De drie wijzen uit het morgenland

 

M a t t e ü s 2:1-12

Toen Jezus geboren was, in Betlehem in Judea, onder de regering van koning Herodes, kwamen er wijzen uit het Oosten in Jeruzalem aan. 2 Zij vroegen: ‘Waar kunnen wij de pasgeboren koning van de Joden vinden? Want wij hebben zijn ster zien opgaan en zijn gekomen om hem te aanbidden.’ 3 Toen koning Herodes hiervan hoorde, schrok hij zeer, en met hem heel Jeruzalem. 4 Hij riep alle opperpriesters en schriftgeleerden van het volk bijeen en wilde van hen weten waar de Christus geboren zou worden. 5 ‘In Betlehem in Judea,’ antwoordden ze, ‘want de profeet heeft geschreven: 6 En u, Betlehem in het land van Juda, u bent zeker niet de minste onder de groten van Juda, want een groot man zult u voortbrengen, de herder van mijn volk Israël.’ 7 Vervolgens riep Herodes de wijzen in stilte bij zich en vroeg hun nauwkeurig naar de tijd waarop de ster verschenen was. 8 Daarop zei hij hun naar Betlehem te gaan, en daar een zorgvuldig onderzoek in te stellen naar het kind. ‘En,’ zei hij, ‘kom het me vertellen als u het kind gevonden hebt, want ik wil hem ook gaan aanbidden.’

9 Na dit onderhoud met de koning gingen ze op weg. En nu ging de ster die ze hadden zien opgaan, voor hen uit tot boven de plek waar het kind was; daar bleef zij staan.10 Toen ze dat zagen, waren ze bijzonder verheugd.

11 Ze gingen het huis binnen en zagen het kind met zijn moeder Maria. En ze wierpen zich voor hem in aanbidding neer. Ze openden hun kistjes met geschenken en boden hem goud, wierook en mirre aan. 12 En in een droom kregen ze de waarschuwing niet meer naar Herodes te gaan. Daarom keerden ze langs een andere weg naar hun land terug.

 

Jeugd Jezus 28:1-28 (Een bericht over een karavaan uit Perzië)

De volgende morgen zei Jozef 'Waarom zouden we hier nog lan­ger blijven? Maria is weer her­steld. Laten we dus maar opbre­ken en terugkeren naar Nazareth; daar hebben we tenminste een be­hoorlijk onderkomen.' Maar toen Jozef al aanstal­ten maakte om op te breken, kwam de hoofdman, die voor het aanbreken van de dag al iets in de stad te regelen had gehad, op de terugweg weer 'even aan' en hij zei tegen Jozef: 'Eerwaarde Godsman, wil je opbreken en naar huis terugke­ren? Doe dat nog niet! Voor van­daag, morgen en overmorgen moet ik het beslist afraden. Zoëven heb ik namelijk be­richt gekregen van mensen van mij, die vanmorgen al voor dag en dauw uit Jeruzalem zijn aangeko­men, dat in Jeruzalem drie enor­me karavanen uit Perzië zijn bin­nengetrokken. Drie sterrenkundigen, die de leiders van die karavanen zijn, hebben zich tot Herodes gewend, op zoek naar de nieuwgeboren Koning der Joden.  Herodes, die, als Romeinse zetbaas uit Griekenland, niet op de hoogte is, heeft zich tot de priesters gewend om te achterha­len waar die nieuw gezalfde gebo­ren zou moeten worden. Deze hebben hem bericht dat het in Judea en wel in Bethle­hem zou moeten zijn. Zo zou het "beschreven staan". Herodes heeft toen de pries­ters weggestuurd en zich, begeleid door heel zijn gevolg, opnieuw tot de leiders van de drie karavanen gewend om hun mede te delen wat hij van de hogepriesters verno­men had. Hij drong er bij die drie op aan, om in Judea zorgvuldig naar de nieuw gezalfde te zoeken, en om­ als zij hem zouden vinden ­weer met spoed bij hem terug te komen, opdat ook hijzelf het Kind je zou kunnen gaan huldi­gen!

 

Weet je, beste vriend Jo­zef, ik vertrouw die Perzen niet, maar de heerszuchtige Herodes nog minder! Die Perzen zouden magiërs zijn, en ze zouden die geboorte ontdekt hebben door een wonder­baarlijke nieuwe ster, hetgeen ik niet zou willen ontkennen. Want, nu zich bij de geboorte van dit Knaapje hier zulke grote wonde­ren hebben voorgedaan, kan dat in Perzië ook best het geval zijn geweest!  Maar, omdat het klaarblij­kelijk om dit Kind gaat, is nu een hachelijke situatie ontstaan: als de Perzen het Kind vinden, dan zal ook Herodes Het vinden. En dan zullen we ons tot het uiterste moeten verzetten om uit de klauwen van die oude vos te blijven. Daarom, zoals gezegd, moet je nog minstens drie dagen op deze afgelegen plaats blijven. In die tijd zal ik proberen om die koningszoekers om de tuin te lei­den, en dat zal best lukken! Ik beschik tenslotte over twaalf le­gioenen hier! Je weet nu wat je doen moet; meer kan ik je - ter­wille van je gemoedsrust - maar beter niet zeggen. Blijf dus! Ik ga nu, maar om twaalf uur kom ik terug!'

 

Jozef, die tezamen met zijn gezin door dit bericht verontrust was, bleef en in overgave aan de Wil des Heren, wachtte hij af wat uit deze vreemde samenloop van omstandigheden zou voortvloei­en. Hij ging naar Maria en ver­telde haar wat hij zojuist van de hoofdman had gehoord. Maria zei: 'De Wil des He­ren geschiede! AI heel wat erg ­bittere dingen zijn ons overko­men: de Heer heeft ze alle­ maal in honingzoete omgezet. Ook die Perzen zullen ons geen kwaad doen, als ze inder­daad naar ons zullen toekomen. En, voor het geval dat ze enig ge­weld tegen ons in hun schild voe­ren, dan is, door de genade Gods, altijd nog de bescherming van de hoofdman tot onze beschikking!'

