Hemelse Verborgenheden – Genesis hoofdstuk 28

 .………………………………………………….…………………………………………………………………………………………………………….……

 Digitale uitgave Swedenborg Boekhuis 2015 – www.swedenborg.nl

 

Dat het noorden en het westen in de tegenovergestelde zin het valse en boze betekenen, kan uit de volgende plaatsen blijken; bij Jeremia: ‘Het woord van Jehovah geschiedde ten tweede maal tot mij, zeggende: Wat ziet gij. Ik zei: Ik zie een open pot en zijn aangezichten zijn tegen het noorden; en Jehovah zei: Van het noorden zal het boze geopend worden over alle inwoners des lands; want zie, Ik zal alle familiën van het noorden roepen, opdat zij komen’, (Jeremia 1:13-15). Bij dezelfde: ‘Werpt de banier, komt tezamen, blijft niet staan, want Ik breng het boze van het noorden en een breuk’, (Jeremia 4:6). Bij dezelfde: ‘Ziet, er komt een stem des geruchts en een groot tumult uit het land van het noorden, om de steden van Jehudah te stellen tot een verwoesting’, (Jeremia 10:22).

 

Bij dezelfde: ‘Blaast de bazuin te Thekoa, want het boze kijkt uit het noorden en een grote breuk; ziet, er komt een volk uit het land van het noorden en een grote natie zal opgewekt worden van de zijden der aarde’, (Jeremia 6:1,22). Bij dezelfde: ‘Ik nam de beker uit de hand van Jehovah en ik deed drinken al de natiën, Jeruzalem en de steden van Jehudah en haar koningen, Farao, de koning van Egypte en de ganse westerse schare, alle koningen van Arabië en alle koningen van het westen die in de woestijn wonen en alle koningen en alle koningen van het noorden, die nabij en verre zijn’, (Jeremia 25:17-26). Bij dezelfde: ‘De snelle zal niet ontvlieden en de sterkte zal niet ontkomen; tegen het noorden, aan de oever van de rivier Eufraat zijn zij gestruikeld en gevallen.

 

Wie is deze, die optrekt als een rivier. Egypte trekt op als een rivier, want hij zegt: Ik zal optrekken, ik zal de aarde bedekken, ik zal de stad en die daarin wonen, verderven. Maar deze dag is des Heren Jehovih Zebaoth, een dag der wrake, want de Heer Jehovih heeft een slachtoffer in het land van het noorden, aan de rivier Eufraat. Egypte is een zeer schone vaarze; de ondergang komt van het noorden. De dochter van Egypte is beschaamd; zij is gegeven in de hand des volks van het noorden’, (Jeremia 46:6-8,10,20,24). Bij dezelfde: ‘Zo zei Jehovah: Ziet, de wateren komen op van het noorden en zullen worden tot een overstromende rivier en overlopen het land en de volheid van dezelve, de stad en die daarin wonen’, (Jeremia 47:2). Bij dezelfde: Jehovah heeft gesproken tegen Babel: Een natie komt van het noorden tegen haar op; deze zal haar land zetten in verlating, dat er geen inwoner in haar zij’, (Jeremia 50:3).

 

Bij dezelfde: ‘Ziet, Ik zal een vergadering van grote natiën uit het land van het noorden tegen Babel verwekken en doen opklimmen, en zij zullen zich tegen haar rusten; van daar zal zij genomen worden. Ziet, daar komt een volk uit het noorden en een grote natie en vele koningen zullen uit de zijden der aarde opgewekt worden’, (Jeremia 50:9,41). Bij dezelfde: ‘Dan zullen de hemel en de aarde en al wat daarin is, zingen over Babel, want uit het noorden zullen haar verwoesters komen’, (Jeremia 51:48). Bij Ezechiël: ‘Zeg tot Gog: Gij zult komen uit uw plaats, uit de zijden van het noorden en vele volken met u; gij zult optrekken tegen Mijn volk Israël, als een wolk, om het land te bedekken’, (Ezechiël 38:14-16).

 

Bij dezelfde: ‘Ziet, Ik ben tegen u, o Gog, vorst, Ik zal u omwenden en u zessendelen en u doen optrekken van de zijden van het noorden en Ik zal u brengen op de bergen Israëls; op de bergen Israëls zult gij vallen, op de aangezichten des velds zult gij vallen’, (Ezechiël 39:1,2,4,5). Bij Zacharia: ‘Hui, vliedt uit het land van het noorden, spreekt Jehovah, want Ik zal ulieden uitbreiden als de vier winden der hemelen; hui, Zion, ontkomt gij, die woont met de dochter van Babel’, (Zacharia 2:6,7).  

 

Hieruit blijkt duidelijk, wat door het noorden in de tegenovergestelde zin wordt aangeduid, namelijk het valse, waaruit het boze voorkomt en het valse dat van het boze komt. Aangezien het valse, waaruit het boze voorkomt, zijn oorsprong ontleent aan de redenering over de Goddelijke dingen en tegen de Goddelijke dingen vanuit de wetenschappelijke dingen, die tot de natuurlijke mens behoren, daarom wordt van het volk van het noorden gezegd, dat het uit Egypte is - dat Egypte een dergelijk wetenschappelijke is, zie de nrs. 1164, 1165, 2588. Aangezien het valse dat uit het boze voortkomt, zijn oorsprong ontleent aan een schijnbaar heilige uiterlijke eredienst, waarvan de innerlijke dingen profaan zijn, wordt het ‘de natie van het noorden uit Babel’ genoemd – dat Babel zo’n eredienst is, zie de nrs. 1182, 1283, 1295, 1304, 1306, 1307, 1308, 1321, 1322, 1326; dat het ook Babel is dat verwoest, nr. 1327.

