Herodes de kindermoordenaar

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Herodes echter zocht (ook) Johannes en zond dienaren naar Zacharias en liet hem vragen: “Waar hebt gij uw zoon verborgen?” Maar hij antwoordde hun: “Ik verricht mijn dienst voor God en ben steeds in de tempel van de Heer. Ik weet niet waar mijn zoon is.” En de dienaren gingen heen en brachten dit alles aan Herodes over. Toen werd Herodes toornig en dacht: “Zijn zoon zal zeker koning over Israël worden.” En opnieuw stuurde hij hem de boodschap: “Spreek de waarheid! Waar is uw zoon? Gij weet toch dat uw bloed in mijn hand ligt.” En de dienaren vertrokken en brachten dit alles aan hem over. Toen antwoordde Zacharias: “Ik ben een martelaar van God als gij mijn bloed vergiet, want de Heer zal mijn geest tot zich nemen, omdat gij onschuldig bloed vergiet in de voorhof van de tempel van de Heer.

En tegen de morgenschemering werd Zacharias vermoord. En de kinderen van Israël wisten niet dat hij vermoord was. Maar toen de priesters op het uur der begroeting binnenkwamen kwam de zegen van Zacharias hen niet tegemoet zoals gewoonlijk. Zo bleven de priesters op Zacharias wachten om hem met gebed te begroeten en de Allerhoogste te prijzen. Maar toen hij wegbleef werden zij allen ongerust. Tenslotte waagde een van hen het om naar binnen te gaan. En bij het altaar zag hij geronnen bloed en hoorde hij zijn stem zeggen: “Zacharias is vermoord en zijn bloed zal niet uitgewist worden tot zijn wreker komt.” Toen hij deze woorden hoorde schrok hij, ging weer naar buiten en vertelde het aan de priesters. En nadat zij moed verzameld hadden gingen zij naar binnen en zagen wat er gebeurd was. En de panelen van de tempel weeklaagden en zelf scheurden zij (hun klederen) van boven tot beneden. Zijn lichaam vonden zij niet, maar wel vonden zij zijn bloed, dat versteend geworden was. En bevreesd gingen zij weer naar buiten en deelden aan heel het volk mee, dat Zacharias vermoord was. En alle stammen van het volk vernamen het en zij beweenden hem en weeklaagden drie dagen en drie nachten. Na de drie dagen beraadslaagden de priesters wie zij in de plaats zouden aanstellen en het lot viel op Simeon, want hij was het, aan wie door de Heilige geest bekendgemaakt was, dat hij de dood niet zou zien eer hij de Christus in het vlees zou hebben aanschouwd.

Maar ik, Jakobus, die deze geschiedenis heb opgeschreven, trok mij terug in de woestijn toen er in Jeruzalem, bij de dood van Herodes een grote opschudding was ontstaan, tot de rust was weergekeerd. En ik loofde de Heere God die mij het verstand en de wijsheid had gegeven om deze geschiedenis op te schrijven. De genade zal zijn met hen die onze Heere Jezus Christus vrezen, aan wie zij de heerlijkheid tot in alle eeuwigheid. Amen

KINDERMOORD VAN HERODES

Matthéus 2:16-18 16 Als Herodes zag, dat hij van de wijzen bedrogen was, toen werd hij zeer toornig, en [enigen] afgezonden hebbende, heeft omgebracht al de kinderen, die binnen Bethlehem, en in al deszelfs landpalen [waren], van twee jaren [oud] en daaronder, naar den tijd, dien hij van de wijzen naarstiglijk onderzocht had. 17 Toen is vervuld geworden, hetgeen gesproken is door den profeet Jeremia, zeggende: 18 Een stem is in Rama gehoord, geklag, geween en veel gekerm; Rachel beweende haar kinderen, en wilde niet vertroost wezen, omdat zij niet zijn!

Rama. Zie hiervan de uitlegging Jer. 31:1519). Omdat Rachel daaromtrent begraven was, Gen. 35:19, zo worden alhier door haar verstaan de moeders van Bethlehem en daaromtrent. 