 

Jozef zei tegen Maria: 'Dat komt wel in orde. Zelf heb ik ook geen angst voor die Perzen, maar grijsbaard Herodes, dat verscheu­rende dier in mensengedaante, die is het voor wie ik bang ben; en ook de hoofdman is bang voor hem! Want, gesteld dat door die Perzen definitief blijkt dat ons Knaapje de nieuwsgezalfde koning is, dan zal ons niets anders over­blijven dan een smadelijke vlucht! In dat geval zal ook de hoofdman, uit Romeins staatkun­dige overwegingen, en voor zijn eigen bestwil, wel tot een vijand voor ons moeten worden, als hij althans niet wil worden aangezien voor een afvallige van de keizer; hij zal ons móeten vervolgen i. p. v. ons te redden! Zelf ziet hij dat beslist ook wel in, want, met betrekking tot zijn verstandhouding tegenover Herodes gaf hij mij blijk van grote achterdocht. Dat is dan ook de reden dat hij ons nog drie dagen hier wil la­ten blijven. Als alles goed ver­loopt blijft hij zeker onze vriend. Als het daarentegen slecht verloopt, heeft hij ons prachtig bij de hand, om ons dan aan Herodes' wreedheid te kunnen uitleveren. Hij zal dan zelfs van zijn keizer nog een pluim krijgen, omdat hij op zo'n slimme manier een joodse koning die misschien ooit gevaar­lijk zou kunnen worden voor de staat, uit de wereld heeft gehol­pen!'

 

Maar Maria gaf ten ant­woord: ' Jozef, maak je over mij en ook over jou geen onnodige zorgen. Wij hebben immers het vloekwater gedronken zonder dat ons iets is overkomen, waarom zouden wij dan nog bang zijn. Daarvoor hebben we toch zeker al te veel van Gods Heerlijkheid dank zij dit Kindje mogen zien! Gebeure dus wat gebeuren moet! Ik garandeer je: De Heer is machtiger dan de Perzen, Hero­des, Rome's keizer, plus de hoofdman met z'n twaalf legioe­nen tezamen! Houd je dus kalm, zoals je ziet dat ook ik ben. Overigens ben ik ervan overtuigd dat de hoofdman eerder alles zal opgeven, dan zich tot on­ze vijand te laten maken!' Hierdoor werd de goede brave Jozef weer gerustgesteld. Hij wachtte rustig op de hoofd­man en liet intussen door zijn zoons de grot verwarmen en tege­lijk voor Maria, voor zichzelf en voor zijn zoons wat vruchten ko­ken.

 

Jeugd Jezus 29:13-31 (Goede getuigenis van de drie wijzen over het Kind)

……. Maar ze waren amper klaar met eten, toen voor de grot op­eens een geweldig lawaai ont­stond. Jozef stuurde Joël om te kijken wat er aan de hand was. Toen Joël bij de deur naar buiten keek (de uitgang was im­mers afgeschot), zag hij een enor­me Perzische karavaan met bela­den kamelen. Angstig zei hij: 'Om Godswil, vader Jozef, wij zijn verloren! De Perzen zijn er toch, en met veel kamelen, een hele stoet! Ze slaan hun tenten op en ze omringen onze grot in een grote kring. Drie leiders, getooid met goud, zilver en edelstenen, zijn bezig met het leeghalen van gou­den tassen. Ze maken aanstal­ten hierheen te komen, de grot in. Door deze mededelingen was Jozef nauwelijks in staat een woord uit te brengen. Met moeite kreeg hij over zijn lippen: 'Heer, wees een arme zondaar genadig. Ja, nu zijn we verloren.' Maria nam vlug het Kindje en snelde naar haar tent, terwijl ze riep: 'Over mijn lijk alleen zullen ze Het mij kunnen afnemen!'

 

Nu ging Jozef, door zijn zoons begeleid naar de deur en keek, verdekt opgesteld, naar wat de Perzen aan het doen waren. Toen hij nu de grote kara­vanen en de opgeslagen tenten zag, sloeg hem de schrik om het hart. Hartstochtelijk begon hij de Heer te smeken, dat Hij hem toch ook ditmaal weer uit deze ernstige bedreiging zou redden. Terwijl hij daar nu zo stond te bidden en smeken, zie, daar kwam de hoofdman -van top tot teen in wapenrusting - begeleid door wel duizend soldaten opda­gen. Hij stelde zijn soldaten aan beide zijden van de ingang van de grot op. Zelf liep hij op de magiërs toe en vroeg hen met welk doel zij - en zo helemaal onopgemerkt ­tot hier hadden kunnen ko­men. Hun gelijkluidende ant­woorden waren: 'Houdt u ons alstublieft niet voor vijanden! U ziet wij dragen geen wapens, noch openlijk, noch ook in het verbor­gene! Wij zijn sterrenkundigen uit Perzië. Een oude profetische uitspraak in onze heilige boeken zegt, dat er in deze tijd voor de joden een Koning der Koningen zal worden geboren, en Zijn ge­boorte zal door een ster worden betekend. En er staat bij, dat al de­genen, die die ster zullen ontdek­ken zich op reis moeten begeven en trekken, waarheen de machti­ge ster hen leiden zal; want daar waar die ster stil zal blijven staan, zullen ze de Heiland van deze we­reld vinden.

U ziet - en iedereen kan dat zelfs op klaarlichte dag constate­ren - de ster staat inderdaad stil boven deze stal! Hij was onze gids hierheen, maar boven deze stal bleef hij staan, waaruit wij conclu­deren dat wij ongetwijfeld de plaats hebben bereikt, waar dat Wonder van alle wonderen in le­venden lijve verblijf houdt: een pasgeboren Kind, een Koning der Koningen, de Heer aller Heersers in eeuwigheid!  Naar Hem komen wij kij­ken, Hem moeten wij aanbidden en onze hoogste eer betuigen! Verspert U ons dus alstublieft niet de weg, want voor ons is het zeker dat het geen kwade ster was, die ons hierheen heeft geleid!'

