbare lont aansteekt. Om het volk te misleiden doen we wel alsof wij de rots bevelen uit elkaar te vliegen; maar uiteraard wordt dat alleen maar veroorzaakt door onze springkorrels, die wij al enige dagen van te voren heel ongemerkt op een geschikte plaats weten aan te brengen. En zo hebben wij nog een hoop van dit soort dingen waarvan de experimenten het onwetende volk in grote verbazing moeten brengen. Daartoe behoren ook onze vaardigheden met vuur, waarmee wij ook de bliksem en alle uitwerkingen daarvan bedrieglijk echt kunnen nabootsen. - Daaruit bestaat dus het eerste deel van onze magie.

 

Het tweede deel is zuiver mechanisch, waarbij wij door bepaalde tot op heden nog onbekende machines ook bepaalde effecten teweegbrengen die iedere leek stomverbaasd doen staan omdat de oorzaak van het effect onbekend is en door niemand behalve ons verklaard kan worden. Het derde deel van onze magie heeft eigenlijk niets om het lijf omdat het alleen maar door bepaalde geheime afspraken tot stand komt. Bij het volk baart het echter vrijwel het meeste opzien, hoewel er niets anders achter steekt dan een bepaalde aangeleerde vaardigheid en behendigheid. - Dat zijn dus de drie delen waaruit onze magie bestaat.

Verder zijn wij echter ook geneesheer en kunnen door geheime middelen met het beste geweten van de wereld heel veel ziekten genezen, lastig ongedierte van allerlei aard verdelgen, en alle soorten gevaarlijke dieren op de vlucht jagen of temmen, -en met deze bekwaamheid hebben wij de mensen ook al heel wat goede diensten bewezen. -En hiermee heeft u, grote meester, nu in het kort een overzicht van alles wat wij kunnen. Maar nu vragen wij ook u, of u ons wat meer over uzelf wilt vertellen.’

 

GJE6-39[1-10] IK zei: 'Uw kunst is, voor zover deze zich bij de experimenten bedient van natuurkrachten, mechanica en geneesmiddelen, op zichzelf heel goed, en mettertijd kan deze de mensen menig aards voordeel brengen. Maar omdat voor God alle mensen gelijke waarde hebben, is alles wat aan de mensen bedrieglijk wordt voorgespiegeld om geld uit hun zak te kloppen slecht en God, de enige Heer van de hele wereld en alle schepselen, niet welgevallig, hetgeen Ik ook tegen de Essenen, die iets dergelijks doen, bij een bepaalde gelegenheid heb gezegd en heb laten zien. Want ook al zou het doel op zichzelf nog zo goed zijn, maar alleen maar door een leugenachtig en derhalve als zodanig slecht middel bereikt kunnen worden, dan wordt dat middel door het in wezen goede doel nooit geheiligd en ook nooit goed.

Bijvoorbeeld: Stel dat er een zieke was die erg veel pijn leed, terwijl de beste dokters geen middel meer konden bedenken om hem van zijn pijn af te helpen. Stel dat er dan één van die dokters zou zeggen: 'Nu deze man toch niet meer te helpen is, geven we hem een sneldodend gif, dan is hij in één keer uit zijn lijden!' Zo gezegd, zo gedaan, -en de lijdende was er ogenblikkelijk geweest. Ja, deze dokters hebben de zieke echt van al zijn pijn bevrijd; maar zij hebben hem gedood zonder te bedenken waarom God hem dat lijden gegeven had, en hoe het er daarna aan gene zijde met zijn ziel voor zou kunnen staan. En daarom was het middel slecht, waardoor er nooit een zuiver en goed doel mee bereikt kan worden.

