Terugkeer van Egypte naar Nazareth

 

Vervolg: de jeugd Jezus 257:1-25

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Jozef zei nu: 'Dus jij denkt dat de Heer dat zal doen?' Jacob antwoordde: 'Vader, zo heb ik het zojuist in mijn bin­nenste vernomen: ‘Deze nacht nog zal Ik je in een heldere droom Mijn Engel zenden; hij zal je Mijn wil bekend maken en zoals die het je zal aan­zeggen, zo moet je overeenkom­stig diens woorden dan direct han­delen"!' Toen Jozef dit van Jacob vernomen had, ging hij naar bui­ten om tot God te bidden, waarbij hij Hem dankte voor deze mede­deling vooraf door de mond van zijn zoon Jacob. Jozefbad langdurig en vol­hardend; pas na drie uren ging hij terug naar huis om te rusten. Toen hij nu zo op zijn bed lag te slapen en zijn vermoeide ledematen rust gunde, verscheen hem in een droom de Engel des Heren, die tot hem zei: 'Sta op, neem het Kind en Zijn moeder mee, en trek met hen naar het land Israël; want zij, die het Kind naar het leven stonden, zijn gestorven!' Toen Jozef dit vernomen had, stond hij dadelijk op en stel­de hij Maria ervan op de hoogte. Deze zei: 'De wil des Heren geschiede altijd en in eeuwigheid! Maar je spreekt slechts over ons drieën? Moeten jouw kinderen hier achterblijven?' Jozef sprak: 'Wel nee, vol­strekt niet; wat de engel tegen mij zei, geldt uiteraard voor heel mijn gezin! Op deze wijze sprak de Heer immers vaak tot de profe­ten, als ging het uitsluitend over hen.’ Niettemin ging het in die toespraken van de Heer altijd over heel het Volk!' Dit werd door iedereen be­grepen, zodat de zonen vlug naar buiten gingen om alles voor het vertrek klaar te maken.

 

Stomverbaasd kwamen zij echter weer terug; want alles stond al voor het vertrek gereed: er stond voor ieder afzonderlijk een ezel klaar, bepakt met alles, wat je op reis maar kunt nodig hebben. Jozef droeg alle staande en onroerende zaken over aan Jo­natha, die daar die nacht logeer­de, hij zegende hem en bezwoer hem over een jaar naar Nazareth te komen. Ook het Kindje zegende hem en kuste hem. Jonatha ween­de vanwege dit plotselinge ver­trek. De zon was nog lang niet opgegaan, toen Jozef en de zijnen de lastdieren bestegen en landin­waarts wegtrokken.

 

De terugkeer uit Egypte

Matthéus 2:19-23 19 Toen Herodes nu gestorven was, ziet, de engel des Heeren verschijnt Jozef in den droom, in Egypte. 20 Zeggende: Sta op, neem het Kindeken en Zijn moeder tot u, en trek in het land Israels; want zij zijn

gestorven, die de ziel van het Kindeken zochten. 21 Hij dan, opgestaan zijnde, heeft tot zich genomen het Kindeken en Zijn moeder, en is gekomen in het land Israels. 22 Maar als hij hoorde, dat Archelaus in Judea koning was, in de plaats van zijn vader Herodes, vreesde hij daarheen te gaan; maar door Goddelijke openbaring vermaand in den droom, is hij vertrokken in de delen van Galilea. 23 En [daar] gekomen zijnde, nam hij zijn woonplaats in de stad, genaamd Nazareth; opdat vervuld zou worden, wat door de profeten gezegd is, dat Hij Nazarener zal geheten worden.

 

Jeugd van Jezus 258:1-22 (aankomst in het vaderland)

Na tien zeer vermoeiende reis­dagen kwamen Jozef en de zijnen behouden in het land van Israël aan, en hielden een rustpauze op een berg bij een paar mensen die daar woonden en van veeteelt leefden. Hier won Jozef over zijn va­derland zoveel mogelijk inlichtin­gen in. Toen hij nu van die mensen hoorde dat Archelaüs zijn vader Herodes was opgevolgd, en dat die nog wreder dan zijn vader zou zijn, werden Jozef en al de zijnen door grote angst bevangen. Hij overwoog alom terug te keren en opnieuw naar Egypte te trekken, of anders naar Tyrus. Want hoewel hij reeds in Egypte uit Jacobs mond had ver­nomen dat Archelaüs nu in Jeru­zalem regeerde, had hij nog niet eerder ge­hoord, dat die nog wreder dan zijn vader zou zijn. Deze boodschap maakte Jo­zef hier zo angstig, dat hij rechts­omkeert wilde maken. Weliswaar zei Maria nog te­gen hem: 'Jozef! De Heer heeft ons immers bevolen om op reis te gaan, waarom zouden wij dan de mensenkoning Archelaüs meer vrezen dan de Heer?' Jozef antwoordde echter: ‘ Ja Maria, lieve, dat vraag je te­recht, maar ik weet nu wel dat de wegen des Heren vaak bijzonder duister, moeilijk te begrijpen zijn, en ook weet ik, dat de Heer de Zijnen - sedert Abel reeds - veel­al door de dood voert! Daarom ben ik nu dan ook bang, dat de Heer ook mij door de dood wil voeren. En, hoe meer ik denk aan die wreedheid van de nieuwe ko­ning, des te meer groeit dat ang­stige vermoeden van mij tot waar­schijnlijkheid. Daarom heb ik dan ook be­sloten om morgenochtend weer om te keren. Als het de Heer dan werke­lijk om onze dood te doen is, laat Hij dan liever leeuwen, tijgers en hyena 's op ons afsturen dan die Archelaüs!'

 

Jozef was dus vastbesloten om weer terug te gaan. Maar 's nachts kwam nu de Geest des Heren Zelf over Jozef in een droom.  En nu kreeg Jozef van God Zélf het bevel om naar Nazareth te trekken. Dadelijk stond Jozef nu op en vertrok al heel vroeg. Diezelfde dag nog bereikte hij de plaatsjes van het land van Galilea. En in de avond van diezelf­de dag ook kwam hij te Nazareth aan, waar hij zich blijvend vestig­de, opdat vervuld zou worden wat de profeet had voorzegd: 'Hij zal Nazarener genoemd worden!'

