In gesprek met Maanbewoners

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: In Bisschop Martinus lezen we over de Maan, waar de Heer zegt:'Zie, we zijn nu bij de elfde deur! Kijk naar binnen en zeg dan, wat je hier allemaal ziet!' Bisschop Martinus kijkt nu een poosje naar binnen en zegt ietwat pruilend: 'Wat is dit nu voor een grappige wereld? Mensen, die maar iets groter zijn dan de konijntjes op aarde en de verschillende stukken land zo groot als op aarde de broeibedden. De bomen zijn hoogstens een paar span hoog, zoals op aarde kruipdennen en braam - en jeneverbesstruiken. Het beste zijn nog de bergen, die echt heel hoog en heel steil zijn. ZeeŽn zie ik helemaal niet, wel echter meren, waarvan het grootste naar aardse maatstaven ongeveer 10.000 emmers water bevat! Sapristi, dat is een verschil tussen deur nummer 10 en nummer 11!

 

Maar wat is dat nu voor een spring in 't veld met bovendien maar ťťn voet? Dat zal toch wel een dier zijn en geen menselijk wezen? Daar ontdek ik nog een hele kudde van een eigenaardige soort marmotten! Dat is toch wel heel merk≠waardig! Tot nu toe heb ik nog nergens dieren gezien en hier in dit koddige wereldje zijn er opeens bijna meer dieren dan mensen. Zou dat dan een echte dierenwereld zijn?Ja, ja, zie, daar komt nog een grote kudde van een soort schapen aan! Jammer dat ik geen ossen en ezels zie, zodat ik me over mijn eigen soort kon verheugen! Er zijn ook vogels, ofschoon ze er niet bepaald vrolijk uitzien! Maar kijk daar eens! Hahaha, dat is een echte grap! Daar zijn de mensen helemaal aaneen gegroeid! Het vrouwtje zit als een bochel bij het mannetje op de schouders! En daar blaast een mannetje zich op als een boomkikvors en maakt met zijn gespannen buik een lawaai als op aarde een Turkse regimentstamboer! Nee, dat is echt heel grappig en hoogst lachwekkend!

 

Werkelijk, Heer, als U dit wereldje hebt geschapen, heeft het zeker van Uw almacht en wijsheid niet veel gevergd, want voor zover ik dit wereldje zie is het vergeleken met alles wat ik eerder heb gezien eerder saai dan indrukwekkend. Dan moet ik weer terugnemen, wat ik bij nummer 10 zo denigrerend over de Aarde heb gezegd! Want ten opzichte van deze wereld is ze toch wel - afgezien van haar mensen - een waar paradijs! - Zeg, o Heer, mij toch, hoe deze wereld heet! Die kan zich toch niet meer in het zonnegebied van onze Aarde bevinden?'

Ik zeg: 'O jawel, want dat is de Maan van de Aarde. En deze mensen zijn ook van de Aarde afkomstig, evenals de hele Maan zelf die weliswaar vroeger het slechtste deel van de aarde was, maar nu veel beter is dan de hele aarde! Daarom is hij nu ook een school voor zeer wereldse zielen geworden. Want zie, beter een magere, kleine wereld met een rijke geest, dan een vette, grote wereld met een hoogst magere geest! Zie, hoe armzalig deze mensen er ook uitzien, jij zult nog lang werk hebben, voor je in je geest zo rijk zult zijn als deze allang zijn! Opdat je echter in de praktijk zult leren inzien hoe het met de wijsheid van deze mensen staat, zullen er twee dichterbij komen en met jou over verschillende dingen praten. Zie, daar komt al zo'n bultig paartje aan: vraag hen naar verschillende dingen en je kunt er zeker van zijn, dat ze je het antwoord niet schuldig zullen blijven! Zo zij het!'

