Besnijdenis van het Kindje Jezus

In de namiddag van de achtste dag, om drie uur huidige tijdreke≠ning, werd het Kindje in de Tem≠pel besneden en werd Het de naam Jezus gegeven, zoals de En≠gel al had gezegd, nog voordat het Kindje in de moederschoot ont≠vangen was.

Meteen werd Maria in de Tempel gezuiverd, omdat≠ de ui≠terste termijn van haar kennelijke maagdschap in aanmerking geno≠men - het moment tevens geldig kon worden geacht voor haar zui≠vering. Daarom nam Maria, direct na de besnijdenis, het Kindje op de arm en droeg Het de Tempel binnen om het met Jozef aan de Heer op te dragen, volgens de Wet van Mozes.

Zoals geschreven staat in Gods Wet: Al het eerstgeborene moet aan de Heer worden gewijd. Daarbij moet dan een paar tortelduiven of een paar jonge duiven geofferd worden. Maria offerde dus een paar tortelduiven, dat zij op de offerta≠fel legde; de priester nam het offer in ontvangst en zegende Maria.

 

Nu leefde er te Jeruzalem een man, die Simeon heette, die buitengewoon vroom en god≠vruchtig was, en die de Troost van IsraŽl verwachtte; hij was van Gods geest vervuld. De Geest des Heren had ooit tot deze man gezegd: 'Gij zult de dood niet zien voordat ge Jezus zult zien, de Gezalfde Gods, de Redder der Wereld!' Innerlijk daartoe gedreven kwam hij de Tempel binnen, juist toen Jozef en Maria nog in de Tempel doende waren om al dat te vervullen, wat de Wet voor≠schreef. Toen hij het Kindje op≠merkte ging hij direct naar de ouders toe en vroeg hen op sme≠kende toon of hij het Kindje een ogenblik op de arm mocht nemen. Het vrome paar stond dat aan de oude man, dien zij goed kenden, gaarne toe. Jeugd Jezus 24:1-22

 

Toewijding van Jezus in de tempel

Lukas 2: 21-24 Toen er acht dagen verstreken waren en hij besneden zou worden, kreeg hij de naam Jezus, die de engel had genoemd nog voordat hij in de schoot van zijn moeder was ontvangen. 22 Toen de tijd was aangebroken dat ze zich overeenkomstig de wet van Mozes rein moesten laten verklaren, brachten ze hem naar Jeruzalem om hem aan de Heer aan te bieden, 23 zoals is voorgeschreven in de wet van de Heer: ĎElke eerstgeboren zoon moet aan de Heer worden toegewijd.í 24 Ook wilden ze het offer brengen dat de wet van de Heer voorschrijft: een koppel tortelduiven of twee jonge gewone duiven.

 

Lukas 2:25-35 - En ziet, er was een mens te Jeruzalem, wiens naam was Simeon; en deze mens was rechtvaardig en godvrezende; verwachtende de vertroosting Israels, en de Heilige Geest was op hem. 26 En hem was een Goddelijke openbaring gedaan door den Heiligen Geest, dat hij den dood niet zien zoude, eer hij den Christus des Heeren zou zien. 27 En hij kwam door den Geest in den tempel. En als de ouders het Kindeken Jezus inbrachten, om naar de gewoonte der wet met Hem te doen; 28 Zo nam hij Hetzelve in zijn armen, en loofde God, en zeide: 29 Nu laat Gij, Heere! Uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw woord; 30 Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien, 31 Die Gij bereid hebt voor het aangezicht van al de volken; 32 Een Licht tot verlichting der heidenen, en tot heerlijkheid van Uw volk Israel. 33 En Jozef en Zijn moeder verwonderden zich over hetgeen van Hem gezegd werd. 34 En Simeon zegende henlieden, en zeide tot Maria, Zijn moeder: Zie, Deze wordt gezet tot een val en opstanding veler in Israel, en tot een teken, dat wedersproken zal worden. 35 (En ook een zwaard zal door uw eigen ziel gaan) opdat de gedachten uit vele harten geopenbaard worden.