Opmerking: dat Hij Nazarener zal geheten worden. Dit ziet of op de plaats Richt. 13:5,7, waar Simson als een voorbeeld van Christus gezegd wordt: Hij zal een nazireër, dat is verloofde Gods, zijn; of, hetwelk het waarschijnlijkst is, Jes. 11:1, en Jes. 60:21, waarChristus netzer, dat is, een spruit genaamd wordt, van welk woord de stad Nazareth haar naam heeft. God heeft gewild dat Christus, bij gelegenheid van deze zijn woonplaats Nazarenus zou genaamd worden, als een spruit, die uit zijn plaats voor zijn Vader opwast, Jes. 53:2; Jer. 23:5, en Jes. 33:15; Zach. 6:12

Jeugd van Jezus 259:1-31 (De kleine karavaan door Cornelius ontdekt)

Maar waar in Nazareth vestigde Jozef zich nu? Waar steeg hij af? Waar ging hij binnen? In de eerste hoofdstukken, waarin van Jozefs vertrek van Bethlehem naar Egypte sprake was, is verteld, hoe Jozef de rijke Salome te Bethlehem had ge­vraagd om de pacht van zijn hoeve bij Nazareth voor hem te verlen­gen. Heeft Salome dat gedaan? Ja, dat had zij gedaan; maar zij deed niet slechts wat Jozef wilde, maar zij heeft die pachthoeve zelfs aangekocht, en wel met een twee­ledige bedoeling: ten eerste om, ingeval Jozef, of een van diens kinderen ooit zou terugkeren, die dan in het vrije bezit daarvan te stellen, of anders deze voor haar zo heilige hoeve als een aandenken aan de Heilige Familie zelf te be­houden. Zij hield deze hof namelijk voor een zo voornaam heiligdom, dat zij zichzelf niet waardig achtte daarin te gaan wonen of nog min­der er huurders in te nemen. Maar om niettemin in de na­bijheid van deze bezitting te kun­nen leven, kocht zij er een belen­dende akker bij, waarop zij een aardig huisje liet bouwen, waarin zij zelf met haar bedienden ging wonen, en waar zij ook meerma­len door Cornelius werd bezocht. Nu wilde het toeval dat Cor­nelius op de terugtocht van een dienstreis Salome een bezoek bracht, juist op de dag dat Jozef in Nazareth terugkeerde!

Het was een heerlijke avond met volle maan, en er was geen wolkje aan de lucht. Omdat het zo'n mooie avond was begaf Salome zich met Cornelius op het dakterras van haar mooie huisje, dat vrij dicht aan de hoofdweg was gelegen, en dat, op een afstand van ongeveer 140 meter in oostelijke richting, uitzicht bood op Jozefs hof. Herhaaldelijk wierpen zij beiden een blik op de voormalige woning van de Heilige Familie, en Cornelius zei dikwijls: 'Salome, ik zie die ver­schijning in Bethlehem nog steeds levendig voor me, als in een ver­rukkelijke uiterst verheven droom, en deze hof herinnert mij daar voortdurend aan. Maar, die verschijning te Bethlehem was tegelijk van een zo wonderlijke grootsheid, dat ik er steeds minder van begrijp naarge­lang ik er meer over nadenk.’

En Salome zei dan op haar beurt: ' Ja vriend Cornelius, ook ik kan maar niet begrijpen dat ik bij de grootte van deze gebeurtenis­sen zelf nog in leven kon blijven! En dan is er tussen jou en mij ook nog dit verschil, dat ik, zonder er iets tegen te kunnen doen, voortdurend dat Kind in mijn hart moet aanbidden! Terwijl jij die hele geschie­denis alleen maar kunt zien als een buitengewoon verheven gebeur­tenis. Ik heb dan ook al vaker het idee gehad dat als die familie hier ooit nog eens zou terugkeren, ik het van pure zaligheid zou bester­ven!  Stel toch eens, dat zij daar tegenover mij zouden wonen, in die hof mijn God, wat voor gevoelens zou dat in mij losma­ken! Werkelijk voor mij zou dat dan op dit dakterras de hemel der hemelen betekenen.

En Cornelius zei: ' Ja, je hebt gelijk, ook voor mij zou dat een ideaal zijn! Maar, stel nu eens het ge­val, dat die allerverhevenste go­denfamilie hierheen zou komen, en wij hen uit de verte reeds zou­den herkennen, wat zouden we dan nu moeten doen?'

Salome sprak: '0 zeg dat niet vriend; ik zou sterven van ge­luk!Terwijl die twee zich op de­ze, Gode welgevallige wijze daar op dat dakterras bezighielden, het was inmiddels al tamelijk laat ge­worden, bemerkte Cornelius op een afstand van zo'n vierhonderd me­ter een stel reizigers -je zou het een kleine karavaan kunnen noe­men­ en zei tegen Salome: 'Kijk daar eens, zo laat op de avond nog, een groep trekken­de reizigers. Zouden het Grieken zijn, of joden misschien? Salome, wat zou jij nu doen als dat nu eens die heilige familie zou zijn?' Salome schrok van die vraag en zei: 'Ik smeek je: spreek niet steeds over dat onderwerp; je moet in mij niet alsmaar wensen oproepen, die toch niet kunnen worden vervuld! Wat zou jijzelf wel doen op zo'n toppunt van zaligheid?' Cornelius antwoordde: 'Nu, eerlijk gezegd zou ik er dan ook slecht aan toe zijn! Maar kijk eens, de karavaan houdt stil en ik zie een van hun mensen regelrecht op ons afkomen! Kom, laten we gaan kijken wie dat is!' Ze gingen die man dus te­gemoet. Nu was die man een van Jozefs zonen, die met een kruik naar hun huis toekwam om water te vragen.  Zij herkenden hem echter beiden niet; dat wilde de Heer na­melijk zo omwille van hun welzijn.

 

Jeugd Jezus 260:1-22 (Jozef wil met de zijnen in de open lucht overnachten)

Toen Joël water had geput, vroeg hij beiden hoe ver het nog was naar Nazareth. Cornelius antwoordde: 'Kijk dáár vriend, dan zul je de stads­muren nog gemakkelijk gewaar worden!

