Hemelse Verborgenheden – Genesis hoofdstuk 28

.………………………………………………….…………………………………………………………………………………………………………….……

 

Digitale uitgave Swedenborg Boekhuis 2015 – www.swedenborg.nl HV pag. 1511

 

Bij Mozes: ‘Mozes schreef al de woorden van Jehovah en hij maakte zich des morgens op en hij bouwde een altaar nabij de berg Sinaï en twaalf opgerichte tekenen voor de twaalf stammen Israëls’, (Exodus 24:4) waar het altaar eveneens uitbeeldend was voor alle eredienst en wel uitbeeldend voor het goede in de eredienst; maar de twaalf opgerichte tekenen waren uitbeeldend voor het ware, dat uit het goede in de eredienst voortkomt; dat twaalf alle dingen van het ware in één samenvatting zijn, zie de nrs. 577, 2089, 2129, 2130, 3272. Dat de twaalf stammen eveneens alle waarheden van de Kerk zijn, zal in het volgende hoofdstuk door de Goddelijke barmhartigheid van de Heer, worden aangetoond.

 

Aangezien de altaren uitbeeldingen waren van al het goede van de eredienst en de Joodse Kerk werd ingesteld, opdat zij de Hemelse Kerk zou uitbeelden, die geen ander ware erkende dan dat, wat uit het goede voortkomt, wat het hemels ware wordt genoemd – want zij wilde in het minst niet het ware van het goede scheiden, zozeer zelfs, dat zij niet eens iets van het geloof of van het ware wilde noemen, tenzij zij over het goede dacht en wel vanuit het goede, nrs. 202, 377, 2069, 2715, 2718, 3246 – daarom was er een uitbeelding van het ware door middel van de stenen van het altaar en was het verboden het door opgerichte tekenen uit te beelden, opdat zo dus niet het ware van het goede gescheiden zou worden en het ware in de plaats van het goede op uitbeeldende wijze vereerd zou worden.

 

Vandaar staat bij Mozes het volgende geschreven: ‘Gij zult u geen bos planten van enige boom bij het altaar van Jehovah, uw God, dat gij u maken zult en gij zult u geen opgericht teken stellen, hetwelk Jehovah, uw God, haat’, (Deuteronomium 16:21,22) want het ware, afgescheiden van het goede, vereren, of het geloof afgescheiden van de naastenliefde, is tegen het Goddelijke, aangezien het tegen de orde is en dit wordt aangeduid met de woorden ‘gij zult u geen opgericht teken stellen, hetgeen Jehovah God haat’. Maar dat zij ze toch opstelden en op deze wijze de dingen uitbeeldden die tegen de orde zijn, blijkt bij Hosea: ‘Israël, naar de vermenigvuldiging zijner vrucht, vermenigvuldigt de altaren, naar het goede zijns lands, maken zij opgerichte tekenen wel; maar Hij zal hun altaren omkeren, Hij zal hun opgerichte tekenen verwoesten’, (Hosea 10:1,2). In het eerste Boek der Koningen: Jehudah deed het boze in de ogen van Jehovah en zij bouwden zich hoogten en opgerichte tekenen en bossen, op alle hoge heuvel en onder alle groene boom’, (1 Koningen 14:22,23).

 

In het tweede Boek der Koningen: ‘De zonen Israëls hadden zich opgerichte tekenen opgesteld, en bossen, op alle hoge heuvel en onder alle groene boom’, (2 Koningen 17:10). In hetzelfde Boek: Hiskia nam de hoogten weg en brak de opgerichte tekenen en roeide het bos uit en hij verbrijzelde de koperen slang die Mozes gemaakt had, omdat zij haar gerookt hadden’, (2 Koningen 18:4). Aangezien de natiën het ook door overleveringen hadden, dat het heilige van de eredienst door altaren en opgerichte tekenen werd uitgebeeld en zij niettemin in het boze en valse waren, worden door de altaren bij de natiën de boosheden van de eredienst aangeduid en door de opgerichte tekenen de valsheden; daarom werd het bevolen ze te vernietigen; bij Mozes: ‘De altaren der natiën zult gijlieden omwerpen en hun opgerichte tekenen zult gij verbreken en hun bossen zult gij afhouwen’, (Exodus 34:13; Deuteronomium 7:5; 12:3).

 

Bij dezelfde: ‘Gij zult u voor de goden der natiën niet buigen, noch hen vereren en naar hun werken niet doen, want vernietigende zult ge ze vernietigen en vermorzelende zult gij hun opgerichte tekenen vermorzelen’, (Exodus 23:24); de goden der natiën staan voor de valsheden, de werken voor de boosheden, de opgerichte tekenen vermorzelen voor het vernietigen van de eredienst uit het valse. Bij Jeremia: Nebukadnezar, de koning van Babel, zal de opgerichte tekenen van het huis van de zon in het land van Egypte verbreken en hij zal de huizen der goden van Egypte met vuur verbranden’, (Jeremia 43:13). Bij Ezechiël: Nebukadnezar, de koning van Babel, zal met de hoeven zijner paarden al uw straten vertreden; het volk zal hij met het zwaard doden en de opgerichte tekenen uwer sterkte  zal hij ter aarde doen nederdalen’, (Ezechiël 26:11) waar gehandeld wordt over Tyrus; Nebukadnezar, de koning van Babel, staat voor datgene, wat verwoest, nr. 1327; de hoeven der paarden staan voor de laagste verstandelijke dingen, zoals de wetenschappelijkheden zijn uit louter zinnelijke dingen; dat de hoeven de laagste dingen zijn, zal door de Goddelijke barmhartigheid van de Heer, elders worden bevestigd; de paarden staan voor de verstandelijke dingen, nrs. 2760-2762; de straten voor de waarheden en in de tegenovergestelde zin de valsheden, nr. 2336; deze vertreden, wil zeggen: de erkentenissen van het ware vernietigen, die door Tyrus worden aangeduid – dat Tyrus, waarover hier wordt gehandeld, de erkentenissen van het ware zijn, zie nr. 1201; het volk met het zwaard doden, wil zeggen de waarheden vernietigen door het valse – dat het volk betrekking heeft op de waarheden, zie de nrs. 1259, 1260, 3295, 3581; en dat het zwaard het strijdende valse is, nr. 2799. Hieruit blijkt duidelijk, wat het zeggen wil ‘de opgerichte tekenen der sterkte der aarde doen nederdalen’. Dat de sterkte betrekking heeft op het ware en op het valse, blijkt eveneens uit het Woord.

