Vermoedens van Jozef [van Maria]

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Vervuld van verheven vermoe­dens, zei Jozef tot Maria: 'Kind van den Heer, in jou is aan mijn huis veel vreugde geschonken; mijn ziel is vervuld van hóge ver­wachtingen! Maar ook weet ik, dat de Heer degenen die Hij liefheeft pijnlijk pleegt te treffen; laten wij Hem daarom steeds vragen, dat Hij voor ons steeds genadig moge zijn en barmhartig! Het is zelfs mogelijk dat de Heer door jou en mij de oude ver­molmde Ark van het Verbond vernieuwd zou willen zien! Maar, als zoiets inderdaad op handen zou zijn: wee dan jou en mij! Dan zullen wij nog bijzonder zwáár werk te verzetten krijgen! Maar laten we het hier voorlopig maar bij laten!

Kome wat komen moet; te­genhouden kunnen wij het toch niet. Maar als het komt, dan zul­len we erdoor, als door een mach­tige Hand, gegrepen worden, en sidderen zullen we voor de Wil van Hem, Die de grondvesten der Aarde bevestigd heeft!' Maria, die van dit alles he­lemaal niets begreep, trachtte de er zeer bezorgd uitziende Jozef te troosten en zei: 'Lieve vader Jozef, nu moet U niet treurig worden om wat de Heer met ons wil; we weten toch immers dat Hij met Zijn kinderen steeds het beste voorheeft! Als Hij altijd al was met degenen die Hem liefhebben, zoals Hij het was met Abraham, met Izaak en Jacob, en met ons tot nu toe, wat zou ons dan helemaal aan leed en aan naars kunnen overkomen?!'

 

Door deze troostwoorden gerustgesteld, dankte Jozef de Heer in zijn hart zo goed hij maar kon, omdat Hij hem in Maria zo'n lieve troostengel had gegeven, waarna hij besloot met te zeggen: 'Kinderen, de avond is al ver gevorderd; laten we dus de lof­zang zingen, en dan een gezegen­de avondboterham eten en naar bed gaan.' Dit deden ze. Maria ging vlug brood halen en Jozef deelde het uit; wel was het hoogst ver­wonderlijk dat dit brood ditmaal zo bijzonder fijn smaakte!

 

Het commentaar van Jozef was: ' Alle lof aan de Heer; wat Hij zegent, dat smaakt steeds opper­best!' En op uiterst lieflijke en wijze toon voegde Maria daar aan toe: 'Ziet U nu wel, lieve vader, dat U voor de bezoekingen des Heren geen vrees hoeft te koeste­ren: ze zijn tevens Zijn bijzonder kostelijke zegeningen!' En nu Jozef weer: ' Ja, ja, brave dochter des Heren, je hebt gelijk! AI wat de Heer mij zal wil­len opleggen zal ik geduldig ver­dragen, want al te zwaar zal Hij Zijn last voor mij niet maken en Zijn juk zal ook niet te hard voor mij zijn; ...Hij is immers een Vader vol van Goedheid en Er­barmen, zelfs in Zijn IJverzucht! Laat Zijn Heilige Wil dus maar altijd geschieden!'

 

Hierna ging de vrome fami­lie ter ruste en de volgende dagen werden besteed aan huiselijke werkjes. Dag na dag werd Maria zwaarder. Zelf merkte zij dat maar al te goed, en zij probeerde dan ook haar zwangerschap voor Jozef en diens zonen zo goed mo­gelijk te verbergen. Maar na verloop van twee maanden hielp haar dat verbergen niet meer. Jozef kreeg argwaan en in het geheim overlegde hij met een van zijn vrienden te Nazareth over wat er met Maria toch wel voor bijzonders aan de hand zou kunnen zijn. [Jeugd Jezus 7:1-16]

 

Een vriend geeft raad aan Jozef

Die vriend van Jozef nu was een deskundige, want hij was arts, be­kend met de krachten van de krui­den, en bij moeilijke bevallingen stond hij niet zelden de kraam­vrouwen terzijde. Hij ging met Jozef mee naar huis en observeerde Maria heime­lijk. Daarna zei hij tegen Jozef: 'Luister broeder van Abra­ham, Izaak en Jacob; een vreselijk onheil heeft je huis getroffen! Je moet namelijk weten dat dit meis­je zwanger is en in vergevorderde staat! Maar, je hebt er zelf mede schuld aan! Zes maanden aan één stuk was je voor je bouwopdracht van huis! En wie heeft er dan in­tussen op dat meisje moeten pas­sen?'

