Hemelse Verborgenheden – Genesis hoofdstuk 29

 .………………………………………………….……………………………………………………

 

 Digitale uitgave Swedenborg Boekhuis 2015 – www.swedenborg.nl HV pag. 1532

 

 3770. En derwaarts werden al de kudden verzameld; dat dit betekent, dat alle Kerken en haar leerstellige dingen daaruit zijn, blijkt uit de betekenis van de kudden, namelijk de Kerken en ook de leerstellige dingen die van de Kerken zijn, waarover de nrs. 3767, 3768; en dat deze vanuit het Woord zijn, wordt aangeduid door derwaarts verzameld worden.

 

3771. En zij wentelden de steen van boven de mond van de put; dat dit betekent, dat zij het ontsloten, blijkt uit wat eerder in nr. 3769 is gezegd over de betekenis van de grote steen op de mond van de put, namelijk dat het Woord gesloten was; hieruit blijkt dat ‘zij wentelden de steen van boven de mond van de put’ wil zeggen dat zij het ontsloten.

 

3772. En drenkten het kleinvee; dat dit betekent dat daaruit de leer is, blijkt uit de betekenis van drenken of doen drinken, namelijk onderrichten, waarover de nrs. 3069, 3768; en uit de betekenis van het kleinvee, namelijk degenen die in de goede en ware dingen van het geloof zijn, waarover de nrs. 343, 3767, zo is dus drenken, onderrichten vanuit het Woord, en dus de Leer.

 

3773. En legden de steen weer op de mond van de put tot zijn plaats; dat dit betekent dat het intussen gesloten was, staat vast uit wat over de steen op de mond van de put, is gezegd, nrs. 3769, 3771. Hiermee, namelijk dat het Woord voor de Kerken ontsloten is, en daarna dat het gesloten is, is het als volgt gesteld; in het begin wanneer een Kerk wordt ingesteld, is het Woord eerst voor hen gesloten, maar daarna wordt het, terwijl de Heer daarin dus zo de voorziening treft, ontsloten en daaruit leren zij dat de gehele leer wordt gegrondvest op deze twee geboden: dat men de Heer boven alles moet liefhebben en de naaste zoals zichzelf; wanneer men deze twee geboden als einddoel heeft, dan is het Woord ontsloten, want de gehele Wet en alle Profeten, dat wil zeggen, het gehele Woord, hangen dermate daarvan af, dat alle dingen daaruit zijn, en wel zó, dat alle dingen daarop betrekking hebben; en omdat zij dan in de beginselen van het ware en goede zijn, worden zij verlicht in de afzonderlijke dingen die zij in het Woord zien, want de Heer is dan door de engelen bij hen en leert hen, hoewel zij het niet weten en leidt hen ook in het leven van het ware en goede; dit kan ook duidelijk zijn uit alle Kerken, dat zij zodanig zijn geweest in haar kindsheid en dat zij de Heer hebben vereerd vanuit de liefde en de naaste van harte hebben liefgehad; maar in de loop van de tijd verwijderden de Kerken zich van deze twee geboden en bogen van het goede van de liefde en van de naastenliefde af tot die dingen die van het geloof worden genoemd, dus van het leven tot de leer en voor zoveel als dit gebeurt, voor zoveel wordt het Woord gesloten; dit is het wat door deze woorden in de innerlijke zin wordt aangeduid ‘Ziet, een put in het veld, en ziet, daar drie kudden van kleinvee daarnaast nederliggende, omdat zij vanuit die put de kudden drenkten en een grote steen op de mond van de put. En derwaarts werden al de kudden verzameld en zij wentelden de steen van boven de mond van de put en drenkten het kleinvee en legden de steen weer op de mond van de put tot zijn plaats’.

 

3774. vers 4-6. En Jakob zei tot hen: Mijn broeders, vanwaar zijt gij; en zij zeiden: Van Haran zijn wij. En hij zei tot hen: Kent gij Laban, de zoon van Nahor; en zij zeiden: Wij kennen. En hij zei tot hen: Heeft hij vrede; en zij zeiden: Vrede; en ziet, Rachel, zijn dochter, komt met het kleinvee.

Jakob zei tot hen, betekent het ware van het goede; mijn broeders, vanwaar zijt gij, betekent de naastenliefde, van welke oorsprong is zij daar; en zij zeiden: Van Haran zijn wij, betekent vanuit het goede van gemeenschappelijke stam; en hij zei tot hen: Kent gij Laban, de zoon van Nahor, betekent, of zij het goede van deze stam hebben; en zij zeiden: Wij kennen, betekent het bevestigende; en hij zei tot hen: Heeft hij vrede, betekent, is het niet vanuit het rijk van de Heer; en zij zeiden: Vrede, betekent het bevestigende; en ziet, Rachel zijn dochter, betekent de aandoening van het innerlijk ware; komt met het kleinvee, betekent de innerlijke leerstellige dingen.

 

3775. Jakob zei tot hen; dat dit het ware van het goede betekent, staat vast uit de uitbeelding van Jakob, namelijk het Goddelijk Natuurlijke van de Heer, waarover eerder; omdat alle en de afzonderlijke dingen, waar dan ook, op het goede en ware betrekking hebben, nrs. 3166, 3513, 3519, hebben de dingen die in het natuurlijke zijn dat dus ook en omdat het goede en ware in het natuurlijke, wanneer de mens wordt wederverwekt, in het begin in een andere staat is dan in de voortgang en aan het einde, wordt dus door Jakob het natuurlijke uitgebeeld ten aanzien van het ware en goede overeenkomstig de staat, hier ten aanzien van het ware van het goede; maar die verschillende dingen waar zij zich ook bevinden, afzonderlijk uiteenzetten, zou gelijk staan met die dingen in het duister brengen, vooral bij hen die geen duidelijke voorstelling over het ware en het goede hebben en nog minder over het ware waardoor het goede is en over het ware dat vanuit het goede is.