 

3728. Dat de woorden ‘en hij goot olie op het hoofd daarvan’ het heilig goede betekenen, blijkt uit de betekenis van de olie, namelijk het hemelse van de liefde of het goede, nrs. 886 en 3009; en uit de betekenis van het hoofd, namelijk dat wat hoger is, of wat hetzelfde is, datgene wat meer innerlijk is; dat het goede hoger is en innerlijker is en het ware lager of uiterlijker, is op vele plaatsen aangetoond. Hieruit blijkt duidelijk wat door deze oude ritus van olie gieten op het hoofd van een opgericht teken, werd aangeduid, namelijk dat het ware niet zou zijn zonder het goede, maar uit het goede, dus dat het goede zou heersen, zoals het hoofd over het lichaam. Want het ware zonder het goede is het ware niet, maar slechts een klank zonder enig leven en van dien aard dat het vanzelf verdwijnt. In het andere leven wordt het ook verstrooid bij hen die meer dan anderen het ware of de leerstellige dingen van het geloof hebben geweten en zelfs bij hen, die de leerstellige dingen van de liefde hebben geweten, wanneer zij niet in het goede hebben geleefd en dus wanneer zij niet vanuit het goede het ware onthouden hebben.

 

Vandaar is een Kerk niet een Kerk krachtens het van het goede afgescheiden ware en dus niet door het van de naastenliefde gescheiden geloof, maar door het ware dat uit het goede is, of door het geloof dat uit de naastenliefde is. Hetzelfde wordt ook aangeduid door hetgeen de Heer tot Jakob zei: ‘Ik ben de God van Bethel, alwaar gij het opgerichte teken gezalfd hebt, waar gij Mij een gelofte beloofd hebt’, (Genesis 31:13) en daarmee, dat Jakob wederom een opgericht teken opstelde, een stenen opgericht teken, en hij stortte daarop een drankoffer en goot olie daarover’, (Genesis 35:14); door ‘drankoffer uitstorten op het opgericht teken’ wordt het Goddelijk Goede van het geloof aangeduid en door ‘olie daarover gieten’ het Goddelijke Goede van de liefde. Eenieder kan zien dat het gieten van olie over een steen zonder de betekenis van iets hemels en geestelijks, belachelijk en afgodisch zou zijn.

 

3729. Dat de woorden ‘en hij noemde de naam van die plaats Bethel’ de hoedanigheid van de staat betekenen, blijkt uit de betekenis van de naam en van de naam noemen, namelijk de hoedanigheid, waarover de nrs. 144, 145, 1754, 1896, 2009, 2724, 3006, 3421; en uit de betekenis van de plaats, namelijk de staat, nrs. 2625, 2837, 3356, 3387. Het is de hoedanigheid van de staat, die door Bethel wordt aangeduid; Bethel betekent in de oorspronkelijke taal ‘het huis Gods’ en dat dit het goede is in het laatste van de orde, zie nr. 3720.

 

3730. Dat de woorden ‘en evenwel was Lus de naam der stad tevoren’ de hoedanigheid van de vorige staat betekenen, blijkt uit de betekenis van de naam, namelijk de hoedanigheid, waarover eerder in nr. 3729; en uit de betekenis van de stad, namelijk het leerstellige van het ware, waarover de nrs. 402, 2268, 2449, 2712, 2943, 3216. In de oorspronkelijke taal betekent ‘Lus’ verwijdering, dus ontbinding, die plaatsvindt wanneer het leerstellige van het ware of het ware op de eerste plaats wordt gesteld en het goede veronachtzaamd, dus wanneer het ware alleen in het laatste van de orde is. Maar wanneer het ware tezamen met het goede in het laatste van de orde is, is er geen verwijdering of ontbinding, maar toenadering of verbinding; dit is de hoedanigheid van de staat, die door Lus wordt aangeduid.

 

3731. vers 20-22. En Jakob beloofde een gelofte, zeggende: Wanneer God met mij geweest zal zijn en mij behoed zal hebben op deze weg; die ik wandele en mij gegeven zal hebben brood om te eten en een kleed om aan te trekken. En ik ten huize mijns vaders in vrede zal wedergekeerd zijn; en Jehovah zal mij tot een God zijn. En deze steen, die ik tot een opgericht teken gezet heb, zal het huis Gods wezen; en alles, wat Gij mij geven zult, vertiendende zal ik U dat veertienden. Jakob beloofde een gelofte, zeggende, betekent de staat van de Voorzienigheid; wanneer God met mij geweest zal zijn en mij behoed zal hebben op deze weg, die ik wandele, betekent het voortdurend Goddelijke; en mij gegeven zal hebben brood om te eten, betekent, tot aan de verbinding met het Goddelijk Goede; en een kleed om aan te trekken, betekent de verbinding met het Goddelijk Ware; en ik ten huize mijns vaders in vrede zal wedergekeerd zijn, betekent tot aan de volmaakte verbinding; en Jehovah zal mij tot een God zijn, betekent, dat het Goddelijk Natuurlijke ook Jehovah zal zijn; en deze steen, die ik tot een opgericht teken gezet heb, betekent het ware dat het uiterste is; zal het huis Gods wezen, betekent hier als eerder, het rijk van de Heer in het laatste van de orde, waarin de hogere dingen als in hun huis zijn; en alles, wat Gij mij geven zult, vertiendende zal ik U dat vertienden, betekent, dat Hij alle dingen in het algemeen en in het bijzonder uit eigen macht Goddelijk zou maken.

