Knaapje Jezus doet wonderen

 

Jeugd Jezus 272:1-23 (Jozefs ergernis over Archelaüs door het Kind je getemperd)

Toen Jozef en zijn gezin hun voeten hadden gewassen en zij het woonvertrek van de arts binnen­traden, waar verscheidene zieken werden behandeld, nam hij met de zijnen plaats en vertelde hij de arts in korte trekken de hoofdza­ken over zijn vlucht en de reden daartoe. Toen de arts dit aangehoord had werd hij hevig verontwaar­digd over Herodes, maar meer nog over diens nog levende zoon Archelaüs. Hij beschreef deze dwinge­land als nog veel erger dan diens vader! Jozef zei tegen hem: 'Vriend, wat jij mij zojuist over Archelaüs verteld hebt, dat heb ik op reis hierheen ook al gehoord. Maar je mag wel weten, dat de Heer voor mij dan reeds heeft gezorgd!  Want ik bewoon thans een belastingvrij huis, zoals een Ro­meins burger, en ik heb dus met die dwingeland niets te maken!'

 

Maar de dokter zei hierop: 'Neen vriend, neem mijn huis nu eens; dat bezat ook zo'n keizerlij­ke vrijdomsbrief; maar kort geleden zijn die belastingbeulen van Archelaüs 's nachts hier geweest, hebben het bordje van de deur afgescheurd, en de volgende dag hebben zij op de meest smadelijke wijze bij mij beslag gelegd! Iets dergelijks kan ook jou overkomen; wees dus maar op je hoede! Laat mij je dit zeggen: De­ze duivel van een koning ontziet niets; en wat hij niet rooft, dat roven dan wel zijn onderpachters en de wegentolgaarders; dat zijn de allerergsten!' Toen Jozef de arts zo hoor­de spreken, raakte ook hij vervuld van ergernis over Archelaüs en zei: 'Laat die tiran dat maar eens proberen, ik verzeker je dat het hem dan duur te staan zal komen!

 

Ik heb namelijk het ere­woord van de stadhouder, dat Ar­chelaüs terstond als een landver­rader zal worden behandeld, als hij het Romeinse privilege niet ontziet!' De dokter zei: 'Broeder­lief, ik raad je aan: eerder op wat dan ook te vertrouwen dan op dergelijke privileges; want geen vos kan slimmer zijn bij het ontlopen van een strik dan dit Griekse ondier! Weet je wat hij deed toen ik mij daarover bij het Romeinse hof beklaagde? Hij beschuldigde zijn man­dataris onmiddellijk van eigen­machtigheid en liet hem in de ge­vangenis werpen. En toen ik mij vervolgens bij dat hof vervoegde om schade­loosstelling, werd ik afgewezen met het bescheid:

"Omdat de koning, naar gebleken is, niet deelachtig is aan deze misdaad, is hij ook niet aan­sprakelijk voor schadevergoe­ding; dat is uitsluitend de eigen­machtig handelende dader. Bij hem thuis heeft men echter niets kunnen terugvinden; de schade treft dus -net als dat bij een gewone roof het geval is -de Heer." Ja, ja, zó ben ik afge­poeierd !

Het vrijdomsbordje is wel­iswaar weer aan mijn deur beves­tigd, maar voor hoelang, dat zal Archelaüs wel het beste weten!' Toen hij dit alles hoorde werd Jozef werkelijk kwaad; hij wist dan ook niet wat hij daarop zeggen moest. Maar voor hem sprak het Kindje: 'Ach erger je toch niet zo over je onmacht; er is immers nog een Heer en Die kan meer dan Rome!' Dit kalmeerde Jozef. Maar de arts, die het Kindje nog niet kende, die zette wel grote ogen op!

 

Jeugd Jezus 273:1-22 (de arts verwacht de Messias en het Kindje stelt hem in het gelijk)

De arts nam na een poos je weer het woord en zei tegen Jozef: 'Zeg Vriend en Broeder, wat heb je daar in Godsnaam voor een kind'; Het spreekt nu al zo wijs als een opperpriester als die, met de Thumin en de Urim voor zijn borst, voor het Allerheiligste staat! Hij heeft maar een paar woorden gezegd, maar die dron­gen mij dan ook door merg en been! Je hebt me wel verteld hoe dat Kind de oorzaak was van jullie vlucht naar Egypte en je hebt me wel vluchtig een aantal bijzondere gebeurtenissen bij Diens geboorte aangeduid, waaruit ik vermoedde dat te zijner tijd uit dit Kind nog een groot profeet zou kunnen groeien als Hij de profetenschool van de Essenen zou volgen. Maar, naar wat ik nu van Hemzelf gehoord heb, heeft Hij die Essenen school helemaal niet eens nodig; want Hij is zo al een eerste­klas profeet, zoals een Samuël dat was en een Elia en Jesaja!' Jozef werd hier ietwat verle­gen onder en hij wist niet zo gauw wat hij zijn vriend daarop moest antwoorden. Op dat moment kwam het Kindje echter opnieuw naar Jozef toe en zei hem: 'Laat die dokter nu maar met rust wat zijn geloof betreft; want ook hij is tot het Rijk Gods beroepen, maar te veel op een­maal behoeft hij nu ook weer niet te weten. Toen de arts ook dit hoor­de, zei hij hevig verbaasd: ' Ja, ja, broeder Jozef, ik had gelijk met wat ik zei! Dit is al een profeet, die ons de naderende Messias, Die ons beloofd is zal aankondigen. Hij sprak immers van het Rijk Gods, waartoe ook ik ge­roepen zal zijn. En nu zie ik tegelijk in, waarom deze kleine Samuël jou zojuist heeft getroost met een Heer, Die machtiger is dan Rome.Ja, als de Messias komen zal, dan zal het Rome beslist ver­gaan zoals het de stad Jericho een­maal in de tijd van Jozua vergaan is!'

 

Maar nu wierp het Kindje hem tegen: 'Ho ho vriend, wat zegt u daar? Weet u dan niet dat er staat geschreven: "Uit Galilea komt geen profeet!"? En als dat zo is, Wie zal Hij dan wel zijn, Die voortspruit uit de stam van David? En Ik kan u wel verzeke­ren, dat als de Messias komt, dat Die dan geen zwaard tegen Rome zal trekken!Hij zal daarentegen slechts Zijn gééstelijk Rijk laten verkon­digen door Zijn aardse herauten.'

 

Nu was de arts volledig uit het veld geslagen; na een poosje zei hij echter: 'Waarlijk, in jou heeft God Zijn Volk bezocht!' Jozef viel de arts hierin wel­iswaar bij, maar hij voegde er geen verdere verklaring aan toe.

 

Jeugd Jezus 274:1-21 (het Kindje neemt de zieken een vertrouwensproef af)

Na dit onderhoud liep het Kind­je opgewekt in de kamer rond en vroeg de zieken, die allerlei ge­breken hadden, wat hen mankeer­de en hoe zij dat hadden opge­lopen. De zieken zeiden echter: 'Wel, pittig jochie, dat hebben we de dokter al verteld, die ons daar­voor zal behandelen. Om nu ten overstaan van gasten te gaan bekennen welke zonden aan onze lichamelijke ge­breken ten grondslag liggen, dat zou niet welvoegelijk zijn. Ga dus maar naar de arts, dan zal die je wel vertellen wat er is, als dat voor jou geen kwaad kan tenminste!' Nu moest het Kindje lachen en Het zei tegen de zieken: 'Zouden jullie de oorzaken van jullie gebreken ook dan niet willen vertellen, als Ik jullie met zekerheid zou kunnen helpen?' Nu zeiden de zieken: 'O ja, dan wel: maar voor het zover is, zul je nog veel moeten Ieren! Er zal nog heel wat tijd verlopen voordat jij arts zult zijn!' 'Niks hoor,' zei het Kindje, 'Ik ben allang volleerd arts, Ik heb het zelfs zo ver gebracht, dat Ik kan genezen van het ene ogenblik op het andere! En ik bezweer jullie dat hij, die zich van jullie als eerste aan Mij zal toevertrouwen, ook als eerste, en wel onmiddellijk zal worden genezen!' Nu was daar ook een meisje van twaalf jaar, dat aan jicht leed, en dat plezier in het Kindje had. Het zei tegen Hem: 'Kom dan maar eens hier­heen, jij kleine dokter; ik wil mij best door jou laten genezen!' Nu liep het Kindje naar het meisje toe en zei tegen haar: 'Omdat jij Mij het eerst hebt geroepen, zul jij de eerste zijn, die gezond wordt. Ik ken namelijk de oorzaak van jouw ziekte, die gezocht moet worden bij degenen die jou heb­ben verwekt; maar jij bent vrij van zon­den, en daarom zeg Ik je:  Sta op en loop, en gedenk  Mijner! Maar je mag tegen nie­mand zeggen dat Ik je heb gene­zen!' En ziet, het twaalfjarige meisje werd op datzelfde ogenblik gezond; het stond op en bewoog zich vrij en zelfstandig in het rond. Toen nu de andere zieken dit zagen, wilden ook zij genezen worden. Maar het Kind je kwam niet aan hun bedden, omdat zij het eerder niet hadden gewild.

