Hemel en Aarde

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: De Heer: ĎWat bedoelt Mozes dan met de 'hemel' en de 'Aarde', waar hij over zegt, dat deze in het begin geschapen zijn? De 'Hemel' is het geestelijke, en de 'Aarde' is het natuurlijke in de mens; deze was en is nog steeds woest en ledig ‑net als bij u. De 'wateren' zijn uw slechte inzicht in alle dingen, de geest van God zweeft er wel boven, maar bevindt zich er nog niet in.Maar omdat Gods geest steeds ziet dat het in uw materialistische werelddiepte heel donker is, zegt Hij als het ware tegen u: 'Laat het licht worden!' Dan begint het in uw wezen wat schemerig te worden, en God ziet hoe goed het licht is voor uw duisternis; maar u kunt en wilt dat zelf maar niet inzien. Daarom vindt er dan ook een deling in u plaats, dag en nacht worden namelijk gescheiden, en door de dag herkent u dan in uzelf de vroegere nacht van uw hart.

 

De eerste natuurlijke staat van de mens is die van in de avond laat, dus duisternis. Maar omdat God hem een licht geeft, daarom is dat licht voor de mens een waar morgenrood, en zo ontstaat uit de avond en het morgenrood van de mens werkelijk zijn eerste levensdag. Het is toch begrijpelijk, dat als Mozes, die in alle wetenschappen van de Egyptenaren ingewijd was, in zijn geschriften de eerste natuurlijke dag van de aarde aan had willen geven, hij met al zijn kennis en wijsheid toch wel gemerkt zou hebben, dat uit de avond en de morgen nooit een dag kan ontstaan; want op de avond volgt in de natuur altijd nog de hele nacht, en de dag komt pas na de morgen.

 

Wat dus tussen avond en morgen ligt, is nacht; maar wat tussen morgen en avond ligt, is dag! Als Mozes gezegd had: 'En zo ontstond uit morgen en avond de eerste dag!', dan zou u wel aan kunnen nemen, dat het de natuurlijke dag was; maar hij had goede redenen om het juist omgekeerd te zeggen, en dat heeft te maken met de avond en tevens de nacht van de mens, wat heel begrijpelijk is, want niemand heeft nog ooit een volkomen wijs kind gezien. Als een kind op deze wereld geboren wordt, heerst er in zijn ziel volkomen duisternis en dus nacht.

 

Het kind groeit op, krijgt allerlei onderricht en daardoor steeds meer inzicht in allerlei zaken en dat is de avond, dat wil zeggen, het begint in de ziel zo schemerig te worden alsof het avond is. U zegt wel dat het 's morgens ook schemert, en Mozes had dan ook kunnen zeggen: 'En zo ontstond uit de ochtendschemering en uit de eigenlijk al lichte morgen de eerste dag!' Dan zeg Ik: Zeker, als hij geestelijk gesproken tegen de mensen iets onzinnigs had willen zeggen! Maar Mozes wist, dat alleen de avond te vergelijken is met de aardse toestand van de mens; hij wist dat de zuiver aardse verstandelijke ontwikkeling bij de mens op dezelfde manier plaats vindt, als het schemeren van de natuurlijke avond.

 

Hoe meer de mensen met hun verstand de aardse dingen proberen te vinden, des te zwakker wordt in hun hart het goddelijke licht van de liefde en van het geestelijke leven. Daarom noemde Mozes zulk aards licht van de mens ook de avond. Alleen wanneer God door Zijn barmhartigheid een levenslichtje in het hart van de mens aansteekt, dan begint de mens pas de waardeloosheid in te zien van alles wat hij eerder met zijn verstand, de geestelijke avond, zich toegeŽigend heeft, en hij ziet dan ook langzaam, maar zeker steeds meer in, dat al de schatten van het avondlicht net zo vergankelijk zijn als het avondlicht zelf.

 

Maar Gods ware licht, aangestoken in het hart van de mens, dat is de morgen die met en uit de voorafgegane avond de eerste echte dag in de mens teweegbrengt. Door deze verklaring die Ik nu geef, moet u nu ook wel inzien dat er een ontzaglijk groot onderscheid bestaat tussen de beide lichten, of liever inzichten; want alle kennis in het wereldse avondlicht is bedrieglijk en daarom ook vergankelijk. Alleen de waarheid duurt eeuwig; maar het bedrieglijke moet altijd op niets uitlopen.' GJE1-157 [4-17]

www.zelfbeschouwing.info