 

3732. Dat de woorden ‘Jakob beloofde een gelofte’ de staat van de Voorzienigheid betekenen, blijkt uit de betekenis van een gelofte beloven, namelijk in de innerlijke zin willen dat de Heer voorziet; vandaar in de hoogste zin – waarin over de Heer gehandeld wordt – de staat van de Voorzienigheid. Dat een gelofte beloven in de innerlijke zin wil zeggen ‘willen dat de Heer voorziet’, komt omdat in de geloften de begeerte en de aandoening is, dat datgene wat men wil, zal plaatsvinden; dus dat de Heer zal voorzien. Er ligt iets van een voorwaarde in en tevens iets van een verplichting van de zijde van de mens, die hij op zich genomen heeft, wanneer hij ontvangt wat hij verlangt, zoals hier van de zijde van Jakob, namelijk dat Jehovah hem tot een God zou zijn en de steen die hij tot een opgericht teken gesteld had, tot Gods huis zou wezen en dat hij alles zou vertienden, wat Hij hem zou geven, wanneer Jehovah hem zou behoeden op de weg en hem brood geven om te eten en een kleed om aan te trekken en wanneer hij ten huize van zijn vader in vrede zou wederkeren.

 

Hieruit blijkt duidelijk, dat geloften toentertijd bijzondere verbintenissen waren, voornamelijk tot het erkennen van God als hun God, wanneer Hij voorzag in de dingen die zij begeerden en ook dat zij het Hem met de een of andere gave zouden vergelden, wanneer Hij daarin zou voorzien.

Hierin komt duidelijk uit van welke aard de vaders van de Joodse natie waren, zoals hier Jakob, namelijk dat hij Jehovah nog niet erkende en dat hij nog in de keuze was, of hij Hem dan wel een ander als zijn God zou erkennen.

 

Dit was een bijzonderheid van deze natie, zelfs vanaf de tijd van hun voorvaderen, dat eenieder zijn eigen God wilde hebben en wanneer iemand Jehovah vereerde, was het alleen het vereren van een zekere God, die Jehovah werd genoemd en door deze naam onderscheiden was van de goden van de andere naties, zodat hun eredienst, zelfs hierin, afgodisch was; want de eredienst van de naam alleen, zelfs van de naam van Jehovah, is niets anders dan afgoderij, nr. 1094; evenals zij die zich christenen noemen en zeggen Christus te vereren en niet naar Zijn geboden leven, Hem op afgodische wijze vereren, omdat zij alleen Zijn naam vereren; want het is een valse Christus, die zij vereren, zie hierover, (Mattheüs 24:23,24); nr. 3010.

 

3733. Dat de woorden ‘wanneer God met mij geweest zal zijn en mij behoed zal hebben op deze weg, die ik wandele’ het voortdurende Goddelijke betekenen, blijkt uit de betekenis van ‘het zijn van God met iemand en het behoeden op de weg die hij wandelt’ namelijk het voortdurend Goddelijke; want het heeft op de Heer betrekking, die naar het Wezen van het leven zelf Jehovah was, zodat Zijn gehele leven, vanaf de vroegste kindsheid tot aan het einde, voortdurend Goddelijk was en wel tot aan de volmaakte vereniging van het Menselijk Wezen met het Goddelijk Wezen toe.

 

3734. Dat de woorden ‘en mij gegeven zal hebben brood om te eten’ betekenen, tot aan de verbinding met het Goddelijk Goede, blijkt uit de betekenis van het brood, namelijk al het hemels en geestelijk goede, dat van de Heer uitgaat en in de hoogste zin de Heer Zelf ten aanzien van het Goddelijk Goede, waarover de nrs. 276, 680, 1798, 2165, 2177, 3464, 3478; en uit de betekenis van eten, namelijk meegedeeld, toegeëigend en verbonden worden, waarover de nrs. 2187, 2343, 3168, 3513, 3596.

 

3735. Dat de woorden ‘en een kleed om aan te trekken’ de verbinding met het Goddelijk Ware betekenen, blijkt uit de betekenis van het kleed, namelijk het ware, nrs. 1073, 2576; hier het Goddelijk Ware, aangezien over de Heer wordt gehandeld; en uit de betekenis van aantrekken, namelijk daaraan toegeëigend en daarmee verbonden worden. Van welke aard de innerlijke zin van het Woord is, kan hieruit en uit de overige dingen blijken, namelijk dat wanneer in de zin van de letter gehandeld wordt over brood en over een kleed en ook waar deze in historisch verband worden genoemd, zoals hier ‘wanneer God mij brood gegeven zal hebben om te eten en een kleed om aan te trekken’ de engelen, die dan bij de mens zijn, in het geheel niet over brood denken maar over het goede van de liefde en in de hoogste zin over het Goddelijk Goede van de Heer; noch over een kleed, maar over het ware en in de hoogste zin over het Goddelijk Ware van de Heer.

 

Dergelijke dingen, als in de letterlijke zin voorkomen, zijn voor hen slechts voorwerpen om te denken over hemelse en Goddelijke dingen, want dergelijk dingen zijn de vaten die zich in het laatste van de orde bevinden. Dus wanneer de mens, wanneer hij in een heilige staat is, over het brood denkt, zoals bijvoorbeeld over het brood in het Heilig Avondmaal of over het dagelijks brood in het Gebed van de Heer, dan dient deze gedachte die de mens over het brood heeft, de engelen die bij de mens zijn, als een voorwerp om over het goede van de liefde te denken, dat van de Heer uitgaat, want de engelen vatten in het geheel niet de gedachte van de mens over het brood, maar in plaats daarvan hebben zij een gedachte over het goede, want van dien aard is de overeenstemming.