 

Beide, namelijk het valse waaruit het boze voortkomt en het valse dat uit het boze voorkomt, wordt ‘uit Gog afkomstig’ genoemd, want Gog is de eredienst in uiterlijke dingen zonder het innerlijke en vandaar afgodisch, zoals die van de Joden steeds was. Dat Gog een dergelijke eredienst is, zie nr. 1151. Uit het duistere, dat tot de natuurlijke mens behoort, komt zowel het ware voort als het valse; wanneer de mens zich laat verlichten door de Heer door middel van het Woord, wordt het duistere van hem licht, want er wordt een innerlijke weg geopend en zo vindt dus een invloeiing en verbinding plaats door de Heer door middel van de hemel. Maar wanneer hij zich niet door de Heer laat verlichten door middel van het Woord, maar zich door zijn eigen inzicht verlicht, wordt het duistere van hem donker, dus vals, want de innerlijke weg wordt gesloten en er vindt geen invloeiing en verbinding plaats door de Heer door middel van de hemel, dan alleen een zodanige, dat hij naar de uiterlijke vorm als mens verschijnen kan, terwijl hij vanuit het boze en valse denkt en ook handelt; vandaar komt het, dat het noorden bij eerstgenoemden het ware en bij laatstgenoemden het valse betekent; want de eerstgenoemden stijgen uit het duistere op, dat wil zeggen, zij worden tot het licht opgeheven; maar laatstgenoemden, degenen die zich dus niet laten verlichten, dalen van het duistere neer, dat wil zeggen, zij verwijderen zich van het licht; en zo worden dus degenen die zich laten verlichten naar het zuiden gedragen, en degenen die zich niet laten verlichten, naar de helse regionen.

 

Dat het noorden de duisternis van het valse is en het zuiden het licht van het ware, komt heel duidelijk uit bij Daniël, waar gehandeld wordt over de ram en de geitenbok en ook over de koning van het zuiden en over de koning van het noorden. Over de ram en de geitenbok, dat ‘de ram met de hoornen stiet tegen het westen en tegen het noorden en tegen het zuiden, zodat alle beesten niet voor hem konden bestaan; en dat een geitenbok kwam van het westen over alle aangezichten der aarde; en uit een van zijn hoornen kwam voort een hoorn, die zeer uitgroeide tegen het zuiden en tegen het oosten en tegen het sierlijke’, (Daniël 8:4,5,9). Over de koning van het zuiden en over de koning van het noorden, waar door de koning van het zuiden diegenen worden aangeduid, die in de erkentenissen van het ware zijn en door de koning van het noorden diegenen die in het valse zijn, ‘dat op het einde der jaren zij zich elkaar zullen aansluiten, zodat de dochter van de koning van het zuiden zal komen tot de koning van het noorden, om billijke voorwaarden te maken, maar haar arm zal geen kracht verkrijgen; uit de stam zal er een opstaan, die komen zal in de vesting van de koning van het noorden en zal de overhand hebben en zal in gevangenschap heenbrengen naar Egypte; de koning van het zuiden zal in het koninkrijk komen en zal strijden tegen de koning van het noorden; de koning van het noorden zal wederkeren en hij zal een grotere menigte dan de eerste was, oprichten; velen zullen staan tegen de koning van het zuiden; de koning van het noorden zal komen en de vaste stad innemen en vele dingen vernietigen; de koning van het zuiden zal zich in de strijd mengen met een groot heir, doch hij zal niet bestaan, want zij zullen gedachten tegen hem denken.  

 

Daarna zal hij wederkeren, doch het zal niet zijn gelijk eerder; het volk dergenen die hun God kennen, zullen zich bevestigen; tenslotte, op de tijd van het einde, zal de koning van het zuiden met hem in botsing komen; daarom zal de koning van het noorden als een wervelwind tegen hem aanstormen, met wagen en met ruiteren; in het land des sieraads zullen velen vallen; maar de geruchten van het oosten en van het noorden zullen hem verschrikken, zodat hij zal uittrekken met een grote toorn; hij zal tot zijn einde komen en zal geen helper hebben’, (Daniël 11:1). Dat de koning van het zuiden diegenen zijn die in het licht van het ware zijn en de koning van het noorden diegenen die eerst in de schaduw en daarna in de duisternis van het valse zijn, kan hier uit elke bijzonderheid blijken; dat dus de staat van de Kerk, hoe zij geleidelijk aan ontaardt, beschreven wordt.

Zij worden koningen van het zuiden en van het noorden genoemd, omdat door koningen in de innerlijke zin van het Woord waarheden worden aangeduid en in de tegenovergestelde zin de valsheden, nrs. 1672, 2015, 2069; en door koninkrijken de dingen die tot het ware behoren en in de tegenovergestelde zin de dingen die tot het valse behoren, nrs. 1672, 2547.

