Geboorteaanzegging van Johannes de Doper

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Toen Herodes koning van Judea was, leefde er een priester die Zacharias heette en tot de priesterafdeling Abia behoorde. Zijn vrouw, Elisabet, stamde af van Aäron. 6 Beiden waren vrome en gelovige mensen, die zich strikt aan alle geboden en wetten van de Heer hielden. 7 Ze hadden geen kinderen, want Elisabet was onvruchtbaar, en beiden waren al op leeftijd. 8 Toen de afdeling van Zacharias eens aan de beurt was om de priesterdienst te vervullen, 9 werd er volgens het gebruik van de priesters geloot en werd Zacharias door het lot aangewezen om het reukoffer op te dragen in het heiligdom van de Heer. 10 De samengestroomde menigte bleef buiten staan bidden terwijl het offer werd gebracht. 11 Opeens verscheen hem een engel van de Heer, die aan de rechterkant van het reukofferaltaar stond. 12 Zacharias schrok hevig bij het zien van de engel en hij werd door angst overvallen. 13 Maar de engel zei tegen hem: ‘Wees niet bang, Zacharias, je gebed is verhoord: je vrouw Elisabet zal je een zoon baren, en je moet hem Johannes noemen. 14 Vreugde en blijdschap zullen je ten deel vallen, en velen zullen zich over zijn geboorte verheugen. 15 Hij zal groot zijn in de ogen van de Heer, en wijn en andere gegiste drank zal hij niet drinken. Hij zal vervuld worden met de heilige Geest terwijl hij nog in de schoot van zijn moeder is, 16 en hij zal velen uit het volk van Israël tot de Heer, hun God, brengen. 17 Als bode zal hij voor God uit gaan met de geest en de kracht van Elia om ouders met hun kinderen te verzoenen en om zondaars tot rechtvaardigheid te brengen, en zo zal hij het volk gereedmaken voor de Heer.’ 18 Zacharias vroeg aan de engel: ‘Hoe kan ik weten of dat waar is? Ik ben immers een oude man en ook mijn vrouw is al op leeftijd.’ 19 De engel antwoordde: ‘Ik ben Gabriël, die altijd in Gods nabijheid is, en ik ben uitgezonden om je dit goede nieuws te brengen. 20 Maar omdat je geen geloof hebt gehecht aan mijn woorden, die op de voorbestemde tijd in vervulling zullen gaan, zul je stom zijn en niet kunnen spreken tot de dag waarop dit alles gaat gebeuren.’ 21 De menigte stond buiten op Zacharias te wachten, en de mensen vroegen zich af waarom hij zo lang in het heiligdom bleef. 22 Maar toen hij naar buiten kwam, kon hij niets tegen hen zeggen. Ze begrepen dat hij in het heiligdom een visioen had gezien; hij maakte gebaren tegen hen, maar spreken kon hij niet. 23 Toen zijn tempeldienst voorbij was, ging hij terug naar huis. 24 Korte tijd later werd zijn vrouw Elisabet zwanger. Ze leefde vijf maanden lang in afzondering en zei bij zichzelf: 25 De Heer heeft zich mijn lot aangetrokken. Hij heeft dit voor mij gedaan opdat de mensen me niet langer verachten. [Lukas 1: 5-25]

 

Maria op bezoek bij Elisabet

Lukas 1:39-56 Kort daarop reisde Maria in grote haast naar het bergland, naar een stad in Juda, 40 waar ze het huis van Zacharias binnenging en Elisabet begroette. 41 Toen Elisabet de groet van Maria hoorde, sprong het kind op in haar schoot; ze werd vervuld met de heilige Geest 42 en riep luid: ‘De meest gezegende ben je van alle vrouwen, en gezegend is de vrucht van je schoot! 43 Wie ben ik dat de moeder van mijn Heer naar mij toe komt? 44 Toen ik je groet hoorde, sprong het kind van vreugde op in mijn schoot. 45 Gelukkig is zij die geloofd heeft dat de woorden van de Heer in vervulling zullen gaan.’ 46 Maria zei: ‘Mijn ziel prijst en looft de Heer, 47 mijn hart juicht om God, mijn redder: 48 hij heeft oog gehad voor mij, zijn minste dienares. Alle geslachten zullen mij voortaan gelukkig prijzen, 49 ja, grote dingen heeft de Machtige voor mij gedaan, heilig is zijn naam. 50 Barmhartig is hij, van geslacht op geslacht, voor al wie hem vereert. 51 Hij toont zijn macht en de kracht van zijn arm en drijft uiteen wie zich verheven wanen, 52 heersers stoot hij van hun troon en wie gering is geeft hij aanzien. 53 Wie honger heeft overlaadt hij met gaven, maar rijken stuurt hij weg met lege handen. 54- Hij trekt zich het lot aan van Israël, zijn dienaar, 55 zoals hij aan onze voorouders heeft beloofd: hij herinnert zich zijn barmhartigheid jegens Abraham en zijn nageslacht,

tot in eeuwigheid.’ 56 Maria bleef ongeveer drie maanden bij haar, en ging toen terug naar huis.

