Op weg naar Bethlehem

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: En door keizer Augustus werd een bevel uitgevaardigd, dat alle inwoners van Bethlehem in Judea zich moesten laten inschrijven. En Jozef dacht: “Ik zal mijn zonen laten inschrijven, maar wat moet ik met dit meisje doen? Hoe moet ik haar laten inschrijven.? Als mijn vrouw? Daarvoor schaam ik mij. Misschien als mijn dochter? Maar alle kinderen van Israël weten dat zij mijn dochter niet is! Op de dag van de Heer zelf zal blijken wat Zijn wil is.” En hij zadelde zijn ezel en zette Maria erop. Zijn zoon leidde het dier en Jozef volgde. Toen zij tot op drie mijl genaderd waren keerde Jozef zich om en zag dat zij bedroefd was en dacht: “Misschien doet het kind haar pijn.” En Jozef keerde zich een tweede maal om en zag dat zij lachte. En hij zei tot haar: “Maria, wat heb je dat ik je nu eens zie lachen en dan weer somber kijken?” En Maria antwoordde: “Het komt omdat mijn ogen twee volken zien, een dat klaagt en een dat vrolijk is en juicht.” En toen zij op de helft waren zei Maria tot hem: “Jozef, til mij van de ezel af, want het kind in mij benauwt mij en wil te voorschijn komen.” En hij tilde haar van de ezel en zei tot haar: “Waar zal ik je naar toe brengen om je schaamte te verbergen? Want dit is een onherbergzame streek.”En hij vond daar een grot en bracht haar naar binnen. En hij liet zijn zonen bij haar achter en ging een Hebreeuwse vroedvrouw zoeken in de omgeving van Bethlehem. En ik, Jozef, liep rond en liep niet rond, en ik keek omhoog naar het firmament en ik zag dat het stilstond en dat de vogels des hemels niet bewogen, en ik keek naar de aarde en ik zag een schotel staan en arbeiders eromheen liggen met hun handen in de schotel. En zij die bezig waren te kauwen kauwden niet en zij die (voedsel) oppakten namen niets op en zij die iets naar hun mond brachten, brachten niets naar hun mond; maar allen hadden hun blik naar omhoog gericht. En zie, er werden schapen voortgedreven en zij kwamen niet vooruit, maar bleven stilstaan, en de herder hief zijn hand op om ze te slaan met zijn staf, maar de hand bleef opgeheven. En ik keek naar de loop van de rivier en ik zag de geitenbokjes met hun bek boven het water zonder dat zij dronken. Toen raakte alles op slag weer in beweging.

 

In die tijd kondigde keizer Augustus een decreet af dat alle inwoners van het rijk zich moesten laten inschrijven. 2 Deze eerste volkstelling vond plaats tijdens het bewind van Quirinius over Syrië. 3 Iedereen ging op weg om zich te laten inschrijven, ieder naar de plaats waar hij vandaan kwam. 4 Jozef ging van de stad Nazaret in Galilea naar Judea, naar de stad van David die Betlehem heet, aangezien hij van David afstamde, 5 om zich te laten inschrijven samen met Maria, zijn aanstaande vrouw, die zwanger was. 6 Terwijl ze daar waren, brak de dag van haar bevalling aan, 7 en ze bracht een zoon ter wereld, haar eerstgeborene. Ze wikkelde hem in een doek en legde hem in een voederbak, omdat er voor hen geen plaats was in het nachtverblijf van de stad. [Apocrief Evangelie & Lukas 2:1-7]

 

Het geschiedde na enige tijd, dat er een officiële aangifte geschiedde volgens bevel van keizer Augustus, dat de gehele wereld, ieder in zijn vaderstad, zou ingeschreven worden. Deze registrering is geschied toen Cyrenius stadhouder van Syrië was. Het was dus noodzakelijk dat Jozef met de zalige Maria naar Bethlehem zou vertrekken, omdat Jozef en Maria van daar waren, uit de stam Juda en uit het huis en geslacht van David. Toen nu Jozef en de zalige Maria langs de weg gingen die voert naar Bethlehem, zei Maria tot Jozef: ‘Twee volken zie ik voor mij; het ene weent en het andere verheugt zich’’. Jozef antwoordde haar: ‘Zit vast op uw lastdier en wil geen overtollige woorden spreken’. Toen verscheen voor hen een zekere schone knaap, bekleed met blinkend gewaad, die tot Jozef zei: ‘Waarom hebt gij gezegd dat het overtollige woorden waren over de twee volken waarover Maria gesproken heeft? Het volk immers van de Joden heeft zij wenend gezien, daar het van zijn God is afgeweken, en het volk der heidenen zich verheugend, daar het reeds genaderd en dicht bij de Heer gekomen is, volgens hetgeen Hij beloofd heeft aan onze vaderen Abraham, Isaäk en Jakob. Want de tijd is gekomen dat in het zaad van Abraham aan alle volkeren zegening wordt toebedeeld. [Pseudo-Mattheus Evangelie]

 

Gebod van Augustus alle inwoners te tellen

Welgemoed bracht Jozef met Maria, die nu zijn vrouw was, de resterende twee maanden thuis door en werkte extra hard voor het onderhoud van Maria. Maar toen vervolgens voor Maria de tijd aanbrak, dat zij zou gaan baren, gebeurde er weer iets ergs, waardoor Jozef in de groot­ste moeilijkheden geraakte! De Romeinse keizer Augustus liet namelijk in alle landen waarover hij regeerde een gebod uitgaan dat alle volkeren van zijn rijk moesten worden geregistreerd en geteld, en dat zij terwille van een juiste belastingheffing en ook voor de rekrutering moesten worden beschreven. Voor de Nazareners was er uiteraard geen uitzondering ge­maakt, en dus was Jozef genood­zaakt om naar Bethlehem te gaan, de stad van David, alwaar de Ro­meinse registratie-commissie ge­vestigd was. Toen hij op de hoogte kwam van dit gebod -waarvoor hij trou­wens al eens op een vergadering te Jeruzalem had moeten verschij­nen, zei hij bij zichzelf:

'Heer God, dat is opnieuw een zware slag voor mij , nu juist in deze tijd, nu Maria vlak voor haar bevalling staat! Maar wat kan ik anders doen? Ik moet mijn zoons wel la­ten inschrijven, want die zijn dienstplichtig. Maar wat moet ik in 's Heren naam met Maria beginnen?  Thuis laten kan ik haar niet. Wat zou ze moeten begin­nen, als inmiddels haar tijd zou zijn aangebroken? Maar, neem ik haar mee, wie geeft me dan de zekerheid dat zij niet onderweg al bevalt; dan zou ik immers ook niet weten wat ik met haar zou moeten begin­nen!? Maar gesteld dat ik haar nog op het nippertje voor de Ro­meinse ambtenaren zou weten te brengen, hoe zal ik haar dan laten inschrijven?