 

Bisschop Martinus zegt: 'Ja juist, daar is al zo'n paartje. Het komt naar ons toe kompleet met zijn hele wereld, die het letterlijk gebruikt als een schip. Kijk, van dichtbij ziet het paartje er heel potsierlijk uit, vooral het kleine vrouwtje. Maar zo te zien moeten wij voor hen onzichtbaar zijn, omdat zij zo verwach≠tingsvol om zich heen kijken, alsof zij echt iets waarnemen, maar toch niets kunnen ontdekken!' IK zeg: 'Jij moet dichter naar hen toe gaan en daardoor hun kleine sfeer aanraken, dan zullen ze je wel beter kunnen zien! De bewoners van alle Manen van de planeten hebben de eigenaardige eigenschap, dat ze de geesten van andere planeten pas volledig kunnen zien, als deze zich in hun kleine sfeer bevinden. De reden van dit verschijnsel is, dat de Manen het laagste, meest materiŽle bestaansniveau van de planeten zijn, evenals de mest van dieren ook hun laagste en meest materiŽle zijnsniveau is, maar dikwijls nuttiger dan het dier of de mens zelf! - Doe nu wat Ik je zei en het paartje zal jou meteen kunnen zien!' Bisschop Martinus doet nu, wat Ik hem heb opgedragen. Het paartje ziet Martinus meteen en bewondert zijn grootte. Martinus echter begint meteen het volgende gesprek met de beide maanbewoners: 'Zijn jullie wel de echte bewoners van deze kleine wereld of zijn er nog andere, die groter zijn dan jullie en misschien ook wijzer?'

 

De twee zeggen: 'Als mensen is er alleen een bepaald aantal van ons soort. Maar verder zijn er nog een heleboel schepselen en op het aan de andere kant gelegen deel van deze (Maan)aarde wonen boetvaardige zondaars, die niet zelden naar ons toekomen om van ons de innerlijke wijsheid te leren. Deze boetelingen zijn echter gewoonlijk van een andere wereld afkomstig, waarschijnlijk van de wereld waar jij ook vandaan komt! Zij zijn wel groot van gestalte maar wat hun wezen betreft zijn ze nog zeer klein. Ook jij ziet er heel groot uit, maar de eigenlijke mens in je is nog maar nauwelijks zichtbaar!

 

Maar wat doen jullie toch, jullie grote mensen, aan wie veel leven is gegeven? Waarom dragen jullie zo weinig zorg voor dit leven? Als het tijd is om vruchten te zaaien, die er toe dienen het aardse leven van de mens in stand te houden en het voedend te verzorgen - dan is de mens zeer actief en werkt zolang zijn krachten hem dat toestaan als een worm in een vermolmde boom, zonder ophouden en laat zich door niets van de wijs brengen. Hij verdraagt hitte, strenge kou en regen en andere moeilijke weersomstandigheden. Hij spaart zijn lichaam niet en stelt niet zelden zijn aan een zijden draad hangende korte leven bloot aan het grootste gevaar, om een beetje voedsel te veroveren. Maar voor het zorg dra≠gen, in stand houden en vervolmaken van het eigenlijke innerlijke leven, voor het eigenlijke, eeuwige, heilige, grote Ik, doet hij weinig of niets!

 

Wat zou je wel tegen een tuinman zeggen die op zijn grond vruchtbomen plantte, en wanneer ze in bloei stonden en vol beschermend blad zaten, hij deze eerste aanzet al voor de vrucht zou aanzien, alle bloesem en blad van de takken haalde en daarmee de vloer van zijn huis zou versieren? Zo'n tuinman zou toch zeker een domme dwaas zijn; want als zijn buurman een rijke oogst binnen haalt, zou hij van honger moeten sterven, omdat zijn bomen geen vrucht zouden dragen! Is echter niet elk mens een zelfde dwaas in nog veel hogere mate, wanneer hij het aardse leven reeds als vrucht geniet, terwijl dit slechts als bloesem en blad voor het innerlijke, ware leven dient? Hij vernielt door zo'n onnatuurlijk en hoogst onrijp genot de eigenlijke vrucht die daaruit moet voortkomen, namelijk het ware, eeuwige leven van de geest. Wat groeit dan uit tot een nieuw, onvergankelijk leven: de bloesem, het blad of het zaad binnen in de rijp geworden vrucht? Alleen toch maar het zaad!