En kijk, zo is het met al zulke valse wonderen! Ook al gaan ze zelfs vergezeld van goede, morele lessen waar de mensen heel wat nut van hebben en ook al worden ze als goddelijke daden uitgelegd, toch strekken zij in de aard van de zaak tot niets goeds; want zij veroorzaken in de harten van het volk een afgedwongen lichtgelovigheid, waaruit allerlei kwaad bijgeloof en uiteindelijk fanatieke haat ontstaat tegen iedere andersdenken­de. En komen zij tenslotte door iemand die verstandig genoeg is, achter het bedrog, en merken zij dat het door hen geloofde, vermeende goddelijke wonder slechts heel alledaags en natuurlijk was, dan verloochenen zij ook alle daarop gebaseerde lessen, hoewel die op zichzelf goed waren, geloven daarna helemaal niets meer en worden als tijgers en hyena's tegenover hun leraren en wonderdoeners.

 

Hieraan is echter eenvoudig te zien, dat door een slecht middel eigenlijk nooit een goed doel bereikt kan worden; want als de ondersteuning slecht en zwak is, hoe kan dan daar een volkomen stevig gebouw op staan?!

Op slechte losse grond kan nooit een stevige burcht gebouwd worden, en zo kan met bedrieglijke, misleidende middelen ook nooit een goede opvoeding tot stand komen die de mens door en door verbetert en levend maakt­. Ook de grootste staten van deze wereld waarvoor eens de halve aarde beefde, vielen tenslotte als los kaf uit elkaar omdat het fundament waarop zij gebouwd waren zelf niets anders was dan loze, op kaf gelijkende begoocheling. Daarom ben Ik dus van boven naar deze wereld neergedaald om de mensen in alles de volle waarheid te laten zien en te geven. En wie in die waarheid zal blijven en leven, zal waarachtig vrij zijn en in zichzelf het eeuwige leven hebben, dat nooit door het een of andere misleidende middel, maar alleen door de meest zuivere en meest gedegen waarheid te bereiken is.

En precies daarin bestaat het rijk dat Ik nu aan het vestigen ben. Het is een rijk van liefde, van licht en daardoor van zuivere gedegen waarheid. Zijn koning zal wel nooit een aardse troon bestijgen en geen gouden scepter in zijn hand nemen en geen ander wapen dragen dan alleen de waarheid; maar dit wapen zal hem toch voor eeuwig de schitterendste overwinning geven over alle volkeren der aarde en over al haar schepselen, en het zal diegene goed gaan die zich door dit zuivere hemelse wapen zal laten overwinnen!

En nu pas zeg Ik u ook, dat Ik degene ben die u zoekt en die u reeds als pasgeboren kind eer hebt bewezen.

Ik zeg u nu ook, dat Ik nu en in de toekomst geen eer van de mensen aanneem; maar er is er Een, die één is met Mij en die de enige is die Mij eert, en Zijn naam is: Liefde, Licht, Waarheid en Leven. Hij is de Oergrond van alle dingen en het eeuwige Zijn en Bestaan zelf, en alles wat er is en bestaat, is en bestaat uit Hem. -Weet u nu waar u aan toe bent?'

 

GJE6-40 [1-21] Helemaal doordrongen van de waarheid van Mijn woorden, zei DE OUDSTE: "Grote meester! Uit uw heldere woorden hebben wij zonneklaar begrepen dat u meer dan een gewoon mens moet zijn; want wij hebben nog nooit een mens zo overtuigend waarachtig horen spreken, en waarlijk, die woorden hebben meer uitwerking dan duizend van de wonderbaar­lijkste tekenen, die weliswaar de mensen een tijdlang in hun ban houden, maar hun hart nog meer verharden en verduisteren! Daarom vragen wij ook helemaal geen ander teken van u, want uw woord voldoet ons volkomen, en wij weten nu wel wat wij in het vervolg moeten doen en waaraan wij ons moeten houden. Ons volk thuis zal voortaan niet meer in het duister ronddwalen!’

