Hemelweg, hemelrijk, hemelinhoud

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Talloze, te beginnen bij Adam en verder allen na hem, tot op het uur dat Jezus dit uitsprak, smachten nog in de aardse nacht. Maar pas vanaf nu worden ze vrij. En wanneer Ik naar de hemel zal opstijgen, zal Ik voor allen de weg van de Aarde naar de hemel openen en ze zullen allen langs deze weg het eeuwige leven binnengaan.

 

Tot op heden was er gebrek aan goed begaanbare wegen, en de hemelen waren gescheiden van de aarde, maar nu zal een geschikte en solide weg worden aangelegd en de hemelen zullen met de aarde worden verbonden, zodat het voor iedereen gemakkelijk zal worden op de gebaande weg te lopen en daarover de nabije hemelen te bereiken. Maar bij geen mens mag de vrijheid van zijn wil ook maar in het minst beïnvloed worden!

 

Van nu af aan zal iedereen, als hij maar wil, de hemelen kunnen bereiken, wat tot op heden niet mogelijk was omdat tussen de aarde en de hemelen een te grote kloof bestond. Maar wee nu ook aan allen, die hiervan duidelijk in kennis gesteld worden en zich toch daarvan zullen afwenden! Die zullen er van nu af aan erger aan toe zijn dan de ouden, die vaak wilden, maar niet konden! GJE2-133

 

In deze tijd kost het hemelrijk geweld! Die het niet met geweld tot zich trekken, zullen het niet veroveren! Maar ieder die ter wille van het hemelrijk met zichzelf vecht, is een wijze en verstandige bouwheer. Een wijze en verstandige bouwer bouwt zijn huis echter niet op los zand, maar op vaste rotsgrond, en als dan stormen en watervloeden komen, kunnen zij het huis niet deren, want het staat op een rots.

 

Zo is het ook met de innerlijke strijd om het hemelrijk. Wie dit eenmaal door strijd in zich heeft verkregen, heeft het voor eeuwig onverwoestbaar tot zich getrokken. Dan mogen er nog zulke wereldse stormen over hem losbarsten, zij zullen niet in staat zijn hem te schaden. Maar wie het niet met alle inzet van zijn kracht en moed door strijd heeft verkregen, die zal in de stormen der wereld meegesleurd worden en ook nog verliezen wat hij al had! ‑ Denk hier goed aan, want er zullen tijden komen waarin jullie dit alles heus erg nodig zullen hebben!

 

Het heilige Rijk van de Messias bestaat maar alleen en uitsluitend uit geduld, uit liefde, uit zacht­moedigheid en uit volledige over­gave aan de goddelijke Wil! Bij God valt er niets te force­ren en niets af te dwingen, en wel het allerminst iets af te persen. De bekend ge­maakte God moet vrijwillig lief geworden worden. Want door de liefde zul je het eerst daar komen, waar je eigenlijk zo graag zou willen zijn! Die Liefde zal je in een keer meer levende waarheid doen ken­nen. Doe altijd en uitsluitend wat goed is, dan zal Gods genade je deelachtig zijn! Wees jegens iedereen barmhartig, dan zul je ook zelf bij God de ware levende barmhartig­heid vinden! Wees verder in alles ge­laten en zachtmoedig en vol ge­duld! Voor trots, hoogmoed en nijd moet je vluchten en je moet ze mijden als de pest!

 

Dan zal de Heer in je hart een machtige vlam ontsteken! Het bijzonder heldere licht van deze geestelijke vlam zal alle duisternissen des doods dan uit je verdrijven, waarbij je tevens in je eigen innerlijk een openbaring zult krijgen waardoor je al je vra­gen op een heldere en levendige wijze beantwoord zult vinden. Dat is de goede weg naar het licht en het leven uit God! Zo is de echte liefde tot God! De­ze weg zal iedereen moeten gaan!’ (bron: de jeugd van Jezus, hfdst.146) en GJE2-159

 

De hemel is te vergelijken als een vruchtbare bodem, waarop naast doornstruiken en distels en al op een vruchtbare bodem, waarop naast doornstruiken en distels de edelste druiven groeien en rijp worden - en toch groeien ze in één en dezelfde vruchtbare bodem! Het verschil ligt alleen maar in het gebruik daarvan: de wijnstok maakt er iets goeds van, de doornstruik en de distel echter iets slechts, iets wat nutteloos is en voor geen mens te genieten. Zo stroomt de hemel zowel in de duivel als in Gods engelen; maar ieder van beiden gebruikt hem anders.