Een kind zou het in een kwartiertje kunnen lopen; prak­tisch gesproken ben je dus al in Nazareth.' Joël bedankte voor de inlich­tingen en liep met zijn waterkruik terug naar zijn gezelschap. Toen hij daar was aangeko­men, vroeg Jozef hem onmiddel­lijk welke inlichtingen hij bij dat huisje gekregen had. Joël zei: 'Een vrouwen een man deden heel vriendelijk tegen mij. Ze hebben water gegeven en mij verteld, dat we hier al voor de stad Nazareth staan. Ik zou zo denken dat, als dat de stad is, dat we dan beslist niet ver van onze pachthoeve kunnen zijn.' Jozef antwoordde: 'Beste jongen, daar heb je wel gelijk in, maar weet jij, wiens eigen­dom die nu - na drie jaren -is? Zouden we in onze voor­malige woning terecht kunnen?  Daarom zullen we  hier weer onder de blote hemel moe­ten overnachten, dan kunnen we morgen trachten uit te vinden waar we ons zullen kunnen vesti­gen. Maar ga nu eerst eens met je broers op zoek naar wat hout en vuur! Het is hier boven in dit bergdal tamelijk fris; we moeten daarom een vuurtje stoken, dan kunnen we ons daarbij een beetje warmen!' De vier jongens gingen nu nog eens naar hetzelfde huisje toe, waar zij het tweetal nog op vonden.

 

Zij deelden Salome hun verzoek mee en vroegen haar om wat hout en om vuur. Zowel Salome als Corne­lius vroegen nu, wat voor lieden zij dan eigenlijk wel waren, of ze wel te vertrouwen waren. De jongens zeiden: 'Wij komen uit Egypte; we zijn de eer­lijkste mensen van de wereld. Het is onze bedoeling hier in Nazareth een woning te kopen. Van afkomst zijn we name­lijk zelf Nazareners; door om­standigheden waren we echter ge­dwongen drie jaren in Egypte door te brengen. Nu die omstandigheden  zijn opgeheven, zijn we weer te­rug om hier opnieuw een woning te zoeken’. Toen de beide vragenstel­lers dit hoorden, gaven zij hun da­delijk een flinke partij hout en ook vuur, en de zoons brachten dat naar Jozef. Jozef liet het hout direct aansteken, zodat ieder zich bij het vuur kon warmen.

 

GJE 261:1-20 (Salome door de hernieuwde kennismaking overrompeld)

Salome en Cornelius begonnen nu echter koortsachtig na te den­ken over dit uit Egypte afkomstige reisgezelschap. Cornelius zei: 'Deze vier mannen zien er nog niet oud uit, en, als ik het goed heb gezien, lij­ken ze veel op de zoons van die wonderbaarlijke man, met wie wij in Bethlehem beiden van doen hadden. Ook hun uitspraak is typisch Nazareens! Zeg, geachte vriendin, die wonderbaarlijke man­ hij heette Jozef - is immers naar alle waar­schijnlijkheid ook naar Egypte geëmigreerd; dat heb ik althans uit de brief van mijn broer uit Tyrus begrepen. Stel nu eens dat dit dezelfde Jozef zou zijn? Moeten we eigenlijk niet eens naar die lieden toegaan om ze eens goed te bekijken! Het zou toch kunnen, dat het de bewuste mensen zijn! Moeten wij hen in dat geval niet onmiddellijk zo gastvrij mo­gelijk ontvangen?' 

Toen Salome deze veronder­stelling beluisterde, viel zij bijna flauw van verrukking en zei: ' Ja vriend, je zult wel gelijk hebben, het zal wel zo zijn; dat is ongetwijfeld die heilige familie! Mijn personeel moet on­middellijk opstaan en met ons mee naar hun rustplaats gaan!' Salome ging dus haar per­soneel wekken.  Een half uur later was in Salome's huis iedereen in actie.  Toen dan alles klaar was zei Cornelius tegen Salome: ‘Laten we nu maar gaan zien wie er achter deze familie schuilgaat!' Salome riep nu iedereen in huis bij elkaar en heel dat gezel­schap trok dus naar de plek, waar Jozef en de zijnen bij een getem­perd vuurtje lagen te rusten.

16. Toen zij daar aankwamen merkte Cornelius op: 'Salome, kijk eens naast het vuur, is dat niet de jeugdige Maria, Jozefs vrouw met haar kindje? En die oude man daar, zeg eens, is dat niet Jozef, die won­derbaarlijke man, die we in Beth­lehem hebben leren kennen?!' Nu sperde Salome haar ogen wijd open en staarde aan­dachtig in die richting, en de een na de ander herkende zij degenen, die Cornelius haar aanwees. Maar nu was het dan ook gebeurd met Salome! Ze viel in onmacht; Cornelius had de groot­ste moeite om zijn gezellin weer bij te brengen.

 

Jeugd van Jezus 262:1-22 (De vermoeide reizigers trekken hun oude huis weer binnen)

Toen Salome uit haar verruk­king was bijgekomen, zei ze tegen Cornelius: 'Vergun mij nog een ogen­blikje rust, beste vriend, dan zal ik naar hen toegaan, en deze heilige familie mededelen dat ik hun hof voor hen heb behouden!' Maar Cornelius zei: 'Weet je wat: als jij je nog te zwak voelt, laat mij dan namens jou naar hen toe gaan om hen mede te delen wat je voor hen hebt gedaan! Want we moeten nu geen tijd verloren laten gaan. Deze voorname reizigers zullen wel erg moe zijn en hebben echt behoefte aan een goed onderkomen, nu di­rect; Iaat mij dus maar onmiddel­lijk in jouw plaats gaan.' Toen Salome Cornelius al­dus hoorde aandringen zei ze: 'Vriend, je hebt gelijk; maar ik ben al weer opgeknapt en ga nu dus onmiddellijk met je mee naar hen toe.' Aldus besloten zijnde, gin­gen ze beiden naar het groepje toe. Cornelius nam het woord en zei: 'God, de Heer van Israël is met u, zoals ook met mij en met mijn gezellin Salome! Het is mij gegeven U te her­kennen, er is geen twijfel meer mogelijk of U, oude brave man, dezelfde Jozef bent met Uw jeug­dige vrouw Maria, die drie jaren geleden naar Egypte bent uitge­weken voor de vervolging door Herodes. Daarom ben ik onmiddel­lijk hierheen gesneld om U mijn hulp aan te bieden en binnen te leiden in Uw eigendom.'