 

Jeugd Jezus 275:1-22 (Jozef neemt het genezen meisje in zijn huis op)

Toen nu de arts deze wonder­baarlijke genezing van het door hem absoluut ongeneeslijk ver­klaarde meisje zag, werd het hem te machtig. Van pure verbazing kwam hij bijna buiten adem en stamelde tegen Jozef:  'Broeder, ik smeek je, ver­trek van hier, want ik krijg hiervan lelijk de schrik te pakken.  Je mag best weten dat ik een zondig mens ben, terwijl in jouw Kindje blijkbaar de Geest des He­ren vaardig is.  Hoe zou een arme zondaar als ik kunnen stand houden tegen de alziende en almachtige Geest van de Allerhoogste?!'  Toen liep het Kindje naar de arts toe en zei tegen hem:  ‘'Man, doe toch niet zo dwaas nu plotseling bang voor Mij te zijn!  Wat heb Ik je dan wel voor kwaad gedaan, dat je bang voor Mij zoudt zijn?  Denk je soms dat de gene­zing van dat meisje een wonder was of zoiets? Ik zeg je: niets daarvan! Probeer zelf ook maar eens om op dezelfde manier de andere zieken te behandelen, dan zullen ze beter worden!  Ga naar hen toe, wek het geloof in hen op, leg hen daarna je handen op, en ze zullen terstond genezen.  Maar je moet natuurlijk eerst zelf vast vertrouwen dat je hen zo helpen kunt en ook zonder mankeren helpen zult!'

Toen de arts dit van het Kindje vernam, vatte hij een ge­weldig vertrouwen op, ging naar de zieken toe en behandelde hen overeenkomstig het advies van het Kindje. En inderdaad, alle zieken werden onmiddellijk gezond. Zij betaalden de arts het tarief, en ze loofden en prezen God, Die aan een mens zo grote macht verleen­de! Hierdoor viel gelukkiger­wijze nu tevens het wonderbaar­lijke van het Kindje in de ogen der wereld van Hem af. Maar de arts werd door deze gebeurtenis zeer befaamd, zodat van her en der vele zieken naar hem toekwamen, die bij hem genezing vonden. En toen het twaalfjarige meisje zag, dat ook de arts zo wonderbaarlijk kon genezen, dacht het, dat het Kindje het door middel van de arts had gedaan, waarna het ook de wijsheid van de arts begon te prijzen. Het Kindje maakte daarte­gen allerminst bezwaar. Het had immers juist daartoe aan de arts deze kracht verleend, opdat alle verdenking van Hemzelf zou wor­den afgewenteld. Alleen Jozef sprak tegen het meisje: 'Meisjelief, denk erom dat alle kracht van Boven komt! Jij bent ongetwijfeld zon­der werk nu; als je met mij mee  naar huis gaat, zul je verzorgd zijn!  Zonder dralen sloot het meisje zich bij Jozefs gezelschap aan, en ging met hen mee.

 

Jeugd Jezus 276:1-23 (De heilige familie bij onderwijzer Dumas)

Toen Jozef zich na enkele on­deronsjes met de dokter over mo­gelijke timmerwerkzaamheden, weer op weg begaf, begeleidde de arts hem tot aan een volgende vriend, een onderwijzer te Naza­reth, die Dumas heette. Vandaar keerde de arts te­rug naar zijn huis, terwijl Jozefbij Dumas binnenging. Deze herkende hem echter niet direct; hij had zich namelijk zijn oude vriend geheel ontwend. Jozef vroeg hem derhalve, of hij hem echt niet meer herkende. Nu wreef Dumas zich over het voorhoofd en zei: 'Je lijkt wel veel op een ze­kere Jozef, die hier een jaar of drie geleden in moeilijkheden zat vanwege een bepaald tempelmeis­je, deze overigens zeer recht­schapen kerel moest in diezelfde periode ook naar Bethlehem om zich te laten registreren; hij is er bepakt en gezakt heengegaan. Maar wat er verder met hem gebeurd is weet ik niet. Op die mij zeer dierbare man lijk je wel bijzonder sterk, maar die zul je wel niet zijn, is het niet?' Jozef antwoordde: 'En als ik nu toch eens dezelfde zou zijn, zou je mij dan niet wat timmer­manswerk willen toevertrouwen? Je moet namelijk weten dat ik nu weer in mijn oude pachthoe­ve woon.' Toen Dumas dit van Jozef hoorde, zei hij: 'Ja, nu is het me weer dui­delijk: Jij bent het inderdaad, mijn oude vriend en broeder Jozef! Maar om 's hemelswil, waar kom je dan toch vandaan?' Jozef antwoordde hem: 'Broeder, geef mij eerst eens een natte doek om daarmee mijn voe­ten van het stof te ontdoen, dan zal ik je alles vertellen voor zover nodig!'

 

Dumas liet nu direct een natte doek brengen met een kruik water, waarna het gehele gezel­schap van Jozef zich zijn voeten waste, om vervolgens het leerhuis van Dumas binnen te gaan. Heel in het kort vertelde Jozef hier zijn driejarige geschie­denis. Intussen onderhield het Kindje Zich met enkele schoolkinderen, die daar juist aanwezig waren, en die lezen en wat schrij­ven leerden. Een van de schoolkinderen las meteen iets aan het Kindje voor, en maakte daarbij enkele fouten. Het Kindje glimlachte voortdurend en corrigeerde vlijtig de lezer. Dit viel de andere school­ kinderen allemaal op, en daarom vroegen zij het Kind je wanneer en waar Het dan wel zo goed had le­ren lezen. Het Kindje gaf ten ant­woord: 'Wel, dat is Mij zo aange­boren!”

Nu begonnen alle kinderen te lachen. Ze gingen naar Dumas en vertelden hem dat. Deze begon nu op het Kindje te letten en hij vroeg Jozef allerlei naar aanlei­ding van deze buitengewone ver­mogens van het Kind.

 

Jeugd Jezus 277:1-26 (Toespraak van het Kindje over de profeten en de filosofen)

Jozef, die bemerkte hoeveel moeite Dumas zich gaf om te ach­terhalen, waar dit Kindje zijn zeer bijzondere kwaliteiten vandaan had, zei tegen hem: 'Broeder, ik kan me nog goed herinneren dat je de Griekse wijsgeren bestudeerde; vaak heb je mij wijze uitspraken van Socra­tes geciteerd. Een van die uitspraken was bijvoorbeeld: een mens behoeft niets te Ieren, hij behoeft slechts zijn geest op te wekken om zich alles te herinneren. Zo zou hij dan alles ter be­schikking hebben wat hij nodig heeft"voor heel de eeuwigheid. Weet je nog dat je mij dat, als een wijze leraar van de jeugd, vaak hebt voorgehouden?! En, als jouw beginsel onge­twijfeld juist is, wat zou er dan nog verder nodig kunnen zijn?! Wat wij hier zien is dus niets anders dan een levende bevesti­ging van jouw stelling van Socra­tes. In dit Kind van mij is de geest al zeer vroegtijdig opge­wekt, door een bijzonder proces in zijn natuur, waardoor dit Men­senkind nu reeds genoeg ter be­schikking blijkt te hebben voor heel de eeuwigheid, zodat wij Hem derhalve dan ook niet meer hoeven te geven dan wat Hij van Zichzelf al heeft. Dit lijkt mij evenzeer juist als dat een en een samen twee zijn, vind je niet?'

 

Nu greep Dumas zich naar het voorhoofd, en met zekere pathos zei hij:  'Ja, zó is het; en ik ben dus degene, die de joodse domkop­pen een snuifje heb aangereikt van deze echtewijsheid!

Waarbij ik jou uiteraard niet insluit; want jij bent juist zo­wat de enige, met wie ik over die goddelijke Socrates, Aristoteles, Plato en anderen heb kunnen pra­ten! Ook wij hebben weliswaar enkele zeer grote figuren, zoals bijvoorbeeld de profeten en de eerste grote koningen van ons volk, maar voor toepassing in de praktijk zijn die niet zo goed bruikbaar als de Griekse wijzen van de Oudheid. Onze profeten bezigen namelijk steeds een spreekwijze, die zij zelf wellicht even moeizaam begrepen als wij het nu doen. Neen, dan zijn die oude Grieken heel wat anders: die zeggen tenminste hel­der en duidelijk waar het over gaat, waardoor zij dan ook, vooral voor de man van de praktijk, ui­termate nuttig zijn. Waarschijnlijk komt dat voornamelijk daardoor, dat zij ­net als ik -leraren van het volk waren.'

20. Nu moest Jozef toch wel even glimlachen, want hij zag nog heel precies die oude vereerder van de Grieken voor zich, maar tegelijk ook de zelfvoldane man, die op eigen roem uit was; maar, om zijn Kind je niet onder verdenking te brengen, liet hij het maar zo. Maar nu liep het Kindje Zelf naar Dumas toe en zei tegen hem: 'Maar beste vriend, ge zijt toch wel erg nevelig en ook dom als ge de joodse wijzen ten achter stelt bij de Griekse filosofen.

 

Want die eersten spraken uit God, terwijl die anderen redeneerden vanuit de wereld. Doordat gij nog zo volledig vol bent van de geest van de we­reld, en tegelijk zo leeg aan de Geest Gods, komt het, dat ge meer begrip hebt voor wereldse dan voor goddelijke zaken!' Dit betekende voor Dumas een geweldige opstopper. Hij nam zijn toevlucht tot een geleerde geeuwen zei slechts in het Latijn tegen Jozef: ' Dixit puer ille! Ergo autem intelligo eius ironiam quam acerbam. Dixi!' (Het is nog maar een knaap die dit zegt. Daarom vind ik zijn spot werkelijk wat scherp)  Vervolgens maakte hij zich uit de voeten en liet Jozef aan diens lot over; voor deze reden genoeg om verder te gaan.

