God kan niet zondigen

                                                  door Wilfried Schlätz

1.  Het wezen van de zonde bestaat enkel en alleen in de vrijwillige hoogmoed van een mens of een geest.

2. Jezus via Jakob Lorber (JL):

[Hemelse Gaven.03_49.04.06,29 – blz.477] Ik zeg nu allen naar de volste waarheid, die elk mens alleen maar waarachtig kan vrijmaken: Voor Mij bestaat er in de kern van de zaak eigenlijk maar één enkele zonde, die de moeder van alle andere zonden is, en deze zonde heet: hoogmoed!

 [Hemelse Gaven.03_49.04.06,30] Uit de hoogmoed vloeit dan al het andere echter voort – zoals zelfzucht, heerszucht, eigenliefde, nijd, gierigheid, woeker, bedrog, diefstal, roof, toorn, moord, traagheid in het dagelijkse werk, de zoete luiheid op kosten van de niet-hoogmoedige werker, hang naar luxe en pronklust, geilheid van het lichaam, ontucht, hoererij, godvergetenheid en eindelijk dan ook wel vaak een totale goddeloosheid en met deze de volste ongehoorzaamheid tegen alle wetten, die zowel van goddelijke of alleen maar van politieke oorsprong zijn.

 [Hemelse Gaven.03_49.04.06,31] Beschouw elk van deze opgetelde hoofdzonden op zichzelf analytisch, en jullie zullen in principe van elke zonde de hoogmoed herkennen. Wie dan van al zijn vermeende duizend zonden plotseling vanaf wil zijn, die ziet er alleen op toe, dat hij van zijn voortdurende ontaarde hoogmoed vrij wordt, dan zal hij ook vrij zijn van al zijn andere zonden. Want vele zonden zijn zonder hoogmoed helemaal niet denkbaar, en wel daarom, omdat hij de enigste grondslag van deze zonden is.

[HiG.03_49.04.06,32] Zonden echter, die zonder hoogmoed worden begaan, zijn geen zonden, omdat ze de grondslag tot de zonde niet in zich hebben. –

3. Jezus-Jehova echter bezit eindeloze deemoedigheid, die Hij vooral door Zijn Menswording en op Golgotha heeft bewezen:

3.1.Jesus door JL:

3.1.1.  [Huish. Van God.02_011,13] De eigenlijke allergrootste vrijheid van het leven bestaat in de ware deemoed en daardoor ontstaat ook de grootste volkomenheid van dat leven. Door de deemoed kunnen jullie zelfs in Mij de onaantastbare heiligheid van Mijn goddelijkheid naderen, - ja, de ware deemoed is de grootste wijsheid van de mens, de grootste liefde, de grootste kracht van alle leven, de macht en het hoogste gezag, waarvoor de hele oneindigheid vol eerbied heeft! 

[Huish. Van God.02_011,14] De deemoed is de innerlijkste, allerhoogste kracht, macht en het gezag in Mij Zelf. Alles, was de gehele oneindigheid vult is door de deemoed ontstaan en is daaruit voortgekomen.

3.1.2. [GEJ.04_175,04] God als God kan onmogelijk zondigen tegen Zijn ordening!

3.1.3. [HiG.01_41.06.26.b,13 – S.380] Wat wil de mens nog elders meer zoeken, wanneer hij weet, dat Ik als de Allerhoogste met hem een Mens, ja zelfs een Broeder mocht worden, zodat hij daaruit moet begrijpen, dat Ik, meer dan ieder mens, vanuit geheel Mijn hart, deemoedig en zachtmoedig ben en buitengewoon genadig en niet een God ben ver weg, maar voor jullie zeer nabij als een Vader en Broeder, zodat jullie eigen leven je verder is, dan Ik Zelf.

3.1.4. [HiG.03_42.02.20,19 – S.139] Let daarom ook bij een ieder van jullie op de woorden, die in deze drie verzoekingen aan de satan zijn gericht. Want een ieder mens is van tevoren een lijfeigene van de satan, tot hij eerst wordt een eigendom van Mijn liefde. En opdat hij dat echter wordt, kom Ik tot ieder in zijn eigen woestijn door de geest der liefde en laat Mij nog lang door hem in heel wat beproeven, zodat hij daardoor Mijn eindeloze liefde en allergrootste deemoed moet erkennen.

Wie echter dan volhardt, zoals degene, die Mij in de woestijn had verleid, wat zal het  een wonder zijn, wanneer ook hij aan het einde de woorden uit Mijn mond zal moeten vernemen: ‚wijk van Mij, Satan! –Neem hiervan notitie en overdenk het in jullie leven, zo zullen jullie eeuwig dat leven hebben door één en dezelfde Geest van God. Amen. – – –

3.1.5. [JJ.01_236,31] Is het dan zo geweldig fijn de baas te spelen? - De enige echte Baas van het hele Heelal ben Ik! Behalve Mij is er géén, in der eeu­wigheid niet!