 

Als mijn vrouw soms, maar behalve de hogepriester en ikzelf weet niemand daar nog iets van! Werkelijk, ik zou mij bijna schamen tegenover de zonen van Israël; zij weten immers best dat ik al over de 70 ben! Wat zullen die wel zeggen als ik dit nauwe­lijks 15­ jarige kind­ dat nota bene ook nog hoogzwanger is - laat in­schrijven als mijn wettige vrouw!? Of zal ik haar misschien la­ten inschrijven als mijn dochter? Maar dat kan immers ook niet, want de zonen van Israël weten heel goed waar Maria vandaan komt, en dat zij niet mijn dochter is! En laat ik haar inschrijven als een maagd des Heren, die mij ter bescherming is toevertrouwd, wat zal ik dan te horen krijgen van degenen, die niet weten, dat ik mij alreeds in de Tempel verantwoord heb, ingeval zij Maria in hoog­zwangere positie te zien zouden krijgen?! Maar ik weet al wat ik doen zal. Ik zal de dag des Heren af­wachten. Op die dag zal God de Heer doen wat Hij van plan is, en dat zal niets anders dan het allerbeste kunnen zijn! Ja zo moet het dan maar!' [Jeugd Jezus 12: 1-28]

 

Vreug­devol vertrek naar Bethlehem

Maar nog op diezelfde dag kwam er een oude wijze vriend van Jozef uit Nazareth op bezoek, die de volgende troostvolle woorden sprak: 'Broeder, op deze wijze voert de Heer Zijn volk door allerlei woestenijen en steppen! Maar degenen, die Hem op Zijn wenken gewillig volgen, die ko­men met zekerheid op hun eind­bestemming! In Egypte hebben we ge­snakt naar vrijheid, in Babylon hebben we van verdriet moeten huilen, niettemin heeft de Heer ons opnieuw bevrijd! Thans zijn we onderworpen aan het adelaarsembleem van de Romeinen; ook dat is de wil des Heren! Laten we dus maar doen wat Hij van ons wil; Hij zal zeker wel weten, waarom Hij het zo heeft ingekleed.’

 

Jozef begreep heel wel, wat zijn vriend daarmee had bedoeld te zeggen, en, toen die vriend hem, na de zegen te hebben uitge­sproken, verliet, zei hij dan ook tegen zijn jongens: 'Luisteren jullie eens goed! Het is de wil van de Heer, dat wij allemaal samen naar Bethlehem gaan; dus moeten wij ons naar Zijn wil voegen en doen wat Hij wil! Joël, zadel jij de ezelin voor Maria; neem het zadel met de ruggesteun! Joses, doe jij de os een toom aan en span hem voor de wagen, want daarin moeten we onze leeftocht vervoeren. Jullie, Samuël, Simeon en Jacob, jullie laden genoeg houd­bare vruchten, brood, honing en kaas in de wagen voor een dag of veertien, want we weten niet hoe vlug we aan de beurt komen en weer weg zullen kunnen gaan. En we weten ook niet wat er met Ma­ria zal gaan gebeuren wellicht­ ook schoon linnengoed dus en luiers inladen!' De zonen deden alles precies zoals Jozef het had opgedragen. Toen ze ermee klaar wa­ren, kwamen ze alles laten zien. Nu knielde Jozéf met heel zijn gezin neer om te bidden en zichzelf en al de zijnen in de Hand des Heren aan te bevelen. Toen hij deze gebeden plus de lofzang beëindigd had, hoorde hij een Stem die klonk als kwam die van buitenshuis, en die hem zei: ' Jozef, jij bent een trouwe zoon van David, de man naar Gods hart! Toen David tegen de reus ten strijde trok, toen was met hem de hand van de Engel, dien de Heer hem terzijde stelde, en daar­door weet je, werd je voorvader tot een machtig overwinnaar! Jij echter wordt begeleid door Hemzelf, Die was in eeuwig­heid, Die hemel en aarde gescha­pen heeft! Door Hem, Die het in de tijd van Noach veertig dagen lang dag en nacht liet regenen, om alle schepselen, die Hem vijandig gezind waren te verdrinken.Hij, Die Izaak aan Abra­ham schonk; Hij, Die Zijn volk uit Egypte leidde; Hij, Die de ver­schrikkelijke Spreker was tot Mozes op de berg Sinaï! Weet, dat Hij nu lijfelijk deel uitmaakt van jouw huisgezin, en dat Hij met jou naar Bethle­hem vertrekken zal! Wees dus maar gerust, Hij zal niet gedogen dat jou ook maar een haar ge­krenkt wordt!'

 

Toen Jozef dit alles had ge­hoord, werd hij werkelijk vrolijk. Hij dankte de Heer voor deze ge­nade en hij zegde een ieder aan, zich gereed te maken voor ver­trek. Hij tilde Maria zo voorzich­tig als maar mogelijk was op het lastdier in een gemakkelijke zit, nam de teugels en mende zelf de ezelin. Zijn zoons voerden de zwaar beladen wagen en hielden gelijke tred met de ezelin. Na een poosje gaf hij de teugels over aan zijn oudste zoon en ging zelf naast Maria lopen, omdat die soms onwel werd en ei­genlijk niet in staat bleek om zich in het zadel overeind te houden. [Jeugd Jezus 13:1-21]

 

Maria in de grot

Zo naderde ons vrome gezel­schap Bethlehem tot op nog geen zes uren gaans, waar in de open lucht een rustpauze werd gehou­den.  Jozef, die Maria in het oog hield, stelde vast, dat ze wel veel pijn moest hebben. In grote verle­genheid vroeg hij zich af: Wat zal dat betekenen? Ma­ria 's gezicht is vertrokken van pijn en haar ogen staan vol tranen! Misschien is haar tijd al inderdaad gekomen?! Nog nauwkeuriger toeziend, zag hij tot zijn verbazing dat ze nu zat te lachen! Hij vroeg haar dus terstond: 'Vertel mij eens Maria, waar denk je wel aan? ...Ik zie je gezicht het ene ogenblik vertrokken van pijn, een volgend ogenblik echter zie ik je lachen en stralen van vreugde!' Maria gaf Jozef ten ant­woord: 'Weet U, voor mij zie ik twee volkeren: Als het ene huilen moet, kan ik niet anders dan mee­huilen. Maar zie ik het andere la­chend voor mij uittrekken, dan word ik ook blij en opgewekt; ik moest dus wel lachen en in hun vreugde delen. Vandaar dat mijn gezicht zowel pijn uitdrukte als vreugde!'

 

Dit stelde Jozef weer gerust, want hij wist al dat Maria vaker visioenen had. Hij liet dus weer opbreken en trok verder naar Bethlehem. Maar, toen ze in de nabij­heid van Bethlehem waren geko­men, riep Maria op ’n gegeven moment plotseling naar Jozef: 'O Jozef, kunnen we hier niet stoppen. egene, Die in mij is begint mij nu toch wel vrese­lijk te benauwen; laat daarom stil­houden!' Door deze plotselinge noodkreet van Maria werd Jozef volkomen verrast; hij begreep dat nu te gebeuren stond, wat hij het meest van alles vreesde! Hij liet dus onmiddellijk halt houden en Maria zei vlug: 'Til mij alsjeblieft van die ezel af, want Wat in mij is wil er­uit, en ik kan de druk niet langer weerstaan!'