 

Jeugd van Jezus 47:9-14

Van de kust van Palestina waren namelijk heel wat ouders weggevlucht uit angst voor Hero­des, de kindermoordenaar, en zij vertelden aanstonds welke gru­weldaden Herodes in en om Bethlehem en in heel Zuid-Pales­tina, nota bene met behulp van Romeinse soldaten, verrichtte! Dit was voor Cyrenius aan­leiding onmiddellijk een brief te schrijven aan de landvoogd van Jeruzalem, en een van gelijke strekking aan Herodes zelf. De korte inhoud van die brief luidde: 'Hierbij gelast ik, Cyrenius, broeder van de keizer en stadhouder over Azië en Egyp­te, u in naam van de Keizer on­middellijk met uw gruwelen op te houden.

Bij in gebreke blijven zal ik Herodes als een ordinaire rebel aan de kaak stellen en hem straf­fen in overeenkomst met wat de wet als passend voorschrijft, en op een manier, die mijn daardoor ge­wekte toorn bevredigen zal! De landvoogd van Jeruza­lem wordt bij deze opgedragen een nauwkeurig onderzoek in te stellen naar deze gruwelen en mij daarvan onverwijld op de hoogte te stellen, opdat deze wreedaard de gerechte straf voor zijn misda­den niet kan ontgaan! Gegeven op mijn schip, de " Augustus", voor de kust bij Os­tracine in naam des Keizers, diens hoogste plaatsvervanger in Azië en Egypte, heersend landvoogd van Celesyrië, Tyrus en Sidon. w.g. Cyrenius, vice-Augusti.'

 

Jeugd van Jezus 48:18

De list van Herodes

Vreselijk geschrokken als zij waren door deze brief van Cyre­nius, maakten de landvoogd van Jeruzalem en Herodes onmiddel­lijk een eind aan hun gruwelijk misdrijf en zonden boodschap­pers naar Tyrus om Cyrenius aan te tonen op grond van welke ge­wichtige feiten zij dit hadden moe­ten doen. In schrille kleuren schilder­den zij het gezantschap van die altijd al zo gluiperige Perzen en zij beweerden zelfs belangrijke aan­wijzingen te hebben, dat zelfs Cornelius, de broeder van Cyre­nius als aanvoerder betrokken zou zijn geweest bij deze samenzwe­ring van puur Aziatische opzet! Zij zouden er namelijk ach­ter gekomen zijn dat Cornelius deze nieuwe koning der joden in bescherming zou hebben geno­men!

 

Herodes beweerde zelfs dat hij overwoog om ter zake boden naar Rome te zenden als Cyrenius niet voor hen in zou staan! Cyrenius zou eigenlijk die Cornelius eens stevig aan de tand moeten voelen! En als hij dat zou weigeren, zouden zij zich genoopt zien dat bewuste bericht aan de keizer alsnog onverwijld te doen uitgaan! Deze tegenzet, die Cyrenius pas vernam toen hij alweer in Tyrus terug was, maakte hem aan­vankelijk wat van streek.

 

Maar, door de Geest Gods geleid, kwam hij dadelijk weer tot zichzelf en hij schreef aan Hero­des als volgt: 'Hoe luidt het vertrouwelijk bevel van Augustus voor gevallen van ontdekking van eventuele complotten? Dat luidt aldus: " Als iemand een of ander complot ont­dekt, dan moet hij voor alles zijn kalmte bewaren en onmiddellijk alles tot in details aangeven bij de hoogste gezagsdrager van het des­betreffende land!

Noch de lokale landvoogd, en nog minder een leenheer, mag ook maar een vinger uitsteken naar het zwaard zonder het uit­drukkelijk bevel van die hoogste gezagsdrager van de Staat, die voor alles een diepgaand onder­zoek moet instellen. Een ontijdige ingreep kan de Staat juist in deze zaken de allergrootste schade berokkenen, want daardoor zou een complot namelijk genoopt worden zich in zijn schulp terug te trekken en zijn intriges nog listiger te camoufle­ren, om daarna onder gunstiger omstandigheden des te effectiever voor den dag te kunnen komen"

 

Dit is des keizers hoogst ei­gen instructie ten aanzien van de­ze uiterst gewichtige zaak. Hebt u dienovereenkom­stig gehandeld? Mijn broeder Cornelius heeft dat wel gedaan. Hij heeft zich van die zogenaamde nieuwe koning der joden onmid­dellijk meester gemaakt. Hij heeft hem aan mijn ju­risdictie overgedragen, en over­eenkomstig mijn gezag over Azië en Egypte, heb ik de nodige maat­regelen getroffen op grond van het gezag dat mij over Azië en Egypte toekomt. Mijn broeder heeft u dit al­les al uit de doeken gedaan, maar hij sprak als tegen een dove!