[JJ.01_236,32] En niettemin was Ik, Die dus jullie aller Schepper en Vader ben, bereid Mijn eeuwige en on­eindige Goddelijke heerlijkheid veronachtzamend ten behoeve van jullie een zwak mensenkind te worden.

[JJ.01_236,33] Opdat jullie door dit alles­ overtreffende voorbeeld van dee­moed een grondige afkeer zoudt krijgen van jullie oude heersers­geest!

[JJ.01_236,34] Maar néé hoor! Juist in de­ze tijd aller tijden, waarin de Heer van alle Heerlijkheid Zich te midden van alle mensen heeft verne­derd om hen allen door die nede­righeid te winnen, juist nu willen de mensen de baas zijn en heersen!

3.1.6.  [HGt.01_002,08] Voor de wereld ben Ik een heel kleine held, zonder enig aanzien. De meeste geleerden zien uit de hoogte op Mij neer en laten Mij nog maar net Mijn naam als eerlijke man behouden. Maar sommigen van hen hebben reeds geheel afscheid van Mij genomen; voor hen besta Ik dus al helemaal niet meer. Anderen laten Mij nog wel een of andere goddelijke karaktertrek behouden, maar dat slechts gedurende korte tijd; dan echter laten zij zich door de wereldse wijzen beter inlichten. Ik word dan meteen oneervol ontslagen en geld hoogstens nog als een god voor oude vrouwen. Voor enkele van Mijn dienaren en knechten die gewichtig willen zijn, dien Ik alleen nog maar als een ambtelijk stempel voor het publiek en als een soort uiterlijk goddelijk omhulsel voor hun baarlijke onzin en hun grove, duistere domheid en dwaasheid. Die enkelen laten Mij weliswaar nog in Mijn goddelijkheid verblijven; maar daarvoor moet Ik voor hun tijdelijk voordeel van Mij laten maken wat zij willen, en wat nog wel het allerergste is: Ik moet een waar onding zijn!

Liefde en barmhartigheid mag Ik maar zo lang hebben als het hen uitkomt, maar daarna moet Ik onverbiddelijk worden als een steen en moet Mij tot de schandelijkste tiran laten omvormen! Ik moet van de ene rechterstoel op de andere springen en de ene verdoemenis na de andere uitspreken; Mijn liefde moet dus slechts tijdelijk, maar Mijn tirannie en het daarmee verbonden aller strengste rechtersambt moet eeuwig duren! O, wat een ongehoord grote dwazen! Mijn onbegrensde lankmoedigheid, zachtmoedigheid, deemoed en eeuwige liefde voor Mijn schepselen past zeker niet in hun hebzuchtige kraam; maar er zal spoedig een streep door al hun rekeningen worden gehaald! Hun rekeningen liggen voor Mij en de maat van hun daden is op één ding na vol en hun loon wacht op hen.

3.1.7.  [HGt.02_018,05] Wend je daarom tot Hemzelf en wel zonder vrees of enige schroom; want hoe eindeloos machtig Hij ook is, zo is Hij toch ook eindeloos goed, liefdevol, barmhartig, genadig, mild, zacht, teder, minzaam en de eindeloos onbegrijpelijke deemoed Zelf.

3.1.8.  [HGt.02_024,07] Zie je niet in, hoe kinderachtig zulke angst is? Voor Mij kun je toch onmogelijk nog vrees hebben; want je weet immers en hebt het altijd door Mij geweten, dat Ik de allerhoogste liefde Zelf ben.

 [HGt.02_024,08] Nu weet je echter ook, dat Ik vanuit de grond van Mijn hart deemoedig ben, en uiterst zachtmoedig, mild, lankmoedig en buitengewoon geduldig!  

3.1.9. [HGt.03_055,16] Denk je soms dat God een welgevallen heeft aan de hoogte? Ik zeg je: niet in het minst; maar alleen tot het nederige, het kleine wendt Hij Zijn hart!

[HGt.03_055,17] God wil geen hoge God, geen grote God, geen rijke God zijn ten aanzien van Zijn kinderen, maar een God in alle nederigheid en armoede wil Hij zijn ten overstaan van Zijn kinderen. Hij heeft immers alles aan Zijn kinderen gegeven; wat Hij heeft zullen ook zij hebben.

[HGt.03_055,18] Als dat toch een eeuwige waarheid is, hoe kun je dan God nog boven de sterren zoeken, God, die er zelfs een welbehagen in schept voor Zichzelf een woonplaats in het kleine hart van de mens op te richten?!