 

En zo is het ook met ieder mens het geval: zijn lichaam, zijn zintuigen, zijn uiterlijk verstand, zijn rede - dat zijn bloesem en blad. Daar komt een rijpe ziel uit voort. En deze juiste, goede rijpheid van de ziel heeft dan ook een rijpe kern in zich. Deze kern is de onsterfelijke geest, die in zijn volle rijpheid alles beÔnvloed en in zijn onsterfelijkheid verandert, - zoals een vergankelijk lichaam, dat met de etherische olie van de onvergankelijkheid wordt gezalfd, ook mede onvergan≠kelijk wordt. Zie, jij grote mens, dat is onze wijsheid! Om deze te bewerkstelligen nemen wij de ons bewuste orde van de allerhoogste geest van God in acht en daardoor zijn wij volkomen wat wij zijn. Bestrijd jij nu maar hetgeen ik zeg, als je dat kunt; ik ben bereid om van jou alles te verdragen!'

 

Onze Martinus kijkt na deze woorden verbouwereerd en verwonderd en is buitengewoon verbaasd over de hem zeer enorm voorkomende wijsheid van dit Maanpaartje. Pas na geruime tijd zegt hij: 'Nou, nou - wat ik wel het minst vermoed zou hebben bij jullie Maanmensen, is wel zo'n diepe wijsheid! Wie gaf jullie deze grote wijsheid? Want die kan toch niet uit jullie zelf zijn ontstaan? De dieren beseffen instinctmatig wel hun bestaansorde en ontwikkelen deze heel natuurlijk uit hun natuurlijke orde, die hun instinkt dan ook is. Ook alle gewassen moeten dŠt tot wasdom brengen, wat in hen is gelegd. Maar dieren en planten zijn nu juist daarom aan datgene, wat zij zijn, gebonden. De mens echter als vrij wezen moet dit alles eerst door leringen van buitenaf in zichzelf als in een volkomen leeg vat opnemen. En het Woord van de goddelijke wijsheid moet in zijn hart worden gelegd als een zaadje in de aarde, opdat hij dan pas tot inzicht in zichzelf en daardoor tot inzicht in God en Diens orde kan komen. Krijgt de mens helemaal geen onderricht, dan blijft hij dommer dan welk dier ook en begrijpt hij minder dan een steen.

 

Omdat niet valt te ontkennen, dat jullie ook mensen met dezelfde godde≠lijke rechten zijn als ons soort mensen, dan moeten ook jullie ooit onderricht, en wel van God Zelf direct of indirect hebben ontvangen, omdat anders jouw wijsheid het allergrootste wonder zou zijn, dat ik tot nu toe heb meegemaakt. Want bij alle oermensen moet God de eerste leraar zijn geweest, omdat anders alle mensen tot aan de huidige tijd wat hun ontwikkeling betreft veel lager zouden staan dan de dieren. Want als A blind zou zijn, wie zou dan aan B het licht hebben kunnen geven? En zou op die wijze noodzakelijkerwijs ook B blind zijn gebleven, van wie zou dan C enzovoort het licht hebben moeten krijgen? Daar jij echter een zeer verlicht mens bent, zeg mij daarom alsjeblieft, hoe het onmiskenbaar licht Gods bij jullie is gekomen en wanneer ongeveer?' (Bisschop Martinus 1-49) De Maanbewoner zegt: 'Vriend, jij praat en vraagt, zoals jij het begrijpt en ik antwoord je op mijn manier! Naar jou te oordelen, moet de allerhoogste geest Gods jullie wel van buitenaf met een knuppel in de hand hebben onderricht. Want voor innerlijk, geestelijk onderricht lijk jij tot nu toe nog veel te bot te zijn en waarschijnlijk ook het hele menselijke geslacht van jouw planeet!