 

Tegen elk vermaan van mijn broeder ingaande, hebt u als ordinaire rebellen die kinder­moord op touw gezet, en boven­dien hebt u brutaalweg van mij nog durven verlangen, dat ik u daarbij zou steunen! En dat noemt u de keizerlijke wet hand­haven?! Laat mij u nog dit zeggen, dat de keizer allang volledig op de hoogte is gesteld en dat hij mij heeft gevolmachtigd de stadhou­der van Jeruzalem af te zetten, al­hoewel die aan mij verwant is, en om Herodes een boete op te leg­gen van tienduizend pond aan goud!

 

De stadhouder, die dus uit zijn ambt is gezet, moet zich bin­nen vijf dagen bij mij melden, en Herodes moet zijn boete uiterlijk dertig dagen later hier volledig ko­men voldoen! In geval van nala­tigheid zal hij van zijn leenheer­schap vervallen worden ver­klaard! Fiat! Cyrenius, vice­ Augusti. ,

 

De jeugd van Jezus 49: 1-19

Komst van Herodes en van de stadhouder

Deze brief van Cyrenius heeft de stadhouder van Jeruzalem en ook Herodes pas echt bang ge­maakt! Herodes en de stadhouder genaamd Maronius Pilla, zijn daarom zo vlug mogelijk naar Cy­renius toegegaan. Herodes om te proberen nog iets van zijn boete af te dingen, en de stadhouder om te bewerkstelli­gen dat hij zijn aanstelling zou te­rugkrijgen.

 

Toen zij met groot gevolg te Tyrus aankwamen, werd het volk van Tyrus vreselijk bang, in de veronderstelling namelijk dat He­rodes, met toestemming van Cy­renius, ook daar zijn gruwelijk bedrijf zou gaan uitoefenen! Cyrenius, die geen idee had van de aanleiding tot die ontstel­tenis, werd aanvankelijk zelf ook erg bezorgd. Maar hij vermande zich al spoedig en trachtte om op een allervriendelijkste manier van het volk te weten te komen, wat er aan de hand was, en waarom het zo geweldig tegen hemzelf tekeer ging.

 

Maar het volk schreeuwde: 'Hij is hier, de wreedste aller wreedaards, die in Palestina vele duizenden onschuldige kinderen liet vermoorden.’  Nu pas begreep Cyrenius de angst van het volk; hij stelde het gerust en troostte het, waarna het volk weer afdroop. Hijzelf echter bereidde zich erop voor het twee­tal te ontvangen. Het volk was nog nauwelijks weggetrokken, of het tweetal liet zich aandienen. Eerst maakte Herodes zijn opwachting. Hij boog diep voor zijne keizerlijke Hoogheid, en vroeg toestemming om te spre­ken.

 

Uitermate geprikkeld richtte Cyrenius zich nu eerst tot hem en zei: 'Ja, spreek op, jij booswicht! De hel is nog te goed om voor jou een naam te kunnen bedenken! Spreek jij, die door de diepste hel bent uitgebraakt! Wat moet je?!' Door deze donderende woorden van Cyrenius verbleekte Herodes van schrik. Bevend van angst bracht hij er niettemin uit: 'Gebieder van Rome's Heer­schappij, de boete die U mij hebt opgelegd is niet op te brengen; schenkt U daarom de helft kwijt. Zeus is mijn getuige dat datgene, wat ik heb gedaan, ge­daan is met oprechte ijver voor Rome!

 

Toegegeven dat ik wreed gehandeld heb, maar anders kon het niet! De Perzische delegatie, die zo luisterrijk voor mij ver­scheen, heeft mij daartoe duide­lijk alle aanleiding gegeven! Men heeft mij - het gegeven erewoord schendend­ om de tuin geleid!' Maar Cyrenius antwoord­de: ' Jij lelijke leugenaar! Maak dat je wegkomt! Ik ben volledig op de hoogte! Verklaar onmiddel­lijk dat je de boete zult betalen, of ik laat je hier nog op staande voet de kop van je romp slaan!'