3.1.10.    [Er.01_072,05] Want zonder zonde zijn betekent: zich bevinden in de hoogste graad van de deemoed der liefde.

3.1.11.  [Hemel en Hel.01_087,03] Ik zeg: 'Kijk, kijk, wat jij allemaal niet zou willen! Als jij Mij tegen zou staan, zou Ik al lang ergens een geschikt plekje voor je hebben gevonden. Maar omdat je Mij bijzonder dierbaar bent, heb Ik je dan ook veel liever vlak bij Me dan ergens anders. Denk je dan, dat Ik me een beetje laat voorstaan op Mijn goddelijkheid? Dan maak je een grote vergissing! Want dan zou Ik Me niet hebben laten kruisigen en zou ook nooit mens zijn geworden. Maar omdat Ik van ganser harte zachtmoedig en deemoedig en nu evenals jullie allen een mens ben, kun je het best wagen om bij Mij te blijven. Dus blijf nu maar mooi hier en eet en drink naar hartelust! Ik zeg je, we zullen heel goed met elkaar kunnen opschie­ten.

 3.1.12. [Hemel en Hel.02_249,03] Maar jij, Mijn lieve dochter, wees niet bang voor Mij omdat ik het allerhoogste Godswezen ben, want juist daarom ben Ik de zachtmoe­digste, deemoedigste, vriendelijkste, liefdevolste en allerbeste geest en mens tegelijk. Kom nu maar en wees niet bang!'

3.1.13.  [BM.01_043,04] Omdat echter het grote zich ten opzichte van het kleine pas echt groot toont, het sterkste tegenover het zwakke pas echt sterk, het machtige tegenover het onmachtige zeer machtig - is juist de aarde in alles zo armzaligst geschapen, opdat ze de eens grootste en schitterendste geesten óf ter deemoediging zal dienen en hen daardoor tot nieuw leven wekken, of echter als gericht, waardoor ze een nieuwe, eeuwige dood ervaren. Want zoals Ik je vroeger al heb laten zien, dient het kleine en onaanzienlijke op zichzelf er ook toe, om het grote en aanzienlijke als zodanig te verhogen. En dat is al het gericht, ofschoon het grote en aanzienlijke zich daar, waar alles klein en onaanzienlijk is, hiernaar moet richten en zich moet verdeemoedigen.

[BM.01_043,05] Als dus een groot mens door een nauw en laag poortje in een vertrek wil komen, dan moet hij zich van te voren klein maken en heel diep bukken, omdat hij anders in geen geval in het vertrek kan komen. Zo is ook de aarde een smalle en doornige weg en een lage en nauwe poort naar het leven voor die geesten, die vroeger zeer groot waren en nog groter wilden zijn.

[BM.01_043,06] Maar deze geesten wilden deze weg die hun oude hoogmoed zeer verdee­moedigt, niet accepteren en zeiden, dat deze weg voor hen te klein was: een olifant zou nooit als een mug op een haar kunnen lopen en een walvis niet zwemmen in een regendruppel. Daarom zou zo'n weg een dwaze weg zijn en Degene die hem bereid had, zou geen inzicht en verstand hebben.

[BM.01_043,07] Daarom nam Ik als de allerhoogste en eindeloos grootste Geest van eeuwig­heid het kruis en ging deze weg als Eerste, allen ten voorbeeld. En Ik liet zien, hoe deze weg die de grootste en almachtigste Geest van God kon gaan, ook door alle andere geesten gemakkelijk kan worden bewandeld en dat daardoor ook het ware, vrije, eeuwige leven kan worden bereikt.

[BM.01_043,08] Daarna bewandelden velen reeds deze weg en bereikten daardoor het gestelde, gewenste doel, namelijk de verheffing tot het kindschap van God en daardoor het erfdeel van het eeuwige leven in alle macht, kracht en hoogste voleinding. Dit erfdeel bestaat hierin, dat zij zich verheugen in het bezit van al die scheppende eigenschappen, die Mij eeuwig zonder beperking eigen zijn.  

