De vlucht naar Egypte

Matthéus 2:13-15 13 Toen zij nu vertrokken waren, ziet, de engel des Heeren verschijnt Jozef in den droom, zeggende: Sta op, en neem tot u het Kindeken en Zijn moeder, en vlied in Egypte, en wees aldaar, totdat ik het u zeggen zal; want Herodes zal het Kindeken zoeken, om Hetzelve te doden. 14 Hij dan opgestaan zijnde, nam het Kindeken en Zijn moeder tot zich in den nacht, en vertrok naar Egypte; 15 En was aldaar tot den dood van Herodes; opdat vervuld zou worden hetgeen van den Heere gesproken is door den profeet, zeggende: Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen.

 

Jeugd Jezus 33:1-39 (voorbereidingen voor de vlucht naar Egypte)

Die nacht verscheen er aan Jo­zef, zowel als aan Maria een En­gel, die sprak: 'Jozef, verkoop de schatten en koop er een paar lastdieren bij, want je moet met je gezin naar Egypte vluchten! Want Herodes heeft beslo­ten tot een afschuwelijke wraak­oefening, namelijk: om alle kin­deren van een tot twaalf jaar oud te vermoorden, omdat de Wij­zen hem hebben misleid. Zij hadden hem zullen mee­delen waar de nieuwe Koning is geboren, zodat hij dan zijn beuls­knechten had kunnen uitsturen om het Kindje, dat de nieuwe Ko­ning is, te vermoorden. Wij, Engelen des Hemels, hebben van de Heer, nog vóórdat Hij op aarde nederdaalde, op­dracht gekregen om op de aller­zorgvuldigste wijze te waken over je veiligheid. Daarom ben ik nu naar je toegekomen om je in te lichten Over wat Herodes gaat doen, nu hij zich niet van dat ene Kind waarom het gaat, met zekerheid meester kan maken.

 

De hoofdman zelf zal hem ­als hij niet door hem bij de keizer wil worden aangeklaagd -nota bene bepaalde faciliteiten moeten verlenen. Daarom moet je mor­gen al op reis gaan. Je kunt dit overigens maar het beste aan de hoofdman mee­delen, dan zal hij je behulpzaam zijn om sneller weg te komen. Zo moet het gebeuren in de naam van Hem, die aan de borsten van Ma­ria zuigt.’Jozef werd wakker en Maria ook. Terstond riep zij met angsti­ge stem Jozef bij zich en vertelde hem haar droom. In Maria's verhaal herken­de Jozef onmiddellijk zijn eigen droom; hij zei: 'Heb maar geen zorg Maria, voor de middag nog zullen wij over het gebergte zijn, en over zeven dagen zijn we in Egypte! Het wordt allicht, ik ga er nu maar direct op uit om alles voor een snel vertrek te regelen.

 

Jozef ging dan ook met zijn drie oudste zoons direct op pad; nam de schatten mee, en bracht die naar een ruilhandelaar. Deze deed hem vlug open en kocht alles tegen de juiste waarde op. Daarna, geleid door een bediende van die handelaar, ging Jozef naar een veekoopman en kocht van hem onmiddellijk zes pakezels, waarna hij, aldus goed toegerust, in de grot terugkeerde. Daar bleek de hoofdman al op hem te wachten, die hem on­verwijld mededeelde, welke aller­gruwelijkste en schandalige be­richten hem vanuit Jeruzalem ter ore waren gekomen. Jozef verwonderde zich niet over deze mededelingen van de hoofdman; hij zei slechts op rustige, gelaten toon: 'Waarde vriend, al wat U mij nu vertelt -maar dan nog pre­ciezer -heeft de Heer mij van­nacht, zoals ik U trouwens giste­ren al voorspelde, doen weten: al­les namelijk wat Herodes heeft besloten te doen. Ge zult hem nota bene zelf nog hulp moeten bieden ook, want hij wil in de stad Bethlehem en omgeving alle kinderen, vanaf enkele weken oud tot de twaalf­jarigen toe, laten wurgen om zo tussen hen ook mijn Kind te achterhalen! Daarom moet ik vandaag nog hiervandaan vluchten, en wel daarheen, waarheen de Geest des Heren mij voeren zal om aan de wreedheid van Herodes te ont­komen.

