De geestelijke zon

 

door het innerlijk woord ontvangen

 

Jakob Lorber

 

Deel 1

 

DE STER UITGEVERIJ

 


 

Oorspronkelijke titel: Die geistige Sonne, Mitteilungen über die geistigen Lebensverhaltnisse des Jenseits - durch das Innere Wort empfangen. Uitgegeven door (t) Lorber-Verlag, Bietigheim-Württ., 1955. - Ontwerp omslag: Sigma Press B.V. Deze uitgave kwam tot stand in samenwerking niet de Jakob Lorber Stichting voor liet Nederlandse taalgebied. Wie meer wil weten over de profeet Jakob Lorber, kan zich wenden tot de Jakob Lorber Stichting voor het Nederlandse taalgebied. www.lorber.nl e-mail: info@lorber.nl - Copyright © 2003 Uitgeverij De Ster - ISBN 9065562168 - Uit deze uitgave mag uitsluitend iets verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotocopie, micro­film, opnamen of op welke andere wijze ook, hetzij chemisch, electronisch of mechanisch, na voorafgaande schriftelijke toestemming van uitgeverij Sigma Press b.v., Postbus 259, 50011 A(; Tilburg, e-mail: infio@sigmapress.nl, website: www.sigmapress,nl

 


 

Voorwoord

 

Jakob Lorber en de Nieuwe Openbaring

 

De ontwikkeling van de schepping is een geestelijk proces met als doel de opvoeding en rijping van onvolmaakte schepselen tot kinderen van God. Deze grote ontwikkelingsgang wordt sinds ondenkbare tijden met onuitput­telijke liefde en wijsheid door God geleid. Onophoudelijk laat Hij al Zijn schepselen inzichten en krachten toevloeien die, aansluitend aan hun ont­wikkelingstoestand, noodzakelijk zijn om de voleinding te kunnen bereiken. Openbaringen van goddelijke waarheden en van Gods wil aan de mensen zullen dan ook nooit ophouden. Dat met de bijbelse verkondiging ook de openbaringen van God beëindigd zouden zijn, laat zich uit de Bijbel niet bewijzen. Integendeel, in de Heilige Schrift is meermaals sprake van de `Geest der waarheid', die alle ware discipelen en volgelingen van Jezus te Zijner tijd in alle waarheid zal leiden. Jezus heeft degenen die Zijn geboden daadwerkelijk onderhouden, uitdrukkelijk toegezegd dat Hij Zich aan heil zal openbaren. (Joh. 14:21)

 

In alle tijden en bij alle volken zijn er steeds mensen geweest die door het innerlijke Woord openbaringen hebben ontvangen. De mystiek van het avondland en zijn vertegenwoordigers zijn daarvan een getuigenis. Op deze luisterrijke weg komen wij figuren tegen als Paulus, Bernard van Clairveaux, meester Eckehart, Johannes van het Kruis, Jakob Böhme en Emanuel Swedenborg, waarbij ook Geert Groote, Jan van Ruusbroec en wellicht nog andere Nederlandse mystici kunnen worden genoemd. En als bekroning van deze weg mag het werk van Jakob Lorber (1800-1864) genoemd worden. Met Lorber hebben wij een gelijksoortig verschijnsel als bij de oude profeten. Ook dezen vernamen in hun binnenste de goddelijke stem, die hen verlicht­te en in staat stelde grote waarheden uit te spreken, zoals aankondigingen van komende gebeurtenissen en leringen van zedelijke aard. Hoe vaak werd door de bijbelse profeten niet gezegd: `Zo spreekt de Heer' en dan volgt de god delijke verkondiging. Precies eender legitimeert Lorber zich met het innerlijke Woord, dat hij ontving als profeet voor deze tijd.

 

De belangrijkste, in de jaren van zijn roeping (1840-1864) door middel van innerlijke dictaat ontvangen werken zijn: Het Grote Johannes Evangelie, De Huishouding van God, De jeugd van Jezus, Aarde en Maan, De natuurlijke zon, De geestelijke zon, Bisschop Martinus en Van de hel tot de hemel. Van de Nieuwe Openbaring wordt gezegd dat deze de Bijbel niet overbodig maakt, maar daarvan de `ontsluiering' is.

 

De geestelijke zon

 

In het onderhavige werk De geestelijke zon bezitten wij een hoofdwerk over het hiernamaals. Het werd door Jakob Lorber opgetekend in de periode van november 1842 tot december 1843, aansluitend aan de beschrijving van de natuurlijke zon. Terwijl het werk De natuurlijke zon ons in de wondere wereld voert van onze `eigen' centrale ster en van dit hemellichaam een nauw­gezette beschrijving geeft van zijn gesteldheid, zijn natuurrijken en van zijn bewoners, gaat het tweedelige werk De geestelijke zon ver buiten de grenzen die de natuur getrokken heeft.

 

De geestelijke zon is liet ongrijpbare eeuwige leven, dat steeds nieuw uit de Oerbron, de goddelijke liefde ontspringt en in alle wereldsferen de gedach­ten van God vorm en bestendigheid verleent. Ook de mens als geestelijk wezen en kind van God draagt een vonk van deze oorspronkelijke schep­pingskracht in zich en heeft daardoor• het vermogen om in de fijnstoffelijke geestelijke wereld gestalte te geven aan zijn eigen innerlijke zielenwereld. Zo bezit iedereen zijn eigen geestelijke zielensfeer die, afhankelijk van zijn ont­wikkelingsniveau, bepaalde grenzen heeft welke zich in gestage toenadering tot het universele goddelijke leven, toch allengs beginnen te verwijden. Dit leerboek over de omstandigheden in het hiernamaals voert ons als het ware in tien geestessferen, hetgeen betekent dat wij in het innerlijke blikveld treden van tien verschillende geestelijke wezens, die ooit op deze aarde in een stoffelijk lichaam hebben geleefd. Hun inzicht heeft gestalte gekregen door de graad van hun liefde tot de hemelse Vader. Deze geestessferen zijn welis­waar aan elkaar verwant, maar zijn desondanks gevormd door de eigen aard van hun zielenwereld. Bij het binnentreden door de lezer in de sferen van deze tien geesten - waaronder de apostelen Petrus, Marcus en Paulus, de pro­feet Daniel, de ziener Swedenborg en tenslotte Johannes als toonbeeld van liefdeswijsheid - ontsluit zich een geestelijk beeld van overweldigende groot­te en weidsheid.

 

In steeds aangrijpender beelden en scènes wordt ons een blik gegund in de geheimenissen van de schepping van de natuurlijke aarde tot aan de centra­le zonnen. Daarenboven openbaren zich uit de sferen van deze verlichte gees­ten samenhangen tussen de zichtbare werelden van het universum en die van het onzichtbare geestelijke Al, welke zich lenen om het beperkte wereldbeeld van vandaag fundamenteel om te vormen en tot een overtuigende helderheid te brengen. Hier reiken ware religie en wetenschap elkaar de hand tot een nieuw ver­bond, en de mensengeest begint een vermoeden te krijgen van de grenzeloze liefde, wijsheid en almacht van de Schepper, die langs miljoenenvoudige wegen al het aardgebondene in de vrijheid van de geest terugvoert.

De uitgever

 

Noot van de uitgever: - In werken over de geestelijke wereld worden vaak de termen morgen, middag, avond en nacht gehanteerd om de vier windstreken, resp. oost, zuid, west en noord aan te geven. - Voorkomende oude lengtematen: 1 klafter = 1,90 meter, 1 mijl = 7,42 km

 


 

Het Godsrijk

 

Het luid gewoel der wereld zwijgt. - -

Wij zien omhoog naar stille geesteshoogten,

en met verlichte blik van het gemoed zien wij

hoe 't Rijk der Waarheid zich ter aarde neigt.

Rond onze ziel speelt nu zijn hemels licht,

En door ons wezen stroomt zijn heilig vuur.

En uit de diepste bronnen van het hart

breekt eeuwig leven door.

 

Hoe wondergroot toch is Gods rijksgebied!

Het strekt zich uit naar aller tijden verte,

omspant de aard' en talloos veel gesternte

en is, waar men in 't hart het goede ziet!

Wie heeft daarin het zielental geteld?

Wie kent de volheid van zijn kracht en macht?

Wie kent de zaden, talloos hier gezaaid,

de gouden zegen van de groei, het rijpen?

 

Hier waait de Geest des Vaders, stil en rein!

Hier heerst de vrijheid in haar volle kracht!

Hier bloeit de hoop, en 't geloof haar lichtgestalte

vermeit zich in der liefde voorjaarsschijn.

Het Godsvertrouwen reikt naar zijn voleinding,

de deemoed is verlegen in haar eigen licht.

De hartstocht rust, geheel verzoend, in vrede.

Aandacht verdiept in een hoogbezield gebed.

 

De Zon van 't Rijk, dat is des Vaders Geest!

Zie toch hoe de eeuw'ge geesten Hem omringen,

Hem naderen in alsmaar nauw're kringen,

tot heel hun leven in het Zijne vloeit!

Wie wordt zich hier zijn kindschap niet bewust?

Wie voelt niet pijnlijk wat hem in de stof ontbreekt?

Een hevig heimwee brand in onze borst,

want naar haar Oerbron, onze ziele dorst.

 

Jakob Lorber

 


 

De geestelijke Zon

 

Ik ben het licht der wereld.

Wie Mij volgt, zal niet in

duisternis wandelen, maar zal

het licht des levens bezitten.'

 

Joh. 8:12

 

1.

 

De geestelijke zon, een genadevonk van de Heer

 

1 Voor we ons in de eigenlijke geestelijke zon kunnen begeven, moeten we eerst weten waar deze zich bevindt, hoe ze in verband staat met de natuurlijke zon en van welke aard ze is.

2 Om van het geheel een zo goed mogelijk begrip te krijgen, moet eerst worden opgemerkt dat het geestelijke datgene is wat het meest innerlijke en tegelijkertijd ook het allesdoordringende en bijgevolg het alleen werkzame en bepalende is.

3 Neem bijvoorbeeld een vrucht. Wat is daarin eigenlijk het meest innerlijke? Niets anders dan de geestelijke kracht in de kiem. Wat is dan de vrucht zelf, die er met al haar bestanddelen voor de bescherming en het behoud van de binnenste kiem is? Ze is in wezen weer niets anders dan het door de kracht van de kiem doordrongen uiterlijke orgaan, dat in al zijn delen weldadig inwerkt op de aanwezige kiem.

4 Dat de uiterlijke vrucht een door de geestelijke kracht van de kiem bepaald orgaan is, blijkt ook al hieruit dat niet enkel de vrucht maar de hele boom of de hele plant uit de geestelijke kiem tevoorschijn komt. 5 Wat is derhalve het geestelijke? Het geestelijke is vooreerst de innerlijke kracht in de kiem, waarvan het bestaan van de hele boom met wortels, stam,  takken, twijgen, bladeren, bloesems en vruchten afhangt. En wederom is het het geestelijke, dat al deze genoemde delen van de boom als voor zichzelf of voor eigen welzijn doordringt.

6 Het geestelijke is bijgevolg het meest innerlijke, het doordringende en dus ook het alomvattende, want wat het doordringende is, is ook het omvatten­de.

7 Dat dit juist is, kunnen jullie aan menig natuurverschijnsel waarnemen. Neem maar eens een klok. Op welke plaats bevindt zich daarin de klank? Zouden jullie zeggen: meer aan de buitenkant, meer in het midden van het metaal of meer aan de binnenkant? Dat is allemaal verkeerd! De klank is het inwendige geestelijke fluïdum dat in de materiële huisjes is opgesloten.

8 Als er nu tegen de klok wordt geslagen, dan wordt de slag door het inwen­dige fluïdum, dat een zeer elastisch en rekbaar geestelijk substraat is, waarge­nomen als iets dat zijn rust verstoort. Daardoor gaat het hele geestelijke fluï­dum over in een streven naar vrijheid, dat zich dan uit door een aanhoudend galmen. Wordt de uiterlijke materie van de klok toegedekt met een andere stof, die niet met zulke gemakkelijk te prikkelen geestelijke potenties door­trokken is, dan wordt de vibratie van de prikkelbare geestelijke potenties, of beter gezegd hun streven naar vrijheid, spoedig gedempt. Zo'n klok zal dan al gauw ophouden te klinken. Is de klok echter niet afgedekt, dan blijft het geluid nog lang naklinken. Als ze bovendien nog van buiten omgeven wordt door een uiterst gevoelige substantie, bijvoorbeeld door zuivere met elektri­citeit geladen lucht, dan wordt het klinken daardoor nog versterkt en breidt zich in zo'n meetrillende substantie ver uit.

9 Als jullie dit beeld nu een beetje overdenken, zal het jullie duidelijk wor­den dat hier weer het geestelijke het meest inwendige, het doordringende en het omvattende is. We zullen nog een voorbeeld nemen.

10 Neem een magnetisch stuk staal. Waar zit in deze magneet de aantrek­kende of afstotende kracht? - Deze zit in het inwendige, dat wil zeggen in de hulsjes, die eigenlijk de zichtbare materie van het staal uitmaken. Als inwen­dige kracht doordringt zij de hele materie, die voor haar geen belemmering is, en omvat deze helemaal. Dat dit magnetische fluïdum de materie waarin het zich bevindt, ook uiterlijk omvat, kan iedereen gemakkelijk zien wanneer zo'n magnetisch stuk ijzer een iets van haar af liggend stukje van hetzelfde metaal aantrekt. Zou het niet een omvattende en daardoor ook een buiten de slier van de materie werkende kracht zijn, hoe zou het dan een wat verder af liggend voorwerp kunnen aantrekken?

11 Ten overvloede zullen we nog een paar korte voorbeelden geven. Bekijk eens een elektrische geleider of een elektrische fles. (1.     Elektrische condensator.) Als zo'n geleider of zo'n elektrische fles met de elektriciteit van een gewreven glasplaat wordt opgela­den, dan doordringt deze de gehele materie en is dan ook haar inwendige en tegelijk haar doordringende element. Als jullie een dergelijke geleider of fles wat dichter beginnen te naderen, dan zullen jullie spoedig door een zacht waaien en trekken merken dat dit fluïdum de gehele materie van de geleider of fles omvat.

12 Een nog sprekender voorbeeld is voor jullie wel de uitstraling van ieder mens, evenals van andere wezens; het duidelijkst is die echter bij somnam­bules. Over welke afstand namelijk een magnetiseur en een door hem te behandelen somnambule over en weer berichten kunnen doorgeven, zullen verscheidene van jullie wel aan den lijve ondervonden hebben. Zou nu de geest slechts een inwendig en niet tevens een doordringend wezen zijn, dan zou er al helemaal geen zogenaamd magnetiseren mogelijk zijn; en was de geest ook niet tevens het alomvattende en het allesbeheersende, zeg eens, hoe zou er dan tussen een magnetiseur en een somnambule contact op afstand mogelijk zijn?

Ik denk dat we voorbeelden genoeg hebben waaruit we kunnen opmaken waar, hoe en op welke manier het geestelijke overal, dus zeker ook in, door en bij de zon tot uiting komt.