 

En nu nam Simeon het Kindje in zijn armen, streelde Het, loofde God uit het diepst van zijn hart en zei tenslotte: 'Laat nu Heer Uw dienaar overeenkomstig Uw woord in vre≠de gaan . Want mijn ogen hebben het Heil aanschouwd, dat Gij aan onze Vaders en Profeten beloofd hebt. Hij is Het dien Gij bereid hebt voor alle volkeren tot: een Licht dat de heidenen zal verlichten, een Licht ter ver≠heerlijking van Uw volk IsraŽl'.

 

Jozef en Maria waren ver≠wonderd over deze woorden van Simeon; zij begrepen niet wat hij over het Kind je gezegd had. Simeon gaf nu het Kindje aan Maria terug, zegende hen bei≠den en zei toen tot Maria: 'Deze zal worden gesteld tot val en opstanding van velen in IsraŽl en tot een teken van tegen≠spraak! Een zwaard zal Uw hart doorboren en de gedachten van velen zullen openbaar worden!'

Maria begreep deze woor≠den van Simeon evenmin, maar desondanks hield zij ze diep in haar hart in herinnering. Dit deed ook Jozef en hij loofde en prees God met alle ver≠mogens, waarover hij beschikte.

 

Simeon en Anna

Lukas 2:25-39 Er woonde toen in Jeruzalem een zekere Simeon. Hij was een rechtvaardig en vroom man, die uitzag naar de tijd dat God IsraŽl vertroosting zou schenken, en de heilige Geest rustte op hem. 26 Het was hem door de heilige Geest geopenbaard dat hij niet zou sterven voordat hij de messias van de Heer zou hebben gezien. 27 Gedreven door de Geest kwam hij naar de tempel, en toen Jezusí ouders hun kind daar binnenbrachten om met hem te doen wat volgens de wet gebruikelijk is, 28 nam hij het in zijn armen en loofde hij God met de woorden: 29 ĎNu laat u, Heer, uw dienaar in vrede heengaan, zoals u hebt beloofd. 30 Want met eigen ogen heb ik de redding gezien 31 die u bewerkt hebt ten overstaan van alle volken:32 een licht dat geopenbaard wordt aan de heidenen en dat tot eer strekt van IsraŽl, uw volk.í 33 Jozef en zijn moeder waren verbaasd over wat er over hem werd gezegd. 34 Simeon zegende hen en zei tegen Maria, zijn moeder: ĎWeet wel dat velen in IsraŽl door hem ten val zullen komen of juist zullen opstaan. Hij zal een teken zijn dat betwist wordt, 35 en zelf zult u als door een zwaard doorstoken worden. Zo zal de gezindheid van velen aan het licht komen.í

36 Er was daar ook een profetes, Hanna, de dochter van FanuŽl, uit de stam Aser. Ze was hoogbejaard; vanaf haar huwbare leeftijd had ze zeven jaar met haar man geleefd, 37 en ze was nu al vierentachtig jaar weduwe. Ze

was altijd in de tempel, waar ze God dag en nacht diende met vasten en bidden. 38 Op dat moment kwam ze naar hen toe, bracht hulde aan God en sprak over het kind met allen die uitzagen naar de bevrijding van Jeruzalem.

39 Toen ze alles overeenkomstig de wet van de Heer hadden gedaan, keerden ze terug naar Galilea, naar hun woonplaats Nazaret. 40 Het kind groeide op, werd sterk en was begiftigd met wijsheid; Gods genade rustte op hem.

 

Predikingen van de Heer (de voorstelling van Jezus in de tempel)

