Hemelse Verborgenheden – Genesis hoofdstuk 29

 

Digitale uitgave Swedenborg Boekhuis 2015 – www.swedenborg.nl

 

‘Zoekt eerst het rijk Gods en Zijn Gerechtigheid, en alle dingen zullen u toegeworpen worden.  (Mattheüs 6:33).

 

 GENESIS   NEGENENTWINTIGSTE   HOOFDSTUK

3751. Voorafgaand aan het vorige, 28ste hoofdstuk werd uiteengezet wat de Heer over de laatste tijd van de Kerk bij, (Mattheüs 24:15-18) heeft voorzegd; nu moet overeenkomstig het opgevatte plan, voorafgaand aan dit hoofdstuk worden ontvouwd wat daar volgt in de verzen 19 tot en met 22, namelijk deze woorden: ‘Maar wee de in de baarmoeder dragenden of de zogenden in die dagen; doch bidt, dat uw vlucht niet geschiede in de winter, noch op de sabbat. Want dan zal grote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe en ook niet zijn zal. En zo die dagen niet verkort werden, geen vlees zou behouden worden; maar om der uitverkorenen wil zullen die dagen verkort worden.’

 

3752. Wat deze woorden betekenen, kan niemand ooit begrijpen, tenzij hij door de innerlijke zin is verlicht; dat die woorden niet zijn gezegd over de vernietiging van Jeruzalem, blijkt uit tal van dingen in dat hoofdstuk, zoals hieruit: ‘Zo die dagen niet verkort werden, geen vlees zou behouden worden; maar om der uitverkorenen wil zullen die dagen verkort worden’; en uit het volgende: ‘Na de verdrukking dier dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar schijnsel niet geven en de sterren zullen van de hemel vallen en de krachten der hemelen zullen bewogen worden; en dan zal het teken van de Zoon des Mensen verschijnen; en zij zullen de Zoon des Mensen zien, komende in de wolken des hemels met kracht en heerlijkheid’, en uit andere plaatsen. Dat die woorden ook niet zijn gezegd over de ondergang van de wereld, blijkt eveneens uit tal van dingen in hetzelfde hoofdstuk, als uit hetgeen voorafgaat: ‘Die dan op het huis is, kome niet af om iets uit zijn huis weg te nemen; en die op het veld is, kere niet weder achterwaarts om zijn klederen weg te nemen’ en verder uit het volgende dat nu is aangehaald: ‘Bidt, dat uw vlucht niet geschiede in de winter noch op de sabbat’; en uit het volgende: ‘Dan zullen er twee op het veld zijn, de een zal aangenomen en de ander zal verlaten worden; twee malenden, de een zal aangenomen en de andere zal verlaten worden’. Maar het is duidelijk dat zij gezegd zijn over de laatste tijd van de Kerk, dat wil zeggen, over haar verwoesting; en daarvan wordt gezegd dat zij verwoest is, wanneer er geen naastenliefde meer is.

 

3753. Ieder die heilig over de Heer denkt en die gelooft dat het Goddelijke in Hem is geweest en dat Hij vanuit het Goddelijke heeft gesproken, kan weten en geloven dat die dingen evenals de overige die de Heer heeft geleerd en gesproken, niet over één enkele natie werden gezegd, maar over het gehele menselijke geslacht en niet over de wereldlijke staat, maar over de geestelijke staat ervan; en eveneens dat de woorden van de Heer die dingen samenvatten die van Zijn rijk zijn en van de Kerk zijn, want deze zijn Goddelijk en eeuwig. Wie zo gelooft, komt tot de gevolgtrekking dat deze woorden: ‘Wee in de baarmoeder dragenden of de zogenden in die dagen’ niet degenen betekenen die in de baarmoeder dragen en zogen; en dat deze woorden ‘Bidt, dat uw vlucht niet geschiede in de winter, noch op de sabbat’, niet een vlucht voor een wereldse vijand betekenen, enzovoort.   

 

3754. In het voorafgaande werd gehandeld over de drie staten van het goede en ware in de Kerk; hier wordt nu over de vierde staat gehandeld, die tevens de laatste is; over de eerste staat, te weten, dat deze het begin was dat zij niet langer zouden weten wat het goede en wat het ware is, maar daarover onder elkaar zouden twisten, waaruit valsheden zouden voortkomen, zie nr. 3354. Over de tweede staat, dat deze was dat zij het goede en ware zouden verachten en ook verafschuwen en dat dus zo het geloof in de Heer de geest zou geven, in de graden waarin de naastenliefde zou ophouden, zie nr. 3487, 3488. Over de derde staat, dat deze was de verlating van de Kerk ten aanzien van het goede en ware, zie nr. 3651, 3652. Over de vierde staat wordt nu hier gehandeld, te weten die van de ontwijding van het goede en ware; dat die staat hier wordt beschreven, kan vaststaan uit de afzonderlijke dingen daar in de innerlijke zin, die zodanig is.