13 De geestelijke zon is dus het meest inwendige van de zon en is een genadevonk uit Mij. - Dan doordringt het geestelijke krachtig werkend de gehele materie van de zon, en tenslotte is het ook datgene wat het hele wezen van de zon omvat. Dit alles bij elkaar genomen is dus de geestelijke zon. Deze zon is de eigenlijke zon, want de zichtbare, materiële zon is slechts een lichaam dat van de geestelijke zon, die weldadig op haar inwerkt, afhankelijk is. Dit lichaam is in al zijn delen zo gevormd, dat het geestelijke zich in en door hem kan uiten en juist daardoor weer in zijn totaliteit volkomen in elkaar grijpt.

14 Wie dus de geestelijke zon wil beschouwen, moet eerst haar uiterlijke ver­schijningsvorm bekijken en daarbij bedenken dat dit alles zowel in al zijn details als in het geheel van de geestelijk zon is doordrongen en omgeven, dan zal hij daardoor reeds een vage voorstelling van de geestelijke zon krij­gen.

15 Daarbij moet hij nog bedenken dat al het geestelijke iets volkomen con­creets is of iets dat onderling alom volledig in elkaar grijpt, terwijl het natuurlijke slechts in afzonderlijke delen gescheiden is en uit zichzelf hele­maal geen hecht geheel vormt. Als het als één geheel verschijnt, komt dat slechts door de werking van het inwendige geestelijke. Daardoor zal het inzicht in een geestelijke zon al wat helderder worden en zal het verschil tussen de natuurlijke en de geestelijke zon steeds duidelijker naar voren komen.

16 Opdat jullie deze dingen echter steeds duidelijker zullen begrijpen, zal Ik jullie weer door enkele voorbeelden een helder inzicht verschaffen. Neem eens een klein staafje edelmetaal. Als jullie het in ruwe toestand bekijken, dan is deze donker en ruw. Als je het echter slijpt en daarna mooi polijst, zal het er heel anders uitzien dan voordien en toch is het nog steeds hetzelfde staafje. Wat is dan wel de eigenlijke reden van de verfraaiing van dit staafje? Ik zeg jullie, een heel eenvoudige. Door het slijpen en polijsten zijn de delen aan de oppervlakte van het staafje dichter op elkaar gedrukt en in zekere zin met elkaar verbonden. Daardoor werden ze eveneens meer concreet en onderling hechter samenhangend en in zekere zin ook, om het zo maar eens te zeggen, volkomen eensgezind. In de eerdere ruwe toestand, die nog een lossere was, stonden de deeltjes als het ware vijandig tegenover elkaar. Elk los deeltje woekerde voor zichzelf met de voedende stralen van het licht, nam er zoveel van op als hij maar kon en liet voor zijn buurman niets over. In de gepolijste toestand, die een gelouterde of gezuiverde kan worden genoemd, grepen deze deeltjes in elkaar. Door dit in elkaar grijpen worden de erop vallende lichtstralen gemeengoed, daar geen enkel deeltje deze nu nog voor zichzelf wil houden, maar zelfs het kleinste beetje licht reeds met zijn buren deelt. Wat is het gevolg daarvan? Allen hebben nu licht in overvloed, zodat ze bij lange na niet in staat zijn die rijkdom op te nemen. De overvloed van de nu algemene stralenrijkdom straalt dan als een prachtige harmonische glans terug van het gehele oppervlak van het gepolijste goudstaafje.

17 Vermoeden jullie al een beetje waar deze pracht vandaan komt? Van de eensgezindheid of wel van de eenwording. Als bijgevolg het geestelijke volmaakt is en in zichzelf eensgezind, hoeveel groter moet de pracht van het geestelijke dan wel zijn dan die van zijn lichaam, dat slechts uit deeltjes of stukjes bestaat en juist daardoor ook zelfzuchtig, vol eigenbelang en dus dood is!

18 Laten we een ander voorbeeld nemen. Jullie hebben zeker al eens ruwe kiezelsteen gezien, waaruit glas wordt vervaardigd. Laat zo'n ruwe kiezel, net als zijn afstammeling, het glas, de stralen ongehinderd door? O nee, dat weten jullie heel goed. Waarom laat zo'n ruwe kiezelsteen de stralen niet door? Omdat zijn delen nog te veel gescheiden en veel te weinig eensgezind zijn. Als de stralen op hem vallen, verteert elk van zijn deeltjes de stralen voor zichzelf en Iaat ofwel helemaal niets of hoogstens in zekere zin de afval van de opgenomen stralen voor zijn eventuele buurman over. Maar hoe komt het dan dat zijn afstammeling, het glas, zo vrijgevig wordt? Kijk, de kiezel wordt eerst stukgeslagen en fijngemaakt. Daardoor heeft elk deeltje in zekere zin voor het andere moeten sterven, ofwel het heeft zich volledig van de ander moeten losmaken. Daarna wordt zulk kiezelpoeder gewassen. Is het gewassen dan wordt het gedroogd, met zout vermengd en komt het in de smeltkroes, waar de afzonderlijke stofdeeltjes door het zout en de juiste temperatuur van het vuur onderling volkomen verenigd worden.

19 Wat wil dit werk met andere woorden zeggen? De zelfzuchtige geesten worden door de materie in zekere zin vermorzeld, zodat ze volkomen van elkaar gescheiden zijn. In deze gescheiden toestand worden ze dan gewassen ofwel gezuiverd. Zijn ze gezuiverd, dan worden ze eerst gedroogd, een toestand die overeenkomt met zekerheid. In zo'n toestand worden ze eerst met het zout van de wijsheid gezouten en tenslotte, zo voorbereid, in het vuur van Mijn liefde verenigd. Begrijpen jullie dit voorbeeld? Jullie begrijpen het nog niet helemaal. Welnu, Ik zal het jullie nog nader toelichten.

20 De uiterlijke materiële wereld in al haar delen is (stemt overeen met) de ruwe kiezel. De opdeling daarvan is het vormgeven aan de verschillende wezens. Het wassen van het kiezelstof is het zuiveren of trapsgewijze opstijgen tot hogere potenties van de geesten in de materie. Het drogen betekent het vrijmaken of het veiligstellen van de geesten in een eenheid, die al bij de mens tot uitdrukking komt. Het zouten is het geven van het genadelicht aan de geest in de mens. Het uiteindelijke samensmelten door de hitte van het vuur in de smeltkroes is het één worden van de geesten, zowel onder elkaar als met het vuur van Mijn liefde. Want zoals de materie in de smeltkroes niet kan samensmelten voordat ze dezelfde warmtegraad als die van het vuur in zich heeft opgenomen, kunnen ook de geesten onderling niet eerder eensgezind en dus voor eeuwig verdraagzaam worden, voordat ze door Mijn liefde ofwel door Mijzelf, volkomen doordrongen worden. Zo staat er ook in de ,Schrift: `Wees volmaakt zoals uw Vader in de hemel volmaakt is' (Matth. 5:48). En wederom staat er: `Opdat zij één worden zoals Ik en U één zijn' (Joh. 17). Kijk, hieruit zal het voorbeeld toch zeker duidelijk worden.

21 Waardoor komt echter het één worden van het glas vervolgens tot uitdrukking? - Doordat alle delen nu op een en dezelfde manier de straal van de zon opnemen en door en door verlicht worden, dus helemaal van licht verzadigd zijn. Toch kunnen ze het opgenomen licht geheel ongehinderd door zich heen laten gaan. Kijk, zo leert jullie reeds het vensterglas, hoe de hemels• verhoudingen geaard zijn en tevens leert het jullie ook op een beduidend hogere trap de geestelijke zon te beschouwen. - We zullen ons echter niet dit voorbeeld nog niet tevredenstellen, maar er bij een volgende gelegenheid nog enkele aanhalen, waardoor we dan op de meest gemakkelijke manier hele­maal tot de geestelijke zon zelf kunnen opstijgen om daar onuitsprekelijke heerlijkheden te aanschouwen!

 

2.


De hele natuur, een evangelie van Gods ordening

 

1 Nadat Ik het jullie al zo menigmaal heb gezegd, zeg Ik het jullie nog eens opnieuw: de hele natuur en ook iedere eventuele daad, zowel van dieren als heel in het bijzonder van mensen, kan een evangelie zijn en door zijn ver­houdingen de wonderbaarlijkste dingen van Mijn eeuwige ordening tonen en openbaren. Ja, men hoeft het een of ander voor een vergelijkend voor­beeld volstrekt niet te zoeken. Jullie kunnen een willekeurig voor de hand lig­gend, nog zo onbeduidend ding nemen, het zal zeker dat evangelie in zich dragen dat ter verheldering van wat voor geestelijke toestand dan ook zo vol­komen deugdelijk is, als was het van eeuwigheid af uitsluitend voor dit doel geschapen. Ik heb dus gezegd dat we nog enkele voorbeelden nodig hebben om daardoor volledig tot de geestelijke zon te kunnen opstijgen. Daarom willen we ook niet kieskeurig zijn, maar het eerste het beste voorbeeld nemen.

2 Stel je een woonhuis voor. Waarvan wordt dit eigenlijk gebouwd? Zoals jul­lie weten, gewoonlijk uit heel ruwe, vormloze brokken materie. Deze mate­rie komt in deze, als het ware zelfzuchtig op zichzelf staande, toestand over­al voor. Het is de klei waarvan de bakstenen gemaakt worden, alsmede een bepaald soort steen waaruit kalk wordt gebrand, vervolgens zand en nog onbewerkt hout. We brengen nu dit ruwe materiaal op het een of ander ter­rein bij elkaar. Hier ligt een hoopje klei, daar een hoopje kalksteen, verder een chaotische hoeveelheid bomen, die echter nog niet bewerkt zijn, en nog een flinke hoop zand. Wat verderop bevindt zich een kleinere hoop ruw ijzer­erts, weer wat verderop een hoop kiezelstenen en niet ver daarvandaan een flinke plas water. Kijk, daar hebben we het ruwe materiaal voor een huis volop hij elkaar. Maar zeg eens, wie van jullie is zo scherpziend dat hij in al deze ruwe hopen materie een goedgeordend statig huis ziet? Dit alles lijkt toch evenmin op een huis als een vlieg op een olifant of als een vuist op een mensenoog. En toch is dit allemaal bestemd voor de bouw van een statig huis.

3 Wat moet er nu gebeuren? Steenbakkers gaan met de klei aan het werk. De losse klei wordt nat gemaakt en dan flink gekneed. Heeft hij zich flink gehecht en is hij taai genoeg, dan wordt hij tot de jullie welbekende stenen gevormd. Opdat de kleideeltjes in de stenen zich nog inniger en duurzamer met elkaar zullen verbinden, wordt iedere steen nog in het vuur gebakken, waardoor hij met het verkrijgen van die grotere stevigheid gewoonlijk ook de jullie welbekende kleur krijgt. Wat gebeurt er nu met de kalksteen? Kijk, daar wat verderop worden al verscheiden ovens gebouwd, waarin de kalksteen gebrand wordt. Wat er met de gebrande kalk gebeurt, weten jullie toch zeker wel? Laten we verder kijken. Timmerlieden hebben zich over de boomstam­men ontfermd en bewerken ze ten behoeve van de bouw. De smeden gaan met de hoop erts bezig, smelten het, halen het bruikbare ijzer eruit en bewer­ken het tot allerlei benodigdheden voor de bouw. Verder zien jullie hoe ande­ren de kiezelstenen fijnstampen en vermalen en op de jullie reeds bekende wijze tot zuiver glas verwerken.

4 Nu hebben we het ruwe materiaal in de omgeving al gecultiveerd. Daar komt ook al de bouwmeester en zet zijn bouwplan uit. De grond wordt uit­gegraven, de metselaars met hun handlangers zijn druk in de weer en wij zien hoe de ruwe materie onder de handen van de bouwlieden de vorm aanneemt van een geordende bouw. Langzamerhand groeit het statige huis boven de grond uit en bereikt de vooraf bepaalde hoogte. Nu gaan de timmerlieden aan de slag en in korte tijd is het gebouw volledig van dakbedekking voor­zien. Bij deze gelegenheid zijn onze eerdere hopen ruw materiaal ook totaal verdwenen. We zien enkel nog een deel van het zand en een deel van de gebluste kalk, maar er wordt net begonnen met het zogenaamde pleisterwerk en het afwerken van het huis. Hierbij verdwijnen ook nog de twee laatste res­ten van het materiaal. Kijk, het huis is nu helemaal afgewerkt, zowel van bui­ten als van binnen. Nu komt er nog een aantal ambachtslieden voor het klei­nere werk: een timmerman, een slotenmaker, dan nog een schilder, een oven­bouwer en nog iemand die de vloeren lakt. Deze ambachtslieden zijn nog een tijd flink bezig en dan staat het huis er en dwingt als het ware eerbied af.

5 Als jullie nu eens je gevoelens vergelijken, te beginnen bij het zien van het ruwe materiaal tot aan de voltooiing van dit statige gebouw, dan zullen jul­lie daarin toch zeker een heel groot verschil ontdekken. Waardoor werd dit verschil echter teweeggebracht? ik zeg jullie: door niets anders dan door de doelmatige en goede ordening en het een worden van de gescheiden ruwe materie tot een geheel. Toen jullie aanvankelijk tussen de hopen ruwe materie rondliepen, was het je onbehaaglijk te moede en jullie gevoelens woelden chaotisch door elkaar. Toen jullie zagen dat de ruwe materie door het vuur en door de werktuigen van de timmerlieden meer geordend en bruikbaar gemaakt werd, voelden jullie je al wat behaaglijker, want jullie zagen nu reeds de mogelijkheid dat er uit zo'n geordende materie een huis kan ontstaan. Maar nog steeds konden jullie je geen volledige voorstelling van het huis maken.

6 Toen jullie de bouwmeester het bouwplan zagen uitzetten, voelden jullie je in zekere zin al aangenaam verrast, want jullie konden toen al zeggen: hé, kijk eens, dat wordt een grandioos gebouw! Maar toen jullie het zagen nadat het op het afwerken na klaar was, verlangden jullie naar de voltooiing ervan. En toen het gebouw helemaal klaar was, bekeken jullie het met groot genoegen en toen jullie in de mooie en sierlijke vertrekken van het huis werden rondgeleid, waren jullie hoogst verbaasd en zeiden: wie had gedacht dat zoiets uit de voorheen nog helemaal ruwe materie kon ontstaan?

7 Kijk, zo is het ook gesteld met alles wat we tot nu toe in de natuurlijke zon hebben gezien. Het zijn ruwe brokken materie, die in deze toestand zonder samenhang of verband verschenen. Wanneer iemand de bewoners van de zon en al hun werken afzonderlijk beschouwt, kan hij daarin geen samenhang en geen onderlinge relatie ontdekken. Pas in het geestelijke worden deze nog helemaal ruwe brokken meer en meer geordend. Uit die ordening kan dan worden opgemaakt, voor welke hogere bestemming zij dientengevolge bestaan, daar het innerlijk van allen verwijst naar een en hetzelfde wezen, waarin hun uiteindelijke en volledige ordening pas tot een compleet geheel kan worden.