 

3709. Dat de woorden ‘in u zullen alle familiën des aardbodems gezegend worden’ betekenen, dat alle waarheden van het goede van de leer met het goede verbonden zullen worden, blijkt uit de betekenis van gezegend worden, namelijk verbonden worden, waarover de nrs. 3504, 3514, 3530, 3565, 3584; uit de betekenis van de familiën, namelijk de goedheden en ook de waarheden van het goede, waarover de nrs. 1159, 1261; en uit de betekenis van de aardbodem, namelijk datgene, wat tot de Kerk behoort: dus de leer van het goede en ware in de natuurlijke of uiterlijke mens, die hier door Jakob wordt uitgebeeld, waarover de nrs. 268, 566, 990, 3671. Hieruit blijkt duidelijk, dat ‘in u zullen alle familiën des aardbodems gezegend worden’ betekent, dat alle waarheden van het goede van de leer met het goede verbonden zullen worden. De waarheden van het goede van de leer zijn de leerstellige dingen van de liefde tot de Heer en van de naastenliefde jegens de naaste, waarvan gezegd wordt, dat zij verbonden worden met het goede in de natuurlijke mens, wanneer het een genoegen en welbehagen is, die te weten en om ze te doen.

 

3710. Dat de woorden ‘en in uw zaad’ betekenen: en met het ware, namelijk, dat zij daarmee verbonden zouden worden, blijkt uit de betekenis van het zaad, namelijk het ware, waarover de nrs. 29, 1025, 1447, 1610, 2848, 3373.

 

3711. Dat de woorden ‘zie, Ik ben met u’ het Goddelijke betekenen en ‘Ik zal u behoeden overal waarheen gij gaan zult’ de Goddelijke Voorzienigheid, blijkt hieruit, dat ‘Ik’ hier Jehovah is, dus het Goddelijke van de Heer; en uit de betekenis van ‘behoeden overal waarheen gij gaan zult’ namelijk de Voorzienigheid uit het Goddelijke; en aangezien gehandeld wordt over de Heer, is het de Goddelijke Voorzienigheid. Onder het Goddelijke en de Goddelijke Voorzienigheid wordt hier verstaan, dat de Heer ook Zijn Natuurlijke Goddelijk zou maken.

 

3712. Dat de woorden ‘en Ik zal u wederbrengen tot deze aardbodem’ de verbinding betekenen met de Goddelijke Leer, blijkt uit de betekenis van wederbrengen, namelijk opnieuw verbinden; en uit de betekenis van de aardbodem, namelijk de leer van het goede en ware in de natuurlijke mens, waarover de nrs. 268, 566, 990; hier de Goddelijke Leer, want door het verblijf van Jakob bij Laban worden de middelen aangeduid die tussenbeide komen, waardoor de Heer Zijn Natuurlijke Goddelijk maakte; en door het wederbrengen of de terugkeer van Jakob naar het land Kanaän wordt het einde aangeduid van de middelen die tussenbeide kwamen, namelijk dat de Heer Zijn Natuurlijke Goddelijk had gemaakt. Zo wordt dus door de woorden ‘Ik zal u wederbrengen tot deze aardbodem’ de verbinding aangeduid met de Goddelijke Leer.

 

De Goddelijke Leer is het Goddelijk Ware en het Goddelijk Ware is het gehele Woord van de Heer; de Goddelijke Leer zelf is het Woord in de hoogste zin, waarin enig en alleen over de Heer gehandeld wordt, daarvandaan is de Goddelijke Leer het Woord in de innerlijke zin, waarin gehandeld wordt over het rijk van de Heer in de hemelen en op aarde; de Goddelijke Leer is ook het Woord in de letterlijke zin, waarin gehandeld wordt over de dingen die in de wereld en op aarde zijn. En daar de letterlijke zin in zich de innerlijke zin bevat en deze de hoogste zin en de letterlijke zin geheel en al daarmee overeenstemt door middel van uitbeeldende en aanduidende dingen, is daarom ook de uit de letterlijke zin voortvloeiende leer Goddelijk. Aangezien Jakob het Goddelijk Natuurlijke van de Heer uitbeeldt, beeldt hij ook het Woord ten aanzien van de letterlijke zin uit, want dat de Heer het Woord is, dat wil zeggen, al het Goddelijk Ware, is bekend.

 

Het is met het natuurlijke van het Woord niet anders gesteld dan met de letterlijke zin ervan, want deze is in betrekkelijke zin genomen een wolk – zie voorrede tot het 18de hoofdstuk – terwijl het met de redelijke of met het geestelijk innerlijke van het Woord, zo gesteld is als met de innerlijke zin; en daar de Heer het Woord is, kan men zeggen, dat de innerlijke zin werd uitgebeeld door Izaäk, maar de hoogste zin door Abraham. Hieruit blijkt duidelijk, wat de verbinding met de Goddelijke Leer is, wanneer het betrekking heeft op het Goddelijk Natuurlijke van de Heer, dat wordt uitgebeeld door Jakob. Het is zeker niet zo gesteld in de Heer met deze dingen, want alles is in Hem het Goddelijk Goede, maar niet het Goddelijk Ware, nog minder het Goddelijk Natuurlijk Ware; maar het Goddelijk Ware is het Goddelijk Goede, dat verschijnt in de hemel voor de engelen en op aarde voor de mensen en hoewel het een verschijning is, is het niettemin het Goddelijk Ware, omdat het van het Goddelijk Goede uitgaat, zoals het licht tot de zon behoort, omdat het van de zon uitgaat, nr. 3704.

 

3713. Dat de woorden ‘want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik zal gedaan hebben, hetgeen Ik tot u gesproken heb’ betekenen, dat niets zal ontbreken of het zal zijn werking hebben, kan zonder verklaring blijken.