 

IK zei: 'Daar zult u heel goed aan doen; maar al het goede en ware heeft ook zijn tijd nodig. Daarom moet u dan ook bij uw hele rechtschapen handel en wandel uw verstand gebruiken. Want een volk dat eenmaal verduisterd is, kan een plotseling opgaand fel licht niet verdragen zonder de ogen te beschadigen; dan wordt het waanzinnig en lichtschuw en zoekt schaduw en duisternis. Daarom moet het licht eerst heel spaarzaam toege­laten worden, opdat de mensen er langzaam maar zeker aan wennen. Mettertijd zullen zij dan zelfs moeiteloos het sterkste licht verdragen. -Als u dus echte wijzen uit het verre morgenland bent, dan moet u ook deze waarheidsles goed in acht nemen om een ware zegen voor uw volken te kunnen zijn.’

 

DE OUDSTE zei: 'Ook dit zullen wij en onze leerlingen goed in acht nemen; want wij zien dat u in alles gelijk heeft en door en door waarachtig bent. Maar nu zouden wij ook nog van u willen horen, hoe het zat met de geesten die ons tijdens uw wonderbare geboorte leidden, want wij namen binnen in ons heel goed waar dat zij niet ons en wij niet hen waren. Als zij in ons de overhand hadden, konden wij niet doen wat wij wilden maar alleen wat zij wilden, en het leek ons alsof zij ons betere ik waren. Want dan waren wij ook erg wijs en leerden pas zó de inwendige natuurkrachten en het gebruik daarvan kennen; maar als het leek alsof zij uit ons wegtrokken, waren we weer erg dom en konden we totaal niet begrijpen hoe we de grote geheimen van de natuurkrachten hadden leren kennen. Al onze betere kennis is ons door die geesten meegedeeld, die wij in heldere dromen ook te zien kregen. Wel, wat kan daar volgens uw wijsheid achter schuilen?'

 

IK zei: 'Dat is bij u niets bijzonders, want alle mensen die van nature redelijk goed zijn, worden door geesten op een soms meer of minder voelbare wijze onderwezen in allerlei geestelijke en natuurlijke kennis, en bij u was dat dus op een meer voelbare wijze het geval. En hoe natuurlijker, eenvoudiger en in zichzelf gekeerd de mensen waar dan ook ter wereld leven, des te meer en des te levendiger staan zij ook met de betere goede geesten van gene zijde in verbinding. En dat was dan ook bij u en met u het geval. Maar toen u daarna door uw vele reizen wereldser bent geworden, hebben de geesten die u onderwezen en leidden u ook verlaten en u aan uw eigen kennis, verstand, begrip en vrije wil over gegeven. Maar toch wekten zij het verlangen in u op om Mij te gaan zoeken en nu ook te vinden, en daarmee hebben de drie geesten heel goed voor u en uw kinderen en volken gezorgd.

 

Die geesten echter waren vroeger ook mensen op deze aarde, en zij waren van de grootste betekenis voor de hele thans levende mensheid; maar aan gene zijde houden alle aardse verschillen van 'eerst' , ‘groot' of 'klein' helemaal op, en de laatste mens van de aarde zal niet minder zijn dan de eerste, vooropgesteld dat hij de wil van God heeft erkend en volgens Zijn voorschrift en orde heeft gehandeld. De wil van God voor alle mensen luidt echter heel in 't kort zo: Erken God en heb Hem boven alles lief, en uw naaste, dat is de mens naast u, als uzelf. Wees waarachtig en getrouw ten opzichte van iedereen, en wat u redelijkerwijs wilt dat men voor u zal doen, doe dat ook voor uw medemens, dan zal er vrede en eenheid onder u heersen en Gods welge­vallen zal over uw hoofden stralen als een waar levenslicht!

Laat dat voldoende voor u zijn. Daaruit zal u dan alle andere, verdere wijsheid gegeven worden. En begeeft u zich nu ter ruste want het is reeds diep in de nacht.’

De wijzen spraken hun dank uit en verzochten Mij om de komende dag nog in Mijn nabijheid te mogen blijven, wat Ik hun gaarne toestond. Daarop gingen wij allen slapen.