 

Maria bij Elisabeth

Toen zij was aangekomen bij het huis van Elizabeth, klopte Maria vlug maar ook schuchter op de deur, zoals bij de joden gebrui­kelijk was. Maar toen Elizabeth dat zachte geklop hoorde, dacht ze: wie kan daar nu zo ongewoon zachtjes kloppen? 't Zal wel weer een kind van de buren zijn. Want mijn man kan het niet zijn; die zit in de Tempel nog de verlossing af te wachten van de stomheid, die hem als straf is opgelegd.

 

Dit werk hier is te belangrijk dan dat ik dat terwille van een on­deugend kind zou moeten onder­breken! Nee hoor, dát doe ik niet! Het is tenslotte werk voor de Tempel, dat vóór alles gaat! Dat kind wil mij vast alleen maar een beetje plagen, zoals gewoonlijk! Laat ik maar liever flink blij­ven doorwerken, en dat kind maar mooi laten kloppen. Maar nu klopte Maria nóg een keer, en nu begon het kindje in Elizabeth 's schoot te trappelen van vreugde, en zijn moeder hoor­de een fijn stemmetje, vanuit de streek wáár het kindje trappelde, en dat stemmetje zei.:  'Ga moeder, ga vlug, want de moeder van mijn en uw Héér, van mijn en uw God, staat aan de deur te kloppen! Zij komt op fa­miliebezoek!'

 

Toen Elizabeth dat hoorde gooide ze haar werk neer en rende naar de deur om Maria open te doen. Zij zegende haar eerst -zo­als gebruikelijk was -en sloot haar dan in haar armen met de woorden: 'O Maria, jij bevoorrechte onder alle vrouwen, jij bent de Gezegende onder alle vrouwen en gezegend is de Vrucht van je schoot. O Maria, jij reine maagd van God, waaraan verdien ik deze grote genade, dat de moeder van mijn Heer en mijn God mij be­zoekt?!' Maria begreep echter niets van al die ongewone taal; ze zei tegen Elizabeth: 'Lieve nicht, ik kom je maar gewoon een bezoek bren­gen..; heb je het over mij? Daar begrijp ik helemaal niets van! Ben ik dan werkelijk al zwanger, nu jij mij moeder noemt?'

Elizabeth antwoordde Ma­ria met: 'Weet je, toen jij voor de tweede maal klopte, trappelde terstond het kindje dat ik onder mijn hart draag, van vreugde; het groette jou al bij voorbaat in mijn binnenste!'

 

Nu bezon Maria zich en be­dacht wat de Engel Gabriël haar had gezegd, overigens zonder het ook nu nog te begrijpen. Ze zei: 'O grote God van Abra­ham, Izaak en Jacob, wat hebt U toch aan mij gedaan? Wat kan ik dan wel zijn, dat alle geslachten der Aarde mij zalig moeten prij­zen?' Maar nu zei Elizabeth: 'O Maria, uitverkorene van God, kom nu toch eindelijk eens bin­nen, en kom eerst wat op je ver­haal, dan kunnen we daarna ver­der praten en samen God loven en prijzen, zo goed we maar kun­nen!'

 

Nu volgde Maria Elizabeth naar binnen, at en dronk wat om zich te sterken en kwam tenslotte in een opgewekte stemming. Nu vroeg Elizabeth Maria honderduit over alles wat ze in de Tempel had meegemaakt als pleegkind des Heren, en hoe dat alles bij haar was overgeko­men. Maar Maria sprak: 'Lieve nicht, jij bent toch immers ook een door de Heer bijzonder geze­gende! Je zult me vast wel begrij­pen als ik je zeg van mening te zijn dat wij vrouwen er niet verstandig aan zouden doen als we zaken zouden willen doorpraten, die door God zijn vóórbehouden aan de zonen van Aäron; naar mijn overtuiging zijn wij daartoe niet eens in stáát! Het lijkt mij, dat wij de goddelijke dingen moeten overla­ten aan God Zelf, en aan dege­nen, die Hij daartoe heeft aange­steld; wij moeten daar niet over inzitten! Als wij God maar boven al­les beminnen en ons aan Zijn ge­boden houden, dan leven wij ge­heelovereenkomstig onze staat; wat daarbuiten valt behoort tot de verantwoordelijkheid van die mannen, die de Heer daartoe roept en uitverkiest!

 

 Ik wil maar zeggen, lieve nicht, zo hoort het! Laat mij dus nu maar niet uit de Tempel klap­pen, daar wordt het immers niets beter of slechter door! Zodra de Heer Zelf de tijd rijp acht, zal Hij de Tempel zeker straffen en zuiveren!' In deze woorden erkende Elizabeth de diepe deemoed en nederigheid van Maria, en ze zei nu spontaan tegen haar: ' Ja, jij bent inderdaad ver­vuld van Gods genade! Met zo 'n buitengewone schroomvalligheid moet je bij God wel Diens hoogste genade ten deel vallen ! Want zoals jij spreekt, kan alleen de zuivere onschuld zelf spreken! En wie zo leeft als jij, die leeft heel zeker in gerechtigheid voor God en voor de wereld!'