Luc. 2, 33-40: En Zijn vader en moeder stonden verwonderd over hetgeen van Hem gezegd werd. En Simeon zegende hen en zeide tot Maria, Zijn moeder: Zie, deze is gesteld tot een val en opstanding van velen in IsraŽl en tot een teken, dat weersproken wordt - en door uw eigen ziel zal een zwaard gaan -, opdat de overleggingen uit vele harten openbaar worden. Ook was daar Hanna, een profetes, een dochter van FanuŽl, uit de stam Aser. Zij was op hoge leeftijd gekomen, nadat zij met haar man na haar huwelijksdag zeven jaar had geleefd, en nu was zij weduwe, ongeveer vierentachtig jaar oud, en zij diende God onafgebro≠ken in de tempel, met vasten en bidden, nacht en dag. En zij kwam op datzelfde ogenblik daarbij staan, en zij loofde mede God en sprak over Hem tot allen, die voor Jeruzalem verlossing verwachtten. En toen zij alles volbracht hadden, wat volgens de wet des Heren te doen was, keerden zij terug naar Galilea, naar hun stad Nazareth. Het kind groeide op en werd krachtig, en het werd vervuld met wijsheid, en de genade Gods was op Hem.

Dit hoofdstuk behandelt in het begin Mijn geboorte, later Mijn besnijdenis en daarna de drie dagen, die Ik tijdens Mijn twaalfde jaar in de tempel te Jeruzalem doorbracht. De komst van de drie wijzen uit het Morgenland, de kindermoord en nog meerdere gebeurtenissen ≠zoals de vlucht naar Egypte en de terugkeer na de dood van Herodes ≠worden in dit hoofdstuk niet vermeld. Ook Ik wil aan het meeste hiervan voorbijgaan, omdat u hierover reeds op de hoogte bent gebracht door het Jacobus-evangelie en door andere aantekeningen van Mijn apostelen. Wij zullen dus bij de hierboven vermelde tekst blijven, welke ver≠meld: "Jozef en Maria verwonderden zich." Waarover verwonderden zij zich?

Zij verwonderden zich over de profetische woorden van Simeon en de getuigenissen van Hanna die beiden, in de geest schouwend, in het voor de besnijdenis naar de tempel gebrachte kind niet alleen de Verlosser van de Joden, maar van de gehele mensheid erkenden, die gekomen was om de geest van de dwang der materie te bevrijden. Dat Jozef en Maria niet begrepen wat deze beiden hen profeteerden, is gemakkelijk in te zien; want wie vanaf de ontvangenis van Maria tot de geboorte en haar opgaan naar de tempel, al het raadselachtig . mystieke in ogenschouw neemt, zal gemakkelijk merken dat noch Maria, noch Jozef wisten hoe zij zich ten opzichte van dit alles moesten gedragen. Ofschoon de Joden gewend waren om via profeten direkte medede≠lingen van Mij te ontvangen, zo was het bij hen toch ook zoals het steeds is: zij schonken hen niet veel geloof zolang zij in leven waren en hun uitspraken kregen pas waarde op het moment dat ze in vervulling begonnen te gaan.

Ze hoopten op een Messias, - alleen was hun hoop op wereldse verlangens gegrond. Ze hoopten op een Messias, die, misschien in een paleis geboren, hen eens als een grote held van het gehate juk der Romeinen zou bevrijden. Dat echter een kind van een timmerman, zoals zij Mijn pleegvader kenden, hun verlosser zou worden, lag buiten het bereik van hun gekoesterde hoop en buiten hun bevattingsvermo≠gen.

 

Daardoor verbaasden ook Jozef en Maria zich over de woorden van Simeon en Hanna. Maria had immers in korte tijd zoveel wonder≠baarlijks meegemaakt, dat zij niet wist wat er met haar gebeurd was en wat er nog gebeuren zou. Zij baarde een zoon zonder omgang te hebben gehad. Zij was moeder, zonder dat zijeigenlijk het moedergevoel in zijn hele volheid kende; want in het algemeen is het kind pas de schakel, die de levenswegen van de man en de vrouw verbindt, en ze tot ťťn geheel, tot ťťn familie samenvoegt.

Zo was Maria moeder en voelde wel de vreugde, een vrucht van haar lichaam voor zich te zien; het was echter meer een gevoel van erbarmen voor de onmondige zuigeling dan het zalige gevoel van een moeder die het liefdespand van haar echtgenoot aan de borst kan drukken. Zobegreep zij niet en kon niet begrijpen, wat bij haar ontvangenis, wat bij de geboorte en verder gebeurde; want ze handelde alleen naar de aanwijzing van een hogere Invloed en gedroeg zich daarbij meer passief dan actief, als vrouwen moeder alleen haar gevoelens volgend, die haar aan haar zuigeling bonden.