 

3776. Mijn broeders, vanwaar zijt gij; dat dit de naastenliefde betekent, van welke oorsprong zij daar is, staat vast uit de betekenis van de broeders, namelijk zij die in het goede zijn en vandaar het goede zelf zijn, dus de naastenliefde, nrs. 367, 2360, 3303, 3459; en uit de betekenis van ‘vanwaar zijt gij’, namelijk van welke oorsprong.

Hieruit blijkt ook dat de dingen die in de zin van de letter dingen van een vraag zijn en datgene wat tot personen bepaald is, in de innerlijke zin in een idee vallen, dat niet tot iemand bepaald is; want de historische dingen van de letter vallen weg in de hemel bij de engelen, wanneer die de mens verlaten en de hemel binnengaan; hieruit kan blijken hoe het gesteld is met de vraag van Jakob tot de mannen van Haran: ‘Mijn broeders, vanwaar zijt gij’, namelijk dat het betekent, van welke oorsprong is de naastenliefde daar.

Hiermee is het als volgt gesteld: de naastenliefde die in de uiterlijke vorm als naastenliefde verschijnt, is niet altijd de naastenliefde in de innerlijke vorm; aan het einddoel wordt onderkend van welke aard zij is en vanwaar zij is; een naastenliefde die ontstaat vanuit een einddoel ter wille van zich of ter wille van de wereld, is niet de naastenliefde in de innerlijke vorm, ja, zij mag zelfs ook geen naastenliefde worden genoemd; maar de naastenliefde die ontstaat vanuit het einddoel ter wille van de naaste, ter wille van het algemeen welzijn, ter wille van de hemel en dus zo ter wille van de Heer, is de naastenliefde zelf en heeft in zich de aandoening om van harte wel te doen en vandaar het verkwikkelijke van het leven en dit wordt in het andere leven het gezegende.

Het is van het grootste belang om dit te weten, opdat de mens zal weten wat het rijk van de Heer in zich is.

Over het onderzoek naar deze naastenliefde, of wat hetzelfde is, naar dit goede, wordt in deze verzen nu gehandeld; en hier wordt eerst gevraagd van welke oorsprong de naastenliefde daar is, wat wordt aangeduid door ‘mijn broeders, vanwaar zijt gij’.

 

3777. En zij zeiden: Van Haran zijn wij; dat dit betekent, vanuit het goede van gemeenschappelijke stam, blijkt uit de betekenis van Haran, namelijk het zijdelings verwante goede van gemeenschappelijke stam, waarover nr. 3612.

 

3778. En hij zei tot hen: Kent gij Laban, de zoon van Nahor; dat dit betekent of zij het goede van deze stam hebben, staat vast uit de uitbeelding van Laban, namelijk het zijdelings verwante goede van gemeenschappelijke stam, zie de nrs. 3612, 3665; en uit de uitbeelding  

 

van Nahor, namelijk die gemeenschappelijke stam, waaruit het goede is dat Laban uitbeeldt; dat kennen in de innerlijke zin is, daaruit zijn, blijkt uit het verband.

Hoe het gesteld is met de uitbeelding van het zijdelings verwante goede door Nahor, Bethuël en Laban, moet in het kort worden gezegd; Therach, die de vader van drie zonen was, namelijk van Abraham, Nahor en Haran, (Genesis 11:27) beeldt de gemeenschappelijke stam uit waaruit de Kerken zijn; Therach zelf was weliswaar een afgodendienaar, maar de uitbeeldende dingen betreffen niet de persoon, maar de zaak, zie nr. 1361; en omdat de uitbeeldende Joodse Kerk met Abraham inzette en bij zijn nakomelingen uit Jakob werd ingesteld, trekt Therach en zijn drie zonen de uitbeelding van de Kerken aan; Abram trekt de uitbeelding van de echte Kerk aan, hoedanig zij is bij degenen die het Woord hebben; maar Nahor, zijn broeder, trekt de uitbeelding van de Kerk aan hoedanig die is bij de natiën die het Woord niet hebben; dat de Kerk van de Heer over het gehele aardrijk is verspreid en dat zij ook is onder de natiën die in naastenliefde leven, blijkt uit wat hier en daar over de natiën werd getoond; vandaar nu is het dat door Nahor, zijn zoon Bethuël en diens zoon Laban het zijdelings verwante goede van gemeenschappelijke stam wordt uitgebeeld, dat wil zeggen het goede waarin degenen zijn die van de Kerk van de Heer bij de natiën zijn; dit goede verschilt hierin van het goede van de gemeenschappelijke stam in rechte lijn, dat het geen echte ware dingen zijn die met hun goede worden verbonden, maar dat het merendeels uiterlijke schijnbaarheden zijn, die zinsbegoochelingen worden genoemd, want zij hebben het Woord niet waaruit zij verlicht kunnen worden; weliswaar is het goede in zijn wezen enig, maar het neemt het hoedanige aan van de ware dingen die daarin geplant worden; daarvandaan komen de verschillen; de ware dingen die aan de natiën als waar verschijnen, zijn in het algemeen dat zij de een of andere god vereren, van wie zij hun goede vragen en aan wie zij dat toeschrijven; en zolang als zij in de wereld leven, weten zij niet dat die God de Heer is; en eveneens dat zij hun God onder beelden, die zij heilig houden, aanbidden en nog tal van andere dingen meer; toch verhinderen deze dingen niet, dat zij evengoed als de christenen gezaligd kunnen worden, als zij maar in de liefde tot hun God en in de liefde jegens de naaste leven; want zo zijn zij in het vermogen om in het andere leven de innerlijke dingen op te nemen, zie de nrs. 932, 1032, 1059, 2049, 2051, 2284, 2589 tot 2604, 2861, 2863, 3263.

