Achtjarige Jezus tot Zijn twaalfde jaar

 

Jeugd Jezus 294:1-23 (de achtjarige Jezus zaait persoonlijk tarwe)

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Na deze wonderwerken hield Jezus Zich gedurende twee jaren volkomen rustig op de achter­grond, terwijl Hij Jozef en Maria in alles gehoorzaamde. Toen Hij acht jaar werd, te­kenden zich de voortekenen af van een zeer slecht oogstjaar; want er trad een periode van grote droogte in, waardoor al het gewas verdorde. Reeds was het in de zevende maand en nog was nergens iets groens te zien! Men was wel ver­plicht om veelvuldig vee te slach­ten, als men niet voor veel geld hooi en koren uit Egypte of Klein­Azië wilde invoeren. Jozefs gezin leefde voorna­melijk van de vissen, die Jonatha hun wekelijks toezond, terwijl hij zijn huisdieren voerde met schelf­gras, dat Jonatha hem ook deed toekomen (opm. de Jonatha, die elders beschreven staat in het boek: ‘de Jeugd van Jezus!’). Pas in de zevende maand vertoonden zich wolken aan de hemel en begon het af en toe een beetje te regenen. Toen sprak Jozef tot zijn vier oudere zoons: 'Spannen jullie de ossen maar voor de ploeg, dan zul­len we in 's Heren naam nog wat tarwe zaaien. Wie weet, wellicht zegent de Heer dat toch nog, omdat wij im­mers Hem tot onze zoon en broe­der mogen rekenen, Die Hij in de wereld gezonden heeft! Weliswaar heeft Hij nu al ge­durende twee jaren door Hem geen tekenen meer gedaan, zodat wij daardoor Zijn Verhevenheid feitelijk al begonnen te vergeten, maar wie weet of dit slechte jaar niet het gevolg is van onze vergeetachtigheid jegens Hem, Die op zo heilige wijze van Boven tot ons kwam!?'

 

Nu stapte de reeds achtja­rige Jezus op Jozef toe en zei: 'Goed vader Jozef, jullie hebben Mij kennelijk nog niet vergeten; daarom zal ik met u mee gaan om de tarwe in de voren te leggen. Jozef was daar erg blij mee, terwijl Maria en de anderen thuis zeiden: 'Ja, fijn, als de lieve Jezus gaat zaaien, dan zal dat zeker een rijke oogst opleveren!' En Jezus Zelf zei, eveneens lachend: ' Ja, die mening ben Ik ook toegedaan: Er zal heus géén zaad van Mij tevergeefs op dit aardrijk vallen! Nu werd dus de akker klaar gemaakt en werd er gezaaid. Links achter de ploeg zaaide Jozef en rechts Jezus. En zo was de akker in een halve dag prima bewerkt. Kort nadien reeds viel er rijkelijk regen, waardoor de tarwe krachtig ontkiemde en, zoals het met een zomervrucht het geval pleegt te zijn, werd deze in drie maanden tijds zo rijp als men zich maar had kunnen wensen! En toen bleek ook, dat de aren, die rechts door Jezus waren gezaaid, gemiddeld vijfhonderd korrels bevatten, terwijl die van Jozef er maar dertig tot veertig telden. Iedereen was daarover al hogelijk verwonderd, maar Gods Zegen toonde Zich pas volledig, toen het koren op de dorsvloer was uitgedorst; want uit het ene mud tarwe, dat gezaaid was, oogstte men pre­cies duizend mud; een oogst die nog nooit iemand had meege­maakt

 

Nu Jozef over zo'n gewel­dige oogst beschikte, hield hij ze­ventig mud voor zichzelf, terwijl hij negenhonderddertig mud on­der de buren verdeelde. En zo was men in de wijde omtrek door deze wonderbare oogst geholpen. Vele buren kwamen naar aanleiding daarvan, om die kracht Gods in de jonge Jezus te loven en te prijzen. Hijzelf echter maande hen om God en hun naasten te bemin­nen, en Hij zei tot ieder van hen:  ‘Liefde is beter dan lof, en echte vreze des Heren is beter dan brandoffers!' Het was in deze tijd dat de verschrompelde jongen ook weer gezond werd.