3.1.14.  [BM.01_087,05] BOREM zegt: 'Je hebt gelijk, beste broeder, het is inderdaad alleen het hart, waarnaar de Heer kijkt. En onze deemoed, waardoor de ware liefde tot de Heer blijkt, is wel de kostbaarste kleding van iedere engel. Maar desalniettemin vereist toch de orde van de Heer, dat in Zijn Rijk het kleed van de wedergeboorte en eeuwige onsterfelijkheid elke bewoner van de hemel zal sieren als een kleed, dat met zijn innerlijk overeenkomt. Want deemoediger dan de Heer Zelf is geen enkel wezen in de hele oneindigheid;

 

3.1.15. [GS.01_059,16] Daarom willen ze hier ook niets anders dan wat Ik wil. Mijn wil is echter een aller-duidelijkste, voor eeuwig vastgestelde voorstelling van het goede en het ware…

3.2. Het volgende woord van Jezus in de cijfers: (3.2.2.) is de diepste verklaring van het gebeuren op Golgotha, waar het liefdecentrum van de Godheid zich Zelf oneindig heeft verdeemoedigd, om alle mensen en geesten met de oneindige heiligheid van God voor alle eeuwigheid te verzoenen. Het blinde hoofdverstand zal proberen, met hulp van deze tekst te bewijzen, dat God toch heeft gezondigd, toen Hij de volledige wilsvrije mens had geschapen. Maar het hartverstand herkent in deze tekst juist de oneindige liefde en de oneindige deemoed van het liefdecentrum, dat door Zijn oneindige Zelfdeemoediging op Golgotha alle mensen en geesten het eeuwige zaligste leven heeft mogelijk gemaakt:

3.2.1.Jezus door JL:

[RB.01_126,01] 'Jezus, de gekrui­sigde, is de enige God over alle hemelen en over alles wat de oneindige ruimte vult. Hij alleen is de Oerschepper van alle dingen, van alle engelen, mensen, dieren, planten en heel de materie. Hij is de Vader volgens Zijn oereeuwige liefde, de eeuwige Zoon volgens Zijn wijsheid en de alleen Heilige Geest volgens Zijn oneindige macht, kracht en werking.

 [RB.01_126,02] Wend je in je hart waarachtig en getrouw tot deze Jezus. Heb Hem lief, die jou zozeer liefhad dat Hij uit liefde voor jou, evenals voor alle mensen, de menselijke natuur aannam en de bitterste dood van Zijn lichaam over zich liet komen om voor jou en alle mensen een eeuwig leven mogelijk te maken!

[RB.01_126,03] Het eeuwige, aan God volkomen gelijke, zalige leven is door Hem alleen mogelijk geworden en als een oneindige schat gegeven aan al het geschapene.  

 3.2.2.Jezus door JL: (In deze tekst gaat het om een paar specifieke begrippen:  de VADER (heiligheid) = de oneindige heiligheid van God en de Zoon [liefde] = de oneindige liefde van God = het liefdecentrum  JEHOVA)

                                                           -.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.-.

De ‚zeer zwakke‘. (De zevende leerling). – 6e december 1840, de voormiddag van 09.30 uur tot 11.45 uur.

[HiG.03_40.12.06 – S.75] schrijvende: C. L., S., And. en Ans. H.

[HiG.03_40.12.06] Vandaag openbaarde de Heer het volgende via de mond van Zijn knecht, nadat vroeger het naaste woord ‘aan de zeer zwakken’ werd gelezen:

[HiG.03_40.12.06,01] Jullie allen zullen toch wel begrijpen, dat niet Ik als het allerhoogste Wezen, als God van eeuwigheid en als Vader van alle mensen, geesten en engelen zulke dingen, waarvan zojuist gewag gemaakt diegenen zijn, in werkelijkheid zelf bega, om Mij vervolgens in jullie aanblik meteen als een dubbelganger zulke verwijten te maken en Mij in zekere zin Zelf te vermanen, Mij in alles te verbeteren van datgene, wat Ik toch nooit heb begaan. Als jullie over dit weinig vermelde nadenkt – zal bij jullie niet vanzelf de bijna onduidelijke vraag oprijzen: Ja, kan dan God ook zondigen, omdat Hij toch God is, zoals in Zijn heiligdommen, en in Zijn wijsheid en evenzo in Zijn liefde? Waarvandaan dus zulk een beschuldiging tegen Mij Zelf? Maar, zeggen jullie niet zelf, dat Mijn wegen ondoorgrondelijk zijn en Mijn raad eveneens ondoorgrondelijk? Ja, zie, zo is het ook! Vanaf de totale eeuwigheid heeft nog nooit iemand Mijn raad bijgewoond en geen oog van een engel zal ooit schouwen de geheime wegen van Mijn wijsheid en Mijn liefde.

[HiG.03_40.12.06,02] Opdat jullie echter deze zevende volgeling wel begrijpen kunt, zo wil Ik dan voor een kort moment jullie gevoelens terugvoeren in de grote tijd van de menswording van Mijn liefde. [=de menswording van het liefdecentrum: JEHOVA]  En hoe van daaruit al het licht en alle hulp in de wereld is gekomen, dan moet weliswaar ook dit licht jullie wel verlichten zoals het inwendige van een kleine hazelnoot, die Ik, jullie Vader [het ongeschapene in Jezus][1], {VADER (het ongeschapene in Jezus) en ZOON  (het geschapene in Jezus)!} in deze zevende volgeling of in het zeer zwakke kaakgebit van jullie en met het openbreken daarvan, heb ondergeschoven.