Hieruit blijkt wat er onder het zijdelings verwante goede van gemeenschappelijke stam wordt verstaan; dat door Nahor diegenen buiten de Kerk worden uitgebeeld, die in broederschap vanuit het goede zijn, zie de nrs. 2863, 2864, 2868; dat door Bethuël het goede van de natiën van de eerste klasse wordt uitgebeeld, nrs. 2865, 3665; en door Laban de aandoening van het uiterlijk of lichamelijk goede en eigenlijk het zijdelings verwante goede van gemeenschappelijke stam, nrs. 3612, 3665.

Met dit goede is het zo gesteld, dat het de mens allereerst als middel van dienst is om zich het geestelijk goede te verwerven, want het is lichamelijk uiterlijk en vanuit uiterlijke schijnbaarheden, die in zich schijnbaarheden zijn; in de knapenjaren erkent de mens niets anders voor waar en goed en hoewel het hem geleerd wordt wat het innerlijke goede en ware is, heeft hij er toch geen andere dan een lichamelijke voorstelling van; en omdat de eerste voorstelling zodanig is, is daarom een zodanig goede en ware het eerste middel waardoor de innerlijke ware en goede dingen worden binnengeleid; het is deze verborgenheid die hier door Jakob en Laban wordt uitgebeeld.

 

3779. En zij zeiden: Wij kennen; dat dit het bevestigende betekent, kan zonder ontvouwing duidelijk zijn.

 

3780. En hij zei tot hen: Heeft hij vrede; dat dit betekent, is het niet vanuit het rijk van de Heer, namelijk het goede, blijkt uit de betekenis van de vrede, waarover hierna; in de historische zin wordt ten aanzien van Laban gevraagd of hij vrede heeft, maar in de innerlijke zin ten aanzien van het goede dat door Laban wordt uitgebeeld; dat Laban het zijdelings   

 

verwante goede van gemeenschappelijke stam is, dat wil zeggen, hoedanig het bij de natiën is die in de gemeenschappelijke Kerk, dat wil zeggen, in het rijk van de Heer zijn, zie eerder in nr. 3778; hieruit blijkt wat door die woorden ‘is het niet vanuit het rijk van de Heer’ wordt aangeduid.

Wat de vrede betreft, die betekent in de hoogste zin de Heer Zelf, en vandaar in de innerlijke zin Zijn Rijk; en de vrede is het Goddelijke van de Heer dat het meest van binnen het goede aandoet waarin degenen zijn die daar zijn; dat dit door de vrede in het Woord wordt aangeduid, kan uit tal van plaatsen vaststaan, zoals bij Jesaja: ‘Een Knaap is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, op wiens schouder de heerschappij, en Zijn Naam zal genoemd worden: Wonderlijk, Raad, God, Held, Vader der eeuwigheid, Vorst des vredes: van het vermenigvuldigende van de heerschappij en van de vrede zal geen einde zijn op de troon van David en op Zijn rijk’, (Jesaja 9:5,6); waar Vorst des vredes duidelijk voor de Heer en vermenigvuldigende de heerschappij en de vrede, voor diegenen die in Zijn rijk zijn, dus voor het rijk zelf.

Bij dezelfde: ‘Het werk der gerechtigheid zal vrede zijn en de arbeid der gerechtigheid rust en zekerheid tot in het eeuwige; en Mijn volk zal in een habitakel des vredes wonen’, (Jesaja 32:17,18) daar wordt over het rijk van de Heer gesproken, waar vrede, rust en zekerheid op elkaar volgen; het habitakel des vredes voor de hemel.

Bij dezelfde: ‘De engelen des vredes wenen bitterlijk; de paden zijn verwoest, die over de weg gaat, heeft opgehouden’, (Jesaja 33:7,8); engelen des vredes voor hen die in het rijk van de Heer zijn, dus voor het rijk zelf en in de hoogste zin voor de Heer; de paden zijn verwoest en die over de weg gaat, heeft opgehouden, betekent dat nergens meer het ware is; dat paden en wegen de ware dingen zijn, zie de nrs. 627, 2333.

Bij dezelfde: ‘Hoe verkwikkelijk zijn op de bergen de voeten van degenen die het goede boodschapt, die de vrede doet horen, zeggende tot Zion, Uw God regeert’, (Jesaja 52:7);

die het goede boodschapt en de vrede doet horen, voor het rijk van de Heer.

Bij dezelfde: ‘De bergen zullen wijken en de heuvelen zullen heen bewogen worden, maar Mijn Barmhartigheid zal van met u niet wijken en het verbond van Mijn vrede zal niet heen bewogen worden’, (Jesaja 54:10).

Bij dezelfde: ‘De weg des vredes hebben zij niet gekend en er is ook geen gericht in hun gangen’, (Jesaja 59:8).

Bij Jeremia: ‘Ik zal Mijn vrede wegrapen van met dit volk, gezegde van Jehovah, de erbarming en de barmhartigheid’, (Jeremia 16:5).

Bij dezelfde: ‘De schaapskooien des vredes zijn verwoest, vanwege de gloed van Jehovah’, (Jeremia 25:37).