 

Nu keek ook de hoofdman omhoog naar de ster en was daar hogelijk verbaasd over, want niet alleen stond deze bijzonder laag, maar ook was haar licht bijna even sterk als het gewone licht van de zon! Toen de hoofdman zich van dit alles had overtuigd zei hij tot het drietal: 'Nu, goed dan! Naar hetgeen U zegt, en gezien de ster concludeer ik dat U met goede bedoelingen naar hier gekomen bent, ...maar ik zie nog niet in, wat U voordien bij Herodes in Je­ruzalem moest doen; heeft de ster U ook daarheen de weg gewe­zen?  Waarom heeft jullie won­dere gids jullie eigenlijk niet rechtstreeks hierheen geleid, als, naar het eruit ziet, Uw plaats van bestemming met zekerheid hier is? Hierop zult U mij nog moe­ten antwoorden, anders komt U niet in die grot!'

 

De drie zeiden nu: 'Dat moge de grote God weten! Het moet ongetwijfeld in Zijn plan be­sloten liggen, want geen van ons is ooit van plan geweest om Jeruza­lem ook maar op afstand te nade­ren! En, om U de waarheid te zeggen: die mensen in Jeruzalem bevielen ons allerminst en met name Herodes niet! Maar toen wij er eenmaal waren moesten we, omdat de aandacht van de hele stad op ons gevestigd was, wel no­de laten weten wat ons reisdoel was! De priesters gaven ons hun inlichtingen via hun vorst, die ons trouwens verzocht heeft om hem over die te vinden koning nader te informeren, zodat ook hij de nieu­we koning zijn hulde zou kunnen komen betuigen. Maar nu zei de hoofdman: 'Onder geen beding zult U dat mogen doen, want ik ken de plan­nen van die vorst! Nog liever houd ik U vast als gijzelaars! Maar ik zal nu eerst naar binnen gaan om met de vader van het Kind over U te spreken.

 

Jeugd Jezus 30:1-29 (De aanbidding van de Heer in het Kindje door de drie Wijzen)

Toen de goede Jozef al dit be­sprokene vernomen had, werd het al wat lichter om zijn benauwde hart, en, omdat hij begreep dat de hoofdman zou binnenkomen, be­reidde hij zich voor om die te ont­vangen. De hoofdman kwam inder­daad binnen, groette Jozef en be­gon toen: 'Hooggeachte man! Door een wondere samen­loop van omstandigheden zijn die nu ongeduldig buiten wachtende mannen toch tot hier doorgedron­gen. Ik heb hen scherp verhoord, maar niets kwaads in hen gevon­den. Door hun God daartoe aan­gezet wensen zij het Kindje hun hulde te betuigen. Als het je past kun je hen volgens mij zonder de minste vrees binnen laten komen.

 

Jozef zei daarop: 'Als dat echt zo is, dan wil ik mijn God loven en prijzen; want Hij heeft opnieuw een gloeiende steen van mijn hart weggenomen! Maar, Maria is erg geschrok­ken toen de Perzen hun tenten rondom de grot opsloegen; ik moet dus eerst even zien hoe het met haar is, opdat niet een on­voorbereid binnenkomen van die gasten haar nog meer verschrik­ke!' Vanzelfsprekend was de hoofdman het met de voorzorg van Jozef eens, en dus ging Jozef naar Maria en vertelde haar alles wat hij van de hoofdman had ge­hoord.

 

Maria, nu weer helemaal op­gewekt, zei: 'Vrede op aarde aan alle mensen die van goeden wille zijn en die zich door God laten leiden! Als de Geest des Heren zulks als Zijn Wil te kennen geeft, Iaat hen dan komen, en Iaat hun de zegen oogsten, die hun trouw toekomt. Ik voor mij, ik ben hele­maal niet bang meer. Alleen dit: Als ze binnen­komen moet jij wel dicht bij me staan; het lijkt me minder geschikt hen in mijn tent alleen te ontvan­gen.' Jozef nu weer: 'Maria, als je je ertoe in staat voelt, sta dan liever met het Kindje op; neem het kribje en leg het Kindje erin aan je voeten. En Iaat dan de be­zoekers binnenkomen om het Kindje te huldigen.' Maria voldeed meteen aan Jozefs wens, en Jozef zei nu tot de hoofdman: 'Wij zijn gereed. Als het drietal binnen wil komen, dan kunnen wij hen doen blijken, dat wij - onze armoede in aanmerking genomen - geheel op hun ont­vangst zijn voorbereid.'

 

Nu ging de hoofdman naar buiten en deelde zulks aan de drie mee. Eerst wierpen die zich ge­drieën ter aarde, God voor deze toestemming lovend, vervolgens namen zij hun goud geborduurde zakken op, en begaven zich met grote eerbied naar de grot. De hoofdman deed de deur open en zij traden hoogst eerbie­dig binnen, en zagen een machtig Licht dat op dat moment van het Kind je straalde. Toen de drie het kribje, waarin het Kindje lag, tot op en­kele schreden waren genaderd, wierpen zij zich languit met hun aangezicht ter aarde en aanbaden in die houding het Kind je. Wel een uur lang lagen ze zo -van grote schroom vervuld ­voor het Kind je ter aarde; daarna richtten zij zich langzaam op en knielend hieven zij hun gezichten, nat van tranen, omhoog, hun blikken op de Heer slaand, op de Schepper van de oneindige eeu­wigheid. De namen van de drie wa­ren: Caspar, Melchior en Baltha­zar. De eerste, die door Adam’s Geest geleid werd, sprak: 'God zij geëerd, aan Hem zij lof gebracht; Hij zij geprezen, Hosannah, Ho­sannah voor God, de Drie-enige van eeuwigheid tot eeuwigheid Amen.' Nu pakte hij de met goud­draad bestikte zak op, met daarin drie en dertig pond van de fijnste wierook, en gaf die onder veel eerbetoon aan Maria, zeggende: 'Aanvaard, Moeder, zon­der schroom, dit nietig getuigenis van datgene, waarvan ik met heel mijn wezen voor eeuwig vervuld zal zijn! Aanvaard dit als een sim­pele uiterlijke aflossing van wat elk denkend wezen, uit de grond van zijn hart, eeuwig verschuldigd is aan zijn almachtige Schepper!'

