Maria wordt Jozefs vrouw

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Nu beraadde de hogepriester zich een poosje; hij overlegde bij zichzelf: wat moet ik doen? Annas is verschrikkelijk jaloers vanwege die verloting van Maria, en het advies van een jaloers man moet je nooit opvolgen! Maar stel dat het nu toch eens zo zou zijn als hij van Maria beweert, terwijl ik die zaak hier nonchalant zou afdoen; de zonen Israëls zullen dan hevig tegen mij te keer gaan en ongena­dig rekenschap van mij eisen! Ik zal dus maar heimelijk een paar beambten naar Jozef toe­sturen. Als die dan inderdaad de situatie zo aantreffen, dan moeten ze het meisje en Jozef maar dade­lijk hierheen meebrengen.  Dienovereenkomstig werd besloten. In het geheim riep hij nu een paar betrouwbare bedienden en stelde hen op de hoogte van wat mogelijk in het huis van Jozef kon zijn gebeurd. Met de nodige instructies zond hij hen vervol­gens onverwijld naar Jozefs huis, opdat zij zouden weten te hande­len ingeval een en ander zou blij­ken waar te zijn.

 

Met de grootste spoed bega­ven die dienaren zich nu naar Jozefs huis, waar zij alles inder­daad zo aantroffen, als de hoge­priester het hun had uitgeduid. De oudste van hen zei der­halve tegen Jozef: 'Wij zijn door de Tempel hierheen gestuurd om ons ervan te overtuigen hoe het met het me is je is gesteld, omdat er over haar kwade geruchten tot de hogepriester zijn doorgedrongen. En, nu wij die treurige sug­gestie helaas bevestigd vinden, raad ik je aan om goedschiks met ons mee te gaan naar de Tempel opdat wij tegen je geen geweld behoeven te gebruiken; daar zul je dan wel uit de mond van de hogepriester diens oordeel verne­men!'

 

Zonder tegenspraak zijn Jozef en Maria direct met die tempeldienaren meegegaan naar het gerechtshof van de Tempel. Toen zij daar voor de hoge­priester verschenen, vroeg die aanstonds uiterst verbaasd en op zeer ernstige toon aan Maria:. 'Maria, waarom heb jij ons dit aangedaan? Hoe heb je je ziel zo afschuwelijk durven belas­ten?m Je hebt de Heer, je God vergeten, jij, die nota bene in het Allerheiligste bent opgevoed en die dagelijks voedsel uit engelen­handen ontving. Jij, die onafgebroken de lofzang van de engelen kon ho­ren, en die je vermaakte, speelde en danste voor Gods Aangezicht! Geef antwoord! Waarom heb je ons dit aange­daan?'

 

Toen begon Maria hevig te snikken en onder geweldig zuch­ten en huilen bracht zij eruit: 'Zo zeker als God, de Heer van Israël leeft, zo zeker ook ben ik rein! Nooit heb ik mij aan een man ge­geven! Vraagt U maar aan Jozef, die door God Zelf werd uitverkoren!' Nu wendde de hogepriester zich dan tot Jozef en vroeg hem: Jozef, ik bezweer je mij in de Naam van de Eeuwig levende God onverbloemd te zeggen hoe dit is gebeurd! Heb jij dit gedaan?' Nu sprak Jozef: 'Ik zeg U bij alles wat U en mij heilig is, zo waarlijk de Heer, mijn God leeft, zo waarlijk ook ben ik rein, zowel ten overstaan van dit meisje, als ten overstaan van U en tegenover God!' Maar de hogepriester ging daartegen in en zei: 'Verzin geen leugens, maar spreek de waarheid tegenover God! Dit zeg ik je: Jij hebt het huwelijksrecht gestolen, want je hebt niet tevoren je hoofd gebogen onder de Hand van de Eeuwig geweldige, opdat Hij jouw zaak zoude zegenen! Spreek toch de waarheid man!

 

Verstomd onder het ge­weld van deze beschuldigingen van de hogepriester, kon Jozef met geen enkel woord antwoor­den, daartoe waren de aantij­gingen van de hogepriester te bit­ter onrechtvaardig. En omdat Jozef zich tegen­over de hogepriester maar in het diepste stilzwijgen bleef hullen, en ook beslist niet wilde spreken, nam de hogepriester opnieuw het woord en zei:. 'Geef ons de maagd terug zoals je haar uit de Tempel des Heren ontvangen hebt: ze was zo zuiver als de opkomende zon op een heldere morgen!'  En Jozef stond daar maar door tranen overmand, totdat hij eindelijk, na een zeer diepe zucht, klaagde:

'Heer God van Abraham, Izaak en Jacob, wat heb ik, arme grijsaard dan toch wel voor af­schuwelijks voor U bedreven, dat U mij nu zo'n zware slag moet toebrengen?! Neemt U mij maar weg uit deze wereld, want voor iemand, die tegenover U en tegenover heel de wereld steeds leefde in gerech­tigheid, is het ondragelijk om zul­ke smaad te moeten ondergaan! Mijn Vader David hebt U getuchtigd omdat hij tegen Urias gezondigd had. Maar ik heb mij nog nooit aan een mens bezondigd, noch ook heb ik mij vergrepen aan enig menselijk goed, of ook maar aan een dier! Tot in de kleinste details heb ik mij steeds aan de Wet ge­houden; O Heer, waarom slaat U, mij dan? Laat U mij toch zien waarin ik tegen U gezondigd heb, dan zal ik graag de vuurdood ondergaan! Maar, als ik werkelijk gezondigd zou hebben tegenover U, dan zij vervloekt de dag, waarop ik geboren ben!'