Bij dezelfde: ‘De profeet die profeteert van vrede, wanneer het woord van de profeet komt, zal als profeet gekend worden, dat Jehovah hem gezonden heeft’, (Jeremia 28:9).

Bij dezelfde: ‘Ik ken de gedachten welke Ik over u denk, gezegde van Jehovah, gedachten des vredes’, (Jeremia 29:11).

Bij Haggaï: ‘De heerlijkheid van dit latere huis zal groter zijn dan van het vorige, want in deze plaats zal Ik vrede geven’, (Haggaï 2:10).

Bij Zacharia: ‘Zij zullen een zaad des vredes zijn, de wijnstok zal zijn vrucht geven en de aarde zal haar inkomen geven en de hemelen zullen hun dauw geven’, (Zacharia 8:12).

Bij David: ‘Bewaar de ongereptheid en zie het rechte, omdat het laatste voor de man is vrede’, (Psalm 37:37).

Bij Lukas: ‘Jezus tot de discipelen: In wat huis gij zult ingaan, zegt eerst ‘vrede zij dezen huize’; en indien aldaar een zoon des vredes mocht geweest zijn, zo zal uw vrede op hem rusten; maar indien niet, zo zal hij op u wederkeren’, (Lukas 10:5,6).

Bij Johannes: ‘Vrede laat Ik u, Mijn vrede geef Ik u; niet gelijk de wereld geeft, geef Ik u’, (Johannes 14:27).  

 

Bij dezelfde: ‘Jezus zei: Deze dingen heb Ik tot u gesproken, opdat gij in Mij vrede hebt’, (Johannes 16:33).

In al deze plaatsen betekent de vrede in de hoogste zin de Heer; in de uitbeeldende zin Zijn rijk en het goede uit de Heer daar, dus het Goddelijke dat invloeit in het goede of in de aandoeningen van het goede, dat ook vanuit het binnenste de vreugden en de gelukzaligheden maakt; hieruit blijkt wat er verstaan wordt onder deze woorden van de zegen:

‘Jehovah zal Zijn aangezichten tot u verheffen en zal u vrede geven’, (Numeri 6:26);

en wat onder de van oudsher gebruikelijke begroeting: ‘Vrede zij ulieden’; en onder dezelfde, door de Heer tot de apostelen gezegd, (Johannes 20:19,21,26); zie ook de nrs. 92, 93, 1726, 2780, 3170, 3696.

 

3781. En zij zeiden: Vrede; dat dit het bevestigende betekent, kan zonder verklaring duidelijk zijn, want het is een beamend antwoord.

 

3782. En ziet, Rachel, zijn dochter; dat dit de aandoening van het innerlijk ware betekent, staat vast uit de uitbeelding van Rachel, namelijk de aandoening van het innerlijk ware; en van Lea, namelijk de aandoening van het uiterlijk ware, waarover hierna.

 

3783. Komt met het kleinvee; dat dit de innerlijke leerstellige dingen betekent, staat vast uit de betekenis van het kleinvee, namelijk de Kerk en ook de leerstellige dingen, waarover de nrs. 3767, 3768, 3772; hier de innerlijke leerstellige dingen, omdat het van Rachel wordt gezegd, dat zij kwam met het kleinvee.

 

3784. vers 7,8. En hij zei: Ziet, nog is de dag groot, het is niet tijd het vee te verzamelen; drenkt het kleinvee en gaat, weidt.

En zij zeiden: Wij kunnen niet totdat al de kudden verzameld worden en zij de steen van boven de mond van de put afwentelen en wij zullen het kleinvee drenken.

Hij zei: Ziet, nog is de dag groot, betekent dat nu de staat voortschrijdend is; het is niet tijd het vee te verzamelen, betekent dat de goede en ware dingen van de Kerken en van de leerstellige dingen nog niet bijeen zijn; drenkt het kleinvee, en gaat en weidt, betekent, toch onderricht daaruit voor weinigen; en zij zeiden: Wij kunnen niet totdat al de kudden verzameld worden, betekent, dat zij tezamen moeten zijn; en zij de steen van boven de mond van de put afwentelen, betekent, dat zo dus de dingen die van het Woord zijn worden onthuld; en wij zullen het kleinvee drenken, betekent, dat zij dan worden onderricht.

 

3785. Hij zei: Ziet, nog is de dag groot; dat dit betekent, dat nu de staat voortschrijdend is, staat vast uit de betekenis van de dag, namelijk de staat, nrs. 23, 487, 488, 493, 2788, 3462; dat ‘ziet, nog groot’ het voortschrijdende is, blijkt uit het verband.

 

3786. Het is niet tijd het vee te verzamelen; dat dit betekent dat de goede en ware dingen van de Kerken en van de leerstellige dingen nog niet bijeen zijn, staat vast uit de betekenis van de tijd, namelijk de staat in het algemeen, waarover de nrs. 2625, 2788, 2837, 3254, 3356; uit de betekenis van verzameld worden, namelijk bijeen zijn; en uit de betekenis van het vee, namelijk in het algemeen de goede en ware dingen van de Kerken en van de leerstellige dingen; dat het vee in het algemeen die dingen betekent, is omdat de dieren de rituele dingen van de uitbeeldende Kerk en in het Woord, de aandoeningen van het goede of van het ware zijn, zoals kan vaststaan in de nrs. 45, 46, 142, 143, 246, 714, 715, 2679, 2979, 3203, 3502, 3508, 3510, 3665, 3699, 3701 is getoond.