Nu beloofde Herodes dan de boete te betalen, bang als hij was dat hij zijn leenbriefniet terug zou krijgen; dat zou pas na het betalen van de boete gebeuren! Cyrenius zond hem weg en liet nu Maronius Pilla ontbieden.

Deze had in de anticham­bre Cyrenius' woedende stem al gehoord... Meer dood dan le­vend verscheen hij dan ook voor Cyrenius. 'Maronius, man, kom tot jezelf; jij werd immers gedwon­gen! Ik heb jou laten roepen om­dat je mij belangrijke inlichtingen moet geven! Voor jou geldt er geen andere boete dan die in je hart tegenover God!'

 

De jeugd van Jezus 50:1-27

Verhoor van de stadhouder door Cyrenius

Toen Maronius Pilla door Cy­renius zo werd toegesproken viel hem een zware steen van het hart. Zijn pols begon rustiger te klop­pen en in korte tijd was hij weer in staat om Cyrenius te woord te staan. Toen Cyrenius zag, dat Mariniers Pilla zich herstelde, vroeg hij hem als volgt: 'Maronius, ik bezweer je mij op mijn vragen gewetensvol te antwoorden. Door welke uit­vlucht ook zul je je mijn misnoe­gen op de hals halen!

Vertel me eens, ken je het gezin, waarvan de eerstgeboren zoon de zogenaamde nieuwe ko­ning der joden zou moeten zijn?' Maronius Pilla antwoordde: ‘Ja, althans, naar wat ik van de joodse priesters persoonlijk heb vernomen. De vader heet Jozef; hij is een meester timmerman, die in heel Judea en in half Palestina als zodanig bekend is en die geves­tigd is te Nazareth.  Zijn integriteit is overal in het land en in heel Jeruzalem wel bekend! Een maand of elf/twaalf geleden moest hij - ik meen inge­volge een soort van loting -een volwassen geworden meisje van­uit de joodse tempel onder zijn hoede nemen. Dit meisje nu, dat heeft waarschijnlijk tijdens de afwezig­heid van die brave timmerman on­tijdig de liefde bedreven. Ze werd zwanger en bezorgde daardoor naar mijn weten aan die man enorme moeilijkheden met de joodse priesterkaste!

 

Tot zover ben ik met deze zaak goed op de hoogte, maar moeilijker is het om het fijne te weten te komen van de geheim­zinnige verhalen die onder het volk in omloop zijn over de be­valling van dit meisje! Om de schande, die hij van zijn volksge­noten te vrezen had, moet deze man haar nog voor haar bevalling tot vrouw hebben genomen. Zij is bevallen, toen de volkstelling te Bethlehem plaats­had, en wel in een stal, voor zover ik te weten ben gekomen.

Zoals ik overigens ook al aan Herodes gezegd heb, weet ik er verder niets van.

Maar Herodes meende dat Cornelius deze, voor hem door de Perzen verdacht geworden familie ergens onder het volk had willen verborgen houden, om hem op die manier zijn leenheerschap te kunnen betwisten. Hij weet im­mers zeer goed, dat Uw broeder geen vriend van hem is.

 

Meer nog om Cornelius' plannen te verijdelen, dan om die nieuwe koning te pakken te krij­gen, heeft hij tot die krankzinnige gruweldaad kunnen besluiten.

Het was dus eigenlijk meer uit wraakzucht tegenover Uw broeder dan uit vrees voor die nieuwe koning, dat hij die kinder­moord op touw zette. Dit is alles, wat ik over deze vreemde en uit­zonderlijke gebeurtenis weet te zeggen. ,

Cyrenius sprak toen: 'Tot dusverre concludeer ik uit wat je gezegd hebt, dat je weliswaar de waarheid hebt gezegd, maar het is mij geenszins ontgaan, dat je tege­lijk in zekere zin probeert Hero­des te verschonen !

Toch zeg ik je dat de mis­daad van Herodes, zoals ik al schreef door niets te verontschul­digen valt! Want, als je nog luisteren kunt, dan zal ik jou eens in ver­trouwen zeggen, waarom Hero­des deze alleronmenselijkste mis­daad feitelijk bedreven heeft.