 

3755. Maar wee de in de baarmoeder dragenden en de zogenden in die dagen, betekent hen die doordrenkt zijn van het goede van de liefde in de Heer en van het goede van de onschuld; ‘wee’ is een formule die het gevaar van de eeuwige verdoemenis betekent; in de baarmoeder dragen, is het goede van de hemelse liefde ontvangen; zogen is ook de staat van onschuld ontvangen; die dagen zijn de staten waarin de Kerk dan is. Doch bidt, dat uw vlucht niet geschiede in de winter, noch op de sabbat, betekent zich daarvan verwijderen, dat dit niet overijld zal plaatsvinden in een staat van te grote koude en in een staat van te grote hitte; de vlucht is het zich verwijderen van de staat van het goede van de liefde en van de onschuld, waarover eerder; de vlucht in de winter is het zich daarvan verwijderen in een staat van al te grote koude; er is koude wanneer er voor die dingen een afkeer is, die door de eigenliefde wordt veroorzaakt; de vlucht op de sabbat, is zich daarvan verwijderen in een staat van al te grote hitte; de hitte is het uiterlijk heilige, terwijl van binnen de liefde van zich en van de wereld is. Want dan zal grote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe en ook niet zijn za, betekent de opperste graad van verdraaiing en verwoesting van de Kerk ten aanzien van het goede en ware, namelijk de ontwijding; want de ontwijding van het heilige veroorzaakt de eeuwige dood en een veel zwaardere dan de overige staten van het boze en des te zwaarder naarmate de goede en ware dingen die ontwijd worden, innerlijker zijn; en omdat deze innerlijke dingen geopend en bekend zijn in de christelijke Kerk, en zij ontwijd zijn, wordt gezegd dat er dan grote verdrukking zal zijn, hoedanige niet is geweest van het begin der wereld tot nu toe en ook niet zal zijn. En zo die dagen niet verkort werden, geen vlees zou behouden worden; maar om der uitverkorenen wil zullen die dagen verkort worden, betekenen de verwijdering van degenen die uit de Kerk zijn, van de innerlijke goede en ware dingen, tot de uiterlijke, opdat toch diegenen gezaligd kunnen worden die in het leven van het goede en ware zijn; door het verkort worden van de dagen wordt de staat van de verwijdering aangeduid; door het niet behouden worden van enig vlees, wordt aangeduid dat anders niemand gezaligd zou kunnen worden; door de uitverkorenen worden diegenen aangeduid die in het leven van het goede en ware zijn.

 

3756. Dat dit de innerlijke zin van die woorden is, kan ten volle worden aangetoond, dat met ‘haar in de baarmoeder dragen’ diegenen worden aangeduid die zich eerst van het goede doordrenken; en dat door ‘haar die zogen’ diegenen worden aangeduid die zich van de staat van de onschuld doordrenken; door de vlucht, het zich daarvan verwijderen; door de winter de afkeer van die goede dingen ten gevolge van de eigenliefde, die zich van de innerlijke dingen meester maakt; en door de vlucht op de sabbat, de ontwijding, die plaatsvindt wanneer het heilige in de uiterlijke dingen is en van binnen de liefde van zich en van de wereld; omdat diezelfde woorden en dergelijke uitdrukkingen in wat volgt, hier en daar voorkomen, zal daar vanuit de Goddelijke barmhartigheid van de Heer, worden getoond dat de betekenis daarvan zodanig is.

 