 

Jozef was echter ten einde raad en zei: 'Om Godswil Maria, je ziet toch dat hier nergens een herberg is, waar moet ik dan met je heen?' Maria antwoordde: 'Kijk, daar in die berg is een grot! 't Is nog geen honderd passen van hier. Breng me daar maar heen; ik kan onmogelijk verder!' Vlug stuurde Jozef zijn groepje nu in die richting en tot zijn grote opluchting bemerkte hij dat deze grot de herders uit die omgeving tot een soort noodstal diende. Er lag wat stro en hooi, waarvan hij onmiddellijk een noodbed voor Maria liet maken. [Jeugd Jezus 14:1-16]

 

DE GEBOORTE VAN JEZUS

Opmerking: want hoewel Bethlehem in grootte onder de kleinste steden was, nochtans was het niet het minste in waarde en achting, omdat David daaruit was gesproten, Joh. 7:42, en Christus daaruit zou voortkomen. En daarom lezen sommigen in den grondtekst bij Micha zijt gij de minste? Doch zie hiervan breder de aantekening op Micha

  5:1.

Hos. 11:1. Als Israel een kind was, toen heb Ik hem liefgehad, en Ik heb Mijn zoon uit Egypte uitgeroepen. Matthéus 1:18-25 18 De geboorte van Jezus Christus was nu aldus; want als Maria, Zijn moeder, met Jozef ondertrouwd was, eer zij samengekomen waren, werd zij zwanger bevonden uit den Heiligen Geest. 19 Jozef nu, haar man, alzo hij rechtvaardig was, en haar niet wilde openbaarlijk te schande maken, was van wil haar heimelijk te verlaten. 20 En alzo hij deze dingen in den zin had, ziet, de engel des Heeren verscheen hem in den droom, zeggende: Jozef, [gij] zone Davids! wees niet bevreesd Maria, uw vrouw, tot u te nemen; want hetgeen in haar ontvangen is, dat is uit den Heiligen Geest; 21 En zij zal een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten JEZUS; want Hij zal Zijn volk zalig maken van hun zonden. 22 En dit alles is geschied, opdat vervuld zou worden, hetgeen van den Heere gesproken is, door den profeet, zeggende: 23 Ziet, de maagd zal zwanger worden, en een Zoon baren, en gij zult Zijn naam heten Emmanuel; hetwelk is, overgezet zijnde, God met ons. 24 Jozef dan, opgewekt zijnde van den slaap, deed, gelijk de engel des Heeren hem bevolen had, en heeft zijn vrouw tot zich genomen; 25 En bekende haar niet, totdat zij dezen haar eerstgeboren Zoon gebaard had; en heette Zijn naam JEZUS.

 

Geboorte van Jezus

En toen Jozef dit gezegd had, beval de engel het lastdier stil te staan, omdat de tijd van baren gekomen was. En hij schreef aan de zalige Maria voor dat zij zou afstijgen van het dier, en zou binnengaan een onderaardse spelonk, in welke nooit licht was, maar altijd duisternis, omdat zij het daglicht niet ontvangen kon. En toen de zalige Maria in dezelve getreden was, begon zij geheel van glans te schitteren, alsof het de zesde uur van de dag was. (opmerking: hier moeten we corrigeren: het was niet Maria die glansde, maar het Kindje Jezus!!!). In die mate verlichtte een goddelijk licht de spelonk, dat noch des daags noch des nachts het licht daar ontbrak, zolang de zalige Maria daar was. En daar baarde zij een mannelijk kind, dat, terwijl het geboren werd de engelen terstond omgaven, dat zij, toen het geboren was en weldra op zijn voeten stond, aanbaden, zeggend: in de hóge zij de glorie aan God, en op Áárde vrede de mensen van goede wil. [Pseudo-Mattheus Evangelie]

 

De geboorte van de Heer was nu reeds gebeurt…. En Jozef was uitgetrokken om vroedvrouwen te zoeken. Toen hij ze gevonden had, is hij teruggekeerd naar de spelonk en vond met Maria het kind, dat zij gebaard had. En Jozef zei tegen de zalige Maria: ik heb Zelomi en Salomé als vroedvrouwen tot u gevoerd. En zij staan buiten voor de ingang van de spelonk, daar zij wegen de al te grote glans  (opm. van het Kindje JEZUS) niet tot hier durven binnentreden. Toen nu de zalige Maria dit hoorde, glimlachte zij. En Jozef zei tot haar: ‘’Wil niet glimlachen, maar wees voorzichtig, opdar zij zich niet verwijderen indien gij misschien een medicijn behoeft.’

 

Toen gebood zij haar binnen te komen en haar te naderen. En toen Zelomi was binnengekomen en Salomé niet was binnengekomen, zei Zelomi tot Maria: ‘veroorloof mij dat ik u aanraak’. En toen zij had toegestaan dat zij haar onderzocht, riep de vroedvrouw met grote stem en zei: ‘Heer, grote Heer, erbarm u! Nóóit is dit gehoord of zelfs maar in gedachte vermoed, dat de borsten van iemand vol zijn met melk, en een knaap geboren is, terwijl zijn moeder maagd blijkt te zijn. Maar ook geen enkele bevlekking van bloed aan de geborene wordende geschied, noch enige smart aan de barende. Als maagd heeft zij geconcipieerd, als maagd heeft zij gebaard, en maagd is zij voortdurend gebleven’.

Maar toen Salomé dit woord hoorde, zei zij: ‘sta toe, dat ik u betast en onderzoek of Zelomi de waarheid gesproken heeft’. En toen de zalige Maria toestond door haar betast te worden, strekte Salomé haar hand uit. Terwijl zij echter haar hand van het onderzoek terugtrok, verdorde haar hand; en wegens zeer grote pijn begon zij hevig te wenen en te jammeren, roepen en zeggend: ‘Heer God, Gij weer dat ik U Altijd gevreesd heb, en alle armen zonder vergoeding verzorgd heb. Van de weduwe en de wees heb ik niets aangenomen, en de hulpeloze heb ik niet ledig van mij gezonden. En zie, daar ben ik ongelukkig geworden wegens mijn ongeloof, omdat ik zonder voldoende grond uw maagd heb willen onderzoeken.

Toen zij dit zei, verscheen er naast haar een zekere jongeling, zeer glanzende, die haar zei: ‘Nader tot het kind, en aanbid het, en raak het aan met uw hand, en zélf zal Hij u behouden; want Zélf is Hij de behouder der wereld en van allen die op Hem hopen. En zij naderde direct het Kind, en het aanbiddende raakte zij aan de franje van de doeken waarin het kind gewikkeld was, en terstond is haar hand genezen. En naar buiten gaande, begon zij te roepen en te spreken van de grote dingen welke zij gezien en ondervonden had, en hoe zij genezen was; zó, dat door haar prediking velen geloofden.

