Jozefs bezorgdheid over de registratie

Met deze uitleg waren de her­ders tevreden, zodat ze Jozef ver­der niets vroegen. Ze gingen nu weg en later brachten ze voor Ma­ria allerlei versterkende midde­len. Toen de zon al ruim een uur aan de hemel stond, vroeg Jozef de vroedvrouw: 'Luister, vriendin en zuster uit Araham, Izaäk en Jacob, over die registratie zit ik heel erg in! Ik wilde maar dat ik die achter de rug had! Maar waar in de stad zitting gehouden wordt, dat weet ik niet. Het lijkt mij daarom het beste, dat Salome hier bij Maria blijft, en dat jij met mijn zoons en met mij mee­gaat naar de Romeinse hoofd­man, die daar de leiding heeft. Als we er het eerste zijn, ko­men we wellicht direct aan de beurt.'

 

En de vroedvrouw zeide: 'Man vol van genade, dat treft! Die hoofdman Cornelius uit Ro­me woont namelijk bij mij in huis, een van de eerste huizen van de stad! Hij houdt daar ook kantoor. Hij is weliswaar een heiden, maar overigens is hij een goed en recht­schapen man. Ik zal wel naar hem toegaan en hem alles vertellen, behalve dan het wonder, dan zal die zaak wel gauw voor elkaar zijn. Dit voorstel beviel Jozef uit­stekend, te meer, omdat hij voor de Romeinen nogal wat vrees koesterde, en dan in het bijzonder voor die registratie! Hij vroeg dus aan de vroedvrouw om haar voor­stel dadelijk uit te voeren. De vroedvrouw ging op pad en ze vond Cornelius - een nog zeer jonge man, die graag uitsliep - nog te bed. Ze vertelde hem al­les wat hij weten moest.

 

Cornelius stond meteen op, sloeg zijn toga om en zei tegen zijn hospita: 'Beste vrouw, ik geloof alles wat je zegt, maar toch wil ik liever met je meegaan, omdat ik daartoe een bijzonder sterke aan­drang gevoel. Volgens jouw verhaal is het dichtbij, zodat ik dan ook nog best op tijd achter mijn bureau kan zit­ten. Breng mij er dus maar met­een naar toe!' Daar was de vroedvrouw blij mee, en dus bracht ze de haar welbekende brave en nog jonge hoofdman erheen. Toen die nu voor de grot stond, zei hij: 'O vrouw, hoe ongedwongen ga ik in Rome tot mijn Keizer, en hoe moeilijk is 't me hier om in deze grot binnen te gaan! Hier moet iets bijzonders aan de hand zijn! Zeg mij alsje­blieft hoe dat komt; je bent im­mers een goede jodin!?' Maar de vroedvrouw zei nu: 'Waarde hoofdman van de grote keizer, als U hier nog een ogenblikje voor de grot wachten wilt, dan zal ik vast naar binnen gaan, en U zeggen hoe of wat er aan de hand is. Zij ging dus naar binnen en zei tegen Jozef, dat de goede hoofdman zelf was meegekomen en buiten stond te wachten. Ze zei nog, dat hij eigenlijk wel mee naar binnen had willen komen, maar dat hij om onverklaarbare rede­nen niet durfde!

 

Jozef, door deze medede­ling diep ontroerd, zei nu: '0 God, wat zijt Gij toch goed voor mij, door juist datgene in vreugde om te zetten, wat juist mijn groot­ste angst veroorzaakt! U alleen zij alle lof en eer! Hij spoedde zich nu naar buiten en viel Cornelius te voet met de woorden: 'Gemachtigde van de grote keizer, erbarm U over mij, arme grijsaard; U moet namelijk weten, dat mijn jonge vrouw, die mij door het lot in de Tempel werd toegewezen, hier ter plaatse vannacht haar kind heeft gebaard, en dat, terwijl ik hier gis­teren pas was aangekomen, zodat ik mij niet direct bij U kon komen melden.