8 Daarom zullen we het volkomen voltooide gebouw pas aanschouwen in de geestelijke zon, waarin dit alles in elkaar zal grijpen en zich in overgrote heerlijkheid als één geheel zal voordoen.

9 Jullie zien nu, hoe dit alledaagse voorbeeld een heerlijk evangelie bevat en de innerlijke beschouwer een orde ontsluit, waarvan geen sterveling ooit gedroomd heeft. Met dit voorbeeld wil Ik jullie attent maken op iets dat het geestelijke meer nabij komt, en wel in het bijzonder bij de zon zelf.

10 Jullie hebben de verschillende inrichtingen van de hele zon met alles wat zich op en in haar bevindt nu bekeken. Zij is stellig van een eindeloze en bijna onbeschrijflijke verscheidenheid. Hoe tilt zich echter tenslotte deze zeker gedenkwaardige inrichting van de zon?

11 Elke blik die jullie naar de zon richten geeft je het antwoord: namelijk door een algehele buitengewoon intensieve licht- en stralenkrans.

12 Kijk hoe het bijna oneindig veelvoudige zich daar verenigt en aldus één geworden doorwerkt tot in bijna eindeloze verten in de ruimte. Het is niet nodig de talloze weldadige uitwerkingen van het zonlicht aan te tonen, want elke dag op jullie kleine aardbol beschrijft en bezingt deze reeds veelvoudig. Zou de zon zonder deze haar omgevende lichtbundeling met al haar talloze delen ook zulke wonderbaarlijke uitwerkingen hebben? O, zeker niet! Vraag het maar eens aan een echt donkere nacht en ze zal jullie letterlijk zeggen en tonen, waartoe een zon zonder licht zou dienen. Maar we hoeven niet alleen met dit nog steeds wat krasse voorbeeld genoegen te nemen, want er zijn nog een heleboel betere.

13 Opdat jullie daarbij echter des te overtuigender mogen inzien hoe elk ding ons dichter bij het doel kan brengen, wanneer we het maar vanuit het juiste standpunt bekijken, zullen jullie zelf voor het volgende voorbeeld de eerste de beste en dus ook allerbeste stof kiezen en we zullen dan zien in hoeverre ze wel of niet voor onze zaak te gebruiken is. Ik denk echter dat het voor jullie tamelijk moeilijk zou zijn in dit opzicht een onbruikbare stof te kiezen, want wat is er gelegen aan de vorm van een gevonden brok erts? In de smeltoven ermee, en de juiste hittegraad zal hem wel zijn juiste bestemming geven! Zoeken jullie daarom ook niet moeizaam naar een of andere stof, want zoals Ik jullie al zei: Ik kan, net als een scharrelaar, alles heel goed gebruiken! En zo laten we het voor vandaag hierbij.

 

3.

 

De klok, een overeenstemmend beeld van de zon

 

1 Jullie hebben een klok gekozen. Dit voorbeeld is beter dan jullie kunnen vermoeden, want ook Ik zou een tijdmeter hebben gekozen. Daarom zullen we dit voorbeeld nu meteen wat kritisch doornemen en het zal dan spoedig duidelijk worden of het ons een trede hoger zal brengen dan het vorige.

2 Als jullie een klok bekijken, zien jullie aan dit kleine tijdmetende instrument louter gecultiveerde materie. Jullie zien een goedberekend mechanisme dat zo is gemaakt dat een drijfrad met zijn tanden in de tanden van een ander rad grijpt. Jullie zien hoe het hele tandwieldrijfwerk door middel van een naar verhouding sterke ketting verbonden is met de elastische veer die het hele mechanisme door de in haar wonende kracht doelmatig in beweging zet. Als we dit hele werkje nog nader bekijken, dan ontdekken we nog een heleboel radertjes en asjes. Alles is berekend en heeft zijn doel.

3 Hebben we het binnenwerk goed bekeken, dan kunnen we de uiterlijke vorm in ogenschouw nemen. Wat zien we daar? Een vlakke wijzerplaat met daarop een paar heel eenvoudige wijzers. Wat doen deze wijzers op die eenvoudige wijzerplaat? Zoals jullie weten, geven ze de uren van de dag en de nacht aan en meten zodoende de tijd. De tijd die door deze wijzers wordt gemeten is toch zeker iets alomvattends en is ook iets allesdoordringends en is ook het centrum van alles, waarheen jullie ook maar willen kijken. Niemand kan zeggen: ik ben aan het einde van de tijd, of: de tijd heeft met mij niets van doen, of: de tijd omgeeft mij niet. Want zo vaak iemand iets doet, doet hij dat midden in de tijd. Waarom dan? Omdat hij door de tijd altijd doordrongen en overal in gelijke mate omgeven wordt. Dat laat ons ook het uurwerk zien. In het centrum van de wijzerplaat zijn de wijzers aangebracht en zij beschrijven met hun uiteinden nauwkeurig een cirkel. Daar ze zich echter vanuit het centrum tot aan de omschreven buitenste cirkel ononderbroken als tastbare materie uitstrekken, beschrijven ze vanuit het centrum een talloze hoeveelheid steeds groter wordende cirkels. Daarom is het ook duidelijk en begrijpelijk dat deze cirkelgang uitgaat van het centrum van het stiftje waaraan de wijzers bevestigd zijn en bijgevolg de hele wijzerplaat beslaat, en tenslotte door de tijd die ze meet als het ware omvat wordt in een eindeloos grote cirkel.

4 Laten we echter weer teruggaan naar het inwendige van het uurwerk. Daar zullen we een vaste boven- en onderplaat ontdekken en vaste zuiltjes, waarmee de boven- en onderplaat aan elkaar bevestigd zijn. Zo zullen we ook een groot aantal vaste pinnetjes, haakjes en regelschroefjes ontdekken. Ligt er in deze onbeweeglijke dingen van het werktuig ook al iets van de uiteindelijke bestemming, die op de wijzerplaat tot uitdrukking komt? Ja, ook aan deze onbeweeglijke delen ligt de uiteindelijke bestemming stilzwijgend ten grondslag.

5 Wanneer we echter verder kijken in het uurwerk, dan zien we de radertjes op verschillende manieren bewegen; allereerst een monter slingertje, dan het dichtstbijzijnde radertje. Het slingertje is nog erg ver van de eindbestemming af want het kan nog geen volledige cirkel beschrijven, maar wordt steeds heen en weer gedreven hoewel het de snelste beweging maakt in liet hele mechanisme komt het toch niet verder. liet eerstvolgende radertje, dat klaarblijkelijk door het drukdoende slingertje beheerst wordt, bespiedt de vrolijke sprongen van het slingertje en glipt bij elke sprong een treetje verder in zijn cirkelgang en maakt daardoor wel een tamelijk snelle, maar toch voortdurende cirkelbeweging. Men merkt bij deze beweging nog wel het springen van het slingertje op, maar dat doet geen afbreuk aan het geheel. De cirkelvormige beweging is toch bereikt. Het volgende radertje beweegt zich al veel regelmatiger, beschrijft een rustige cirkel en is al veel dichter bij de eindbestemming. Het hierop volgende rad beweegt zich nog langzamer, regelmatiger en rustiger en is daardoor nog veel dichter bij het hoofddoel, ja, het houdt er al helemaal verband mee. Met het laatste rad is het einddoel bereikt; het geeft daarvan mechanisch gezien al blijk, maar dat valt als zodanig aan het mechaniek zelf nog niet te herkennen.

6 Maar juist hier, waar zich als het ware in het verborgene de eindbestemming al in het materiële mechanisme kenbaar maakt, komt uit het centrum van het mechaniek een spil door het midden van de wijzerplaat naar buiten. Aan deze spil zijn de wijzers bevestigd, die in grote eenvoud tenslotte de uiteindelijke bestemming van het gehele kunstig samengestelde mechanisme tot uitdrukking brengen.

7 Zien jullie niet al heel duidelijk in, welke richting het allemaal uit zal gaan? Al het nog zo veelsoortige en samengestelde toont in zichzelf de uiteindelijke eenwording tot één hoofddoel; en er mag geen enkel onaanzienlijk pinnetje ontbreken, wil het einddoel volkomen bereikt worden.

8 Nu gaan we weer terug naar onze zon. Beschouw dit grote, gouden uurwerk als meter van voor jullie ondenkbaar lange tijden. We hebben het veelsoortige mechanisme van dit reusachtige uurwerk gezien. We zagen dat ook hier Mijn liefde de almachtige, levende drijfveer is, die tussen de twee grote platen, die eeuwigheid en oneindigheid heten, dit grote werk in beweging zet. We hebben de talloze tandwieltjes gezien en alle pinnetjes en zuiltjes. We kennen nu het mechanische werk. Uit de veelsoortigheid van zijn delen is de uiteindelijke hoofdbestemming even moeilijk op te maken, als wanneer iemand zonder de wijzerplaat te raadplegen de in uren verdeelde tijd nauwkeurig zou willen bepalen alleen door te kijken naar de verschillende bewegingen van het raderwerk. Dat is waar en er is niets tegenin te brengen, zal menigeen zeggen, maar de vraag is: hoe komen we dan bij dit grote mechanisme op de centrale spil die zich uit het materiële verheft en uitstijgt boven de grote wijzerplaat van de uiteindelijke enige grote bestemming? Ik zeg jullie: maak je daarover niet bezorgd, want niets is makkelijker dan juist dit, als men een werk maar eerst zo grondig heeft onderzocht dat men alle onderdelen ervan door en door kent. Daar we het uurwerk nu eenmaal als een goed voorbeeld hebben gekozen, zullen we ons ook aan de hand van dit voorbeeld naar de grote oppervlakte verheffen.

9 Wie ooit een uurwerk heeft bekeken, zal hebben ontdekt dat daarin drie dingen praktisch dezelfde beweging maken. Het eerste is het capsulewiel waarin de drijfveer zit opgeborgen, het tweede is het hoofddrijfwiel dat door middel van de ketting met het veercapsulewiel is verbonden en het derde is het centrale spilwiel dat de wijzers op de wijzerplaat in beweging zet.

10 Willen wij op de grote wijzerplaat uitkomen, dan moeten we weten waar deze drie wielen mee corresponderen. Waarmee correspondeert dan het veercapsulewiel? Het ligt voor de hand dat dit overeenstemt met de liefde, dat de veer de liefde voorstelt doordat ze ligt opgesloten en in zekere zin van binnenuit het leven in het hele mechanisme tot stand brengt. Zo ligt dus in de liefde reeds geheel en al de hoofdbestemming van het mechanisme besloten.

11 Waarmee correspondeert dan het tweede wiel dat dezelfde beweging maakt en dat door middel van een ketting met het veerwiel is verbonden? Dit wiel komt overeen met de wijsheid, die uit de liefde haar leven ontvangt en dus ook daarmee in nauwste verbinding staat. Waarmee correspondeert het centrale hoofdspil wiel? Met de eeuwige ordening, die uit de eerder genoemde twee wielen duidelijk naar voren komt en waardoor het hele mechanisme in al zijn delen zo wordt ingericht, dat alles zich tenslotte moet schikken voor het bereiken van het hoofddoel, dat vanuit de liefde en de wijsheid juist in deze ordening tot uiting komt. Kijk, nu hebben we reeds het geheel. Het spilwiel is gevonden en heet ordening. Langs deze spil zullen we dus ook omhoogklimmen en de grote, uiteindelijke bestemming van de dingen aanschouwen, zoals deze tot uiting komt precies in overeenstemming met de eeuwige liefde, wijsheid en de uit beide voortkomende orde.

12 Nu hebben we met ons voorbeeld ons doel volkomen bereikt. We bevinden ons daarom ook al op de geestelijke zon, zonder dat jullie nog vermoeden of inzien hoe en op welke manier. Maar Ik zeg jullie: ga maar eens vluchtig de gegeven voorbeelden na en jullie zullen, te beginnen bij het bewerken van de bomen tot en met het uurwerk, gemakkelijk ontdekken dat we juist met deze voorbeelden als het ware incognito heel monter rondlopen op de geestelijke zon, terwijl jullie nog steeds wachten om erop te komen. We zijn al op de wijzerplaat en hoeven dus niet meer langs de spil omhoog te klimmen.

13 Jullie vragen: hoe dan? Het klinkt allemaal als een raadsel. Maar Ik zeg: waar de betekenis van de dingen, al is het ook neer in het algemeen dan in het bijzonder, wordt getoond, waar aangetoond wordt hoe tenslotte alles aankomt op de eenwording, waar zelfs deze eenwording door allerlei aanschouwelijke voorbeelden wordt uitgebeeld, daar schijnt niet meer de natuurlijke, maar de geestelijke zon. Wat nu volgt zal alles in een helder licht plaatsen en dan zullen we daaruit heel duidelijk kunnen opmaken dat we ons reeds op de geestelijke zon bevinden.

14 Als iemand een fakkel in zijn hand houdt, zal hij toch ook wel weten waarvoor de fakkel gemaakt is. Als hij nog in het duister wandelt, wat is dan gemakkelijker dan zich van een fakkel te bedienen? Men hoeft de fakkel maar aan te steken en de duisternis zal bliksemsnel verdwijnen. Wij hebben immers de fakkel in de hand. De gegeven voorbeelden zijn de fakkel. Wat is er verder nog voor nodig om deze fakkel met een klein vonkje liefde aan te steken, zodat hij de grote, betekenisvolle wijzerplaat van de geestelijke zon weldra helder zal verlichten. Daarom zullen we voor de volgende gelegenheid ook niets anders doen dan onze goede fakkel met de scintilla amoris* (Iiefdesvonkje) aansteken en bij dit prachtige licht de grote betekenis van de dingen op de geestelijke zon beschouwen. En zo laten we het voor vandaag hierbij.

 

4.

 

De natuurlijke en de geestelijke zon, verschil van hun verschijningsvorm

 

1 Jullie vragen en zeggen: ja, het is wel goed de fakkel met het liefdesvonkje aan te steken, maar waar halen we dit vandaan? Ik kan jullie daarop werkelijk niets anders zeggen dan dat we het juist daar halen, waar het eigenlijk te halen is. Het zou toch belachelijk zijn als we met de hele, zeer vurige zon niet in staat zouden zijn om de pit van de fakkel aan te steken?! Want onder het liefdesvonkje versta ik nu juist de zon, die we nu in heel haar lengte, dikte en breedte in onze handen houden. En als jullie in staat zijn met behulp van een vergrootglas ter grootte van een daalder een stuk zwam met de zonnestralen aan te steken, terwijl deze zon in natuurlijk opzicht toch meer dan zo'n 22 miljoen mijl ver weg staat, dan zal de nu heel dichtbijstaande zon zeker ook in staat zijn de pit van onze fakkel aan te steken.

2 En zo zullen we dan deze heel gemakkelijke poging wagen om de pit van onze fakkel met het vuur van de zon in contact te brengen. Kijk toch eens hoe gemakkelijk dat is!