 

Wees dus zo goed mij de veiligste weg naar Sidon te wijzen, want binnen het uur moet ik al opbreken. Toen de hoofdman dit ge­hoord had, werd hij verschrikke­lijk woedend op Herodes, en hij bezwoer hem grenzeloze wraak, zeggend: 'Jozef, zo waar de dag aan­breekt en de zon al is opgegaan; zo waar jullie God leeft, zo waar ook zal ik mij nog eerder laten kruisigen, alhoewel ik toch een Romeins edelman ben, dan dat ik die snoodaard een derge­lijke monsterlijke misdaad niet betaald zou zetten. Ik zal jullie onmiddellijk, en met een goed escorte, over het gebergte leiden, en zodra ik jullie veilig weet zal ik mij terughaasten en onverwijld een ijlbode naar Rome sturen, die de keizer van alles op de hoogte moet stellen wat Herodes voornemens is te doen. Zelf zal ik alles in het werk stellen om het plan van dat mon­ster te verijdelen.'

 

Jozef antwoordde: 'Waar­de vriend, als ge echt iets kunt doen, bescherm dan tenminste de kinderen van drie tot twaalf jaar; misschien zal dat je gelukken. De kinderen van 0 tot en met twee jaar zult U, denk ik, niet kunnen redden. En de bescherming van de eerder genoemden zal niet door geweld, alleen door list kunnen gelukken. De Heer zal daarbij hel­pen. U behoeft U daarom niet zelf het hoofd te breken over wat er te doen is; de Heer zal U heimelijk leiden.’Nu zei de hoofdman echter weer: 'Nee, nee, er mag geen kin­derbloed vloeien; dan zal ik nog liever militair geweld gebruiken.’

 

Jozef nu weer: 'Man, denk toch even na. Wat kunt U nu hele­maal doen, nu Herodes zojuist met een heel Romeins legioen Je­ruzalem verlaat? Wilt U soms tegen Uw eigen troepenmacht ten strijde trekken? Doe dus wat de Heer U zal ingeven om op die ma­nier­ zonder uit de gratie te gera­ken - toch de drie­ tot twaalfjari­gen te redden.' Nu gaf de hoofd­man eindelijk toe.

 

Jeugd Jezus 34:1-34 (Jozefs route)

Na dit gesprek van Jozef met de hoofdman zei Jozef tegen zijn zoons: 'Maak je vlug klaar en be­pak de vrachtezels. Zadel de zes nieuwe ezels voor mij en voor jullie zelf, en de oude beproefde voor Maria. Neem zoveel mogelijk leeftocht mee. De os en de ossenwagen laten we hier voor de vroedvrouw, als een aandenken en als beloning voor haar zorg en toewijding voor ons.' De os en de ossenwagen wer­den dus door de vroedvrouw in­derdaad in bezit genomen; ze werden nadien nooit meer voor arbeid gebruikt! Salome vroeg ook aan Jozef of zij mee mocht. Maar Jozef moest haar wel antwoorden: 'Dat zul je zelf moe­ten beslissen; je weet dat ik arm ben en niet voor je kan zorgen. Als je als dienstbode mee zou wil­len;gaan, zou ik je zelfs geen loon kunnen betalen. Alleen als je beschikt over eigen middelen, en als je mij dan daarmee kunt helpen in ons le­vensonderhoud te voorzien, mag je ons volgen.

 

Salome nu weer: 'Luister zoon van de grote koning David: niet slechts voor mij alleen, maar voor je hele gezin, zou mijn ver­mogen wel gedurende honderd jaar voldoende zijn! Want ik ben rijker aan aard­se goederen dan je wel denken zoudt. Als je nog een uur wacht zal ik, met schatten beladen reis­klaar staan.’ Maar Jozef bracht daar vlug tegenin: 'Maar Salome, bedenk toch eens dat je nog een jonge weduwe bent, en dat je moeder bent: Je zoudt dus ook je beide zoons mee moeten nemen. Daaraan zou je nog een he­leboel werk hebben, terwijl ik geen minuut te verliezen heb! Binnen drie uur kan Herodes hier al binnentrekken, zijn voorposten en voorlopers al wel binnen een uur! Je zult dus wel begrijpen, dat het voor mij onmogelijk is om op jouw voorbereidingen te wach­ten. Daarom vind ik dat je er beter aan doet hier te blijven, zo­dat ik door jou niet word opge­houden. Als ik - als het God be­lieft - ooit terugkom, dan ga ik weer te Nazareth wonen. Maar, als je me nog een dienst zou willen bewijzen, ga dan bij gelegenheid eens naar Na­zareth en pacht mijn grond er dan voor nog drie tot zeven jaren of 10 jaren bij, dan komt die tenminste niet in vreemde handen!'