 

Want ook de schaapherders verzekerden dat zij in het midden van de nacht engelen gezien hadden die een lofzang zegden, die de God van de hemelen prezen en loofden, zeggend, dat geboren was de Behouder van allen, welke is Christus de Heer, in wie het heil van Israël zal hersteld worden. Maar bovendien glansde er een zeer grote ster van de avond tot aan de vroege ochtend boven de spelonk, wier grootte nimmer van het begin der wereld af, gezien was. En de profeten die te Jeruzalem waren zeiden, dat deze ster aanwees de geboorte van de Messias, die zou vervullen de belofte; niet alleen voor Isräel, maar ook voor alle heidenen.

 

De herders en de engelen

Niet ver daarvandaan brachten herders de nacht door in het veld, ze hielden de wacht bij hun kudde. Opeens stond er een engel van de Heer bij hen en werden ze omgeven door het stralende licht van de Heer, zodat ze hevig schrokken. De engel zei tegen hen: ‘Wees niet bang, want ik kom jullie goed nieuws brengen, dat het hele volk met grote vreugde zal vervullen: vandaag is in de stad van David voor jullie een redder geboren. Hij is de messias, de Heer. Dit zal voor jullie het teken zijn: jullie zullen een pasgeboren kind vinden dat in een doek gewikkeld in een voederbak ligt.’

En plotseling voegde zich bij de engel een groot hemels leger dat God prees met de woorden: ‘Eer aan God in de hoogste hemel en vrede op aarde voor alle mensen die hij liefheeft.’ Toen de engelen waren teruggegaan naar de hemel, zeiden de herders tegen elkaar: ‘Laten we naar Betlehem gaan om met eigen ogen te zien wat er gebeurd is en wat de Heer ons bekend heeft gemaakt.’ Ze gingen meteen op weg, en troffen Maria aan en

Jozef en het kind dat in de voederbak lag. Toen ze het kind zagen, vertelden ze wat hun over dat kind was gezegd. Allen die het hoorden stonden verbaasd over wat de herders tegen hen zeiden, maar Maria bewaarde al deze woorden in haar hart en bleef erover nadenken. De herders gingen terug, terwijl ze God loofden en prezen om alles wat ze gehoord en gezien hadden, precies zoals het hun was gezegd. [Lukas 2:8-20]

 

De vroedvrouw Salomé

En zie, er daalde een vrouw van de berg af die tot mij sprak: “Man, waar gaat gij naar toe?” Ik antwoordde: “Ik zoek een Hebreeuwse vroedvrouw.” Daarop vroeg zij mij: “Zijt gij uit Israël?”, en ik zeide tot haar: “Ja”. Daarop vroeg zij mij: “En wie is het die in de grot gaat bevallen?” Ik zei: “Mijn verloofde.” Zij vroeg mij: “Is zij dan niet uw vrouw?”, en ik antwoordde haar: “Het is Maria, die in de tempel van de Heere is opgevoed en die ik door het lot tot vrouw heb gekregen. En toch is zij mijn vrouw niet, maar zij is zwanger uit de Heilige Geest.” Daarop zei de vroedvrouw tot hem: “Is dat waar?” En Jozef zei: “ Kom en zie.” En de vroedvrouw ging met hem mee. En zij kwamen bij de plaats van de grot en zie, een lichtende wolk overschaduwde de grot. De vroedvrouw sprak: “Op deze dag is mijn ziel groot gemaakt, want mijn ogen hebben wonderbare dingen gezien; want voor Israël is heil geboren.” En meteen verdween de wolk uit de grot en verscheen er een groot licht in de grot, zodat onze ogen het niet konden verdragen. En geleidelijk nam dat licht af, tot het kind zichtbaar werd. En het kwam en nam de borst van zijn moeder Maria. De vroedvrouw riep uit: “Heden is het een grote dag voor mij, omdat ik dit nooit vertoonde wonder heb gezien.” En de vroedvrouw verliet de grot en Salomé kwam haar tegemoet. En zij zei tot haar: “Salomé, Salomé, ik moet je vertellen over een wonder dat nooit eerder is vertoond: een maagd heeft een kind ter wereld gebracht, wat volgens de natuur toch onmogelijk is.” Maar Salomé zei: “Zo waar de Heer, mijn God, leeft, zolang ik mijn vinger niet naar binnen gebracht heb om haar gesteldheid te onderzoeken zal ik niet geloven dat een maagd een kind ter wereld heeft gebracht.”

En de vroedvrouw ging naar binnen en sprak tot Maria: “Houd u gereed, want er is geen geringe strijd over u.” En Salomé bracht haar vinger in haar naar binnen en zij slaakte een kreet en riep: “Wee over mijn slechtheid en mijn ongeloof, want ik heb de levende God verzocht. Zie, mijn hand wordt door vuur verteerd en valt af.” En zij boog haar knieën voor de Heer en sprak: “God van mijn vaderen, gedenk mijner, want ik ben uit het nageslacht van Abraham, Isaak en Jakob. Stel mij niet ten voorbeeld voor de kinderen van Israël, maar geef mij terug aan de armen. Want Gij weet, Heer, dat ik mijn dienst verrichtte in uw naam en mijn loon van U ontving.” En zie, vóór Salomé stond een engel van de Heere die tot haar sprak: Salomé, Salomé, de Heere God heeft u verhoord. Breng uw hand naar het kind en raak het aan en redding en vreugde zullen uw deel zijn.” En Salomé kwam naderbij, raakte het aan en zei: “Ik zal Hem hulde brengen, want een groot koning is voor Israél geboren.” En zie, meteen was Salomé genezen en gerechtvaardigd verliet zij de grot. En zie, een stem sprak: “Salomé, Salomé, maak niets bekend van de wonderen die gij gezien hebt eer het kind Jeruzalem is binnengegaan.” [Apocrief Evangelie]

 

Jozef ontmoet een vroedvrouw

Toen dat noodbed klaar was, bracht Jozef vlug Maria in de grot; zij nam op het noodbed plaats, en bij de houding, die zij zich daarop kon veroorloven, vond zij onmid­dellijk wat verlichting. Nu Maria dus op dat bed wat gerieflijker liggen kon, zei Jozef tot zijn zoons: 'De twee oudsten moeten nu bij Maria gaan waken, en in geval van nood moeten jullie haar zo goed mogelijk helpen, vooral jij Joël! Jij hebt immers door de relatie die je met mijn vriend te Nazareth onderhoudt, al wat kijk op dit soort dingen gekregen!' De andere drie moesten de os en de ezel verzorgen en de kar in de grot onderbrengen; die was daar namelijk ruim genoeg voor.

Na alles zo redelijk mogelijk te hebben geregeld, zei Jozef te­gen Maria: 'Nu ga ik de berg op om in deze stad, die mijn vader­stad is, een vroedvrouw te zoe­ken. Die breng ik dan mee, zodat zij jou de nodige hulp kan ver­lenen!' Hierna ging Jozef vlug de grot uit. Inmiddels was het al vrij laat geworden, zodat de eerste sterren al aan de hemel te zien waren. Maar, welke wondere din­gen Jozef allemaal beleefde toen hij de grot verliet, dat kunnen we Jozef beter met diens eigen woor­den laten vertellen, zoals hij dat deed aan zijn zonen toen hij met de vroedvrouw die hij vond, in de grot terugkeerde, waar Maria in­middels reeds gebaard had!