 

Evenzo wanneer de mens die in het heilige is, over kleding denkt, is de gedachte van de engelen op het ware gericht en zo is het dus gesteld met alle overige dingen die in het Woord zijn. Hieruit kan blijken van welke aard de verbinding van de hemel en de aarde is door het Woord, namelijk zodanig, dat de mens, die het Woord heilig leest, door dergelijke overeenstemmingen nauw verbonden is met de hemel en door de hemel met de Heer, hoewel de mens alleen in de gedachte is over die dingen in het Woord, die in de zin van de letter ervan zijn. Het heilige zelf dat dan bij de mens is, komt voort uit de invloeiing van de hemelse en geestelijke gedachten en aandoeningen, zoals deze bij de engelen van dien aard zijn. Opdat er zo’n invloeiing zijn zou en vandaar verbinding van de mens met de Heer, werd door de Heer het Heilig Avondmaal ingesteld, waar openlijk wordt gezegd, dat het brood en de wijn de Heer is; want het lichaam van de Heer betekent Zijn Goddelijke Liefde en de wederkerige liefde bij de mens, zoals de liefde is bij de hemelse engelen; en het bloed, betekent eveneens Zijn Goddelijke Liefde en de wederkerige liefde bij de mens, maar zoals de liefde is bij de geestelijke engelen. Hieruit blijkt duidelijk hoeveel Goddelijks er in elk van de dingen van het Woord gelegen is, hoewel de mens niet weet, wat het is en van welke aard het is. Maar zij die in het leven van het goede waren toen zij in de wereld leefden, komen na het overlijden in de erkentenissen en in de innerlijke gewaarwording van al deze dingen, want dan leggen zij de aardse en wereldse dingen af en trekken de hemelse dingen aan en zijn dan evenzo in de geestelijke en hemelse voorstelling waarin de engelen zijn.

 

3736. Dat de woorden ‘en ik ten huize mijns vaders in vrede zal wedergekeerd zijn’ betekenen, tot aan de volmaakte verbinding, kan hieruit blijken, dat het huis des vaders, wanneer het op de Heer betrekking heeft, het Goddelijke zelf is, waarin de Heer was vanaf de ontvangenis zelf. Wederkeren tot dat huis is wederkeren tot het Goddelijk Goede zelf, dat de Vader wordt genoemd. Dat dit de Vader is, zie nr. 3704 en dat ‘wederkeren tot dat huis’ wil zeggen: verenigd worden, kan duidelijk zijn. Hetzelfde werd door de Heer bedoeld, toen Hij zei, dat Hij van de Vader was uitgegaan en in de wereld gekomen en dat Hij wederom naar de Vader zou gaan, namelijk door het uitgaan van de Vader, dat het Goddelijke Zelf het Menselijke had aangenomen en door het komen in de wereld, dat Hij gelijk een mens was en door het gaan naar de Vader, dat Hij het Menselijk Wezen met het Goddelijk Wezen verenigen zou.

 

Dit werd verstaan onder datgene wat de Heer sprak bij Johannes: ‘Zo gij de Zoon des mensen zag opvaren, daar Hij tevoren was’, (Johannes 6:2).

Bij dezelfde: ‘Jezus wist dat de Vader Hem alle dingen in de handen had gegeven en dat Hij van God was uitgegaan en tot God heenging; zonen, nog ene korte tijd ben Ik met u; waar Ik heenga, kunt gij niet komen’, (Johannes 13:3,33). Bij dezelfde: ‘Nu ga Ik heen tot Hem die Mij gezonden heeft; maar niemand van u vraagt Mij: Waar gaat Gij heen. Het is u nut dat Ik wegga; want indien Ik niet wegga, zo zal de Trooster tot u niet komen; maar indien Ik heenga, zo zal Ik Hem tot u zenden. Een kleine tijd en gij zult Mij niet zien; en wederom een kleine tijd en gij zult Mij zien; want Ik ga heen tot de Vader’, (Johannes 16:5,7,10,16,17). Bij dezelfde: ‘Ik ben van de Vader uitgegaan en ben in de wereld gekomen; wederom verlaat Ik de wereld en ga heen tot de Vader’, (Johannes 16:28); ‘heengaan tot de Vader’ wil in deze plaatsen zeggen: het Menselijk Wezen met het Goddelijk Wezen verenigen.

 

3737. Dat de woorden ‘en Jehovah zal mij tot een God zijn’ betekenen, dat het Goddelijk Natuurlijke ook Jehovah zal zijn, kan blijken uit het verband in de hoogste innerlijke zin, waarin gehandeld wordt over de vereniging van het Menselijke van de Heer met Zijn Goddelijke; maar opdat deze zin zal verschijnen, moet de gedachte onttrokken zijn aan de geschiedenis van Jakob en vastgehouden in het Goddelijk Menselijke van de Heer en hier in Zijn Goddelijk Natuurlijke, dat door Jakob wordt uitgebeeld. Het menselijke zelf bestaat, als eerder herhaaldelijk gezegd, uit het redelijke, dat hetzelfde is als de innerlijke mens en uit het natuurlijke, dat hetzelfde is als de uiterlijke mens en tevens uit het lichaam dat het natuurlijke dient als een middel of als een buitenste orgaan om in de wereld te leven en door middel van het natuurlijke het redelijke dient en verder door middel van het redelijke het Goddelijke dient.

 

Aangezien de Heer in de wereld kwam om het gehele menselijke in Zichzelf Goddelijk te maken en wel overeenkomstig de Goddelijke orde, en door Jakob het Natuurlijke van de Heer wordt uitgebeeld, en door zijn leven in vreemdelingschap in de hoogste zin de wijze waarop de Heer Zijn Natuurlijke Goddelijk maakte, daarom wordt hier, waar gezegd wordt ‘wanneer ik ten huize mijns vaders in vrede zal wedergekeerd zijn, zal Jehovah mij tot een God zijn’ de vereniging aangeduid van het Menselijke van de Heer met Zijn Goddelijke en dat Hij ten aanzien van het Goddelijk Natuurlijke ook Jehovah zal zijn door de vereniging van het Goddelijk Wezen met het Menselijk Wezen en van het Menselijk Wezen met het Goddelijk Wezen; er wordt niet een vereniging bedoeld, zoals die bestaat tussen twee, die van elkaar onderscheiden zijn en alleen door de liefde verbonden zijn, zoals een vader met zijn zoon, wanneer de vader de zoon liefheeft en de zoon de vader, of zoals een broeder de broeder liefheeft, of zoals een vriend de vriend, maar het is een werkelijke vereniging in één, opdat zij niet twee zijn, maar één, wat de Heer ook op verscheidene plaatsen leert; en omdat zij één zijn, is ook het gehele Menselijke van de Heer het Goddelijk Zijn of Jehovah, zie de nrs. 1343, 1736, 2156, 2329, 2447, 2921, 3023, 3035.