[HiG.03_40.12.06,03] Dus vraag ook naar Mijn liefde [= het liefdecentrum JEHOVA]: Jij puurste wezen van God, dat ook maar nooit in staat is tot een aller-geringste foutieve gedachte, hoe is het en hoe was het mogelijk Jou van de Vader  [van de oneindige heiligheid van God [2] = van de VADER = [HGt.01_009,26] – en buiten Mij kan niemand iets goedmaken dan alleen Ik, omdat niemand goed is dan Ik, de heilige Vader [= de oneindige Heiligheid van God = VADER der heiligheid)]; 

 te scheiden, om je met alle zonden en met al haar afschuwelijkheid op de wereld te belasten, om voor je Vader of de heiligheid van God [de oneindige heiligheid van God] te verschijnen in een ontstemd licht als diegene zelf, die door alle boosheid in de wereld is gekomen? –

Hoe kon jij [= het liefdecentrum van God = als de ZOON (liefde) tot een moordenaar van alle moordenaars worden? Hoe kon jij tot een echtbreker van alle echtbrekers worden? Hoe kon jij tot een leugenaar van alle leugenaars worden? Ja, hoe kon jij tot de grootste verachter van de heiligheid van God worden? Ja, hoe kon jij alle grote en kleine zonden op je nemen vanaf het begin van de wereld en tot aan het einde daarvan, omdat Je toch de liefde van God Zelf was [= het liefdecentrum van God  = de ZOON (liefde], en de Vader in Jou, zoals Jij in de Vader, en de God in Jou, zoals Jij in God? En hoe kon de Godheid [= de oneindige heiligheid van God  = de VADER (heiligheid)] voor de gehele wereld uit de hemelen bij Jouw doop in de Jordaan tot Je zeggen: dit is Mijn geliefde Zoon [= het liefdecentrum van God = de ZOON (liefde)], aan wie Ik [de VADER (heiligheid)] een welgevallen heb, daar moet je naar luisteren!? -

[HiG.03_40.12.06,04] Zie, jullie kunnen denken wat je wilt, maar je zult niets begrijpelijks naar buiten kunnen brengen. En wordt bij jullie niet, hoe dieper jullie deze zaak volgt, des temeer het ook nog raadselachtiger wordt, wanneer jullie het recht in het daglicht stelt en hoe dieper je daarover nadenkt, waarom het nu mogelijk is, dat juist het aller-zuiverste wezen van God, ja het leven in God Zelf, die het leven is van al het leven en het licht van al het licht, zich wel zo erg belasten wil met de dood van alle dood en met de duisternis van alle duisternissen? –

[HiG.03_40.12.06,05] Zie, als jullie dat kunnen begrijpen, dan zal bij jullie de kleine aangeboden hazelnoot heel makkelijk en begrijpelijk voorkomen, als ware ze geheel compleet onthult voor je hart. Alleen, dat is de grote stap, die een ieder in zijn hart heeft te doen en help mee, om met de eeuwige liefde het kruis te dragen, zodat hij eens deelachtig mag worden aan de grote werken, van de tot nu toe nog steeds onbegrepen verlossing, van de overwinning des doods en van de opstanding. Wees daarom achtzaam en begrijp eerst dit grote geheim, en jullie zullen daarin ieder aparte porie van de zeer zwakke, helder en verlichtend aanschouwen.

[HiG.03_40.12.06,06] Dat de wereld vanaf de aanvang in allerlei verschrikkelijkheden was, dat wisten jullie, - en door wie en hoe is zulks gekomen, dat wisten jullie ook. Maar hoe de wereld in haar verschrikkingen voor God had kunnen bestaan, is een andere vraag.

Zie, de wereld was dus dood in haar boosheid en kon bijgevolg onmogelijk meer zichzelf richten naar de onaantastbare heiligheid van God [=VADER (heiligheid)]. Ze moest daarom standvastig gericht worden uit de barmhartige liefde van God, zodat ze minstens mocht bestaan, wat ze was, maar zeg nu zelf, hoe is een gericht iets, is het dood of levendig? -