Jozef antwoordde hem: 'Beste man, van al die tijd was Maria nauwelijks drie weken aan één stuk thuis, en dat dan nog in het begin van de tijd dat ze bij mij is komen inwonen. Daarna was ze drie volle maanden bij haar nicht Elizabeth. Sedertdien zijn er nu weer twee maanden voorbijgegaan, waarin ze onafgebroken onder mijn hoede was, en ik heb nooit gemerkt dat er iemand bij haar was, noch openlijk, noch ook in het geheim! Trouwens ook tijdens mijn afwezigheid is ze in goede handen geweest; en mijn zoon, die haar naar Elizabeth heeft gebracht, heeft mij tevoren de meest dure eed gezworen, dat hij­ tenzij in geval van nood -heel de weg lang, zelfs haar kleed niet ook maar zou aanraken!

Wat mijn huishouden be­treft weet ik dus met grote zeker­heid dat Maria beslist rein geble­ven is, maar, of dat ook het geval is geweest in het huis van Zacha­rias, dat is een heel andere vraag! Of zou haar in de Tempel iets kunnen zijn overkomen, door de een of andere tempeldienaar misschien! De Heer beware mij ervoor dat ik dat serieus mogelijk zou achten! Zoiets zou de Heer allang aan het licht hebben ge­bracht, door middel van de niet te misleiden wijsheid van de hoge­priester! Maar ik weet al wat ik zal doen om op het spoor van de waarheid te komen! Bedankt bes­te vriend en ga in vrede! Dan zal ik mijn gezin eens duchtig aan de tand voelen!' 

Jozefs vriend liet zich nu niet langer ophouden en vertrok. Jozef wendde zich dus dadelijk tot Maria en zei:  'Kind, hoe zal ik mijn hoofd nog ooit tot God kunnen opheffen? Wat moet ik nu toch wel van je denken?

Heb ik je dan niet als een reine maagd uit de Tempel tot mij genomen? Heb ik je dan niet trouw met mijn dagelijks gebed willen behoeden met de hulp van de trouwe leden van mijn gezin?! Ik bezweer je me te zeggen wie het is, die het gewaagd heeft mij te bedriegen; die zich zo schandelijk heeft vergrepen aan mij, die een zoon van David ben; en aan jou ook, die toch ook uit het Huis van David stamt! Wie heeft jou, een aan de Heer gewijde maagd, verleid en te schande gemaakt? Wie heeft het bestaan om jouw zo bijzonder zui­vere inborst zó te vertroebelen, dat hij een tweede Eva van jou heeft gemaakt?! Want ja, nu herhaalt zich de oude geschiedenis van Adam aan mij persoonlijk; het lijkt wel of je, net als Eva, door een slang betoverd bent! Geef dus antwoord op mijn vraag! Maar pas goed op je woor­den want het zal je niet gelukken mij te bedriegen!' En, overmand door verdriet en ergernis, wierp Jozef zich op een zak met as en huilde! Maar Maria kon van schrik en verdriet geen woord uitbren­gen; ze begon hevig te huilen en te snikken en ze beefde van angst.

Nu kwam Jozef weer over­eind en met een wat kalmere stem zei hij tegen Maria: 'Kind van God, dat Hij no­ta bene Zelf onder Zijn hoede heeft genomen, waarom heb je mij dit aangedaan? Waarom heb je je zo vergooid en je God zo vergeten?! Hoe heb jij, die in het Al­lerheiligste bent opgevoed, zoiets kunnen doen?! Jij, die als uit de handen van engelen bent gevoed, en die die stralende heilige diena­ren van God als het ware steeds tot speelmakkers had?! Spreek toch en houd je tegenover mij niet langer van de domme!'