 

Door dit verweer van Jozef werd de hogepriester verbitterd en hevig geïrriteerd sprak hij: 'Nu goed dan, als jij je dui­delijke schuld tegenover God blijft ontkennen, zal ik jullie moe­ten verplichten het vloekwater van God de Heer te drinken, zo­dat jullie zonden en voor jullie zelf en voor heel het volk dui­delijk uitkomen!' Nu nam de hogepriester vloekwater en deed Jozef daarvan drinken, waarna hij hem volgens de wet naar een daartoe bestemd gebergte zond dat nabij Jeruzalem gelegen was. En op dezelfde wijze liet hij ook de maagd van dit water drin­ken, waarna hij ook haar naar het gebergte zond.  Drie dagen later kwamen zij beiden ongedeerd terug, zodat heel het aanwezige volk zich er­ over verbaasde, dat van hen geen zonde aan het daglicht was geko­men. En de hogepriester, die zelf ook mateloos verbaasd was, zei nu tot hen: 'Nu God de Heer jullie zonden niet openbaar heeft willen maken, wil ook ik jullie niet ver­oordelen; ik spreek jullie dus vrij van schuld en van straf! Maar, omdat het meisje nu toch zwanger is, moet zij -als boe­te -jouw vrouw zijn, omdat zij zwanger is geworden, zonder dat ik daarvan tevoren op de hoogte was gesteld. Nooit zal zij meer een andere man mogen huwen, al zou zij nog zo jong weduwe worden! Zo zij het! Vertrekken jullie nu dus maar in vrede! Nu nam Jozef Maria mee naar zijn land en zijn huis; vervuld van vreugde loofde en verheer­lijkte hij zijn God, en zijn vreugde was daarom nu nog groter, omdat Maria nu zijn wettige vrouw ge­worden was!

 

De geboorte van Johannes

Toen de dag van haar bevalling was aangebroken, bracht Elisabet een zoon ter wereld. Haar buren en verwanten hoorden hoe barmhartig de Heer voor haar was geweest, en ze verheugden zich samen met haar. Op de achtste dag kwamen ze het kind besnijden, en ze wilden het Zacharias noemen, naar zijn vader. Maar zijn moeder zei: ‘Nee, Johannes zal hij heten! ’ Ze zeiden tegen haar: ‘Er is niemand in je familie die zo heet.’ Ze beduidden zijn vader te laten weten hoe hij het kind wilde noemen. Hij vroeg om een schrijftablet en schreef erop: ‘Johannes is zijn naam.’ Iedereen was verbaasd. En meteen werd de verlamming van zijn mond en

zijn tong ongedaan gemaakt, en hij begon te spreken en loofde God. Alle omwonenden waren diep onder de indruk, en in heel het bergland van Judea werden deze gebeurtenissen besproken. Ieder die het hoorde bleef erover nadenken, en vroeg zich af: Hoe zal het verder gaan met dit kind? Want de machtige hand van de Heer beschermde hem. [Lukas 1:57-66] & [Jeugd Jezus 11:1-33]

 

De lofzang van Zacharias

Zijn vader Zacharias werd vervuld met de heilige Geest en sprak deze profetie: ‘Geprezen zij de Heer, de God van Israël, hij heeft zich om zijn volk bekommerd en het verlost. Een reddende kracht heeft hij voor ons opgewekt uit het huis van David, zijn dienaar, zoals hij van oudsher heeft beloofd bij monde van zijn heilige profeten: bevrijd zouden we worden van onze vijanden, gered uit de greep van allen die ons haten. Zo toont hij zich barmhartig jegens onze voorouders en herinnert hij zich zijn heilig verbond: de eed die hij gezworen had aan Abraham, onze vader, dat wij, ontkomen aan onze vijanden, hem zonder angst zouden dienen, toegewijd en oprecht, altijd levend in zijn nabijheid. En jij, kind, jij zult genoemd worden: profeet van de Allerhoogste, want voor de Heer zul je uit gaan om de weg voor hem gereed te maken, en om zijn volk bekend te maken met hun redding door de vergeving van hun zonden. Dankzij de liefdevolle barmhartigheid van onze God zal het stralende licht uit de hemel over ons opgaan en verschijnen aan allen die leven in duisternis en verkeren in de schaduw van de dood, zodat we onze voeten kunnen zetten op de weg van de vrede.’ Het kind groeide op en werd gesterkt door de Geest. Johannes leefde in de woestijn tot de dag aanbrak waarop hij zich kenbaar maakte aan het volk van Israël. [Lukas 1:67-80]

www.zelfbeschouwing.info