Toen Jozef dit van Corne­lius hoorde, stond hij op en vroeg hem: 'Goede man, wie moogt U dan wel zijn, dat U mij zoiets kunt mededelen? Als u mij uw naam noemt, ga ik direct met u mee!' Cornelius sprak: 'Hoogeer­waarde grijsaard! Ik ben de stad­houder van Jeruzalem. Mijn naam is Cornelius. Ik ben dezelfde, die U te Bethlehem een kleine vriendendienst mocht bewijzen. U mag nu verder nergens meer zorg over hebben, want U moet weten dat deze vriendin van mij, Salome uit Bethlehem, Uw opdracht precies heeft uitge­voerd!’ Nu stortte Salome zich aan de voeten van Jozef en sprak met trillende stem: 'Wat een vreugde voor mij, arme zondares, dat mijn onwaar­dige ogen U mogen terugzien! O, komt U toch mee, komt U mee naar Uw huis. Want mijn huis is een dergelijke genade on­waardig! Tot tranen toe ontroerd nu, zei Jozef: 'O grote God en Vader, wat zijt Gij goed! U leidt de ver­moeide reiziger steeds naar de allerbeste bestemming!' Nu omhelsde hij zowel Cornelius als Salome, waarna hij meteen met hen meeging naar zijn hoeve.

 

Jeugd Jezus 263:1-22 (Salome draagt huis en hof in uitstekende toestand aan Jozef over)

Het personeel van Salome en de staf van Cornelius samen met Sa­lome en Cornelius zelf, hielpen nu bij het overbrengen van alle ba­gage. Daarna leidde Salome het gezelschap binnen in de goed in­gerichte kamers van het huis. Jozef verwonderde zich over de zeer grote zindelijkheid die het huis vervulde. De bedden waren of nieuw of gereinigd, terwijl zelfs de stal zeer doelmatig was ingericht. Jozef stelde vast dat Salome werkelijk voortreffelijk voor hem had gezorgd. Maar daarna vroeg hij aan Salome: 'Lieve vriendin, je ziet toch wel dat ik arm ben en niet in het bezit van enig vermogen! Hoe zal ik je dit ooit kunnen vergoe­den?'  Deze vraag van Jozef beant­woordde Salome met tranen in de ogen: 'Maar beste vriend, wat zou ik dan wel het mijne mogen noe­men op deze wereld, dat ik niet ontvangen zou hebben van Hem, Die nu op de arm van Zijn lieflijke moeder rust? Ik heb het toch onmisken­baar zeker van Hem ontvangen, Die zo wonderbaarlijk bij U ver­blijf houdt. Hoe zou ik dan iets het mijne kunnen noemen, dat al van alle eeuwigheid van Hem was, Die bij U is? O neen, de Heer, de Hei­lige van Eeuwigheid, kwam niet tot ons, arme zondaars, als kwam Hij in den vreemde, maar Hij kwam immers in Zijn eigendom van eeuwigheid; wij kunnen Hem dus niets geven! Wij kunnen Hem hoog­stens Zijn Eigendom aanreiken en dat dan nog slechts voor zover Hij ons daar de kracht voor geeft. Zo gezien is elke vermeen­de schuld van U aan mij dus een eeuwig misverstand, want ik ben reeds voor alle eeuwigheid be­loond, doordat ik voor U mag zorgen, de hoogst denkbare roe­ping! En dat nog te meer, omdat ik met alle kracht van mijn ver­mogen aanvoel, dat juist ik beslist de alleronwaardigste ben om deze roeping te mogen vervullen!'

Op dit moment werd het Salome onmogelijk om verder te spreken; ze weende stilletjes van gelukzalige liefde. Maar nu werd het Kindje wakker en Het was dadelijk bij­zonder levendig.

Toen Het Zich op de schoot van Maria helemaal over­eind had gewerkt, keek Het Salo­me en Cornelius allerliefst aan en zei: 'Salome-lief en ook jij, Cornelius, terwijl Ik sliep heeft jullie grote liefde Mij uit Mijn slaap gewekt. Werkelijk, dat is fijn en aangenaam; en zo moet het eeu­wig blijven! Van nu af wil Ik voor ieder­een slapen in Mijn oerwezen, maar zij, die tot Mij zullen komen met een liefde als die van jullie; zij zullen Mij voor zichzelf voor eeu­wig wakker houden! Ga nu gerust slapen Salo­me, als je Mij morgen maar een goed ontbijt brengt!'

Salome was helemaal ver­rukt, toen zij de Heer voor het eerst zo hoorde spreken. Nu loof­den en prezen alle aanwezigen God, en gingen ter ruste.

 

Jeugd Jezus 264:1-26 (Salome nodigt Jozefs gezin uit aan het ontbijt)

De volgende morgen was in bei­de huizen iedereen al vroeg op de been. Salome was in haar keuken bezig met de bereiding van een goed ontbijt, bestaande uit ho­ningkoek, een fijne visbouillon en een aantal fijne vissoorten, waarvan de forellen, die men daar in de bergbeken in gro­ten getale kon vangen, wel de be­langrijkste waren. Toen ze het ontbijt klaar had, repte Salome zich naar het huis van Jozef, waar ze Jozef en al de zijnen vroeg bij haar te komen ontbijten. Jozef sprak: 'Maar lieve vriendin toch, waarom haal je je om mijnentwille nu toch zoveel onkosten op je hals? Mijn zoons zijn namelijk in de keuken ook al bezig met het klaarmaken van een ontbijt. Je had dus in je betoon van gastvrijheid tegenover ons niet zo bezorgd behoeven te zijn!'