 

Terwijl hij Jozef opbeurde zei Cornelius: 'Maar beste man, waar maak jij je nu toch zorg over? Dat is nu zo al wel in orde! Laat me liever even binnen, dan kan ik zien hoe U hier bent onder­gebracht!' Nu bracht Jozef Cornelius de grot binnen. Toen Cornelius zag hoe het Kindje hem toelachte, was hij over dit gedrag van die baby zeer verbaasd; hij zei: 'Bij Zeus, dit is een unicum! Ik voel me als herboren! Nooit eerder heb ik me zo rustig en blij gevoeld! Ik neem vandaag een vrije dag en blijf jullie gast!' [Jeugd Jezus 19:1-19]

 

Jeugd Jezus 20:1-30 (engel waarschuwt om niets te zeggen van geheim) 

Jozef was zeer aangenaam ver­rast en hij zei tot de hoofdman: 'Gevolmachtigde van de grote keizer, hoe zal ik arme man U Uw grote vriendschap kunnen vergel­den! Hoe zou ik U in dit vochtige hol van dienst kunnen zijn? Hoe zou ik U iets passends kunnen aanbieden; iets dat in overeenstemming is met Uw hoge stand om U daarmee te laven? Kijkt U maar, hier in deze kar is heel mijn hebben en houden: ten dele meegebracht uit Nazareth, ten dele hier reeds ten ge­schenke gekregen van de herders uit de omgeving. Mocht U hiervan iets willen gebruiken, dan zal elk hapje dat U in Uw mond zoudt nemen alreeds duizendvoudig gezegend zijn!'

 

Maar Cornelius zei: 'Beste man, let alsjeblieft niet zo op mij, en maak je over mij geen zorgen! Dit hier is namelijk mijn hospita; zij zal wel voor de keuken zorgen, en voor een muntje gesierd met het hoofd van de keizer, krijgen wij dan allemaal genoeg!' Nu gaf hij de vroedvrouw een gouden muntstuk en droeg haar op te zorgen voor een mid­dagmaal en dito avondmaal, en bovendien -zodra dat mogelijk zou zijn -voor een betere behui­zing voor de kraamvrouw! Maar nu zei Jozef tot Cor­nelius: 'Hooggeachte vriend, Ik moet U toch wel vragen om voor ons geen kosten te maken of moei­te te gaan doen! Voor de paar da­gen, die we hier nog zullen moe­ten doorbrengen zijn wij -en daarvoor zij aan de Heer, de God van Israël, alle eer! -goed genoeg verzorgd!'

 

De hoofdman hernam: 'Goed is goed, maar beter is beter! Sta dat dus nu maar toe, en Iaat mij daarmee je God ook een of­fertje brengen van vreugde, want je moet weten, dat ik alle goden van alle volkeren vereer! Ik wil dus ook de jouwe eren, want sedert ik zijn tempel te Jeruzalem heb gezien, waardeer ik hem hogelijk! En dat eens te meer, omdat hij een god van grote wijsheid moet zijn en jullie door hem zo'n bijzondere kunst hebt geleerd!'

 

Jozef nu weer: 'O beste vriend, was het maar mogelijk om U te overtuigen van het absolute unieke van het wezen van onze God,  hoe graag zou ik dat dan over hebben voor Uw eeuwig heil! Maar ik ben maar een zwak mens en daartoe ben ik dus niet in staat; daarom moge ik U raden: zoekt U toch ergens onze heilige boeken te lezen te krijgen! U bent onze taal voldoende machtig. U zult daarin feiten vinden, die U in de grootste verbazing zullen bren­gen! Het antwoord van Cornelius luidde dat hij dat reeds gedaan had, en dat hij daarin inderdaad verbazende dingen had aangetrof­fen! 'Ik ben daarbij onder ande­re op een voorspelling gestoten, waarin aan de joden een nieuwe koning werd beloofd: voor eeu­wig! Zeg mij nu eens of je weet wanneer die koning volgens de of­ficiële uitleg daarvan zal komen, en vanwaar!'