Nu vermande Maria zich en zei: 'Vader Jozef, Uw strenge rechtvaardigheid moge terecht zijn, toch zeg ik u: Zowaar er een God bestaat, zo waar ook ben ik rein en onschuldig, en tot op dit ogenblik heb ik mij aan geen man ooit gegeven!' Nu vroeg Jozef dus: 'Van­waar kan dan datgene zijn, dat je onder je hart draagt?' Maria nu weer: ' Ach, ik ben nog maar een kind en ik ken Gods Geheimen niet! Maar als U luisteren wilt, zal ik U zeggen wat mij is overkomen! Maar, dat is dan ook even wáár, als het feit dat er een rechtvaardige God over ons heerst!' Nu vertelde Maria aan Jozef wat haar was overkomen toen zij nog aan het purperspinsel werkte. Zij besloot haar verhaal met deze plechtige verzekering. 'Daarom Vader zeg ik het nogmaals: Zowaar de Heer van Hemel en Aarde leeft, zo waarlijk ben ik rein en weet ik van geen man iets af! Maar evenmin weet ik iets af van het geheim Gods, dat ik nu, tot mijn eigen groot verdriet onder het hart moet dragen!' Vreselijk geschrokken, en als met stomheid geslagen stond Jozef daar nu voor Maria: Maria 's woorden drongen diep door in zijn van kommer vervulde ziel; zijn heimelijke vermoedens ble­ken dus inderdaad bevestigd! Piekerend over wat hem nu te doen stond, dacht hij bij zich­zelf:

Als ik haar -voor het oog van de wereld onweerlegbare ­zonde zou negeren, alsof ik daarin geen kwaad meer zou zien, zal ik ongetwijfeld voor een schender van de Wet worden gehouden, en de daarop staande straf zou ik be­slist niet kunnen ontgaan. Maar als ik - tegen mijn rots­vaste overtuiging in - haar als een ordinaire zondares bij Israëls zo­nen zou gaan aangeven, terwijl wat zij onder het hart draagt -en daarin was zij niet mis te verstaan! -nota bene van een engel is, dan zal ik door God de Heer worden beoordeeld als iemand, die onschuldig bloed uitlevert aan de doodstraf! Wat kan ik dus met haar be­ginnen? Moet ik haar stilletjes verlaten, dat wil zeggen kan ik haar heimelijk verwijderen uit mijn huis (zie noot 19), en haar ergens in de buurt van de Griekse enclave/grens (zie noot 20) in het gebergte verstoppen? Of zou ik het moeten zien uit te houden tot de dag des Heren, waarop Hij mij zelf dan wel zal zeggen, wat ik moet doen.

Maar stel dat er morgen of overmorgen iemand uit Jeruzalem bij mij komt die Maria zou her­kennen, wat dan? Ja, het zal wel het beste zijn dat ik haar in het geheim doe verdwijnen, zonder dat -buiten mijn kinderen uiter­aard­ iemand anders er iets van te weten komt! Mettertijd zal de Heer haar onschuld zeker doen blijken, dan zal alles weer veilig in orde zijn ; ja, zo moet het dan maar, in de Naam des Heren! Jozef deelde dit nu heime­lijk aan Maria mee, en zij beloof­de zich te zullen schikken in dit goed bedoelde besluit van Jozef, waarna zij, het was inmiddels laat geworden, naar bed ging.

Jozef, moe van het vele ge­pieker, viel eveneens in een slui­mer en zie, nu verscheen hem een Engel des Heren in een droom, die tot hem sprak:  'Jozef, voor Maria, die des Heren zuiverste maagd is, hoef je niet in angst te zitten! Want wat zij onder het hart draagt, is verwekt door de Heilige Geest Gods; en bij Zijn geboorte moet je Hem de naam Jezus geven!' Op ditzelfde moment werd Jozef uit zijn slaap gewekt en hij prees de Heer, Die hem zozeer had begenadigd. Inmiddels was het morgen geworden en kwam Maria reis­klaar naar Jozef toe in de veron­derstelling dat het tijd was om te vertrekken. Maar Jozef omhelsde het kind nu innig en zei tegen haar: 'Maria, jij bent zo zuiver! Je mag toch bij mij blijven; de Heer heeft mij namelijk zojuist over jou een machtig getuigenis gegeven, want wat uit jou geboren gaat worden moet " Jezus" worden genoemd!' Aanstonds begreep Maria nu dat de Heer met Jozef had ge­sproken, omdat zij dezelfde naam hoorde noemen, die de Engel haar had opgegeven, terwijl zij daarvan nog niets aan Jozef had verteld !Van nu af behoedde Jozef het meisje met grote zorgvuldig­heid; hij liet het haar aan niets ontbreken dat zij in haar toestand nodig had! [Jeugd Jezus 8:1-24]

 

Jozef besluit Maria weg te sturen

Nu vertelde Maria aan Jozef wat haar was overkomen toen zij nog aan het purperspinsel werkte. Zij besloot haar verhaal met deze plechtige verzekering.