3 De fakkel brandt nu en kijk, voor de geest baden onafzienbare landstreken in het licht van een eeuwig morgenrood, dat van deze fakkel afkomstig is.

4 Ikzelf ben die fakkel en geef een juiste hoeveelheid licht; wie in dit licht schouwt, ziet overal waarheid en geen bedrog mag zijn oog ontmoeten!

5 Wat een wonder, zeggen jullie; in de natuurlijke zon hebben we reuzen gezien en een grote verscheidenheid in alle dingen. Hier in de lichtsfeer is alles gelijk. We zien niet één ding boven het andere uitsteken. Het is één licht, het is één grootte en de liefde uit zich overal in onuitsprekelijke lieftalligheid. We zien bijna louter vlak land; waar zijn de natuurlijke bergen van de zon?

6 Eindeloos tevreden geest-engelwezens wandelen over de lichtvelden en maken geen onderscheid tussen land en water. Zonder moeite verheffen zij zich in de lichte ether en zweven er dronken van geluk in rond, terwijl ze zaligheid op zaligheid uitstralen. We zien slechts heel lieflijke boompjes; waar zijn de reusachtige bomen van de natuurlijke bodem? Ook zien we in al die lieflijke gewassen een wonderbaarlijke overeenkomst. Elk gewas verspreidt een onuitsprekelijk geluksgevoel, hetgeen iedere geest die in de buurt komt, ten zeerste verrukt. Ja, uit elk boompje, uit elk teer grassprietje stroomt een ander soort geluksgevoel, en toch zien we bij de boompjes, bij alle andere gewassen evenals bij het gras slechts één vorm en een volmaakte eenheid tot in het ontelbare.

7 We wandelen door eindeloze landschappen. We ontmoeten talloze scharen van zalige engelgeesten, maar we ontdekken nergens een woning. Niemand zegt tegen ons: dit stuk grond is van mij en dat is van mijn buurman, maar als buitengewoon vrolijke reizigers op een landweg trekken ze overal jube­lend en lofzingend rond. Waarheen we ons ook maar wenden, we zien niets dan leven en nog eens leven stromen. Lichte gestalten ontmoeten elkaar en van alle kanten klinkt één grote vreugderoep!

8 Maar wij staan erbij als volkomen leken en weten ons geen raad. Waar bevindt zich deze lichte wereld die we nu aanschouwen? Is dit de geestelijke zon? Dat vragen jullie met verbaasde blikken en verbaasde harten.

9 Maar Ik zei jullie toch dat de geestelijke zon op zichzelf genomen volko­men lijkt op de wijzerplaat van een uurwerk, waarop het hele doel van het kunstig mechanisme tot uitdrukking komt. Jullie zeggen ietwat verbouwe­reerd: is dat alles van de geestelijke zon? Het is wel heel wonderbaarlijk, ver­heven en mooi, ook buitengewoon levendig, maar daarbij toch zeer eenvoudig. Op de eigenlijke zon hebben we zo'n onnoemlijke verscheidenheid in grootte, ja, zoveel wonderbaarlijks gezien, maar hier komt het ons voor alsof deze hele eindeloos lijkende vlakte een evenzo grote weg is voor geesten, waarop trouwens geen stof valt te ontdekken. Maar eerlijk gezegd, wat de eenvormigheid en de in zekere zin eeuwig lijkende monotonie van deze bui­tengewoon lichte wereld betreft, hadden we toch ten gevolge van de gewel­dige fenomenen die we eerder op de natuurlijke zon hebben gezien, iets heel bijzonders verwacht.

10 Jullie hebben immers het uurwerk als voorbeeld. Als jullie in het in elkaar grijpende raderwerk zouden rondwandelen, wat zouden jullie dan denken van de effecten die dit verbazingwekkende mechanisme teweegbrengt, als je nog nooit een wijzerplaat van een uurwerk zou hebben gezien? Zouden jul­lie, als je het raderwerk bekijkt, dan niet zeggen: als het middel er al zo won­derbaarlijk uitziet, van welk een onbeschrijfelijke, wonderbaarlijke aard moet het doel dan wel zijn! Jullie zullen tegen de bouwmeester van het uurwerk zeggen: heer, onnoemlijk kunstig en buitengewoon goedberekend is dit raderwerk. Hoe groot en buitengewoon kunstig moet dan wel het doel van dit wonderbaarlijke mechanisme zijn? Laat ons daarom toch ook eens daar gaan kijken, waar het zeker grote doel van dit wonderbaarlijke mechanisme tot uitdrukking komt. Dan verlaat de klokkenmaker het binnenwerk en toont jullie nu de buitenkant - de wijzerplaat!

11 Jullie zetten alweer grote en verbaasde ogen op en zeggen: wat?! Is dat alles waarvoor het inwendige kunstwerk is gemaakt? Niets anders dan een witge­lakte ronde plaat met twaalf cijfers en een paar spitse wijzers, die met een onmerkbare beweging voortdurend op dezelfde manier langs de twaalf cijfers gaan. Nee, dan hadden we ons iets heel anders voorgesteld! Ik zeg: misschien een kunstig marionettentheater of misschien een of ander fantastisch kin­derspel?

12 O lieve mensen, dan zijn jullie voorstellingen van heel de geestelijke wereld nog zeer pover. Hebben jullie uit de gegeven voorbeelden dan niet begrepen, dat al het uiterlijke in al zijn verdeeldheid zich tenslotte in de een­wording moet uiten? Jullie hebben dit gezien bij het voorbeeld van de boom, bij het polijsten van een edelmetalen staafje, bij het vervaardigen van glas, bij het bouwen van een huis en tenslotte overtuigend bij het bekijken van een uurwerk.

13 Als het er bij het overgaan naar het geestelijke om zou gaan dit nog meer te verstrooien dan het al verstrooid is in de uiterlijke natuur, hoe zou men zich dan een eeuwige duur en een eeuwig leven moeten voorstellen?! Zo ech­ter moet zich immers volgens de waarachtige, innerlijke, levende ordening alles in het geestelijke verenigen om daardoor voor eeuwig sterk, machtig en duurzaam levend te worden. Nu zeggen jullie: dat is duidelijk, volkomen juist en waar, maar desondanks hebben we toch bij zo menige gelegenheid horen spreken over de grote heerlijkheden van de hemelse geestelijke wereld. Daarom weten we nu niet goed, waar we eigenlijk aan toe zijn. We kunnen weliswaar tegen de tot nu toe geziene eenvoudige heerlijkheid van de geeste­lijke zon in wezen niets inbrengen, maar ze komt ons volgens onze vroegere begrippen van een hemelse wereld net voor als een mooie zomerdag, waarop we in de lucht een zwerm zogenaamde eendagsvliegjes in de zonnestralen bont door elkaar zien zweven, terwijl geen van hen ons kan uitleggen waar ze vandaan kwamen, waar ze naartoe gaan en waarom ze nu eigenlijk die van zonnestralen doordrongen lucht in alle mogelijke richtingen doorkruisen.

14 Jullie bedenking is in dit opzicht weliswaar juist, maar om jullie uit te leg­gen hoe deze eenvoud van de door jullie geziene geestelijke zon samenhangt met de door jullie reeds meerdere malen vernomen prachtige heerlijkheden van de hemel, daarvoor is de tijd nog niet rijp omdat we eerst de basis moe­ten leren kennen. Als jullie tot nu toe slechts eendagsvliegjes hebben gezien, dan doet dat niets af aan de hoofdzaak, want het resultaat zal wel aantonen hoe het zit met de eenvoud van deze geestelijke zon die we nu hebben gezien. Houd dit in het oog en overdenk het bij jezelf. In het volgende hoofdstuk zullen we deze eenvoud met heel andere ogen bezien, daarom nu genoeg voor vandaag.

 

5.


Over het rijk Gods in de mens

 

1 Wanneer jullie ooit een tijdlang op een hoge berg zouden verblijven en dat op een volkomen heldere en zonnige dag, wat zouden jullie dan wel opmer­ken? Sommigen van jullie zouden wel een tijdlang heel verrukt zijn, want het grootse, romantische natuurtafereel zou door zijn veelvoudig afwisselende vormen voldoende stof bieden voor een verheffende beschouwing. Een ander zou daarbij echter heel anders denken en zou vanuit zijn gedachtegang zeg­gen: wel, is dit dan zoiets buitengewoons? Men ziet wijd en zijd, en wat dan wel? Niets anders dan de ene berg na de andere; de een is hoger, de ander wat lager. Hier en daar zijn de hoogste toppen met sneeuw bedekt. Op enkele andere plaatsen steken weer enkele plompe rotstoppen omhoog en de ber­gen, die het verst af liggen, zien er dan ook het meest acceptabel uit, terwijl de dichterbij liggende niets anders dan sporen van aanhoudende verwoesting laten zien. Dat is de eeuwig durende eentonigheid van dit beroemde verge­zicht in de bergen. Er bevindt zich nog een derde in het gezelschap op de hoge bergtop. Deze, zoals jullie gewoonlijk zeggen, een held op sokken, betreurt al bijna huilend dat hij zich zoveel moeite getroost heeft om de berg te beklimmen. Ten eerste, zegt hij, ziet hij hier niets anders dan op een gezonde vlakke grond in het laagland, ten tweede heeft hij het hier boven­dien na al zijn moeite koud en ten derde zou hij van honger in de stenen wil- bijten. Als hij dan ook nog bedenkt dat hij de huiveringwekkende weg terug zal moeten gaan, raakt hij geheel buiten zinnen!

2 Hier hebben we dus drie bergbeklimmers. Waarom vindt de eerste zoveel verheffends voor zijn gemoed, de tweede niets anders dan abstracte, plompe vormen en waarom ergert de derde zich zelfs, omdat hij zoveel moeite heeft gedaan voor niets. De reden daarvan is voor ieder van hen niet ver te zoeken, want die ligt in henzelf. Hoezo dan wel? De eerste heeft een meer levendige en gewekte geest; het zijn niet de vormen en de toppen van de hoge bergen die hem zalig stemmen, maar deze stemming is een weergave van het hoge­re leven in overeenstemmende vorm over zulke hoge bergen. Want bij ande­re gelegenheden hebben we reeds voldoende vernomen, welk leven het is waarvan de bergen getuigen. En juist van dit leven hangt toch het gelukzalig gevoel af van de bezoeker, die met zijn meer gewekte en levende geest deze bergen betreedt. De geest van de ander bevindt zich nog in diepe slaap. Daarom merkt hij ook niets anders op dan wat zijn lichamelijke ogen zien en zijn aardse, droge verstand derhalve vaststelt. Als je hem ervoor betaalt en hem passende mathematische meetapparatuur in handen geeft, dan zal hij alle bergtoppen voor je beklimmen en als geoloog met groot genoegen hun hoogte opmeten. Zonder deze stimulans zal het jullie echter nauwelijks gelukken hem weer op een bergtop te krijgen. Wat de geest van de derde betreft, laten we daar maar over zwijgen, want bij hem leeft alleen de dierlijke mens, die al zijn zaligheid in zijn buik vindt. Willen jullie hem ooit weer op een berg zien te krijgen, dan moeten jullie er eerst voor zorgen dat hij zon­der enige moeite boven komt en ten tweede, dat hij boven iets goeds te eten en te drinken krijgt. Op die manier zal ook hij nog eens een berg beklim­men; al is het dan niet met eigen voeten, dan toch met die van een goed afge­richt lastdier. Dan zal hij zeggen: bij zo'n gelegenheid ben ik wel van de partij, want vanwege haar zuiverheid is de berglucht toch veel gunstiger voor de spijsvertering dan de benauwde lucht in de dalen.

3 Kijk uit dit voorbeeld kunnen we de grote en belangrijke les trekken die precies op onze eenvoudige, geestelijke zon van toepassing is. En deze les stemt precies overeen met de tekst uit het evangelie welke luidt: `Wie heeft, hem zal gegeven worden en hij zal overvloedig hebben; maar wie niet heeft, ook wat hij heeft zal hem ontnomen worden' (Matth. 13:12). In deze schriftuur bevindt zich nog een andere, die met het bovenbeschreven voorbeeld nog meer overeenstemt, en deze tekst luidt als volgt: `Het rijk van God komt niet met uiterlijk vertoon, want zie, het is in u!' (Luk. 17:21). Begrijpen jullie nu hoe het met deze voorlopige eenvoud van de geestelijke zon gesteld is? Jullie zeggen: we begrijpen wel iets, maar nog niet volkomen duidelijk wat daarmee wordt gezegd en aangegeven. Maar Ik zeg jullie: nog een klein beetje geduld en alles zal dadelijk met weinig woorden zo helder naar voren komen als de zon op klaarlichte dag. Waarom zagen jullie de geestelijke zon zo eenvoudig? Omdat jullie alleen maar de eigenlijke buitenkant hebben gezien. Maar Ik zeg jullie: er bestaat op de geestelijke zon een oneindige, indrukwekkende en wonderbaarlijke veelzijdigheid, waarvan jullie je tot nu toe nog helemaal geen voorstelling konden maken. Deze veelzijdigheid ligt echter niet op de geestelijke zon, maar ze ligt in het innerlijk van de geesten. Als jullie deze dus willen zien, dan moeten jullie met zuiver geestelijke ogen in de sfeer van een of andere zalige geest kijken en jullie zullen de anders zo eentonige, geestelijke zonnewereld spoedig in talloze wonderen zien overgaan. Want jullie moeten weten dat aan iedere geest wel een en dezelfde ondergrond wordt gegeven, die louter uit Mijn genade en erbarming bestaat, en deze komt in gelijke mate in de door jullie geziene geestelijke zon tot uiting. Wat dan de inrichting van deze gegeven ondergrond, ofwel de eigenlijke bewoonbare wereld voor de geest betreft, deze hangt enkel en alleen af van het innerlijk van een geest, hetgeen de liefde is tot Mij en de uit deze liefde voortkomende wijsheid. Opdat jullie dit nog duidelijker mogen inzien, wil Ik jullie nog een heel aanschouwelijk voorbeeld erbij geven. Een van jullie bevindt zich op een of andere uitgestrekte vlakte. Op dit veld treft hij niets anders aan dan in het midden een boom, waaronder in de schaduw welig gras groeit. Op dit gras gaat de wandelaar liggen, valt rustig in slaap en wordt daardoor gesterkt. Maar tijdens deze zoete en sterkende rusttoestand is een wonderbare droom over hem gekomen. In deze droom bevindt de eenzame en eenvoudige wandelaar zich in de prachtigste paleizen, houdt zich louter nice vorsten bezig, gaat nut hen ons en geniet daardoor een buitengewoon grote zaligheid. Nu vraag Ik jullie: hoe komt deze man op dit eenzame, lege veld eigenlijk aan zo'n innerlijk gezelschap?

4 Kijk, dit alles hoort tot zijn geest en is in de geest zelf voorhanden. Het is een schepping van zijn geest door de kracht van de liefde en deze is geordend volgens de wijsheid, die uit zo'n liefde voortvloeit. Als jullie nu dit voorbeeld wat verder overdenken, zal het jullie zeker duidelijk worden hoe eenieder eens in de geest, naargelang zijn liefde en de daaruit voortkomende wijsheid, de schepper zal zijn van zijn eigen voor hem bewoonbare wereld; en deze wereld is het eigenlijke rijk van God in de mens.