 

Jeugd van Jezus 295:1-29 (de tienjarige Jezus moet naar school, maar wil niet)

Sedertdien deed het Jezuskind weer geen teken meer, maar was als alle andere mensenkinderen. Hij was graag bij Jozef als die gereedschappen en werktui­gen maakte, zoals ploegen, juk­ken, stoelen, tafels en bedden; nooit ging er bij Jozef iets mis. Nu het Ventje inmiddels tien jaar oud was en Zich niet meer van andere kinderen wilde onder­scheiden, zei Jozef op zekere dag tegen Maria: 'Zeg Maria, de lieden hier in de buurt smaden ons omdat wij Jezus helemaal zonder school la­ten opgroeien, terwijl Hij toch zulke geweldige talenten heeft en zo'n grote aanleg! Ik weet natuurlijk best dat Jezus dat wereldse school onder­richt niet nodig heeft; maar om de buren tot zwij­gen te brengen, zou ik Hem toch best bij een leraar willen doen. Nu er dan toch twee nieuwe scholen in de stad zijn bijgeko­men, waarvan men zegt dat de le­raren heel bekwaam zijn, zou ik het wel met de een of de ander willen proberen.

Maria ging ermee akkoord; ook zij zag in dat het noodzakelijk leek. Zo nam Jozef Jezus dus mee om Hem bij een leraar te gaan brengen. Daar aangekomen nam de­ze het jongetje over en zei tegen Jozef: 'Hij moet vanwege de vele Grieken die hier wonen maar eerst Grieks Ieren, en pas daarna Hebreeuws. Ik ben weliswaar op de hoogte van de bijzondere eigen­aardigheden van dit kind, en ik ben eigenlijk een beetje bang voor Hem,  maar desondanks zal ik doen wat behoort te gebeuren; al­leen moet u mij de jongen dan wel helemaal afstaan.’

 

Jozef stemde daarin toe en hij deed Jezus volledig bij de le­raar in de kost. Gedurende de eerste drie dagen was Jezus nog vrij in alles; pas de vierde dag nam de leraar Hem mee in de klas. Daar leidde hij Hem naar het bord en schreef het hele alfa­bet voor Hem op, om het daarna voor Hem te gaan uitleggen. Nadat hij het enkele malen had doorgenomen, vroeg hij aan Jezus, wat Hij ervan begrepen had. Maar Jezus deed alsof Hij van de uitleg niets begrepen had en gaf geen antwoord. Drie dagen aan een stuk plaagde de leraar zichzelf en de jongen hiermee, maar hij kreeg geen enkele maal antwoord. Maar de vierde dag was zijn geduld op en eiste hij van de jon­gen dat Hij hem zou antwoorden met als bedreiging een flinke straf. Nu zei het Jezuskind tegen hem: 'Als u echt een leraar bent, en als u de lettertekens werkelijk beheerst, zegt u Mij dan eens wat de oorspronkelijke betekenis is van dé alfa, dan zal Ik u vertellen wat de beta betekent!' Nu werd de leraar kwaad en hij sloeg Jezus met het aanwijs­stokje op Diens hoofd. Dit deed de Jongen pijn, en Hij zei tegen de leraar: 'Is dat uw wijze manier om u van een dom­heid te ontdoen? Ik ben hier niet om slaag te krijgen, en dat is dan ook niet de goede manier om mensen te on­derwijzen en te vormen. Wat Mij betreft mag u stom worden en idioot nog bovendien, omdat u Mij hebt geslagen, in plaats van Mij een passende ver­klaring te geven!' En de leraar zakte ter plek­ke in elkaar en omdat hij be­gon te razen en te tieren, moest hij, gebonden, naar een andere kamer worden gebracht. Jezus ging dadelijk naar huis terug en zei tegen Jozef: 'Als Ik weer naar school moet, dan verzoek Ik toch wel dringend om een andere leraar, een die niet in de klas komt met een stok in zijn hand; deze moet nu zijn misdragingen tegenover Mij uitboeten!' Jozef kon goed raden wat er wel weer gebeurd zou zijn, en hij zei tegen Maria: 'Wij mogen Jezus dus niet meer uit handen geven, want Hij kastijdt iedereen die niet naar Zijn zin is!' Maria vond dat best, en er was niemand, die Jezus een ver­wijt durfde maken.

 

Jeugd Jezus 296:1-24 (Jezus geeft leraar een staaltje van Zijn kennis over Daniël)

Na verloop van enkele weken kwam nu de tweede nieuw geves­tigde leraar bij Jozef een vriend­schappelijke visite afleggen. Jozef had voor zijn klaslo­kaal namelijk reeds verscheidene nieuwe banken en stoelen ge­maakt en ook een tafel; bij welke gelegenheid Jozef zich in deze le­raar een zeer rechtschapen man te vriend had gemaakt. Deze leraar maakte nu ook kennis met Jezus, in Wiens ernsti­ge, maar opgewekte en beschei­den voorkomen hij veel plezier had.