 

Nu deed Salome afstand van haar verlangen, en ze nam er genoegen mee om voor de uitvoe­ring van deze vertrouwensop­dracht te mogen zorgen. Jozef omhelsde vervolgens de hoofdman en zegende hem. Daarna riep hij Maria toe om met het Kind je op haar rijdier plaats te nemen. Toen nu alles klaar was voor het vertrek, zei de hoofdman tegen Jozef: 'Meest achtenswaar­dige van alle mannen, die ik ken, zal ik je met het Kindje en Diens Moeder ooit nog eens terugzien?' Jozef gaf hem ten ant­woord: 'Over nauwelijks drie ja­ren zal ik, zowel als het Kind en Zijn Moeder je opnieuw begroe­ten, reken daar gerust op. En nu vertrekken we. Amen.‘

 

Jozef zette zich nu op zijn lastdier, terwijl zijn zoons zijn voorbeeld volgden. Hij greep ver­volgens de teugels van Maria 's ezel en leidde hem de grot uit, inmiddels de Heer lovende! Ze hadden het grondgebied van de stad al achter zich, toen Jozef een flinke menigte uit de stad zag naderen, die het vertrek van het geboren Kind wilde gade­slaan. De terugkerende vroed­vrouwen de geldwisselaar hadden namelijk verteld, dat dit ging ge­beuren. Die nieuwsgierigheid kwam voor Jozef echter zeer on­gelegen, dus bad hij de Heer om hen zo gauw mogelijk te onttrek­ken aan de nieuwsgierigheid van die nutteloze menigte.

 

Zijn gebed werd aanstonds zeer duidelijk verhoord, want on­middellijk viel er een dichte nevel over de gehele stad, zodat nie­mand nog meer dan vijf meter voor zich uit kon zien. Teleurgesteld trok het volk zich nu weer in de stad terug. Zo kon Jozef, geleid door de hoofd­man en Salome, toch ongezien het nabijgelegen gebergte bereiken. Toen ze het grensgebied tussen Judea en Syrië naderden, overhandigde de hoofdman aan Jozef een vrijgeleide, bestemd voor de landvoogd Cyrenius, want die voerde het opperbevel over Syrië. Dankend nam Jozef dit in ontvangst, waarbij de hoofdman hem nog toevoegde: 'Cyrenius is zoveel als een broer voor mij; meer behoef ik je dus niet te zeg­gen! Goede reis, en kom gezond weerom!' Vervolgens maakten de hoofdman en Salome rechtsom­keert, terwijl Jozef in de naam des Heren verder trok.

 

Tegen het middaguur had Jozef het hoogste punt van het bergplateau, op een afstand van twaalf uren gaans vanaf Bethle­hem al bereikt; dit bergplateau lag in Celesyrië, al veilig op Syrisch gebied dus. Jozef moest deze tamelijk grote omweg wel nemen, omdat er vanuit Palestina geen directe en veilige verbindingsweg naar Egypte bestond. Jozefs reisroute was als volgt: De eerste dag bereikte hij de omgeving van het stadje Bostra, waar hij overnachtte, de Heer dankte en loofde. Het was daar, dat er rovers opdoken om hen te bestelen. Maar toen die het Kindje zagen, vielen ze uit eerbied plat ter aarde en aanbaden Het! Met de schrik in hun benen schoten ze daarna weer terug het gebergte in. De volgende dag trok Jozef andermaal over een fors gebergte om des avonds in de buurt van Paneia te arriveren, een plaatsje dat in de noordelijke grensstreek tussen Palestina en Syrië ligt. Van daaruit bereikte hij de derde dag de provincie Fenicië en kwam in het gebied van Tyrus, waar hij zich de volgende dag met zijn vrijgeleide naar Cyrenius be­gaf. Die hield toen namelijk voor staatszaken juist te Tyrus verblijf.

Cyrenius bood allervrien­delijkst onderdak aan en vroeg wat hij verder nog voor hem zou kunnen doen. Jozef vertrouwde hem nu toe, dat hij veilig naar Egypte zou willen komen. Maar Cyrenius ant­woordde hem: .Beste man, je hebt een enorme omweg gemaakt, want Egypte ligt veel dichter bij Palestina dan Fenicië! Je zou dus nu weer dwars door Palestina moeten, namelijk van hier naar Samaria, dan naar Joppe en Aska­lon. En vandaar naar Gaza, dan naar Gerar en vervolgens naar Pe­lusa.' Nu werd Jozef erg treurig, dat hij zich zo verschrikkelijk ver­gist had. Dit wekte Cyrenius' me­delijden op, hij zei: 'Beste man, je nood gaat mij ter harte. Welis­waar ben je een jood, dus voor ons Romeinen een vijand, maar omdat mijn broeder, die voor mij alles betekent, je zo graag mag, daarom wil ook ik je een vrien­dendienst bewijzen. Morgen vaart er een klein maar veilig schip van hier naar Ostracine! Daarmee kun je in drie dagen in Egypte zijn. Als je name­lijk in Ostracine bent, ben je te­vens in Egypte! Niettemin zal ik je dan ook nog een vrijgeleide ge­ven, opdat je ongehinderd in Os­tracine kunt verblijven en je je daar ook het nodige zult kunnen aanschaffen. Maar voor vandaag ben je mijn gast; laat je bagage dus maar binnen brengen.'