 

Maria nam de zware buidel aan en gaf hem aan Jozef. De schenker ervan richtte zich nu op, begaf zich naar de deur, en kniel­de daar nogmaals neer om in het Kindje de Heer te aanbidden. Terstond nam nu de Twee­de, die een Moor was en door de Geest van Kaïn werd geleid, een ietwat kleinere zak op, die niette­min hetzelfde gewicht had en die met zuiver goud gevuld was. Hij reikte die aan Maria over met de woorden: 'Aan U, Heer der eeuwige Heerlijkheid, breng ik een nietig offer, iets wat de Koning der Geesten rechtens toekomt van de mensen op aarde! Aanvaard het, o Moeder, Gij, die hebt ge­baard Degene, wiens Naam in der eeuwigheid geen engelentong in staat zal zijn uit te spreken!' Maria nam nu die tweede buidel aan en gaf hem aan Jozef. De offerende Wijze richtte zich op, voegde zich bij de eerste, en deed wat die gedaan had. Vervolgens richtte de derde zich op, nam zijn buidel, die ge­vuld was met goud myrrhe, een toentertijd zeer kostbare spece­rij, en gaf die aan Maria, zeggen­de: 'In mijn gezelschap is Abrahams Geest. Hij ziet nu de dag des Heren, waarop hij zich zozeer verheugd had. Ik heet Balthazar en bied U hierbij aan wat het Kindje der kin­deren toekomt. Aanvaard het, Moeder van alle genaden. Een be­ter en waardiger offer is geborgen in mijn hart: het is mijn liefde, die voor eeuwig een waarachtig offer aan dit Kindje zal zijn!'

Maria nam nu ook deze, eveneens drie en dertig pond we­gende buidel aan, en gaf die aan Jozef. Nu ging ook deze Wijze weer staan en voegde zich bij de twee anderen, en nadat ook hij het Kindje aanbeden had, ging hij met de eerste twee naar buiten, waar hun tenten stonden.

 

Jeugd Jezus 31:1-16 (De drie zegenrijke geschenken van God)

Toen de drie Wijzen weer sa­men naar buiten waren gegaan en ze zich in hun tenten ter ruste hadden gelegd, zei Maria tegen Jozef: 'Zie je nu wel, overbezorgde man-van-mij, hoe heerlijk en goed de Heer onze God is, en hoe echt vaderlijk Hij voor ons zorgt?! Wie van ons had zich ooit, al was het maar in een droom, zoiets kunnen denken? Uit onze grote angst heeft Hij deze zegen voor ons bewerkstelligd. Heel onze grote vrees en zorg heeft Hij in enorme vreugde omgezet! Van hen, van wie wij vrees­den dat zij het Kindje naar het leven stonden, juist van hen heb­ben wij mogen beleven dat zij Hem slechts kwamen eren, en wel met een eer, zoals men aan God de Heer alleen schuldig is! Bovendien hebben zij ons zo rijkelijk bedacht, dat wij van de tegenwaarde van hun geschenken een prachtig landgoed kunnen kopen, waar wij voor de opvoe­ding van het goddelijk Kind zeker op de beste wijze en naar Gods Wil kunnen zorgen!

Jozef, zo ooit, dan nu, wil ik de allerliefste Heer danken, loven en prijzen, tot in het diepst van de nacht, want Hij is nu ook aan onze armoede zo zeer tegemoetgeko­men, dat we nu echt royaal uit de voeten kunnen. Is het niet zo, lie­ve vader Jozef? Jozef nu: ' Ja Maria, God is oneindig goed voor hen, die Hem boven alles liefhebben als hun Heer, en die al hun hoop uitslui­tend op Hem richten. Maar ik ben van mening dat die geschenken niet voor ons maar voor het Kind­je bestemd zijn, zodat wij niet het recht hebben ze te gebruiken naar ons goeddunken. Het Kindje heet Jezus, en is een Zoon des Allerhoogsten; daarom moeten we op de eerste plaats aan de verheven Vader vra­gen, wat er met deze schat moet gebeuren. Wij zullen er dat mee moe­ten doen, wat Hij ermee voor heeft. Buiten Zijn Wil om wil ik ze nog niet eens aanraken, mijn le­ven lang niet! Nee, dan wil ik nog liever desnoods op een heel moei­lijke manier een eerlijk stuk brood verdienen.

 

Zoals ik jou en mijn zoons tot dusverre, dank zij mijn door de Heer gezegende handenarbeid heb kunnen onderhouden, zo zal ik dat met de hulp des Heren ver­der ook wel klaarspelen! Daarom Iaat ik mij aan de­ze geschenken minder gelegen lig­gen dan aan de Wil des Heren, aan Zijn Genade, aan Zijn Liefde! Dit zijn de drie grootste ge­schenken, die ons altijd tot zegen zullen strekken: Zijn Heilige Wil is voor mij als de kostbaarste wie­rook. Zijn Genade is mij als het zuiverste en zwaarste goud. Zijn Liefde tenslotte is voor mij als de kostelijkste myrrhe. Die drie schatten mogen wij altijd zonder terughoudend­heid, ja zelfs op kwistige wijze uit­buiten, maar, deze wie­rook, dit goud en deze myrrhe hier in deze goudbestikte zakken, mogen wij niet aanraken, tenzij het ons wordt ingegeven door die drie "hoofdschatten", die voor ons tot dusverre de allerbelang­rijkste zijn geweest!

Dus Maria, lieve, zo zullen wij doen, en dan ben ik ervan overtuigd dat de Heer ons met des te meer welgevallen zal gade­slaan en, Zijn Welbehagen is voor ons toch wel de allergrootste schat! Vind je niet Maria, dat ik gelijk heb? Zou op die manier voor deze schatten niet de beste bestemming kunnen worden ge­vonden?'

 

Maria, tot tranen geroerd, loofde Jozefs wijsheid. De hoofd­man sloot Jozef in zi jn armen ter­wijl hij hem toevoegde: ' Ja, ja, je bent nog eens een mens, die echt helemaal naar Gods Wil leeft!' Maar ook het Kind je zag nu Jozef glimlachend aan; Het hief Zijn handjes omhoog; zodat het leek alsof Hij Zijn pleegvader, de zeer deugdzame Jozef, echt zegende.

 

Jeugd Jezus 32:1-33 (De Engel als raadsman van de drie Wijzen)

De drie Wijzen kwamen bijeen in een tent en bespraken wat nu te doen. Moesten ze tegenover Hero­des het gegeven woord houden, of moesten ze voor de eerste maal hun woord breken? Als ze een andere weg naar huis zouden moeten nemen, dan was het de vraag welke weg hen met zekerheid naar hun land zou terugvoeren. Ze vroegen zich onder el­kaar af: 'Zal de ster die ons hier­heen heeft geleid ons ook weer terug naar huis geleiden, langs een andere weg?'