Evenzo is het in het algemeen met de Kerk gesteld wanneer deze wordt ingesteld; eerst zullen de leerstellige dingen van het goede en ware bijeen zijn, want deze zijn het waarop de Kerk gebouwd wordt; de leerstellige dingen hebben ook onder elkaar een verband en hebben  

 

wederzijds betrekking op elkaar; indien zij dan ook niet tevoren bijeen zijn, dan zal er een onvolledigheid zijn en moeten de dingen die ontbreken door het redelijke van de mens worden aangevuld; en hoe blind en vol hersenschimmen dit redelijke in de geestelijke en de Goddelijke dingen is wanneer het vanuit zich gevolgtrekkingen maakt, werd eerder hier en daar getoond; daarom is aan de Kerk het Woord gegeven waarin alle leerstellige dingen van het goede en ware zijn; hierin is het met de Kerk in het algemeen gesteld zoals in het bijzonder met de mens die wordt wederverwekt, want deze is een Kerk in het bijzonder; dat bij de mens tevoren de leerstellige dingen van het goede en ware, die van de Kerk zijn, tezamen moeten zijn alvorens hij wordt wederverwekt, werd eerder gezegd; dit is het wat in de innerlijke zin wordt aangeduid door ‘Ziet nog is de dag groot, het is niet tijd het vee te verzamelen’.

 

3787. Drenkt het kleinvee, en gaat, weidt; dat dit betekent, toch onderricht daaruit voor weinigen, staat vast uit de betekenis van het kleinvee drenken, namelijk vanuit het Woord onderrichten, waarover nr. 3772; en uit de betekenis van ‘gaat, weidt’ namelijk daaruit het leven en de leer; dat gaan het leven is, zie de nrs. 3335, 3690; en dat weiden de leer is, nr. 343 en in wat volgt; de verborgenheid die daarin schuilt, is deze, dat het er weinigen zijn die het helemaal tot een volle staat brengen, waarover nr. 2636 en die dus kunnen worden wederverwekt.

 

3788. En zij zeiden: Wij kunnen niet, totdat al de kudden verzameld worden; dat dit betekent, dat zij tezamen moeten zijn, staat vast uit de betekenis van verzameld worden, namelijk bijeen of tezamen zijn, nr. 3786; en uit de betekenis van de kudden, namelijk de leerstellige dingen, waarover de nrs. 3767, 3768; wat deze woorden behelzen, kan vaststaan uit wat eerder in de nrs. 3786, 3787 werd gezegd.

 

3789. En zij de steen van boven de mond van de put afwentelen; dat dit betekent, dat zo de dingen die van het Woord zijn worden onthuld, staat vast uit de betekenis van de steen afwentelen, namelijk onthuld worden, waarover de nrs. 3769, 3771, 3773; en uit de betekenis van de put, namelijk het Woord, waarover de nrs. 3424, 3765.

 

3790. En wij zullen het kleinvee drenken; dat dit betekent, dat zij dan worden onderricht, staat vast uit de betekenis van het kleinvee drenken, namelijk onderrichten, waarover de nrs. 3772, 3787; dit blijkt ook uit wat voorafgaat.

 

3791. vers 9-11. Nog was hij sprekende met hen en Rachel kwam met het kleinvee hetwelk haar vader had, omdat zij een herderin was.

En het geschiedde, als Jakob Rachel zag, de dochter van Laban, zijn moeders broeder, en het kleinvee van Laban, zijn moeders broeder, en Jakob trad toe en wentelde de steen van boven de mond van de put en drenkte het kleinvee van Laban, zijn moeders broeder.

En Jakob kuste Rachel en hij hief zijn stem op en weende.

Nog was hij sprekende met hen, betekent het denken toen; en Rachel kwam met het kleinvee, betekent de aandoening van het innerlijk ware, dat van de Kerk en van de leer is; hetwelk haar vader had, betekent vanuit het goede ten aanzien van de oorsprong; omdat zij een herderin was, betekent dat de aandoening van het innerlijk ware dat in het Woord is, leert; en het geschiedde als Jakob Rachel zag, de dochter van Laban, zijn moeders broeder, betekent de erkenning van de aandoening van dat ware, van welke oorsprong zij was; en het kleinvee van Laban, zijn moeders broeder, betekent de Kerk en de leer daaruit; en Jakob trad toe en wentelde de steen van boven de mond van de put, betekent dat de Heer vanuit het natuurlijk goede het Woord onthulde ten aanzien van de innerlijke dingen; en hij drenkte het kleinvee van Laban, zijn moeders broeder, betekent het onderricht; en Jakob kuste Rachel, betekent de liefde jegens de innerlijke ware dingen; en hij hief zijn stem op en weende, betekent de gloed van de liefde.

 

3792. Nog was hij sprekende met hen; dat dit het denken toen betekent, staat vast uit de betekenis van spreken in de historische gedeelten van het Woord, namelijk denken, nrs. 2271, 2287, 2619; dat het toen was, is duidelijk, omdat het op dezelfde tijd was dat hij met hen sprak, of wat hetzelfde is, ‘nog was hij sprekende met hen’, en Rachel aankwam.

 

3793. En Rachel kwam met het kleinvee; dat dit de aandoening van het innerlijk ware, dat van de Kerk en van de leer is, betekent, staat vast uit de uitbeelding van Rachel, namelijk de aandoening van het natuurlijk ware; en uit de betekenis van het kleinvee, namelijk de Kerk en ook de leer, nrs. 3767, 3768, 3783.