 

Toen wij de volgende dag ontwaakten, stond er al een goed ochtend­maal gereed en onze wijzen wachtten ook al met het grootste verlangen om Mij weer te zien en misschien ook te horen spreken; want Mijn woorden hadden zij zich zeer ter harte genomen. Terwijl Ik met al Mijn leerlingen aan het ochtendmaal zat, at en dronk en met de waard het een en ander besprak, luisterden DE WIJZEN reeds bij de deur. Omdat zij echter alleen over meer onbelangrijke, aardse zaken hoorden praten, zeiden zij onder elkaar: 'Kijk, vandaag spreekt hij niet zo wijs als vannacht! Zijn kennis moet erg veelzijdig zijn! Maar nu straalt er niet veel goddelijke wijsheid vanaf!  Toen zij zo aan het wikken en wegen waren, kwam er plotseling EEN ERNSTIG ZIEKE het voorvertrek binnen; het was een buurman van de waard, die van zijn personeel gehoord had dat Ik bij de waard was aangekomen en daar nu verbleef Toen hij Mij door de deuropening in het oog kreeg, riep hij: 'O Jezus van Nazareth, o ware Heiland, ontferm u over mij en genees ook mij, want u heeft er al zovelen genezen!  IK ging naar hem toe en zei: 'Hoelang heb je al last van jicht?' En HIJ zei: 'Heer, al zeven jaar! Toen de pijnen nog niet zo hevig waren, verdroeg ik ze echter geduldig; maar nu worden ze ondraaglijk en daarom liet ik mij naar u toebrengen.'

 

IK zei tegen de wijzen: 'Wel, u bent ook geneesheer! Wilt u deze man niet helpen met uw geneeskunst?' DE OUDSTE zei: 'Meester, dat soort zieken beschouwen wij als ongeneeslijk en daar helpt ook geen geneesmiddel meer tegen! Als zo'n jichtlijder niet meer door de zon genezen kan worden, helpt niets ter wereld hem nog.’ IK zei: 'Nu, dan wil Ik eens zien of hij niet meer te genezen is!' Daarop zei IK tegen de zieke: 'Wees genezen en ga; maar zondig voortaan niet meer opdat je dan niet nog iets vreselijker overkomt!’

Toen werd de zieke heel onverwacht volkomen recht en gezond, hij bedankte Mij en verliet vol vreugde het huis. Daarvan schrokken de wijzen en zij wilden Mij letterlijk gaan aanbidden. Ik verbood hun dat echter, en Ik en de leerlingen gingen daarop meteen naar Bethanië naar Lazarus, en de wijzen gingen ook nog dezelfde dag op weg naar hun verre land.

 

Over Zacharias, Johannes en Jezus afkomst

GJE6-107:5 De latere hogepriester Zacharias kreeg visioenen. Wie geloofde hem? Maar toen men merkte dat de visioenen van Zacharias volkomen waar waren, wat deed men toen met hem?! Toen zijn zoon, Johannes, die van de goddelijke geest doordrongen was, in de woestijn predikte, en de joden zich door allerlei tekenen overtuigden van de volle waarheid van wat hij zei, hadden zij toen niet kunnen doen wat hij hun geleerd had? O nee, zij werden alleen maar erg kwaad en giftig van ergernis, grepen hem, wierpen hem in de gevangenis, en - de rest weten jullie!

 

GJE6-107 [9,10] Toen zeiden SOMMIGEN, die goed op de hoogte waren van Mijn afkomst en Mijn geboorte: 'Ja, als jullie dat verlangen, dan is dat bij deze profeet zonder meer van toepassing! Ten eerste is hij een zoon van Jozef, de alom bekende timmerman uit Nazareth, en van Maria, een dochter van Joachim en Anna, en het is bewezen dat die beiden van de stam van David zijn. En ten tweede weet iedereen dat Hij in Bethlehem in een stal tijdens de algemene volksregistratie van keizer Augustus geboren is, en acht dagen daarna door Simeon besneden werd en de naam Jezus kreeg. Waarom twijfelen wij dan nog of Hij Christus is?' Er was dus op deze wijze verdeeldheid onder het volk over wat Ik eigenlijk was.  (Joh.7,43)

 

 