5 Wie dus de liefde van God in zich heeft, zal ook de wijsheid toekomen in dezelfde mate waarin hij de liefde bezit. En zo wordt hem gegeven die reeds heeft, namelijk de liefde. Wie deze echter niet heeft, maar slechts zijn dorre wereldverstand, dat hij voor wijsheid aanziet, hem wordt dan ook dit afgenomen en wel op de meest natuurlijke manier van de wereld, wanneer hem het wereldlijke of het lichamelijke leven afgenomen wordt.

6 Kijk, zo verhouden zich de zaken! De ene bergbeklimmer gaat met liefde de bergen op en op die bergen is de liefde de schepper van zijn zaligheid. Wie alleen met zijn verstand de bergen intrekt, zal zeker geen zaligmakende beloning vinden, maar hij zal voor zijn, moeite bitter weinig of helemaal niets vinden omdat dit door zijn verstand geweldig wordt belemmerd. En de derde, die helemaal niets heeft, zal op de bergen alles verliezen, want een dode kan toch geen vreugde in het leven vinden omdat hij daar ongevoelig voor is. Zo kost het ook veel moeite om een steen op een berg te brengen; maar als hij boven wordt losgelaten, stort hij met grote snelheid neer in de diepte van de dood. Als jullie dit nu allemaal duidelijk op een rijtje zetten, zal de geestelijke zon jullie zeker niet meer zo eenvoudig voorkomen als voorheen. Wat zich daarop echter nog allemaal zal voordoen, zullen we in het hierna volgende duidelijk vernemen. Daarom genoeg voor vandaag.

 

6.


Het geestelijke kosmische diorama.

De sfeer van de eerste geest

 

1 Hoe zullen we het dan aanpakken, opdat we op onze nog steeds eenvou­dige, geestelijke zon wat meer te zien krijgen? Zullen we er toch maar toe overgaan om eventueel grote en verre ontdekkingsreizen te ondernemen, of zullen we ons op een of andere plaats opstellen, mond en ogen goed ver opendoen en afwachten of de gebraden vogels ons misschien in de mond vliegen? Ik zeg: we doen noch het een noch het ander, maar we zullen ons in een geestelijk kosmorama en diorama begeven en zullen ons daar zo goed mogelijk vermaken met de wonderbaarlijke aanschouwingen in het hart. Opdat jullie je daar echter een betere voorstelling van kunnen maken, wil Ik je weer door een heel duidelijk voorbeeld het geheel beter laten begrijpen. Jullie hebben toch zeker wel eens een zogenaamd `optisch diorama' gezien, waarbij men door middel van een vergrootglas met een diameter van onge­veer een halve voet een goed schilderij, dat tegen een zwarte wand ie opge­steld, kan bekijken. Als jullie zo een echt goed exemplaar bekijken, kunnen jullie doen wat je wilt, jullie kunnen je fantasie en verbeelding naar vermo­gen temperen en veranderen, en toch zullen jullie het met al je inspanning niet zover brengen dat jullie de geschilderde afbeelding zien als iets dat slechts geschilderd ie. Het zal steeds volkomen ruimtelijk verschijnen en de voorwerpen zo tonen dat jullie ze zien zoals je ze in de natuur ziet, voorop­gesteld dat de afbeeldingen en het glas zelf van uitstekende kwaliteit zijn.

2 Wanneer jullie je nu in een hut bevinden waar zo'n twintig van zulke vergrootglasraampjes zijn aangebracht, dan zullen jullie uiterlijk gezien alle raampjes toch zeker volkomen gelijk vinden. Maar wanneer jullie dichterbij komen, zullen jullie in het kleine vertrek via de twintig raampjes met weinig passen een reis maken die jullie andere misschien in geen jaren gemaakt zou­den hebben. Ieder raampje lijkt wel precies op het andere, maar door het raampje gekeken presenteert zich een heel wereldgebied. Jullie gaan naar het tweede raampje en kijken erdoor: wat een hemelsbreed verschil met het vori­ge; en zo verder tot het laatste raampje. Heeft niet elk nieuw uitzicht jullie echt buitengewoon verrukt? Jullie moeten dit klaarblijkelijk beamen, want door het ene raampje zagen jullie een voortreffelijk uitgebeelde grote stad met een uitgestrekt landschap in haar omgeving. Door het volgend raampje zagen jullie een buitengewoon romantische bergstreek zo perfect uitgebeeld, dat jullie meenden alleen maar de zwarte wand te hoeven doorbreken ons je werkelijk in deze omgeving te bevinden. Jullie konden je er bijna niet van losmaken, maar de gids zei tegen jullie: bij het volgende raampje zullen jul­lie nog iets indrukwekkendere zien. En jullie begeven je naar het derde raam­pje. Bij de eerste aanblik zijn jullie al volkomen overrompeld, want jullie zien een eindeloos uitgestrekt zeeoppervlak en lange de zee een zich in blauwe nevels verliezend oevergebied met al haar pracht. Op het uitgestrekte zeeop­pervlak zien jullie hier en daar eilanden en talloos veel grote en vooral kleine zeeschepen. Dit allee ie zo voortreffelijk uitgebeeld dat jullie niet andere kun­nen dan uitroepen en zeggen: hier houdt de kunst op kunst te zijn en treedt ze volkomen het gebied van de zuivere, natuurlijke werkelijkheid binnen! Dan leidt de gids jullie naar een volgend raampje, waar jullie opnieuw en nog meer worden verrast, en zo gaat het verder tot bij het laatste raampje.

3 Als jullie allee zo nauwkeurig hebben bekeken, zouden jullie wel willen gaan, maar de gids houdt jullie tegen en zegt: lieve vrienden, willen jullie niet nog een keer naar het eerste raampje gaan? Jullie zeggen tegen hem: dat heb­ben we toch al bekeken. Maar de gids zegt: het raampje ie wel hetzelfde maar het uitzicht ie helemaal veranderd. Daarop gaan jullie kijken en zien tot jul­lie grootste verbazing weer iets geheel nieuwe en iets totaal onverwachte. En zo gaat het lange de hele rij van alle twintig raampjes. Hoogst verbaasd ver­laten jullie weer het laatste raampje en de gids zegt weer tegen jullie: vrien­den, de raampjes zijn nog wel hetzelfde maar daarachter ie reeds overal weer een nieuwe wereld te zien. Vol interesse gaan jullie weer kijken en roepen al bij het eerste raampje: wonder boven wonder!!! Achtenswaardige vriend, u bent onuitputtelijk op uw kunstgebied. En hij zegt tegen jullie: ja beste vrienden, zo zou ik jullie nog dagenlang met steeds nieuwe en steeds mooie­re, afwisselende beelden kunnen bezighouden.

4 Kijk, in deze kleine, eentonige ruimte hebben jullie genoten van een wereldpanorama, zoals menig grote wereldreiziger in werkelijkheid niet heeft gezien. Jullie ogen hebben afstanden van honderd mijlen en nog meer over­zien en dat allee in een ruimte van enkele vierkante meters.

5 Kijk nu eens, dit aanschouwelijke voorbeeld geeft ons een echt goed voor­proefje van de wonderbaarlijke geestelijke aanschouwing op onze geestelijke zon. Het laat ons zien, hoe wij daar vanaf een klein oppervlak zo overweldi­gend veel voor ons geestesoog te zien kunnen krijgen, net als we zojuist in ons optisch kamertje met het grootste gemak op z'n minst de halve opper­vlakte van de aarde hebben gezien. Hoe zullen we dat echter aanpakken? Daarvoor ie reeds een kleine wenk gegeven en op grond daarvan zullen we dan ook een kleine, eerste poging ondernemen.

6 Zoals jullie zien bevinden we ons nog steeds op onze eenvoudige, geeste­lijke zon, zien nog steeds niets anders dan zalige geesten in volmaakte men­selijke gestalte door elkaar, met elkaar en boven elkaar wandelen en op de grond onze boompjes, edele struiken en het mooie gras. Maar kijk, daar komt zojuist een mannelijke geest naar ons toe. Mij ziet hij niet; spreken jul­lie hem daarom aan opdat hij voor jullie zal blijven staan. Als hij blijft staan, ga dan dichter naar hem toe zodat jullie zijn sfeer bereiken, dan zullen jullie meteen de geestelijke zon in een ander kleed zien.

7 Wel, jullie zijn al in zijn sfeer en staan stomverbaasd. Wat zien jullie dan eigenlijk? Jullie kunnen van pure verbazing bijna geen woord uitbrengen! Dat is ook niet nodig, want in dit geval hoeft er met Mij niet veel gepraat te worden omdat Ik hetzelfde zie wat jullie zien en bovendien ook nog onein­dig volmaakter.

8 Jullie zien schitterende landschappen, hoge glanzende bergen, uitgestrekte vruchtbare vlakten, en rivieren, beken en meren die in de zon glinsteren als diamanten. Het heldere lichtblauwe firmament zien jullie bezaaid met prach­tige en allerzuiverst schitterende sterrengroepen. Jullie zien een heerlijke zon opkomen. Zij straalt buitengewoon helder, mild en zacht en toch kan ze met haar licht de glans van de mooie sterren aan de hemel niet verbleken. Jullie zien grote, stralende tempels en paleizen zonder tal, grote steden, gebouwd aan de wijde oevers van grote meren. Ontelbare meest gelukzalige wezens wandelen over prachtige, zaligheid ademende contreien. Jullie horen hen zelfs spreken en hun hemelse lofzangen dringen door tot jullie oren. Jullie kijken om je heen om nog iets van de eenvoudige geestelijke zon te ontdek­ken. Maar nergens is er nog iets van haar vroegere eenvoud te zien; alles is in ontelbare wonderen opgelost.

9 Treed nu maar weer uit de sfeer van onze mannelijke geest. Kijk, nu is alles weer verdwenen; we bevinden ons weer op onze eenvoudige zon. Nu zeggen jullie: ja, wat was dat dan? Hoe is zoiets mogelijk? Draagt zo'n geest dat dan allemaal in zo'n nauwe cirkel; een eindeloze wereld vol wonderbaarlijke heer­lijkheden; in zo'n nauwe cirkel een zo uitgestrekt veelvuldig leven? Is dat wer­kelijkheid of is het slechts een lege verschijningsvorm?

10 Lieve vrienden, daarover zeg Ik jullie nu nog helemaal niets, want eerst willen we nog van verscheidene raampjes van ons geestelijk diorama profite­ren en ons dan pas met de innerlijke beschouwing daarvan bezighouden. Dit is nog maar een zwak begin van hetgeen zich nog allemaal voor onze ogen zal afspelen.

 

7.

 

De sfeer van de tweede geest.
De grondslag van het leven is de liefde van de Vader

 

1 Kijk, daar nadert ons al een andere geest. Ook deze moet hier aanwezig zijn opdat jullie zijn sfeer kunnen binnengaan. Kijk maar, hij wacht al op jullie en weet door een innerlijke wenk wat jullie willen. Ga dus naar hem toe en treed binnen in zijn sfeer. Nu bevinden jullie je er reeds in. Vertel Me; wat zien jullie daar? Ik zie alweer dat jullie door de grootsheid van hetgeen jullie zien niet in staat zijn een woord uit te brengen. Daarom zal Ik weer voor tolk spelen. Jullie staan van louter verwondering en verbazing helemaal verstard in de sfeer van deze geest.

2 Ja, bij zo'n aanblik raken jullie wel enigszins buiten zinnen, want jullie zien de ene wonderbaarlijke omgeving na de andere; wereldwijd uitgestrekte heer­lijke rijen velden liggen voor jullie ogen uitgespreid. Overal zien jullie lief­devolle mensen prachtige vredige huisjes bewonen. Hun onuitsprekelijk mooie en beminnelijke gestalten houden jullie blikken gevangen zodat het jullie nauwelijks mogelijk is een wezen waar jullie oog op is gevallen los te laten en naar een ander te kijken.

3 Jullie zijn zo door een allerliefelijkst gezicht geboeid dat jullie je erin ver­liezen, en duizenden en nog eens duizenden trekken aan jullie voorbij en jul­lie merken ze vanwege die ene nauwelijks op!

4 Op de zachte lichtgroene heuvels zien jullie buitengewoon sterk lichtende tempels; in deze tempels zien jullie zalig levende geesten, die er een bezoek brengen en er rondwandelen. Nu richten jullie je blik omhoog naar het fir­mament en jullie zien weer heel andere sterrengroepen die nog veel prachti­ger zijn. Ja, jullie zien sterk lichtende scharen van zalige geesten die zich met groot gemak en hoge snelheid door de zuivere lucht voortbewegen; zij zwe­ven ten dele vrij, en trekken ten dele rond als lichtende wolkjes. Jullie kijken naar de horizon waar een grote zon hoog boven staat. Haar licht is als een prachtig morgenrood en alles wat jullie zien straalt in het licht van deze zon.

5 Niet ver van jullie af zien jullie een tamelijk hoge, maar mooi afgeronde berg, waarop een schitterende tempel staat. De zuilen glanzen als diamanten in de zon en in plaats van het dak zien jullie een lichtend wolkendek waar­boven weer zalige geesten zweven.

6 Nu zeggen jullie: eindeloos wonderbaarlijk en onbeschrijfelijk prachtig is alles wat we zien, alleen is voor ons alles nog wat veraf en we durven in de prachtige wereld die we nu zien geen stap voorwaarts te zetten; want als we dat doen, dan treden we kennelijk buiten de sfeer van onze geest en dan is het met onze bezichtiging gedaan! - Ik zeg jullie: volstrekt niet; laten we deze berg maar opgaan en de dingen daar nader bekijken. Kijk, we zijn al op de berg; wat zien jullie hier?

7 Jullie zijn alweer met stomheid geslagen en weten van louter verbazing geen raad, want jullie waren van mening dat jullie in de tempel net zo rond zouden kunnen wandelen als bijvoorbeeld in een groot gebouw op jullie aarde. Maar toen jullie de tempel zijn binnengegaan, heeft het inwendige daarvan zich omgevormd tot een nieuwe, nog veel mooiere, onafzienbare hemelwereld, zodat jullie nu niet weten waar je aan toe bent. Toch doet dat voorlopig niets ter zake. Het juiste licht zal alles duidelijk maken. Jullie vragen Mij nu of jullie ook in de sferen van de geesten van deze tweede soort andere dingen te zien zouden krijgen.

8 O ja, zeg Ik jullie, de verandering van deze tempel in een nieuwe wonderlijke hemelwereld is nu juist het gevolg van het feit dat jullie in de sferen van de geesten zijn getreden, die zich in deze tempel bevinden. Maar, zeggen jullie en vragen: waarom zien wij deze geesten, in wier sfeer we ons bevinden, nu dan niet? Omdat jullie door Mijn tussenkomst vanuit hun centrum kijken. Laten we een stukje teruggaan, en kijk nu, daar staat alweer onze vroegere tempel en we zien hem bevolkt met zalige geesten, die met elkaar praten over allerlei dingen die op Mij betrekking hebben.

