Geloof is de Heer loven [liefhebben]

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Wie zich ergert of stoort aan God, dus niet in Hem geloven wil, die is al veroordeeld. Want juist het feit dat hij niet wil en kan geloven, omdat hij zich door zijn hoogmoed stoot aan de naam en het wezen van de heer, is al het gericht van zo’n mens. [GJE 1-21-5] Het is belangrijk om zelf vast in het geloof te blijven, anders zal je voor Gods rijk maar weinig kunnen bereiken. [GJE 1-48-6]

 

Het geloof staat echter dichter bij het zielenleven dan het grootste verstand. Door een dwangmatig geloof wordt de ziel ook geketend; als de ziel echter geketend is, dan kan er in haar geen sprake zijn van een vrije ontwikkeling van de geest. Als echter, zoals bij jou, eerst het verstand het juiste inzicht verkregen heeft, dan blijft de ziel vrij en haalt uit de kennis van het verstand altijd alleen maar zoveel, als ze verdragen en verteren kan. En zo vormt zich uit een goed ontwikkeld verstand een waar, vol, levend geloof, waardoor de geest in de ziel een juiste voeding krijgt en daardoor steeds sterker en machtiger wordt, ‑ wat een mens meteen kan waarnemen, als zijn liefde tot Mij en tot de naaste steeds sterker en machtiger wordt.

 

Maar, zoals reeds aangeduid, daar bij de mens het verstand vaak helemaal niet ontwikkeld is en de mens slechts het geloof heeft, dat in zekere zin op zichzelf slechts gehoor­zaamheid van het hart en zijn wil is daarom moet de mens heel voorzichtig behandeld worden opdat hij niet ten prooi valt (aan waandenkbeelden of op de verschrikkelijkste zijwegen terecht komt) als de dag ongeveer veertien aardse dagen en nachtlengtes heeft. (zoals dit bij alle heidenen en ook in deze tijd bij zeer velen maar al te duidelijk het treurige geval is) Daardoor ziet je oog vanaf je aarde de voortdurende wisseling van het licht op de maan, en dat is een groot verschil tussen de Maan en jouw zoveel grotere Aarde. [bron: GJE1-155 [8-11]

Handelwijze - Als je Mijn leer zult horen, neem deze dan ook in je op en blijf haar volgen, want dan pas zul je het heil werkelijk deelachtig worden, het heil dat Ik je vandaag van de berghoogte (Garizim) zal verkondigen. Want ook al komt de genade onbelemmerd van boven op je neer, dan is dat toch niet voldoende; want ze blijft niet, als ze niet daadkrachtig aangenomen wordt, - net alsof je hongerig onder een boom vol rijpe vruchten zou staan waar de wind de rijpe vijgen afschudt: als je die dan niet opraapt en eet, zullen die je dan verzadigen?! Dus niet alleen het horen, maar het doen volgens Mijn leer zal maken, dat u deel krijgt aan het heil dat uit Jeruzalem tot u gekomen is! (GJE 1-38-13)

Wel kunnen maar niet willen geloven -  De Heer: ‘Zij zijn reeds voldoende gegeseld en gestraft omdat zij niet in Mij geloven; want hun ongeloof zal eens hun onverbiddelijke rechter zijn, die zij van de duizendmaal niet eenmaal zullen kunnen weerstaan! Waarlijk, zeg Ik je, eerder en gemak­kelijker zullen alle hoeren, echtbrekers en dieven in het Godsrijk bin­nengaan dan deze ongelovige bokken en lomperds! Oh, Ik zeg je, omdat Ik het maar al te goed weet: Deze bokken en lomperds [hiermee bedoelde Jezus de Farizeeërs en Schriftgeleerden] zijn niet zo ongelovig als ze er uit zien; ze willen alleen maar niet geloven, om des te vrijer te kunnen zondigen! Want als zij vanwege de tekenen Mijn leer zouden aannemen, dan kregen zij ook een geweten, dat hen zou hinderen in hun slechte doen en laten. Daarom geloven ze maar liever niets en redeneren ze elkaar iedere nog zo voor de hand liggende waarheid uit het hart, opdat ze toch maar onbelemmerd kunnen doen wat hun slechte lusten hen influisteren. Vriend, er zou nog veel meer te zeggen zijn, maar hier kan men beter zwijgen! Daarom laten we hen zoals ze zijn, want wat eenmaal van de duivel is, is op de gewone manier heel moeilijk goddelijk te maken!" GJE2-25 [8]