Dit onbewuste gevoel werd natuurlijk aangewakkerd toen ze bij de twijfels en bange voorgevoelens, waarvan zij dacht dat alleen zij die in haar hart voelde, hetzelfde en nog grotere ervoer bij anderen, toen zij het Jezuskind de tempel binnendroeg. Door de wettelijke besnijdenis en offering werd Ik als kind in de IsraŽlitische godsdienst opgenomen en moest volgens haar opgevoed worden.

Wat Simeon zei was voor haar een nog groter raadsel, des te meer daar hij het Kind als datgene erkende, waarvan zij nog geen vermoeden had en geen vermoeden kon hebben. Wat zij echter nog minder begreep waren Simeons laatste woorden, welke luidden:

"Zie, deze is gesteld tot val en opstanding van het volk IsraŽl en tot een teken van tegenspraak (en een zwaard zal uw ziel doorboren), opdat de gedachten van vele harten openbaar zullen worden!"

Dat uit haar zoon iets buitengewoons kon voortkomen was wel denkbaar voor haar- immers, zijn ontvangenis, zijn geboorte enz. waren met veel buitengewone verschijnselen gepaard gegaan -; maar om een God als mens onder het hart te hebben gedragen en de te verwachten Messias die de geestelijke genezer zou zijn, niet alleen van de Joden, maar van de hele mensheid, dat waren begrippen die in haar verstand geen plaats vonden. Nog tot Mijn kruisdood heeft zij Mij niet als God beweend, maar slechts als mens en als haar zoon. Pas door Mijn opstanding werd zij, net als Mijn apostelen, in datgene bevestigd wat Ik hen zo vaak had gezegd.

Het zwaard, dat in de toekomst haar borst zou doorboren, was de moederlijke smart; want had zij geweten en erkend wie Ik eigenlijk was, dan had zij bij Mijn heengaan moeten jubelen in plaats van te treuren. Ikzelf heb haar en Mijn apostelen menigmaal voorzegd wat Mij te wachten stond en hoe Ik de dood en de hel zou overwinnen; maar waar blijft de overtuiging - in het bijzonder in die tijd van profeten en wonderwerkende Essenen -, dat Ik, een mens met vlees en beenderen net zoals zij, die eet en drinkt, een God, en wel de Heer van alle heerscharen zou zijn, die in menselijke gedaante als onmondig kind begonnen, zou eindigen aan het kruis, dat in die tijd het teken van schande en ontering was. Daarom waren Jozef en Maria verbaasd. Zij begrepen niet wie Diegene was, die gekomen is tot val en opstanding van de Joden, - tot "val": de verwoesting van het joodse rijk vijftig jaar na Mijn heengaan, en tot "opstanding" van vele joden tot christenen, zowel als de veran≠dering van het kruisteken, vroeger teken van schande, later teken van , hoogste verheerlijking. En bij Mijn wederkomst, denkt u dat er dan meer begrip onder de mensen zal zijn? Volstrekt niet! Ook dan zullen er veel bewonderaars zijn, die Mij voor niets anders aan zullen zien dan voor een van God begeesterd mens. Bij Mijn aanstaande wederkomst, die natuurlijk niet zoals destijds als kind, maar op mannelijke leeftijd zal beginnen, zullen er ook vele twijfelaars zijn en Ik zal Mijn Godzijn aan velen door wonderen moeten bewijzen, omdat de kracht van het woord alleen bij hen niets zal uitrichten.

Zo zal Mijn jeugdgeschiedenis zich ten minste in haar hoofdlijnen en gebeurtenissen telkens herhalen, echter niet in materieel maar in geestelijk opzicht, omdat dan het geestelijk inzicht heel wat verder ontwikkeld zal zijn en de gelovigen de meerderheid, de ongelovigen en twijfelaars de minderheid zullen vormen.