Hij vroeg dan ook aan Jozef of deze jongen al op de een of andere school had leren lezen. Jozef gaf hem ten antwoord: 'Broeder, ik heb het al met een paar leraren geprobeerd, maar die konden beiden niets met Hem beginnen;  er leeft in deze jongen name­lijk een heel bijzondere kracht! Als een leraar zich tegen­over Hem een of andere grofheid veroorlooft, dan heeft die het bij Hem dadelijk al verknoeid, want één woord uit de mond van deze jongen tegen zo 'n leraar is voldoende om hem op de meest ontzettende wijze te straffen! Dat was namelijk ook het geval met Zijn vorige leraar; die is tot op de dag van vandaag nog met krankzinnigheid geslagen!'

 

De leraar antwoordde: ' Ja, dat is me bekend, maar die was dan ook voor al zijn leerlingen een ware tiran! Als ik deze jongen zou on­derwijzen, dan zou ik echt niet bang zijn om door hem te worden bestraft!' Nu sprak Jezus, Die erbij aanwezig was: 'wat zoudt u Mij dan wel willen leren?' Op werkelijk innemende wijze trok de leraar de jongen naar zich toe, liefkoosde Hem, en zei dan tegen Hem:  'Ik zou Jou heel vriendelijk en prettig onderwijs willen geven in lezen en schrijven en Je vervol­gens leren de Schrift te begrijpen.’ Nu zei de jongen: 'Goed dan, als u iets van de Schrift bij u hebt, geeft u Mij dat dan maar, dan zal Ik u een bewijsje leveren van wat Ik al kan!'

 

Aanstonds trok de leraar nu een boekrol­ Daniël was het ­uit zijn mantelzak, die hij aan de jongen ter hand stelde. Nu begon de Jongen direct met voorlezen van die boekrol en die bovendien te verklaren op een manier, die alle aanwezigen - de onthutste leraar incluis - in hoge mate verbaasde! Toen de leraar dit van de jongen had gehoord, sprak hij: 'O Heer, wees mij, arme zondaar, genadig en barmhartig; want deze jongen kan geen mens zijn van deze aarde! Nu, broeder Jozef, begrijp ik maar al te goed dat geen leraar het met deze jongen kan uithou­den! Deze knaap weet trouwens meer dan alle leraren van de hele wereld tezamen! Houd Hem dus maar rustig thuis!' 'Dit oordeel nu beviel de Jongen, en Hij zei: 'Omdat u zo eerlijk bent, en om uwentwille dus, moet nu ook die andere le­raar maar weer genezen; het zij zo! Maar u moet dan wel zo eerlijk blijven als u nu bent; dan zult u ook steeds en blijvend een goede leraar zijn! Amen!' Nu verwijderde Jezus zich. Ook de leraar nam spoedig af­scheid van Jozef en ging in diep nadenken naar huis. En op het­zelfde uur was de eerste leraar weer beter.

 

Jeugd Jezus 297:1-35 (De elfjarige Jezus gaat met Jacob hout sprokkelen)

Van toen af bleef het Jezuskind dus thuis, waar Hij Zich rustig en gehoorzaam gedroeg; ook ver­richtte Hij soms kleine karweitjes. Een heel jaar lang deed Hij geen enkel wonder, tot aan Zijn elfde jaar dus! Toen Hij elfwas bewerkstel­ligde Hij echter weer drie belang­rijke wonderen, waarvan hier een kort verslag moge volgen: In het voorjaar was Jozefs voorraad aan brandhout vrij plot­seling in een paar dagen opge­raakt. Daarom stuurde hij Jacob en Jezus, die de meeste tijd hadden, naar een nabijgelegen bos om sprokkelhout te verzamelen. Zij gingen beiden dus vol ijver op pad en deden wat Jozef hun had opgedragen.