 

3738. Dat de woorden ‘en deze steen, die ik tot een opgericht teken gezet heb’ het ware betekenen, dat het uiterste is, blijkt uit wat eerder in de nrs. 3724, 3826 is gezegd, waar dezelfde woorden staan.

 

3739. Dat de woorden ‘zal het huis Gods wezen’ het rijk van de Heer betekenen in het laatste van de orde, waarin de hogere dingen als in hun huis zijn, blijkt eveneens uit wat eerder in nr. 3721 is gezegd. Daarmee, dat de hogere dingen in het laatste van de orden zijn als in hun huis, is het als volgt gesteld: door de Heer is zo’n orde ingesteld, dat de hogere dingen invloeien in de lagere en daar een beeld van zichzelf vertonen in het algemeen en als gevolg daarvan daar tezamen zijn in een bepaalde algemene vorm en dus in orde vanuit het hoogste, dat wil zeggen, de Heer. Dit is de reden dat het naastgelegen beeld van de Heer de binnenste hemel is, die de hemel van onschuld en vrede is, waar de hemelsen zijn; deze hemel wordt, daar hij de Heer het dichtst nabij is, Zijn gelijkenis genoemd. De tweede hemel, namelijk die welke daarop volgt en in een lagere graad is, is het beeld van de Heer, omdat in deze hemel zich tevens, als in iets algemeens, die dingen vertonen, die in de hogere hemel zijn. De laatste hemel, die weer op deze volgt, verhoudt zich op dezelfde wijze tot deze, want de bijzondere en afzonderlijke dingen van de naastgelegen hogere hemel vloeien in deze hemel en vertonen zich daar in het algemeen in een overeenstemmende vorm. Evenzo is het bij de mens gesteld, want deze werd geschapen en geformeerd tot een afbeelding van de drie hemelen; dat wat het binnenste bij hem is, vloeit op dezelfde wijze in dat wat lager is en dit op dezelfde wijze in dat wat het laagste is of het uiterste.

 

Het natuurlijke en het lichamelijke bestaat uit een dergelijke invloeiing en een dergelijke samenloop in die dingen die beneden zijn en tenslotte in de dingen die de laatste zijn; vandaar komt de aaneenschakeling van de laatste dingen met het Eerste, zonder welke aaneenschakeling, dat wat het laatste in de orde is, zelfs niet één enkel ogenblik zou kunnen blijven bestaan. Hieruit blijkt duidelijk, wat daaronder wordt verstaan, dat de hogere dingen in het laagste van de orde zijn als in hun huis. Of men nu zegt, hogere of lagere dingen, dan wel innerlijker of uiterlijker dingen, is hetzelfde, want voor de mens verschijnen de innerlijker dingen als hogere en daarom stelt de mens de hemel in de hoogte, terwijl hij toch in het innerlijke is.

 

3740. Dat de woorden ‘en alles, wat Gij mij geven zult, vertiendende zal ik U dat vertienden’ betekenen, dat Hij alle dingen in het algemeen en in het bijzonder uit eigen macht Goddelijk zou maken, blijkt uit de betekenis van geven, wanneer het op de Heer betrekking heeft, namelijk dat Hij aan Zichzelf gegeven heeft, nr. 3705; dus dat het uit eigen macht was; en uit de betekenis van vertienden en van de tienden, namelijk de goedheden en waarheden die door de Heer in de innerlijke dingen bij de mens worden opgeborgen, welke goedheden ‘overblijfselen’ worden genoemd, zie de nrs. 576, 1738, 2280; en wanneer deze op de Heer betrekking hebben, zijn zij de Goddelijke goedheden en de Goddelijke waarheden, die de Heer Zich uit eigen macht verwierf, nrs. 1738, 1906. Vervolg over de Grootste Mens en de overeenstemming daarmee.

 

3741. Het hemelse rijk is als een enkel mens, aangezien alle dingen daarin elk afzonderlijk met de Heer alleen overeenstemmen, namelijk met Zijn Goddelijk Menselijke, nrs. 49, 288, 565, 1894. Krachtens de overeenstemming met het beeld van en de gelijkenis met Hem wordt de hemel de Grootste Mens genoemd; krachtens het Goddelijke van de Heer zijn alle hemelse dingen, die tot het goede behoren en alle geestelijke dingen die tot het ware behoren, in de hemel. Alle engelen zijn daar vormen of substanties gevormd naar de ontvangenis van de Goddelijke dingen die van de Heer komen. Het zijn de bij hen ontvangen Goddelijke dingen van de Heer die de hemelse en geestelijke dingen worden genoemd, wanneer het Goddelijke leven en het daaruit voortvloeiende Goddelijke licht in hen als in ontvangende vaten bestaat en aangepast wordt.

 

Vandaar komt het, dat ook de stoffelijke vormen en substanties bij de mens van dien aard zijn, maar in een lagere graad, omdat zij grover en meer samengesteld zijn. Dat deze ook vormen zijn, die hemelse en geestelijke dingen ontvangen, komt ten duidelijkste uit in tekens, die ten volle zichtbaar zijn, zoals in de gedachte, die vloeit in de organische vormen van de tong en de spraak teweegbrengt; in de aandoeningen van het gemoed die zich zichtbaar vertonen in het aangezicht; in de wil die door de spieren van het lichaam in de handelingen vloeit, enzovoort. De gedachte en de wil, die deze dingen voortbrengen, zijn geestelijk en hemels, terwijl de vormen of substanties, die ze ontvangen en in werking stellen, stoffelijk zijn; dat deze geheel en al gevormd zijn om die geestelijke en hemelse dingen te ontvangen, is duidelijk; vandaar blijkt het ook, dat ze van het geestelijke uitgaan en dat wanneer zij niet van het geestelijke zouden uitgaan, zij niet zouden kunnen bestaan, zoals zij zijn.