Zie, Mijn kinderen, zoals Ik eens naar joods gebruik de besnijdenis heb ondergaan, zo moet ook u zich met de geestelijke doop - gelijk de besnijdenis als eerste stap en intrede in een kerkgemeenschap - met de geest van Mijn liefde laten dopen. Verwijder uit uw hart wat daar niet hoort te zijn en begin Mij en Mijn wereld dagelijks steeds meer te begrijpen, opdat niet ook u een zwaard door het hart gestoken zal worden en u, door teveel waarde aan de wereld te hechten, dat beweent wat het verdriet niet waard is.

Leg u erop toe de dingen te nemen zoals ze zijn en vervul zo dagelijks uw taak op deze aarde zolang uw levenswandel hier nog is, opdat u niets hoeft te berouwen en niets te betreuren, wanneer het ernstige uur van scheiden aanbreekt. Op die manier kunt u, evenals Maria toen Ik opging naar de Vader, Mij herkennen, - inzien dat Diegene die gij als Christus wel kent, veel groter en liefdevoller is dan u zich Hem had voorgesteld, maar dat ook Mijn eisen aan u zwaarder zijn dan u dacht.

Velen leven nu en geloven in Mij en hebben Mij lief zoals Maria van Mij hield tijdens Mijn leven. Maar dat is niet voldoende. Maria herkende pas bij het kruis en bij Mijn opstanding, dat Diegene die zij gebaard had geen mens, maar Gods Zoon, dat wil zeggen de van de Liefde gescheiden Wijsheid was, die na drie dagen in het graf te hebben gelegen weer naar Zijn hemelrijk terugkeerde en later niet meer licha≠melijk, maar alleen vergeestelijkt aan Zijn ongeduldig wachtende apos≠telen en aan de moeder van Zijn lichaam verscheen. Zorg ervoor dat ook in u Christus opstaat, zoals Hij is en was, opdat u zich in de toekomst niet hoeft te verwonderen, wanneer u Hem anders aantreft dan u verwachtte. Dit ter vermaning en inachtneming. Amen.

 

Pseudo-Mattheus Evangelie (over Simeon)

Maar op de zesde dag zijn zij Bethlehem binnengetrokken, waar zij de zevende dag doorbrachten. Doch op de achtste dag besneden zij de knaap, en is zijn naam genoemd Jezus, gelijk hij genoemd was door de engel vůůrdat hij in de moederschoot ontvangen was. nadat echter vervuld waren de dagen van Mariaís reiniging, volgens de wet van Mozes, voerde Jozef het kind naar het kind de besnijdenis ontvangen had, offerden de tempel des Heeren (in Jeruzalem). En toen het kind de besnijdenis ontvangen had, offerden zij ten behoeve van hem een paar tortelduiven of twee jonge duiven.

Er was nu in de tempel een zekere man Gods, volmaakt en rechtvaardig, wiens naam was Simeon, honderd en twaalf jaar oud. Deze had als antwoord vanwege de Heer ontvangen dat hij de dood niet zoude smaken dan nadat hij Christus, de zoon van God, in het vlees levend had gezien. Toen deze het kind gezien had, riep hij met grote stem uit: Ďbezocht heeft God Zijn volk en vervuld heeft de Heer Zijn belofte.í En zich haastend aanbad hij Hem. En daarna nam hij Hem op in zijn oppergewaad en Zijn voetjes kussend zei hij: ĎNu laat Gij, Uw dienstknecht o Heer, in vrede heengaan naar Uw woord, omdat mijn ogen Uw heil hebben gezien, dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volkeren; een Licht tot verlichting der heidenen, en een Roem voor Uw volk IsraŽl.