Uit Galilea komt geen profeet

GJE6-170 (8,9) Maar SOMMIGEN vroegen: 'Moet Christus dan wel volgens de Schrift uit Galilea komen? (Joh. 7,41) Zegt de Schrift niet: 'Christus zal van het geslacht van David zijn en uit het gehucht Bethlehem komen, waar David leefde'?!' (Joh. 7 ,42) Toen zeiden SOMMIGEN, die goed op de hoogte waren van Mijn afkomst en Mijn geboorte: 'Ja, als jullie dat verlangen, dan is dat bij deze profeet zonder meer van toepassing! Ten eerste is hij een zoon van Jozef, de alom bekende timmerman uit Nazareth, en van Maria, een dochter van Joachim en Anna, en het is bewezen dat die beiden van de stam van David zijn. En ten tweede weet iedereen dat Hij in Bethlehem in een stal tijdens de algemene volksregistratie van keizer Augustus geboren is, en acht dagen daarna door Simeon besneden werd en de naam Jezus kreeg. Waarom twijfelen wij dan nog of Hij Christus is?'

 

GJE6-171 [3-6] Toen zeiden DE FARIZEEËN: 'Jij bent zeker een van onze belangrijkste schriftgeleerden, dat kan niemand je betwisten, en bent daarom ook overste onder de schriftgeleerden; maar je bent evenwel een Galileeër en dus ook een vriend van deze Galileeër! Maar kijk eens in de Schrift, dan zie je dat er geschreven staat: Uit Galilea komt geen profeet!' (Joh. 7,52)  NICODEMUS zei glimlachend: 'Hoewel dat waar is, en jullie mij niet op de Schrift hoeven te wijzen, omdat ik die echt van begin tot eind beter ken dan jullie allen bij elkaar, wijs ik jullie op iets anders, en wel op het besnijdingsverslag uit de jaren van de eerste volksregistratie van keizer Augustus, en daar zullen jullie ontdekken dat deze huidige Galileeër niet in Galilea, maar in Bethlehem, de oude stad van David, geboren is, en dat zijn beide ouders in rechte lijn afstammen van David!

 

Jullie geciteerde uitspraak uit de Schrift kan dus op deze Galileeër in de verste verte niet toegepast worden, temeer daar de wet ook uitdrukkelijk zegt: Voor iedere jood geldt levénslang als geboortestreek het gebied waar hij geboren en besneden is, en die gemeente moet voor hem zorgen wanneer hij zwak en arbeidsongeschikt is geworden. Maar een heiden krijgt zijn domicilie daar waar hij tot Jood is besneden en ingeschreven, en moet als een eigen lid van die gemeente gezien en aangenomen worden. Kijk, vrienden, omdat wij deze wet niet kunnen opheffen, en er tevens door de besnijdings­ en registratieverslagen van Augustus onweerlegbaar vaststaat dat deze volksleraar geen geboren Galileeër is, heeft het volk naar waarheid ook helemaal geen reden deze man niet voor een echte profeet te houden!’

 

DE FARIZEEËN zeiden: 'Dan moeten we echter wel zo slim zijn om deze verslagen uit de weg te ruimen!’ NICODEMUS zei: 'O ja, wel de verslagen die in onze archieven liggen, - maar niet die, welke zich helaas in de archieven van de Romeinen bevinden! En die controleren en vergelijken ieder jaar heel kritisch onze tempelverslagen! Wee ons, als er iets zou ontbreken of veranderd zou zijn! Ik zou dan echt niet in de schoenen van een van ons willen staan! DE FARIZEEËN zeiden: 'Hm, hm, dat is natuurlijk niet zo best!’  Daarop wisten zij niets meer in te brengen, verlieten stilletjes de tempel en het feest, en ieder van hen ging heel rustig naar huis. (Joh. 7,53)

 

 