Toen zij zich daarover be­rieden, stond er plotseling een Engel bij hen, die tot hen zei: 'Maakt U zich niet onnodig onge­rust: het staat allang vast langs welke weg U zult terugkeren. Zo loodrecht als de stralen van de zon in het midden van de dag op de aarde vallen, even rechtstreeks zullen jullie morgen, via een andere weg dan die over Jeruzalem, naar jullie land wor­den teruggeleid!' Toen de engel verdwenen was gingen de drie Wijzen ter rus­te. Vroeg in de morgen van de volgende dag trokken ze van daar weg, en spoedig kwamen ze langs de kortste weg, en in het volste vertrouwen op de Ene God weer in hun vaderland terug. Diezelfde morgen vroeg Jo­zef aan de hoofdman hoe lang hij  nu nog in de grot zou moeten blij­ven bivakkeren. De hoofdman antwoordde: ‘Allerhoogst geachte, je denkt toch zeker niet dat ik je hier als een soort gevangene zou willen vasthouden? Ik moet daar niet aan den­ken. Hoe zou ik, niet veel meer dan een worm in het stof, althans ten overstaan van de Almacht van God, hoe zou ik je ooit gevan­gen kunnen houden? Het is mijn liefde die je hier houdt!

 

Wat mij betreft ben je vol­ledig vrij en kun je gaan en staan waar je wilt, maar, als ik mijn hart mag laten spreken ligt het anders. Mijn hart zou niets liever willen dan je voor altijd hier te doen blij­ven, want mijn hart heeft jou en je Zoontje meer lief, dan ik tot uit­drukking zou kunnen brengen. Probeer nog een paar da­gen rustig te blijven; ik zal dan onmiddellijk boden naar Jeruza­lem zenden om daar te weten te komen wat die sluwe vos van plan is, nu de Perzen hun woord niet gehouden hebben. Dan zal ik weten waar we aan toe zijn en zal ik je bescher­men tegen alle denkbare vervol­ging van de kant van die dwinge­land. Want geloof mij maar,deze Herodes is mijn allergrootste vij­and; ik wil hem treffen waar ik maar kan! Ik ben weliswaar nog maar een hoofdman, en dus nog onder­geschikt aan de opperbevelheb­ber, die te Sidon en in Smyrna pleegt te resideren, en die het be­vel voert over twaalf legioenen in Azië.

 

Een gewone centurio ben ik nu ook weer niet, maar een pa­triciër, zodat ik op grond van mijn titel, medezeggenschap heb over die twaalf Aziatische legioenen! Als ik het ene of andere legioen wil inzetten, dan behoef ik maar te bevelen, en dan moet het legioen mij gehoorzamen. Dus, als Hero­des tegen je in het geweer zou ko­men kun je op mij rekenen!'Jozef dankte de hoofdman voor deze zeer vriendelijke be­zorgdheid, maar ging daar toch min of meer tegenin, zeggende: 'Luister nu ook eens naar mij, beste vriend; met betrekking tot de Perzen hebt U ook blijk gegeven van de grootste zorg­zaamheid, maar wat voor nut bracht dat? Ongezien, ondanks die dui­zenden spiedende ogen van Uw manschappen, zijn de Perzen toch tot hier doorgedrongen, en, nog voordat je ook maar één van hen had opgemerkt, hadden zij allang hun kamp opgeslagen! Als God de Heer ons toen niet beschermd had, waar zouden we dan nu zijn? Voordat U einde­lijk te voorschijn kwam, hadden die Perzen mij, ondanks Uw hulp, allang kunnen wurgen! Daarom, als een vriend die niettemin van de allerhartelijkste dankbaarheid vervuld is, zeg ik: Menselijke hulp baat niet; tegen­over God zijn mensen nergens. Waar God ons wil helpen, en ook alleen kan helpen, daar behoeven wij ons helemaal zo druk niet te maken. Want, on­danks onze bemoeienissen zal toch alles zo gebeuren als de Heer het wil nooit zoals wij het zou­den willen!

 

Daarom lijkt het mij beter dat U dat moeizame en riskante spioneren in Jeruzalem maar na­laat; U zult er weinig verheffends te weten komen, en bovendien, lekt het uit, dan komt U om mij­nentwille nog in grote moeilijkhe­den.

Ik ben er praktisch zeker van dat de Heer mij nog deze nacht zal doen weten wat Herodes zal gaan doen, en wat ik dan moet doen; laten we dus maar rustig blijven en alles aan de Heer over­laten, zowel dat wat mij, als dat wat U betreft; dan zal alles best goed komen. Door wat Jozef nu gezegd had werd de hoofdman diep be­droefd; hij vond het werkelijk ver­schrikkelijk dat Jozef zijn hulp zo­maar afsloeg. Jozef zei daarom: 'Beste vriend, U hebt nu wel verdriet omdat ik afraad om nog verder in te zitten over mijn welzijn, maar, als U de zaken eens nuchter bekijkt komt U wel tot hetzelfde inzicht. Immers, wie van ons heeft ooit zon en maan en de sterren aan het firmament kunnen manipule­ren? Wie van ons heeft storm en bliksem bevolen? Wie de grote zee ingebed? Wie van ons heeft de grote rivie­ren hun loop voorgeschreven? Welke vogels hebben wij hun snelle vlucht geleerd? Wan­neer schikten wij hun fraai geve­derte? Wanneer schiepen wij hun melodieus klankorgaan?

 

Waar staat het gras dan wel, waarvan wij het levensvatba­re zaad creëerden? Voor de Heer is dat alles dagelijks werk! Is het niet zo, dat Zijn machtig en wonderlijk Wer­ken ons elk ogenblik herinnert aan Zijn eindeloze en lieflijke voorzorg? ...Hoe kan het U dan verwonderen dat ik U er op een vriendelijke manier op attent maak, dat voor God alle mense­lijke hulp in het niet verzinkt?'  Deze woorden herstelden de goede stemming van de hoofd­man, maar desondanks zond hij in het geheim informanten naar Je­ruzalem om te achterhalen wat daar plaats greep.