 

Meen jij nu serieus, dat de hoogste, almachtigste geest van God de mens, als Zijn meest volmaakte schepsel als een lege zak heeft gevormd, waar men eerst iets in moet stoppen, als men daar iets in wil hebben? O zie, dan zit je er heel erg naast! De mens van elke planeet heeft al een oneindige schat aan wijsheid in zich! Deze behoeft slechts door een deugdelijk middel te worden opgewekt, om dadelijk uit zichzelf de heerlijkste vruchten te dragen. Voor zo' n middel echter zorgt reeds de hoogste geest van God. Heeft de mens een dergelijk middel niet in de wind geslagen, maar het bij zichzelf meteen toegepast, dan zal hij vanuit zijn eigen zaad beginnen te kiemen, te groeien en tenslotte te rijpen. Er is dan geen onderricht van buitenaf nodig, maar alleen van binnenuit.

 

Want alles wat van buiten af bij de mens komt, is en blijft eeuwig iets vreemds. Het kan de ontvangende geen ware blijvende eigen wijsheid geven, maar uitsluitend een wijsheid als van een parasitaire plant die het leven nooit helpt, maar het alleen maar doet verkommeren en tenslotte zelfs te gronde richt, omdat het als iets van buiten af zich steeds naar buiten keert in plaats van naar binnen, naar de woonplaats van het eigenlijke ware eeuwige leven uit God, de aller≠hoogste Geest! Op deze manier komen wij tot onze wijsheid, namelijk alleen van binnenuit en niet van buitenaf! Als jullie echter ook nog onderricht van buitenaf nodig hebben, dan moeten jullie zeer verstokte wezens zijn en zeer zinnelijk en daardoor op grove wijze zondig: dus tegenstanders van de goddelijke orde en daardoor ook het anti-leven in jullie zelf. Dan moet A evenals B en C enzovoort zeker wel blind zijn en blijven, als onderricht van buitenaf hem niet wekt! Hier heb je het antwoord op je vraag ook van buitenaf. Want voor een innerlijk antwoord schijn je nog lang niet geschikt te zijn en je vraag is daarvan het zekerste bewijs. Maar vraag daarom gerust verder!' Bisschop Martinus kijkt na deze woorden van de Maanbewoner nog onge≠lukkiger, omdat hij nu inziet, dat hij met zijn wijsheid niet is opgewassen tegen de wijsheid van de Maanbewoner. Hij denkt nu na wat hij moet doen om het Maanpaartje te bewijzen, dat hij als bewoner van de Aarde tenslotte toch wijzer is. Hij probeert van alles te bedenken, maar er wil hem helemaal niets verstandigs te binnen schieten.

 

Bisschop Martinus richt zich daarom tot Mij en zegt: 'Heer, laat mij toch niet helemaal in de steek en help mij om tegen deze meer dan wijze Maanbewoner opgewassen te zijn en hem te laten zien, dat op Uw aarde de mensen ook heus geen sparappels zijn. Hij maakt dat ik van duizend vragen van hem er niet ťťn zou kunnen beantwoorden! En toch moet ik zijn heer zijn en over een poosje de leider van deze hele wereld! Dat zal te zijner tijd wat worden, als de bewoners van alle tot nu toe aan mij voorgestelde werelden mij als hun heer benaderen en mij laten zien, dat ik van deze hele schepping de allerdomste kerel ben! Ik denk dat het nodig zal zijn om ter voorkoming van deze schande hun meteen in het begin door een wijsheid die boven de hunne uitgaat te laten zien, dat ik volledig hun meester ben. Dan zullen ze het in de toekomst wel laten om ons soort mensen zo schoolmeester≠achtig te benaderen en als analfabeten te behandelen!' IK zeg: 'Luister, Mijn lieve Martinus! Denk je dan dat je door een steekhoudende woordenwisseling zo'n echte wijze de mond kunt snoeren? 0, dan heb je het toch wel heel erg mis! Zie, zoals er maar ťťn waarheid is, zo is er ook maar ťťn wijsheid, die evenals een eeuwige vesting ook voor alle eeuwigheid onoverwinnelijk is! Toen deze Maanbewoner jou echter met de enige juiste waarheid tegemoet kwam, met welke nog grotere wijsheid had jij hem dan willen bestrijden? Zie, er is wel een heel andere weg om deze geesten gewillig, hulpvaardig en dienstbaar te maken, dan die jij denkt. Die weg heet liefde, deemoed en grote zachtmoedigheid! Door deze drie voor het leven allereerste en allerbelangrijkste eigenschappen komt men tenslotte op het punt, waarop men zeer krachtig tegenover al deze talloze sterrenbewoners staat.