De Heer over Zijn geboorte en als Mensenwezen op deze Aarde: ‘Zo goed als ieder ander ordentelijk mensenkind, moest ook Ikzelf beginnen met aan een God te geloven, waarna Ik Hem in alle denkbare zelfverloochening steeds meer en meer heb moeten omhelzen, en met steeds sterker wordende liefde Mij aldus geleidelijk aan volkomen aan de Godheid heb moeten onderwerpen. Op die wijze was Ik, als de Heer Zelf, een levend voorbeeld voor iedere mens, en daarom kan iedere mens Mij nu dus ook op precies dezelfde wijze aantrekken als Ikzelf in Mij de Godheid heb aangetrokken, en kan hij door de liefde en het geloof zelfstandig evenzo volledig één worden met Mij, als ikzelf als Godmens in alle grenzeloze volmaaktheid één ben met de Godheid. [JVJ-1]

 

Een leerling vroeg Jezus: ‘Hoe kan God Zelf gelukkig zijn! Zeg mij eens, welk genoegen kan God nu beleven aan Zijn eigen onverwoestbare leven?! Hij kent toch altijd al precies de werkelijke reden van het bestaan? Kan Hij dan vreugde beleven aan die onontkoombare steeds maar gelijkblijvende kennis? Daarbij heeft Hij geen enkele mo­gelijkheid om Zichzelf te veranderen! Een mens zou dan toch van verveling dood gaan?!"

 

IK zeg: ‘Kijk deze mensen hier! Zij zijn Gods vreugde, als zij in Zijn ordening datgene worden waarvoor zij bestemd zijn. In hen vindt God Zijnsgelijken terug. Hun voortdurende groei in alle soorten kennis en daardoor in alle liefde, wijsheid en schoonheid, is Gods onverwoestbare vreugde en zaligheid! Want alles wat de oneindigheid bevat, is daar alleen maar voor de kleine mens, en er is in de eeuwigheid niets, wat er niet alleen maar voor de kleine mens zou zijn’ GJE2-6 [3-5]

 

God moet men meer liefhebben dan al de heerlijkhe­den van de wereld, ook in de kleinste dingen. Immers wat heeft de mens feitelijk aan al die schreeuwerige heerlijkheden van de wereld? Iedere seconde schenkt God ons een nieuw leven; hoe zouden wij Hem dan niet, ook in de klein­ste dingen, meer liefhebben dan heel de wereld, die immers ver­gaan zal en die bovendien vol is van bederf en van smeerlapperij? Na elk offer bleek zelfs dat we er op vooruit waren gegaan! Denken en handelen jullie dus ook zo, dan zul je nooit iets verliezen, maar wel altijd heel veel winnen! Het kindje Jezus zei: 'Lieve broers, willen jullie voor eeuwig gelukkig zijn, wordt dan als Ik!' (bron: de jeugd van Jezus,hfdst.64)

De Heer: ‘Niet Ik heb de mensen nodig, maar de mensen hebben Mij nodig! Wie Mij verlaat, zal ook door Mij verlaten worden en wie Mij niet zoekt, die zal ook Ik niet ijverig zoeken’. [bron: GJE1-87]

God de Vader is de liefde en de Zoon staat voor wijsheid. God had de wereld zo lief, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon, d.w.z. van hemzelf van alle eeuwigheid uitgaande wijsheid aan deze wereld gaf. (GJE 1-21-1)

www.zelfbeschouwing.info