9 Nu hebben jullie je ervan overtuigd dat men ook in een dergelijke geestensfeer-wereld evenals op aarde, naar believen vrij kan rondwandelen. En zo kunnen we ons dan weer op onze vroegere standplaats terugtrekken. Kijk, we zijn er al.

10 Laten we ons weer uit de sfeer van onze gastvrije geest terugtrekken en we zullen ons weer op onze heel eenvoudige geestelijke zon bevinden. - Daar jullie nu buiten die sfeer zijn en onze goede geest zich ook nog in ons gezelschap bevindt, kunnen jullie zelfs met hem van gedachten wisselen. Hij kent jullie heel goed daar hij eveneens van jullie aarde afstamt en zelfs bloedverwantschap met jullie heeft. Voorlopig wil Ik hem trouwens nog niet nader aan jullie bekendmaken want er zullen nog betere gelegenheden komen waarbij we alle geesten die ons bij deze gelegenheid dienen, nader zullen leren kennen.

11 Luister maar wat de geest jullie te zeggen heeft: `O vrienden, jullie, die nog in je lichaam op de harde aarde wandelen, begrijp, ja begrijp toch het leven in zijn diepste wezen! Het is oneindig en zijn rijkdom is onmetelijk! De grondslag van het leven is de liefde van de Vader in Christus in ons! Begrijp dit diep in jullie harten, dan zullen jullie in jezelf hetzelfde vinden als jullie in mijn sfeer hebben gevonden. Wat jullie hebben gezien was maar eenvoudig. Maar in de kern van het leven ligt oneindig veel.

12 Het is nauwelijks vijftig aardjaren geleden dat ik net als jullie als burger van het harde leven op aarde rondwandelde. Vaak heeft de gedachte aan de toekomstige dood van mijn lichaam mij diep aangegrepen. Maar, geloof me, mijn angst was ijdel en ongegrond, want toen de dood over mijn lichaam kwam en ik dacht voor eeuwig ten onder te gaan en vernietigd te worden, toen pas ontwaakte ik als uit een diepe droom en ik ging dadelijk in dit ware en volmaakte leven over.

13 Al heb ik tot nu toe de eigenlijke levensvoleinding nog lang niet bereikt, toch kom ik dichter bij de steeds duidelijker wordende levensvervolmaking. Hoe groot en heerlijk deze moet zijn, kan ik jullie nog niet laten zien. Ik kan alleen uit de rijkdom van mijn innerlijk schouwen wel opmaken dat de vervolmaking van het leven in de Vader door de zuivere liefde tot Hem iets moet zijn, waarvan geen geest in mijn sfeer ook maar het geringste kan begrijpen.

14 Gelukkig, ja oneindig gelukkig is degene die op aarde de liefde tot de Heer tot zijn enige behoefte heeft gemaakt, want hij heeft ter vervolmaking van het leven de kortste weg ingeslagen! Want, geloof me lieve aardse broeders en zusters, wie op aarde de liefde tot de Heer in zich draagt, die draagt ook de voltooiing van het leven in zich; hij heeft dat allerheiligste en allergrootste volmaakte doel, waarnaar ik nog een lange, verre weg te gaan heb, in zich en bij zich.

15 Mijn levensomstandigheden zijn weliswaar reeds vervuld van een onuitsprekelijk geluksgevoel, maar alles wat jullie in mijn sfeer hebben gezien en nog eindeloos veel meer, wat jullie niet gezien hebben, maar wat ik voortdurend gelukzalig in steeds vernieuwde wonderbaarlijke rijkdom kan overzien, is niets vergeleken bij slechts één enkele blik die gericht is op de Vader. Kijk daarom in je aardse leven vóór alles ononderbroken naar Hem, dan zullen jullie te zijner tijd zeker heel gemakkelijk en in korte tijd daarheen gebracht worden, waar de Vader woont te midden van hen die Hem liefhebben!'

16 Hoe bevalt jullie de taal van deze geest? Waarlijk, zeg Ik jullie, als het deze geest gegeven zou zijn Mij nu als jullie gids hier te zien, dan zou hij door een al te sterk geluksgevoel als het ware vernietigd worden. Daarom, begrijp en bedenk toch in welk een zaligheid jullie je onbewust bevinden doordat Ik Mij dag in dag uit bij jullie bevind, jullie opvoed en onderricht en jullie met Mijn eigen vinger de meest rechte en korte weg wijs naar Mij toe.

17 Laat je daarom toch niet bekoren door de wereld, want deze is vol dood, slijk en hels vuur! - Hoe zich dit echter na het afleggen van het lichaam ontwikkelt, zullen we bij menige geest van onze geestelijke zon als een goede toegift nog kortstondig te zien krijgen. Ik zeg jullie: wee de wereld vanwege haar slechtheid, want haar loon zal heten: verschrikkelijk en buitengewoon ellendig is het zich in de toorn van God te bevinden! Maar nu verder niets meer hierover. Er komt reeds een andere geestelijke gastvrije vriend naar ons toe voor een volgende gelegenheid, en we willen tijdens zijn aanwezigheid weer iets nieuws uit zijn levenssfeer putten.

18 De twee eerdere geesten zullen we voorlopig echter in ons gezelschap houden, want Anselm H.W zal de nabijheid van zijn grootvader toch wel kunnen verdragen! - En bijgevolg zullen we het voor vandaag weer hierbij laten.

 

8.

 

De sfeer van de derde geest.

Een beeld van de oneindigheid

 

1 Kijk, de derde geest is ook al hier en we zullen daarom direct wat van zijn gastvrijheid profiteren. Treed dus zijn sfeer binnen, dan zullen we ondervinden wat daarin allemaal te zien is. Daar jullie je reeds in zijn sfeer bevinden, laat mij dan nu ook eens uit jullie mond weten wat zich allemaal aan je geestesoog ter aanschouwing voordoet. Jullie zijn alweer verbaasd en kijken heel verward om je heen. Wat is het dan, dat jullie blik zo sterk in beslag neemt? Ik zie Mij alweer genoodzaakt om voor jullie als tolk op te treden, want jullie hebben toch geen tijd en geen rust om woorden te vinden die zouden kunnen weergeven wat jullie zien.

2 Jullie staan op een stralende wolk. Met verbaasde ogen zien jullie een enorm aantal bovenaardse werelden in eindeloos grote cirkels voorbijtrekken. Jullie zien ze overal omgeven door de meest grootse wonderwerken, die op elk van die werelden ontelbaar zijn. Elk van deze werelden lijkt eindeloos groot te zijn en toch kunnen jullie ze met één blik van pool tot pool overzien. Talloze scharen gelukkige wezens zien jullie op deze voorbijtrekkende werelden, af en toe jubelend, rondwandelen. Elke nieuwe wereld die jullie nadert, is weer met andere onbeschrijflijke wonderen bezaaid. Maar jullie zeggen: als ze maar niet zo vlug voorbij zouden trekken, deze grote allerprachtigste woonplaatsen voor talloze scharen van zalige geesten! O wacht maar, ook dit kunnen we meteen verhelpen. Kijk, daar gaat juist een buitengewoon grote stralende, op een hoofdmiddencentraalzon lijkende wereld.

We zullen haar tegenhouden zodat jullie haar nader kunnen bekijken. Daar is ze al.

3 De sterke glans verblindt weliswaar jullie ogen en jullie kunnen vanwege het te sterke licht haar wonderbaarlijke rijkdom nauwelijks aanschouwen, maar ook dat zullen we verhelpen. Kijk, het sterke licht is reeds milder geworden en jullie zien dat deze grote wereld er uitziet als een eindeloos grote, onbeschrijflijk mooie tuin. In de tuin zien jullie veel echt sierlijke woningen en rondom de woningen wandelen gelukzalige geesten, die vreugdevol genieten van de buitengewoon smakelijke vruchten uit deze grote tuin.

4 Daarginds zien jullie lofzingende geesten zich verheffen in de lichtende ether. Elders zien jullie weer geliefden, die samen heel vriendschappelijk en gelukkig arm in arm wandelen. Ginds zien jullie weer een gezelschap van wijzen, die met stralende gezichten Mijn grote liefde, genade en ontferming bezingen. Op de takken van de veelsoortige heerlijkste fruitbomen zien jullie een glinstering als van lichtende sterren.

5 Jullie vragen: wat is dat? En Ik zeg jullie: bekijk het maar eens van dichtbij, dan zullen jullie weldra merken wat er achter deze sterren schuilgaat. Maar jullie verbazen je alweer, want nu zeggen jullie: grote, heilige Vader, wat is dat toch? Toen we zo'n ster nauwkeuriger bekeken, dijde ze samen met de boom uit tot een eindeloze grootte. De vorige grote wereld evenals de omvang van die enkele boom kunnen we vanwege de al te onafzienbare grote omvang niet meer zien, maar dit sterretje is tot een nieuwe, grote wereld uitgegroeid en we zien deze wereld weer vol nieuwe wonderen. O Vader, zeggen jullie verder, waar is toch het einde van Uw onafzienbaar grote wonderbaarlijke scheppingen?!

6 Maar Ik zeg jullie: jullie hebben gelijk dat jullie zo vragen. Ik zeg jullie: de eindeloze rijkdom en grootheid van Mijn scheppingen heeft begin noch einde, want overal waar jullie er een zien, geloof Me, daar ligt iets oneindigs verborgen! Dus heeft niets van hetgeen jullie nu geestelijk zien, iets eindigs in zich, maar alles is oneindig. Zou het niet zo zijn, dan zou het niet uit Mij voortkomen, niet geestelijk zijn en het eeuwige leven zou je reinste leugen zijn. Als de deling van natuurlijke lichamen jullie reeds aantoont dat hun deling tot in het oneindige doorgaat en in een zaadkorrel oneindig veel zaadkorrels verborgen liggen, waarom zou dan het geestelijke ergens aan een begrenzing onderworpen zijn?

7 Overtuig je aan de hand van deze nieuwe wereld. Kijk, daar wandelt een geest in onze nabijheid; treed zijn sfeer binnen en jullie kunnen je er meteen van overtuigen welk een eindeloze overvloed aan nieuwe, wonderbaarlijke rijkdom hij bezit, en geloof Me, dat gaat door tot in het oneindige. Jullie kunnen dat door middel van een natuurlijk voorbeeld begrijpen. Ik heb er weliswaar al eens eerder een aangegeven; maar jullie kunnen het nu weer in je herinnering terugroepen.

8 Het voorbeeld bestaat hieruit: plaats twee buitengewoon goedgeslepen spiegels tegenover elkaar en zeg Mij wanneer de wederzijdse weerspiegeling een einde neemt.

9 Kijk, zo is het ook hier. Iedere geest heeft iets oneindigs in zich en dat in eindeloze veelvuldigheid. De ene geest is echter voor de andere als een spiegel door zijn innerlijke liefde voor Mij en vanuit deze tot zijn broeder. Zodoende is er ook een eindeloos en eeuwig heen- en weerstralen. En juist dit heen- en weerstralen is de grote, heilige, almachtige band van Mijn liefde, waardoor al deze wezens met Mij en met elkaar allerzaligst verbonden zijn.

10 Maar nu vragen jullie weer: zijn die geesten, die we gezien hebben en nog zien vanuit de sfeer van onze gastvrije dienstbare geest, ook werkelijk zelfstandige geesten of zijn het enkel verschijningsvormen die in dat heen- en weerstralen van de werkelijke geesten hun oorsprong vinden? Ik zeg jullie: ze zijn het beide tegelijk. Jullie verwonderen je over dit antwoord, maar in het rijk van de geesten is het nu eenmaal niet anders omdat daarin alles levensecht bepaald is.

11 Wanneer jullie omhoog in Mijn oneindige sfeer zouden kunnen treden, dan zouden jullie het hele oneindige rijk der hemelen slechts zien als een geestmens. Maar als jullie dan in zijn sfeer zouden treden, dan zou deze ene mens zich spoedig oplossen in talloze geestenwerelden, die er dan zouden uitzien als talloze afzonderlijke sterren, uitgestrooid in de hele oneindigheid.

12 Zouden jullie dichter bij zo een ster komen dan zou ze er spoedig uitzien als een afzonderlijk, volmaakt mens. Wanneer jullie dan weer in de sfeer van deze mens zouden treden, dan zouden jullie in zijn plaats meteen weer naar alle kanten toe een nieuwe, met ontelbare sterren bezaaide hemel zien. En als jullie weer zo een ster zouden naderen, dan zou ze er vanaf een zekere afstand weliswaar weer uitzien als een mens, maar zouden jullie deze mens steeds meer naderen, dan zouden jullie het bijna uitschreeuwen van verbazing, net als eens de zeevaarder Christoffel Columbus toen hij het vaste land van Amerika naderde! Want dan zullen jullie eveneens een grote hemelse pracht en wonderwereld te zien krijgen. Als jullie je echter helemaal op deze wereld zoetden begeven, dan zouden jullie stomverbaasd zijn, deze door talloze scharen van geesten bewoond te vinden. En zouden jullie je dan in de sfeer van de een of andere daar wonende geest begeven, dan zouden jullie weer nieuwe heerlijkheden ontdekken. Tevens zouden jullie ook, maar dan niet een meer gelouterde blik, de oorspronkelijke wereld als eigenlijke woonplaats van deze geesten aanschouwen.

13 Zo gaat het steeds maar door en iedere afzonderlijke geest is bijgevolg weer een volmaakte hemel in het klein.

14 Jullie moeten het eigenlijk zo begrijpen dat de gehele hemel een hemel vol hemelen is. En zoals de gehele hemel op zich oneindig is, zo is ook iedere afzonderlijke engelgeest-hemel als zodanig oneindig. Daaruit valt op te maken, zoals in de Schrift staat: het rijk van God komt niet met uiterlijk vertoon, maar het is in u!

15 Op grond hiervan zal ook iedere geest dat rijk bewonen, zien en benutten, dat hij in zichzelf heeft verworven door zijn liefde voor Mij.

16 Zo staat er ook geschreven: het rijk der hemelen is gelijk een mosterdzaadje. Dit is een van de kleinste onder de zaden. Als het echter in het aardrijk, dat wil zeggen in een van liefde vervuld hart gezaaid wordt, dan groeit het uit tot een boom waarin de vogels van de hemel hun nesten zullen bouwen.

17 Zien jullie nu dat mosterdzaadje? Iedere afzonderlijke geest die een zalige is, is zo'n mosterdzaadje, wat zoveel betekent als: hij is een schepping van Mijn liefde en van deze liefde dus een levend woord. Als dit woord in het aardrijk van de liefde, die uit Mij vrij naar buiten werd gebracht, opbloeit, dan wordt het een door en door levende boom vol liefde en leven uit Mij.

18 Als jullie in de sfeer van zo'n boom treden, kan het jullie zeker verbazen dat je daarin een eindeloze wonderbaarlijke rijkdom van de hemelen aanschouwt, die evenals Mijn liefde, genade en ontferming in iedere afzonderlijke geest oneindig is.