Opdat men zal weten hoe het gesteld is met de uitbeelding van Rachel, namelijk de aandoening van het innerlijk ware en met Lea, namelijk de aandoening van het uiterlijk ware, moet het in het kort worden gezegd: het natuurlijke dat door Jakob wordt uitgebeeld, bestaat uit het goede en het ware; en hierin, namelijk in het natuurlijke, moet evenals in alle en de afzonderlijke dingen in de mens, ja zelfs in de gehele natuur, een huwelijk zijn van het goede en het ware; zonder het huwelijk van het goede en het ware wordt er niets voortgebracht; alle voortbrenging en uitwerking is daaruit; in het natuurlijke bij de mens is, wanneer hij geboren wordt, het huwelijk van het goede en ware niet, omdat alleen de mens niet in de Goddelijke orde wordt geboren; er is weliswaar het goede van de onschuld en van de naastenliefde, dat in de eerste kindsheid uit de Heer invloeit, maar er is niet enig ware, waarmee dat goede gepaard kan worden; bij de voortgang in leeftijd wordt dit goede, dat hem in de kindsheid uit de Heer werd ingeboezemd, naar de innerlijke dingen toegetrokken en daar door de Heer gehouden, opdat daarmee de staten van het leven die hij daarna aantrekt, getemperd worden; vandaar is het, dat de mens zonder het goede van de kindsheid en eerste knapenjaren erger en wilder zou zijn dan welk wild dier dan ook; wanneer dat goede van de kindsheid wordt ingetrokken, volgt in het natuurlijke van de mens het boze op en treedt binnen, waarmee zich het valse samenkoppelt en er vindt een verbinding en als het ware een huwelijk van het boze en het valse bij hem plaats en opdat de mens gezaligd zal worden, moet hij wederverwekt worden en het boze in hem verwijderd worden en het goede uit de Heer ingeboezemd worden; en overeenkomstig het goede dat hij opneemt, wordt hem het ware ingeboezemd, opdat er een samenkoppeling of als het ware een huwelijk van het goede en het ware zal plaatsvinden.

Dit is het wat door Jakob en door zijn twee echtgenoten, namelijk Rachel en Lea, wordt uitgebeeld; Jakob trekt daarom nu de uitbeelding van het natuurlijke goede aan en Rachel de uitbeelding van het ware; maar omdat alle verbinding van het ware met het goede door aandoening plaatsvindt, is het de aandoening van het ware dat met het goede moet worden samengekoppeld, en dit beeldt Rachel uit; bovendien bestaat er in het natuurlijke, evenals in het redelijke, een innerlijke en een uiterlijke; Rachel beeldt de aandoening van het innerlijk ware uit en Lea de aandoening van het uiterlijk ware.

Laban die haar vader is beeldt het goede van gemeenschappelijke stam uit, maar zoals gezegd, het zijdelings verwante en dit goede is datgene dat in de zijlijn overeenstemt met het ware van het redelijke, namelijk Rebekka, nrs. 3012, 3013, 3077; vandaar beelden de dochters vanuit dat goede de aandoeningen in het natuurlijke uit, want deze zijn als dochters uit dat goede als uit een vader; en omdat die aandoeningen met het natuurlijk goede moeten worden samengekoppeld, beelden zij dus de aandoeningen van het ware uit: de ene aandoening van het innerlijk ware, de andere de aandoening van het uiterlijk ware.

Met de wederverwekking van de mens ten aanzien van zijn natuurlijke is het net zo gesteld als met Jakob en met beide dochters van Laban, Rachel en Lea; degene die hier dus het Woord overeenkomstig de innerlijke zin kan zien en vatten, ziet deze verborgenheid voor hem onthuld; maar geen ander kan dit zien dan alleen hij die in het goede en ware is; de anderen kunnen, hoezeer zij ook doorvatting van dingen mogen hebben in wat tot het zedelijk en burgerlijk leven behoort en als verstandige mensen verschijnen, niets van dien aard tot aan de erkenning toe zien; want zij weten niet wat het goede en het ware is, want het boze houden zij voor het goede en het valse voor het ware; zodra dan ook het goede wordt genoemd, doet zich de idee van het boze voor en wanneer het ware wordt genoemd, de idee van het valse; vandaar is het, dat zij niets van inzicht hebben in deze dingen die in de innerlijke zin zijn bevat, maar bij het eerste horen ervan, komen duisternissen opzetten die het licht uitdoven.

 

3794. Hetwelk haar vader had; dat dit betekent, vanuit het goede ten aanzien van de oorsprong, staat vast uit de uitbeelding van Laban die hier de vader is, namelijk het zijdelings verwante van gemeenschappelijke stam, nrs. 3612, 3665, 3778 en ook uit de betekenis van de vader, namelijk het goede, waarover nr. 3703.

 

3795. Omdat zij een herderin was, of zij was iemand die weidt; dat dit betekent, dat de aandoening van het innerlijk ware dat in het Woord is, leert, staat vast uit de betekenis van de herder of van iemand die weidt, namelijk iemand die leidt en leert, nr. 343; en uit de uitbeelding van Rachel, die hier ‘zij’ is, namelijk de aandoening van het innerlijk ware, waarover nr. 3793; dat het vanuit het Woord is, is omdat zij met het kleinvee tot de put ging; dat de put het Woord is, zie nr. 3765; en bovendien is het de aandoening van het innerlijk ware, die leert, want vanuit die aandoening is de Kerk een Kerk en de herder een herder.

Dat de herder en degeen die weidt, in het Woord diegenen betekent die leiden en onderwijzen, is omdat het kleinvee degenen betekent die geleid en onderwezen worden, dus de Kerken en ook de leren die van de Kerk zijn, nrs. 3767, 3768, 3783; dat de herder en de kudde van kleinvee dit betekenen, is in de christelijke wereld overbekend, want zo worden degenen genoemd die onderwijzen en onderwezen worden; daarom wordt ervan afgezien dit uit het Woord te bevestigen.