 

Jeugd Jezus 278:1-21 (strijd met Archelaüs tolgaarders)

Eenmaal vertrokken uit het huis van Dumas, zei Jozef tot zijn reisgenoten: 'Luistert: we zullen moeten verwachten dat we overal een der­gelijk onthaal zullen krijgen. We moesten ons maar niet langer afgeven met het bezoeken van vroegere vrienden, kennissen en familieleden; bij Dumas heb ik nu wel vol­doende duidelijk ingezien, waar­toe de mensen in staat zijn als je hen ook maar iets te na komt. Ik voel er dus meer voor om naar huis terug te gaan. Zeg jij eens hoe jij erover denkt, dierba­re wederhelft?'  Maria antwoordde: ' Jozef, mijn geliefde gemaal, je weet, dat ik tegenover jou geen eigen wil heb, omdat jouw wil steeds ook de mijne is, zoals dat trouwens vol­gens de heilige orde des Heren ook behoort te zijn! Maar ik vind wel dat we, nu de Heer Zelf persoonlijk in ons midden is, Hem hierover ook die­nen te raadplegen!'

 

En Jozef nu: 'Maria, dierba­re echtgenote, daar heb je volko­men gelijk in; en dus zal ik dat dan ook onmiddellijk doen, dan zullen we precies te horen krijgen wat het beste zal zijn!' En spontaan zei het Kindje nu: 'Hoewel het overal goed zal zijn, toch zou het nog beter zijn om thuis te zijn. Want jullie moeten wel we­ten dat Mijn Tijd nog lang niet is aangebroken; maar als Ik dan al met jullie ergens heen ga, dan kan Ik mijn Godheid in al Zijn Vol­heid toch niet steeds zodanig ver­hullen, dat Die door de omstan­ders niet ervaren wordt. Daarom is het voor Mij nu thuis het beste,. want daar valt het het minst op wat er in Mij huist. Jozef, als u in de toekomst zakelijk ergens heen zult moeten gaan, ga dan dus maar liever met uw andere kinderen; en laat Mij maar mooi thuis; dan zult u door Mij het min­ste last ondervinden”

 

Dus begaf Jozef zich nu weer op weg naar huis. Maar daar aangekomen, vond hij tot zijn niet geringe verbazing zijn vier zoons die thuisgebleven waren in hevige woordenstrijd gewikkeld met een paar inspecteurs van Archelaüs. Deze aasvliegen hadden kennelijk al geroken, dat hier ie­mand zijn intrek had genomen; waardoor zij dan ook dade­lijk bij de hand waren om de be­lasting af te persen. Toen Jozefs zonen hen ech­ter wezen op het Romeinse vrij­domsbordje op de deur, werden zij kwaad en wilden het van de deur afrukken. Maar juist voor dat zou plaats vinden kwam Jozef, die de rovers meteen de vraag stelde, met welk recht zij dat wilden doen. Zij gaven ten antwoord: 'Wij zijn ambtenaren van de ko­ning en doen dit naar 's konings recht!' Maar Jozef zei: 'En ik ben ambtsdrager van de Almachtige God, en naar Diens Recht: maakt dat je wegkomt!' Een hevige schrik greep nu die snoodaards aan, zodat ze ijlings de vlucht na­men. Nadien werd hun huis door dergelijke boeven met rust gela­ten.

 

Jeugd Jezus 279:1-24 (Jonatha als visser aan het meer van Galilea getrouwd)

Er gingen nu twee jaren voorbij waarin zich niets opvallends in het huis van Jozef voordeed.  Cyrenius had wel bericht ontvangen van Jozefs verhuizing, maar hij kon hem desondanks niet bezoeken doordat hij in die tijd juist met staatszaken vanuit Rome overladen was. En Cornelius verging het ook niet veel beter; telkens als hij vakantie wilde nemen om Salome en zijn vriend Jozef te bezoeken, kreeg hij steeds de meest dringende zaken af te handelen. Dit had de Heer allemaal zo geregeld opdat het Kindje te Na­zareth onopgemerkter kon opgroeien. Zo was men dus zelfs te Na­zareth volkomen onkundig van het wezen van het Kindje. Alleen de reeds bekende arts trok, vanwege zijn wonder­kuren de algemene belangstelling. Dat was zelfs al zo spreek­woordelijk geworden, dat men placht te zeggen:  'Als je te Nazareth niet ge­zond wordt, dan genees je nergens ter wereld!'

 

Salome bleef inmiddels wel vol zorg om het gezin van Jozef waar mogelijk van dienst te kun­nen zijn; het Kindje hield Zich dan ook veel ten huize van Salome op. Toen er nu twee jaren voor­bijgegaan waren, kwam Jonatha eindelijk vanuit Egypte Jozef na, en bezocht hem. Jozef was bijzonder blij zijn vriend terug te zien, terwijl ook het Kindje vol vreugde om Zijn grote visserman ronddanste. Toen nu Jonatha bijna drie weken helemaal alleen -want de zijnen waren in Egypte allemaal aan een epidemie van gele koorts gestorven -in Jozefs huis had doorgebracht, vroeg hij Jozef of die hem niet zou willen helpen om hier in de buurt van Nazareth een visse­rijbedrijf op te richten. Bij deze gelegenheid stond het Kindje weer op, en zei tegen Jonatha: 'Weet je, beste Jonatha, de mensen hier zijn over het alge­meen kwaadaardig en heel egoïs­tisch, zodat hier voor jou niet veel te bereiken zal zijn! Ga liever naar het meer van Galilea, dat niet ver van hier ligt. Daar is het nog vrij vissen! Daar zul je gauw genoeg een goed plaatsje vinden, waar je de beste vis altijd gemakkelijk zult vangen. Als je die vis dan regelma­tig te Nazareth op de markt aan­voert, zul je een goede afzet vin­den!'

 

Jonatha volgde deze raad dadelijk op en na korte tijd maak­te hij aldaar kennis met een we­duwe, die aan het meer van Ga­lilea een huisje bezat. Deze weduwe vond Jo­natha direct al heel aardig. Zij nam hem in haar huis op, en schonk hem ook al spoedig haar hand. Zo werd Jonatha dus aan het meer van Galilea opnieuw een prima visser, die overal vanwege zijn redelijke prijzen prima zaken deed. Daarbij bleef hij steeds zijn uiterste best doen om zowel Jozef als Salome wekelijks een flink zootje fijne vis te bezorgen. Deze gebeurtenis was in die twee jaren de enige, die bijzonder gedenkwaardig was; verder is er tot dan toe niets gebeurd, dat de moeite van het opschrijven waard was.

 

Jeugd Jezus 280:1-25 (Het nu vijf jaar oude Kindje speelt bij een beekje)

Toen het Kindje nu vijf jaren plus enkele weken oud was, ging Het eens op een Sabbath naar een beekje, dat op geringe afstand van Jozefs pachthoeve stroomde. Het was een bijzonder hel­dere dag, en verscheidene kinde­ren vergezelden de kleine vrolijke Jezus daarheen. Alle buurkinderen hielden namelijk veel van Jezus, omdat Hij steeds vrolijk was en omdat Hij een groot aantal onschuldige kinderspelletjes wist te bedenken. Om die reden was het dan ook dat de buurkinderen Hem ook ditmaal in de beste stemming volgden. Toen het groepje bij de beek aankwam, vroeg het Kindje aan Zijn speelgenootjes of het eigen­lijk wel pas gaf om op Sabbath te gaan spelen.

 

De kinderen antwoordden: 'Kinderen beneden de zes jaar vallen nog niet onder de Wet, en wij zijn allemaal nauwelijks zes jaren oud; wij kunnen dus best op Sabbath gaan spelen; bovendien hebben onze ouders het ons nog nooit verboden. Het Jezuskind zei nu: 'Dat hebben jullie goed gezegd! Laten we dus een spelletje doen! Maar om desondanks nie­mand ergernis te geven, zal Ik jul­lie in Mijn Eentje eens iets heel bijzonders laten zien. Maar jullie moet je daar dan heel erg rustig bij gedragen!'  De andere kinderen zetten zich nu op de daar grasrijke bo­dem, en ze hielden zich heel rustig en muisstil. Nu haalde het Kindje een zakmesje te voorschijn en sneed daarmee in het naast het beekje platgetreden pad twaalf kleine ronde kuiltjes, die Hij met water uit het beekje vulde. Vervolgens nam Het wat zachte leem, die langs het beekje te vinden was, en, in minder dan geen tijd vormde Het daarvan twaalf vogeltjes, die op mussen leken. Nu plaatste Hij bij elk kuil­tje een musje. Toen die lemen mussen daar nu waren opgesteld, vroeg het Kindje Zijn speelgenootjes, of zij wisten wat dit betekende. Het antwoord luidde: 'Wat anders zou het kunnen betekenen dan wat het is? Twaalf kuiltjes vol water met daarnaast twaalf mussen van leem!'Het Kindje zei echter: 'Dat is juist, maar dit betekent ook nog iets heel ánders!