3757. Wat echter de ontwijding van het heilige is, weten weinigen, maar het kan vaststaan uit wat eerder daarover is gezegd en getoond, namelijk, dat diegenen kunnen ontwijden die weten en erkennen en zich doordrenken van het goede en het ware, maar niet diegenen die niet hebben erkend en te minder zij die niet weten, nrs. 593, 1008, 1010, 1059, 3398; dat zij die binnen de Kerk zijn zo de heilige dingen kunnen ontwijden, maar niet zij die daar buiten zijn, nr. 2051. Dat degenen die van de hemelse Kerk zijn, de heilige goede dingen kunnen ontwijden; zij die van de geestelijke Kerk zijn, de heilige ware dingen, nr. 3399. Dat daarom voor de Joden de innerlijke ware dingen niet werden ontsloten, opdat zij ze niet zouden ontwijden, nr. 3398; dat de natiën het minst van allen kunnen ontwijden, nr. 2051; dat de ontwijding een vermenging en verbinding is van het goede en het boze en ook van het ware en het valse, nrs. 1001, 1003, 2426; en dit werd aangeduid door het eten van bloed, wat zo streng werd verboden in de Joodse Kerk, nr. 1003; dat men daarom zoveel mogelijk van de erkenning en het geloof van het goede en het ware wordt afgehouden, indien men daarin niet kan blijven, nrs. 3398, 3402; en dat men dus in onwetendheid wordt gehouden, nrs. 301-303; en dat ook vandaar de eredienst uiterlijk wordt, nrs. 1327, 1328. Dat de innerlijk ware dingen niet eerder worden onthuld dan wanneer de Kerk is verwoest, omdat dan het goede en ware niet langer ontwijd kan worden, nrs. 3398, 3399; dat de Heer daarom eerst toen in de wereld is gekomen, nr. 3398; welk een groot gevaar uit de ontwijding van het heilige en van het Woord voortkomt, nrs. 571, 582. GENESIS 29 : 1 – 35 1. En Jakob hief zijn voeten op en hij ging tot het land der zonen van het oosten. 2. En hij zag en ziet, een put in het veld, en ziet, daar drie kudden van kleinvee nevens dien nederliggende, omdat zij uit die put de kudden drenkten; en een grote steen op de mond van de put. 3. En derwaarts werden al de kudden verzameld en zij wentelden de steen van boven de mond van de put en drenkten het kleinvee en legden de steen weer op de mond van de put tot zijn plaats. 4. En Jakob zei tot hen: Mijn broeders, vanwaar zijt gij; en zij zeiden: Van Haran zijn wij. 5. En hij zei tot hen: Kent gij Laban, de zoon van Nahor; en zij zeiden: Wij kennen. 6. En hij zei tot hen: Heeft hij vrede; en zij zeiden: Vrede; en zie, Rachel, zijn dochter komt met het kleinvee. 7. En hij zei: Ziet, nog is de dag groot, het is niet tijd het vee te verzamelen; drenkt het kleinvee, en gaat, weidt. 8. En zij zeiden: Wij kunnen niet totdat al de kudden verzameld worden en zij de steen van boven de mond van de put afwentelen en wij zullen het kleinvee drenken. 9. Nog was hij sprekende met hen en Rachel kwam met het kleinvee dat haar vader had, omdat zij een herderin was. 10. En het geschiedde, als Jakob Rachel zag, de dochter van Laban, zijn moeders broeder en het kleinvee van Laban, zijn moeders broeder en Jakob trad toe en wentelde  de steen van boven de mond van de put en drenkte het kleinvee van Laban, zijn moeders broeder. 11. En Jakob kuste Rachel; en hij hief zijn stem op en weende. 12. En Jakob gaf Rachel te kennen dat hij de broeder van haar vader en dat hij de zoon van Rebekka was; en zij snelde heen en gaf het aan haar vader te kennen. 13. En het geschiedde, als Laban de tijding hoorde van Jakob, zijn zusters zoon en hij snelde hem tegemoet en omhelsde hem en kuste hem en bracht hem tot zijn huis; en hij vertelde Laban al die woorden. 14. En Laban zei tot hem: Voorwaar, gij zijt mijn been en mijn vlees; en hij woonde met hem een maand der dagen. 15. En Laban zei tot Jakob: Omdat gij mijn broeder zijt en zoudt gij mij om niet dienen; geef mij te kennen, wat zal uw loon zijn. 16. En Laban had twee dochters, de naam van de grootste was Lea en de naam van de kleinste was Rachel. 17. En de ogen van Lea waren zwak en Rachel was schoon van vorm en schoon van aanblik. 18. En Jakob had Rachel lief en hij zei: Ik zal u zeven jaren dienen voor Rachel, uw kleinste dochter. 19. En Laban zei: Het is beter dat ik haar aan u geef, dan dat ik haar aan een andere man geef; blijf met mij. 20. En Jakob diende voor Rachel zeven jaren; en zij waren in zijn ogen als enige dagen in zijn liefde voor haar. 21. En Jakob zei tot Laban: Geef mijn vrouw, omdat mijn dagen vervuld zijn en ik tot haar kome. 22. En Laban verzamelde al de mannen der plaats en hij maakte een maaltijd. 23. En het geschiedde in de avond en hij nam Lea zijn dochter en leidde haar tot hem en hij kwam tot haar. 24. En Laban gaf haar Zilpa, zijn dienstmaagd, aan Lea, zijn dochter, tot een dienstmaagd. 25. En het geschiedde in de morgen, en ziet, zij was Lea, en hij zei tot Laban: Wat is dit, dat gij mij gedaan hebt; heb ik niet voor Rachel met u gediend en waarom hebt gij mij bedrogen? 26. En Laban zei: Niet geschiedt alzo in onze plaats, te geven de kleinste voor de eerstgeborene. 27. Vervul deze week en wij zullen u ook haar geven voor de dienst welke gij met mij nog zeven andere jaren zult dienen. 28. En Jakob deed alzo en hij vervulde deze week; en hij gaf hem Rachel, zijn dochter, hem tot een vrouw. 29. En Laban gaf aan Rachel, zijn dochter, Bilha, zijn dienstmaagd, haar tot een dienstmaagd. 30. En hij kwam ook tot Rachel en hij had ook Rachel meer lief dan Lea; en hij diende met hem nog zeven andere jaren. 31. En Jehovah zag, dat Lea gehaat was en Hij opende haar baarmoeder en Rachel was onvruchtbaar. 32. En Lea ontving en baarde een zoon en zij noemde zijn naam Ruben, omdat zij zei: Daar Jehovah mijn verdrukking heeft gezien, omdat nu mijn man mij zal liefhebben. 33. En zij ontving nog en baarde een zoon; en zij zei: Omdat Jehovah gehoord heeft, dat ik gehaat was, en Hij heeft mij ook deze gegeven; en zij noemde zijn naam Simeon. 34. En zij ontving nog en baarde een zoon en zij zei: Nu zal ditmaal mijn man aan mij kleven, omdat ik hem drie zonen gebaard heb; daarom noemde zij zijn naam Levi.  35. En zij ontving nog en baarde een zoon en zij zei: Ditmaal zal ik Jehovah belijden; daarom noemde zij zijn naam Juda; en zij hield op van baren.