Maar Salome antwoordde: 'Beste vriend, versmaadt U toch alstublieft niet wat Uw dienst­maagd voor U wil doen; komt dus maar mee!' Dit ontroerde Jozefheel erg; hij riep dus zijn gezin bijeen en vervolgens gingen ze allemaal met Salome mee om in haar huis te ontbijten. Op de drempel van de voor­deur wachtte Cornelius hen op en heette hen zeer hartelijk welkom. Nu Jozef zijn vriend Corne­lius bij daglicht weer helemaal kon herkennen, deed hem dit bui­tengewoon veel plezier. Ze gingen nu allemaal de mooie eetkamer binnen, waar het ontbijt al op de gasten stond te wachten. Toen het Kindje de vissen op tafel zag staan, lachte Het, liep naar Salome, en zei tegen haar: 'Wie heeft je verteld, dat Ik  zo graag vis eet? Je hebt Mij daarmee wel een groot plezier gedaan, want dat is Mijn lievelingsgerecht bij uit­stek! Ik houd ook wel van ho­ningkoeken en van visbouillon met wittebrood,  maar toch houd Ik meer van vis, dan van alle andere ge­rechten.

Ik vind het prachtig dat je zo goed voor Mij gezorgd hebt, en Ik ben dan ook al echt veel van je gaan houden!' Door deze kinderlijke lof­rede was Salome zo aangenaam getroffen dat ze ervan huilen moest. Maar nu zei het Kindje: 'Sa­lome, als je zo heel erg gelukkig bent, begin je steeds te huilen; maar je mag best weten, dat Ik dat huilen helemaal niet zo leuk vind! Je moet dus niet steeds huilen als je je gelukkig voelt, dan zal Ik nog meer van je gaan hou­den! Weet je, om die vis te eten zou Ik het liefst op jouw schoot willen zitten, maar eigenlijk durf Ik niet, omdat je dan waarschijnlijk van puur geluk te veel zou moeten hui­len!' Nu vermande Salome zich zoveel ze kon, en zei tegen het Kindje: 'O Heer, wie is er dan in staat U zo te zien, zonder daarbij tranen in zijn ogen te krijgen?' Het Kindje zei nu: 'Kijk maar naar Mijn broers, die zien Mij ook dagelijks, en toch huilen die niet, als ze Mij zien.' Nu kwam Salome weer tot rust, zodat ze allen aan tafel kon­den gaan, waarbij het Kindje Zich op Salome's schoot zette!

 

Jeugd Jezus 265:1-21 (Cornelius geruststellend ant­woord over koning Archelaüs)

Na het ontbijt onderhield Jozef zich met Cornelius over Arche­laüs, de koning; hij vroeg hem precies wat hij voor een man was en hoe hij regeerde. Cornelius antwoordde Jo­zef: 'Hooggeachte vriend en Heer, als ik en mijn broeder Cy­renius hem niet in toom zouden houden, dan zou hij nog tienmaal wreder zijn, dan zijn vader ge­weest is! Maar, wij hebben zijn macht op goede gronden sterk beknot, zodat hij niet anders mag doen dan belasting heffen, en dat dan ook nog slechts volgens onze maatstaven. En in gevallen, waarin belas­tingplichtigen om wat voor reden dan ook zouden weigeren om die belasting te voldoen, is hij ver­plicht zich tot ons te wenden. Als hij zich daar niet aan houden zou, kunnen wij hem op elke willekeurige dag het afzet­tingsdecreet van de keizer, dat ik altijd onder mij heb, overhandi­gen, en hem dan tegelijk vogelvrij verklaren voor heel het volk. Je hebt dus van deze koning niet het minste te vrezen, want het is hem beslist niet geraden ook maar in het minst te­gen de bestaande voorschriften in te gaan, anders is hij morgen geen koning meer, maar een vogel­vrije, verbannen slaaf van Rome!

Ik dacht zo, vriend, dat je het hiermee kunt doen om gerust te zijn! Ik ben nu stadhouder van Jeruzalem en mijn broeder Cyre­nius is zoiets als onderkeizer van Azië en Afrika, en wij zijn jouw vrienden! Een betere waarborg, dacht ik -wereldlijk gesproken ­is er voor veiligheid van een mens in een land niet denkbaar. En dan woont bovendien jullie allergrootste garantie voor veiligheid en rust nog in jullie ei­gen huis ook! Je kunt nu dus volkomen gerust zijn en ook kun je je mij bekende kunstvaardigheden zon­der enige vrees of schroom weer gaan uitoefenen. En wat belastingen betreft, zal ik je wel in een schaal brengen, die je geen pijn zal doen!' Toen Jozef dit van Corne­lius hoorde, keerde zijn opge­wektheid volledig terug en werd hij weer blij en vrolijk. Nu pas ontdekte Cornelius de vijf meisjes van Cyrenius en ook Eudokia, die hem heel be­kend voorkwam, maar die hij desondanks hier niet herkende.  Daarom vroeg hij Jozef dan ook hoe het met deze personen zat.

Jozef stelde hem nu volko­men waarheidsgetrouwen zonder enig voorbehoud of geheim doe­nerij daarover volledig op de hoogte. Toen Cornelius hieruit kon afleiden hoe bijzonder nauw de vriendschapsbetrekkingen tussen Jozef en zijn broeder Cyrenius waren, en hoe onbaatzuchtig, bleek hij hoogst aangenaam ver­rast. Hij was hier uitermate ver­heugd over en hij kuste Jozef wel honderd maal! Daarna riep hij de kinderen van zijn broeder bij zich, die hij liefkoosde en eveneens kuste.  Vervolgens zei hij tegen Jozef: 'Nu je dan zo met mijn broeder blijkt te staan ben je te­vens voor altijd van belasting vrij­gesteld, net als alle burgers van Rome. Vandaag nog zal ik de kei­zerlijke brief van vrijdom op je huis bevestigen!' ...Tot tranen toe bewogen was Jozef hierdoor , en iedereen weende mee, zo blij waren ze.