 

3714. vers 16,17. En Jakob ontwaakte uit zijn slaap en hij zei: Gewisselijk is Jehovah in deze plaats en ik heb het niet geweten. En hij vreesde en hij zei: Hoe verschrikkelijk is deze plaats; dit is niets dan het huis Gods en dit is de poort des hemels. Jakob ontwaakte uit zijn slaap, betekent de verlichting; en hij zei: Gewisselijk is Jehovah in deze plaats, betekent het Goddelijke in die staat; en ik heb het niet geweten, betekent in het duistere; en hij vreesde, betekent een heilige ontsteltenis; en hij zei: Hoe verschrikkelijk is deze plaats, betekent het heilige van de staat; dit is niets dan het huis Gods, betekent het rijk van de Heer in het laatste van de orde; en dit is de poort des hemels, betekent het laatste, waarin de orde eindigt, door welk laatste er schijnbaar vanuit de natuur een ingang is.

 

3715. Dat de woorden ‘Jakob ontwaakte uit zijn slaap’ de verlichting betekenen, blijkt uit de betekenis van de slaap, namelijk een duistere staat in vergelijking met het wakker zijn, wat een lichtvolle staat is; vandaar is ‘uit de slaap ontwaken’ in de innerlijke zin verlicht worden.  

 

3716. Dat de woorden ‘en hij zei: Gewisselijk is Jehovah in deze plaats’ het Goddelijke in die staat betekenen, blijkt uit de betekenis van zeggen in de historische gedeelten van het Woord, namelijk innerlijk gewaarworden, waarover herhaaldelijk eerder; uit de betekenis van plaats, namelijk de staat, nrs. 1273-1275, 1377, 2625, 2837, 3356, 3387; dat Jehovah het Goddelijke is, is duidelijk; hieruit blijkt duidelijk dat door de woorden ‘hij zei: Gewisselijk is Jehovah in deze plaats’ de innerlijke gewaarwording wordt aangeduid dat het Goddelijke in deze staat is.

 

3717. Dat de woorden ‘en ik heb het niet geweten’ in het duistere betekenen, kan zonder verklaring blijken; want niet weten en onwetend zijn is het duistere ten aanzien van die dingen die tot het verstandelijk gezicht behoren. Uit ‘niet weten’ of ‘onwetend zijn’, namelijk het duistere, maar ook ‘ontwaken uit de slaap’ namelijk verlicht worden, blijkt duidelijk, wat en hoe de innerlijke zin is, namelijk dat de dingen die tot de letterlijke zin behoren, zulke dingen zijn als voor het uiterlijk gezicht of voor elk ander zintuig verschijnen en ook overeenkomstig deze zintuigen worden begrepen; terwijl de dingen, die tot de innerlijke zin behoren, zulke dingen zijn als voor het innerlijk gezicht of voor een ander zintuig daar verschijnen. Daardoor worden dezelfde dingen die in de letterlijke zin zijn en door de mens worden begrepen overeenkomstig zijn uitwendige zintuigen – dat wil zeggen, overeenkomstig de dingen die in de wereld zijn, of overeenkomstig de daaruit voortvloeiende voorstelling – door de engelen innerlijk ontwaard overeenkomstig hun innerlijke zintuigen, dat wil zeggen, overeenkomstig de dingen die in de hemel zijn of overeenkomstig de daaruit voortvloeiende voorstelling.

 

Deze dingen verhouden zich tot elkaar als de dingen in het licht van de wereld tot die in het licht van de hemel; de dingen die in het licht van de wereld zijn, zijn dood in vergelijking met die, welke in het licht van de hemel zijn; want in het licht van de hemel is wijsheid en inzicht door de Heer, nrs. 3636, 3643; wanneer dan ook die dingen, die tot het licht van de wereld behoren, worden uitgewist of verdreven, blijven die dingen, die tot het licht van de hemel behoren, dus in de plaats van aardse dingen, hemelse dingen en in de plaats van natuurlijke dingen, geestelijke dingen; zo is het dan dat – zoals eerder gezegd – ‘niet weten’ en ‘onwetend zijn’ wil zeggen: in een duistere staat zijn ten aanzien van het goede en ware; en ‘uit de slaap ontwaken’ verlicht worden, evenzo in alle andere dingen.

 

3718. Dat de woorden ‘en hij vreesde’ een heilige ontsteltenis betekenen, blijkt uit de betekenis van de vrees, namelijk een heilige ontsteltenis, zoals duidelijk blijkt uit wat direct daarna volgt, want hij zegt: ‘Hoe verschrikkelijk is deze plaats; dit is niets dan het huis Gods en dit is de poort des hemels’ en het kan duidelijk zijn, dat in deze woorden een heilige ontsteltenis gelegen is. Wat vrees in de innerlijke zin is, zie nr. 2826. Er zijn in het algemeen twee soorten van vrees: vrees in het niet heilige en vrees in het heilige. Vrees in het niet heilige is die waarin de bozen zijn en vrees in het heilige is die waarin de goeden zijn. Deze vrees, namelijk die waarin de goeden zijn, wordt heilige vrees genoemd en behoort tot de bewondering voor het Goddelijke en ook tot de liefde; Liefde zonder heilige vrees is als het ware iets smakeloos, of als een spijs waarin niets zouts is en vandaar geen smaak; maar de liefde met vrees is als het ware een gezouten spijs, die evenwel niet naar zout smaakt. De vrees van de liefde is de vrees, dat de Heer niet op de een of andere wijze beledigd, noch de naaste op de een of andere wijze beledigd zal worden, dus niet het goede en ware op de een of andere wijze en dus het heilige van de liefde en van het geloof en vandaar de eredienst. Maar deze vrees is verschillend en niet dezelfde bij de ene mens als bij de andere.  