Pseuo-Mattheus Evangelie

Toen nu Herodes zag dat hij door de magiërs bedrogen was, is zijn hart van toorn opgezwollen en zond hij langs alle wegen, want hij wilde hen vangen en doden. En toen hij hen volstrekt niet vinden kon, zond hij wederom naar Bethlehem en al zijn omstreken, en doodde alle knapen die hij vond, van twee jaar af en daaronder, volgens de tijd die hij van de magiërs had aangevraagd. Maar één dag voor dat dit geschiedde, is Jozef in de droom door een engel des Heeren gewaarschuwd, die zei: ‘Neem Maria en het Kind, en reis langs de weg van de woestijn naar Egypte’. Jozef nu ging volgens het woord van de engel. En toen zij gekomen waren bij een zekere spelonk, en daarin wilden uitrusten, steeg de zalige Maria van het lastdier; en zij ging zitten, houdend de knaap Jezus op haar schoot. En nu waren met Jozef drie knapen en met Maria een zeker meisje die tegelijk met hen de reis maakten. En zie, plotseling zijn er uit de spelonk vele draken uitgegaan, op wier gezicht de knapen het van zeer grote vreze uitschreeuwden. Toen daalde Jezus af van de schoot van zijn moeder, en stond op zijn voeten voor de draken. Maar deze aanbaden Jezus. Vervolgens gingen zij van hen weg. (opmerking: hierin zien we een wat vertekend beeld: de drie knapen waren de drie zoons van Jozef (dat klopt dus geheel) – het meisje in dit verhaal zou aanvankelelijk Salome zijn geweest, maar die bleef op aandringen van Jozef toch in haar land – de drie draken waren de drie rovers, die inderdaad het Kind Jezus aanbaden en toen weggingen). Toen is vervuld hetgeen gezegd is door de profeet David, zeggend:’looft de Heer vanwege de Aarde, gij draken! Gij draken en alle afgronden! Doch het kindje Jezus, wandelend voor hun aangezicht, beval hun dat zij niemand van de mensen zouden schaden. Maar Maria en Jozef vreesden zeer dat misschien het Kindje door de draken leed aangedaan zou worden. Tot hen zei Jezus: ‘Wil niet vrezen; en beschouw mij niet alsof Ik een Kindje ben. Ik immers ben altijd volmaakt geweest en ben het nóg. Het is noodzakelijk dat alle wilde dieren der wouden voor Mij tam worden!’

Op gelijke wijze aanbaden Hem de leeuwen en vergezelden Hem in de woestijn. Wáárheen ook maar Jozef en de zalige Maria gingen, gingen deze hen voor, hun tonend de weg en buigend hun koppen. En deze dienst met kwispelende staarten vervullend, aanbaden zij Hem met grote reverentie. In het eerst nu, als Maria de leeuwen en panters rondom hen zag komen, en onderscheidene soorten van wilde dieren, werd zij heftig bevreesd. Maar het Kindje Jezus zag haar met vrolijk gelaat aan in het gezicht en zei: ‘Wil niet vrezen, moeder; want niet om u lééd te doen komen zij, maar om u en Mij te dienen, haasten zij zich te komen’. Door deze woorden bande Hij de vrees uit haar hart.

De leeuwen nu wandelden tegelijk met hen en met de ossen en ezels en lastdieren die voor hen hun noodzakelijke dingen droegen; en geen enkel leed deden zij hen aan, hoewel zij bij hen bleven. Maar zij waren tam en onder de schapen en rammen, die zij uit Judea met zich voerden en bij zich hadden. Tussen wolven wandelden zij en vreesden niets en niemand werd door een ander leed aangedaan. Toen is vervuld hetgeen gesproken is door de profeet: ‘Wolven zullen weiden met lammeren; de leeuw en de os zullen te samen stro eten!’ Er waren ook twee ossen en een vrachtwagen waarop zij het noodzakelijke vervoerden, die de leeuwen de weg wezen op hun reis. (Opmerking: Jammer genoeg schetst dit verhaal een incompleet beeld over de ware toedracht; Jozef en Maria zijn weliswaar naar Egypte gereisd – en door de woestijn, maar in omgekeerde volgorde – dus naar het Noorden, naar Syrië. Vandaar werden zij ingescheept door Cyrenius en reisden per schip in enige dagen naar Egypte. Het verhaal van de wilde dieren klopt in zoverre, dat dit ter sprake kwam tijdens het verblijf in Egypte in Ostracine, waar het gezelschap (met andere daar gemaakte vrienden) dagtochten maakten door de woeste bergomgeving en haar wilde dieren. Jozef heeft alleen meegenomen de os en de ezel; zijn huisdieren heeft hij in Nazareth achtergelaten onder hoede van de vroedvrouw Salome! Hier worden feiten door elkaar gehaald, terwijl de ware geschiedenis identiek geweest is betreft een geheel andere omgeving.In het verdere verhaal van de pseudo-Mattheus wordt gesproken over de palmboom en de waterbron die hen allen moesten voorzien van water. Daar dit verhaal niet bekend is in de Bijbel zowel niet in het Jakobusverhaal’ Jeugd van Jezus, moest het hier buiten beschouwing gelaten worden.]