Lazarus over Jezus geboorte

Matth.1:18 GJE8-6 (12-16) Daarop zegt Lazarus: 'Hoe en waar Hij geboren is, en wat er bij Zijn geboorte allemaal is voorgevallen toen de oude, boosaardige Herodes dertig jaar geleden in Bethlehem zo veel onschuldige jongetjes van één tot twee jaar oud heeft laten vermoorden, omdat de drie wijzen uit het verre morgenland, door een ster hierheen geleid, hem gezegd hadden dat er in Bethlehem onder de joden een nieuwe koning geboren was, dat weten jullie allemaal even goed als ik; maar jullie weten niet, dat die nieuwgebo­ren koning der joden door goddelijke voorzienigheid en beschikking niet in handen van de wrede Herodes is gevallen, maar door Gods hulp en door bemiddeling van de toen nog jonge Romeinse hoofdman Cornelius veilig en wel naar Egypte en -naar ik meen -de oude stad Ostracine is ontsnapt, en pas toen de oude Herodes drie jaar later, opgevreten door de luizen, gestorven was, behouden en wel in de omgeving van Nazareth is terug­gekeerd en daar in stille afzondering zonder enig noemenswaardig onder­richt is opgegroeid en een volwassen man is geworden. Toen hij twaalf jaar oud was, kwam Hij met Zijn aardse ouders voor het voorgeschreven knapenexamen naar Jeruzalem, bleef drie volle dagen in de tempel en bracht door Zijn antwoorden en vragen alle oudsten, schriftgeleerden en Farizeeën in opperste verbazing, wat mijn vader, die zelfs vanwege de armoede van Zijn ouders het tamelijk hoge examengeld voor Hem betaald had, mij verteld heeft. Ook dat zullen de ouderen onder jullie zich nog zeker herinneren, alhoewel niet het feit dat Hij aan de woede van Herodes ontsnapt is en na drie jaar weer uit Egypte naar Nazareth is teruggekeerd. En kijk, de man die nu zulke grote werken doet, enkel door de zuiver goddelijke macht van Zijn wil en Zijn woord, is precies dezelfde als de dertig jaar geleden in Bethlehem geboren koning der joden en precies dezelfde als de wijze jongeman, die twintig jaar geleden de hele tempel in opperste verbazing gebracht heeft! Nu weten jullie met Wie jullie in de persoon van de zo buitengewone Galileeër van doen hebben en dat is zeker ook nodig, om een gunstig oordeel over Hem te kunnen vellen.

 

 

De grot bij Bethlehem

GJE8-116 (10-18) Kijk, daar dichtbij de stad (Bethlehem) is tamelijk vooraan en niet ver van de weg een grot, die nog heden ten dage als schaapsstal dient! Toen keizer Augustus de eerste volkstelling in het joodse land voorschreef, werd Ik daar rond middernacht geboren uit een jonge vrouw, die nooit een man bekend had. Als herkenningsteken voor de mensen, opdat ze gewaar zouden worden Wie daar in het vlees der mensen gekomen was, gebeurden er grote tekenen aan de hemel en ook op de aarde, die door jullie herders het eerst werden gezien.  Jij, destijds nog een herder op dat uitgestrekte weideland, dat tegen­woordig nog steeds jullie gemeenschappelijk bezit is, was een van de eersten die naar de grot kwamen en de pasgeboren Koning der joden begroetten en Hem eer bewezen.

En toen je de koren der engelen hoorde, zei je tegen enkele herders die naar de grot gekomen waren: 'Kijk, kijk toch eens! Het gezicht van dit ventje straalt als de morgenzon, en in de grot is het zo licht als overdag! Daar is meer dan alleen een pasgeboren koning der joden! Dat is de beloofde Messias; dat is Degene over wie door alle profeten voorspeld is! Die zal ons het heil brengen en daarom moeten wij Hem aanbidden!’ Jij was het ook, die de andere herders de volgende korte psalm voorzong: (Psalm 67) 'God zij ons genadig en zegene ons! Hij doe Zijn aangezicht over ons stralen - sela! - opdat wij op aarde Zijn weg kennen en onder alle heidenen Zijn heil! U, God, danken de volkeren, alle volkeren danken U! De volkeren verheugen zich en juichen, omdat U de mensen rechtvaardig richt en de mensen op aarde regeert, sela. U, God, danken de volkeren, alle volkeren danken U! Het land geeft zijn gewas; God, onze God, zegene ons! God zegene ons en de hele wereld vreze Hem!