[HiG.03_40.12.06,07] Hierbij kan Ik jullie niets anders zeggen, dan jullie met een tegenvraag behulpzaam tegemoet te komen: Is een automaat dood of levendig? Jullie antwoord kan onmogelijk anders zijn, dan door te zeggen, dat een automaat dood is, en zijn beweging is niets dan een kunstmatige richting van de mechanica. En zie, juist zo verhoud het zich ook met de schrikbarende wereld voor de verlossing. Ze was slechts een door Mijn barmhartige liefde steeds een gerichte automaat. Maar als jullie in het andere geval juist een potsierlijk mooie automaat voor jullie hadden, die de kunst van de schepper zowel als die van de mechaniker, alles gegeven had, waarbij het hem niets ontbrak, dan slechts zelfstandig te leven, en om een mens in alle volkomenheid te zijn,-

  – Ja, zouden jullie hier niet naar het kunstmatige leven smachtend verlangen, en niet slechts naar deze automaten, maar naar een werkelijk zelfstandig leven? En waren jullie bekwaam, zoals Ik het ben, dan zouden jullie met je automatenleven in de geest daarbij zelf betrokken raken en dan zou daarmee met al haar tekortkomingen en innerlijke gebreken dit noodzakelijk aan jullie voorbijtrekken en jullie in zekere zin met hetzelfde bekleden.

[HiG.03_40.12.06,08] Zie, hoe was het dan nu daar, omdat Ik [de ZOON (liefde)] alleen het leven ben en het leven in en uit Mij heb, om de duurzaam te besturende wereld te geven een waar en vrij leven en niet alleen maar een mechanisch leven?

[HiG.03_40.12.06,09] Zie, toen moest de liefde [= het liefdecentrum = de ZOON (liefde)] zich scheiden van God of van de oereeuwige heilige kracht [= van de oneindige heiligheid van God = de VADER (heiligheid)], waaruit zij eeuwig geboren was en de kracht van God is eeuwig uit haar. Dus dit eeuwige leven uit zichzelf [= het liefdecentrum = de ZOON (liefde)] of  de oereeuwige kracht vanuit God moest een  breuk maken met God [= met de oneindige heiligheid van God = met de VADER (heiligheid)] en moest neerdalen naar de dode wereld en van daaruit het sterfelijke aantrekken, zodat het sterfelijke daardoor de sterfelijkheid verloor en weer vrij levend werd in en uit het leven van God, die het leven van al het leven is, omdat God Zelf in dit leven is en het leven uit God. En zij is echter het leven [ZOON (liefde)] van God [VADER (heiligheid)] uitgegaan, heeft zich met de sterfelijkheid van het lichaam bekleed, en zo mocht daarmee en daardoor al het vlees [lichaam] vrij levend worden in zichzelf door het leven uit God, zoals God Zelf levend is van eeuwigheid en door datzelfde het eeuwige leven van de liefde in Zich. -

[HiG.03_40.12.06,10] Zie, dat is nu het grote geheim, waarom de liefde van God  [ZOON (liefde)] in de Mens: JEZUS Zich Zelf heeft gemaakt tot de alleraardigste misdadiger en zondares, zodat daarmee niet een lichaam, maar alle lichamen met het leven uit God doorweven mocht worden. En deze nu met daarmee alle schuld overladen liefde [ZOON (liefde)] moest dan in tegenstelling voor de heiligheid van God [VADER (heiligheid)] zich op alle punten verdeemoedigen, gesteld, dat hij aan de opgenomen algemene schuld of sterfelijkheid juist ook tot op de meest uiterste punten der punten verdeemoedigde en verdragen moest elk denkbaar verwijt, om daardoor met God de Vader of de heiligheid van God [de VADER (heiligheid)] zich levend weer vertrouwd op te stellen, wat weliswaar eens levend uit God gegaan is, maar gemaakt heeft tot de eigenwillige en hoogmoedige losrukking van God – of van Zijn eeuwige Ordening.

HiG.03_40.12.06,11] Zie, nadat jullie dit toch zo tamelijk mochten begrepen hebben, wil Ik [ZOON (liefde)] jullie nu ook iets bekendmaken met de verwijten, die Mij [ZOON (liefde)] daarvoor noodzakelijk werd gemaakt door de heiligheid van God [VADER (heiligheid)], zodat jullie hiermee iets ervaren, wat de wereld tot de huidige minuut nog niet heeft vernomen. -