19 Dat moeten ook jullie je geheel volgens Mijn ordening eigen maken, dan pas zullen jullie er werkelijk innerlijk voordeel van hebben en zullen jullie tenslotte in het heldere licht in jezelf ervaren dat Mijn geschreven woord op zichzelf gelijk is aan Mij en tevens het levende oneindige rijk der hemelen bij jullie, te midden van jullie, en, als jullie het werkzaam in je harten willen opnemen, levend in jullie is.

20 Wat zich hieruit nog allemaal voor nieuws en wonderbaarlijks zal openbaren, zullen we in de sferen van andere gastvrije geesten voldoende te zien krijgen. Treden jullie daarom weer uit de sfeer van deze derde geest, die eveneens aan jullie verwant is. We zullen ons bij een volgende gelegenheid dadelijk in de sfeer van een vierde geest begeven. Voor vandaag zullen we het weer hierbij laten.

 

9.

 

De sfeer van de vierde geest.

Het geheim van de Mensenzoon

 

1 Kijk, daar staat hij al en hij wenkt jullie uit zichzelf heel vriendelijk om naar hem toe te komen en zijn sfeer binnen te gaan. Gaan jullie maar en let goed op wat jullie in zijn sfeer te zien krijgen. Deze geest zullen jullie ook in zijn sfeer zien en hij zal jullie wat rondleiden in zijn wereld. En, zoals gezegd, let dus goed op alles wat jullie daar zullen zien, want dat zal reeds van grote betekenis zijn.

2 Welnu, jullie zijn in zijn sfeer en zijn buitengewoon blij gestemd, want jullie zien de geest in wiens sfeer jullie je bevinden, slechts met dit verschil, dat jullie hem buiten zijn sfeer niet konden herkennen. Maar in zijn sfeer herkennen jullie hem wel degelijk daar hij eens op aarde een bloedeigen broer van jullie was. Mijn welbespraakte Anselm zal zijn broer Heinrich heel goed herkennen zodra hij hem zal horen spreken. Om deze reden wil Ik ook dat hij jullie wat rondleidt en uit eigen mond over veel zaken uitleg geeft.

3 Wel, wat zien jullie? Jullie kunnen dit weliswaar niet uitspreken vanwege de al te grote innerlijke verrassing, maar deze keer wil Ik niet de tolk zijn, maar jullie gids zal dat zijn. En hij (Heinrich) spreekt dus als volgt:

4 Kijk daar eens mijn lieve broeders, naar deze grote, indrukwekkende tempel voor mij, kijk welk een onbeschrijfelijk schitterende zuilenpracht hem siert. Zie je, broeder, een zuil reikt zo hoog dat je er duizelig van wordt; en kijk eens recht vooruit, hoe deze prachtige tempel door talloos veel van zulke zuilen wordt omringd. Kijk, boven de zuilen verheft zich een rond dak, dat helderder straalt dan duizend zonnen en boven het dak staat een groot vurig kruis, dat zo rood straalt als het heerlijkste morgenrood. Hoe bevalt je deze tempel?

5 Je zegt: broeder, zijn grootse, onuitsprekelijke pracht ontneemt me ieder woord om jou mijn gevoelens daarover te kunnen meedelen. Maar wat bevindt zich dan binnen in deze tempel? Beste broeder, kun je ons daar niet binnenleiden? - 0 ja, geliefde broeders en vrienden, maar bereid je voor op iets buitengewoons, want de pracht daarbinnen ja, ik zou willen zeggen de heiligheid van deze tempel is zo onvoorstelbaar verheven en zo wonderbaarlijk groot dat jullie haar nauwelijks zullen kunnen verdragen. Jullie weten immers dat ik tijdens mijn aardse leven een grote vriend van Gods woord was. En omdat de apostel Paulus bij voorkeur onze apostel was door wie de heidenen bekeerd werden, had ik hem na de evangelist Johannes ook het liefst. Dat hebben jullie immers vaak van mij vernomen; en deze tempel is gebouwd uit die diepste hoogachting van mij voor het goddelijke woord. 6 Voordat we er binnengaan, wil ik jullie de betekenis ervan enigszins uitleggen: deze bijna niet te tellen hoge zuilen geven de afzonderlijke schriftteksten van het goddelijk woord aan en stellen het Oude Testament voor. Als jullie nu met mij tussen deze zuilen doorgaan, dan zien jullie voor je een verlichte gang. De gang aan de binnenkant van de zuilen wordt aan de andere zijde begrensd door een rood oplichtende wand. Zoals jullie zien, is deze even hoog als de zuilen en de bovenkant ervan is door middel van stralende, imposante bogen met de buitenste zuilenrij verbonden. Deze ruime gang tussen de zuilen en de wand is het eigenlijke voorportaal van de tempel. Het rondgevormde dak dat jullie zo helder stralend boven de zuilen en de tempel hebben gezien, is het genadelicht uit de hoogte. Het kruis boven het dak geeft het wezen van dit genadelicht weer, dat eigenlijk het allerheiligste is, namelijk de liefde van de Vader in de Zoon!

7 Daar jullie dit nu weten, lieve vrienden en broeders, gaan we verder door deze gang tot daar, waar jullie een groot licht uit de wand zien stromen, dat zo roodachtig straalt als het rood van de allermooiste lenteroos. Daar is de ingang van de tempel. - Weten jullie wat dit licht betekent? - Dit licht duidt de liefde tot Christus aan en het is niet mogelijk anders in deze tempel te komen dan alleen door de nauwe poort van de liefde tot Christus. Kijk, broeders en vrienden, nu zijn we er. Kijk, daar is de deur. Jullie zijn weliswaar verbaasd dat deze enorm grote tempel alleen maar door zo'n smal poortje toegankelijk is, maar jullie weten ook dat er staat geschreven: wie niet door de smalle poort gaat, zal niet tot de Vader komen, dus ook niet in het rijk van God en evenmin in het engelenrijk van de hemelen. Bukken jullie je daarom maar zo goed en zo diep als je kunt en volg mij, dan zullen we dadelijk het binnenste van deze tempel te zien krijgen.

8 Welnu, broeders en vrienden, we zijn in het grote heiligdom! Wat zeggen jullie van deze heerlijkheid? - Zoals ik zie, zijn jullie volkomen verbijsterd en sprakeloos. Ik heb jullie daarom ook van tevoren gezegd: bereid je voor op iets heel buitengewoons. Zoals jullie nu zelf met verbaasde blikken zien, is het inwendige van deze tempel te groot en te wonderbaarlijk en zelfs voor mij te onuitsprekelijk verheven om het jullie ook maar enigszins te kunnen schetsen. Het meest fantastische is vooreerst wel de onvermoede, eindeloze grootte van het inwendige.

9 Jullie dachten: als we in de tempel komen, zullen we daarbinnen evenals op aarde een schat aan ornamenten te zien krijgen. Maar jullie zien hier letterlijk en waarheidsgetrouw eindeloze, uitgestrekte geestenwerelden, en deze werelden, die nauwelijks begin noch einde hebben, zijn tot één rijk verenigd. Jullie kijken met verbaasde ogen over de eindeloze verten, die bezaaid zijn met talloze onvermoede heerlijkheden. Jullie zien tot de hemel reikende bomen, rijkelijk voorzien van heerlijke, sappige en lichtuitstralende vruchten. Jullie zien talloos vele prachtige tempelgebouwen en zien dat ze bewoond zijn door grote scharen zalige geesten.

10 Daarover zijn jullie hoogst verwonderd. Maar kijk, geliefde vrienden en broeders, daar op die berg met zacht glooiende hellingen in de richting van de morgen staat een heel eenvoudige, bescheiden tempel, maar haar uitstraling is des te groter. Volg me daarheen, en dan zullen jullie iets te zien krijgen dat jullie meer in vervoering zal brengen dan alles wat jullie tot nu toe gezien hebben. Daar gaan we dan! Jullie zien wel hoe ver deze tempel van hier verwijderd is; naar aardse maatstaven zouden jullie eerder de maan bereiken dan deze tempel. Maar wij geestmensen hebben het in dit opzicht veel gemakkelijker, want we hoeven maar te willen en we zijn reeds waar we willen zijn. Wil daar dan ook met mij zijn, en kijk, we zijn al ter plaatse.

11 Jullie zijn met stomheid geslagen vanwege de enorme grootte van deze tempel en wagen het nauwelijks om dichterbij te komen. Ga toch maar moedig met mij ook deze tempel binnen en jullie zullen zeker goed ontvangen worden door zijn buitengewoon vriendelijke bewoners. Dus volg mij maar! - Deze tempel zal er vanbinnen ook als een tempel uitzien en jullie zullen er als in een buitengewoon gastvrij huis opgenomen worden. - Nu zijn we het voorportaal binnengegaan en we gaan vervolgens door de stralende poort ook het binnenste van de tempel in. Ziezo, geliefde broeders en vrienden, we zijn op de plaats van bestemming!

12 Kennen jullie daar, tamelijk op de voorgrond, die vriendelijke man die wordt omgeven door een menigte grote en kleine mensengeesten? Kijk, hoe hij hun allervriendelijkst en liefdevol het grote geheim van de Mensenzoon leert en hoe elk woord uit zijn mond als een heldere ster tevoorschijn komt! Maar zie, onze goede gastheer en vriend heeft ons al opgemerkt. Hij staat op van zijn stralende zetel en snelt ons met open armen tegemoet. Kennen jullie hem nog niet? Kijk, hij is al heel dicht bij ons. Bekijk hem maar eens heel nauwkeurig; jullie moeten hem kennen. Als jullie hem nog niet herkennen aan zijn sprekende gestalte, dan zullen jullie hem toch zeker wel herkennen aan zijn oude, altijd dezelfde en getrouwe groet!

13 Luister, hij spreekt: o geliefde broeders, de genade van onze Heer Jezus Christus zij met jullie en de liefde van de Vader in de Zoon en in gemeen

schap van de Heilige Geest! Wat heeft jullie bewogen om hier te komen? Wie was jullie gids? Jullie durven niet te spreken, maar ik vermoed het wel i n mijl] hart, wiens liefde zo groot is dat zij de door haar verlosten naar de heilige bron van het eeuwige leven leidt! 0 lieve broeders, ik zeg jullie in de naam van mijn boven alles geliefde Heer Jezus Christus, houd je vast aan Hem, houd vast aan Zijn liefde en je zult niet, ja eeuwig niet te gronde gaan. Zalig zijn weliswaar degenen die geloven dat Hij Christus is als waarachtige eeuwige Zoon van de levende God, maar alleen zij die Hem boven alles liefhebben, zullen in Hem de heilige Vader aanschouwen; want pas door de liefde worden wij waarachtige kinderen van God.- En daarom zeg ik, de oude Paulus tegen jullie: houd je aan de liefde dan hebben jullie het eeuwig leven in je! Gegroet, de genade van onze Heer Jezus Christus in de Vader en in de Geest zij met jullie! -

14 Wel, geliefde vrienden en broeders, hebben jullie gezien hoe gastvrij en liefdevol de oude vriend en apostel van de Heer ons heeft ontvangen? Kijk hoe hij zich alweer temidden van zijn leerlingen bevindt en hen onderricht in de liefde voor de Heer. Jullie zouden wel willen weten wat dat voor kinderen en geestmensen zijn. Kijk, het zijn louter heidenen en heidense kinderen. Maar dat zijn ze nog lang niet allemaal, die jullie hier zien. Ga maar weer met mij naar buiten, in de vrije ruimte van de grote tempel. En daar we ons nu alweer buiten bevinden, zien jullie overal in de wijde omgeving de vele nauwelijks te tellen tempels oplichten. Het zijn louter leerscholen voor allerlei heidenen, en veel apostelen en leerlingen van deze apostel Paulus zijn hun leraren.

15 Er is weliswaar in deze grote tempel waarin we ons bevinden, nog oneindig veel om jullie te laten zien. Maar daar jullie nog met het aardse in verbinding staan, zouden daartoe zeker vele miljoenen jaren nodig zijn om met jullie ook maar het kleinste gedeelte oppervlakkig door te nemen! Eens in de geest zullen jullie dit allemaal net als ik door de eindeloze genade van de Heer volkomen helder aanschouwen. Daarom verlaten we nu de tempel weer. Kijk, we zijn reeds bij het poortje van het voorportaal, en we hebben weer vrij zicht op de grote zuilenrij en het stralende dak met het grote kruis.

16 Nu echter nog iets. Dat kunnen jullie me wel zeggen, want ook hier is er veel dat wij geesten of moeilijk of soms zelfs helemaal niet begrijpen. De wijze van jullie bezoek, of voor jullie duidelijker gezegd, het feit dat ik jullie nu zie en met jullie kan spreken is voor mij wel begrijpelijk, want jullie waren in jullie geest reeds vaker bij me en hebben met mij gesproken zoals nu, alleen mocht zo'n samenkomst niet in jullie herinnering blijven. Daarom is jullie bezoek op dit moment voor mij dan ook heel goed te begrijpen. Onbegrijpelijk is me echter, en ik kan het absoluut niet verklaren, waarom ik me deze keer zo onbeschrijfelijk gelukkig voel in jullie nabijheid. Jullie kunnen mij als je oprechte broeder geloven, dat ik zo'n gelukzaligheid nog nooit heb ondervonden zolang ik bewoner van dit zalige oord ben. Zeg het me toch, zeg het toch, als het jullie tenminste mogelijk is!

17 Maar nu zeg Ik weer tegen jullie: dat moeten jullie hem niet meedelen, want hij moet op het moment waarop hij Mij zal aanschouwen, worden voorbereid, anders zou hij die zaligheid niet verdragen. Er zijn hier geesten die Mij zo geweldig liefhebben dat Ik hen op grond van hun liefde maar geleidelijk aan zichtbaar kan naderen. Zeg hem dus dat hij nog wat moet volharden in zijn wens; over een poosje zal de reden van zijn geluksgevoel wel onthuld worden. Zeg hem dit dus in je geest. Kijk, hij heeft het al van jullie vernomen en is daarmee tevreden en wacht dat vol spanning af. Zo'n toestand heet: het geduld van de liefde!

18 We zijn alweer op het plekje van ons gezelschap; treed daarom weer uit de sfeer van jullie broedergeest en kijk maar even toe. Ik zal Mij voor een kort moment aan hem zichtbaar maken. Kijk, nu ziet hij Mij. Hij valt neer op zijn aangezicht en bemint, bidt en weent; en het is goed zo! Voorlopig slechts voor één ogenblik. Maar wij zullen ons voor een volgende gelegenheid weer van de sfeer van een vijfde geest bedienen. Ook deze broedergeest van jullie zal jullie leiden zoals deze, hier nog wenende en biddende, die echter ook in ons gezelschap mag blijven. En zo laten we het hierbij voor vandaag.

 

10.

 

De sfeer van de vijfde geest.

Het grootste wonder, het hart van de mens

 

1 Kennen jullie niet deze vijfde geest, die al voor ons staat? Kijk maar hoe hij jullie vriendelijk toelacht en uitnodigt om in zijn sfeer te komen. Ga dus maar en bekijk zijn rijkdom. Ook deze geest zal in zijn eigen sfeer voor jullie herkenbaar en zichtbaar blijven en hij zal jullie wat rondleiden in het gebied van de schatten van zijn innerlijk leven. Begeef je dus maar in zijn sfeer.