 

Hierdoor werd Jozef in ver­legenheid gebracht, maar na een poosje te hebben nagedacht zei hij: 'Uit de hemel zal die Koning komen, als de Zoon van de Eeu­wige God! Zijn Rijk zal niet van deze aarde zijn, maar van de we­reld der geesten, van die van de Waarheid!' Nu zei Cornelius: 'Best, dat begrijp ik, maar ik heb ook gele­zen dat deze koning uit een maagd en in een stal moet worden gebo­ren, in de omgeving van deze stad. Hoe moet dat dan worden uitge­legd?' 'Goede man, U hebt een scherp onderscheidingsvermo­gen, , zei Jozef. 'Ik kan U niets anders aanraden dan dit: kijkt U nog eens naar dit meisje en haar pasgeborene; U zult daar dan wel vinden wat U zoekt!'

 

Cornelius deed dat nu; hij nam het meisje en het Kind je nauwkeurig op met de bedoeling om in haar en in Hem de toekom­stige koning der joden te ontdek­ken. Ook vroeg hij aan Maria hoe zij zo vroegtijdig zwanger ge­worden was. Maria gaf hem echter ten antwoord: 'Brave man, U bent rechtvaardig, daarom: Zowaar God leeft, zowaar heb ik mij nooit aan een man gegeven. Driekwart jaar geleden heeft mij een Boodschapper van de Heer bezocht, die mij er in wei­nig woorden van in kennis stelde dat ik zwanger zou worden van de Geest van God! En zo is het feitelijk ge­gaan: ik werd zwanger zonder mij ooit aan een man te hebben be­kend! Hetgeen U hier voor U ziet, dat is de Vrucht van die wondere Belofte! God is mijn getuige dat alles zo is gegaan!'

 

Nu wendde Cornelius zich tot de gezusters en zei: 'Wat zeg­gen jullie daarvan? Is dit wellicht een slim bedrog van deze oude man, die de wettelijke straf voor de gevolgen van zijn daad tegen­over een blind en bijgelovig volk wil ontgaan? Ik weet namelijk dat joden in dergelijke gevallen de dood­straf kunnen krijgen. Of, als het werkelijk au sérieux moet worden genomen, dan zou dat nog veel erger zijn dan in het eerste geval; want dan zou die keizerlijke wet scherp moeten worden toegepast, die elke opruiing al in de kiem gesmoord wil zien! Zeg mij dus alstublieft de waarheid, opdat ik weet, waar ik met deze bijzondere familie aan toe ben.

 

Nu zei Salome: 'Cornelius, bij heel Uw groot-keizerlijke vol­macht smeek ik U goed naar mij te luisteren en beslist niets tegen dit arme, maar tegelijk ook eindeloos rijke gezin te ondernemen! U kunt mij geloven en met mijn leven sta ik in voor de waar­heid ervan: alle hemelse machten staan aan deze familie ter beschik­king -zoals Uw eigen arm aan Uzelf; ikzelf hield daar een nooit te vergeten getuigenis aan over!' Nu kon Cornelius het alle­maal niet meer verwerken; hij vroeg Salome: 'Dan zou je ook Rome's heilige goden willen in­sluiten, en de helden en wapenen en onoverwinnelijke macht van Rome? O Salome, dat wil je me toch zeker niet wijsmaken?' Maar Salome antwoordde: “Ja, inderdaad, zoals U zegt! Ik ben daarvan volledig overtuigd! Maar, als U mij niet wilt geloven, ga dan naar buiten en kijk naar de zon! Vier uren is die al op en toch staat ze nog in het oosten en ze waagt het niet verder te gaan langs haar baan!'