 

3796. En het geschiedde als Jakob Rachel zag, de dochter van Laban, zijn moeders broeder; dat dit betekent de erkenning van de aandoening van dat ware, van welke oorsprong die was, staat vast uit de betekenis van zien, namelijk hier erkennen, zoals uit het verband blijkt; en uit de uitbeelding van Rachel, namelijk de aandoening van het innerlijk ware, waarover nr. 3793; de dochter van Laban, zijn moeders broeder, sluit de oorsprong in, namelijk dat zij vanuit het zijdelings verwante goede was, dat in broederschap verbonden was met het redelijk ware, uitgebeeld door Rebekka, de moeder van Jakob.

Met de aandoeningen van het ware en goede is het als volgt gesteld: de echte aandoeningen van het ware en goede die de mens gewaarwordt, zijn alle vanuit Goddelijke oorsprong, omdat zij uit de Heer zijn; maar onderweg bij het neerdalen gaan zij in verschillende en uiteenlopende stromen heen en vormen daar voor zich nieuwe oorsprongen, want zij worden naar gelang zij in niet echte en verbasterde aandoeningen en in aandoeningen van het boze en valse bij de mens vloeien, zo gevarieerd; in de uiterlijke vorm vertonen zij zich vaak aan de echte gelijk, niettemin zijn zij in de innerlijke vorm zodanig; de enige aanwijzing waaraan zij onderkend worden, is het doel; hebben zij zich zelf of de wereld ten doel, dan zijn die aandoeningen niet echt, hebben zij echter het goede van de naaste, het goede van de gezelschappen en het goede van het vaderland en meer nog, het goede van de Kerk en het goede van het rijk van de Heer ten doel, dan zijn zij echt, want dan zijn zij ter wille van de Heer, want de Heer is in dat opgesomde goede; toch is het de zaak van een wijze om de doelen bij zichzelf te kennen; soms schijnt het alsof de doelen zelfzuchtig zijn, terwijl zij dat niet zijn, want de mens is zodanig dat hij in elk ding afzonderlijk over zichzelf bespiegelt en wel uit zede en gewoonte; maar als iemand de doelen bij zichzelf wil kennen, laat hij dan alleen maar letten op het verkwikkelijke dat hij in zich gewaarwordt bij de lof en de roem die men hem geeft en op het verkwikkelijke dat hij gewaarwordt bij een nut dat is afgescheiden van hemzelf; indien hij dit laatste verkwikkelijke gewaarwordt, dan is hij in de echte aandoening; hij moet ook op de verschillende staten letten waarin hij is, want de staten zelf laten de gewaarwording zeer veel variëren; dit kan de mens bij zichzelf uitvorsen, maar bij anderen kan hij dit niet, want de doelen van de aandoeningen van eenieder zijn alleen aan de Heer bekend; vandaar is het, dat de Heer heeft gezegd: Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt; verdoemt niet, opdat gij niet verdoemd wordt’, (Lukas 6:37); want duizend mensen kunnen in een gelijke aandoening ten aanzien van het ware en goede schijnen en toch is eenieder in een ongelijke aandoening wat de oorsprong betreft, dat wil zeggen, wat het doel betreft; dat het doel maakt dat de aandoening zodanig is, namelijk dat zij echt of onecht of vals is, komt daarvandaan dat het doel het leven van de mens zelf is, of wat hetzelfde is, wat van zijn liefde is; wanneer het goede van de naaste, het algemeen welzijn, het goede van de Kerk en het rijk van de Heer het doel is, dan is de mens wat zijn ziel betreft, in het rijk van de Heer, dus bij de Heer, want het rijk van de Heer is niets anders dan het rijk van doelen en nutten ten behoeve van het goede van het menselijk geslacht, nr. 3645; de engelen zelf die bij de mens zijn, zijn niet dan alleen in zijn doelen; voor zoveel als de mens in zo’n doel is als waarin het rijk van de Heer is, voor zoveel scheppen de engelen een welbehagen in hem en verbinden zij zich met hem als met een broeder; voor zoveel echter de mens in een zelfzuchtig doel is, voor zoveel treden de engelen terug en voor zoveel treden de boze geesten uit de hel toe, want in de hel regeert geen ander doel; hieruit kan blijken van hoeveel belang het is om uit te vorsen en te weten van welke oorsprong de aandoeningen zijn, die men nergens anders vandaan kan kennen dan vanuit het doel.

 

3797. En het kleinvee van Laban, zijn moeders broeder; dat dit betekent de Kerk en de leer daaruit, staat vast uit de betekenis van het kleinvee, namelijk de Kerk en de leer, nrs. 3767, 3768, 3783.

Dat hier ook Laban zijn moeders broeder wordt genoemd, komt omdat daarmee eveneens de erkenning wordt aangeduid van welke oorsprong zij is, net als vlak hiervoor.

 

3798. En Jakob trad toe en wentelde de steen van boven de mond van de put; dat dit betekent dat de Heer vanuit het natuurlijk goede het Woord opende ten aanzien van de innerlijke dingen, staat vast uit de uitbeelding van Jakob, namelijk het Goddelijk Natuurlijke van de Heer, waarover eerder, hier ten aanzien van het goede daar; en uit de betekenis van de steen wentelen van boven de mond van de put, te weten het Woord openen ten aanzien van de innerlijke dingen, nrs. 3769, 3771, 3773, 3789.