Maar Maria antwoordde: 'Rechtvaardig leven we niet uit onszelf; het komt van de Heer, en het is genade ! Wie meent rechtvaardig te leven uit zichzelf, die leeft zeker allerminst gerecht voor God; maar wie zijn te kort schieten steeds tegenover God bekent, hij is het, die voor God gerechtvaar­digd leeft !

 

Maar hoe ikzelf leef. .., ik weet het niet! ...: mijn leven is een en al genade! Daardoor kan ik ook niet anders dan de Heer voortdurend liefhebben, loven en prijzen met al mijn krachten! En, als jouw leven dus net is als het mijne, dan doe je net zo; de Heer zal daarin dan meer behagen scheppen, dan wanneer wij als­maar met elkaar over het tempel­gebeuren zouden babbelen!'  Elizabeth bemerkte zeer goed, dat er een goddelijke Geest van Maria uitstraalde, haar nieuwsgierigheid naar het tempel­gebeuren gaf ze op, en zij gaf zich verder helemaal over aan Gods Wil, terwijl zij Hem loofde en verheerlijkte 32. In deze onderlinge ver­standhouding bleef Maria nog drie volle maanden bij Elizabeth, en zij hielp haar gedienstig bij alle huishoudelijke werkzaamheden.

 

Inmiddels had Jozef ook zijn bouw voltooid en was hij met zijn zoons naar huis teruggekeerd, waar hij nu het door hem gehuur­de stukje grond bewerkte. Maar op een avond zei hij tegen zijn oudste zoon: ' Joël, ik zou graag willen, dat je voor mor­genochtend mijn lastdier rijklaar maakt, want ik moet Maria gaan halen. Dat kind is nu al drie maan­den van huis, en ik weet niet hoe het daar met haar gaat! Want al is zij dan bij de vrouw van die met stomheid ge­slagen priester, toch weet je maar nooit of zelfs dat huis is gevrij­waard tegen alle bekoringen van hem, die zelfs Eva wist te verlei­den! Ik wil daar dus morgen heengaan en het meisje terugha­len, opdat Israëls zonen niet te eniger tijd kwaad van mij zullen spreken, en opdat de Heer mij niet zal behoeven te straffen om­dat ik voor haar niet zorgvuldig ben geweest.’

 

Joël ging dus doen wat Jozef hem had opgedragen, maar hij was daar nauwelijks mee klaar, of Maria stond al op het erf, groet­te Jozef, en vroeg hem om weer in zijn gezin te mogen worden opge­nomen. Jozef, door dit zo plotselin­ge verschijnen van Maria volledig verrast, vroeg meteen: 'Ben jij het wel, ontrouwe huisgenote?!' Maria sprak: ' Ja, ik ben het; maar ontrouw ben ik niet, want ik was allang, en graag, weer teruggeweest, als ik maar alleen over dat beboste gebergte zou hebben gedurfd, maar dat durfde ik niet! En U. ..zond ook nie­mand om mij te halen! Ik moest dus wel zo lang wegblijven!

 

Gelukkig kwamen er van­daag drie Levieten bij de vrouw van Zacharias op bezoek; die heb­ben mij toen zij naar Jeruzalem teruggingen meegenomen. Zij brachten me tot aan de grens van Uw grond, zegenden mij en Uw gezin, en trokken verder, waarna ik naar U ben teruggerend, lieve vader Jozef.’ En, hoewel Jozef Maria nog graag wat zou hebben willen uitfoeteren vanwege dat lange uit­blijven, kon hij dat toch niet over zijn hart verkrijgen. Ten eerste had Maria's stem zijn gevoelige hart daartoe te zeer ontroerd, en op de tweede plaats moest hij ei­genlijk zelf schuld bekennen, om­dat hij Maria niet eerder door een bode had laten halen! Hij liet haar dus bij hem komen om haar te zegenen, en nu vloog het meisje op hem af om hem te liefkozen, zoals alle on­schuldige kinderen dat bij hun ouders en bij andere weldoeners plegen te doen.

Dit nu ontroerde Jozef he­vig, en, van edele vreugde ver­vuld, zei hij: 'Weet je, ik ben arm en al bejaard, maar jouw kinder­lijke liefde doet mij mijn armoede en leeftijd vergeten! De Heer heeft mij jou gegeven om mij daarmee een groot plezier te doen! En ik ben blij dat ik nog kan werken om jou, mijn kind, een goed stuk brood te kunnen ge­ven!' [Jeugd Jezus 6:1-44]

www.zelfbeschouwing.info