 

In het algemeen genomen, voor zoveel liefde van het goede en ware iemand heeft, heeft hij vrees, dat het goede en ware beledigd wordt, maar toch verschijnt dit niet even zoveel als vrees. Daarentegen hoe minder liefde van het goede en ware iemand heeft, des te minder vrees daarvoor en des te meer verschijnt dit niet als liefde maar als vrees; vandaar bij zulke mensen de vrees voor de hel. Maar daar, waar niets van liefde van het goede en ware is, daar is niets van heilige vrees, maar slechts vrees voor het verlies van eer, gewin en de roem die beide verschaffen en verder de vrees voor straffen en voor de dood; deze vrees is uiterlijk en doet voornamelijk het lichaam en de natuurlijke mens aan en zijn gedachten; maar de eerstgenoemde vrees, namelijk de heilige vrees, doet voornamelijk de geest of de innerlijke mens aan en diens geweten. 3719. Dat de woorden ‘en hij zei: Hoe verschrikkelijk is deze plaats’ het heilige van de staat betekenen, blijkt uit de betekenis van de vrees, namelijk heilige ontsteltenis, waarover nr. 3718; en daar het woord ‘verschrikkelijk’ in de oorspronkelijke taal van hetzelfde woord is afgeleid, waaruit het woord ‘vrees’ komt, is het de heiligheid, die daarmee wordt aangeduid.

En aangezien de vrees in de innerlijke zin het heilige betekent, zoals kort hiervoor werd gezegd, wordt door hetzelfde woord in de oorspronkelijke taal ook de verering en de eerbied aangeduid, die eveneens heilige vrees zijn; en uit de betekenis van de plaats, te weten de staat, waarover kort hiervoor in nr. 3716.

 

3720. Dat de woorden ‘dit is niets dan het huis Gods’ het rijk van de Heer betekenen in het laatste van de orde, blijkt uit de betekenis van het huis Gods. Op vele plaats wordt in het Woord het huis Gods vermeld en in de uiterlijke zin of volgens de letter betekent het een bedehuis, waar de heilige eredienst gehouden wordt; maar in de innerlijke zin betekent het de Kerk en in meer algemene zin de hemel en in de meest omvattende zin het rijk van de Heer; in de hoogste zin betekent het echter de Heer Zelf ten aanzien van het Goddelijk Menselijke. Maar in het Woord wordt nu eens Huis Gods en dan weer Tempel gezegd: beide betekenen hetzelfde, maar met dit verschil, dat Huis Gods gezegd wordt, daar waar over het goede wordt gehandeld, maar Tempel daar, waar over het ware wordt gehandeld.

 

Hieruit blijkt duidelijk, dat door het Huis Gods, de hemelse Kerk van de Heer wordt aangeduid en in meer algemene zin de hemel van de hemelse engelen, in de meest omvattende zin het hemelse rijk van de Heer en in de hoogste zin de Heer ten aanzien van het Goddelijk Goede. En dat door de Tempel de geestelijke Kerk van de Heer wordt aangeduid en in meer algemene zin de hemel van de geestelijke engelen en in de meest omvattende zin het geestelijk rijk van de Heer en in de hoogste zin de Heer ten aanzien van het Goddelijk Ware, nr. 2048. Dat het Huis Gods, het hemelse betekent, dat tot het goede behoort en de Tempel het geestelijke dat tot het ware behoort, komt omdat het huis in het Woord het goede betekent, zie de nrs. 710, 2233, 2234, 2559, 3128, 3652 en omdat het bij de Oudsten uit hout gebouwd werd, aangezien het hout het goede betekende, nrs. 643, 1110, 2784, 2812. De tempel betekent echter het ware, omdat hij gebouwd werd uit stenen; en dat stenen waarheden zijn, zie de nrs. 643, 1296, 1298. Dat hout en stenen dergelijke dingen betekenen, blijkt niet alleen uit het Woord, waar zij genoemd worden, maar ook uit de uitbeeldingen in het andere leven; want degenen die verdienste stellen in goede werken, komen zichzelf voor alsof zij hout zagen; en zij die verdienste stellen in waarheden, namelijk dat zij zichzelf boven anderen in waarheden onderlegd geloofden en evenwel boos leefden, komen zichzelf voor alsof zij stenen houwen; deze dingen heb ik vaak gezien.  

 

Hieruit kon het voor mij vaststaan, wat de betekenis van hout en steen is, namelijk dat die van hout het goede is en die van steen het ware. Eveneens ook hieruit, dat wanneer ik een houten huis zag, zich terstond de voorstelling van het goede voordeed en wanneer ik een stenen huis zag, zich de voorstelling van het ware voordeed. Daarover ben ik ook door de engelen onderwezen. Dit is de reden waarom, wanneer in het Woord melding wordt gemaakt van het Huis Gods, zich aan de engelen de voorstelling van het goede voordoet en wel van een dergelijk goede als waarover in dat verband gehandeld wordt en waarom, wanneer er van de Tempel melding wordt gemaakt, zich de voorstelling van het ware voordoet en wel van een dergelijk ware als waarover in dat verband gehandeld wordt. Hieruit kan men ook opmaken, hoe ver en diep binnenin de hemelse verborgenheden in het Woord verscholen liggen.