[HiG.03_40.12.06,12] Jullie weten, dat alles wat in de gehele oneindigheid werd geschapen, volgens de getuigenissen van mijn lieve Johannes door Mij [via de ZOON (liefde)] werd gemaakt en geschapen. Neem nu echter de boos geworden wereld die daardoor via de heiligheid van God [VADER (heiligheid)] steeds verdoemd was, zodat Ik [ZOON (liefde) als de voortbrenger van zulke verdoemdheid derhalve ook door de heiligheid van God [door de VADER (heiligheid)] dit verwijt noodzakelijk moest delen, omdat de wereld, wat in haar is, niet door zichzelf, maar door Mij [door de ZOON (liefde)] enkel en alleen in het bestaan werd geroepen. Omdat de wereld lijnrecht dus tegenover de heiligheid van God stond,  [VADER (heiligheid)], hoe was daarna het bestaan van de liefde [van de ZOON (liefde)], die zulks had teweeggebracht, zodat de heiligheid van God [VADER (heiligheid)] dat verdoemen moest, maar anders dan een zichzelf verdoemde? Nu denken jullie aan al de onnoemelijke daden van de mensen. Zie, van al deze daden moest Ik verdoemd zijn door de heiligheid van God [van de VADER (heiligheid], omdat de daden zelf verdoemd waren als verschijnselen in de wereld, die uit Mij [uit de ZOON (liefde)] is ontstaan. Wat was daaraan te doen?

[HiG.03_40.12.06,13] Zie, slechts twee wegen stonden voor Mij open [de ZOON (liefde)], namelijk de weg naar boven, en de weg naar beneden, d.w.z.: Ik [de ZOON (liefde)] keerde terug tot God [tot de VADER (heiligheid), werd met Hem één en vernietigde door de kracht van Zijn heiligheid al datgene, wat uit Mij is voortgekomen – of Ik [de ZOON (liefde)] scheid Mij af met alle beladen verwijten  en met de hoogste verdoemenis, van God [van de VADER (heiligheid)] , en verlevendig en heilig daar Mijn werken en doe in Mijn oneindige deemoed voldoening van de evenzo oneindige heiligheid van God [de VADER (heiligheid)]. –

  – Ziet, als Ik [de ZOON (liefde)] evenzo niet de oneindige liefde zelf was, zoals God  [de VADER (heiligheid)] de oneindige heiligheid zelf is, zo had Ik  [de ZOON (liefde)] weliswaar het eerste gedaan. Alleen Mijn liefde vermocht het onuitspreekbare uitspreekbaar te maken, verloochende haar heiligheid en maakte zich onheilig, omdat zij zich belaste met alle schuld, en daarmee ook met de dood van de moeilijkste last.

[HiG.03_40.12.06,14] Maar, jullie kennen de gebeurtenis, toen Ik [ [de ZOON (liefde)] in de tuin van Gethsemani aan de zogenoemde olijfberg Mij tot God keerde en bad [tot de VADER (heiligheid)], van wie Ik [de ZOON (liefde)] Mij van de wereldse wegen heb verlaten. Ziet, toen eerst werd de grote blindheid van Mijn liefde geheel en al wakker, en zag met de verschrikkelijkste afgrijzing tussen Zich en God [de VADER (heiligheid)] de oneindige kloof, aldaar berouwde Ik [de ZOON (liefde)] in grote ernst, dat Ik [de ZOON (liefde)] God  [de VADER (heiligheid)] verliet en tot de dode werken van mijn ijdele plezier Mij heb gewend, - en destijds stond de gehele schepping in de grote onzekerheid tussen het zijn en het eeuwig niet-meer-zijn. Want of Ik drink [de ZOON (liefde)] de kelk, en dan bestaat de wereld en alles, wat op haar ligt – of Ik [de ZOON (liefde)] plaats de kelk ter zijde en de wereld en alles onder haar wordt teniet gedaan op het moment, als Ik [de ZOON (liefde)] de kelk ter zijde plaatst.

[HiG.03_40.12.06,15] Maar zie juist daar, waar de liefde en het leven [de ZOON (liefde)] in de oneindige verwijdering van God [van de VADER (heiligheid)]  zwak is geworden, aldaar erbarmde God [VADER (heiligheid)]  Zichzelf van Zijn  liefde [Zijn ZOON (liefde)], sterkte ze en gebood haar, de voorgeschotelde kelk te legen, en sprak heimelijk tot haar: „Nog zijn tussen Mij en Jou de extremen der oneindigheid niet geraakt, daarom zak af in de uiterste diepte van de dood, die de uiterste grens is in contrast tot Mijn heiligheid, zodat Ik [de VADER (heiligheid] Jou [Mijn  ZOON (liefde)]  aldaar weer kan doorzien, omdat de eeuwige cirkel van Mijn heiligheid zich sluit“ – Zie, zo ging Ik [de ZOON (liefde)] dan geduldig dit doel tegemoet, alwaar Ik [de ZOON (liefde)] in deze oneindige verwijdering van God [van de VADER (heiligheid)] uitriep aan het kruis: „Mijn God, Mijn God, waarom heb Je Mij verlaten?“ – en verder: „Het is volbracht!“ en „in Jouw handen vertrouw ik Je Mijn ziel toe“ – of de ziel van al het leven - of die ziel, waaruit alles uit alles, wat er is, geschied is. 