 

Luister, dan zal Ik het jullie uitleggen! De twaalf kuiltjes be­tekenen de twaalf stammen van Israël. Het zuivere water, dat erin is, stelt voor het Woord van God, dat overal Hetzelfde is. De dode lemen mussen beelden de mensen uit, zoals die nu over het algemeen zijn. Ook die staan namelijk vlakbij het levende water van het Woord Gods, maar omdat ze te aards zijn -net als deze mussen ­staan zij ook, net als deze, als dood bij deze bekkens vollevens­water; maar, doordat ze dood zijn vanwege hun zonden, willen en kunnen zij die niet waarderen. Dit is de reden, waarom de Heer God der Heerscharen nu komen gaat, en Hij deze dode mensen in de grootst mogelijke verdrukking opnieuw tot leven zal wekken, zodat ze weer kunnen opvliegen naar de wolken des He­mels.'

 

Een voorbijkomende aarts­wettische jood, die Jozef kende, bemerkte nu echter dat hier kin­deren aan het spelen waren. Hij holde onmiddellijk naar diens huis, waar hij ten overstaan van Jozef een boel kabaal maakte, omdat die de Sabbath zou hebben geschonden, door zijn kinderen toe te staan te spelen! Jozef ging dan ook dadelijk met hem mee naar de kinderen toe, alwaar hij, terwille van die vreemdeling voor de vorm optrad. Nu sprak het Kindje: 'Ook dit is zo'n grote verdrukkings­nood! Daarom schenk Ik jullie, lemen mussen nu het leven; vliegt op dan, weg van hier!' En plotseling stegen die lemen mussen op en weg vlogen ze! Alle aanwezigen werden hier­door koortsachtig verbaasd en de aartsjood wist óók niets meer te zeggen. Dit was het eerste wonder van het Kindje toen Het vijf jaren oud was.

 

Jeugd Jezus 281:1-24 (verwend en onaardig kind wordt door Jezus gestraft)

Bij deze gelegenheid kwamen er meerdere joden naar de plaats van het wonder, die uitermate nieuwsgierig aan Jozef vroegen, wat er daar nu eigenlijk precies gebeurd was. Onder hen waren ook de ouders van een jongetje, dat erg veel ruzie placht te maken, omdat het als enig kind door zijn ouders vreselijk werd verwend. Het Jezuskind had dit zeven­jarig jochie zijn twistzucht al dik­wijls verweten. Maar het had nooit iets ge­holpen en telkens wanneer zich daartoe een gelegenheid voor­deed, begon hij opnieuw te ruziën of speelgoed te vernielen.  Deze jongen, die ook dit­maal tot het gezelschap van de spelende kinderen had behoord, was na het wonder onmiddellijk zo opgewonden geraakt, dat hij een wilgentak had gepakt en ge­zegd: 'Lemen mussen, die weg­ vliegen, 't is de moeite waard! Met deze wilgentak zal ik nu onmiddellijk ook dat water eens laten wegvliegen!'

 

En met die woorden begon de jongen, die Annas heette, zo op het water in de kuiltjes te slaan, dat het uit de kuiltjes werd gedre­ven. Toen kwam er een eind aan het geduld van het Godskind, Dat op ongewoon ernstige toon zei: 'O jij, dwars, dwaas en boosaardig mensenkind! Wil jij, nauwelijks door vlees vermomde duivel, wil jij vernielen wat Ik heb gemaakt?!  Jij ellendeling, die Ik met minder dan een ademtocht kan vernietigen, jij wilt Mij dus erge­ren en telkens weer trotseren?! Wel, jouw dwaasheid en boosaardigheid moeten maar eens duidelijk aan het licht treden. Jij en je twijg, waarmee je Mijn wa­ter hebt geranseld zullen voor drie jaren verdorren!' En toen het Godskind deze woorden had uitgesproken, viel de knaap op de grond en hij ver­schrompelde zozeer, dat er aan hem nog slechts botten en vel te zien waren en  zo zwak ook was hij gewor­den, dat hij niet meer kon staan noch lopen!

 

Toen namen zijn ouders, treurig, hun verschrompelde kind op, en droegen het onder tranen naar huis. Kort daarna kwamen zij naar Jozefs huis, waarbij zij hem aansprakelijk stelden voor deze daad van zijn Kind; ze hadden hun beklag gedaan bij de opper­rechter! Zij zeiden dat daarom te hebben gedaan, omdat Jozef hen niet wilde toestaan zijn Godskind wegens deze daad te straffen. Toen nu de opperrechter op kwam dagen, liep het Kindje hem tegemoet en vroeg: 'Wat komt u hier doen? Wilt u Mij soms berechten?' De opperrechter          ant­woordde: 'Niet jou, maar je va­der!' Het Kindje sprak nu: 'Maak vlug rechtsomkeert, anders komt uw vonnis nog over uzelf neer!' Hiervan schrok de opper­rechter zozeer, dat hij plotseling rechtsomkeert maakte, en met deze zaak niets meer te maken wilde hebben! Dit was het tweede wonder, dat het Kindje deed in diezelfde tijd.

 

Jeugd Jezus 282:1-23 (de kleine Jezus wordt op misdadige wijze aangevallen)

Doordat de opperrechter geen klachten tegen Jozef meer in be­handeling wenste te nemen, was Jozefs huisgezin weer op orde. Jozef moest een dag of acht later naar een nabijgelegen dorp toe, waar hij op karwei geroepen was. Het Kindje wilde met Jozef mee, hetgeen Jozef met graagte toestond. De ouders van de ver­schrompelde jongen waren vrese­lijk kwaad op Jozef en op diens Kind. Nu moest Jozef, om naar het dorp te komen, aan het huis van de ouders van die jongen voorbij. Toen Jozef dus met het Kind je in de richting van het huis liep, werd hij opgemerkt. Vlug zei nu de kwade buur­man tegen een van zijn knechtjes, die al even boosaardig was, en die gewoonlijk de schapen van de buurman hoedde: 'Kijk, daar komt juist de timmerman het voetpad opgelo­pen met zijn pestilentie van een kind! Loop jij eens in volle vaart dat pad af en als je langs dat joch komt, die naast de timmerman loopt, dan ren je met groot geweld tegen hem op, zodat hij dood neervalt!

Als die oude spitsboef mij dan mocht willen aanklagen, dan zal ik hem de wet onder zijn neus houden, waarin staat, dat kinderen onder twaalf jaar niet toerekeningsvatbaar zijn!' Toen die herdersjongen dit van zijn baas had gehoord, waar­bij die hem ook nog een flinke beloning in het vooruitzicht stelde ingeval hij het Kind zou doden, rende hij haastig de kamer uit en Jozef tegemoet! Op dit moment sprak de verschrompelde zoon Annas van­uit zijn bed tegen zijn vader: 'Kijk eens hoe snel die her­dersjongen zijn dood tegemoet rent! Wat moet dat voor zijn ou­ders een verschrikking zijn! O vader toch! Dat had u niet moeten doen! Want zoals ik het nu zie zeg ik u: Jozef staat in zijn recht en zijn Kind is een Hei­lig Kind!'

 

Nu zweeg de verdroogde knaap, terwijl zijn vader over diens woorden aan het denken werd gezet. Maar op hetzelfde moment had de herders jongen het Kind je al met alle felheid een krachtige stoot tegen Diens schouder gege­ven. Het Kindje viel echter niet, maar zei in grote opwinding tegen de herdersjongen: 'Dit heb je om die beloning gedaan! Nu, iedere arbeider is in­derdaad zijn loon waard, en het loon zij naar werken! Jouw werk was het Mij te doden; daarom zij de dood dan ook nu jouw loon!' Op dat ogenblik stortte de herdersjongen dood neer!

Jozef schrok verschrikke­lijk, maar het Kindje zei: 'Jozef, over Mij hoef je niet in te zitten; wat hier namelijk met een jongen gebeurd is, dat zal heel de wereld overkomen, als die perse met ons botsen wil!' En overeenkomstig de wil van het Kindje, liep Jozef nu verder, terwijl hij de dode knaap liet liggen.

 

Jeugd Jezus 283:1-22 (De slechte buurman van Jezus tot zwijgen gebracht)

Toen Jozef het dorp bereikt had en daar het karwei bekeek drong het gerucht al achter hem aan tot het dorp door; met name werd het verspreid door de vader van de ineenschrompelde jongen, die in het dorp onmiddellijk de ouders van de gedode jongen kwam opzoeken en hen tegen Jo­zef ophitste. Die kwamen haastig en ver­twijfeld naar Jozef toe en schreeuwden tegen hem: 'Verdwijn van hier met je verschrikkelijk kind, van wie elk woord een volbrachte daad is! Kinderen behoren voor de mensheid steeds een zegen van Boven te zijn! Maar jouw kind is hier voor ons als een vloek gekomen! Verdwijn dus van hier, on­gelukstichter!' Op dit moment sprak het Kindje: ' Als wij dat zijn voor jul­lie, zijn jullie dan soms beter voor Mij?  Hebt u, vader van Annas, niet zelf de herdersjongen opge­dragen Mij te doden?! Hebt u hem zelfs niet een flinke beloning toegezegd als hij Mij doden zou?! Hij kon dit onge­straft doen, omdat hij nog niet onder de wet stond! En kijk, vroegrijp als Ik ben, heb Ik toen hetzelfde ge­dacht: Ikzelf sta ook nog bij lange na niet onder de wet; Ik wil die jongen dan ook direct zijn wel­verdiende loon geven! En als u Mij, of vader Jozef in Mijn plaats, voor het gerecht wilt dagen, dan zullen wij u de wet net zo goed weten uit te leggen! Kijk,dat heb Ik net als u ­gedacht en gedaan! Hoe zoudt u nu uw eigen handelwijze tegen­over ons plotseling billijk willen vinden?'