 

Dat door het huis Gods hier het rijk van de Heer in het laatste van de orde wordt aangeduid, komt omdat over Jakob gehandeld wordt en dat door hem het Goddelijk Natuurlijke van de Heer wordt uitgebeeld, werd eerder herhaaldelijk aangetoond. Het natuurlijke ligt in het laagste van de orde, want daarin vinden alle meer innerlijke dingen hun grens en zijn daar tezamen; en omdat zij daar tezamen zijn en dus zo ontelbare dingen daar tezamen als één worden gezien, is het daar betrekkelijk duister; over het betrekkelijk duistere daar, werd eerder eveneens enige malen gehandeld.

 

3721. Dat de woorden ‘en dit is de poort des hemels’ het laatste betekenen, waarin de orde eindigt, door welk laatste er schijnbaar vanuit de natuur een ingang is, blijkt uit de betekenis van de poort, namelijk datgene waardoor uitgang en ingang is. Dat zij hier het laatste is waarin de orde eindigt, komt omdat gehandeld wordt over het natuurlijke, dat door Jakob wordt uitgebeeld. Wat een poort is, blijkt uit hetgeen in de nrs. 2851, 3187 werd gezegd en aangetoond; en dat het natuurlijke het laatste van de orde is, uit wat in de nrs. 775, 2181, 2987-3002, 3020, 3147, 3167, 3483, 3489, 3513, 3570, 3576, 3671 werd aangehaald. Dat er door dit laatste schijnbaar vanuit de natuur als het ware een ingang is, komt omdat het bij de mens het natuurlijk gemoed is, waardoor de dingen die van de hemel zijn, dat wil zeggen, van de Heer, invloeien en neerdalen in de natuur en door ditzelfde gemoed de dingen die tot de natuur behoren, opklimmen, nr. 3702. Dat het echter schijnbaar een ingang is vanuit de natuur door middel van het natuurlijk gemoed in de innerlijke dingen, kan blijken uit wat eerder hier en daar gezegd en aangetoond werd.

 

Het schijnt de mens toe, dat de voorwerpen van de wereld door de zintuigen van zijn lichaam of de uiterlijke zintuigen binnentreden en de innerlijke dingen aandoen en dat er op deze wijze van het laatste van de orde een ingang is in de dingen die binnenin zijn, maar dat dit schijn en begoocheling is, blijkt duidelijk uit de algemene regel, dat de latere dingen niet in de eerdere kunnen vloeien, of wat hetzelfde is, de lagere niet in de hogere, of wat hetzelfde is, de uiterlijke niet in de innerlijke, of wat ook hetzelfde is, de dingen die van de wereld en van de natuur, niet in de dingen die van de hemel en van de geest zijn; want de eerstgenoemde zijn grover en de laatstgenoemden puurder; en die grovere dingen, die tot de uiterlijke of natuurlijke mens behoren, bestaan en blijven bestaan door die dingen, die tot de innerlijke of redelijke mens behoren en zij kunnen de meer reine dingen niet aandoen, maar worden aangedaan door de meer reine dingen. Hoe het intussen met deze invloeiing gesteld is, aangezien de schijn zelf en de begoocheling zelf geheel en al het tegendeel betuigen, zal door de Goddelijke barmhartigheid van de Heer afzonderlijk gezegd worden, daar waar over de invloeiing gehandeld wordt.  Daar komt het nu vandaan, dat gezegd wordt, dat er door het laatste, waarin de orde eindigt, schijnbaar als het ware een ingang is vanuit de natuur.

 

3722. vers 18,19. En Jakob stond des morgens vroeg op en hij nam de steen, die hij tot zijn hoofdpeluw gesteld had en zette hem tot een opgericht teken en hij goot olie op het hoofd daarvan. En hij noemde de naam van die plaats Bethel; en evenwel was Lus de naam van de stad tevoren. Jakob stond des morgens vroeg op, betekent de staat van verlichting; en hij nam de steen, betekent het ware; die hij tot zijn hoofdpeluw gesteld had, betekent waarmee gemeenschap met het Goddelijke was; en zette hem tot een opgericht teken, betekent de heilige grens; en hij goot olie op het hoofd daarvan, betekent het heilig goede, waaruit het voortkwam; en hij noemde de naam van die plaats Bethel, betekent de hoedanigheid van de staat; en evenwel was Lus de naam van de stad tevoren, betekent de hoedanigheid van de vorige staat.

 

3723. Dat de woorden ‘Jakob stond des morgen vroeg op’ de staat van verlichting betekenen, blijkt uit de betekenis van ’s morgens vroeg opstaan, namelijk de staat van verlichting, waarover nr. 3458; want waar in het Woord ‘opstaan’ wordt vermeld, sluit het iets van verheffing in zich, nrs. 2401, 2785, 2912, 2927, 3171; en de morgen betekent de komst van het hemelse licht, dus hier de verheffing vanuit het duistere in het licht, en dus de staat van verlichting.

 

3724. Dat de woorden ‘en hij nam de steen’ het ware betekenen, blijkt uit de betekenis van de steen, namelijk het ware, waarover de nrs. 1296, 1298, 3720.

 

3725. Dat de woorden ‘die hij tot zijn hoofdpeluw gesteld had’ betekenen, waarmee gemeenschap met het Goddelijke was, blijkt uit de betekenis van de hoofdpeluw of de neksteun, te weten de meest algemene verbinding, nr. 3695.