 

DE INHOUD

3758. In dit hoofdstuk wordt in de innerlijke zin door Jakob gehandeld over het Natuurlijke van de Heer, hoe het goede van het ware daar verbonden werd met het verwante goede uit Goddelijke oorsprong, namelijk Laban; eerst door de aandoening van het uiterlijk ware, te weten Lea; en daarna door de aandoening van het innerlijke ware, te weten Rachel.

 

3759. Daarna wordt door de geboorte van de vier zonen van Jakob uit Lea in de hoogste zin de opklimming vanuit het uiterlijk ware tot het innerlijk goede beschreven; maar in de uitbeeldende zin wordt de staat van de Kerk beschreven, die zodanig is, dat zij niet de innerlijk ware dingen die in het Woord zijn, erkent en opneemt, maar alleen de uiterlijk ware dingen; en dat zij, omdat dit zo is, tot de innerlijke opklimt volgens deze orde, dat zij eerst het ware heeft dat van het geloof wordt genoemd; dan de betrachting volgens dat ware; daarna vanuit deze de uitoefening van de naastenliefde; en tenslotte de hemelse liefde; deze vier graden worden aangeduid door de vier zonen van Jakob uit Lea, namelijk door Ruben, Simeon, Levi en Juda.

 

DE INNERLIJKE ZIN

 3760. vers 1. En Jakob hief zijn voeten op en hij ging tot het land der zonen van het oosten. Jakob hief zijn voeten op, betekent de verheffing van het natuurlijke; en hij ging tot het land der zonen van het oosten, betekent tot de ware dingen van de liefde.

 

3761. Jakob hief zijn voeten op; dat dit de verheffing van het natuurlijke betekent, staat vast uit de betekenis van opheffen, namelijk de verheffing; en uit de betekenis van de voeten, namelijk het natuurlijk, waarover hierna; de verheffing die hier wordt aangeduid, is die waarover in dit hoofdstuk wordt gehandeld, namelijk van het uiterlijk ware tot het innerlijk goede; in de hoogste zin, hoe de Heer zijn Natuurlijke verhief tot aan het Goddelijke toe, volgens de orde, door van het uiterlijk ware door graden tot het innerlijk goede op te klimmen; en in de uitbeeldende zin, hoe de Heer het natuurlijke van de mens, wanneer Hij hem wederverwekt, volgens een dergelijke orde, nieuw maakt. Dat de mens die op volwassen leeftijd wordt wederverwekt voortgaat, volgens de orde die in dit en in de volgende hoofdstukken in de innerlijke zin is beschreven, is aan weinigen bekend; dit komt omdat weinigen daarover nadenken en ook omdat weinigen heden ten dage wederverwekt kunnen worden; want het zijn de laatste tijden van de Kerk, wanneer er niet langer enige naastenliefde is en dus geen geloof meer is; en omdat dit zo is, weet men zelfs niet wat het geloof is en vandaar weet men nog minder wat de naastenliefde is; en waar deze dingen slechts alleen naar de woorden bekend zijn, maar naar het wezen onbekend, is het daardoor dat gezegd werd dat weinigen kunnen nadenken over de orde volgens welke de mens nieuw wordt of wederverwekt wordt en ook dat weinigen wederverwekt kunnen worden.   Omdat hier over het natuurlijke wordt gehandeld en dit door Jakob wordt uitgebeeld, wordt er niet gezegd dat hij ‘opstond’ en ging tot het land der zonen van het oosten, maar dat hij zijn voeten ophief; het ene en het andere betekent verheffing; dat opstaan dit betekent, zie de nrs. 2401, 2785, 2912, 2927, 3171. Dat hier wordt gezegd de voeten opheffen, gebeurt met betrekking tot het natuurlijke, want de voeten betekenen het natuurlijke, zie de nrs. 2162, 3147; dat de voeten het natuurlijke of de natuurlijke dingen betekenen, is vanuit de overeenstemming met de Grootste Mens, waarover nu aan het einde van de hoofdstukken is gehandeld, in wie, namelijk in de Grootste Mens, zij die tot de streek van de voeten behoren, diegenen zijn die in het natuurlijk licht zijn en weinig in het geestelijk licht; vandaar is het ook, dat de dingen die onderaan de voeten zijn, zoals de zool en de hiel, de laagste natuurlijke dingen betekenen, zie nr. 259; en vandaar de schoen, die ook soms in het Woord genoemd wordt, het lichamelijk natuurlijke, namelijk het laatste, nr. 1748.