 

De liefde leert je om al deze wezens goed te doen en ze zo gelukkig mogelijk te maken. De deemoed leert je klein te zijn en je boven niemand - al zou hij nog zo onbeduidend lijken - hoogmoedig te verheffen, maar jezelf steeds als de minste te beschouwen. En de zachtmoedigheid leert je om iedereen altijd even welwil≠lend te verdragen en er uit het diepst van je hart naar te streven, om iedereen te helpen die je hulp nodig heeft. En dat altijd met zulke zachte middelen, dat niemand hierdoor ook maar in het minst in zijn vrijheid aangetast kan worden. Als er hier of daar ernstiger middelen nodig zijn, dan moet daar nooit de behoefte om te straffen of zelfs rechterlijke toorn achter zitten, maar altijd de allerhoogste en zuiverste, volledig onbaatzuchtige liefde! Zie, dat zijn de eigenschappen van het hemelse meesterschap! Deze moet je je volledig eigen maken, dan zul je met deze maanbewoners wel beter kunnen omgaan. Ga daarom nog eens naar het paartje terug en probeer het op deze hemelse manier met hen. Misschien zul je dan gemakkelijker met hun overweg kunnen! Ga dat dus doen. Zo zij het!'

 

Bisschop Martinus richt zich nu weer tot het Maanpaartje en zegt: 'Luister, m'n beste kleine, grote vriend, ik heb jouw zeer wijze woorden nu goed overwogen en met de genade van de Heer ingezien, dat je werkelijk in alles wat je zegt volkomen gelijk hebt. Desalniettemin wil ik je toch nog een nieuwe vraag stellen, niet zozeer om jouw degelijke wijsheid verder te willen onderzoeken, maar alleen om van jou te leren! Zie, je hebt eerder gezegd, dat alle onderricht van buitenaf van nul en generlei waarde is; ik kan je niet zeggen, dat je ongelijk hebt! Maar als alle onderricht van buitenaf, dus ook alles wat men van buitenaf waarneemt - waar dat ook vandaan mag komen en door welk zintuig dat dan ook bij de mens terecht komt - slecht, nutteloos en daarom verwerpelijk is, dan zou ik toch nu vanuit jouw wijsheid te weten willen komen, waarvoor de grote Schepper van alle werelden, mensen en engelen ons uiterlijke zintuigen heeft gegeven? En waarvoor een naar buiten klinkende stem en daarbij een tong die kan spreken?

 

Waartoe dienen eigenlijk alle uiterlijke vormen en alle uiterlijke verschijnings≠vormen van talloze dingen en wezens? Of is er soms een wezen zonder enige uiterlijkheid denkbaar? Heft het wegnemen van alle uiterlijkheid elk wezen dan niet totaal op? Want zie, ik kan me in ieder geval geen wezen voorstellen, dat helemaal geen uiterlijk zou hebben! Je ziet nu dat ik terecht twijfel; heb daarom geduld en helder dit voor mij op!' De Maanbewoner zegt daarop: 'Vriend, je grijpt de ene keer lang niet diep genoeg en de andere keer veel te diep! Eenmaal heel weinig en eenmaal een heleboel, daarmee bereik je nog lang niet je doel! De grote Geest heeft van alles eindeloos veel geschapen. En al het vele dat elkaar alleen uiterlijk kan ontmoeten - omdat het anders onmogelijk vťťl zou zijn -, is daarom voor elkaar ook iets uiterlijks. Opdat de mens echter ook het uiterlijke begrijpt, zijn hem ook de uiterlijke zintuigen gegeven. Begrijpen kan hij het met deze uiterlijke zintuigen nooit, maar alleen met de innerlijke zintuigen van zijn geest.