 

Kijk, deze psalm heb jij destijds, gedreven door je innerlijke geest, op Mij betrokken en hebt naderhand, toen jij na je vader eigenaar van dit landgoed bent geworden, niet ver hier vandaan een mooi gehouwen steen laten plaatsen en eigenhandig de psalm daar op geschreven, zó, dat hij voor iedereen goed te lezen en te herkennen is, aangezien je hem met onuit­wisbare verf in het Hebreeuwse, Griekse en Romeinse schrift en tevens in die drie talen geschreven hebt! Daaruit kun je nu wel afleiden dat Ik jou heel goed ken en dat Ik niet boos op je ben, zoals je dacht, want jij was immers één van de eersten die Mij reeds bij Mijn geboorte herkend heeft en Mij de juiste eer gegeven heeft, en zo zul je ook zeker niet de laatste zijn die Mij nu weer zal herkennen!’

 

Hierdoor werd de waard tot tranen toe geroerd en zei: 'God, Heer en Meester! Meteen toen ik U zag kwam het me voor de geest, dat het zo zou zijn; maar ik durfde het toch niet hardop uit te spreken. Maar aangezien U mij daar nu genadig aan herinnerd hebt, is het wel boven alle twijfel verheven dat U dezelfde bent, voor wie alleen reeds tweeëndertig jaar geleden mijn lievelingspsalm bedoeld was. O, wat een eindeloos groot heil is er nu over mijn huis gekomen! O Heer, o God! Welke psalm zal ik U nu dan voorzingen?' Ik zei: 'We houden het bij de psalm die je de eerste keer voor Mij hebt gezongen; want die bevat toch alles wat overeenkomstig de eeuwige waarheid is, en Ik ben daar tevreden mee!'

 

Toen vroeg de waard Mij of hij niet in huis aan zijn vrouw, zijn genezen moeder, zijn kinderen en ook zijn genezen knecht mocht vertel­len, wat voor heil er over hen allemaal gekomen was.

*****

 

Johannes de Doper vertoont zich als geest aan zijn leerlingen

GJE9-119:4-10 Eerst riep Ik in de geest Michaël, die als een heldere flits uit de zichtbare hemel naar de aarde afdaalde, zodat allen daar geweldig van schrokken. Michaël stond in al zijn majesteit voor Mij, sterker stralend dan de zon, en niemand behalve Ik kon zijn lichtglans verdragen. Ik zei tegen hem: 'Johannes, omhul je met een schaduw, zodat Mijn vrien­den jou kunnen zien, herkennen en spreken!' Toen omhulde hij zich met een schaduw en stond hij vol liefde en eerbied voor Mij en zei (Michaël): 'Kijk, broeders! Dit is het Lam dat de zonden der wereld van jullie wegneemt en voor jullie de weg naar het eeuwige leven bereidt! Geloof in Hem en heb Hem boven alles lief; want Hij is het oereeu­wige begin en het oereeuwige einde, de Alfa en de Omega, de Eerste en de Laatste - buiten Hem is er geen God!'

Toen de engel deze woorden met een heel lieflijke stem had uitgesproken, boog hij diep voor Mij een prees Mijn naam hoog. Toen vielen ook alle anderen voor Mij neer en loofden en prezen Mij net als de engel. Ik beval hen allemaal op te staan en zei tegen hen: 'Blijf in jullie natuur­lijkheid; want Ik ben nu een mens zoals jullie en ben door jullie geloof in Mij en door jullie liefde voor Mij in jullie, zoals jullie in Mij! Blijf daarom in jul­lie natuurlijkheid!' Toen stonden allen weer op, en Johannes liep naar zijn vroegere leerlin­gen en sprak met hen over dingen, die na Mij over de joden en over de men­sen der Aarde zouden komen vanwege hun ongeloof, en hij bleef de hele dag bij ons in de zichtbare menselijke gedaante van de voor allen goed herkenba­re Johannes.