Dat verslag van Jozef dan luidde als volgt: 'Kinderen, wij staan aan de vooravond van grote gebeurtenissen! Nu begin ik iets te begrijpen van die Stem, die ik op de vooravond van ons vertrek heb beluisterd! Werkelijk, ware de Heer niet echt met ons, zij het ook onzichtbaar, dan zouden er on­mogelijk dingen gebeurd kunnen zijn, zo wonderlijk als ik ze zojuist heb zien gebeuren! Luistert! Toen ik daarjuist naar buiten stapte om weg te gaan, leek het net alsof ik niet liep! Ik zag de opkomende volle maan en de sterren, zowel de op­komende als de ondergaande, al­lemaal stilstaan! De maan kwam niet los van de horizon en de ster­ren wilden er niet achter verdwij­nen!  Ook zag ik meerdere zwer­men vogels op de boomtakken zit­ten, die allemaal in deze richting keken, terwijl ze - zoals ze dat ook doen bij opkomende aardbevin­gen - hun vleugels lieten trillen. Ze bleken niet te verjagen te zijn, noch door te schreeuwen, noch ook door met stenen te gooien!

Verder over de vlakte rondkijkend zag ik vlakbij een groepje werklui rondom een schaal met voedsel gezeten. Enke­len van hen hielden hun hand on­beweeglijk in die schaal, maar konden er niets uitnemen. En zij, die al eerder iets uit de schaal hadden genomen, kon­den dat niet naar hun mond bren­gen om het te verorberen; zij kon­den hun mond niet eens openen! Zij hielden hun gezicht en hun blikken zonder uitzondering om­hoog gericht, als zagen zij aan de hemel boven hen grootse din­gen gebeuren!

En ik zag ook schapen, door herders geweid. Maar die schapen stonden onbeweeglijk stil, terwijl ook een hand, die een herder geheven had om achter­blijvers op te jagen, als versteend omhoog geheven bleef; kennelijk kon de herder hem niet bewegen! En ook zag ik nog een grote kudde bokken, die hun snuiten boven de waterrand hielden, maar drinken konden ze niet; ze leken wel helemaal verstard te zijn! En er was ook nog een beekje, met een sterk verval van de berg neerkomend. Maar zijn water stroomde niet omlaag het dal in, maar het stond­ of hing ­stil in zijn bedding! Het leek wel of op de aardbodem alles plotseling levenloos was geworden; je zag geen enkele beweging! Maar toen ik daar nu stond of liep - terwijl ik zelf niet eens wist of ik liep dan wel stilstond! ­zag ik eindelijk toch iets levends:Er kwam namelijk een vrouw bergafwaarts, die precies op mij aankoerste, en ze vroeg: "Man, waar wil jij zo laat nog naar toe?" Ik zei haar dat ik een vroed­vrouw zocht omdat er in de grot een vrouw moest baren. De vrouw vroeg nu weer of zij van het Volk Israël was, en ik zei: "Ja mevrouw, ik en zij, we zijn beiden uit Israël: David was onze vader!" 

Nu vroeg de vrouw verder: "Wie is zij, die in de grot wil be­vallen? Is zij Uw vrouw of een familielid, of is 't een meis­je?" Ik gaf haar ten antwoord: "Sinds kort - alleen voor God en de hogepriester - is zij mijn vrouw. Maar toen ze zwanger werd, was zij nog niet mijn vrouw. Ze werd mij namelijk door een goddelijk getuigenis vanuit de Tempel in bescherming gegeven. Ze was in de Tempel, ja in het Allerheiligste, opgevoed. Maar U moet U over haar zwangerschap niet verwonderen, want Wat in haar leeft is op won­derbare wijze verwekt door Gods Heilige Geest!" De vrouw hoorde daar verbaasd van op en zei: "Man, zeg liever de waarheid!" Maar ik heb geantwoord: "Kom. zie, en overtuig U met uw eigen ogen!" [Jeugd Jezus 1-22]

 

Salome twijfelt aan maagdelijkheid Maria

Nu stemde de vrouw toe en ging met Jozef mee naar de grot. Maar, toen zij vlak bij de grot kwamen, verdween deze plotseling in een dichte witte wolk, zodat zij de in­gang niet konden vinden! De vroedvrouw verbaasde zich hoge­lijk over dit verschijnsel. Ze zei dan ook tegen Jozef: 'Mijn ziel maakt vandaag grootse gebeurtenissen mee! Van­morgen heb ik namelijk ook al een zeer wonderlijk visioen gehad, waarin alles juist zo voorviel als ik het nu in werkelijkheid zie gebeu­ren, reeds zag gebeuren en zal zien gebeuren! U bent dezelfde man, die ik in dat visioen zag komen! Tevoren zag ik al dat iedereen op heel de wereld midden in zijn bezigheden stilhield. Ook de grot heb ik ge­zien waarover zich een wolk spreidde. En met U sprak ik, zoals ik nu deed! En in de grot zag ik nog veel meer wonderbare dingen, en toen kwam mijn zuster Salome mij ach­terna. Alleen aan haar heb ik mijn visioen vanmorgen toevertrouwd. Daarom durf ik nu dan ook voor U en voor God te getuigen: Er is aan Israël een groot geluk ten deel gevallen! Er is een Redder gekomen, van boven gezon­den, juist nu, in deze tijd van grote nood!'

Nadat de vroedvrouw dit ge­tuigenis had gezegd, week de wolk van de grot terug, en vanuit de grot 'sprong' als het ware een ge­weldig sterk licht de vroedvrouw en Jozef tegemoet, zo sterk, dat hun ogen het niet konden ver­dragen! De vroedvrouw zei dan ook nu: ' Alles wat ik in het visioen heb gezien is dus waar! Gelukkige mens: Hier is meer dan Abraham, Izaak, Jacob, Mozes en Elia teza­men! Het geweldig sterke licht be­gon nu wat dragelijker te worden, en - juist op het moment dat het voor het eerst de borst van de Moeder nam -werd het Kindje zichtbaar. Nu ging de vroedvrouw met Jozef mee de grot binnen; zij be­keek het Kindje en Diens Moeder en bevond dat heel de bevalling volmaakt verlopen was. Daarom zei ze: 'Inderdaad, dit is werkelijk de door alle profeten bezongen Verlosser , Die reeds in de moe­derschoot vrij zal zijn van alle boeien en banden, om daardoor aan te tonen dat Hij alle harde wettelijke boeien verbreken zal! Of heeft soms iemand ooit eerder gezien dat een pasgeboren kind al direct naar de borst van de moeder grijpt?!Dit heeft hoogstwaar­schijnlijk te betekenen, dat dit Kind eens, als man, de wereld be­rechten zal naar maatstaven van Liefde, niet naar die van de Wet! Gelooft U mij maar gerust, gelukkige man van deze jonk­vrouw: alles is prima in orde! En Iaat mij nu maar vlug uit deze grot verdwijnen, want het begint mijn gemoed te benauwen en ik besef, dat ik niet rein genoeg ben om deze al te heilige nabijheid van mijn en Uw God en Heer te kun­nen verdragen!'