Toen zij na deze dingen hun weg voortzetten, zei Jozef tegen het Kindje Jezus: ‘Heer, die hitte kookt ons gaar. Indien het U behaagt, zo laat ons houden, de weg langs de zee, opdat wij in de zeesteden kunnen uitrusten’. Het Kindje Jezus zei tot hem: ‘wil niet vrezen, Jozef! Ik zal voor u de weg verkorten, opdat gij de afstand die gij in dertig dagen zult kunnen gaan, in één dag volbrengt’. Terwijl zij deze dingen spraken, zie daar zagen zij voor zich de Egyptische bergen en begonnen zij de steden van dat land te zien. (opmerking: zoals geschreven de reis werd per zee en niet over land gedaan; inderdaad doemde het aan Israel grenzende land Egypte op en zij zagen een Egyptische stad voor zich liggen – ook deze zeereis werd door toedoen van de Heer verkort. Hier zien we wel een identieke historie, maar toch even anders!!!...

Opmerkingen: hier volgt – zo waar zonodig puntsgewijs ‘de Jeugd Jezus in een notendop’- de aandachtspunten vind je daar!

Jeugd Jezus 35 - De Heilige Familie bij Cyrenius. Jozef spreekt uitvoerig met Cyre­nius. Cyrenius, de kindervriend, en het Kindje Jezus. Bewijzen van Diens Goddelijkheid

                                                                                                                                                           

Jeugd Jezus 36 - Jozef aan de tand gevoeld. Zijn verklaring over het Wezen van het Jezuskind. De brief van Cornelius. Jozefs raad om er het zwijgen toe te doen. Tegenspraak en twijfels. Jozefs energieke zelfverdediging tegenover de staatsdienaar

 

Jeugd Jezus  37 - Cyrenius' zachtmoediger verklaring en Jozefs antwoord. De eer als schat der armen. Het verzoeningsmaal. Jozefs goede raad. Cyrenius' nieuwsgierigheid bestraft. De geschiedenis van de ont­vangenis van het Kindje. Cyrenius aanbidt het Kindje. De waar­heid bevestigd

 

Jeugd Jezus 38 -  Heidens voorstel van Cyrenius om het wonderkind naar het keizerlijk hof te Rome te brengen. Jozefs afwijzing onder ver­wijzing naar des Heren nederigheid. Profetische woorden over de geestelijke levenszon

 

Jeugd Jezus  39 - Matigheid van Cyrenius in eten en drinken. Jozefs dankgebed en de goede uitwerking daarvan op Cyrenius. Jozef over dood en eeuwig leven. Het wezen en de waarde van de genade

 

Jeugd Jezus 40 - Hoogachting van Cyrenius voor Maria. Maria's troostvolle ant­woord. Cyrenius' gelukwens tot Jozef. Jozef spreekt over de ware Wijsheid

 

Jeugd Jezus 41 - Jozef voorspelt de kindermoord. Cyrenius is woedend op Hero­des. Voorspoedige zeereis naar Egypte. Jozef geeft zijn zegen aan de schippers als loon