 

3742. Dat er één enig leven is en dit van de Heer alleen komt en dat engelen, geesten en mensen slechts ontvangers van het leven zijn, is mij door zo veelvuldige ondervinding te weten gegeven, dat er niet het minste spoor van twijfel overbleef. De hemel zelf is in de innerlijke gewaarwording dat dit zo is en wel zozeer dat de engelen de invloeiing duidelijk gewaarworden en verder ook hoe dit leven invloeit en tevens de hoeveelheid en hoedanigheid van hetgeen zij daarvan ontvangen. Wanneer zij in een vollere staat van opneming zijn, zijn zij in hun vrede en gelukzaligheid; op andere momenten verkeren zij in een staat van onrust en van een zekere angst; niettemin wordt aan hen het leven van de Heer zodanig toegeëigend, dat zij de innerlijke gewaarwording hebben alsof zij uit zichzelf leefden, terwijl zij toch weten dat zij niet uit zichzelf leven. De toe-eigening van het leven van de Heer komt voort uit Zijn Liefde en Barmhartigheid jegens het gehele menselijke geslacht, namelijk dat Hij Zich en hetgeen het Zijne is aan eenieder wil geven en dat Hij daadwerkelijk geeft, voor zoveel zij opnemen, dat wil zeggen, voor zoveel zij als Zijn gelijkenissen en beelden in het leven van het goede en in het leven van het ware zijn; en aangezien een dergelijk Goddelijk streven voortdurend van de Heer uitgaat, wordt Zijn leven, zoals gezegd, toegeëigend.

 

3743. Zij echter die niet in de liefde tot de Heer en in de liefde jegens de naaste zijn en dus niet in het leven van het goede en van het ware, kunnen niet erkennen dat er een enig leven is dat invloeit en nog minder dat dit leven van de Heer uitgaat; maar al diegenen zijn verontwaardigd, ja zelfs keren zij zich af, wanneer gezegd wordt, dat zij niet uit zichzelf leven; het is de eigenliefde die dit doet; en wat wonderlijk is, hoewel het aan hen met levende ondervinding in het andere leven wordt aangetoond, dat zij niet uit zichzelf leven en zij dan wanneer zij overtuigd zijn, zeggen dat het zo is, volharden zij toch in dezelfde opvatting en menen, dat wanneer zij uit een ander leefden en niet uit zichzelf, dan alle bekoring van hun leven te gronde zou gaan en zij weten dus niet, dat geheel het tegendeel het geval is.

 

Vandaar komt het, dat de bozen zichzelf het boze toe-eigenen, omdat zij niet geloven, dat de boosheden uit de hel zijn; en dat het goede hun niet kan worden toegeëigend, omdat zij geloven, dat het goede uit henzelf en niet uit de Heer is. Niettemin zijn de bozen en ook de helsen vormen, die het leven ontvangen van de Heer, maar zulke vormen, dat zij het goede en ware òf verwerpen, òf verstikken, òf verdraaien en zo worden bij hen de goedheden en waarheden die van het leven van de Heer uitgaan, boosheden en valsheden. Het is hiermee gesteld als met het licht van de zon, dat hoewel het enkelvoudig en blank is, toch, zoals het door de vormen heengaat of daarin vloeit, veranderd wordt; vandaar schone en aangename kleuren, maar ook niet schone en onaangename.

 

3744. Hieruit kan nu blijken, van welke aard de hemel is en vanwaar het komt, dat die de Grootste Mens wordt genoemd: dat de verscheidenheden daar ten aanzien van het leven van het goede en ware ontelbaar zijn en zich gedragen overeenkomstig de opneming van het leven uit de Heer; zij staan geheel en al in de verhouding tot elkaar, waarin de organen, leden en ingewanden in de mens zijn, die alle vormen in een voortdurende verscheidenheid zijn en die het leven ontvangen van hun ziel of liever van de Heer door de ziel en toch – hoewel zij in een dergelijke verscheidenheid zijn – niettemin tezamen een mens uitmaken.

 

3745. Hoe groot en hoedanig de verscheidenheid is, kan blijken uit de verscheidenheid in het menselijk lichaam; het is bekend, dat het ene orgaan en lid niet gelijk is aan het ander, zoals het orgaan van het gezicht niet gelijk is aan het orgaan van het gehoor en dat het evenzo gesteld is met het orgaan van de reuk en met het orgaan van de smaak en ook met het orgaan van de tastzin, dat zich over het gehele lichaam uitstrekt. Zo ook met de leden, zoals de armen, handen, lendenen, voeten, voetzolen; maar ook met de ingewanden die binnenin liggen opgesloten, zoals die, welke tot het hoofd behoren, namelijk de hersenen, de kleine hersenen, het verlengde merg en het ruggenmerg, met alle kleine organen, ingewanden, vaten en vezels, waaruit zij zijn samengesteld; en verder die welke tot het lichaam onder het hoofd behoren, zoals het hart, longen, maag, lever, alvleesklier, milt, darmen, darmschil, nieren en ook die, welke in beide geslachten tot de voorplanting bestemd zijn.

 

Het is bekend dat alle en elk van deze dingen onderling ongelijk zijn naar de vormen en naar de functies en wel zo ongelijk, dat zij geheel en al verschillen. Evenzo zijn er vormen binnen de vormen, die eveneens van zo’n verscheidenheid zijn, dat niet één vorm, zelfs niet één kleinste deeltje, volkomen gelijk is aan een ander, namelijk zozeer gelijk, dat het in de plaats van het andere gesteld kan worden, zonder enige verandering, hoe gering ook. Al deze dingen stemmen in het algemeen en in het bijzonder met de hemelen overeen, maar op zo’n wijze, dat de dingen die bij de mens lichamelijk en stoffelijk zijn, daar hemels en geestelijk zijn; en zij stemmen op zo’n wijze overeen, dat zij daardoor bestaan en blijven bestaan.

 

3746. In het algemeen hebben al deze verscheidenheden betrekking op de dingen die behoren tot het hoofd, op de dingen die behoren tot de borst, op de dingen die behoren tot de buik en op de dingen die behoren tot de geslachtsdelen; evenzo overal op de dingen die innerlijk en op die welke uitwendig zijn.