 

3726. Dat de woorden ‘en zette hem tot een opgericht teken’ de heilige grens betekenen, blijkt uit de betekenis van het opgerichte teken, waarover hierna. Hoe het hiermee gesteld is, kan blijken uit wat voorafgaat, namelijk dat gehandeld wordt over de orde, waarin de Heer Zijn Natuurlijke Goddelijk maakte en in de uitbeeldende zin over de wijze, waarop de Heer het natuurlijke van de mens nieuw maakt of wederverwekt. Van welke aard deze orde is, werd eerder hier en daar gezegd en aangetoond, namelijk dat de orde omgekeerd is, wanneer de mens wórdt wederverwekt en het ware op de eerste plaats wordt gesteld; en dat de orde is hersteld, wanneer de mens ís wederverwekt en dan het goede de eerste plaats inneemt en het ware de laatste, zie daarover de nrs. 3325, 3330, 3332, 3336, 3539, 3548, 3556, 3563, 3570, 3576, 3603, 3688.

 

Dit werd uitgebeeld door de ladder waarlangs de engelen opklommen en neerdaalden en waar eerst gezegd wordt, dat zij opklommen en daarna dat zij nederdaalden, nr. 3701. Nu wordt over de opklimming gehandeld, namelijk dat deze uitgaat van het laatste van de orde, waarover eerder in de nrs. 3720, 3721; hier nu in dit vers, dat het het ware is, dat het laatste van de orde is. Het is dit laatste dat de heilige grens wordt genoemd en aangeduid werd door de steen die Jakob nam en tot een opgericht teken zette. Dat het ware het laatste van de orde is, kan hieruit blijken, dat het goede zijn grens niet vinden kan in het goede, maar in het ware, want het ware is het ontvangende vat van het goede, nrs. 2261, 2434, 3049, 3068, 3180, 3318, 3387, 3470, 3570.  

 

Het goede bij de mens zonder het ware of zonder verbinding met het ware, is een dergelijk goede zoals dat bij kleine kinderen is, die nog niets van wijsheid hebben, omdat zij niets van inzicht hebben; maar voor zoveel een klein kind, bij het voortschrijden in leeftijd, het ware uit het goede ontvangt of voor zoveel bij hem het ware met het goede verbonden wordt, wordt hij een mens. Hieruit blijkt duidelijk, dat het goede het eerste van de orde is en het ware het laatste. Dit is de reden dat de mens moet beginnen met wetenschappelijke dingen die de waarheden van de natuurlijke mens zijn en daarna met de leerstellige dingen die de waarheden van de geestelijke mens in zijn natuurlijke mens zijn, om dan ingewijd te worden in het inzicht van de wijsheid, dat wil zeggen, om binnen te treden in het geestelijk leven, waardoor de mens mens wordt, nr. 3504.  Zo bijvoorbeeld moet de mens om als geestelijk mens de naaste te kunnen liefhebben, eerst leren wat geestelijke liefde of naastenliefde is en wat de naaste; vóórdat hij dit weet, kan hij weliswaar de naaste liefhebben, maar als een natuurlijk mens, niet als een geestelijk mens, dat wil zeggen, vanuit het natuurlijk goede en niet vanuit het geestelijk goede, nrs. 3470, 3471.

 

Nadat hij echter deze dingen weet, kan het geestelijk goede door de Heer worden geplant in de erkentenissen daarover. Evenzo is het gesteld met alle overige dingen, die erkentenissen of leerstellige dingen, of in het algemeen waarheden worden genoemd. Er wordt gezegd dat van de Heer het goede van de erkentenissen kan worden geplant en ook dat het ware het ontvangende vat is van het goede. Degenen die geen andere voorstelling hebben over erkentenissen en ook over waarheden hebben, dan dat het abstracte dingen zaken zijn – zo’n voorstelling hebben de meesten ook over gedachten – kunnen geenszins begrijpen, wat het zeggen wil, dat het goede in de erkentenissen wordt geplant en dat het ware de ontvanger van het goede is.

 

Maar men moet weten, dat de erkentenissen en waarheden geen in meerdere mate van de zuiverste substanties – die tot de innerlijke mens of zijn geest behoren – afgeleide dingen zijn, maar zoals het gezicht van zijn orgaan of het oog, of het gehoor van zijn orgaan of het oor. Er zijn zuiverder substanties die werkelijk zijn, waaruit zij bestaan en waarvan de veranderingen van vorm, bezield en aangepast door de invloeiing van het leven die van de Heer uitgaat, ze tevoorschijn brengen en het zijn de samenstemmingen en harmonieën, op elkaar volgend of gelijktijdig, die aandoen en datgene bewerken, dat het schone, het bekoorlijke en aangename wordt genoemd; de geesten zelf zijn vormen, dat wil zeggen, bestaan uit combinaties van vormen, evenzeer als mensen, maar uit zuiverder en voor het lichamelijk gezicht of het oog niet zichtbare vormen. Maar aangezien deze vormen of substanties niet zichtbaar zijn voor het lichamelijke oog, begrijpt de mens het heden ten dage niet anders dan dat erkentenissen en gedachten abstracte dingen zijn; vandaar dan ook de waanzin van onze eeuw, dat de mensen niet geloven een geest in zich te hebben die na de dood van het lichaam zal leven, terwijl deze geest toch een heel veel werkelijker substantie is dan de stoffelijke substantie van zijn lichaam. Ja zelfs, als u het geloven wilt, is de geest na de losmaking van de lichamelijke dingen, dat gereinigde lichaam zelf, waarvan sommigen zeggen, dat zij het hebben zullen ten tijde van het Laatste Oordeel, wanneer zij geloven pas weder op te zullen staan. Dat geesten of wat hetzelfde is de zielen, met een lichaam begiftigd zijn, dat zij elkaar wederzijds als op klaarlichte dag zien, onder elkaar spreken, elkaar wederzijds horen en zich verheugen in het bezit van veel fijner zintuigen dan toen zij in het lichaam of in de wereld waren, kan duidelijk blijken uit wat zo overvloedig uit ondervinding werd meegedeeld.