[HiG.03_40.12.06,16] Zie, nu zullen jullie, omdat je dit een beetje overdenkt, toch wel inzien, hoe Ik [de ZOON (liefde)]  bij jullie zondaren wel de zeer Zwakke ben, en hoe Ik [de ZOON (liefde)] Mij nog steeds moet laten welgevallen door de heiligheid van God [door de VADER (heiligheid)] aan jullie adres de enigszins wat menselijke gesteldheid te verwijten, maar jullie binnenkort weer te bevrijden van elk speciaal uniform en levend te leiden in de heiligheid van de Vader [van de VADER  (heiligheid)]. Zie, zulk een mens, diens Ik [de ZOON (liefde)] Mij bedien en in zekere zin zijn Wezen aantrek, om daardoor jullie gebrek verhuld te dragen, net als bij Simon van Cyrene en hij kon eveneens  een grote beloning bereiken, omdat hij Mij bereidwillig voor korte tijd maar het kruis mee had te helpen dragen. Alleen de mens is zwak en vreest iedere last, en het allermeest echter de last van het kruis; daarom blijft Mij [de ZOON (liefde)] dan weer niets anders over te doen, dan wat Ik [de ZOON (liefde)] eens deed, namelijk voor allen het kruis Zelf te slepen.

[HiG.03_40.12.06,17] Het moet jullie - als het jullie verwarren mocht - bijgevolg in de nawoorden aan de ‚zeer zwakkennet zo weinig van de wijs brengen voor het persoonlijk aanpassend lijkende, dan jullie willen weten over bijv. de hele geschiedenis van de hogepriester Kajafas of die van Pilatus, of die van Iskariot, of zelfs die van een Romeinse heidense keizer Nero en andere gelijkende grotere en kleinere zondaren, hen niet te gedenken; want zie, met al deze verwijten moest Ik  [de ZOON (liefde)] Mij van oudsher laten belasten. En evenzo ben Ik [de ZOON  (liefde)] nu voor jullie weer belast met alle jullie zwaktes en gebreken en draag ze voor jullie in deze jullie wat vreemdsoortige omhulling, opdat, zoals jullie al weten, aan jullie zelf geen schade geschiedt aan je ziel, zodat jullie opzettelijk, d.w.z. naar jullie lichaam - gelijk als Judas  Iskariot met Mij - naar de geheimzinnige sleutel van het te bewerken leven zou willen grijpen.

[HiG.03_40.12.06,18] Zo jullie echter willen, neem dan dit nawoord onder de naam van de ‚zeer zwakken‘ tot jullie; gaat de informatie – wel te verstaan - in jullie harten puntsgewijs, dan zal jullie verklaart worden, wat jullie nu vernomen hebt.  Ik  [de ZOON (liefde)] heb jullie nu de sleutel gegeven zoals bij Petrus tot Mijn Rijk. Dit ‚zeer zwakke’ is Mijn verhulde Rijk in jullie. Open het met deze sleutel, en jullie zullen verrassingen waarnemen, en ware geestelijke wonderen in en aan jullie ontdekken.

[HiG.03_40.12.06,19] Zou iemand daarin ondanks al zijn beproevingen, toch nog steeds iets achter lijken te houden en hard, zoals eens de apostelen de jullie bekende harde leer, wend je dan in alle liefde tot Mij, en wees ervan verzekert, dat  Ik  [de ZOON (liefde] jullie niet in de steek zal laten. Want nu zeg Ikniet meer:  ‚gaat tot Mijn knechten en verneem dit aangaande door zijn mond Mijn genade, maar nu zeg  Ik  [de ZOON (liefde)] : Komt trouwe harten tot Mij, zodat Ik Zelf  [de ZOON (liefde)] jullie de genade geef en dat jullie mond eveneens uitspreekt het geheiligde begrip aan de Mij toebereide harten. Hoewel het jullie vrijstaat, je te laten informeren bij de knechten, dan zullen jullie echter toch niet meer uit zijn mond ervaren dan datgene, wat Ik  [de ZOON (liefde)] in jullie door jullie liefde tot Mij Zelf zal uitspreken. Amen. Dat zeg Ik  [de ZOON (liefde)] van de ware zevende.  Amen. – – –

www.zelfbeschouwing.info  - bron: Jakob Lorber Bulletin Internationaal, juni 2016 – maandelijks gratis tijdschrift voor de bewuste mens



 

[2]  Want dat zei Mijn naam voor eeuwig. En jij, Mijn liefde [= Mijn liefdescentrum = Mijn ZOON (liefde)], zijt Mijn Zoon;. En dat zegt nu de goede, heilige Vader [= de oneindige heiligheid van God =  de VADER (heiligheid)]. Amen.