Jozef antwoordde Cyrenius: 'Beste vriend, dit is een goed en edel voorstel, maar het lijkt mij voor U nauwelijks uitvoerbaar. Immers deze nacht nog zul­len hier brieven van Herodes voor U bezorgd worden. Daarin zult U worden opgeroepen om alle jon­getjes van een en van twee jaren oud, die hier langs de kust maar te vinden zijn, naar Bethlehem te zenden, opdat Herodes ze kan doden. Tegen Herodes kunt U zich natuurlijk wel verzetten, maar voor Uw broeder te Bethlehem is dat helaas niet mogelijk! Die is wel genoodzaakt om - als hij zich niet wil blootstellen aan een beet van deze giftigste aller slangen ­dit politieke spel mee te spelen. Geloof me, terwijl wij hier nu samen zijn, wordt er in Bethle­hem gemoord, en verscheurt een honderdtal moeders haar kleren in wanhoop om dit allerwreedste verlies van haar kinderen. Dit speelt zich allemaal af om dit ene Kind van wie de Wijzen uit Perzië voorzegden dat Het een Koning der joden zal zijn! Herodes dacht dat het ging om een wereldse koning; die wilde hij doden, omdat hij de heer­schappij over Judea erfelijk voor zich opeist, en omdat hij bang is, dat die hem zou kunnen worden ontnomen, terwijl dit Kind toch op de wereld gekomen is om het menselijk ras van de eeuwige dood te verlossen!'

 

Toen Cyrenius dit hoorde, sprong hij op van woede tegen Herodes en hij zei tegen Jozef: 'Luister, man Gods, het zal dit monster niet gelukken mij als zijn werktuig te misbruiken! Van­daag nog zullen wij met jullie ver­trekken, en op mijn schip, dat dertig riemen telt, zullen jullie een goede slaapgelegenheid vinden. Mijn meest vertrouwde en onder ede staande bedienden, die hun trouw bij aIle goden hebben gezworen, zal ik voorts instructies geven, wat zij moeten doen met boodschappers, die hier eventueel met boodschappen voor mij kun­nen aankomen. U moet namelijk weten, dat die boden, volgens onze ge­heime wetgeving, zolang in verze­kerde bewaring moeten worden gehouden, tot ik hier terugkom! Maar hun brieven zullen hun worden afgenomen, en die zullen mij, buiten weten van die boden om, worden nagezonden, zodat ik van de inhoud kan ken­nisnemen. Nu al weet ik, wat de in­houd van die brieven zal zijn, en ook weet ik al, hoelang ik weg zal blijven. Eventueel nagezonden boden moeten dan ook maar in de wachttoren worden afgezonderd, net zolang tot ik terugkom! Laat Uw gezin zich dus reisvaardig maken, dan kunnen we ons dadelijk op het veilige schip inschepen.

 

Jozef was hiermee zeer te­vreden, en binnen het uur waren allen voortreffelijk op het schip ondergebracht. Zelfs Jozefs pak­ezels werden behoorlijk gestald. Dank zij de noordenwind hadden ze een vlotte afvaart. Zeven dagen duurde de tocht, en alle zeelui bezwoeren dat ze op deze wateren nooit eerder in dit jaargetij zo, zonder ook maar de kleinste moeilijkheid, hadden geroeid! En ze hielden dit voor dit jaargetijde voor des te verwon­derlijker, omdat Neptunus, naar hun geloof hen leerde, juist in dit seizoen zijn element grillig te keer placht te doen gaan, daar hij op de bodem van de zee zijn scheppin­gen ordende, en daar met zijn ge­trouwen beraadslaagde. Tot die zeer verwonderde zeelui zei Cyrenius: 'Twee soorten van domheden zijn er: de ene is een vrijwillige, de andere is een verplichte! Als jullie geestelijk vrij zouden zijn, dan zou tegen die domheid iets gedaan kunnen wor­den; maar jullie domheid is jullie voorgeschreven, en er staan sanc­ties op. Daarom is daar niets tegen te doen! Denken jullie dus maar dat Neptunus zijn drietand even kwijt is, en hij zich niet wilde verstouten om ons met zijn geschubde (blote) hand te straffen voor de "mis­daad" die we tegenover hem heb­ben begaan!'

 

Jozef vroeg Cyrenius nu: 'Is het niet gebruikelijk dat de zeelui beloond worden? Laat mij dan alstublieft mogen doen wat ge­bruikelijk is, zodat ze geen kwaad over ons kunnen spreken.’ Cyrenius zei echter: 'Neen, laat dat nu maar. Deze kerels staan onder mijn bevel, en ze hebben hun soldij. Verder mag U zich nergens druk over maken.' Maar Jozef wierp tegen: 'Dat kan wel zijn, maar zij zijn toch ook mensen, zoals wij, laten we hen dus ook als mensen bejegenen. Laat het zijn dat hun dom­heid een opgelegde domheid is; laten zij zich daaraan desnoods lij­felijk wijden, maar laat mijn gave hun geesten vrij mogen maken! Laat hen dus aantreden, dan kan ik hen zegenen, zodat zij in hun harten gewaar mogen wor­den, dat ook voor hen de zon van genade en verlossing is opgegaan.