 

Apokrief Evangelie (de Wijzen uit het Oosten)

En zie, Jozef maakte zich gereed om naar Judea te vertrekken. En er ontstond grote opschudding in Bethlehem in Judea, want er waren wijzen gekomen die zeiden: “Waar is de pasgeboren koning der Joden? Want wij hebben zijn ster in het oosten gezien en wij zijn gekomen om Hem hulde te brengen.” Toen Herodes dat vernam schrok hij en zond dienaren naar de wijzen. En hij liet de hogepriesters komen en ondervroeg hen en zei: “Wat staat er over de Christus geschreven? Waar moet hij geboren worden?” Zij zeiden tot hem: “Te Bethlehem in Judea, want zo staat het geschreven.” Toen liet hij hen gaan. Daarna ondervroeg hij de wijzen: “Wat voor teken hebt gij betreffende de pasgeboren koning gezien?” En de wijzen antwoordden: “Wij hebben tussen de andere sterren een uitzonderlijk grote ster gezien die met zijn schijnsel de andere sterren deed verbleken, zodat zij niet meer schenen, en daaruit hebben wij begrepen dat er voor Israël een koning was geboren en zo zijn wij gekomen om Hem hulde te brengen.” Toen sprak Herodes: “Gaat Hem zoeken en als gij Hem gevonden hebt, laat mij het dan weten, opdat ook ik Hem hulde kan gaan brengen.” En de wijzen vertrokken. En zie, de ster die zij in het oosten gezien hadden ging voor hen uit tot zij bij de grot kwamen en bleef juist boven de grot staan. En de wijzen zagen het kind met zijn moeder Maria en zij haalden geschenken uit hun reiszak: goud, wierook en mirre. En daar zij door een engel gewaarschuwd waren om naar Judea te gaan, reisden zij langs een andere weg naar hun land terug.

Toen Herodes begreep dat hij door de wijzen om de tuin geleid was werd hij toornig en stuurde hij moordenaars, die hij opdroeg: “Doodt de kinderen van twee jaar en jonger.” Toen Maria hoorde dat de kinderen gedood werden schrok zij, nam het kind, wikkelde het in doeken en legde het in een kribbe van de ossen. Toen ook Elizabeth hoorde dat Johannes gezocht werd, nam zij hem mee naar het gebergte. En zij keek om zich heen waar zij hem zou kunnen verbergen, maar er was daar geen schuilplaats. Toen zuchtte Elizabeth en zei met luider stem: “Berg Gods, neem moeder en kind op” want Elizabeth kon niet verder. En terstond spleet de berg, en nam haar op. En er scheen voor hen licht door de berg, want er was een engel van de Heer bij hen, die hen behoedde.

 

De Ster uit het Oosten

Hieruit blijkt dat zij geen gewone ster des hemels geweest is, maar een bijzonder geschapen licht, gelijk de vuurkolom was, die de kinderen Israëls door de woestijn leidde. 

 

Apokrief Evangelie (de Wijzen uit het Oosten)

Nadat het tweede jaar verlopen was, kwamen er magiërs uit het Oosten naar Jeruzalem, grote geschenken meebrengend (opmerking: het tweede jaar is onjuist; dit alles speelde zich af binnen een paar weken na de geboorte van het Kindje Jezus!) – Deze ondervroegen de Joden dringend, zeggende: ‘Waar is de koning die aan ulieden geboren is? Want wij zagen zijn ster in het Oosten, en zijn gekomen om Hem te aanbidden’. Deze mening drong nu door tot de koning Herodes, en dit verschrikte hem in die mate, dat hij bijeenriep de schriftgeleerden en de Farizeeërs en de leraren van het volk; en bij hen informerende wáár de profeten voorspeld hadden tot de Christus moest geboren worden. En deze zeiden: ‘In Bethlehem in Judea. Immers er staat geschreven: ‘En gij, Bethlehem, land van Judea, zijt geenszins de kleinste onder de vorsten van Israël; want uit u zal voortkomen de aanvoerder die Mijn volk Israël regeren zal.’ Toen riep koning Herodes de magiërs tot zich en informeerde ijverig bij hen op wélk tijdstip de ster hun verschenen was. Vervolgens, hen naar Bethlehem zendend, zei hij: ‘Gaat en ondervraagt ijverig omtrent de knaap. En wanneer gij hem zult gevonden hebben, zo meldt het mij, opdat ook ik kome en hem aanbidde.’

Terwijl nu de magiërs op de weg reisden, verscheen hun de ster, die hun als het ware een leidsman was, hun vergaande net zo lang tot zij geheel en al gekomen waren op de plek waar de knaap was. Toen nu de magiërs de ster zagen, hebben zij zich met grote vreugde verheugd. En het huis ingaande (de grot) vonden zij het kind Jezus zittende op de schoot van zijn moeder. Toen openden zij hun schatkisten, en beschonken met grote geschenken de gelukzalige Maria en Jozef. Maar aan het kind zélf bood elk van hen afzonderlijk goudstukken aan. Eveneens de een goud, de ander wierook, maar de derde mirre. En toen zij tot koning Herodes wilden terugkeren, zijn zij in de slaap door een engel vermaand dat zij niet tot Herodes zouden terugkeren. En langs een andere weg zijn zij naar hun land teruggekeerd.

 

Predikingen van de Heer 5 (De geboorte van Jezus)

Lukas 2:1-14: Dit hoofdstuk gaat over Mijn geboorte, een feest dat u ieder jaar naar kerkelijk gebruik op 25 december viert. Heel wat woorden over dit feest heb Ik u vroeger reeds gegeven. De bijzondere gebeurtenissen, die met Mijn geboorte gepaard gingen, weet u deels uit de geschiedenis van Mijn geboorte en deels uit het evangelie van Mijn apostelen; en toch is er nog veel uit deze daad van Mijn eerste zichtbare verschijning op uw aarde, dat nog niet opgehelderd is en waarvan u de diepere betekenis in geestelijk verband nog niet kent. Daarom wil Ik naar aanleiding van de tekst uit dit hoofdstuk van Lucas de verdere onthullingen aan u en aan al Mijn toekomstige gelovige kinderen openbaren, opdat u moogt zien, dat ook het kleinste wat op Mij en op Mijn verschijning op aarde betrekking heeft, een belangrijke betekenis heeft en zich geestelijk zal herhalen bij Mijn wederkomst op deze kleine ster, die ook de woon­plaats is van Mijn mettertijd volgroeide kinderen.