 

Cornelius ging nu inder­daad naar buiten, keek naar de zon. kwam terstond weer terug en zei toen stomverbaasd: 'Werke­lijk, je hebt gelijk! Als dit met dit gezin verband houdt, dan gehoor­zaamt zelfs onze god Apollo hen! Dan zou hier de machtigste van alle goden, Zeus zelf, bij be­trokken moeten zijn! En dan zou de geschiedenis van Deucalion zich wel eens kunnen gaan herha­len, in welk geval ik er Rome on­middellijk van in kennis zal moe­ten stellen!' (Deucalion, zoon van Prometheus; Thessalonisch koning, bleef met zijn gemalin Pyrrha bij de zondvloed gespaard (Ovidius). Nauwelijks had hij dit ge­zegd, of er verschenen twee mach­tige Engelen. Hun gezichten straalden als de zon, en hun kle­ding was gelijk de bliksem! Ze zei­den: 'Cornelius, over wat je nu gezien hebt moet je zwijgen, zelfs tegenover jezelf; anders ga je met Rome nog heden ten onder!'

 

Nu werd Cornelius door grote schrik bevangen. De beide Engelen verdwenen, maar hij wendde zich tot Jozef en zei: 'Maar man, hier is eindeloos meer dan een aanstaande koning der joden aanwezig! Hier is Hij, die gebiedt over hemel en hel. Ik kan maar beter weg gaan, want ik ben niet waardig mij zo dicht in Gods nabijheid te bevinden!'

 

Jeugd Jezus 21:1-14 (Jozefs uitleg en raad aan Cornelius )

Zeer getroffen door deze uitla­ting van Cornelius, zei Jozef: 'Ik­zelf zou U niet kunnen zeggen hoe groot dit wonder is. Maar dat daarmee grote en machtige dingen samenhangen, daar ben ik van overtuigd, want als het om minder belangrijke za­ken zou gaan, dan zouden de machten van Gods eeuwige heme­len zich niet zo bewegen! Maar dat behoeft nog niet te betekenen dat er ook maar ie­mand belemmerd zou zijn in de uitoefening van zijn vrije wil; en dat leid ik af uit het gebod dat de twee Engelen hebben gegeven! God zou immers door Zijn almacht onze wil net zo kunnen binden bij deze gelegenheid, als Hij de wil van dieren bindt; dan zouden wij slechts kunnen hande­len volgens Zijn H. Wil! Maar Hij doet dat niet; Hij geeft in plaats daarvan slechts een vrij te volgen gebod, waaruit wij kunnen afleiden wat Zijn H. Wil is. Ook U bent dus met geen enkele vezel van Uw wezen ook maar in het minst gebonden, zo­dat U kunt doen wat U wilt! Wilt U vandaag mijn gast blijven, dan kunt U blijven; wilt U niet of durft U niet, dan bent U daartoe net zo vrij!

Als ik U echter zou mogen adviseren, dan zou ik natuurlijk zeggen: Vriend blijf, want ner­gens ter wereld kun je nauwelijks beter onder dak zijn dan hier, on­der de klaarblijkelijke bescher­ming van alle hemelse machten!' Nu zei Cornelius: ' Ja, voor God, voor alle goden en voor alle mensen, je bent rechtvaardig, je raad is goed; ik zal die opvolgen; tot morgen blijf ik bij jullie. Nu wil ik mij echter, samen met mijn hospita, voor slechts zo korte tijd verwijderen, als nodig is om maatregelen te nemen dat jul­lie allen hier -zij het dan ook slechts in deze grot - beter gehuis­vest zult zijn!'

 

Jozef sprak: 'Beste man, doe wat U wilt; God de Heer zal het U eens vergelden.'

De hoofdman ging nu met de vroedvrouw de stad in. Eerst liet hij in alle straten van de stad bekend maken dat die dag een vrije dag zou zijn. Vervolgens liet hij dertig soldaten aantreden; hij gaf hun beddengoed, tenten, en brandhout, dat zij allemaal naar de grot moesten brengen. De vroedvrouw nam zelf een hoeveelheid levensmiddelen en drank mee, terwijl ze nog meer liet na bezorgen.