 

Jacob sloofde zich vreselijk uit, waardoor er voor Jezus weinig te sprokkelen overbleef; Jacob was Jezus namelijk overal te vlug af!  Zo kon het gebeuren, dat hij in zijn ijver een struikachtige tak pakte, waaronder een giftige ad­der schuilging. De adder beet Jacob in zijn hand. Van schrik en ontzetting viel Jacob op de grond. Zijn hand zwol plotseling hevig op, Jacob draaide zich op zijn rug en er tra­den reeds symptomen van de na­derende dood op. Nu sprong Jezus te hulp. Hij blies op de wond en on­middellijk was Jacob weer in orde. De adder zwol echter enorm op en spatte toen uiteen! Nu zei Jezus tegen Jacob: ,Haastige spoed is zelden goed! In elke wereldse inspanning, die overdreven ijverig gedaan wordt, ligt de dood op de loer! Het is daarom beter om in wereldse zaken lui te zijn, maar des te ijveriger in geestelijke din­gen, en dat geldt voor elke gele­genheid.

 

Zo komt het dat degenen, die zich druk maken om wereldse zaken in hun ijver voor wereldse dingen steeds de dood hunner zie­len zullen bewerkstelligen. Maar hen, die zich minder voor wereldse zaken interesseren, hen zal Ik in Mijn Dienst nemen, voor eeuwig! En al hebben ze dan misschien slechts één uur van de dag gewerkt, Ik zal hun toch het­zelfde loon uitkeren, als Ik zal doen aan hen, die heel de dag allerijverigst gewerkt hebben! Heil wacht iedere luiaard in wat werelds is; wee degene, die al te vlijtig is in wereldse zaken! Want de eerste zal Mijn vriend zijn,  maar de tweede veeleer Mijn vijand!' Jacob prentte zich deze woorden goed in zijn geheugen, en hij leefde daar voortaan naar, terwijl hij er zich niets van aan­trok, als men hem soms de bij­naam 'de luie en langzame' gaf. Des te ijveriger echter was hij sindsdien bezig aan zijn inner­lijke vorming, waar hij eindeloos veel beter bij won.

 

Kort na deze gebeurtenis stierf het enige zoontje van een buurvrouw, die weduwe was, en die daar zeer onder leed. Jezus ging er naar toe, tezamen met Zijn Jacob, om Zijn rouwbeklag te doen. Toen hij de vreselijk we­nende vrouw zag, kreeg hij mede­lijden met haar. Hij greep de dode knaap bij de hand en zei: 'Kefas, Ik zeg je: sta op, en bedroef het hart van je moeder nooit meer. ' Plotseling stond de knaap nu op, en lachend begroet­te hij alle aanwezigen! Nu wist de weduwe niet meer hoe ze het had. Zij sprak: 'Wie kan deze Zoon van Jozef toch zijn, dat Hij met een woord doden kan opwekken? Zou Hij een God zijn, of is Hij een Engel?'  Maar nu zei Jezus tegen de weduwe: 'Vraag daar verder niet naar; geef Kefas liever wat melk te drinken, zodat hij gauw weer de oude is!' Vlug ging de weduwe nu warme melk voor haar jongen ha­len.

 

Toen het zover kwam, dat ten slotte allen Jezus wilden gaan aanbidden, vluchtte hij weg van daar, en zocht andere kinderen op, waarmee Hij op de Hem eigen wijze kon spelen. En toen hij daar nu zo aan het spelen was, viel er van het dak van een ander huis, waaraan door werklui uit de stad reparatiewerk­zaamheden werden verricht, een man naar beneden; hij brak daar­bij zijn nek en was op slag dood. Van alle kanten kwamen onmiddellijk vele mensen aan, die de verongelukte man met veel misbaar bejammerden. Toen Jezus dat lawaai hoorde, ging Hij er met Jacob ook heen; Hij drong tussen de omstan­ders door tot Hij bij de dode stond en zei toen tegen deze: 'Mallas! Ik zeg je; sta op en ga weer aan het werk! Spijker je daklatten echter beter vast, want anders val je nogmaals! Het komt er namelijk niet zozeer op aan hoeveel werk je verzet hebt, maar veeleer hoe je het hebt gedaan! In afgunst schuilt altijd de dood!'

 

Vlug maakte Jezus dat Hij weg kwam, terwijl de dode weer gezond overeind kwam en zo flink doorwerkte, alsof hem niets was overkomen. Maar wel heeft hij de woorden van Jezus goed in zijn geheugen gegrift! Deze drie wonderen ge­beurden achter elkaar in een kort tijdsbestek, waardoor nu alle bu­ren Jezus wilden aanbidden. Jezus stond hun dat echter niet toe en liet Zich gedurende vele weken niet in het dorp zien. Ten huize van Jozef werden deze drie daden echter zeer goed onthouden, en er werd veel over gesproken.

www.zelfbeschouwing.info