'Daarom Vader zeg ik het nogmaals: Zowaar de Heer van Hemel en Aarde leeft, zo waarlijk ben ik rein en weet ik van geen man iets af! Maar evenmin weet ik iets af van het geheim Gods, dat ik nu, tot mijn eigen groot verdriet onder het hart moet dragen!' Vreselijk geschrokken, en als met stomheid geslagen stond Jozef daar nu voor Maria: Maria 's woorden drongen diep door in zijn van kommer vervulde ziel; zijn heimelijke vermoedens ble­ken dus inderdaad bevestigd! Piekerend over wat hem nu te doen stond, dacht hij bij zich­zelf:

Als ik haar -voor het oog van de wereld onweerlegbare ­zonde zou negeren, alsof ik daarin geen kwaad meer zou zien, zal ik ongetwijfeld voor een schender van de Wet worden gehouden, en de daarop staande straf zou ik be­slist niet kunnen ontgaan. Maar als ik - tegen mijn rots­vaste overtuiging in - haar als een ordinaire zondares bij Israëls zo­nen zou gaan aangeven, terwijl wat zij onder het hart draagt -en daarin was zij niet mis te verstaan! -nota bene van een engel is, dan zal ik door God de Heer worden beoordeeld als iemand, die onschuldig bloed uitlevert aan de doodstraf! Wat kan ik dus met haar be­ginnen? Moet ik haar stilletjes verlaten, dat wil zeggen kan ik haar heimelijk verwijderen uit mijn huis en haar ergens in de buurt van de Griekse enclave/grens in het gebergte verstoppen? Of zou ik het moeten zien uit te houden tot de dag des Heren, waarop Hij mij zelf dan wel zal zeggen, wat ik moet doen.

 

Maar stel dat er morgen of overmorgen iemand uit Jeruzalem bij mij komt die Maria zou her­kennen, wat dan? Ja, het zal wel het beste zijn dat ik haar in het geheim doe verdwijnen, zonder dat -buiten mijn kinderen uiter­aard­ iemand anders er iets van te weten komt! Mettertijd zal de Heer haar onschuld zeker doen blijken, dan zal alles weer veilig in orde zijn ; ja, zo moet het dan maar, in de Naam des Heren! Jozef deelde dit nu heime­lijk aan Maria mee, en zij beloof­de zich te zullen schikken in dit goed bedoelde besluit van Jozef, waarna zij, het was inmiddels laat geworden, naar bed ging. Jozef, moe van het vele ge­pieker, viel eveneens in een slui­mer, en zie, nu verscheen hem een Engel des Heren in een droom, die tot hem sprak: 'Jozef, voor Maria, die des Heren zuiverste maagd is, hoef je niet in angst te zitten! Want wat zij onder het hart draagt, is verwekt door de Heilige Geest Gods; en bij Zijn geboorte moet je Hem de naam Jezus geven!'

 

Op ditzelfde moment werd Jozef uit zijn slaap gewekt en hij prees de Heer, Die hem zozeer had begenadigd. Inmiddels was het morgen geworden en kwam Maria reis­klaar naar Jozef toe in de veron­derstelling dat het tijd was om te vertrekken. Maar Jozef omhelsde het kind nu innig en zei tegen haar: 'Maria, jij bent zo zuiver! Je mag toch bij mij blijven; de Heer heeft mij namelijk zojuist over jou een machtig getuigenis gegeven, want wat uit jou geboren gaat worden moet " Jezus" worden genoemd!' Aanstonds begreep Maria nu dat de Heer met Jozef had ge­sproken, omdat zij dezelfde naam hoorde noemen, die de Engel haar had opgegeven, terwijl zij daarvan nog niets aan Jozef had verteld !  Van nu af behoedde Jozef het meisje met grote zorgvuldig­heid; hij liet het haar aan niets ontbreken dat zij in haar toestand nodig had! [Jeugd Jezus 9:1-18]