Terug in de grot liet de hoofdman direct drie tenten op­zetten, een extra zachte en soepele voor Maria, een voor zichzelf, Jozef en diens zonen, en een voor de vroedvrouwen haar zuster. Voorts liet hij in de tent voor Maria een bed plaatsen, zacht en fris opgemaakt, terwijl hij er ook nog een aantal andere voorzieningen liet aanbrengen. Ook de andere tenten werden doelmatig ingericht. Vervolgens liet hij door zijn knechten met grote spoed een kookkachel bouwen, en zelf maakte hij daarop een houtvuur om de grot te verwarmen; het was daar in dat jaar­ getijde namelijk nogal koud.

 

Jeugd Jezus 22:1-17 (Cornelius bij de H. Familie in de grot)

Op deze manier verzorgde onze Cornelius de H. Familie, terwijl hij heel de lange dag en nacht bij hen bleef. De herders kwamen 's mid­dags weer terug om het Kindje te aanbidden. Allerlei geschenken brachten ze mee om te offeren. Maar toen ze in de grot de legertenten zagen en ook de Ro­meinse hoofdman, werden ze bang en wilden ze vluchten. Meerderen van hen hadden namelijk de registratiewet ontdo­ken, en ze waren erg angstig voor de op dat vergrijp staande straf. Maar de hoofdman ging naar hen toe en zei: 'Voor mij behoe­ven jullie niet bang te zijn. Ik ben bereid jullie alle straf kwijt te schelden, maar het is nu eenmaal keizerlijke wet nietwaar. Als jul­lie morgen komen, zal ik jullie zo gunstig als maar enigszins moge­lijk is, registreren.'

 

Toen de herders bemerkten dat Cornelius een bijzonder zacht­zinnig mens was, lieten ze hun schuwheid varen en de volgende dag lieten ze zich allemaal registreren! Na het gesprek met de her­ders vroeg de hoofdman aan Jozef of de zon heel die dag in haar och­tendstand zou blijven staan. Waarop Jozef antwoordde: 'Deze zon, die vandaag voor de wereld is opgegaan, zal nooit haar ochtendstand verlaten, maar de natuurlijke zon zal wel haar na­tuurlijke weg gaan overeenkom­stig de Wil des Heren; over enkele uren zal ze dus ondergaan.

Dit was een profetisch woord van Jozef, maar zelfwist hij niet goed wat hij gezegd had. Daarop zei de hoofdman: 'Wat zeg je nu? Ik heb de beteke­nis van je woorden niet begrepen; kun je niet een wat begrijpelijker taal tegenover mij bezigen?'

 

Jozef nu weer: 'Er zal een tijd komen dat U zich zult warmen in de Heilige Straling van die Zon, en dat U zich zult baden in de stromen van Haar Geest!

Meer kan ik er echter niet over zeggen, want ik begrijp zelf niet ten volle wat ik gezegd heb. Als ik er niet meer zal zijn, zal de tijd het U onthullen, en dan wel in de gehele volheid van de Eeuwige Waarheid. Nu vroeg de hoofdman maar niet verder meer, maar hij hield deze diepzinnige woorden vast in het centrum van zijn ge­dachten.

 

De volgende dag zegde de hoofdman heel de familie goeden dag, terwijl hij hun de verzekering gaf dat hij zo lang voor hen zou zorgen als zij daar zouden verblij­ven, en dat hij hen zijn leven lang niet zou vergeten! Daarna ging hij naar zijn bureau, maar niet voordat hij de vroedvrouw een tweede geldstuk had gegeven, waarmee ze voor de familie kon zorgen. Jozef zei tot zijn zonen, toen de hoofdman al weg was: 'Kinderen, hoe komt het toch, dat een heiden beter is dan menige jood? Zouden hierop soms de woorden van Isaïas toepasselijk zijn, wanneer hij zegt: "Zie, Mijn dienaars zullen welgemoed juichen, maar jullie zullen schreeuwen uit diepe smart en wenen van ellende!"?' Zijn zo­nen antwoordden hem: ' Ja, vader , deze passage komt hier volledig en begrijpelijk van pas!'