 

Door deze toespraak van het Kindje schrok de vader van Annas ontzettend; hem bleek daaruit namelijk onmiskenbaar dat dit Kindje zelfs de gedachten en geheime beslui­ten van de mensen doorgrond­de en dat men zich voor hem dus ten zeerste in acht moest ne­men! Dit had tot gevolg dat alle schreeuwers Jozef en het Kindje weer alleen lieten. Alleen de vader van het do­de kind bleef voor Jozef staan. Hij huilde om zijn jongen en zei: 'Do­den is geen kunst; maar levend maken! Derhalve mag niemand do­den, die niet tevens levend maken kan!' Nu sprak het Kindje: 'Dat zou Ik ook kunnen, als Ik dat wil­de; maar uw jongen was slecht, daarom wil Ik het niet!' Maar de vader smeekte nu het Kindje met zoveel overreding, dat het Kindje ten slotte zei: 'Nu morgen dan, maar vandaag niet!'

 

Jeugd Jezus 284:1-22 (Jozefs raad aan de vader van de dode herdersjongen)

Maar nu de vader van het dode kind eenmaal had vernomen dat het Kindje zijn zoon weer levend zou kunnen maken, wilde hij niet meer van het Kindje wijken. Dus zei Jozef tegen hem: 'Vriend, ik raad je aan niet zo op­dringerig te doen; dit Kindje heeft nu eenmaal Zijn eigen orde, en daar handelt Het naar! Hij laat Zich niet dwingen, ook niet door nog meer gehuil: Breng je jongen maar liever naar huis, en leg hem dan­ zoals je dat ook met een zieke zou doen - op een goed bed, dan zal het morgen zeker beter met hem gaan!' Na dit pleidooi van Jozef, verliet de vader van de dode jon­gen hem eindelijk om te gaan doen wat Jozef hem had aanbe­volen.

 

Pas daarna kreeg Jozef rust en gelegenheid om met de bouw­heer zijn contract te sluiten. Vervolgens ging Jozef weer naar huis terug, en toen Maria, Eudokia en Salome hem tegemoet kwamen, vertelde hij haar alles wat hem op deze korte tocht was overkomen. Alle drie waren zij hogelijk verwonderd over het feit dat men­sen zo slecht kunnen zijn. Maar het Kindje zei: 'Ver­wondert u niet over de slechtheid van de mensen; als je dat namelijk zou willen doen, dan zou er op de wereld heel wat te verwonderen zijn!' Salome zei nu tegen Maria: 'Zeg, verheven zuster, het is toch onbegrijpelijk: Het Godskind hoeft slechts Zijn heilige Mond open te doen, of steevast spreekt daar de ware wijsheid uit! Wat was dit woord weer on­voorstelbaar wijs en verziend!  O, wat ben jij toch enorm gelukkig, dat je moeder van zo'n Kind mag zijn!'

 

En het Kindje sprak: 'En jij ook Salome! Omdat jij voor je Heer een huis hebt mogen kopen, en er getuige van mag zijn, hoe Hij daar ook lijfelijk in woont! Want wat voor onderscheid is er dan wel tussen haar, die Mij gedurende korte tijd in haar li­chaam heeft geborgen, en mijn eigenlijke huis­vrouw, die Mij voor altijd in haar huis onderdak biedt? Want als een moeder een kind draagt in haar schoot, wat presteert zij dan wel voor het wordende leven, de wasdom en de geboorte?  Is dat niet allemaal een Goddelijk werk, waaraan de men­selijke wil niets kan doen? Zou het zelfs niet meer kunnen zijn, wanneer iemand een kind in zijn huis opneemt, en voor altijd verzorging en kost ver­schaft?! Waarlijk, Ik zeg je: allen, die Mij in de toekomst geestelijk in hun hart zullen opnemen, die zul­len voor Mij gelijk zijn aan mijn moeder, mijn broeders en mijn zusters!'

Deze woorden lieten allen diep in hun hart doordringen en tot nadenken verstild keerden al­len naar huis terug.

 

Jeugd Jezus 285:1-27 (De herdersjongen uit de dood opgewekt)

De volgende dag, op dezelfde tijd als die, waarop de herders­jongen moedwillig tegen het Kindje opbotste, kwam hij in zijn bed weer tot leven, stond op, en vroeg als iemand die zojuist uit een droom ontwaakt is, wat er ge­beurd was, en hoe hij in dit bed terecht was gekomen. Zijn vader vertelde hem al­les wat er gebeurd was en hoe hij daar was gekomen.  Toen werd de jongen vrese­lijk bang en zei: 'Maar vader, wat is dat een vreselijk kind! Ieder, wie zijn leven lief is, moet maar bij hem uit de buurt blijven! Zorgt u alstublieft dat ik er­gens hier ver vandaan een dienst­betrekking krijg, zodat ik nooit meer, bij wat voor gelegenheid ook met hem in aanraking hoef te komen! Hij zou mij immers onmid­dellijk wéér kunnen doden! Naar mijn vorige baas ga ik beslist niet meer terug; die heeft mij immers tot dat kwaad aange­zet!' Maar de vader sprak: 'Mijn zoon, ik dank God, dat ik jou nu weer terug heb. Wat mij betreft behoef je in  geen enkele dienst meer. Ik zal je veel liever bij mij houden, zolang ik leef!  Maar voor het Kind van Jo­zef behoeven we niet zo bang te zijn als jij denkt! Want het is juist dit Kind, Dat jou je leven heeft teruggege­ven, en dat ook nog op een voor­spelde tijd. En, als het dus zo gesteld is, hoe zou dan dat Kind van Jozef zo verschrikkelijk kunnen zijn als jij je het voorstelt? Weet je mijn jongen, hij die doodt en niet weer levend ma­ken kan, die is echt verschrikke­lijk. Maar wie doden kan zon­der bloedvergieten en ook weer levend maken kan, Die is beslist niet zo verschrikkelijk als jij denkt. Nee, dan weet ik iets veel beters: wij moeten maar naar Hem toegaan en dan de timmer­man bedanken voor jouw weder­opstanding! Want ik ken die timmer­man al heel lang als zijnde een volkomen rechtvaardig en god­vrezend man!'

 

Toen hij zijn vader zo hoorde spreken, liet de jongen zijn vrees varen en ging met hem mee naar Jozef. Maar reeds in het dorp kwamen zij hem tegen met zijn vier oudere zoons en met het Kindje, Dat ook weer met Jozef mee naar het dorp ging. Toen nu de jongen het Kindje zag aankomen, kreeg hij bijna een flauwte, want hij meende werkelijk andermaal te zullen moeten ster­ven. Maar nu kwam het Kindje Zelf meteen naar hem toe, en Het zei tegen de bange jongen: 'Joras, wees niet bang voor Mij; Ik houd namelijk meer van jou dan van de hele wereld! Want als Ik niet zo héél veel van jou zou houden, dan had je het leven niet terug gekregen, en Mijn Liefde betekent voor jou eeuwig leven!'

Toen de jongen het Kindje nu zo hoorde spreken, kwam hij al gauw in een betere stemming, zo­dat hij zelfs de hele dag met Hem bleef spelen! Op Zijn beurt liet het Kind­je de jongen kennismaken met een groot aantal zeer zinrijke spel­letjes, waaraan de jongen veel plezier beleefde.

 

Jeugd Jezus 286:1-30 (Foutief oordeel van de dorpsrechter over Jezus)

Maar toen Jozef de volgende morgen weer met zijn vier zonen in het dorp kwam werken en het Kindje weer was meegekomen,vervoegde zich een dorps­rechter bij hem, die als volgt tegen hem sprak: 'Luister eens, timmerman. Het is niet goed dat je steeds dat jongetje meebrengt; want in de eerste plaats heeft het een giftige uitstraling, en maakt het kinderen, die met hem in aanraking komen al gauw ziek, als ze al niet sterven, of doof worden of blind!' Bij het horen van deze leu­gen legde Jozef zijn bijl even opzij en diende de rechter als volgt van antwoord: 'Breng dan degenen, die dergelijk kwaad door mijn hoogst onschuldige zoon te lijden zouden hebben gekregen, eerst maar eens hier, dan ben ik bereid om met hen naar de Tempel te gaan, om die zaak door de hogepriester te laten beslechten!' Deze rechter was echter om­gekocht door de vader van de ver­schrompelde Annas. Hij zocht derhalve naar middelen om die jongen van Jozef zoveel mogelijk verdacht te ma­ken.