 

Zoals eertijds door de omstandigheden op aarde juist dat tijdstip en dat volk bestemd was om getuige te zijn van de grote genade - en liefdesdaad, welke Ik voor u en voor de gehele geestelijke wereld voltrok, zo zullen ook bij Mijn tweede zichtbare verschijnen tijd en land zo gekozen worden, dat ze het meest geschikt voor deze slotakte zullen Zijn.

 

U hebt dit feest niet voor niets "Weihnachten" genoemd. Het was een gewijde nacht waarin Ik, omwille van u en de gehele materiële schepping, Mijzelf tot offer van deemoed wijdde, terwijl Ik, de onein­dige Heer der Schepping, een broos en vergankelijk kleed aantrok, dat wat het uiterlijk betreft onder miljoenen andere levende wezens op andere werelden ver achterbleef bij de hoogste oervorm van een men­senbeeld. Veel bewoners zijn zodanig uitgerust, dat de mens van deze aarde slechts als een zwakke nabootsing verschijnt van wat Ik als evenbeeld van Mijn eigen Ik in deze vorm heb gelegd. Ofschoon de op andere werelden levende mensen de aardbewoners in veel overtreffen, zijn deze toch in geestelijk opzicht tot grotere dingen bestemd dan zij, die in de paradijselijke werelden en zonnen leven. Ook al straalt voor hen een eeuwige lente en leven zij onder gelukkige omstandigheden, Waarvan u zich geen voorstelling kunt maken, zo ontbreekt hun toch de heldere kennis van Mijn Ik, Mijn geestelijke schepping en Mijn Vaderliefde.

 

Zij zijn goed, omdat geen enkel kwaad hen tot het tegendeel tracht te verleiden. Zij erkennen een allerhoogste Wezen en vallen in eerbied voor Hem neer; maar geen van hen zou er aan durven denken, dat dit hoogste Wezen één van Zijn schepselen aan Zijn Vaderborst zou willen drukken en hem de lieflijke naam van kind geven.

Dit is slechts voorbehouden aan diegenen, die een dergelijke positie door strijd en overwinning moeten verwerven, opdat zij kinderen van God kunnen worden. Waar dus de vormingsschool voor zulke kinderen gevestigd is, daar moet naast de grootst mogelijke geestelijke verheffing ook het tegendeel, namelijk de grootst mogelijke vernedering, ja de afval van het goede kunnen plaatsvinden. Om u te laten zien dat tussen zulke tegenstellingen een ontwikkeling ten goede en een overwinning over alle hindernissen mogelijk is, trok Ik het kleed van één der nederigste, onaanzienlijkste mensengestalten aan. Ik daalde Zelf af naar deze duistere aardbol, die wat aankleding en grootte in Mijn schepping betreft vergeleken kan worden met de plaats van een infusiediertje tussen alle schoonheden en wonderen van uw aarde.

 

Zoals echter in Mijn gehele schepping alles met dezelfde zorgvuldig­heid gemaakt is, en het laatste infusiediertje in zijn vorm net zo volmaakt gebouwd is als de mens als heer der aarde, zo laat Mijn scheppingsprincipe, dat door alle trappen van het geschapene heen loopt, u zien, dat Ik juist in het kleinste het grootste ben en juist in het kleinste als machtige Schepper en Heer aanwezig ben. Dat was de reden waarom Ik één van de kleinste hemellichamen uitkoos om daar Mijn volle grootte te tonen, doordat Ik aan Mijn geestes- en zielenwereld bewees, dat juist alleen in het kleinste het grootste mogelijk is en in de grootste vernedering de grootste heerlijkheid is te verkrijgen, ja dat juist diegene die alles weggeeft, waardig is om alles te bezitten.

 

Zo vond Mijn geboorte niet plaats in een paleis of bij mensen uit hogere kringen, maar in een nederige positie. Toch moest in al de omstandigheden die daar plaatsvonden het hoge, geestelijke van Mijn geboorte aangetoond worden.

Zo was het voorbeschikt, dat de volkstelling door Herodes opgelegd werd en Ik niet in een door mensen gebouwd huis het levenslicht aanschouwde, maar in Mijn huis, hetgeen betekent onder de vrije hemel in een grot.

Keizers en koningen waren geen getuige van Mijn geboorte, zelfs geen gewone mensen, maar slechts dieren, - schepselen, die onbedorven dat waren, waartoe Ik ze heb geschapen.

De volkstelling moest er toe bijdragen, dat Maria zich opmaakte om naar Bethlehem te gaan om dat te volbrengen, wat de Koning van heel de schepping tot eer zou strekken.

Miljoenen hoge geesten zongen Mij het loflied toe: "Ere zij God in den hoge en vrede aan de mensen op aarde!" Deze en de dieren, zoals zij uit Mijn hand zijn voortgekomen, waren bij Mijn geboorte aanwe­zig. Zulke getuigen pasten bij Mij, de in doeken gewikkelde Heer der heerscharen.

 

Door de volkstelling kon Mijn geboorte niet onopgemerkt blijven. Ook moest juist de wrede Herodes als stadhouder en viervorst in Jeruzalem heersen om Mijn verdere opvoeding en latere levensloop te bemoeilijken. Door de overwinning op al deze moeilijkheden moest bewezen worden, dat hoewel Ik Mij in de nederigste positie geplaatst had, Ik ten aanschouwe van de hele geesteswereld Mijn opgave toch ten uirvoer zou brengen, namelijk: behalve het ten voorbeeld stellen van deemoed en zelfverloochening, uit deze kleine aarde een opleidings­school te maken voor Mijn kinderen, die mettertijd bestemd zijn om voor de op de andere sterren en zonnen levende schepselen het beeld van de grote Geest en Schepper van heel de zichtbare natuur te veranderen in dat van een liefhebbende Vader.