 

Jeugd Jezus 23:1-17 (zesdaags verblijf in de grot )

Zo leefde Jozef zes dagen lang in de grot, terwijl hij dagelijks be­zoek kreeg van Cornelius, die zich er echt voor uitsloofde dat het de H. Familie aan niets zou ontbre­ken. Vroeg in de morgen van de zesde dag verscheen er weer een Engel aan Jozef, die zei: 'Koop een paar tortelduiven en trek op de achtste dag van hier naar Jeru­zalem. Maria moet de tortelduiven offeren overeenkomstig de wet en het Kindje moet besneden en het moet de naam krijgen die aan U en aan Maria is aange­zegd. Na de besnijdenis moet U hier weer terugkomen en hier dan zo lang verblijven tot ik u zal be­richten, wanneer en waarheen u van hier vertrekken moet.

 

Weliswaar zult U, Jozef, zich al wel eerder voorbereiden op het vertrek, wanneer het de wil is van Hem, die bij u in de grot is!' Na deze woorden te hebben gesproken, verdween de Engel, en Jozef ging naar Maria om het haar te vertellen. Maria antwoordde: 'Wel, ik ben en blijf een maagd des Heren, dus mij geschiede naar Zijn Woord! Zelf had ik een droom zo­juist, en daarin gebeurde precies datgene wat U mij net verteld hebt. Zit dus maar nergens anders over in dan alleen over dat paar tortelduiven, dan zal ik vol ver­trouwen op de achtste dag met U meegaan naar de stad des Heren!' Kort na die verschijning kwam de hoofdman weer eens op ochtendbezoek en dadelijk deel­de Jozef hem mee, waarom hij op de achtste dag naar Jeruzalem zou moeten gaan. Aanstonds bood de hoofd­man hem nu alle mogelijke hulp aan; hij wilde Jozef naar Jeruza­lem laten rijden.

 

Voor deze goedbedoelde aanbieding moest Jozef echter be­danken met de woorden: 'Ik kan helaas van Uw nobel aanbod geen gebruik maken, want het is de Wil van de Heer mijn God, dat ik op dezelfde wijze naar Jeruzalem trek als waarop ik hierheen kwam. Zo wil ik die korte reis dan ook maken, opdat de Heer mij niet behoeft te straffen wegens ongehoorzaamheid. Maar, als u dan per se bij deze gelegenheid iets voor mij doen wilt, dan moge ik U vragen mij twee tortelduiven te verschaf­fen. Wij moeten die in de Tempel offeren. En dan nog dit: Houdt U alstublieft deze woning te onzer beschikking. De negende dag zal ik na­melijk hier weer terugkomen, en dan zal ik mij daarin zo lang op­houden, als de Heer het van mij verlangen zal.

Cornelius beloofde Jozef aan al diens verlangens te zullen voldoen. Hij ging dan ook weg en bracht al gauw eigenhandig voor Jozef een splinternieuwe duiven­kooi vol tortelduiven mee, waar­uit Jozef de mooisten mocht uit­zoeken. Daarna ging de hoofdman weer naar zijn werk en liet intus­sen de duivenkooi tot aan de avond in de grot achter, om die dan 's avonds weer op te halen.

Toen Jozef op de achtste dag naar Jeruzalem vertrokken was, liet Cornelius voor de grot een wacht opstellen, die niemand in of uit liet gaan, behalve de twee oudste zonen van Jozef, die niet mee waren gegaan, en Salome, die hen beiden van eten en drin­ken voorzag. De vroedvrouw zelf ging wel mee naar Jeruzalem.

www.zelfbeschouwing.info