 

Na dit verweer van Jozef ging de rechter weg, maar korte tijd later al had hij in het dorp een groep zeer gebrekkige kinderen weten te verzamelen, die hij nu bij Jozef bracht. En toen hij weer terug was, zei hij tegen Jozef: 'Kijk hier maar eens! Dit hebben we allemaal aan dat giftige kind van jou te danken! Dit zijn kinderen, die vaak bij jouw kind op bezoek zijn ge­weest en met hem hebben ge­speeld; en dit zijn daar nu de heer­lijke vruchten van! Spaar dus lie­ver ons dorp en houdt ook die pest van je thuis!' Toen Jozef dit van de rech­ter had aangehoord, werd hij boos; hij nam het Kindje terzijde en probeerde op Zijn gemoed te werken; hij zei: 'Waarom doe Je toch zulke dingen? Deze lieden hebben daar immers van te lijden en ze haten en vervolgen ons daarom!' Maar het Kindje, daartegen ingaand, zei tegen Jozef: 'Wat u nu gezegd hebt, dat zijn geen woorden uit Mij, maar uit uzelf! Want u hebt nu de woorden van de rechter nagepraat, die een leugenaar is en geenszins Mijn woorden, die eeuwige waarheden zijn! Tegenover u wil Ik daar echter verder over zwijgen en u dit napraten niet verwijten, maar deze omgekochte rechter moet wegens deze aan­klacht wel een passende straf in ontvangst nemen!' En op hetzelfde moment was de rechter stekeblind. En al­len, die met de rechter hadden meegedaan schrokken ontzet­tend, toen zij dit moesten mee­maken. Velen onder hen geraakten in de grootste verwarring, en er werd geschreeuwd: 'Laten we maken dat we wegkomen van hier! Elk woord uit de mond van dit Kind is name­lijk direct een volbrachte daad!' Toen ook Jozef zag dat de rechter blind geworden was, wat hem, Jozef, wel eens een boel moeilijkheden zou kunnen ver­oorzaken, wond hij zich op tegenover het Kindje, nam Hem bij een oor en trok eraan om Hem, terwille van de mensen te bestraffen.

 

Maar het Kindje wond zich daar over op, en op ernstige toon zei Het tegen Jozef: 'Laat het u toch genoeg zijn dat zij zoeken, zonder ook te vin­den wat zij zoeken!  Ditmaal hebt u niet wijs gehandeld! Weet u dan niet dat Ik van u ben?  Hoe kunt u Mij toch be­droefd willen maken, Die van uzelf ben?! Dat mag u voortaan nooit meer doen hoor!' Nu zag Jozef zijn fout met­een in; hij tilde het Kindje op en liefkoosde Het. Nu vonden de omstanders het toch allemaal wel zo wijs om ervandoor te gaan uit grote angst voor het Kindje.

 

Jeugd Jezus 287:1-32 (Piras Zacheüs, de onderwijzer, wil het Kindje op zijn school)

Toen Jozef na ongeveer drie maanden het karwei in het dorp had afgemaakt, kwam bij hem een zekere Piras Zacheüs uit de stad op bezoek, waarbij hij tevens voor het eerst kennismaakte met het Kindje, waarover hij al heel wat had gehoord. Eigenlijk was hij veel meer vanwege het Kindje gekomen, al zei hij dat niet. Deze Piras Zacheüs was na­melijk in de stad een tweede onderwijzer, die weinig leerlingen had, maar die niettemin de stellige overtuiging had, de beste te zijn. En waarom kwam hij dan heimelijk vanwege het Kindje bij Jozef? Wel, omdat hij dacht: 'Dit moet een uiterst begaafde jongen zijn; ik wil trachten die op mijn school te krijgen, zodat - door diens vlotte vorderingen mijn leerlingen meer opvallen dan die van mijn mededinger!' Hij hield zich dan ook voor­namelijk met het Jezuskind bezig. Hij stelde Hem allerlei vragen, waarop hij dan steeds het meest afdoende antwoord kreeg, het­geen hem hogelijk verwonderde.

 

Nadat hij het Knaapje op deze manier had uitgehoord, wendde Piras Zacheüs zich tot Jozef en zei:' Broeder, die kleine van jou heeft voor zijn leeftijd een buiten­gewoon verstand. Echt, ik meen het: je hebt een geweldig pienter jochie;  het is jammer dat hij nog niet kan lezen en schrijven! Zou je hem niet bij mij op school willen doen, om hem bij mij te laten Ieren lezen en schrij­ven? Ik zal hem dan ook nog les geven in alle andere vakken, op­dat hij ook de Ouden leert kennen en bewonderen, en hen eren als zijn grootouders en ouders! Dan zou hij tegelijk kun­nen leren om zijn speelgenootjes te vriend te houden, want, naar verluidt, gaat hij daar nogal eens onbarmhartig mee om! En hij kan dan ten slot te ook de Wet van Mozes nog Ieren en de geschiedenis van het Gods­volk, alsook Gods Wijsheid bij de profeten!'

 

Jozef gaf die onderwijzer ten antwoord: 'Dat vind ik best, vriend en broeder! Maar vóórdat jij die jongen van mij op jouw school neemt, moet je hem, in het bijzijn van enkele hier aanwezige getuigen eerst eens een kleine proef afnemen. Je zoudt Hem bijvoorbeeld eens alle letters kunnen voorzeg­gen en de lettertekens duidelijk uitleggen, om Hem dan daarover vragen te stellen. Op die manier zul je dan uit hetgeen de jongen van jouw toe­lichting heeft opgestoken, het bes­te kunnen beoordelen, hoe het met Zijn talenten is gesteld!' De onderwijzer deed zulks nu direct. Hij zegde Hem de let­ters van Alpha tot Omega duide­lijk voor, en verklaarde daarbij zo goed hij maar enigszins kon de let­tertekens. Maar Jezus keek de onder­wijzer verbaasd aan, en toen die Hem vragen begon te stellen, zei Hij: 'Lelijke huichelaar van een onderwijzer! Hoe zoudt u nu aan uw leerlingen de letter Beta kun­nen Ieren, terwijl u zelf de bete­kenis van de letter Alpha nog nooit hebt begrepen?! Als u Mij de Alpha kunt uitleggen naar de maatstaven van de ware Wijsheid, dan zal Ik ook geloven wat u Mij over de letter Beta zult vertellen! Maar om u te doen inzien, dat Ik er geen behoefte aan heb om van u de letters te Ieren wat hun bouw, noch ook wat hun be­tekenis betreft, zal Ik u de ware betekenis van de letters wel even uitleggen!' En nu begon de kleine Je­zus het gehele alfabet uitvoerig aan de onthutste onderwijzer uit de doeken te doen en hem boven­dien ijverig steeds tussendoor te vragen of hij het wel begrepen had!

 

Maar elk antwoord van de onderwijzer kwam zo dom en on­toereikend over diens lippen, dat alle aanwezigen in schaterlachen uitbarstten. Toen de onderwijzer nu be­sefte hoe verbazingwekkend de wijsheid van het Kindje was, en tevens, hoe hij daar te schande was gemaakt, stond hij op en zei tegen de aanwezigen: 'Wee mij, arme stumper die ik ben! Ik ben volledig de kluts kwijt, zelf heb ik mij te schande en tot voorwerp van spot gemaakt! Ik heb mezelf schade berokkend door te willen dat dit Knaapje op mijn school zou komen! Broeder Jozef, wees zo goed de jongen bij mij vandaan te halen, want Zijn strenge blik en Zijn indringende taal houd ik niet langer uit! Deze jongen kan beslist geen aardse oorsprong hebben! Met Zijn wijsheid zal Hij nog wa­ter en vuur aan banden weten te leggen! Iedereen mag mij voortaan een nar noemen, als dit Kind niet lang voor de schepping geboren is! Alleen Jehova kan weten, wat voor een schoot Het heeft gedra­gen en welke moeder Het heeft gevoed!

 

Wee mij! Ik ben immers al een nar; ik kwam om een leerling te werven, maar een leraar heb ik aangetroffen, Wiens geest ik nooit zal kunnen evenaren! Vrienden, o voelt met mij de schande, die ik gevoel! Een grijsaard is door een jongetje voor gek gezet; dit zal nog mijn dood gaan worden! Daarom nogmaals Jozef, haal die jongen bij mij weg! Hij moet wel iets geweldigs zijn: als Hij geen god is, moet Hij een en­gel zijn!' Nu begonnen alle aanwezi­gen de onderwijzer te troosten; want nu hij zo in nood was hadden zij medelijden met hem gekregen.

 

Jeugd Jezus 288:1-28 (Jezus als hoogleraar in de natuurkunde)

Toen Jezus Piras Zacheüs zo vreselijk hoorde jammeren, glim­lachte Hij en zei: 'Als vruchten van jouw dwaasheden zullen nu degenen, die innerlijk verblind waren, gaan zien! Luister dus, jij dwaas, die Dumas alleen maar kunt zien als een doom in je eigen oog! Weet dat Ik van boven ben neergedaald om de mensen -voor zover zij naar wereldse maatsta­ven leven- e vervloeken, maar ook om jullie te verlos­sen, voor zover jullie bereid zijn te leven volgens de roeping van bo­ven, en volgens de opdracht van Hem, Die in Mij is, en boven Mij en boven jullie, en Die Mij daartoe uit zich­zélf in Mij heeft gezonden!'