Van deze kennelijk profeti­sche woorden van de vroedvrouw schrok Jozef heel erg. Maar zij liep snel weg en verdween uit de grot. Toen ze de grot uitkwam trof ze echter buiten haar zuster Salome aan, die haar - vanwege dat visioen -gevolgd was. De vroedvrouw zei dus te­gen haar zuster: 'Salome, kom en zie! Mijn visioen van vanmorgen is door de feiten volledig beves­tigd! De Maagd heeft gebaard! Nooit zal dit door menselijke wijs­heid of door een natuurlijke wet verklaard kunnen worden!' Maar Salome antwoordde: , Zowaar God leeft zal ik niet eer­der kunnen geloven dat een maagd gebaard heeft, dan wan­neer ik dat zelf met eigen hand onderzocht heb en bevestigd vind.' [Jeugd Jezus 16:1-17]

 

Salome’s bevindingen

Na dit gezegd te hebben, ging Salome vlug de grot binnen en zei: 'Maria, ik verkeer in grote tweestrijd; ik smeek U mij toe te staan om met mijn ervaren vroed­vrouwenhand zelf te onderzoeken en vast te stellen hoe het nu met Uw maagdelijkheid is gesteld!' Maria voegde zich welwil­lend naar deze smeekbede van de ongelovige Salome, en zij liet zich onderzoeken. Maar toen Salome Maria's lichaam op deskundige wijze aan­raakte., brulde zij het plotseling uit van pijn: 'Wee mij om mijn ongeloof, waardoor ik de Eeuwig levende God heb willen tarten! Zie mijn hand toch eens! Die verbrandt in het vuur van Gods toorn over mij ellendige! En, voor het Kindje op de knieën vallend, zei ze: 'O God van mijn Vaderen, Gij Almachtige Heer van alle Heerlijkheid, wees toch gedachtig dat ook ik ben voortgesproten uit het zaad van Abraham, Izaak en Jacob! Maak mij niet tot mikpunt van spot voor de zonen Israëls! Maak mijn ledematen toch weer gezond!'

En zie, plotseling stond er een Engel des Heren naast Salo­me, die haar zei: 'God de Heer heeft je smekingen al gehoord; ga maar naar het Kindje toe en neem Het op, dan zal je een groot geluk ten deel vallen!'  Toen ze dit vernomen had, ging ze op haar knieën naar Maria toe en smeekte haar om het Kind­je. Gewillig gaf Maria haar het Kindje in handen en zei: 'Over­eenkomstig de uitspraak van de Engel des Heren moge Het je tot Heil strekken; de Heer moge Zich over je ontfermen!' Nu nam Salome het Kindje op haar arm, en Het vasthoudend, terwijl ze op haar knieën rond­ ging, zei ze: 'O God, Almachtige Heer van Israël, Gij die regeert en heerst van Eeuwigheid, er is hier voor Israël waarachtig een Koning geboren, Die machtiger zal zijn dan eens David geweest is, alhoewel die de man was naar Gods Hart! Ik loof U en prijs U in eeuwigheid!' En ziet, weer volkomen ge­nezen gaf Salome met een van dankbaarheid vermorzeld hart het Kindje terug aan Maria, en ze ver­liet gerechtvaardigd de grot!

Buiten gekomen had ze het wel willen uitschreeuwen om het wonder der wonderen dat ze zo­juist ervaren had. en terwijl ze op het punt stond om aan haar zuster te vertellen wat ze had meegemaakt, klonk daar plotseling weer een Stem van Boven: 'Salome, Sa­lome, vertel aan niemand iets over je uitzonderlijke ervaringen! Eerst moet de tijd komen, waarop de Heer door woorden en daden van Zichzelf zal getuigen!' Nu deed Salome er plotse­ling het zwijgen toe, waarna Jozef naar buiten kwam met een ver­zoek aan beide zusters om, over­eenkomstig Maria's wens, weer in de grot te willen terugkomen, op­dat toch maar niemand bemerken zou wat er in deze grot voor won­derbaarlijks had plaats gevonden. Bescheiden gevolg gevend aan dit verzoek, gingen zij nu beiden de grot binnen. [Jeugd Jezus 17:1-17]

 

Profetie Jesaja vervuld

Maar op de derde dag van de geboorte van het Kindje Jezus is de zeer gelukkige Maria uit de spelonk (grot) gegaan; en nadat ze een stal binnengetreden was, legde zij haar knaap in een kribbe. (opmerking: dit klopt niet! – Maria bleef in de grot…. En os en ezel aanbaden hem. Toen is vervult hetgeen gezegd is door de profeet Jesaja, zeggende: ‘De os kent zijn bezitter, en de ezel de kribbe van zijn Heer’. Want de dieren zelf, os en ezel, omringden Hem en aanbaden Hem zonder ophouden. Toen is vervuld hetgeen gesproken is door de profeet Habakuk, zeggende: ‘In het midden van twee dieren zult Gij gekend worden. Op diezelfde plaats heeft Jozef met Maria drie dagen vertoefd. [Pseudo-Mattheus Evangelie]

 

Herders aanbidden het Kindje Jezus

Toen nu iedereen in de grot was teruggekeerd, vroegen de zonen van Jozef aan hun vader: 'Vader, wat moeten we nu doen? Alles is nu op orde. We zijn vermoeid van de reis; mogen we niet gaan slapen?'  Maar Jozef antwoordde hen: 'Kinderen, jullie zien toch wel wat grenzeloos grote genade ons allen van Boven is ten deel gevallen; blijven jullie dus liever nog wak­ker om samen met mij God te lo­ven. Jullie hebt gezien wat Salo­me is overkomen omdat ze niet wilde geloven! Laat ons dus niet toegeven aan de slaap op het mo­ment waarop de Heer ons gelieft te bezoeken!

Gaat liever naar Maria om het Kindje te strelen. Wie weet of jullie oogleden dan niet zo ge­sterkt zullen worden, alsof jullie uren lang vast geslapen hadden!' Dit deden Jozefs zonen dus en het Kindje glimlachte tegen hen en Het strekte Zijn Handjes naar hen uit, als had Het hen als Zijn broers aangenomen. Ze waren allemaal verwon­derd en zeiden: 'Nou, dat is vast geen gewoon natuurlijk kind, want wie heeft er ooit meege­maakt dat iemand door een pas­geboren kind zo verrukkelijk werd begroet?! En bovendien gevoelen wij ons nu plotseling zozeer gesterkt in al onze ledematen, alsof we he­lemaal geen reis hadden ge­maakt, alsof we gewoon thuis op een morgen volkomen ver­kwikt uit onze bedden stapten!'