De hemel is ook als een goede wijn, die de matige sterkt, de onmatige echter te gronde richt en doodt; en zo wordt één en dezelfde wijn voor de één een hemel, voor de ander de ergste hel - en toch komt hij uit dezelfde zak. Het uitbeelden van het hemelrijk is ook te vinden in Matth.13:53. - GJE2-9

 

Kijk, de Aarde zweeft in een oneindige ruimte, zoals de grote zon, de maan en al de ontelbare sterren, die op zichzelf niets anders zijn dan ook weer zonnen en aarden, ook daarin zweven! Je zou met de snelheid van de gedachte deze aarde kunnen verlaten en met deze snelheid in een rechte lijn wegsnellen, ‑ en als je zo eeuwigheden na eeuwigheden voort zou snellen, zou je na vele eeuwigheden met gedachtensnelheid te hebben gevlogen toch nooit ergens een einde naderen! Maar overal zou je buitengewone en wonderbaar gevormde scheppingen aantreffen, die allerwegen de eindeloze ruimte vullen en tot leven brengen.

 

Door de poort van je hart zul je na de dood van je lichaam naar buiten gaan in de eindeloze ruimte van God, en afhankelijk van de gesteldheid van je hart zul je daar een hemel of een hel vinden! Want er is nergens een geschapen hemel en ook nergens een geschapen hel, maar al die dingen komen voort uit het hart van de mens. Zo zorgt ieder mens in zijn hart voor de hemel of voor de hel, afhankelijk van het goede of het kwade dat hij doet. En zoals hij gelooft, wil of doet, zo zal hij dan volgens zijn geloof, dat zijn wil voedde en deed handelen, leven.

Laat ieder de neigingen van zijn hart onderzoeken, dan zal hij snel bemerken met welke geest zijn hart is vervuld.

 

Trekken zijn neigingen het hart en zijn liefde naar de wereld, en voelt hij een verlangen in zich om iets groots en voornaams te worden in de wereld, ‑ heeft het hart, dat hoogmoedig wil worden, een onbehagen aan de arme mensheid, en voelt het de drang in zich om, zonder door God gekozen en gezalfd te zijn, te willen heersen over de anderen, dan ligt het zaad der hel reeds in het hart. Dit zaad zal, als het niet bestreden en verstikt wordt, de mens na de dood van het lichaam zeer zeker nergens anders dan in de hel doen belanden.

 

Als het hart van de mens echter vol deemoed is, en hij zich gelukkig prijst om de geringste onder de mensen te zijn, iedereen te dienen, uit liefde tot de broeders en de zusters zichzelf niet te achten, zijn meerderen gewillig in alle goede, voor de broeders nuttige zaken te gehoorzamen, en hij God boven alles liefheeft, dan groeit uit het hemelse zaad in het hart een echte, eeuwig levende hemel.

 

Als de mens op deze wijze de gehele hemel in al haar volheid al in zijn hart draagt, gevuld met het echte geloof, de zuiverste hoop en liefde, dan kan hij na de dood van zijn lichaam onmogelijk ergens anders terecht komen dan in het hemelrijk van God, dat hij in alle volheid allang in zijn hart had! Als je dit goed overweegt, dan zul je gemakkelijk begrijpen hoe het nu precies met het hemelrijk, alsook met de hel, gesteld is." bron: GJE2‑8

www.zelfbeschouwing.info