 

Toen het Jezuskind deze toespraak beëindigd had, genazen plotseling in de wijde omtrek al­len, die door een of ander gebrek aan het ziekbed gekluisterd wa­ren! Dit wil dus zeggen, dat toen ook al degenen werden verlost, wier aardse bestaan ooit bij enige gelegenheid door een vloek van de kleine Jezus waren getroffen, met uitzondering van de jongen, die met verschrompeling was ge­slagen. Deze moest namelijk van­wege zijn vader de drie jaren die hem waren opgelegd onder de vloek van het Kindje vol maken. Piras Zacheüs stond nu op, ging met Jozef naar buiten, en zei daar tegen hem: 'Broeder, we zijn nu buiten en niemand kan ons afluisteren. Laat mij jou, beste broe­der, dus mogen verzoeken mij te willen zeggen, hoe het nu eigen­lijk met betrekking tot die jongen in elkaar zit, want, zoals ik al eerder op­merkte, kan dat beslist geen na­tuurlijk kind zijn!' Jozef sprak nu tot Piras Zacheüs: 'Vriend luister: als ik over de natuur van mijn jongen zou willen spreken, zou ik aan vele dagen nog te kort komen, bovendien staat het Kind ook mij niet toe om willekeurig uit de school te klappen. Maar kijk, daar komt de jongen juist naar ons toe! Vat moed en liefde tot Hem, dan zal het Kind je alles zeggen, wat te weten goed voor je is!'

 

En nu vatte de onderwijzer moed en liefde voor Hem op, en toen Het hen bereikt had, zei hij op vragende toon: 'Dag, lief wonderkind!' Het Jongetje antwoordde lachend: 'Weet u, als geleerde waar boven is en waar beneden? Want weet u, de aarde is bolrond en overal rondom wonen mensen en andere schepselen. Er wonen er beneden zowel als boven. Eenmaal per dag draait de aarde om haar as, zodat u dage­lijks vierduizend mijl verplaatst wordt; weet u nu wanneer u boven bent en wanneer aan de onder­kant?' Nu keek de onderwijzer wel heel erg verbaasd en hij wist niet wat hij op dergelijke onge­hoordheden zou kunnen antwoor­den. Het Jongetje moest om het domme gezicht van Piras Zacheüs lachen, en zei:'Wel, geleerde, hoe kunt u dan onderwijs geven, als u niet eens weet, dat alleen het licht in deze bepalend is?! Daar waar het licht is, is het boven, en waar het nacht is, is onder! Bij u is het nog nacht, dus bent u ook onder. Maar Ik ben altijd in de hoogste lichtsferen ge­weest; daardoor zult u Mijn licht­natuur in uw nachtelijke duister­nis wel evenmin kunnen vatten, als onze tegenvoeters, die nu nacht hebben, ons kunnen zien!' Vervolgens liep het Kindje weg.

 

Piras Zacheüs zei nu tegen Jozef: 'Zie je nu wel, nu weet ik nog precies even weinig als tevo­ren! Buitengewone taal hoor, spreekt die jongen! Laat mij nu maar alleen, dan kan ik daarover nadenken! ' En Jozef liet de on­derwijzer in de tuin alleen.

 

Jeugd Jezus 289:1-29 (de onderwijzer neemt de vlucht)

 Een vol uur lang dacht Piras Zacheüs na over de woorden van het Kindje, maar hij kwam er niet uit. 'Wat kan deze jongen dan toch zijn?' zei hij vele malen tegen zichzelf. 'Zou Hij Elia kunnen zijn' die nog eens terug moet komen? Of is hij Samuël of een of andere herrezen grote profeet? Hij is in Bethlehem gebo­ren en daar komt geen profeet vandaan! Wel moet vandaar de Mes­sias komen! Zou die jongen dan soms de Messias zelf kunnen zijn? Hij moet uit de stam van David zijn dan! En dan moet Jo­zef dus een rechtstreekse afstam­meling van David zijn, nu ja, een strikt geloofwaar­dig bewijs is er natuurlijk niet. Ogenschijnlijk is er wel veel vóór; maar wie kan zoiets als de­gelijk en overtuigend aannemen, zonder dat er een historisch bewijs voor is? En toch ben je, als je op de jongen zelf afgaat, haast genoopt het zo te zien. Maar die Romeinse vrij­domsbrief, die spreekt het weer helemaal tegen; want de Messias zal toch een krachtig tegenstander van de Romeinen moeten zijn! Maar hoe zou Hij dat nu kunnen zijn als hun vriendschap met de Romeinen zo groot is, dat die hen tot hun burgers hebben gemaakt?Mettertijd zou hij dan wel een groot veldheer voor Rome kunnen worden, een Messias voor de heidenen, maar voor ons een twee­snijdend zwaard, dat ons te gron­de zal richten! Als ik dat nu eens aan de hogepriester zou melden, dan zou dat wel zeer voordelig voor mij kunnen zijn!' Op dit moment kwam het Kindje met Jacob in de tuin terug, stapte naar de onderwijzer toe en zei tegen hem: 'Piras Zacheüs, u moet het maar uit uw hoofd zetten om Mij vóórtijdig aan de hogepriester be­kend te maken, dat zou namelijk uw dood betekenen, nog vóór u drie stap­pen zoudt hebben gezet! U hebt Mijn Macht proef­ondervindelijk vastgesteld; laat dat dus een duidelijk vermaan voor u zijn! Wat u overigens tegen uzelf hebt gezegd over een Messias voor de heidenen, dat is zeker niet van grond ontbloot; want zo zal het inderdaad gaan: een licht voor de heidenen en een oordeel over de joden en over alle kinderen van Israël!'

 

Dit ergerde de onderwijzer en hij zei dan ook: ' Als de zaken zó liggen, ga dan maar liever van ons weg en ga naar de heidenen!' Maar het Kindje antwoord­de: 'Ik ben een Heer en doe wat Ik wil; en u bent allerminst iemand, die hier de dienst zou kunnen uit­ maken! Zwijg dus maar liever en maak dat u wegkomt, anders zou u Mij nog dwingen u iets aan te doen!' Toen Piras Zacheüs dit van het Kindje gehoord had, stond hij vlug op en maakte dat hij weg­kwam, terug naar de stad. Zo werd Jozef verlost van een lastige gast en kon zich op­nieuw aan zijn zaken wijden.

 

Jeugd Jezus 290:1-27 (getuigenis van Zenon over het Kindje Jezus)

Na enige tijd trok de liefde toch weer de kinderen van de buren naar Jozefs huis evenals hun ou­ders, Met name gebeurde dat op de zogenaamde vóór-sabbath­dagen (vrijdagen), waarop vooral des namiddags weinig of niet ge­werkt werd. Op zo'n voor-Sabbath nu kwamen eens verscheidene buren met hun kinderen op bezoek. De meisjes vonden er het lieflijke gezelschap van de vijf meisjes van Cyrenius die bijzon­der vriendelijk en ook mooi en ijverig waren, en die reeds met heel wat dingen goed op de hoogte waren. Voor de jongens ging echter de lieve, vrolijke Jezus boven al­les. Want niet alleen leerde Die hun een massa bijzonder zinrijke spelletjes, die die jongens aange­naam bezig hielden; maar bovendien vertelde Hij hun vaak heel roerende geschie­denissen als gelijkenissen, zodat de kleine kinderen daarbij hele­maal oog en oor waren.

 

Ditmaal echter was het dak­terras (onoverdekte en met een balustrade omgeven verdieping van het huis) tot speelplaats geko­zen, omdat tengevolge van een onweersbuitje de grond buiten een beetje te vochtig was. Gedurende een poosje ging het heel rustig toe op het dakter­ras; de kleine Jezus vertelde toen namelijk enkele zeer spannende verhalen. Maar toen het tegen de avond liep werd het drukker op het dakterras, doordat Jezus een dobbelspelletje had georgani­seerd, waarbij af en toe gespron­gen moest worden. Bij de twaalf aanwezige jongens was ook een zekere Zenon; die knaap was een ver­woede gokker, die zijn medespe­lers de spaarcenten die zij bij zich hadden wilde aftroggelen door allerlei halsbrekende toeren voor te stellen. Ook nu haalde hij zo'n toer uit waarbij hij elf penningen inzet ­te, en dat tégen de wil van de Heer Jezus in. Het ging hierom, dat hij daarbij driemaal over de balustra­de van het dakterras zou lopen, zonder zijn evenwicht te verlie­zen. Zou hij inderdaad drie ke­ren rond komen, dan zouden de toekijkers, elfkinderen samen, elf penningen moeten toeleggen op zijn elf penningen; maar als hij zijn evenwicht zou verliezen en zou vallen, dan verloor hij zijn elf penningen.

 

De andere jongens gingen daarop in, en Zenon sprong met­een op de balustrade. Terstond werd hij een beetje duizelig, ver­loor zijn evenwicht, viel direct naar beneden en brak bij het neerkomen op de grond zijn nek, waardoor hij ter plaatse dood bleef. Nu kwamen de ouders van de dode jongen naar boven ge­rend. Door verdriet en boosheid verteerd grepen zij Jezus beet om Hem te mishandelen. Maar Jezus rukte Zich los en rende naar beneden naar de dode jongen, waar Hij heel luid nep: 'Zenon! Sta op om over Mij te getuigen tegenover je blinde ouders, of Ik je naar beneden heb gegooid en heb vermoord!' Onmiddellijk kwam de do­de jongen overeind en zei: 'O neen Heer, U hebt mij helemaal niét naar beneden ge­gooid en gedood, veeleer was mijn winstbe­jag daaraan schuld en mijn onbe­hoorlijke haast!. En toen ik door mijn eigen zonde was gedood, toen kwam U, Heer, en gaf mij het leven terug.' Toen de ouders van Zenon dit getuigenis hoorden, lagen ze al gauw voor Jezus op hun knieën om Gods kracht in het Jezuskind te aanbidden.