Cyrenius riep nu de zeelui bijeen, waarna Jozef de volgende woorden tot hen sprak: 'Luistert, gij trouwe diena­ren van Rome, en van Uw Heer . Trouw en ijverig hebben jullie dit schip voortgestuwd. Die tocht was in mijn belang, dus komt jullie dan ook mijnentwege een goede beloning toe! Maar ik ben arm en bezit goud noch zilver. Wat ik wel heb, dat is de genade Gods in rijke ma­te, en wel van die God, die jullie de Onbekende noemen! Moge die grote God in jul­lie harten de genade storten, op­dat jullie geest zal ontwaken!' Door deze woorden kwam over allen een gevoel van grenze­loze zaligheid, zodat ze allen de Onbekende God begonnen te lo­ven en te prijzen!

Cyrenius verwonderde zich hogelijk over deze zegenrijke uit­werking en liet terstond zichzelf ook door Jozef zegenen.

 

Jeugd Jezus 42 – De uitwerking van de genadevolle zegening op Cyrenius. Jozefs nederige getuigenis over zichzelf en diens goede raad aan Cyre­nius. Aankomst in Ostracine (Egypte)

 

Ook Cyrenius werd vervuld van een hevig gevoel van zaligheid. Hij drukte dat als volgt uit: 'Luis­ter achtenswaardigste man, nu onderga ik weer hetzelfde, als wat ik ervoer toen ik het Kindje op mijn arm droeg. Bent U dan misschien één ­van natuur met Hem, of hoe komt het, dat ik nu weer dezelfde zegen ondervind?'

Jozef zei: 'Edele vriend, niet van mij, maar uitsluitend van de Heer van Hemel en aarde gaat een dergelijke Kracht uit. Bij een gelegenheid als deze gaat die slechts "door mij heen", om dan "als zegen in U over te gaan"! Ik heb zo'n Kracht nooit van mijzelf, want God-alleen is al­les in alles! Eert dus in Uw hart steeds deze enige ware God, dan zal de Volheid van deze zegen-van-Hem nooit van U wijken!'

 

En verder zei Jozef nog: 'Wij hebben nu wel met Gods almach­tige hulp deze kust bereikt, maar , naar het mij toeschijnt, zijn we nog lang niet in Ostracine. Welke kant uit ligt het? Welke richting moeten we hou­den? De dag loopt al ten einde. Wat doen we? Gaan we verder, of blijven we hier tot morgen?' Cyrenius nu: 'Kijk, hier zijn we bij de ingang van de grote baai; in de binnenste inham ervan, daar rechts van ons ligt Ostracine, een rijke handelsstad. In minder dan drie uur kun­nen we daar zijn, maar als we er 's nachts aanleggen, dan zullen we toch moeilijk onderdak vinden. Het lijkt mij dus beter dat we nu hier op het schip overnachten en er morgen heengaan.

 

Maar nu zei Jozef: 'Maar vriend, als het maar drie uur is, laat ons dan niet hier blijven sla­pen. Wel lijkt het mij goed dat Uw schip hier blijft liggen, om geen opzien te baren in de stad, dan kan ik ook heimelijk op de plaats van bestemming arriveren. Want als de Romeinse be­zetting daar het schip van een Ro­meins landvoogd in de gaten krijgt, dan, neem ik aan, zal die U toch zeker met grote eer ontvan­gen.  Als Uw vriend zou ik dan ongewild deel krijgen aan die ver­ering, en dat zou ik bijzonder on­aangenaam vinden. Het lijkt mij daarom wen­selijker de reis onmiddellijk voort te zetten over land wel te ver­staan. Mijn pakezels zijn nu wel voldoende uitgerust om ons in korte tijd naar Ostracine te kun­nen brengen. Mijn zoons zijn sterk en vlot ter been; zij kunnen te voet gaan, terwijl U dan met het on­misbare deel van Uw gevolg ge­bruik kunt maken van de vijf vrij­komende lastdieren; we komen dan gemakkelijk in de helemaal niet zo ver gelegen stad.

 

Cyrenius ging met Jozefs advies akkoord, droeg het schip tijdelijk over aan de scheepslui, om er goed op te passen. Hij nam nog vier bedienden mee, die mede de lastdieren van Jozef bestegen, en trokken zo met Jozef naar de stad. Binnen twee uur waren ze er al. Toen ze de stad binnentrok­ken, werden zij aangesproken door de poortwachter, die naar hun papieren vroeg. Cyrenius maakte zich nu aan de poortwachter bekend. De­ze liet hem direct ceremonieel be­groeten door de soldaten die daar waren en trof voorts de nodige maatregelen voor onderdak. Zo werd ons reisgezel­schap, zonder ook maar de gering­ste problemen, direct en zo gun­stig mogelijk voor hen, in de stad ondergebracht.