 

Zo heeft de mens uiterlijke zintuigen om het uiterlijke te vatten, en innerlijke zintuigen om het innerlijke te vatten. De wijsheid is echter een aangelegenheid van de innerlijke zintuigen van de geest en niet van de uiterlijke van het lichaam; daarom moet ze ook van binnenuit en niet van buitenaf worden verkregen. Dit innerlijke onderricht echter geeft alleen de geest aan de ziel, omdat de grote geest van God alles wat ooit geschapen werd en nog eeuwig geschapen zal worden, volledig onthuld in de geest heeft gelegd. De uiterlijke taal dient er alleen maar toe om het uiterlijke te vatten en dan met het innerlijk te verenigen. Daardoor wordt een huwelijk tussen uiterlijk en innerlijk tot stand gebracht en door dit huwelijk het volle inzicht in de goddelijke orde. Dit inzicht is dan de eigenlijke wijsheid, waarnaar wij alleen moeten streven, omdat die de enige innerlijke kracht van de geest en zijn werkzaamheid bepaalt.

 

Je zult nu gemakkelijk inzien, dat Gods geest in eeuwigheid nooit de mensen door openbaringen van buitenaf heeft onderricht, maar altijd alleen van bin≠nenuit door de geest. Al leek het misschien ook een persoonlijk onderricht van buitenaf, toch kon dit zo lang geen innerlijke werking hebben, zolang het niet door de alles opwekkende kracht van de geest Gods naar de innerlijke geest van de mens werd geleid. Dus is ook alles wat ik je nu ook alleen maar van buitenaf verklaarde, voor jou zo lang zonder uitwerking, totdat je het ook vanuit jezelf zult vernemen. Als God Zelf je uiterlijk in alle wijsheid onderwees, zoals ik nu heb gedaan, dan zou ook dit onderricht van God geen zin voor je hebben, zolang Hij, de grote God, door Zijn allerheiligste geest je niet van binnen door je eigen geest zou onderrichten. Neem dit nu aan, als je dat kunt, als een juist antwoord. En bedenk dat het je niet tot heil strekt, maar een gericht voor je is, zolang je het niet vanuit jezelf zult ontvangen! Want wat niet van jezelf is, dat is een gericht zolang het je niet eigen geworden is en het maakt je niet vrij! - Wil je nu nog iets vragen, vraag dan; ik zal je antwoorden!'

 

Bisschop Martinus zegt daarop: 'Vriend, ik zie nu opnieuw, dat jij bij al je uiterlijke nietigheid een in de grond waarlijk wijs wezen bent. Ik erken ook dat ik me met jou nog lang niet kan meten. Maar dat zul jij, vasthoudende wijze, mij toch moeten toegeven, dat ik als ik iemand uit grote liefde, ook al is dit slechts uiterlijk, onderricht geef in dingen die Gods orde, Diens macht, liefde en wijsheid betreffen, dat zulk onderricht toch onmogelijk een gericht kan zijn voor een onschuldige, gewillige leerling, maar alleen een juiste weg tot het eeuwige leven! Want ik heb juist helemaal niet zo veel op met wijsheid alleen, doch alleen met de liefde. Immers, waar deze ontbreekt, daar is wat mij betreft alle wijsheid nog geen simpele klomp leem waard! Wat vind je van deze opvatting? Ik weet wel dat elk mens eerst uit de geest wedergeboren moet zijn, voor hij in het eigenlijke, vrije rijk van God kan binnengaan. Maar juist om deze wedergeboorte te bereiken, moet men immers toch van tevoren de eerste weg daartoe door uiterlijk onderricht ontvangen, omdat voor mij tenminste een innerlijk onderricht - vooral bij kinderen ≠helemaal niet denkbaar is. En heb ik ook hierin niet gelijk, zeg me dan hoe jullie maanmensjes jullie kinderen onderwijzen!'