 

Jezus echter zei tegen Ze­non: 'Laat dit een les voor je zijn, en doe voortaan niet meer van die gekke spelletjes, die de dood kun­nen veroorzaken, en herinner je, dat Ik het je had afgeraden!'

Vol dankbaarheid lieten de ouders van Zenon hun tranen de vrije loop en gingen naar huis te­rug.(Dit was overigens een pro­fetische verwijzing naar de latere Judas Iskariot, hetgeen gemakke­lijk is in te zien.)

 

Jeugd Jezus 291:1-23 (buren zoeken raad bij Jozef als vriend van Cornelius)

Op een andere keer­ ook weer op een voor-Sabbath -kwamen er weer verscheidene buren met hun kinderen bij Jozef om zich daar met hem te beraden over een aan­tal problemen, waar ze nogal over inzaten; deze buren wisten namelijk dat Jozef op zeer goede voet stond met de stadhouder. In die tijd kreeg Jozef ook een brief uit Tyrus, en wel van Cyrenius, die zodra hij uit Rome te Tyrus was teruggekeerd, infor­meerde naar het welzijn van Jozef en in het bijzonder van de kleine Jezus. Van deze brief wisten de bu­ren niets af, evenmin als zij wisten dat Jozef zo 'n dikke vriend was van de stadhouder Cyrenius. Jozef dacht nu echter met de brief op de proppen te moeten ko­men, om zijn buren daarmee enigszins te troosten: hij wilde hen daarmee name­lijk laten zien hoe hij zich voor hen bij de landvoogd zelf zou kun­nen inzetten tegen de pachtko­ning; en daarom met te meer kans op succes, omdat Eudokia en de vijf meisjes geheel aan Cyrenius behoorden.

 

Vlug wendde het Kindje Zich nu echter op heftige toon tot Jozef en zei: 'Jozef, Jozef zóiets mag je nooit meer doen, want Ik ben de Heer! Als je die brief laat zien, dan zal Ik de Aarde weten te tref­fen; want Ik ben de Heer ook over Rome, en niet Cyrenius, en ook niet keizer Augustus! Ik zeg je dit: als dit volk beter was dan zijn pachtkoning, dan zou Ik die Archelaüs wel we­ten te vinden! Maar nu dit volk geen haar beter is dan hij, moet het zijn last maar dragen in de vorm van die pachtkoning, die net zo'n gie­rigaard is als het hele volk! Heette het niet: Oog om oog, tand om tand enz.?! Zo moet het dan óók maar heten: hebzucht om hebzucht, afgunst om afgunst! Als zodanig is Archelaüs in feite een goede arts voor dit hard­vochtige volk; hij moet dus maar blijven zoals hij is, tot aan zijn einde!' Deze rede ontstemde de buren. Zij zeiden dan ook:  'Mooi voorbeeld van een Messias zou dat zijn! Ons geeft hij een uitbran­der, maar de heiden Archelaüs looft hij!'

 

Maar nu stampte het Kindje met Zijn hak op de grond en zei: 'Beef Aarde! Opdat uw blinde kinderen ervaren dat Ik uw Heer ben!' En plotseling schoot er vuur uit de Aarde op de plaats waar Jezus had gestampt, terwijl de grond vreselijk beefde! Nu schrokken de aanwezi­gen en zeiden: 'wat is dit toch voor een kind, dat zelfs de aarde voor Hem beeft?! Laten we maar weggaan, want bij dit Kind is het niet goed toeven!' En vlug lieten ze Jozef in de steek en renden weg. En zo werd Jozef opnieuw aan een groot gevaar onttrokken.

 

Jeugd Jezus 292:1-22 (de zesjarige Jezus wekt verongelukte ijdele knecht Salome op uit de dood)

Toen Jezus ruim zes jaar was had Salome eens een boom, die al ver heen was, laten omhak­ken om hem daarna door haar oud knechten te laten stukzagen en tot klein hout te kappen, dat ze dan als brandhout wilde gebruiken­. Bij deze gelegenheid pochte een jonge knecht hevig op zijn ijver en zei tegen zijn drie mak­kers: 'Als jullie dat hakwerk aan mij over willen laten, zal ik met die hele boom net zo vlug klaar zijn als jullie met z'n drieën!' Zijn maats gunden hem die eer maar al te graag. Nu pakte hij zijn scherpe bijl en hakte er met grote ijver op los. Maar in zijn overmoed sloeg hij een keer mis, waarbij hij in plaats van het hout zijn voet raak­te, die hij van de teen tot de hiel in tweeën spleet. Hij viel op de grond en schreeuwde om hulp. Nu drong weliswaar iedereen dadelijk om hem heen, maar er was niemand, die verbandmiddelen bij zich had. Het gevolg was dat de jon­geman doodbloedde. Nu werd men ook ten huize van Jozef opmerkzaam op dat ge­schreeuw en gejammer bij het dichtbij gelegen huis van Salome.

 

Ook Jezus holde erheen en drong tussen de omstanders door tot Hij bij de inmiddels overleden knecht stond. Snel greep Hij de gespleten voet van de dode en drukte die krachtig aaneen, en zo genas hij die meteen. Toen die voet aldus gene­zen was, greep Hij de hand van de dode man en zei: 'Luister, ijdele jonge kerel: Ik zeg je: sta op en ga verder met houthakken!

Maar je ijdelheid moet je voor de toekomst wel de baas blij­ven, zodat je nooit meer op je neemt dan je aankunt, dan zul je je in de toekomst gemakkelijk kunnen behoeden tegen dergelijke ongelukken. Je makkers hebben hun werkkracht ook van God gekre­gen, zodat je die nooit en te nim­mer te schande mag maken! Als een van je maats met opzet lui en traag is, dan zal de Heer hem heus wel weten te vin­den. Het is echter nooit aan jou om hem dan door overdreven ijdele ijver tot rechter te willen zijn!'

 

Nu kwam de jonge knecht weer volkomen hersteld en krach­tig overeind en zette het houthak­ken voort.  De aanwezigen echter vie­len allen op hun knieën en zeiden: 'De Kracht Gods zij in jou geloofd en geëerd; want de Heer heeft je al op zeer jeugdige leeftijd met alle goddelijke kracht ver­vuld!' Maar Jezus liep weer vlug terug naar huis, want het ging Hem niet om menselijk eerbe­toon.

 

Jeugd Jezus 293:1-24 (Maria 's relikwie was Jezus een doom in het oog)

Maria was nog steeds in het be­zit van de kruik, waarin zij water had gehaald toen de engel haar de blijde boodschap bracht. Zij was op deze kruik zo bij­zonder gesteld, dat ze hem zelfs als een heilig voorwerp vereerde. Zij had er zelfs bezwaar te­gen als iemand uit die kruik wilde drinken. Nu was Maria op een keer, ongeveer acht dagen na het won­der bij Salome, met Jezus alleen thuis. Zij was bezig met het wassen van linnengoed, waarvoor ze schoon water nodig had. Maria ging dus naar Jezus en zei tegen Hem: 'Je zou best eens een kruik met schoon water voor mij kunnen halen, hier heb je de door jouzelf geheiligde kruik daarvoor!' Jezus nam de kruik aan en liep ermee naar de bron, waar Jo­zef juist met de andere kinderen een karweitje verrichtte. Jezus stootte bij de bron de kruik een beetje te hard tegen een steen en daar lag toen de kruik in vele scherven op de grond.

 

Een van de meisjes had dat gezien en zei: 'O wee, o wee toch! Nu zul je het hebben: de heilige kruik van onze meesteres is naar de maan! Jezuslief, waarom heb je niet wat beter uitgekeken? Nee maar, wat zal je moe­der nu grienen! Jij kunt je daar alvast op verheugen zeg!' Het scheen echter dat die opmerking Jezus wat hinderde, want Hij zei tegen het meisje:. 'Gaat het jou iets aan wat Ik doe? Zie jij maar dat je klaar komt met je spinwerk!  Ik weet best hoe Ik Maria, ondanks die gebroken kruik, vol­doende water kan brengen!' 'Dat wil ik wel eens zien,' zei het meisje, hoe Jij zonder kruik schoon water naar huis kunt bren­gen!'  Nu pakte Jezus aanstonds Zijn kleine rode mantel bij de vier punten bijeen, schepte er water in en droeg dat, zonder daarbij één druppel te verliezen, naar huis en naar Maria. Dit was zo'n wonderlijk ge­zicht, dat ze nu allemaal achter Hem aan kwamen.

 

Toen Maria dat zag, schrok zij hevig en zei: 'Maar kind toch, wat is er met de kruik gebeurd?'

Jezus antwoordde: 'Nou kijk, die was Mij allang een doorn in het oog! Ik probeerde daarom haar wonderkracht aan een steen, en toen bleek die er niet te zijn, zodat ze onmiddellijk in stukken brak! Maar nu dacht Ik zo: dat waar Ik ben, dat Ik dáár toch be­langrijker ben dan zo'n domme kruik, die immers geen haar beter is dan elke andere!' Hier had Maria geen ant­woord meer op, maar wel grifte zij deze woorden diep in haar hart. En het meisje zei nu dan ook maar niets meer; want zij had Jezus lief.

Tot haar zei Jezus nu: 'Kijk, zó beval je Mij beter, dan wanneer je onnodig je tongetje roert!' Het meisje aanvaardde tevreden deze kleine uitbrander en begon vervolgens ijverig haar garen te spinnen.

www.zelfbeschouwing.info