 

3727. Wat de betekenis van het opgerichte teken betreft, te weten de heilige grens, dus het laatste van de orde, dit vindt hierin zijn oorzaak, dat in de oudste tijden stenen ter plaatse werden opgesteld, waar de grenzen waren, die de bezitting of het erfgoed van de een  scheidden van dat van de ander en tot een teken en getuigenis waren, dat daar de grenzen waren. De Oudsten, die in elk voorwerp en in elk opgericht teken iets hemels en geestelijks dachten, nrs. 1977, 2995, dachten ook bij deze stenen die zij oprichtten, over de uitersten in de mens en dus over het laatste van de orde, hetgeen het ware is in de natuurlijke mens. Van de Oudsten die vóór de vloed waren, hadden dit de Ouden, die na de vloed waren, nrs. 920, 1409, 2179, 2896, 2897 en zij begonnen deze stenen die zij tot grenzen opstelden, heilig te houden en wel omdat zij, zoals gezegd, het heilig ware betekenden, dat in het laatste van de orde is; zij noemden deze stenen ook ‘opgerichte tekenen’ en vandaar gebeurde het, dat de opgerichte tekenen in de eredienst kwamen en dat zij ze oprichtten op die plaatsen waar zij hun bossen hadden, en daarna waar zij hun tempels hadden en ook, dat zij ze met olie zalfden, waarover hierna.

 

Want de eredienst van de Oude Kerk bestond in de dingen van de innerlijke gewaarwording en in de aanduidingen van de Oudsten die vóór de vloed waren, zoals uit de kort tevoren aangehaalde plaatsen duidelijk blijkt. Aangezien de Oudsten met de engelen spraken en met hen tezamen waren tijdens hun leven op aarde, hadden zij het van de hemel geleerd, dat stenen het ware betekenden en hout het goede, nr. 3720. Daar komt het nu vandaan dat de opgerichte tekenen de heilige grens betekenen, dus het ware, dat het laatste van de orde is bij de mens. Want het goede, dat door de innerlijke mens invloeit van de Heer, wordt begrensd in de uiterlijke mens en in het ware daar. De gedachte van de mens, zijn spraak en handeling, die de uitersten van de orde zijn, zijn niets anders dan waarheden uit het goede, want zij zijn beelden of vormen van het goede, aangezien zij tot het verstandsdeel van de mens behoren, terwijl het goede dat daarin is en waaruit zij voortkomen, tot het wilsdeel behoort. Dat opgerichte tekenen werden opgericht ten teken en tot getuigenis en ook tot een eredienst en dat zij in de innerlijke zin de heilige grens betekenen, of het ware in het natuurlijke van de mens, wat het laatste van de orde is, kan uit andere plaatsen in het Woord blijken, zoals uit de volgende, waar gehandeld wordt over het verbond tussen Laban en Jakob:

 

‘Nu dan, kom laat ons een verbond maken, ik en gij; en het zij tot een getuigenis tussen mij en tussen u; en Jakob nam een steen en hij verhoogde die tot een opgericht teken. Laban zei tot Jakob: Zie, deze hoop en zie het opgericht teken, hetwelk ik opgeworpen heb tussen mij en tussen u; deze hoop zij getuige en het opgericht teken zij getuige, dat ik tot u voorbij deze hoop niet komen zal en dat gij tot mij voorbij deze hoop en dit opgericht teken, niet komen zult ten kwade’, (Genesis 31:44,45,51,52). Dat hier door het opgerichte teken het ware wordt uitgebeeld, zal in de verklaring van die plaats gezien worden. Bij Jesaja: ‘Te dien dage zullen er vijf steden zijn in het land van Egypte, sprekende met de lippen van Kanaän en zwerende Jehovah Zebaoth; te dien dage zal Jehovah een altaar hebben in het midden van het land van Egypte en een opgericht teken bij haar grens voor Jehovah; hetwelk zal zijn tot een teken en tot een getuigenis voor Jehovah Zebaoth in het land van Egypte’, (Jesaja 19:18-20). Egypte staat voor de wetenschappelijke dingen die tot de natuurlijke mens behoren; het altaar voor de Goddelijke eredienst in het algemeen, want het altaar is in de tweede Oude Kerk, die met Eber begon, tot het voornaamste uitbeeldende van de eredienst geworden, nrs. 921, 1343, 2777, 2811; het midden van het land van Egypte staat voor het voornaamste en binnenste van de eredienst, nrs. 2940, 2973, 3436; het opgerichte teken voor het ware, dat het laatste van de orde is, in het natuurlijke. Dat dit aan de grens is, tot een teken en tot een getuigenis, komt duidelijk uit.