 

Jeugd Jezus 266:1-22 (Cornelius geeft Jozef uitleg over het Romeinse geheimschrift)

Hierna vroeg Cornelius aan Jo­zef of Cyrenius wel op de hoogte was gesteld van Jozefs vertrek uit Egypte. En, in geval hij dat niet wist, of hij dan niet onmiddellijk volle­dig om politieke redenen op de hoogte gebracht zou moeten wor­den. Jozef zei hem: 'Vriend, te­genover uw broeder moet ge maar naar eigen inzicht handelen; alleen hierom zou ik willen verzoeken: zeg hem dat hij alsje­blieft niet al te gauw bij ons op bezoek moet komen! En. mocht hij dan al perse willen komen, laat hem dan hei­melijk komen, zodat niemand iets merkt van zijn komst! Verkeerde aandacht mag mijn huis beslist niet trekken, dat zou voor mij en voor het Kindje schadelijk kunnen zijn, en het zou ook storend werken voor de god­delijke rust in mijn huis.' Toen hij dit van Jozef hoor­de, zei Cornelius: 'Daar kun je gerust op ver­trouwen, waarde vriend; wij Ro­meinen zijn namelijk meesters in het streng incognito reizen!

Als ik morgen in Jeruzalem zal zijn, is het mijn eerste taak om, door middel van een geheime mis­sive, aan mijn broeder mee te de­len dat jij nu hier bent. Als het erop aan kwam, zou ik zelfs Archelaüs met zo'n schrij­ven naar mijn broeder durven stu­ren, want hij zou nooit kunnen weten wat erin staat, zelfs niet al ware het niet verzegeld!' Nu vroeg Jozef aan Corne­lius hoe een dergelijk geheim­schrift dan wel mogelijk was. 'Niets gemakkelijker dan dat, beste vriend,' antwoordde Cornelius. 'Kijk, je neemt een lange strook perkament, niet breder dan een vinger dik. Die strook wind je dan als een slang rondom een ronde staaf, zo, dat de randen ervan precies tegen elkaar aansluiten. Als dan die strook om die ronde staaf gewonden is, dan schrijf je - in de lengterichting van die staaf - over alle windsels van het perkament heen je geheim.

Cyrenius heeft net zo'n staaf als ik, precies even dik. Als ik mijn schrijven nu klaar heb, dan rol ik het van mijn staaf af, en zend het openlijk via een willekeurig iemand naar mijn broeder. Geen mens is in staat om zonder zo'n zelfde staaf de inhoud van een dergelijk schrijven te ont­cijferen. Hij kan namelijk op die strook niets anders ontdekken, dan wat losse letters, hoogstens lettergrepen, waaruit hij beslist nooit kan ontcijferen wat er op die strook staat. Heb je dat tot zover begrepen Jozef?' - ' Ja volledig, beste broe­der,' zei Jozef. - 'Volgens die methode mag je wat mij betreft aan je broeder schrijven; op die manier zal wel niemand het geheim kunnen ont­cijferen!' Vervolgens wendde Corne­lius zich tot Eudokia en besprak met haar allerlei verschillende zaken.

 

Jeugd Jezus 267:1-23 (Het Kindje spreekt op indrukwekkende wijze tot Cornelius)

Nadat Cornelius nu ook met Eudokia alles wat hij te weten no­dig achtte, voldoende had doorge­sproken en daaruit begreep, dat wat zij had gezegd volledig in over­eenstemming was met hetgeen in de brief van zijn broeder had ge­staan, richtte hij zich opnieuw tot Jozef, zeggend: 'Hooggeachte vriend, ik ben nu wel helemaal volledig van alles op de hoogte.  Ik zal je dan ook niet gaan vragen waarom je Egypte weer hebt verlaten, niettegenstaande je daar uitstekend verzorgd was. Want ik weet, dat je niets doet dan alleen dat, wat je door God wordt opgedragen. En, omdat je precies pleegt te handelen in overeenstemming met de Wil van God, daarom is je handel en wandel altijd juist en gerecht tegenover God en de hele wereld, die­ net als ik -recht­schapen denkt en wil en handelt! Toch wil ik, voordat ik naar Jeruzalem vertrek, nog een ding aan je vragen. En dat ene ding bestaat hier­in: Weet je, nog altijd staan de wonderlijke verschijningen, wel­ke bij de geboorte van je Kind plaatsvonden mij levendig als de dag van gisteren voor ogen! En nu moet ik merken, dat dit wonderbaarlijke karakter van Hem volledig verloren schijnt te zijn gegaan; hoe moet ik dat op­vatten? Kun je mij dat zeggen?' Jozef gaf ten antwoord: 'Maar vriend toch, wat een vreem­de vraag van je? Heb je dan zojuist het Kind je niet met Salome horen spreken? Spreken dan soms alle kin­deren van die leeftijd met zo diepe wijsheid? Vind je dergelijke taal uit de mond van een driejarig kind dan niet net zo wonderlijk als die wonderlijke verschijnselen bij de geboorte te Bethlehem?'

Cornelius zei nu: 'Daarin moge je gelijk hebben, maar toch is een wonder zoals dit voor mij -niets nieuws. Te Rome heb ik namelijk niet zelden kinderen van een jaar oud, wier geboorte volkomen normaal was verlopen, ook reeds ver­bazend vlot horen spreken! Wat dat betreft zijn mijn bijzonder hoog gespannen ver­wachtingen dus helaas niet door je Kindje bevestigd.'

18. Nu kwam het Kindje zelf op Cornelius toegelopen, en zei te­gen Hem:  'Cornelius, wees nu maar tevreden met de last, die Ik jou op de schouders heb geladen, want je zou slechts een berg van graniet moeten worden, als je omwille van Mij een nog zwaarde­re last zou willen torsen! Voor de tijd daartoe rijp is moet je van Mij dus liever niet meer vragen! Te juister tijd zal Ik echter beslist voor jou en de hele wereld ruimschoots genoeg doen!' Toen hij dit vernam, speur­de Cornelius niet verder, maar zijn bagage voor vertrek gereed te kort hierna gaf hij opdracht om maken.