 

3747. Af en toe heb ik met geesten gesproken over de geleerden van onze eeuw, namelijk dat zij niets weten dan de mens in een innerlijke en in een uiterlijke te onderscheiden en dit niet door overdenking over de innerlijke dingen van de gedachten en aandoeningen bij zichzelf, maar door het Woord van de Heer; en dat zij toch niet weten, wat de innerlijke mens is, en dat verscheidenen zelfs twijfelen of hij bestaat en het ook ontkennen, omdat zij niet het leven van de innerlijke, maar dat van de uiterlijke mens leven; en dat zij er zeer door worden verleid, dat de redeloze dieren aan hen gelijk schijnen naar organen, ingewanden, zinnen, begeerten en aandoeningen. Er werd gezegd dat de geleerden over dergelijke dingen minder weten dan de eenvoudigen en dat het aan hen niettemin toeschijnt er veel meer van te weten; want zij discussiëren over het verkeer van de ziel en het lichaam, ja zelfs over de ziel zelf, wat deze is, terwijl toch de eenvoudigen weten, dat de ziel de innerlijke mens is en dat de ziel zijn geest is, die na de dood van het lichaam leven zal, en verder dat zij de mens zelf is die in het lichaam woont.

 

En verder dat de geleerden zich meer dan de eenvoudigen met de redeloze dieren vereenzelvigen en alle dingen aan de natuur toeschrijven en nauwelijks iets aan het Goddelijke; en ook dat zij niet overdenken, dat de mens, in tegenstelling met de redeloze dieren, kan denken over de hemel en over God, en zich dus zo boven zichzelf verheffen en als gevolg daarvan door de liefde met de Heer verbonden worden, en dat de mensen dus niet anders kunnen dan na de dood tot in eeuwigheid leven. En dat zij bovenal niet weten, dat alle dingen bij de mens tot in bijzonderheden afhangen van de Heer door de hemel en dat de hemel de Grootste Mens is, waarmee tot in bijzonderheden alle dingen overeenstemmen die in de mens en ook die in de natuur zijn; en dat misschien dergelijke dingen, wanneer zij ze zullen horen of lezen, tegenstrijdigheden voor hen zullen zijn, zodat zij ze, wanneer de ervaring het niet bevestigt, zullen verwerpen als fantasie.

 

En dat het evenzo zal gaan, wanneer zij zullen horen, dat er drie graden van leven in de mens zijn, zoals er drie graden van leven in de hemelen zijn, dat wil zeggen: drie hemelen en dat de mens zó met de drie hemelen overeenstemt, dat hij – wanneer hij in het leven van het goede en ware is en door dat leven een beeld van de Heer – zelf in beeld een hemel in het klein is. Ik ben onderricht over deze graden van het leven, namelijk dat het de laatste graad van het leven is, die de uiterlijke of natuurlijke mens wordt genoemd, waardoor de mens gelijk is aan de dieren ten aanzien van de begeerten en fantasieën; en dat het de tweede graad is, die de innerlijke of redelijke mens wordt genoemd, waardoor de mens boven de dieren staat, want door middel hiervan kan hij het goede en ware denken en willen en de natuurlijke mens beheersen door de begeerten ervan en de daaruit voortvloeiende fantasieën tegen te gaan en te verwerpen en bovendien door binnenin zichzelf over de hemel, ja zelfs over het Goddelijke na te denken, wat de redeloze dieren toch geenszins kunnen.

 

En dat er een derde graad van het leven is, die de mens geheel onbekend is maar dat het niettemin deze is, door middel waarvan de Heer in het redelijk gemoed invloeit en waarvandaan de mens het vermogen heeft om als een mens te denken en waarvandaan hij het geweten heeft en waarvandaan hij de innerlijke gewaarwording van het goede en ware heeft en ook door de Heer de opheffing tot Hemzelf. Maar deze dingen liggen ver verwijderd van de voorstellingen van de geleerden van deze eeuw, die slechts discussiëren of iets is en zolang zij dat doen, niet kunnen weten dat het is en nog minder wat het is.

 

3748. Er was een zekere geest, die toen hij in de wereld leefde, bij het grote publiek als een geleerde bekend stond; hij had een geraffineerde aard om valsheden te bevestigen en was uiterst stom wat de goedheden en waarheden betreft. Hij verbeeldde zich, zoals hij eerder in de wereld deed, dat hij alles wist, want zulke mensen houden zich voor het toppunt van de wijsheid en geloven dat niets voor hen verborgen is; en zoals zij in het leven van het lichaam waren, zo zijn zij in het andere leven; want alle dingen die tot iemands leven behoren – dat wil zeggen, die tot zijn liefde en aandoening behoren – volgen hem en zijn in hem als de ziel in haar lichaam, aangezien hij door deze dingen zijn ziel, wat haar aard betreft, gevormd heeft. Deze mens, die toen een geest was, kwam tot mij en sprak met mij en daar hij van dien aard was, vroeg ik hem: ‘Wie heeft meer inzicht, iemand die vele valsheden weet of hij die een weinig van het ware weet’.

 

Hij antwoordde: ‘Die een weinig van het ware weet’, aangezien hij meende dat de valsheden die hij kende, waarheden waren en dat hij dus een wijze was. Daarna wilde hij redeneren over de Grootste Mens en over de daaruit voortvloeiende invloeing in elk van de dingen bij de mens. Maar aangezien hij er niets van verstond, vroeg ik hem, hoe hij het opvatte, dat de gedachte die geestelijk is, het gehele gelaat beweegt en een gedaante van zich vertoont; en ook alle organen van de spraak beweegt en wel duidelijk onderscheiden tot de geestelijke gewaarwording van die gedachte; en dat de wil de spieren van het gehele lichaam beweegt en de duizenden vezels, die daar doorheen verspreid liggen, voor een enkele handeling, gezien het feit dat hetgeen beweegt geestelijk is en datgene wat bewogen wordt lichamelijk.

 

Maar hij wist niet wat te antwoorden. Verder sprak ik over het streven en vroeg hem of hij wist, dat het streven de handelingen en bewegingen voortbrengt en dat in handeling en beweging het streven moet zijn, opdat zij bestaan en blijven bestaan. Hij zei dat hij dit niet wist; vandaar werd hem gezegd, hoe hij dan wilde redeneren, wanneer hij zelfs niet eens de beginselen wist en hem werd gezegd, dat het dan met de redenering gesteld is als met los zand zonder enige samenhang, dat de valsheden zozeer uiteendrijven, dat men tenslotte niets weet en dus niets gelooft.