 

Apocrief Evangelie (Maria verbergt haar zwangerschap)

En zij bewerkte het purper en het scharlaken en bracht het naar de priester. En de priester zegende haar en zei: “Maria, de Heere God heeft uw naam groot gemaakt en gij zult gezegend zijn onder alle geslachten der aarde.” En Maria was erg verheugd en ging naar Elizabeth, haar bloedverwante. Zij klopte op de deur en toen Elizabeth het hoorde wierp zij het scharlaken weg, liep vlug naar de deur en deed hem open. En toen zij Maria zag zegende zij haar met de woorden: “Waaraan heb ik dit te danken, dat de moeder van mijn Heer tot mij komt? Want zie, het kind in mij sprong op en zegende u.” Maar Maria was de geheimenissen, waarover de engel Gabriël tot haar gesproken had, vergeten en sloeg haar ogen op naar de hemel en zei: “Wie ben ik, Heer, dat alle geslachten der aarde mij zegenen?” En zij bleef drie maanden bij Elizabeth. Van dag tot dag nam haar schoot in omvang toe en daar Maria bang werd ging zij terug naar huis en verborg zich voor de kinderen van Israël. Zij was zestien jaar oud toen deze mysterievolle dingen gebeurden.

 

(Opm. dit is onjuist – Maria was destijds 14 jaar! – zie de Jeugd Jezus) - Zo werd het voor haar de zesde maand en zie, Jozef keerde terug van de huizen die hij gebouwd had en toen hij zijn huis binnenging bemerkte hij dat zij zwanger was. En hij sloeg zich voor het hoofd, wierp zich op het rouwkleed op de grond, weende bitter en zei: “Met welke ogen moet ik opzien naar de Heer, mijn God? En wat moet ik bidden vanwege dit meisje? Want als maagd heb ik haar uit de tempel van de Heer, mijn God, ontvangen en ik heb haar niet beschermd. Wie heeft mij bedrogen? Wie heeft deze zonde in mijn huis begaan en haar onteerd? Heeft zich bij mij soms de geschiedenis van Adam herhaald? Want zoals de slang kwam en Eva alleen aantrof en haar verleidde op het ogenblik dat Adam God prees, zo is het ook bij mij gebeurd.” En Jozef stond op van het rouwkleed, riep Maria en zei tegen haar: “Jij die Gods lievelingskind was, waarom heb je dit gedaan? Ben je de Heer, je God, vergeten? Waarom heb je je vernederd, jij die in het Allerheiligste bent opgevoed en voedsel kreeg uit de hand van een engel?” Maar zij huilde bitter en zei: “Ik ben rein en ik heb geen gemeenschap met een man.” En Jozef zei tot haar: “En het kind in je, waar komt dat dan vandaan?” Maar Maria antwoordde: “Zo waar de Heer, mijn God, leeft, ik weet niet waar het vandaan komt. En Jozef, die erg bang geworden was, liet haar met rust en vroeg zich af wat hij met haar zou doen. Hij dacht: “Als ik haar zonde verberg handel ik in strijd met de wet van de Heer. Maar als ik haar aanbreng bij de kinderen van Israël vrees ik dat het kind in haar van een engel zou kunnen zijn, en dan zou ik zijn als iemand die een onschuldige overlevert aan een doodvonnis. Wat moet ik dan met haar doen? Ik zal haar in het geheim wegsturen.” En de nacht kwam over hem. En zie, een engel van de Heer verschijnt hem in de droom en zegt: “Vrees niet vanwege dit meisje, want wat in haar is komt van de Heilige Geest. Zij zal een zoon baren en gij zult Hem de naam Jezus geven, want Hij zal zijn volk redden van hun zonden.” En Jozef stond op uit zijn slaap, en prees de God van Israël, die hem deze genade bewezen had, en hij hield haar onder zijn hoede.