 

3762. En hij ging tot het land der zonen van het oosten; dat dit betekent tot de ware dingen van de liefde, namelijk de verheffing daartoe, staat vast uit de betekenis van het land der zonen van het oosten; dat Aram of Syrië het land der zonen van het oosten werd genoemd, is duidelijk, omdat Jakob zich daarheen begaf, zie ook nr. 3249; dat door Syrië in het algemeen de erkentenissen van het goede worden aangeduid, werd in de nrs. 1232, 1234 aangetoond; maar in het bijzonder worden door Aram Naharaim of door het ‘Syrië der rivieren’ de erkentenissen van het ware aangeduid, nrs. 3051, 3664; hier wordt echter niet gezegd dat hij ging tot Aram of Syrië, maar tot het land van de zonen van het oosten, opdat datgene wordt aangeduid waarover in dit gehele hoofdstuk wordt gehandeld, namelijk de opklimming tot de ware dingen van de liefde; ware dingen van de liefde worden die ware dingen genoemd, die elders hemelse ware dingen zijn genoemd, want het zijn de erkentenissen ten aanzien van de naastenliefde jegens de naaste en ten aanzien van de liefde tot de Heer; in de hoogste zin, waarin over de Heer wordt gehandeld, zijn het de ware dingen van de Goddelijke liefde; die ware dingen, namelijk over de naastenliefde jegens de naaste en over de liefde tot de Heer, moeten worden geleerd voordat de mens kan worden wederverwekt en zij moeten ook erkend en geloofd worden; en voor zoveel zij worden erkend en geloofd en met het leven doordrenkt, voor zoveel wordt de mens ook wederverwekt en voor zoveel worden zij dan in het natuurlijke van de mens geplant, waarin zij zijn als in hun aardbodem; eerst worden zij daarin geplant door het onderricht van de ouders en de leermeesters, dan vanuit het Woord van de Heer, daarna vanuit eigen bespiegeling over die dingen; maar daardoor alleen worden zij slechts in het natuurlijke geheugen van de mens weggelegd en daar bij de erkentenissen ondergebracht, niettemin worden zij niet erkend, geloofd en wordt men er niet van doordrenkt, tenzij het leven dienovereenkomstig is, want dan komt de mens in de aandoening en voor zoveel als hij in de aandoening krachtens het leven komt, voor zoveel worden zij in zijn natuurlijke als in hun aardbodem geplant; voor zover deze waarheden niet op deze manier worden ingeplant, zijn zij weliswaar bij de mens, maar slechts in zijn geheugen, als iets wat men kent of als een of ander historisch gegeven, dat tot niets anders van nut is dan dat hij daarover kan spreken en daarmee naam maken en daardoor naam rijkdom en eer verkrijgen; maar dan zijn zij niet ingeplant. Dat door het land van de zonen van het oosten de ware dingen van de liefde worden aangeduid, dus de erkentenissen van het ware die tot het goede dienen, kan vaststaan uit de betekenis van de zonen, namelijk de ware dingen, waarover de nrs. 489, 491, 533, 1147, 2623; en uit de betekenis van het oosten, namelijk de liefde, waarover de nrs.101, 1250, 3249; hun land is de aardbodem waarin zij zijn. Dat de zonen van het oosten diegenen zijn die in de erkentenissen van het ware en het goede zijn en dus in de ware dingen van de liefde, kan ook elders uit het Woord vaststaan, zoals in het eerste Boek der Koningen: ‘De wijsheid van Salomo werd vermenigvuldigd meer dan  wijsheid van al de zonen van het oosten en meer dan alle wijsheid van de Egyptenaren’, (1 Koningen 4:30), waar door de wijsheid van de zonen van het oosten de innerlijke erkentenissen van het ware en het goede worden aangeduid, dus diegenen die daarin zijn; door de wijsheid van de Egyptenaren evenwel de wetenschap van deze zelfde erkentenissen en die wetenschap is in een lagere graad; dat door de Egyptenaren de wetenschappelijke dingen in het algemeen worden aangeduid, zie de nrs. 1164, 1165, 1462. Bij Jeremia: ‘Alzo zei Jehovah: Maakt u op, klimt op tegen Kedar, verwoest de zonen van het oosten; zij zullen hun tenten en hun kudden van kleinvee nemen, hun gordijnen en al hun vaten en hun kamelen’, (Jeremia 49:28); dat daar onder de zonen van het oosten diegenen worden verstaan die in de erkentenissen van het goede en ware zijn, staat daaruit vast dat zij hun tenten en kudden van kleinvee zullen nemen en verder de gordijnen en al hun vaten, en ook hun kamelen; want door de tenten worden de heilige dingen van het goede aangeduid, nrs. 414, 1102, 2145, 2152, 3312; door de kudden van kleinvee de goede dingen van de naastenliefde, nrs. 343, 2566; door de gordijnen de heilige ware dingen, nrs. 2576, 3478; door de vaten de ware dingen van het geloof en de wetenschappelijke dingen, nrs. 3068, 3079; door de kamelen de wetenschappelijke dingen in het algemeen, nrs. 3048, 3071, 3143, 3145; dus door de zonen van het oosten, degenen die daarin zijn, dat wil zeggen die in de erkentenissen van het goede en ware zijn. Dat de wijzen uit de oosterse streken, die tot Jezus kwamen toen Hij geboren werd, van diegenen waren die ‘zonen van het oosten’ werden genoemd, kan hieruit vaststaan dat zij in de erkentenis waren dat de Heer geboren zou worden en dat zij Zijn Komst wisten uit de ster die aan hen in het oosten verscheen, waarover het volgende bij Mattheüs: ‘Toen Jezus in Bethlehem van Judea geboren was, ziet, er kwamen wijzen uit de oosterse streken te Jeruzalem, zeggende: Waar is de geboren Koning der Joden, want wij hebben Zijn ster uit het oosten gezien en wij zijn gekomen om Hem te aanbidden’, (Mattheüs 2:1,2); dat bij de zonen van het oosten, die uit Syrië waren, een dergelijk profetische van oudsher heeft bestaan, blijkt uit de profetie van Bileam ten aanzien van de Komst van de Heer, bij Mozes: ‘Ik zie Hem en niet nu; Ik aanschouw Hem en niet nabij; een ster zal opgaan uit Jakob en een scepter zal opstaan uit Israël’, (Numeri 24:17); dat Bileam uit het land der zonen van het oosten of uit Syrië was, blijkt uit het volgende bij Mozes: ‘Bileam uitte zijn uitspraak en hij zei: ‘Uit Syrië heeft mij Balak toegeleid, uit de bergen van het oosten’, (Numeri 23:7); die wijzen die tot Jezus kwamen toen Hij geboren werd, worden magiërs genoemd, maar zo werden de wijzen toentertijd genoemd, als uit meerdere plaatsen blijkt, zoals in, (Genesis 41:8; Exodus 7:11; Daniël 2:27; 4:6,7; 1 Koningen 4:30); en hier en daar bij de profeten. Dat de zonen van het oosten in de tegenovergestelde zin de erkentenissen van het boze en valse betekenen, dus diegenen die daarin zijn, blijkt bij Jesaja: ‘De nijd van Efraïm zal wijken en de vijanden van Juda zullen uitgeroeid worden; zij zullen vliegen op de schouder der Filistijnen zeewaarts en zij zullen tezamen de zonen van het oosten beroven’, (Jesaja 11:13,14). Bij Ezechiël: ‘Tegen de zonen Ammons, ziet, Ik heb u overgeleverd aan de zonen van het oosten tot een erfenis en zij zullen hun ordeningen in u opstellen’, (Ezechiël 25:4,10). In het Boek Richteren: ‘Als Israël gezaaid had en Midian klom op en Amalek en de zonen van het oosten, en zij klommen op over hem’, (Richteren 6:3); Midian voor hen die in het valse zijn, omdat zij niet in het goede van het leven zijn, nr. 3242; Amalek voor hen die in de valse dingen zijn waarmee zij de ware dingen bestrijden, nr. 1679; de zonen van het oosten voor hen die in de erkentenissen van het valse zijn.