 

3749. Een zekere geest kwam onverwachts tot mij en vloeide in mij hoofd – geesten worden ook naar de invloeiing in de delen van het lichaam onderscheiden – ik verwonderde mij daarover, wie en vanwaar hij was; maar nadat hij enige tijd het stilzwijgen had bewaard, zeiden de engelen die bij mij waren, dat hij was genomen uit de geesten, die bij een nog in de wereld levende geleerde waren en deze geleerde had een buitengewone faam van geleerdheid verworven. Door tussenkomst van deze geest werd toen ook gemeenschap met het denken van die man gegeven.  Ik vroeg de geest, welke voorstelling deze geleerde kon hebben van de Grootste Mens en van diens invloeiing en van voorstelling deze man van de hemel had; hij zei, dat hij er geen kon hebben.

 

Daarna vroeg ik hem, welke voorstelling deze man van de hemel had; hij zei, dat hij er geen enkele had, alleen maar lasteringen, zoals bijvoorbeeld dat ze daar muziekinstrumenten spelen zoals de dorpelingen gewoonlijk gebruiken om herrie mee te maken; en toch staat die man in aanzien boven anderen en wordt geacht te weten wat invloeiing is en wat de ziel en wat haar verkeer met het lichaam, misschien wordt hij ook geacht, beter dan anderen te weten wat de hemel is. Hieruit kan blijken, van welke aard diegenen heden ten dage zijn, die anderen onderwijzen, namelijk dat zij uit louter ergernissen bestaan tegen de goedheden en waarheden van het geloof, hoewel zij iets anders verkondigen.

 

3750. Welke voorstelling van de hemel ook diegenen hebben, die boven alle anderen geacht worden gemeenschap met de hemel en de daaruit voortvloeiende invloeiing te hebben, werd mij eveneens op levende wijze getoond. Zij die boven het hoofd verschijnen, zijn degenen die zich in de wereld wilden laten vereren als goden en bij wie de eigenliefde tot de top was opgevoerd langs graden van macht en tot de top door een daaruit voortvloeiende denkbeeldige vrijheid; en zij zijn tevens zeer listig onder de schijn van onschuld en van liefde tot de Heer. Zij verschijnen in de hoogte boven het hoofd vanwege de fantasie van de hoogte, toch zijn zij onder de voeten in de hel. Een van hen liet zich tot mij neer en door anderen werd gezegd dat hij in de wereld paus was geweest. Hij sprak heel hoffelijk met mij; eerst over Petrus en zijn sleutels, die hij meende zelf gehad te hebben. Maar toen hij ondervraagd werd over de macht om naar zijn welbehagen wie ook maar in de hemel te brengen, had hij van de hemel een zo grove voorstelling, dat hij iets als een deur uitbeeldde die toegang gaf; hij zei dat hij die deur kosteloos geopend had voor de armen, maar dat de rijken naar hun vermogen geschat waren, en dat hetgeen zij gegeven hadden, heilig was.

 

Toen hem werd gevraagd of hij geloofde, dat zij, die hij binnengelaten had, daar blijven zouden, zei hij, dat hij dit niet wist, maar zo niet, dat zij dan van daar weer weggingen. Hem werd verder gezegd dat hij hun innerlijke dingen niet kon weten, namelijk of zij waardig waren en dat zij misschien rovers waren die in de hel zouden komen. Hij zei, dat hij zich daarom niet bekommerd had en dat wanneer zij niet waardig waren, zij weer uitgezet konden worden. Maar het werd hem geleerd, wat onder de sleutels van Petrus werd verstaan, namelijk het geloof van de liefde en van de naastenliefde; en dat, aangezien de Heer alleen zo’n geloof geeft, het de Heer alleen is, die in de hemel binnenleidt; en dat Petrus aan niemand verschijnt en dat hij een eenvoudige geest is die niet meer macht heeft dan een ander. Hij had van de Heer geen andere mening dan dat Hij vereerd moest worden voor zoveel Hij een dergelijke macht geeft; maar wanneer Hij die niet zou geven, werd waargenomen dat hij dacht, dat Hij niet langer vereerd moest worden.

 

Toen verder met hem gesproken werd over de innerlijke mens, had hij daarover een onreine voorstelling. Er werd mij op aanschouwelijke wijze getoond, met welke vrijheid, volheid en verlustiging hij ademhaalde, wanneer hij op zijn troon in het consistorie zat en geloofde te spreken vanuit de Heilige Geest. Hij werd in een dergelijke staat gebracht waarin hij was, toen hij zich daar bevond – want in het andere leven kan eenieder gemakkelijk gebracht worden in de staat van leven, die hij in de wereld had, aangezien die staat van leven eenieder na de dood bijblijft – en zijn ademhaling werd aan mij meegedeeld, zoals hij die toen had; deze ademhaling was vrij, met welbehagen, langzaam, regelmatig en de borst vullend; maar wanneer hij werd tegengesproken, was er in de buik door het voortgaan van de ademhaling iets dat leek zich om te rollen en te kruipen; en wanneer hij meende, dat wat hij uitsprak Goddelijk was, werd hij dat gewaar door een bepaalde meer stille en als het ware daarmee instemmende ademhaling.

 

Daarna werd mij getoond, door wie zulke pausen dan geregeerd worden, namelijk door een bende van sirenen, die boven het hoofd zijn en die zich vervuld hebben met een natuur en een leven, die daarin bestaan, zich in te dringen in alle mogelijke aandoeningen met de bedoeling om te heersen en anderen aan zich te onderwerpen en wie zij maar kunnen te verderven ter wille van henzelf; daartoe dient hen de heiligheid en de onschuld als middel; zij zijn voor henzelf bevreesd en handelen voorzichtig; maar wanneer de gelegenheid zich voordoet, storten zij zich uit eigenbelang in wreedheden zonder enige barmhartigheid.

 

Einde hoofdstuk achtentwintig.