 

Pseudo-Mattheus Evangelie (Jozef en Maria drinken het teswater)

Na deze dingen is er een groot gerucht ontstaan dat Maria zwanger was. En Jozef werd gegrepen en met Maria door de dienaren van de tempel tot de hogepriester gevoerd, die tegelijk- met de hogepriesters, hem begon te straffen en te zeggen: ‘Hoe hebt gij zo bedrog gepleegd ten opzichte van zulk een maagd, welke engelen Gods in de tempel als een duif gevoed hebben, die nimmer een man wilde zien of hebben, en die het allerbeste onderwijs in de wet van God genoten heeft? Indien gij haar geen geweld had aangedaan, zo zou zij tot nu toe maagd gebleven zijn’. Jozef echter verzekerde met een eed, dat hij haar nimmer tot in haar binnenste had aangeraakt. Hem antwoordde Abjathar, de hogepriester: ‘ Zo waarlijk God leeft, direct zal ik u laten drinken van de drank des Heren en terstond zal uw zonde aan het licht komen’.

 

Toen heeft zich vergaderd een menigte van volk, die niet geteld kon worden. En Maria is gevoerd naar de tempel. De priesters nu en haar verwanten en ouders zeiden wenend tot Maria: ‘Belijd aan de priesters uw zonde, gij die waart als een duif in de tempel van God en ontving spijze van de hand van een engel’. Wederom werd Jozef tot het altaar geroepen, en hem werd gegeven water van de drank des Heren. Wanneer iemand met een leugen in het hart daarvan proefde en zevenmaal het altaar omliep, zo gaf God enig teken aan zijn gelaat. Toen Jozef derhalve rustig gedronken en zevenmaal het altaar omgelopen had, verscheen er geen enkel teken van zonde aan hem. Toen rechtvaardigden hem alle priesters en dienaren en de volksmenigte, zeggende: ‘welgelukzalig zijt gij, omdat er geen enkele schuld in u gevonden is’.

 

[opm.: het teken dat in het gelaat gevonden zou worden, klopt niet – in werkelijkheid werd Jozef en Maria de woestijn in gezonden, nadat zij het vervloekte bittere water gedronken hadden; zou er een leugen in hun hart zijn geweest, dan zouden zij ook werkelijk gestorven zijn en niet wedergekeerd – zie ook de Jeugd Jezus)

 

En Maria roepend, zeiden tot haar: ‘En welke verontschuldiging zult gij kunnen inbrengen? Of welke teken zal er aan u verschijnen, dat groter is dan hetwelk de conceptie in uw schoot verraadt? Dit alleen eisen wij van u, dat gij, omdat Jozef rein van u is, belijdt wie het is die u verleidt heeft. Beter immers is het dat uw eigen bekentenis u verraadt, dan dat de toorn van God een teken geeft in uw gelaat en u in het midden van het volk te schande maakt’. Toen sprak Maria standvastig en onverschrokken: ‘Heer, God en Koning van alle dingen, Die van alle geheimen wetenschap hebt, indien er enige bevlekking of enige zonde in mij is, of enige begeerlijkheid of onkuisheid, maak mij dan openbaar voor het aanschouwen van alle volksmenigten, opdat ik voor allen moge zijn een voorbeeld dat hen tot deugd opwekt’. Dit zeggende, naderde zij vol vertrouwen het altaar van de Heer en dronk het water van de drank en liep zevenmaal het altaar om. En niets is aan haar gevonden enige vlek.

 

Toen nu het gehele volk van verbazing versteld stond, daar men zag de conceptie van haar buik en dat er geen enkel teken aan haar gelaat verscheen, begonnen zij onder elkaar door de uiteenlopende praatjes van het volk in de war te geraken. Sommigen noemden haar heilig en onbevlekt. Maar anderen slecht en besmet. Toen Maria zag dat zij in verdenking bij het volk was en zij in hun ogen nit voldoende van schuld was vrijgepleit, zei zij voor aller oren met heldere stem: ‘Zo waarlijk de Heer Adonaj, de Heer der Heerscharen, voor Wiens aangezicht ik sta, leeft: ik heb nimmer een man gekend, maar door Hém ben ik ‘bekend’, aan Wie ik, vanaf de tijd van mijn jeugd, mijn ziel heb toegewijd. En déze gelofte heb ik vanaf mijn jeugd aan mijn God gedaan, dat ik in Hem Die mij geschapen heeft in ongeschondenheid zou persisteren te leven, in welke ongeschondenheid ik vertrouw voor Hém alleen te leven, en Hém alleen te dienen.