 

 

Gabriel, de engel vertoont zich aan de discipelen

GJE9-119:11 Na hem riep Ik de aartsengel Gabriël. Deze kwam onmiddellijk net als Michaël (als) Johannes, maar omhulde zich direct met een schaduw, gaf Mij de eer en liep direct naar Maria en sprak met haar over zijn zending met haar, en zij raakte daarbij vervuld van deemoedig geluk en zaligheid. Daarna ging Gabriël, die in de gedaante en persoon van de voorvader Jared verschenen was, ook naar Mijn leerlingen en sprak met hen over de Adamitische oertijd en over de toenmalige openbaringen aan de kinderen van de hoogte en ook aan de kinderen van de wereld; en ook hij bleef tot de avond zichtbaar bij ons. (relatie met Lukas 1:19)

 

Maria’s mening over de ark in de tempel

GJE9-130 Ook Maria, die evenals Jozef een strenge Jodin was en veel op had met de tempel - hoewel in Mijn tijd niet meer zoveel als voorheen - verwonderde zich over de trouwe gezindheid van deze Joden en over de kracht van het geloof van de Samaritanen, en zei tenslotte: 'Als die de tempel zouden bewa­ken en leiden - wat helaas niet zo is - zou de oude ark weer vervuld zijn van de geest des Heren, tot heil van Jeruzalem en van alle Joden, en de engelen zouden de maagden in de tempel voeden met hemelse kost, zoals dat zo'n dertig jaar geleden nog gebeurde bij de vrome Simeon en de grijze Anna, die de maagden van de tempel moest verzorgen. Maar sinds de vrome Zacharias door de afgunst van de Farizeeën gewurgd werd toen hij de offers aan God kwam wijden met gebed en reukwerk, is de oude ark in verval geraakt en de geest des Heren verdwenen. Weliswaar heeft men een nieuwe ark vervaardigd, maar de geest des Heren keert daar nooit meer in terug; maar wel woont daar de geest van leugen, bedrog, afgunst, jaloezie en laster, hoogmoed en boosaar­dige heerszucht.

 

Jezus over Zijn geboorte en kindermoord

GJE10-146 (De Heer:) 'Kijk, toen Ik bijna drieëndertig jaar geleden in een schapen­stal in Bethlehem in deze wereld kwam, geboren uit een zeer zuivere en vrome maagd - die Maria heette en de enige dochter was van Joachim en de oude Anna, die in de tijd van de vrome Simeon altijd in de tempel hun bezig­heden hadden – zo waren het heidenen, die als eersten reeds van verre hadden gezien dat in Mij iets buitengewoons in deze wereld was gekomen. Ze brach­ten Mij allerlei offers - goud, wierook en mirre - en de machtigste gezagsdra­gers van Rome in Judea en over alle Romeinse landen in Azië en ook Afrika bewezen Mij alle liefde en verleenden Mij alle hulp, met name bij die treuri­ge gelegenheid, toen het de oude Herodes ter ore was gekomen dat in Mij een zeer machtige koning der Joden geboren was en hij alle mannelijke kin­deren tot twaalf jaar wilde laten vermoorden. Mijn aardse moeder en Mijn pleegvader Jozef en zijn vijf zonen, die hij uit een eerder huwelijk had gekre­gen, moesten toen met Mij naar Egypte vluchten, en de Romeinse comman­dant Cornelius en zijn broer Cyrenius hebben Mij bij die vlucht veel liefde bewezen en voor een goed onderkomen in een vreemd land gezorgd. Volgens hfdst. 33:3, 17, 24-25 was Herodes oorspronkelijk van plan alle kinderen tot 12 jaar om te laten bren­gen, maar Cornelius wist hem door zijn wijsheid hiervan af te brengen. Volgens hfdst. 41:2 en Matth. 2:16 konden echter de kinderen tot 2 jaar niet gespaard worden.

www.zelfbeschouwing.info