 

Jeugd Jezus 43 (Cyrenius koopt een landhuis voor de H. Familie)

In dit hoofdstuk worden Jozef en Maria verrast door Cyrenius, die zomaar even een prachtig landhuis met een groot landstuk voor de heilige familie kocht met alles erop en eraan: een kelder boordevol met proviand,  koeien op stal, tuin met groente en een volle boomgaard met veel dragende heerlijke  vruchten. Dan gaat het verhaal verder, want Jozef en Maria verbleven in Egypte circa drie jaren.

De belevenissen die ze daar opdeden, zijn uitvoerig beschreven in de verdere hoofdstukken van ‘de jeugd van Jezus’ (de delen 43-256), een ultiem boeiend en zeer leerzaam Goddelijk boek.

 

Opmerking: in het nu volgende weer de ‘Jeugd van Jezus’ een beknopte weergave van alle hoofdstukken tot weer het vertrek van uit Egypte naar het Nazareth van Galilea.

 

Pseudo Mattheus Evangelie

En zich verheugend en juichend geraakten zij (de heilige familie) in het gebied van Hierapolis, en zijn binnengegaan in een zekere stad van Egypte (hier bedoelt Ostracine) die Sotinen genoemd wordt (opmerking: dit moet wellicht een verbastering zijn van: tine = cine en so = os (os-cine = ostracine). En omdat in deze geen enkele bekende was van wie zij gastvrijheid konden verzoeken, zijn zij een tempel binnengegaan, die het capitool (let wel, d.i.: kapitaal) van Egypte genoemd wordt. In welke tempel driehonderd vijf en vijftig afgodsbeelden stonden, aan wie, aan ieder op zijn dag, de eer der goddelijkheid met heiligschendingen werd gebracht. De Egyptenaren van die stad nu gingen in het capitool, in hetwelk de priesters hen er aan herinnerden hoeveel offers zij op elke dag, naar de eer, welke hun godheid toekwam, moesten brengen.

 

Opmerking: ook hier zien wij weer een verbasterd beeld. Inderdaad kwamen zij later wel langs een tempel (er niet in!) en is er sprake van vele afgodsbeelden in hun tempel. Zodra het Kindje Jezus in de buurt kwam van een afgodsbeeld, werd het beeld opgelost in het niets. Dit berust wel op waarheden, maar onder andere omstandigheden, zoals we kunnen nalezen in de Jeugd van Jezus.  De volgorde van dit verhaal is hier nogal kort door de bocht. En ze stonden voornamelijk onder ‘bescherming’ van Cyrenius.

 

Pseudo-Mattheus Evangelie

Het geschiedde nu, toen de zeer zalige Maria met het kindje de tempel was ingegaan, dat alle afgodsbeelden ter aarde gestort zijn, zodat zij alle geheel verbroken en vermorzeld op hun aangezicht lagen. En zo bewezen zijn evidentelijk dat zij niets waren. Toen is vervuld hetgeen gezegd is door de profeet Jesaja: ‘Zie de Heer zal komen op een lichte wolk en zal Egypte binnengaan, en voor Zijn aangezicht zal alle handwerk der Egyptenaren bewogen worden.

Toen dit aan Affrodosius, de bevelhebber van die stad was gemeld (opmerking: mogelijk de bevelhebber die onder Cyrenius stond), kwam hij met zijn gehele leger naar de tempel. Toen nu de priesters des tempels zagen dat Affrodosius met zijn gehele leger naar de tempel kwam, meenden zij niet anders dan zich te kunnen haasten met de wraak te zien ten opzichte van hen door wier schuld de goden waren omgevallen. Hij nu kwam in de tempel, maar toen hij zag dat alle afgodsbeelden op hun aangezichten op de grond lagen, naderde hij tot de zalige Maria welke op haar schoot de Heer droeg; en hem aanbiddend sprak hij tot zijn gehele leger en tot al zijn vrienden: ‘indien deze niet ware de God van onze goden is, zo zouden onze goden geenszins voor zijn aangezicht op hun aangezichten gevallen zijn. Hierdoor geven zij zwijgend getuigenis dat hij hun Heer is. Wij derhalve, wanneer wij zien wat onze goden doen, dit niet voorzichtig nadoen, anders lopen wij het gevaar hun verontwaardiging te ondergaan en gezamenlijk tot de ondergang te geraken., gelijk het ook Farao overkwam, de koning der Egyptenaren. Die, omdat hij in zoveel krachten niet geloofde, met zijn gehele leger in de zee gedompeld is!’ Toen geloofde het hele volk van deze stad aan de Heer God, door het Kindje Jezus.

www.zelfbeschouwing.info