Jozef nu: 'Mijn advies is dus wel goed geweest! Maar nu merk ik toch wel dat het flink koud be­gint te worden! Brengen jullie de ezel en de os maar eens hierheen, dan kunnen die bij ons liggen en met hun adem en lichaamswarmte wat warmte aan ons afgeven; en laat ons Maria omringen en trach­ten hetzelfde te doen!' De jongens gingen aldus te werk. Ze brachten de dieren, die zich beide eigener beweging aan Maria's hoofdeinde legerden en ijverig over het Kindje en Maria heen ademden, waardoor ze hen behoorlijk verwarmden. Nu zei de vroedvrouw: 'Duidelijk blijkt hier dat er niet zomaar iets heeft plaatsgevonden, want zelfs de dieren dienen God hier op een wijze alsof ze begrip en verstand hadden!' En Salome voegde daaraan toe: ' Ja zuster, de dieren schijnen hier nog beter te kunnen zien dan wij! Terwijl wij ons dit alles nog nauwelijks kunnen voorstellen, aanbidden reeds de dieren Hem, Die hen heeft geschapen! Geloof me zuster, zo waar­lijk God leeft, zo waarlijk ook is Dit hier voor ons de beloofde Messias; want dit weet ik wel, dat zich nooit eerder­ zelfs niet bij de geboorte van de grootste profeten - dergelijke wonderen hebben voorgedaan!

Maria sprak nu tot Salome: 'God de Heer heeft je wel een zeer grote genade bewezen, dat je moogt inzien, waarvoor mijn ziel zelfs nog beeft! Maar, zoals de engel je al eerder heeft opgedragen: je moet er wel over zwijgen; anders zou je ons wel eens een vreselijk harde ervaring kunnen bezorgen!' Nu beloofde Salome Maria haar leven lang te zullen zwijgen, en de vroedvrouw volgde haar voorbeeld. Alles werd nu rustig in de grot. Maar tegen een uur voor zonsopgang hoorden zij allen dat er buiten voor de grot prachtige lofzangen werden gezongen. Jozef zond dadelijk zijn oudste zoon om te gaan zien wat er daarbuiten aan de hand was en wie daar zo overweldigend Gods lof zongen. Joël ging kijken en hij zag dat alle regionen van heel het fir­mament vervuld waren, zowel hoog boven hem als in de verre verten voor hem en achter hem, door myriaden lichtende Engelen! Verbijsterd rende hij terug de grot in en vertelde allen wat hij gezien had.

Iedereen was zo verbaasd over wat Joël vertelde, dat ze naar buiten gingen om zich van de juistheid van diens mededelingen te overtuigen. En toen ze volop van dit schouwspel van Gods Heerlijk­heid hadden genoten, keerden ze in de grot terug om ook Maria erin te doen delen door hun getuige­nis. Jozef zei: 'Luister, jij zuiverste van de maagden des Heren, wat jij hebt gebaard, Dat is waarlijk door Gods Heilige Geest verwekt, im­mers heel de hemel getuigt daar­van! Maar, hoe zal het met ons aflopen, nu de hele wereld wel moet aannemen wat hier is ge­beurd!? Want, dat niet alleen wij, maar ook alle andere mensen kun­nen waarnemen, welk een mach­tig getuigenis voor ons van de hele hemel uitstraalt, dat heb ik zojuist afgelezen van de verwonderde ge­zichten van vele herders, die hun blikken omhoog gericht hielden. Als eenstemmig zongen ze mee met de machtige koren van engelen, die -en dat is nu duide­lijk te zien: van hoog tot laag, tot de aarde toe­ het hele hemelruim vullen! Hun gezang, evenals dat van de Engelen, luidde: "Dauwt hemelen van Boven de Gerechtigde! Vrede op aarde aan de men­sen, die van goeden wille zijn! Eer aan God in den Hoge, aan Hem, Die komt in de Naam des Heren!"

Maria, de hele wereld kan dit nu horen en zien! Men zal dus nu wel hier heen komen om ons te vervolgen, zodat we moeten vluchten door dalen en over ber­gen! Zo vlug we maar enigszins kunnen, vind ik, zullen we van hier moeten vertrekken, dat wil dus zeggen, zodra ik ben geregistreerd; en dat moet dan maar dadelijk, deze morgen, ge­beuren! Terug naar Nazareth moeten we, en van daaruit moe­ten we naar Grieks gebied uitwij­ken. Gelukkig ken ik heel wat Grieken! Vind jij ook niet? Maria zei echter: 'Je kunt toch wel zien, dat ik vandaag nog niet op kan staan! We moeten al­les maar aan de Heer overlaten! Hij heeft ons tot hier geleid en beschermd; dat zal Hij dus zeker ook verder wel trouw blijven doen! Als Hij ons werkelijk aan de hele wereld wil openbaren, dan moet jij mij maar eens vertellen, waarheen wij dan zouden kunnen vluchten, om niet door Zijn He­melen te worden ontdekt! Zijn Wil moet dus maar ge­beuren! Wat Hij wil is goed voor ons! Kijk, hier aan mijn borst rust Hij , om wie dit alles draait! Hij blijft bij ons, dus zal de grote Heerlijkheid Gods ook ze­ker niet van ons wijken; we zullen dus best daarheen kunnen gaan, waarheen wij maar willen!'

Nauwelijks had Maria dit gezegd, of daar stonden reeds twee Engelen voor de grot. Zij wa­ren de leiders van een troep her­ders, en ze toonden de herders, dat daar Degene geboren was, tot Wie hun lofzangen waren gericht. Vervolgens gingen de her­ders de grot binnen. Ze knielden voor het Kindje neer en aanbaden Het! En ook de Engelen kwamen met hele scharen tegelijk, om het Kindje te aanbidden! Vol verbazing keken Jozef en zijn zoons op naar Maria en het Kindje, en Jozef sprak: 'O mijn God, wat gebeurt er nu weer?! Hebt U dan echt Zelf in dit Kind je een vleselijk lichaam aanvaard?! Immers, hoe zou het anders kunnen, dat Het aanbeden wordt, zelfs door Uw heilige Engelen?! Maar Heer, als U nu hier bent, hoe zit het dan met de Tempel, en met het allerheilig­ste!?'

Nu kwam er een Engel naar voren; die zei tot Jozef: 'Stel maar geen vragen, en wees maar niet bezorgd, want de Heer heeft de Aarde uitgekozen tot het toneel, waarop Zijn Erbarmen zal wor­den getoond! Hij heeft nu Zijn Volk bezocht, zoals Hij had voor­speld door Zijn Kinderen, Zijn Knechten en Zijn Profeten! Wat hier voor je ogen plaatsheeft, gebeurt volgens Zijn Wil, en Hij is Heilig, ja meer dan Heilig!'

De Engel ging vervolgens van Jozef weg om opnieuw het Kindje te aanbidden, Dat nu al­len, die Hem aanbaden met gespreide handjes toelachte! Toen de zon ten slotte op­kwam, verdwenen de Engelen, maar de herders bleven nog en trachtten van Jozef te weten te komen, hoe zoiets kon zijn ge­beurd! Jozef zei hun: 'Lieve men­sen, zo wonderlijk, als het gras groeit uit deze aarde, zo is ook dit wonder gebeurd! Wie immers weet, hoe gras groeit?! Evenmin weet ik over dit wonder iets te ver­tellen! God heeft het zo gewild, dat is alles, wat ik ervan zeggen kan!' [Jeugd Jezus 18:1-40]

 

Geboorte van Jezus

Hoewel Jezus doorgaans de Zoon van God genoemd wordt, heeft Hij echter nooit een Vader gehad, want de Vader was Zijn Liefde in het hart, en diens Zoon was de wijsheid van Zijn liefde in de hoofdelijke ziel van de Vader, omdat Hij als de Zoon van de Vader - in Zijn wijsheid - ook gelijktijdig in Zijn ziel één met Hem was en ook eeuwig zal blijven.