Dat de hoogste innerlijke zin hier is dat de Heer vanuit het natuurlijk goede het Woord heeft geopend ten aanzien van de innerlijke dingen, is omdat door Jakob hier het goede in het natuurlijke wordt uitgebeld, want Jakob trekt de uitbeelding van het goede aan, omdat daaraan nu het ware moet worden toegevoegd door de aandoening die Rachel uitbeeldt, zie de nrs. 3775, 3793 en dat vanuit het goede het Woord ten aanzien van de innerlijke dingen ervan wordt geopend, nr. 3773; dat vanuit het goede het Woord wordt geopend, is duidelijk; eenieder ziet vanuit de liefde waarin hij is, de dingen die van die liefde zijn en de dingen die hij ziet, noemt hij ware dingen, omdat die bij hem passen; in de liefde van eenieder is het licht van zijn leven, want de liefde gedraagt zich als een vlam waaruit het licht komt; hoedanig dus de liefde of de vlam is, zodanig licht van het ware heeft hij; zij die in de liefde van het goede zijn, kunnen de dingen zien die van die liefde zijn, dus de ware dingen die in het Woord zijn en deze voor zoveel en hoedanig zij in de liefde van het goede zijn; want dan vloeit vanuit de hemel, dat wil zeggen, door de hemel uit de Heer, het licht of het inzicht in; vandaar is het dat niemand, zoals eerder werd gezegd, de innerlijke dingen van het Woord kan zien en erkennen dan alleen degene die in het goede is ten aanzien van het leven.  

 

3799. En hij drenkte het kleinvee van Laban, zijn moeders broeder; dat dit het onderricht betekent, staat vast uit de betekenis van het kleinvee drenken, namelijk het onderricht, nr. 3772.

Dat hier voor de derde maal Laban, zijn moeders broeder wordt genoemd, is omdat de oorsprong wordt aangewezen waaruit het kleinvee en waaruit Rachel, dat wil zeggen, de leer en de aandoening van het innerlijke ware, is.

 

3800. En Jakob kuste Rachel; dat dit betekent de liefde jegens de innerlijke ware dingen, staat vast uit de betekenis van kussen, namelijk de vereniging en de verbinding vanuit aandoening, zie de nrs. 3573, 3574, dus de liefde, omdat de liefde in zich bezien, de vereniging en de verbinding vanuit aandoening is; en uit de uitbeelding van Rachel, namelijk de aandoening van het innerlijk ware, waarover nr. 3793; hieruit blijkt dat door ‘Jakob kuste Rachel’ de liefde jegens de innerlijk ware dingen wordt aangeduid.

 

3801. En hij hief zijn stem op en weende; dat dit de gloed van de liefde betekent, staat vast uit de betekenis van de stem opheffen en wenen, namelijk de gloed van de liefde, want het wenen behoort tot de bedroefdheid en het behoort tot de liefde en het is van beide de hoogste graad.

 

3802. vers 12,13. En Jakob gaf Rachel te kennen, dat hij de broeder van haar vader en dat hij de zoon van Rebekka was; en zij snelde heen en gaf het aan haar vader te kennen.

En het geschiedde, als Laban de tijding hoorde van Jakob, zijn zusters zoon en hij snelde hem tegemoet en omhelsde hem en kuste hem en bracht hem tot zijn huis; en hij vertelde Laban al die woorden.

Jakob gaf Rachel te kennen, dat hij de broeder van haar vader was, betekent de verwantschap van het goede dat Jakob is en van het goede dat Laban is; en dat hij de zoon van Rebekka was, betekent de verbinding van de verwantschappen; en zij snelde heen en gaf het aan haar vader te kennen, betekent de erkenning door de innerlijke ware dingen; en het geschiedde als Laban de tijding hoorde van Jakob, zijn zusters zoon, betekent de erkenning van het verwante goede; en hij snelde hem tegemoet, betekent de overeenkomst; en omhelsde hem, betekent de aandoening; en kuste hem, betekent de inwijding; en hij bracht hem tot zijn huis, betekent, tot de verbinding; en hij vertelde Laban al die woorden, betekent vanuit de ware dingen.

 

3803. En Jakob gaf Rachel te kennen dat hij de broeder van haar vader was; dat dit de verwantschap van het goede dat Laban is, betekent, staat vast vanuit de betekenis van ‘te kennen geven’, namelijk bekend maken; uit de uitbeelding van Jakob, namelijk het goede, waarover eerder; uit de uitbeelding van Rachel aan wie het bekend werd gemaakt, namelijk de aandoening van het innerlijk ware, zie nr. 3793; uit de betekenis van de broeder, die hier Jakob is, namelijk het goede, nrs. 367, 2360, 3303, 3459; en uit de betekenis van de vader, die hier Laban is, namelijk eveneens het goede, nr. 3703; hieruit en uit het verband blijkt, dat door ‘Jakob gaf Rachel te kennen dat hij de broeder van haar vader was’ de verwantschap van het goede dat Jakob is en van het goede dat Laban is, wordt aangeduid; maar de verwantschap zelf uiteenzetten en vandaar de verbinding van het ene en het andere door de aandoening van het innerlijk ware, dat Rachel is, zou de zaak in het duister brengen, omdat weinigen weten wat het goede van het natuurlijke is en dat dit is onderscheiden van het goede van het redelijke en wat het zijdelings verwante goede van gemeenschappelijk stam is en ook wat de aandoening van het innerlijk ware is; wie zich hierover niet uit eigen navorsing enig idee heeft verworven, verkrijgt uit een beschrijving een vluchtig, zo al enig idee; want de mens neemt voor zoveel van anderen op als hij, òf vanuit het eigene heeft, òf door beschouwing van de zaak bij zich, voor zichzelf verwerft; de overige dingen glijden voorbij.