 

3763. vers 2,3. En hij zag, en ziet, een put in het veld, en ziet, daar drie kudden van kleinvee, daarnaast nederliggende, omdat zij uit de put de kudden drenkten; en een grote steen op de mond van de put.  En derwaarts werden al de kudden verzameld en zij wentelden de steen van boven de mond van de put en drenkten het kleinvee en legden de steen weer op de mond van de put tot zijn plaats. Hij zag, betekent de doorvatting; ziet, een put, betekent het Woord; in het veld, betekent voor de Kerken; en ziet daar drie kudden van kleinvee daarnaast nederliggende, betekent de heilige dingen van de Kerken en van de leerstellige dingen; omdat zij uit die put de kudden drenkten, betekent dat daaruit de wetenschap is; en een grote steen op de mond van de put, betekent dat het gesloten was; en derwaarts werden al de kudden verzameld, betekent dat alle Kerken en haar leerstellige dingen, daaruit zijn; en zij wentelden de steen van boven de mond van de put, betekent dat zij het ontsloten; en drenkten het kleinvee, betekent dat daaruit de Leer is; en legden de steen weer op de mond van de put tot zijn plaats, betekent dat het intussen gesloten was.

 

3764. Hij zag, dat dit de doorvatting betekent, staat vast uit de betekenis van zien, namelijk doorvatten, waarover in wat volgt van dit hoofdstuk bij vers 32, waar over Ruben wordt gehandeld, die naar het woord ‘zien’ genoemd werd.

 

3765. Ziet, een put; dat dit het Woord betekent, staat vast uit de betekenis van de put, namelijk het Woord en ook de Leer vanuit het Woord, nrs. 2702, 3096, 3424; het Woord wordt hier put genoemd, omdat over het natuurlijke wordt gehandeld, dat in zich beschouwd, het Woord slechts naar de letterlijke zin bevat; maar het Woord wordt bron genoemd, wanneer over het redelijke wordt gehandeld, waar vanuit het Woord in de innerlijke zin kan worden doorvat.

 

3766. In het veld; dat dit betekent voor de Kerken, staat vast uit de betekenis van het veld, namelijk de Kerk ten aanzien van het goede, nr. 2971; de Kerk wordt in het Woord aangeduid door land, door aardbodem en door veld, maar met een verschil: dat het veld de Kerk is, komt omdat zij zoals een veld de zaden van het goede en ware opneemt; want de Kerk heeft het Woord waaruit de zaden zijn; vandaar is het ook dat al wat in het veld is, ook dat betekent wat van de Kerk is, zoals het zaaisel, de oogst, het gewas dat op het veld staat, de tarwe, de gerst en de overige dingen en ook deze met een verschil in betekenis.