 

Jeugd Jezus 268:1-21 (Cornelius bevestigt de belastingvrijbrief aan Jozefs huis)

Binnen een paar uren was Cor­nelius klaar om te vertrekken, maar voordien ging hij eerst nog met Jozef naar diens huis, waar hij -overeenkomstig zijn belofte -op de voordeur een metalen bordje bevestigde, waarop een afbeel­ding van de keizer en de vermel­ding van al diens namen en titels. Dit bordje was een waar­merk van die vrijdom vanwege de keizer, een vrijbrief, die bevestigt dat de pachtheer van dat land geen rechten kon laten gelden over dat huis. Toen Cornelius daarmee klaar was, nam hij zijn graveer­stift, waarmee hij onder het bord­je op de deur in het Latijn de woorden schreef: Tabulam hanc libertatis Ro­manae secundum judicum Caesa­ris Augusti suamque voluntatem affigit Cornelius Archidux Hie­rosolymae in plena potestate urbis Romae. (Deze Romeinse vrijbrief heeft, op gezag van en overeenkomstig de wil van keizer Augustus, en met volmacht van de stad Rome, Cornelius, stadhouder van Jeruzalem, bevestigd.) Toen Cornelius ook hiermee klaar was, zei hij tegen Jozef: 'Nu, beste vriend, is je huis en je bedrijfsuitoefening vrij van elke belasting, die Archelaüs je eventueel zou willen opleggen. Alleen de cijnspenning moet je jaarlijks aan Rome voldoen, maar die zul je hopelijk gemakke­lijk opzij kunnen leggen. Die cijnspenning kun je óf in Jeruzalem zelf, ofwel ook hier in Nazareth tegen een ontvangstbe­wijs voldoen op het kantoor van de keizerlijke belastingen. Hiermede ben je dus gevrij­waard tegen elke vervolging van de kant van de pachtkoning; ik raad je echter aan om een tralie­werkje over dit bordje te maken, zodat niemand je ervan kan bero­ven, of mijn handtekening kan wegkrassen.

Jozef dankte God de Heer innig voor zoveel genade en hij zegende Cornelius meerdere ma­len.

11. Ook het Kindje kwam nog naar Cornelius toe en zei tegen hem: 'Nu moet je ook even naar Mij luisteren; Ik heb je als een grote beloning iets te zeggen: Jij hebt nu aan het huis van Jozef een grote weldaad bewezen; Iets dergelijks zal ook Ik eenmaal voor jouw gehele huis doen! Hoewel dit huis niet het ei­gendom is van Mijn pleegvader, maar slechts van Salome, omdat die het heeft gekocht, wil Ik toch in de toekomst aan jouw hele huis veelvuldig ver­gelden, wat je nu aan dit huis van Salome hebt welgedaan. Je hebt het bewijs van kei­zerlijke vrijdom eigenhandig aan de huisdeur bevestigd, en met je handtekening bekrachtigd. Zo zal ook Ik dan zelf Mijn geest over jouw huis uitspreiden, waardoor jij de eeuwige vrijheid van Gods hemelen zult verwerven en daarin het onvergankelijke le­ven in Mijn Rijk!' Nu  tilde Cornelius het Kindje op en kuste Het, terwijl hij  over deze uitzonderlijke belofte van het Kindje niet kon nalaten te glimlachen. Hoe zou hij immers hebben kunnen begrijpen wat het Kindje in zo'n goddelijke wijsheid tot hem had gezegd? En het Kindje zei: ' Je zult dit pas dan kunnen begrijpen, wanneer Mijn Geest over je zal vaardig worden!' Hierna ging het Kindje weer terug naar Zijn Jacob. Cornelius maakte zich klaar voor zijn vertrek, en Jozef begon in het huis alles te ordenen, zoals het hem het beste uitkwam.

 

Jeugd van 269:1-24 (Vreemd gedrag en merkwaardige woorden van het Kindje)

Toen Jozef, met daadwerkelij­ke hulp van Salome die dag alles in zijn huis zo goed mogelijk op orde had gebracht, dankte hij God, blij als hij was weer zo goed te zijn opgenomen in het land zijnér voorouders. De volgende dag echter, na­dat hij toezicht en beheer over het huis voor die ene dag had overge­dragen aan zijn vier oudere zo­nen, zei hij tegen Maria: 'Maria, zeg trouwe weder­helft, hier in en om de stad hebben wij vele familieleden en ook nog talrijke goede vrienden en beken­den. Ga je klaarmaken, en ook het Kindje en Jacob, en als je dat wilt, laten dan ook Eudokia en de vijf meisjes dat doen, dan zullen we in de loop van de dag aan alle familieleden, vrienden en kennissen, die hier in Nazareth en de omgeving wonen een bezoek gaan brengen, zodat ook zij die vast en ze­ker over onze afwezigheid ge­treurd zullen hebben zich weer over onze aanwezigheid zullen kunnen verheugen!

Dat zal mij dan tevens de ge­legenheid bieden om wellicht ook flink wat werk aan te nemen, om daardoor voor jullie allemaal de kost te verdienen.

Maria was met dit voorstel zeer ingenomen, en ze trof ter­stond de nodige maatregelen voor dit doel. Alleen het Kind je wilde aan­vankelijk niet meegaan. Maar toen dan Zijn moeder er bij Hem smekend op aandrong, liet Hij Zich aankleden en overhalen om mee te gaan. Maar Het (Kindje) zei er nadrukkelijk bij: 'Ik ga dan wel met jullie mee, maar niemand mag Mij dragen!

Want als Ik dan al ga, dan zal dat zijn lopend tussen jullie in, en overal heen, waar jullie heen willen gaan !En jullie moeten Mij ook niet vragen, waarom Ik dat zo wil, want Ik ben niet van zins alles te verantwoorden waarom Ik iets zus of zo doe!' Nu zei Maria tegen het Kindje: .O maar als Je echt moe wordt, dan zul Je Je maar al te graag laten dragen!' Maar het Kindje antwoord­de: 'Hebt u daar maar geen zorg over! Want als Ik het niet wil. dan word Ik nooit moe! Alleen als Ik het wil, dan word Ik ook moe, maar dan houdt Mijn vermoeidheid ook te­vens een oordeel over de mensen in; want alleen de zonde van de mensen kan Mij ertoe brengen dat Ik moet willen moe te worden, juist vanwege die zonde van de mensen!