Om te beginnen! Herodes is de meest heerszuchtige mens, die ooit door deze aarde werd ge­voed! Ware hij ertoe in staat, zou hij een daartoe ook maar enigs­zins toereikende legermacht ter beschikking hebben, dan zou hij vandaag nog met ons, Romeinen, Augustus niet uitgezonderd, het­zelfde doen, wat hij met die on­schuldige kinderen heeft gedaan! Heb je me nu begrepen?! Deze kindermoord heeft hij op touw gezet in de veronder­stelling daarmee aan ons Romei­nen, een hoogst belangrijke dienst te bewijzen en zich daardoor als een echte Romeinse patriot voor te doen, teneinde van de kei­zer naast zijn leenheerschap ook nog mijn functie toegewezen te krijgen !

 

En als hij dan, net als ik, vice-Caesar zou zijn geworden, en de utonome beschikking zou krijgen over een derde deel van heel de Romeinse macht, dan zou hij daardoor in staat zijn om zich van Rome vrij te maken en als onafhankelijke alleenheerser over Azië en over Egypte te re­geren!

Begrijp je het nu? Dit plan­netje van die oude schurk is mij maar al te goed bekend. En zoals ik, zo kent hem nu ook Augustus! Nu vraag ik jou en je zult met je leven moeten instaan voor de waarheid, of jij van dit plan van Herodes afwist, toen hij jou dwong als uitvoerder voor hem op te treden?

 

Spreek dus, maar denk er­om, een onwaar ontwijkend woord kost je het leven. Want ik ben van deze zaak nu tot in de kleinste details op de hoogte.’ Hierdoor werd Maronius Pilla opnieuw lijkbleek en hij stot­terde: ' Ja, U hebt gelijk, het was ook aan mij bekend wat Herodes in zijn schild voerde!

Maar ik was bang voor zijn geïntrigeer, en ik moest hem geen kans geven om nog heviger tegen mij te intrigeren en dus wel naar zijn pijpen dansen.

Maar, zo goed als ik hem nu door U heb Ieren kennen, zo goed heb ik hem toch nog niet eerder gekend, anders zou hij nu niet meer in leven zijn geweest!'

'Mooi,' zei Cyrenius, 'dan schenk ik je nu, in naam van de keizer, wel het leven, maar ik zal je niet in je ambt herstellen, voor­dat je geest, die zwaar gestoord is, weer helemaal in orde zal zijn. Ik zal je hier onder mijn eigen ogen laten verplegen en intussen zal ik je functie laten waarnemen door mijn broeder Cornelius. Want je begrijpt wel, dat ik je nu niet meer echt vertrouwen kan! Je moet der­halve hier blijven, totdat je weer helemaal gezond bent!'

 

Jeugd van Jezus 51: 1-13

Cyrenius als wijze rechter

Toen Maronius Pilla dit oordeel van Cyrenius te horen had gekre­gen, sprak hij met bevende stem: 'Wee mij! Alles is verraden! Het moet de keizer nu wel duide­lijk zijn geworden dat ik republi­kein ben! Wee mij, ik ben verlo­ren!'

Maar Cyrenius zei: ' Ja, in mijn oordeel over jouw politieke instelling had ik het inderdaad bij het rechte eind, en ook in mijn vermoeden waarom je Herodes bij die kindermoord hebt gehol­pen. Daarom heb ik dan ook ge­handeld zoals ik deed. En voorwaar, was je niet net als ik een telg uit een der voor­naamste families van Rome, dan zou ik je zonder pardon een kopje kleiner hebben gemaakt, als ik je althans niet zou hebben laten kruisigen! Maar ik heb je begenadigd in de eerste plaats, omdat je door Herodes tot deze stap bent verleid en vervol­gens, omdat je samen met mij en keizer Augustus een van de voor­naamste patriciërs van Rome bent!

 

Toch, zolang Herodes leeft, en zolang je niet volledig hersteld bent, zul je niet in je ambt worden teruggeplaatst! En hier mag je alleen verblij­ven op voorwaarde, dat je het werk, dat ik je zal opdragen, zon­der enige tegenspraak onder mijn voortdurende persoonlijke toe­zicht zult uitvoeren. In het voorjaar ga ik een dienstreis maken naar Egypte. Je zult mij dan vergezellen! Er woont daar, ergens bui­ten de stad, een oude, zeer wijze man. Bij hem zal ik je onder be­handeling stellen. Hij zal je wel zeggen wat je mankeert!