 

Wat Ik aeonen van tijdruimtes geleden besloot en meer dan duizend jaar geleden ben begonnen, dat nadert nu zijn voleinding. Mijn geloofs­leer, Mijn Woord, dat met geen betere verwisseld kan worden - al peinzen en denken de mensen nog zo veel - Mijn liefdeleer moet tot algemene geldigheid geraken. De liefde alleen moet regeren en alle hartstochten van het menselijke hart, die alleen maar door Mij hierin gelegd werden om door strijd tegen hen de liefde te verdienen en te verwerven, al deze hartstochten van het menselijke hart moeten be­heerst aan de voet van het altaar der liefde liggen. Haat, wraak, trots en hoe ze allemaal ook mogen heten, deze machtige driften van het kwaad in de mens moeten allen tot zwijgen gebracht worden. Het kruis, waaraan Ik eens vastgenageld om vergeving bad voor de verdwaalde mensheid, moet als symbool van verzoening door iedereen geliefd, geëerd en in geval van beproeving zelfs gedragen worden als herinnering aan de weg die Ik heb gewezen en die alleen de mensen naar geestelijke hoogte kan voeren.

 

Zoals tegen het einde van Mijn levenswandel op aarde de omstandig­heden Mij schijnbaar tegenwerkten, Mijn ondergang en dood leken te veroorzaken en toch door de opstanding uit de materie en de terugkeer naar Mijn geestelijk rijk Mijn grootste triomf moesten bewerken, we nemen ogenschijnlijk ook nu de ongelukken en de voortekenen van angstwekkende catastrofes bij de mensen toe. De mens zal daaruit als een Phoenix uit de tot as verbrande wereldlijke opvattingen en vooroor­delen ongedeerd als geestelijk produkt van Zijn Schepper, als geestelijk kind van een nog hogere geestelijke Vader tevoorschijn komen.

 

Daarin schuilt het doel van alles, daarheen drijft de gehele mensheid als een stuurloos schip. Alle kunstmatige omheiningen die het menselijk verstand als een ijzeren harnas rondom het voor de liefde kloppende hart opgetrokken heeft, moeten stuk gebroken worden. De barrières van afkomst, rang en oppervlakkig weten moeten worden vernietigd. De mens moet ophouden met het verstand te denken en met het hart leren voelen. Het warme vuur van de liefde moet in de eerste plaats zijn hele ziel verwarmd hebben, pas dan kan de wijsheid, als een regelende drijfveer de liefde indammen en de mensheid alles laten voelen, waarmee Ik ze heb uitgerust en waartoe Ik ze wilde en niet anders heb geschapen.

 

Zo dikwijls Ik als Christus op de wereld Mijn Vader in de hemel aanriep, was het steeds de wijsheid, die de liefde aanriep om door deze gebeden haar onbegrensd werken te beteugelen. Zoals wijsheid en liefde slechts in combinatie met elkaar kunnen bestaan, evenzo was Ik als Christus met Mijn Vader, die de Liefde is, in eenheid verbonden, waardoor Ik kon zeggen: "Niemand kent Mij dan de Vader in de hemel en Ik alleen ken Hem!" of "Ik ga heen tot de Vader!" enz... Daarmee wilde Ik zeggen: De gehele wereld is geschapen uit liefde; maar de wijsheid heeft haar voorwaarden geregeld. De Liefde schiep, de Wijsheid houdt in stand. De Liefde als "Vader" richtte het hoogste symbool van reinheid op en Ik, de Wijsheid als "Zoon" bewees haar door de daad. En waar liefde en wijsheid, alleen verenigd, het gehele Ik van Mijn Wezen uitmaken en daar in het meest volkomen evenbeeld bestaan, zo moet ook de mens als afstammeling van Mij de uitdrukking van liefde en wijsheid worden. Hij moet in de eerste plaats liefhebben en daarna leren wijs te zijn om Mij, Mijn schepping en zijn taak volledig te erkennen en te begrijpen.

 

Daarheen richt zich Mijn doel met u, en alle gebeurtenissen sporen u daartoe aan, om de wedergeboorte van uw Jezus in uw innerlijk tot stand te brengen. Hij wil u daarheen als uiting van wijsheid en liefde willen leiden en begeleiden, tot binnenkort deze Schepper van al het zichtbare, de Heer der heerscharen, als Vader (Liefde) gepaard gaande met de Zoon (Wijsheid), in persoon wederom zichtbaar de aarde zal betreden en voor de tweede en laatste maal kan uitspreken, wat Hij aan het kruis meer dan duizend jaar geleden heeft uitgeroepen, namelijk: "Het is volbracht, - het is volbracht, het grote werk der verzoening!"

 

Ik heb Mijn geesten laten zien hoe het voor hun onmogelijke, mogelijk is geworden. Ik ben als voorbeeld voorgegaan en heb nu Mijn schepselen op deze kleine aarde tot grote burgers van Mijn oneindige rijk, tot Mijn enige kinderen gemaakt.

 

Het is volbracht, hetgeen Ik eertijds in de wieg in een grot bij Bethlehem als onmondig kind ben begonnen, wat daar wel door mil­joenen engelengeesten werd bezongen, maar door de mensen niet begrepen, hoogstens door enkelen vaag vermoed werd.

Ik heb het werk van verzoening, liefde en vergeving volbracht. De wereld is gereinigd van al het vuil van eigenbelang en ook al verwoesten kwellingen en ongelukken het lichaam van de mensen, - de geestes- en zielemens kunnen zij niet deren. Deze staat hoogverheven boven de puinhopen van de wereld, zijn armen uitstrekkend naar de goddelijke Redder, die - was eenmaal daar - allen zal toeroepen: Kom tot Mij, gij allen die beladen zijt, opdat Ik uw last afneem en u verkwik! Kom hier, gij strijders voor liefde en wijsheid, aan u zij de kroon des levens, voor u zijn de versperringen naar de geestelijke wereld opgeheven, opdat u moogt zien hoe de engelenscharen wederom jubelen en lofliederen zingen voor de Heer, de Vader, met dezelfde woorden als toen: "Ere zij God in de hoge en vrede voor de mensen op aarde!" Want Hij kwam in Zijn eigendom en Zijn kinderen hebben Hem niet herkend. Amen.

www.zelfbeschouwing.info