 

Zijn lichamelijke ontvangenis in Maria gebeurde door de Heilige Geest. Dit is zo te verstaan: ‘omdat de Heilige Geest vanuit de Vader en de Zoon gaat, waren de liefde en wijsheid in God daarom in één’. In het lichaam van Maria werd de materiële omhulling of het lichaam van Jahweh gevormd en dit werd dus omgezet in een daad, doordat het uitgesproken Woord van God begon te werken. Hierdoor vormde zich Zijn aards materiële lichaam, zoals het in de Evangeliën beschreven staat: ‘wat in haar [Maria] opgewekt werd, dat is door de Heilige Geest. [Matth. 1:20 en Lukas 1:35]

Willen wij precies weten, of Maria nu de echte moeder van Jezus was of niet, daarvan is bekend, dat de mens niet uit zijn eigen begin [start] komt; de mens kan nooit zijn eigen verwekker zijn. ‘Moeder’ komt uit het oer-Duitse woord ‘matar’, ‘moutar’, ‘mueter’ en tenslotte omgebogen in ‘muter’ of ‘Mutter’. Deze woorden betekenen feitelijk ‘verwekkerin’. Maria was echter geen verwekster, en had bovendien geen man (weliswaar getrouwd met de veel oudere Jozef, die al in de zeventig was), maar zij was slechts een werktuig uit de hand van de Vader Jahweh. Dit werktuig is echter niet te zien als een fabrikant. Maria was slechts de voortbrengster van het lichaam van Jezus, maar niet echt de vleselijke moeder, nog minder de goddelijke moeder.

 

Er zal in het toekomstige rijk der liefde ook geen vleselijke verwekkingen meer plaatsvinden en toch zal geen vrouw zonder man ontvangen kunnen. Deze verklaring mag de lezer wat enig licht brengen; men verheft Maria boven Jezus, maar dit is niet de waarheid. Maria stamde uit het zaad van David en zij was één van de zeven maagden, die destijds uit het koninklijk huis van David afstamden. [zie ook Luk.1:31-33, 37 tot 2,4. Maria was door de goddelijke Liefde bepaald, om de aardse verwekster te zijn van de Heer Zelf, en God stuurde de aartsvader Jared als aartsengel Gabriel naar Maria en liet haar verkondigen, dat zij door de Heer Zelf verkoren werd, om de verwekster van de Messias te worden, en ze zou dus zwanger worden en een kind baren, die zij Jezus noemen moest. [Lukas 1:28-35]. Maria hiervan geschrokken vroeg de engel, op welke wijze dit gebeuren zou, omdat zij geen man kende? ‘De Heilige Geest zal over je komen en de kracht van de allerhoogste zal je overschaduwen’, zei de engel. Daarom zal het Heilige, dat uit jou geboren wordt, de Zoon van God genoemd worden. [Luka 1:30-35]

 

De apostel Paulus zegt ook, dat Jezus Christus de goddelijke kracht is [1 Kor. 1:24]. De Heer verwekte Zijn lichaam Zelf in Maria, dat is de wilskracht van God, want met dezelfde kracht schiep Hij ontelbare werelden als Zonnen, planeten en sterren, evenzo engelen, geesten en mensen en die het nog moeten worden. We mogen Maria niet als de moeder van God betitelen, want met deze naam maken wij haar tot echtgenote van God de Vader, en dan met een hoge rang als godin. De katholieke kerken vereren haar nog op deze wijze, wat een grote vergissing is.

Ook Jozef, de wettige man van Maria, was niet de vader van Jezus, zoals destijds het onwetende volk, dat niets afwist van de afkomst van Jezus, hem hiervoor hield. Hij werd voor de zoon van Jozef gehouden, die weer de zoon was van Eli. [Lukas 3:23 en Matth. 1:16], maar hij was slechts de voedende vader, en Maria heeft hem via de tempel getrouwd, en zomede is hij als de vader van Jezus aangezien, anders was Maria gestenigd.

De geboorte van Jezus volgde op 7 januari tussen 24.00-24.10 uur ’s nachts in het Joodse jaar 4151 naar Bethlehemse tijd in een berggrot, 15 minuten buiten de stad Bethlehem, die door de toenmalige herders gebruikt werd als toevluchtoord bij grote hitte, om uit te rusten, en deze grot werd niet als schapenstal of veestal gebruikt. Deze grot bestaat nog, maar werd van buitenaf in het jaar 804 n. Chr. door een aardbeving verschudt, zodat vandaag niemand de precieze plek meer weet. Wanneer het zichtbare begin van het Nieuwe Rijk der Liefde [NRL] begint aan te komen, zal deze grot weer door de Heer hersteld worden zoals het EENS was, omdat dan de waarheid zal regeren!

 

In het jaar 4150 na Adam werd al op 17 december door een ster – zichtbaar aan de hemel – opgemerkt door drie wijze lieden in de sterrenkunde in Perzië [Matth. 2:2]. Door een engel op 7 januari vroeg in de nacht aan de herders aangekondigd. [Lukas 2:9]. Simeon en Hanna getuigden ook over het Kind Jezus op 15 januari in Jeruzalem bij het volk. [Lukas 2:25-38]. De herders zijn dan met spoed naar berggrot gelopen om de nieuwgeboren Messias te zien en te aanbidden. [Lukas 2:9-20]. Jezus werd op 15 januari, dat is de 8e dag na Zijn geboorte, volgens het voorschrift van het Oude Testament besneden, en werd Jezus genoemd; Maria is in dezelfde tijd gereinigd en in de tempel ingewijd. [Lukas 2:21-24]

 

Op 17 januari kwamen in de vroegte de drie wijze sterrenkundigen uit Perzië met hun caravans voor de berggrot, en zij gingen het Kind aanbidden en offerden Hem volgens oosters gebruik [als bij een koning] zoals goud, wierrook en mirre als geschenk. [Matth. 2:11] Het Kindje Jezus is met Zijn pleegouders Jozef en Maria met de vijf zonen van Jozef uit zijn eerste huwelijk: Joël, Joses, Simeon, Juda en Jakobus op 19 januari in alle vroegte gevlucht naar Egypte in het Ostracine vanwege de gruweldaad van Herodes, die Hem doden wilde. [Matth. 2:11] Een uur na Zijn vlucht uit Bethlehem kwamen al de soldaten van Herodes en vermoordden alle kinderen tot twee jaar in de stad en haar omgeving, omdat Herodes geloofde in het speciale Kind, de nieuwe toekomstige koning der Joden aan te treffen. Na een verblijf van bijna drie jaren in Egypte is het Kindje Jezus op 13 november na de dood van Herodes met de familie van Jozef van Egypte naar Nazareth teruggekomen en daar is Hij dan verder opgegroeid. [Matth. 2:19-23]

www.zelfbeschouwing.info