 

3767. En ziet, daar drie kudden van kleinvee daarnaast nederliggende; dat dit de heilige dingen van de Kerken en van de leerstellige dingen betekent, staat vast uit de betekenis van drie, te weten het heilige, waarover de nrs. 720, 901; uit de betekenis van de kudden van kleinvee, namelijk die dingen die van de Kerk zijn, dus de leerstellige dingen; in het bijzonder betekent het kleinvee degenen die binnen de Kerk zijn en de goede dingen die van de naastenliefde en de ware dingen die van het geloof zijn leren en zich daarvan doordrenken en dan betekent de herder degene die deze dingen onderwijst; in het algemeen echter betekent het kleinvee al diegenen die in het goede zijn, dus die tot de Kerk van de Heer in het gehele aardrijk behoren; en omdat al diegenen door de leerstellige dingen in het goede en ware worden binnengeleid, worden dus door het kleinvee ook de leerstellige dingen aangeduid; want die dingen die maken dat de mens zodanig zal zijn en de mens zelf die zodanig is, worden door hetzelfde woord in de innerlijke zin verstaan; want het subject, dat de mens is, wordt verstaan vanuit datgene waardoor hij mens is; vandaar is het, dat soms wordt gezegd dat namen dingen betekenen en ook diegenen bij wie die dingen zijn, zoals Tyrus en Zidon dat zij de erkentenissen van het goede en ware betekenen en ook degenen die in de erkentenissen zijn; en dat Egypte de wetenschap betekent en Aschur de redenering, maar dan worden diegenen verstaan die daarin zijn; evenzo in de overige dingen; maar de spraak in de hemel bij de engelen vindt plaats door dingen zonder de voorstelling van personen, dus door universele dingen; de oorzaak hiervan is dat zij zo ontelbare dingen samenvatten, maar vooral  vanwege hiervan, dat zij al het goede en ware aan de Heer toeschrijven en niets aan zichzelf; vandaar zijn de ideeën van hun spraak alleen maar tot de Heer bepaald; hieruit blijkt nu vanwaar het is dat gezegd wordt dat het kleinvee de Kerken betekent en ook de leerstellige dingen. Er wordt gezegd dat de kudden van kleinvee waren nederliggende naast de put, omdat de leerstellige dingen vanuit het Woord zijn; dat de put het Woord is, werd eerder in nr. 3765 gezegd.

 

3768. Omdat zij uit die put de kudden drenkten; dat dit betekent dat daaruit de wetenschap is, namelijk vanuit het Woord, staat vast uit de betekenis van de put, namelijk het Woord, waarover eerder in nr. 3765; uit de betekenis van drenken of doen drinken, te weten onderricht worden, waarover nr. 3069; en uit de betekenis van de kudden, namelijk de wetenschap van de leerstellige dingen, waarover eveneens hiervoor in nr. 3767; hieruit blijkt dat ‘uit de put drenkten zij de kudden’ wordt aangeduid dat vanuit het Woord de wetenschap van de leerstellige dingen van het goede en ware is. In deze dingen die over Jakob volgen, wordt in de hoogste zin gehandeld over de Heer, hoe Hijzelf Zijn Natuurlijke Goddelijk maakte en in dit hoofdstuk over de inwijding; daarom wordt hier over het Woord en over de leer daaruit gehandeld; want door de leer vanuit het Woord is er inwijding en wederverwekking; en omdat deze door de put en door de drie kudden van kleinvee worden aangeduid, worden daarom deze dingen historisch vermeld; en als zij die dingen niet betekenden, zouden zij van te weinig gewicht zijn om in het Goddelijk Woord vermeld te worden; wat zij behelzen, kan duidelijk zijn, namelijk dat alle wetenschap en leer van het goede en ware vanuit het Woord is. De natuurlijke mens kan weliswaar weten en ook doorvatten wat het goede en ware is, maar slechts het natuurlijk en burgerlijk goede en ware, maar het geestelijk goede en ware kan hij niet weten; dit zal vanuit openbaring en dus vanuit het Woord zijn; zo kan bijvoorbeeld de mens vanuit het redelijke dat iedereen heeft, weten dat men de naaste dient lief te hebben en dat men God moet vereren, maar hoe de naaste geliefd en hoe God vereerd moet worden, kan hij niet dan vanuit het Woord weten, dus wat het geestelijk goede en ware is; zoals dat het goede zelf, de naaste is, dus degenen die in het goede zijn en dit overeenkomstig het goede waarin zij zijn; en dat dus het goede de naaste is, omdat in het goede de Heer is en dat dus in de liefde van het goede de Heer wordt liefgehad. Evenzo kunnen zij die het Woord niet hebben, ook niet weten dat al het goede uit de Heer is en dat het bij de mens invloeit en de aandoening van het goede maakt en dat die aandoening de naastenliefde wordt genoemd; zij die het Woord niet hebben, kunnen ook niet weten wie de God van het heelal is; dat het de Heer is, is voor hen verborgen, terwijl toch het binnenste van de aandoening of van de naastenliefde en dus het binnenste van het goede Hemzelf zal beogen; hieruit blijkt, wat het geestelijk goede is, dat men nergens anders vandaan kan weten dan vanuit het Woord. Maar wat de natiën betreft, zij kunnen het, zolang zij in de wereld zijn, weliswaar niet weten, maar toch zijn zij, wanneer zij onder elkaar in wederzijdse naastenliefde leven, vandaar in het vermogen om in het andere leven in zulke dingen onderricht te kunnen worden; en dat zij ook gemakkelijk opnemen en daarvan doordrenkt worden, zie de nrs. 2589 tot 2604.

