Geestelijk oog zeven mannen Opper-Egypte

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: Toen Jezus in de hut een half uurtje wilde rusten, stuurde Hij Petrus, Jacobus en Johannes naar de Egyptenaren om hen de grondslagen van het Evangelie mee te delen. Zij werden door hen goed ontvangen en Petrus verbaasde zich over de leider van het gezelschap, die veel meer wist over Jezus, dan zij allen. Petrus dacht, dat de Heer het de leider had ingefluisterd en dacht, hoe zij hen dan verder het evangelie moeten bijbrengen dat zij veel beter weten, dan wie dan ook.

De leider zag Petrus dit denken en zegt, waarom hij zich afvraagt, waarom de Heer hen naar hun toestuurt, terwijl zij deze leer al beter kennen dan zij allen. De leider wijst hen op hun vergeetachtigheid en dus ook het verlorene, dat zij bij hen weer kunnen terugkrijgen. Er staat immers geschreven dat zij, die met de Heer zijn, veel verloren hebben. Maar dan komen er vreemdelingen uit verre landen en geven de kinderen de verloren parels en edelstenen van onschatbare waarde terug. Daarom is de Heer vriendelijk tegen de vreemdelingen en neemt hen op in de woningen van Zijn kinderen. Deze kleine voorspelling door de profeten mocht ook niet onvervuld blijven. Petrus verbaast zich over hun precieze kennis.

 

Maar de leider zegt, als je geest en ziel één zijn, zul je dat wel duidelijk inzien. Als de ziel nog vast is met haar lichaam, kan ze dat niet inzien en begrijpen. Ik ken vele oude geschriften uit vele landen, van de Egyptenaren, de Geberen, de Indiërs, de Chinezen en de Japanners (Ihyponezen). Mij is zelfs je vissershut in Kapernaüm bekend, waar veel handel woekert, ja mij is alles op deze aarde welbekend. Ik heb zelfs het vermoeden, dat de dwaalsterren werelden zijn, die op deze aarde lijken. Mij ontbreekt niets aan kennis van de sterrenhemel, maar ik zou dat alles ook in de geest als met eigen ogen net zo willen zien als de hele aarde. Dan, dan vriend, zal ik pas helemaal volkomen zijn en de eeuwige grootheid van de Heer steeds beter begrijpen. (GJE7-159)

 

De geestelijke ontwikkeling van een Egyptische man

Petrus zegt tegen de leider van de zeven Egyptische mannen, wat deze dan nog meer wil, nu hij reeds veel kennis van zaken heeft over het Evangelie. Op de vraag of het vaste geloven niet hetzelfde is als schouwen in de geest, krijgt Petrus van de leider het antwoord, dat hij wel gedeeltelijk gelijk heeft. Maar een onwrikbaar geloof wekt in de mens een hoopvol vertrouwen, dat hij ook werkelijk eens zal kunnen schouwen. Als dit echter nog meer toeneemt in kracht, groeit ook het verlangen om het geloofde in zijn volheid te aanschouwen en hierdoor volledig deel aan te hebben. Daarom staat het gestelde schouwen veel meer hoger dan het puur geloven. Het geestelijk waarnemen is de eeuwige kroon van het geloof. Het blijvende volledige schouwen krijgt de mens pas na het afleggen van het lichaam.

 

Petrus vraagt hem wie zijn leraar is. De man zegt dan, dat hij dit heeft gekregen door veel onderzoek. Zijn vader wilde hem inwijden, maar stierf voor hij in alles werd ingewijd. Toen verhuisde hij naar de grotten aan de Nijl bij de duizend watervallen en tussen de machtige rotswanden, tot hij niet meer verder kon. In die eerste nacht bad hij tot de grote God om bescherming en ontving zijn vader in de droom. Deze leerde hem wat hij moest doen en hoe hij zich moest gedragen om daar verder te kunnen leven, ook met betrekking tot de wilde dieren daar. Hij moest die dieren ongewapend en met een vast vertrouwen op de grote God tegemoet lopen en hen gebieden weg te gaan. Toen hij de volgende ochtend ontwaakte en de grot uitliep, zag hij een enorme leeuw, die net de grot binnen wilde gaan en die vermoedelijk zijn woonplaats was. Hij keek de leeuw onverschrokken aan en met een vaste wil gebood hij het dier voor altijd te vertrekken. De leeuw keerde zich om en liep weg.

 

Ditzelfde gebeurde ook met twee panters en een reuzenarend, die de pk had op een van geiten, de daar liepen. Hij had zich de eerste dag ervan overtuigd, wat een mens, die een waarachtig vertrouwen heeft in de grote God, allemaal kan verzetten. Hij ging ’s avonds voor de grot staan en beval de natuur hen met rust te laten. Dat gebeurde dan ook. (GJE7-160) - Opmerking: zie ook het boekje ‘In het dal der gelukkigen – Leopold Engel’, waarover een zielenvolk, afgestemd met hun harten  – en  afgesloten door bergketens –  ook heerschappij hebben over alle (wilde) dieren!

 

De Egyptische man met een innerlijke openbaring

Zijn vader verscheen hem opnieuw in de droom en zei, dat hij juist had gehandeld. Hij wees hem er op om de wil van God precies te volgen en zo zou hij zeggenschap hebben over de natuur en elementen, net als de eerste mensen in de tijd van Adam. De volgende ochtend vertelde hij iedereen zijn droom en spoorden allen aan Hem te smeken om nooit aan Zijn wil te onttrekken. Toen zij dit beloofden viel er veel licht door de grot omdat het overdag daar ook erg donker was. Zij zagen nog veel meer gangen en vonden gemakkelijk andere uitgangen en een aantal goede woningen. Zelfs enkele naftabronnen, waarmee ze konden verlichten, waarvoor ze de grote God dankten. Hierna hoorden ze een stem Die sprak. ‘Doe allen Mijn wil, die aan jullie geopenbaard is, dan zullen alle dieren je dienen!’

 

Er werd nog meer geïnstrueerd. Toen de stem ophield dankten zij God nogmaals voor deze openbaring en beseften ook, dat het Gods wil was om hier te wonen. Jezus, Die net de hut uitkwam, zei tegen Petrus, hoe deze vreemdelingen Zijn opdracht bij hem hebben vervuld. Petrus zei, dat de Heer wel geweten moet hebben, dat zij hen het evangelie predikten en dat er aan hen (Petrus en de anderen) zeker wat aan ontbrak. Dat waren de lessen die zij vergeten waren. Hiervoor dankten zij de Heer (GJE7-161)

www.zelfbeschouwing.info