 

Jeugd Jezus 25:1-17

De profetes Hanna in de Tempel en haar getuigenis

Op datzelfde tijdstip was er ook een profetes in de Tempel, die Hanna heette, ze was een dochter van Phanuel uit de stam Aser. Ze was reeds zeer oud, en was zo vroom, dat ze zich, na reeds in haar jeugd aan een man te zijn verloofd, in haar huwelijk ge≠durende zeven jaren niet voor hem ontblootte, en ter liefde Gods haar maagdschap bewaar≠de. Ze werd weduwe toen ze tachtig jaar was, waarna ze in de Tempel trad en die nooit meer verliet. Door bidden en vasten dien≠de ze nog uitsluitend de Heer, 's nachts zowel als overdag, in volle≠dige vrijheid en op eigen initiatief. Toen deze gelegenheid zich voordeed was ze reeds vier jaren aldus doende in de Tempel. Zij kwam eveneens naderbij, prees God de Heer, en voor een ieder die de Verlosser verwachtte, sprak ze uit wat de Geest Gods haar te spreken ingaf. Toen ze haar profetieŽn dit≠maal beŽindigd had, vroeg ook zij het Kindje te mogen vasthouden, liefkoosde Het, en loofde en prees de Heer .

Daarna gaf ze het Kindje aan Maria terug en zei tot haar: 'Gelukkig en gezegend zijt Gij, Jonkvrouwe, omdat U de Moeder bent van mijn Heer. Schept U er echter geen ijdel behagen in om Uzelf daarom te laten prijzen, want uitsluitend Hij, die zuigt aan Uw borst, is waardig om door ons allen te wor≠den geloofd, geprezen en aanbe≠den!' Na deze woorden verwijder≠de de Profetes zich weer en gingen Jozef en Maria, na drie uur in de Tempel te hebben doorgebracht, naar buiten. Ze probeerden bij een familielid logies te krijgen.

 

Maar toen zij op dat adres arriveerden, bleek het huis te zijn afgesloten; de familie bevond zich op dat moment in Bethlehem voor de registratie.Nu wist Jozef niet goed wat te doen. Ten eerste was het al he≠lemaal donker, zoals dat in de kor≠te dagen van dit seizoen voor de hand ligt, reden waarom er bijna geen huis meer open was, te meer omdat het ook nog een voorsab≠bath was! Om in de open lucht te overnachten was het veel te koud; de rijp lag op de velden en boven≠dien woei er een koude wind. Terwijl Jozef delibereerde en tot de Heer bad dat Hij hem uit deze nood zou helpen, kwam er plotseling een jon≠ge, voorname IsraŽliet op Jozef toe, die hem vroeg: 'Wat doet U hier nog zo laat met Uw bagage op straat? U bent toch ook een IsraŽ≠liet, en weet U dan niet hoe het hoort?'

 

Jozef zei: ' Ja, ik ben van Davids stam. Ik was vandaag in de Tempel om te offeren aan de Heer; het vroeg invallen van de avond heeft mij overvallen, en nu kan ik geen onderdak vinden. Ik ben in zorgen vanwege mijn vrouwen mijn Kind. De jonge IsraŽliet zei nu: 'Kom dan maar met mij mee, dan zal ik U voor een drachme of daar≠omtrent tot morgen onderdak ver≠lenen. Jozef volgde nu die IsraŽ≠liet, met Maria die op de ezel zat en zijn drie zoons, naar een prach≠tig huis, waar hij zich met hen on≠derdak verschafte in een eenvou≠dige kamer.

 

Pseudo-Mattheus Evangelie (over Anna, een profetes)

Ook was in de tempel des Heeren Anna, een profetes, dochter van PhanuŽl, uit de stam Aser, die met haar man zeven jaar geleefd had van haar maagdom af. En deze was weduwe, reeds gedurende vier en tachtig jaar, en zij had zich nimmer verwijderd uit de tempel des Heren, de tijd doorbrengend met vasten en gebeden. Ook deze aanbad gelijkelijk het kind, zeggend:íin deze is de verlossing der wereldí.

 

Jeugd Jezus 26:1-17

Verwijt van de herbergier Nicodemus aan het adres van Jozef. Jozefs zelfverdediging. Het getuigenis van de vroedvrouw. Een genadige wenk aan Nicodemus, die daarop de Heer erkent. (zie aldaar)

De Jeugd Jezus 27:1-16

Terugkeer van de H. Familie naar Bethlehem. Hartelijke ontvangst in de grot door de thuisblijvers. Een voederkribbe als kinderbedje. Een rustige vriesnacht. (zie aldaar)

www.zelfbeschouwing.info††