 

3769. En een grote steen op de mond van de put; dat dit betekent, dat het gesloten was, namelijk het Woord, kan zonder ontvouwing duidelijk zijn. Het Woord wordt gesloten genoemd, wanneer het alleen naar de zin van de letter wordt verstaan en al wat daar staat voor het leerstellige wordt aangenomen; en nog meer is het gesloten, wanneer die dingen voor leerstelligheden worden erkend die de begeerten van de liefde van zich en van de wereld begunstigen, want vooral deze wentelen een grote steen op de mond van de put, dat wil zeggen, sluiten het Woord; en evenzo als men dan niet weet, wil  men ook niet weten dat er een of andere innerlijke zin wordt ontvouwd; en ook vanuit de in de Kerk aanvaarde leerstellige dingen waarop men de gehele letterlijke zin van het Woord door verschillende uitleggingen betrekt. Wat het is, dat het Woord gesloten is, kan vooral uit de Joden blijken, die alle en de afzonderlijke dingen volgens de letter verklaren en vandaar geloven dat zij boven allen op de gehele aarde uitverkoren zijn en dat de Messias zal komen die hen in het land Kanaän zal leiden en hen boven alle natiën en volken van de aarde verheffen; want zij zijn in aardse en lichamelijke liefden, die zodanig zijn dat zij het Woord ten aanzien van de innerlijke dingen geheel en al uitsluiten; daarom weten zij ook nog niet of er enig hemels rijk is en of zij na de dood zullen leven, wat de innerlijke mens is, zelfs niet eens dat er iets geestelijks bestaat, te minder dat de Messias is gekomen om de zielen te zaligen; dat het Woord voor hen gesloten is, kan voldoende hieruit blijken dat zij, hoewel zij tussen de christenen leven, toch hoegenaamd niets van hun leerstellige dingen opnemen, overeenkomstig deze woorden bij Jesaja: ‘Zeg tot dit volk: Hoort horende en verstaat niet en ziet ziende en kent niet; maak het hart van dit volk vet en maak zijn oren zwaar en bestrijk zijn ogen; en ik zei: Hoe lang Heer; en Hij zei: Totdat de steden verwoest zijn, totdat er geen bewoner zal zijn en de huizen, dat er geen mens zal zijn en de aardbodem verwoest zal zijn tot verlating’, (Jesaja 6:9-11; Mattheüs 13:14,15; Johannes 12:40,41). Want voor zoveel als de mens in de liefde van zich en van de wereld is en in de begeerten ervan, zoveel wordt het Woord voor hem gesloten; want die liefden hebben hem ten doel en dit doel steekt het natuurlijk schijnsel aan en dooft het hemels licht uit, zodat zij scherp de dingen zien die van zich en van de wereld zijn, maar niet in het minst de dingen die van de Heer en van Zijn rijk zijn; en wanneer dit zo is, kunnen zij weliswaar het Woord lezen, maar vanuit het doel om eer en schatten te bemachtigen of vanuit het doel om gezien te worden, of vanuit een liefde en de daaruit aangenomen gewoonte of vanuit een vroomheid, maar toch niet vanuit het doel om het leven te verbeteren; voor hen is het Woord op verschillende wijze gesloten, voor sommigen zozeer, dat zij geenszins iets anders willen weten dan wat hun leerstellige dingen voorschrijven, hoe die ook mogen zijn; indien men bijvoorbeeld zou zeggen dat aan Petrus niet de macht is gegeven om de hemel te openen en die te sluiten, maar dat zij aan het geloof van de liefde gegeven is, dat door de sleutels van Petrus wordt aangeduid, dan erkennen zij dat op geen enkele wijze, omdat de liefde van zich en van de wereld in de weg staat; en indien iemand zou zeggen dat de heiligen niet vereerd moeten worden, maar enig en alleen de Heer, nemen zij ook dit niet op; indien iemand zou zeggen dat onder het brood en de wijn in het Heilig Avondmaal de Liefde van de Heer jegens het gehele menselijke geslacht en de wederkerige liefde van de mens tot de Heer wordt verstaan, geloven zij dit evenmin; en indien iemand zou zeggen dat het geloof niets doet, tenzij er het goede van het geloof, dat wil zeggen, de naastenliefde is, leggen zij dit andersom uit; evenzo in overige dingen. Zij die zodanig zijn, kunnen van het ware dat in het Woord is, hoegenaamd niets zien, maar blijven hardnekkig in hun dogma; en zij willen zelfs niet eens horen dat er een innerlijke zin is waarin de heiligheid en heerlijkheid van het Woord is; ja zelfs, wanneer zij horen dat er een is, walgen zij van afkeer bij het horen alleen al daarvan, zozeer is het Woord gesloten; terwijl toch het Woord zodanig is, dat het tot in de hemel en door de hemel tot de Heer open is en alleen gesloten is ten opzichte van de mens voor zoveel hij in de boze dingen van de liefde van zich en van de wereld is, met betrekking tot de doelen van het leven en in de beginselen van het valse daaruit. Hieruit kan vaststaan, wat het is, dat een grote steen op de mond van de put was.