 

Dan zal ook gauw genoeg blijken, in hoeverre al je uitspra­ken te vertrouwen zijn. Daarop moet je je dus maar goed prepareren, want daar zul je met meer geconfronteerd worden dan met het Orakel van Delphi! Daar zul je tegenover een rechter komen te staan, wiens ogen alleen al in staat zijn om van brons vloeibare was te maken! Be­reid je dus goed voor, want hier houd ik je aan!'

 

GJE8-6 (12-15) Daarop zegt Lazarus: 'Hoe en waar Hij geboren is, en wat er bij Zijn geboorte allemaal is voorgevallen toen de oude, boosaardige Herodes dertig jaar geleden in Bethlehem zo veel onschuldige jongetjes van één tot twee jaar oud heeft laten vermoorden, omdat de drie wijzen uit het verre morgenland, door een ster hierheen geleid, hem gezegd hadden dat er in Bethlehem onder de joden een nieuwe koning geboren was, dat weten jullie allemaal even goed als ik; maar jullie weten niet, dat die nieuwgebo­ren koning der joden door goddelijke voorzienigheid en beschikking niet in handen van de wrede Herodes is gevallen, maar door Gods hulp en door bemiddeling van de toen nog jonge Romeinse hoofdman Cornelius veilig en wel naar Egypte en -naar ik meen- de oude stad Ostracine is ontsnapt, en pas toen de oude Herodes drie jaar later, opgevreten door de luizen, gestorven was, behouden en wel in de omgeving van Nazareth is terug­gekeerd en daar in stille afzondering zonder enig noemenswaardig onder­richt is opgegroeid en een volwassen man is geworden.

Toen hij twaalf jaar oud was, kwam Hij met Zijn aardse ouders voor het voorgeschreven knapenexamen naar Jeruzalem, bleef drie volle dagen in de tempel en bracht door Zijn antwoorden en vragen alle oudsten, schriftgeleerden en Farizeeën in opperste verbazing, wat mijn vader, die zelfs vanwege de armoede van Zijn ouders het tamelijk hoge examengeld voor Hem betaald had, mij verteld heeft.

Ook dat zullen de ouderen onder jullie zich nog zeker herinneren, alhoewel niet het feit dat Hij aan de woede van Herodes ontsnapt is en na drie jaar weer uit Egypte naar Nazareth is teruggekeerd.

En kijk, de man die nu zulke grote werken doet, enkel door de zuiver goddelijke macht van Zijn wil en Zijn woord, is precies dezelfde als de dertig jaar geleden in Bethlehem geboren koning der joden en precies dezelfde als de wijze jongeman, die twintig jaar geleden de hele tempel in opperste verbazing gebracht heeft! (opm. Jezus was nu ruim 32 jaar oud!).

 

Jeugd Jezus 257: 1-25 (De dood van Herodes. Archelaüs wordt koning)

Omstreeks dezelfde tijd stierf Herodes, de kindermoordenaar, die door zijn zoon Archelaüs werd opgevolgd. Het was Jacob, die dit aan Jozef en Maria mededeelde.  Maar Jozef zei tegen Jacob: 'Niet dat wij je niet zouden gelo­ven, maar wat voor veranderingen moet dat voor mij meebrengen?' 'Dat laatste, vader, heeft de Heer mij niet opgedragen u mede te delen; maar, zoals de Heer nog steeds tot u gesproken heeft door de mond van een engel, zo zal Hij dat ook ditmaal doen. Want zou het niet in strijd zijn met de goddelijke orde, in­dien een zoon aan zijn vader zou wijzen welke weg te gaan!?'

 

De jeugd van Jezus 59:21-22

Herodes sterft aan luizen

Nu hief het Kindje een handje omhoog en, heel duidelijk sprak Het: 'Herodes, Herodes, geen vloek heb Ik voor jou, maar wel zul je -op deze wereld nog ­een vreselijk pijnlijke kroon moe­ten dragen; méér pijn zal die je veroorzaken, dan de vracht goud deed, die je aan Rome moest af­dragen! En terzelfder tijd dat het Kindje dit in Egypte zeide, werd Herodes overdekt met hoofdlui­zen! Tijdens de rest van zijn leven had zijn huispersoneel nog nau­welijks iets anders te doen, dan hem te zuiveren van de luizen, die zich enorm vermenigvuldigden, en die hem tenslotte de dood in voerden!

www.zelfbeschouwing.info