Maar dit zeg Ik jullie na­drukkelijk: dat niemand van jullie Mij mag verraden!. Want het is genoeg dat jul­lie het weten, dat Ik de Heer ben! Jullie weten het zonder oordeel, want jullie harten zijn uit de Hemelen.  Maar als de mensen dezer aarde het voortijdig zouden ver­nemen, dan zouden zij daarop ge­oordeeld worden en ze zouden moeten sterven!  Dat is dan ook de reden, waarom Ik niet direct wilde mee­gaan. Ik moest jullie dat van te­voren meedelen; maar, nu jullie het toch eenmaal weten, wil Ik wel met jullie meegaan.. Maar, begrijp Me goed: Ik wil uitsluitend lopen en beslist niet gedragen worden, zodat de aarde aan Mijn voetstappen merken kan, Wie het is, Die nu haar op­pervlak betreedt!' leder van hen nam deze woorden goed ter harte, en nu gingen ze dan op weg naar hun familie, vrienden en kennissen.

Jeugd Jezus 270:1-23 (Het beven van de aarde onder de voetstappen van Jezus)

Toen Jozef zich dus met de zij­nen op weg begaf, en het Kindje tussen Jozef en Maria voortstapte, voelde het hele gezelschap bij elke voetstap van het Kindje een dui­delijk merkbare trilling van de aarde.  Ook Jozef ervoer dit feno­meen af en toe zeer duidelijk, en  hij zei tegen Maria: 'Vrouw, merk jij niet hoe de aardbodem onvast wordt en beeft?' Maria antwoordde: 'Nou en  of ik dat merk! Als we maar niet onderweg, of ergens in de stad door zo'n le­lijk onweer worden achterhaald, dat zich na een aardbeving her­haaldelijk voordoet! Let eens op: dat beven houdt constant aan; zoiets heb ik nog nooit meegemaakt! Daar gaat ongetwijfeld een geweldige storm op volgen!' Jozef antwoordde: 'Welis­waar bemerk ik nog geen enkel wolkje aan de hemel, maar toch zou je best gelijk kunnen hebben.  Als dit beven van de aarde niet gauw ophoudt, dan zal het niet eens pluis zijn om de stad bin­nen te gaan.

Toen nu de familie de stad naderde, kwam hen alreeds een massa vluchtelingen vanuit de stad tegemoet, die hen waarschuwden de stad liever niet binnen te gaan. Ze zeiden: 'Vrienden, van­waar ge ook moogt zijn gekomen, trekt de stad niet binnen.  Er was een half uurtje gele­den zo'n hevige beving, dat je er niet zeker van kunt zijn dat niet elke minuut een huis kan instor­ten!' Nu geraakte Jozef dan toch ook enigszins in twijfel wat hem te doen stond, verdergaan of omke­ren? Maar Jacob ging nu naar Jozef toe en zei stilletjes tegen hem: 'Vader, U hoeft niet bang te zijn: deze aardbeving zal nie­mand ook maar de minste schade toebrengen, noch in de stad, noch ook in de omgeving!' En op hetzelfde moment begreep Jozef nu waardoor dat aardbeven veroorzaakt was. Hij moedigde dan ook met­een al de zijnen aan om toch de stad binnen te gaan. Toen zij die uit de stad ge­vlucht waren nu zagen dat die grijsaard toch de stad in trok, zeiden ze tegen elkaar: 'Wie kan deze man wel zijn, dat hij geen angst heeft voor de aard­beving?'Ze gisten er wel wat naar, maar niemand herkende hem. Zij zouden nu eigenlijk ook wel weer de stad in willen gaan, maar toen bij het verder­gaan van het Kindje de aarde op­nieuw begon te beven, vluchtten ze verder. Jozef trok echter zonder enige vrees met zijn fami­lie verder de stad in.

 

Jeugd Jezus 271:1-22 (Onbewust geven de mensen een waar getuigenis)

Toen Jozef nu in de stad aan­kwam, zag hij daar de mensen in grote angst en verwarring door el­kaar rennen. Er werd geschreeuwd: 'God, de Heer van Abraham, Izaak en Jacob, heeft ons zwaar bezocht! Laten we onze kleren ver­scheuren, onze hoofden met as bestrooien en boete doen, opdat de Heer Zich weer over ons moge erbarmen!' Enkelen van hen drongen zich aan Jozef op en vroegen hem haastig, of hij dan zijn kleren niet ook wilde verscheuren. Maar Jozef gaf hun ten ant­woord: 'Broeder, als je dan al echt boete wilt doen, doe die dan liever in je hart dan in je kleren! De Heer let namelijk hele­maal niet op de kleur van je kle­ren, noch ook of die wel heel zijn, dan wel gescheurd; waar de Heer op let is, of je hart er wel deugdelijk uitziet! want in je hart kan kwaad­aardigheid heersen, zoals: slechte gedachten en begeerten, en kwa­de wil; ontucht, hoererij, echtbreuk en dergelijke. Die dingen moet je uit je hart bannen als ze erin heersen, daaraan zul je beter doen, dan aan het verscheuren van je kleren of aan het strooien van as op je hoofd!'

Toen de angstige Nazare­ners Jozef dit hoorden zeggen, dropen ze verslagen af, terwijl velen hunner tegen elkaar zeiden: 'Hoor hem nu eens! Wie kan die man wel zijn die woorden in de mond neemt als ware hij een groot profeet?' Maar het Kindje porde Jo­zef aan en zei glimlachend:  'Dat heb je nog eens goed gezegd! Dat is wat deze blinde lie­den nodig hadden!

Maar laat nu de aardbodem maar weer tot rust komen, dan kunnen we ongestoord verder trekken!' Hierna begaf de familie zich naar een vriend van Jozef, die te Nazareth het beroep van arts uitoefende. Toen die nu de oude Jozef gewaar werd, holde hij, met al de zijnen achter zich aan hem tege­moet, viel hem om de hals en riep uit: 'Maar Jozef, Jozef, bes­te vriend en broeder van me, waar kom jij nu in dit benauwde uur vandaan? Waar heb jij drie lange ja­ren gezeten?! En waar kom je nu precies  vandaan?' Jozef antwoordde enigszins ontwijkend: 'Broeder laat ons nu eerst maar eens binnen en geef ons wat water voor onze voe­ten, dan zal ik je daarna alles vertellen, over waar ik geweest ben en waar ik nu precies vandaan kom!' En de arts gaf onmiddel­lijk gevolg aan Jozefs wens.

www.zelfbeschouwing.info