 

Toen begonnen allen haar voeten te kussen en haar knieën te omhelzen, haar vragend of zij hun vergiffenis wilde schenken voor hun boze vermoedens. En de volksmenigten en alle maagden voerden haar met gejuich en grote vreugde tot aan haar huis, roepend en zeggend: ‘Zij de naam van de Heer gezegend tot in eeuwigheid, omdat Hij heeft openbaar gemaakt uw heiligheid aan heel Zijn volk Israël.

 

Apocrief Evangelie (Annas ontdekt dat Maria zwanger is)

En de Schriftgeleerde Annas kwam bij hem en zei: “Jozef, waarom zijt gij niet op onze vergadering verschenen?” En Jozef antwoordde: “Ik was moe van de reis en heb de eerste dag uitgerust.” En Annas keerde zich om en zag dat Maria zwanger was. En hij ging haastig naar de priester en zei tot hem: “Jozef, voor wie gij instaat, heeft ernstig tegen de wet gezondigd.” En de priester zei: “Hoezo?” En hij zei: “De maagd die hij uit de tempel van de Heere ontvangen had heeft hij onteerd en hij heeft onwettig omgang met haar gehad zonder het aan de kinderen van Israël bekend te maken. En de priester vroeg: “Heeft Jozef dat werkelijk gedaan?” Daarop zei de Schriftgeleerde Annas: “Stuur dienaren en gij zult merken dat de maagd zwanger geworden is.” En de dienaren vertrokken en vonden haar zoals hij gezegd had en leidden haar met Jozef voor het gerecht. En de priester sprak: “Maria, waarom hebt gij dat gedaan? Waarom hebt gij u vernederd en zijt gij de Heere, uw God, vergeten? Gij, die in het Allerheiligste zijt opgevoed en voedsel ontving uit de hand van een engel en lofzangen gehoord hebt en vóór Hem hebt gedanst? Waarom hebt gij dat gedaan?” Maar zij huilde bitter en zei: “Zo waar de Heer, mijn God, leeft, ik ben rein voor Hem en ik heb geen gemeenschap met een man.” Nu sprak de priester tot Jozef: “Waarom hebt gij dat gedaan?” En Jozef antwoordde: “Zo waar de Heer, mijn God, leeft, ik ben onschuldig tegenover haar.” Daarop zei de priester: “Leg geen vals getuigenis af, maar spreek de waarheid. Gij hebt onwettig omgang met haar gehad zonder het aan de kinderen van Israël bekend te maken en gij hebt uw hoofd niet gebogen onder de sterke hand, opdat uw kinderen gezegend zouden worden.” En Jozef zweeg.

 

De priester zei: “ Geef de maagd  die gij uit de tempel van de Heere ontvangen hebt terug.” En Jozef barstte in tranen uit. Daarop zei de priester: “Ik zal u het ‘testwater’ van de Heer te drinken geven en dat zal uw zonden voor uw ogen openbaar maken.” En nadat de priester het water genomen had gaf hij het Jozef te drinken en stuurde hem de bergen in, maar hij kwam behouden terug. Ook Maria gaf hij het te drinken en stuurde hij de bergen in en ook zij kwam behouden terug. En het hele volk verwonderde zich dat bij hen geen zonde geopenbaard had. En de priester zei: “Nu de Heer God uw zonde niet aan het licht gebracht heeft wil ook ik u niet veroordelen.” En hij liet hen gaan. En Jozef nam Maria tot zich en keerde naar zijn huis terug, terwijl hij vol vreugde de God van Israël verheerlijkte.

 

Annas ontdekt zwangerschap van Maria

Twee weken na deze gebeurte­nis werd er te Jeruzalem een breed overleg gehouden. Men had na­melijk van enkele te Jeruzalem woonachtige Romeinen verno­men, dat de keizer van plan zou zijn het gehele joodse volk te laten tellen en registreren. Dit bericht had bij de joden veel onrust veroorzaakt, omdat het hun verboden was mensen als nummers te tellen. Om een en ander te bespre­ken belegde de hogepriester een grote vergadering, waar alle oud­sten en alle beoefenaren van kun­sten en wetenschappen, waartoe Jozef ook gerekend werd, moes­ten verschijnen.

