Geest & Materie

 

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: De Heer: ‘Kijk, de materie is eigenlijk niets anders dan geest, die door de almachtige wil van God gebonden is. Een engel is niets anders dan het gepersonifieerde symbool van de almachtige wil van God; hij kan dus niets anders willen dan dat wat God wil. Als God ergens de materie wil ontbinden, dan wordt deze door zo'n almachtige menselijke vorm van de wil van God ge­pakt, de wet die samenbindt wordt opgeheven, en alle materie verdwijnt ogenblikkelijk uit het bestaan, gaat in haar oer­geestelijke element over en blijft dan datgene wat ze oor­spronkelijk was, maar dan veredeld en volkomener. Talloze vroeger enkelvoudig zijnde krachten worden ver­enigd tot één groot volkomen individu, en dat zal een volmaak­te geestelijke mens zijn, zoals God dat eeuwig wilde’! [bron: GJE2-195]

 

‘De geest die in en uit zichzelf geest is, is de enige die weet wat er in de geest is en wat zijn leven is! Het lichaam weet niets van de geest, tenzij de geest het aan het lichaam, de schors, openbaart; als geest echter nog te veel door het lichaam beheerst en afgeschermd wordt en het lichaam weet er daarom niets van. (GJE 1-19) - Een geest ziet steeds alleen maar dat, wat met zijn innerlijk overeenstemt. [bron: GJE1-152] - Je kunt niet weten door wat voor geest ze gedreven worden’. [bron: GJE1-174]

 

‘De geest moet echter tengevolge van de orde, die God genood­zaakt was in te stellen, een bepaalde tijd in de materie van het vlees van deze wereld ondergedompeld zijn, om sterk te worden in zijn vrijheid en bijna volledige onafhankelijkheid van God. Wordt hij dit niet, dan kan hij God niet zien en nog minder kan hij in, naast en bij God bestaan. (Juist wanneer de geest echter in de materie rijp wordt, en gehard wordt in de vrijheid en onafhankelijkheid van God, dan loopt hij onvermijdelijk gevaar zelf door de materie verslonden en tezamen daarmee gedood te worden, uit welke dood men slechts zeer moeilijk en met veel lijden weer tot leven in God gewekt kan en moet worden)’.

 

‘Op deze wijze zei de Heer dus niet tegen de vleselijke mens, maar tegen de geestelijke mens: Als het oog je ergert, ruk het uit en werp het weg, want het is beter met één oog de hemel in te gaan ‑ dan met beide naar de hel!', wat zo ongeveer betekent: Als het licht van de wereld je te veel aantrekt, verzet je dan en keer je van dat licht af, want het zou je in de dood van de materie trekken! Ontneem je dus zelf, als geestelijke mens, het lege genot van de wereldse zaken, en wend je met je ziel naar de puur hemelse dingen! Want het is beter voor je om zonder alles, wat de wereld als kennis te bieden heeft, het rijk van het eeuwige leven binnen te gaan, dan met te veel wereldse kennis enerzijds, en te weinig gees­telijke kennis anderzijds door de stoffelijke dood opgeslokt te worden!’

 

De Heer waarschuwt niet het vlees, dat geen eigen leven heeft, maar de geest, om zich liever niet met de wereld bezig te houden als deze hem te veel zou aantrekken. In dat geval is het beter zonder alle kennis van de wereld het eeuwige leven in te gaan, dan door te veel wereldse kennis tenslotte door het onafwendbare wereldse gericht opgeslokt te worden. De geest moet de wereld wel zien en leren kennen, maar moet er niet verzot op raken! Als hij merkt, dat de wereld hem aantrekt, moet hij er zich direct van afwenden, omdat hij dan al gevaar loopt! En kijk, dit noodzakelijke afwenden stemt overeen met het beeld van het uitrukken der ogen; en Degene, Die ons zo'n treffend beeld kan geven, moet echt heel goed thuis zijn in alle geestelijke en materiële verhoudingen van de mensen’. [bron: GJE1‑42]

 

‘Een echt vuur verteert alles tot op de geest na, die zelf een geweldig Vuur is. Daarom zal de geestelijke doop van de Heer velen vernietigen, en dat is de reden waarom velen bang zullen zijn om haar aan te nemen. Of is er soms een bepaalde maat, waarmee de geest verdeeld zou kunnen worden, zodat iedereen weet, hoeveel geest hij gekregen heeft? Als zo'n maat er echter niet is, dan moet de aardse vuile mens in zijn hart een plaats reserveren voor de ontvangen geest; en als de geest in deze plaats blijvend rust heeft gevonden en in deze rust de nieuwe plaats gevuld heeft, dan pas wordt de vuile mens in zichzelf gewaar hoeveel geest hij heeft gekregen’.

 

‘Als Hij aan iemand Zijn geest geeft, dan geeft Hij deze niet volgens de oneindige maat, die alleen maar in Gods eindeloze volheid bestaan kan, maar naar de maat die in de mens is. Maar als de mens de geest behouden wil, mag zijn eigen ruimte niet beschadigd en on­afgesloten zijn; maar deze ruimte moet dicht en goed afgesloten zijn! (GJE1-23) - De materie ontmoet allerlei hindernissen, zelfs in de vrije etherruimte, en kan daarom nooit de snelheid van een geest evenaren. Het geestelijk lichaam is gelijk aan de goddelijke wijsheid en dat leven is de eeuwige liefde van God de Heer’.

 

‘Omdat het leven van een engel een zuivere liefde is, moet hij de liefde toch ook voelen, omdat zijn leven alleen maar zuiver liefde is. [bron: GJE2-142,218] - Want wat vuil is, dat blijft vuil en wil de Geest niet aannemen, tenzij het eerst door het vuur zou gaan en aldaar zelf geest worden; want een echt vuur verteert alles tot op de geest na, die zelf een geweldig Vuur is. Daarom zal de geestelijke doop van de Heer velen vernietigen, en dat is de reden waarom velen bang zullen zijn om haar aan te nemen. GJE1-24 [8] - 'Want Wie God gezonden heeft, Die spreekt Gods woord. God geeft echter Zijn geest niet volgens de maat.' [Joh. 3:34]

 

‘Zo is het nu ook met Hem, Die van God gekomen is om van God te getuigen en het zuivere woord van God te spreken. Hijzelf is de onmeetbare zee. Als Hij aan iemand Zijn geest geeft, dan geeft Hij deze niet volgens de oneindige maat, die alleen maar in Gods eindeloze volheid bestaan kan, maar naar de maat die in de mens is. Maar als de mens de geest behouden wil, mag zijn eigen ruimte niet beschadigd en on­afgesloten zijn; maar deze ruimte moet dicht en goed afgesloten zijn!’ (GJE1-24 [12])

www.zelfbeschouwing.info