 

De Maanbewoner zegt: 'Waarom vraag je nog door, als jouw eigen mening jou veel juister lijkt te zijn, kortzichtige praatjesmaker? Is dan niet elk uiterlijk onderricht een wet, die bepaalt hoe het ene of het andere opgevat moet worden? Oordeelt dan niet elke wet en elke regel? Wanneer heeft de wet ooit iemand vrijgemaakt? Jullie maken van je kinderen eerst gevangenen en jullie kunnen ze dan nooit vrij maken. Wij echter voeden onze kinderen op, zoals bij jullie een pottenbakker zijn pot vervaardigt die hij tegelijkertijd van binnen en van buiten op zijn draaischijf begint te vormen, omdat hij anders een zeer eenzijdige pot zou maken!

 

Wil je dus leren hoe mensen opgevoed worden tot eeuwige vrijheid, ga dan naar de werkplaats van een pottenbakker, daar zul je je onbegrepen liefde leren kennen! Begrijp goed, bij een pottenbakker vind je meer wijsheid dan tot nu toe in jou!' Na deze uithaal richt Bisschop Martinus zich weer tot Mij en zegt: 'O Heer, dit waarlijk radicale Maanwezen is helemaal niet bij te houden! Want ik kan een zaak nog zo zuiver volgens Uw leer voorstellen, of hij is me warempel al weer zo'n duizend hele jaren voor! Het wonderlijkste van de zaak is, dat hij als Maanbewoner de aarde, die hij toch zeker nooit als een ster heeft gezien, beter lijkt te kennen dan ikzelf! Hij gebood me naar een pottenbakker op aarde te gaan, waar ik de wijsheid en in zekere zin het geheim van de liefde moet bestuderen! Dat is toch wel heel grappig! Wat moet ik dan wel bij een pottenbakker doen? Moet ik soms hier dit beroep uitoefenen? Ja, de kerel gaat zo ver, dat hij me heel droogjes in mijn gezicht beweert, dat ook U, Heer, mij met Uw mondeling onderwijs niet zou kunnen helpen, als zulks niet van binnenuit uit mijn eigen geest zou komen! Dat is toch kennelijk een grove zonde! Als ik mijn zin kon doen, dan liet ik deze betweter wel een beetje voelen, wat het betekent om zelfs geringschattend over de werkende kracht van Uw leer te spreken!'

 

IK zeg: 'Laat het nu verder maar, Mijn lieve Martinus, want als jij aan een twistgesprek met deze Maanbewoner zou beginnen, dan zou je verreweg aan het kortste eind moeten trekken. Hij verdient het echter helemaal niet, dat Ik hem iets onaangenaams zou laten overkomen, want hij is een buitengewoon goede geest. Dat hij je tenslotte wat zwaarder heeft aangepakt, komt voort uit het feit, dat hij in jou een soort verborgen, eerzuchtig trekje heeft gezien, dat deze Maanwezens wel het allerminst kunnen uitstaan. Want bij hen moet het uiterlijke volledig gelijk zijn aan het innerlijke. Onthoud overigens heel goed wat je van deze wijze hebt gehoord; het zal je te zijner tijd goed van pas komen! De pottenbakker is echter het beste beeld: door dit beeld kun je de gehele volheid van Mijn orde leren kennen! Want zie, Ik Zelf ben immers ook een pottenbakker en Mijn werk is dat van een pottenbakker. Want Mijn orde is als de draaischijf van een pottenbakker. ≠ Hoe, dat zal de toekomst je leren!' (GJE 1-50)

www.zelfbeschouwing.info ††