 

Maar Jozef, die bouwhout nodig had, had toen juist een zoektocht ondernomen in de bergbossen en was daartoe een aantal dagen van huis. De bode uit Jeruzalem, die Jozef had willen bezoeken om hem voor die grote vergadering uit te nodigen, trof Jozef niet thuis. Hij gaf daarom aan een van de oudere zonen van Jozef te ver­staan dat deze, zo gauw Jozef thuis zou komen, hem een en an­der zonder verwijl en als zijnde zeer dringend moest mededelen. Jozef kwam de volgende ochtend al thuis en zijn zoon Joses stelde hem direct op de hoogte van het bericht uit Jeruzalem. Maar Jozef zei tegen hem: 'Vijf dagen heb ik nu in het ge­bergte rondgesjouwd en ik ben verschrikkelijk moe. Als ik mijn voeten niet eerst een paar dagen rust gun dan zullen ze mij beslist niet veellanger meer kunnen dra­gen. En dat noopt mij om ditmaal geen gehoor te geven aan die op­roep uit Jeruzalem.

 

Overigens helpt die hele ver­gadering toch geen zier, want de machtige Romeinse keizer, die nu ook al in het land der Scythen zijn scepter zwaait, zal nauwelijks no­titie nemen van ons beraad; wij zullen toch moeten doen wat hij wil! Dus blijf ik nu maar fijn thuis.' Maar drie dagen later kwam er uit Jeruzalem een zekere An­nas, een van de vooraanstaande schriftgeleerden, om Jozef aan de tand te voelen. 'Jozef, je bent toch kunst­beoefenaar en kenner van de Schrift en uit de stam van Da­vid. Ik moet je vragen: waarom ben je niet naar de vergadering gekomen? Jozef gaf hem ten ant­woord: 'Weet U, ik was vijf dagen achtereen op bergtocht en wist van die oproep niets af.  Toen ik thuiskwam was ik te moe en te zwak om onverwijld naar Jeruzalem te kunnen komen. Bovendien had ik - nog afgezien daarvan -al direct begrepen dat heel die grote vergadering weinig of geen nut zou kunnen hebben.’

 

Terwijl Jozef aan het woord was keek Annas rond en ontdekte ongelukkigerwijs het hoogzwangere meisje. Stomverbaasd verliet hij het huis en haastte zich met de grootste spoed naaf Jeruzalem. Toen hij daar buiten adem aankwam ijlde hij naar de hoge­priester, en sprak tot hem   'Luister Eerwaarde; dan hoeft u mij niet andermaal te vra­gen, waarom de zoon van David niet ter vergadering is verschenen: ik heb in zijn huis onwaarschijn­lijke gruwelen ontdekt! Die Jozef namelijk, die van God en van U een vertrouwens­votum ontving doordat U hem de maagd des Heren toevertrouwde, heeft zich verschrikkelijk misdra­gen tegen God en tegen U. Deze mededeling had de hogepriester hevig doen schrik­ken; afgebeten en bits vroeg hij Annas: 'Hoe zit dat dan? Spreek de waarheid, en volledig, of an­ders ben jijzelf vandaag nog een man des doods!" Annas nu weer: 'Hij heeft zich op schandalige wijze vergre­pen aan de maagd Maria die hij, volgens Gods Wil uit deze Tempel onder zijn hoede heeft gekre­gen! ...Haar vergevorderde staat van zwangerschap lijkt mij daar­van een levend getuigenis!'

 

Maar de hogepriester ver­beterde hem: 'Neen, het is vol­ledig uitgesloten dat Jozef dat ge­daan zou hebben: Of geeft God-zelf soms ook al valse getui­genissen?!   Maar Annas sprak: 'Zendt U er dan Uw meest vertrouwde dienaren maar heen, dan zullen die U er wel van overtuigen dat de maagd onmiskenbaar hoogzwan­ger is! En, als dat niet waar zou zijn, dan mag U mij hier ter plaat­se laten stenigen!' [Jeugd Jezus 10:1-21]

www.zelfbeschouwing.info