2 Jullie zijn nu in zijn sfeer, slaan alweer de handen in elkaar van verbazing en rijn bijna buiten linnen door de wonderbaarlijke, verheven grootsheid van hetgeen jullie nu vluchtig zien. Volg nu maar gerust deze vriendelijke broedergeest dan zullen jullie aan zijn zijde onverwachte dingen ervaren. Evenals de vorige zal ook hij jullie tolk zijn in Mijn Naam; luister dus naar wat jullie gids zegt:

3 O lieve broeders en vrienden, wat een zaligheid en een vreugde voor mij, dat ik jullie hier terugzie! Jullie kennen mij immers; volg me daarom maar in mijn zalige sfeer. Ik wil jullie laten zien welke schatten voortkomen uit de liefde voor de Heer. Kijk, lieve broeders, en vooral jij, mijn geliefde Anselm, daarginds op dat heerlijke gebergte voor ons, daar pas zullen jullie de schatten van mijn zaligheid zien!

4 We hebben de top van het gebergte bereikt. Kijk nu naar de eindeloze verte. Zo ver jullie geestesoog maar kan reiken, ja zo ver jullie stoutmoedigste en snelste gedachten zich kunnen verplaatsen, dat alles is mij als een groot vorstendom gegeven.

5 Jullie vragen mij nu en zeggen: maar lieve zalige broeder, ben jij dan ook de eigenaar van al deze talloze, prachtige paleizen, die als opgaande zonnen op de ronde berg stralend staan te prijken en ook de eigenaar van al de ontelbare myriaden zalige geesten die we overal vriendelijk met elkaar zien omgaan? Behoren al die talloos vele prachtige tuinen met hun glanzende zuilentorens, die onze verbaasde ogen verblinden met hun sterke licht, jou toe?

6 Hoe zit het dan met gindse verre werelden, die we als opgaande zonnen zien? Het heldere firmament met zijn ontelbare, prachtige sterren, is dat ook van jou? En deze heerlijke zon boven ons, wier stralen zo mild en zacht de hele oneindigheid lijken te vullen, hoe staat het met haar? Reken je haar ook tot jouw eigendom?

7 Ja, lieve broeders, ik zeg jullie: niet alleen dit wat jullie zien, maar nog oneindig veel meer dat jullie niet kunnen zien, is eigendom van mijn liefde! Lieve broeders, jullie verwonderen je en zeggen: maar lieve zalige broeder, jouw verklaring klinkt bijna alsof zelfzucht en eigenliefde bij jou zouden zijn binnengeslopen, want je zegt: dit alles en nog oneindig veel meer is eigendom van mijn liefde. Maar de liefde is toch jouw eigen ik en dus ook jouw eigenlijke leven. Weet je dan niet dat alles slechts eigendom van de Heer is? Hoe kun je dan nog zeggen dat dit allemaal eigendom van jouw liefde is?

8 Ja, lieve broeders, jullie woorden zijn mij aangenaam en jullie bedenking is weliswaar gegrond, maar hier niet juist geplaatst. Want als jullie oordelen van buiten naar binnen, dan heeft je oordeel wel een goede reden, maar hier moet ieder oordeel altijd raak zijn en alleen maar van binnen naar buiten gaan. Kijk, daarom is jullie oordeel niet terecht. Wint als ik zeg: dit alles en nog oneindig veel meer is het eigendom van mijn liefde, dan moeten jullie daarbij van binnenuit bedenken dat mijn liefde de Heer zelf is en ik geen andere liefde heb en dus geen ander leven dan enkel dat van de Heer!

9 Opdat jullie, broeders en vrienden, werkelijk terdege mogen inzien dat jullie oordeel over mij een uiterlijk oordeel was, zeg ik jullie voor alle duidelijkheid nog dat, als jullie zeggen: `Dit alles is het eigendom van de Heer', jullie daardoor slechts de uiterlijke bekentenis afleggen, dat jullie dit allemaal alleen aan de Heer toekennen; maar door zo'n toekenning is de Heer net als de bekentenis nog buiten jullie. Wanneer jullie echter zeggen: `Dit alles is het eigendom van mijn liefde', dan delen jullie daardoor uit jezelf mee dat de Heer voor jullie alles is en dat Hij met Zijn liefde en genade als het eeuwige leven in jullie woont. Wanneer jullie in de liefde van je hart tot de Heer zeggen: `Dit alles is het eigendom van mijn liefde', dan zeggen jullie daarmee hetzelfde als eens mijn lieve goede vriend, de oude apostel Paulus gezegd heeft toen hij nog in het vlees op aarde leefde: `Nu leef niet meer ik, maar Christus leeft in mij!' Dit zeg ik jullie alleen opdat jullie daaruit mogen weten op welke manier wij hier spreken, want op aarde bestaat slechts een uiterlijk spreken, wat dan van buitenaf in het inwendige moet doordringen. Daarom is het ook een onzeker en zelden doeltreffend spreken als het niet zo is gevormd als het woord van de Heer, waardoor de mens van alle kanten wordt gegrepen en dat hem zo geheel doordringt. Ons spreken echter is een inwendig spreken en heeft niets uiterlijks, daarom is het ook altijd doeltreffend.

10 Kom nu met me mee op die heuvel daar voor ons, waar jullie een prachtig paleis zien. Kijk, we hebben het woord nauwelijks uitgesproken of we zijn al waar we willen zijn. Jullie zeggen nu: dit paleis is prachtig en groots, maar de tempel die we in de sfeer van onze vorige broeder hebben gezien, was grootser. Maar ik zeg jullie: oordeel niet te vlug, ga eerst naar binnen en vergelijk dan. Kijk, ook hier is maar een nauw poortje waardoor men in het paleis komt. Buk je dus zo goed je kunt en volg mij. Wel, we zijn door het poortje gegaan en bevinden ons in het paleis.

11 Wat is er met jullie, dat jullie als verstard in het rond kijken? Kijk, lieve broeders, ik heb jullie immers al gezegd dat je niet te vlug moet oordelen. Hier ligt de waarde van de dingen altijd enkel in het inwendige en nooit in het uitwendige. Daarom is het inwendige ook altijd verhevener en wonderbaarlijk grootser dan het uiterlijke, want hier verhoudt zich alles, zoals het Woord van God op aarde. Eenvoudig en bescheiden staat het door middel van letters in het boek. Wanneer iemand echter door het nauwe poortje van de deemoedige liefde in het eenvoudige woord binnendringt, tot welk een wonderbaarlijke rijkdom komt hij dan door een enkel woord van God, dat eenvoudig en bescheiden, uit letters samengesteld, in het boek staat. En, zoals gezegd, verhouden de dingen zich ook hier precies zo.

12 Jullie hebben niet vermoed dat jullie in dit eenvoudige paleis een oneindigheid gevuld met Gods wonderen zouden zien. Daar jullie deze nu echter zien, die talloze werelden in hun geestelijk verheerlijkte bestaan en de myriaden heerlijkheden met daarop hun talloze zalige bewoners, verbazen jullie je erover hoe zoiets mogelijk is in zo'n van buitenaf gezien toch klein paleis.

13 Maar ik zeg jullie: dit is bij lange na niet zo'n groot wonder als het feit dat het hart van een mens tot woonplaats kan worden van de Heilige Geest door de liefde van de eeuwige Vader, de oneindige allerheiligste almachtige God.

14 Willen jullie met mij daarheen wandelen, waar zich op een vlakte vol heerlijke luister een wonderbaarlijke ronde tempel verheft, die omgeven wordt door drie rijen heel mooi blinkende zuilen, geen dak heeft, maar in de plaats daarvan een stralende regenboogconstructie die voortdurend lijkt te bewegen? Jullie willen dat, en kijk, we zijn ook alweer ter plaatse. Hebben jullie zin om met mij ook deze tempel binnen te gaan? Jullie bevestigen dit blij van hart. Volg me dan ook terstond in deze tempel.

15 Welnu, we zijn al binnen. Jullie slaan weer je handen in elkaar van verbazing. Ja zie je, zo gaat het hier bij ons; in het inwendige zijn wij thuis. Daarom, laat je niet van de wijs brengen door de nog grotere wonderbaarlijke heerlijkheden die jullie hier zien, want hoe dieper we doordringen, des te heerlijker en prachtiger wordt alles. De allergrootste liefde, genade en wonderbaarlijke rijkdom echter is in het meest inwendige, namelijk in de Heer. Daar te komen zal voor geen geest eeuwig ooit mogelijk zijn, alhoewel hij Hem steeds meer kan naderen.

16 Jullie vragen mij naar de betekenis van de zee daarginds, die zo prachtig schittert, en het niet ver van de oever gelegen prachtige eiland met verscheidene mooie tempels, vooral die hele mooie daar op een steile helling. Als julie je met mij ook daarheen willen begeven, kunnen jullie je er zelf van overtuigen wat dit allemaal is. Jullie willen het, en kijk, we zijn ook alweer bij ons doel, want op de zeeën hier hebben we geen schepen nodig. Door onze wil kunnen we overal komen waar we maar willen. Willen jullie ook met mij deze tempel binnengaan, volg me dan. Maar deze tempel mag wat zijn inwendige betreft niet aan jullie onthuld worden, maar jullie zullen je erin bevinden zoals binnen in een gebouw.

17 Wel, we zijn al binnen. Deze allerprachtigste bouwstijl bevalt jullie zeer goed. Maar kijk, daar hij dat grote raam waardoor rood licht naar binnen valt, wie zien jullie daar? Jullie zeggen: een heel lieve, vriendelijke man en een even beminnelijke, vriendelijke dame. Ga maar met me mee en wees volstrekt niet bevreesd, want deze bewoners zijn buitengewoon vriendelijk en voorkomend. Kijk, beide staan op en komen ons ijlings met open armen tegemoet. Herkennen jullie hen nog niet? Jullie zullen hen zeker herkennen als ze vlak bij ons zijn. Daar zijn ze al! Laat je door hen zegenen, want hij is de lieveling van de Heer, de apostel Johannes en zij, o broeders en vrienden, zij is de moeder van het vleesgeworden eeuwige Woord uit God! Zij hebben jullie nu gezegend, maar de tijd om met hen te kunnen spreken is nog niet aangebroken. Tijdens jullie verblijf hier zal zich zeker voor ons nog de gelegenheid voordoen om nader tot zowel Johannes als Maria te komen dan nu het geval is. Mijn innerlijk zegt mij: tot hier en niet verder mag ik jullie leiden. Daarom kunnen jullie weer met mij terugkeren naar de plaats vanwaar we vertrokken zijn.

18 Slechts een ding zou ik van jullie willen weten. Jullie hebben het weliswaar niet gemerkt, maar aan mijn blik is het niet ontgaan, dat deze beide lievelingen van de Heer terwijl jullie dichterbij kwamen, als door een zalige eerbied werden aangegrepen, waardoor ze ook absoluut niet in staat waren om te spreken. Zoiets heb ik nog nooit gezien, terwijl ik toch al vaak op deze plaats was; ja, het is zelfs de plaats waar ik mij het allerliefst ophoud. Jullie zwijgen en willen mij niets meer zeggen. O broeders, juist jullie stilzwijgen doet me iets groots, ja het allergrootste vermoeden. Daarom wil ik ook niet verder aandringen en dus geschiede zoals altijd de allerheiligste wil van de Heer.

19 Jullie vragen me en zeggen: maar lieve broeder, hoe zullen we nu de weg terug vinden? Kijk eerst waar jullie je bevinden en vraag dan pas. Jullie zeggen nu: hoe is zoiets mogelijk? We zijn al op de plaats vanwaar we zijn vertrokken! Ja, zie je, dat gaat beter dan met jullie spoorwegen op aarde. We hebben namelijk onze plaats eigenlijk helemaal nooit verlaten, maar het werd jullie slechts toegestaan om juist in deze, mijn sfeer, die de genade van de Heer is, steeds diepere en nog eens diepere blikken in mijn innerlijke liefde te werpen. Jullie hoeven daarom niets anders te doen dan je blik terug te trekken om te ontdekken dat jullie je nog volkomen behouden op de voorgaande plaats bevinden. Daarom heb ik jullie nu niets anders meer te zeggen dan dat ik degene ben die als jullie broeder op aarde de naam Frans droeg. Daarmee heb ik mijn innerlijke opdracht aan jullie vervuld en kunnen jullie ook weer uit mijn sfeer treden.

20 Wel, hoe is jullie dit allemaal bevallen? Jullie zijn helemaal in gelukzalige vervoering geraakt. Ja, dat is wel goed, maar dit is nog niet alles. Kijk, daar komt reeds een zesde geest in ons gezelschap. Deze hoort niet meer thuis op deze geestelijke zon maar hij is een bewoner van Mijn heilige stad. In zijn sfeer zullen jullie weliswaar ook enkel dingen van de geestelijke zon zien, maar jullie zullen ze in een heel ander licht zien dan tot nu toe het geval was. Bereid je daarom goed voor want Ik zeg jullie: alles zal daar een heel ander aanzien krijgen.

21 Jullie tweede broeder wilde ook graag jullie beweegreden weten. Maar Ik zeg: daarvoor is hij nog niet rijp. Eén ogenblik zou voor hem al te veel zijn, maar we zullen hem Mijn nabijheid toch laten voelen. Kijk eens hoe hij begint te stralen van geluk en hoe hij uit het diepst van zijn hart gelukzalig uitroept: o heilige Vader, U kunt niet meer ver weg zijn, want de nooit vermoede zaligheid van mijn liefde zegt me, dat U dicht bij ons bent! Wanneer zullen we ooit de hoogste zaligheid genieten, U, o heilige Vader te aanschouwen in de allergrootste liefde van ons hart? Ik zeg jullie: aan deze geesten zal deze genade spoedig, ja heel spoedig worden verleend. Maar wij zullen ons voorbereiden op een verdere beschouwing bij de volgende gelegenheid, en dus genoeg voor vandaag.

 

11.

 

De sfeer van de zesde geest.

De rots Petrus

 

1 Omdat onze liefdevolle geestelijke gastvrije vriend al hier is, kunnen jullie je zonder veel moeite meteen in zijn sfeer begeven om daar dingen in een ander licht te aanschouwen.

2 Wel, jullie zijn reeds in zijn sfeer. Waarom kijken jullie nu ineens zo angstig om je heen? Jullie zeggen: omdat we ons op een hoge klip bevinden en om ons heen niets anders zien dan een eindeloze, golvende zee. Dreigend en verschrikkelijk bruist en golft hij om de eenzame klip waarop we ons bevinden en overal lijkt hij bodemloos diep te zijn. Wat zal er van ons worden als deze zee onze zwakke klip met haar sterke golven overspoelt? We hebben slechts onze zekere ondergang voor ogen! Waar kunnen we redding vinden als al die golven over ons heen zouden spoelen?

3 Maar Ik zeg jullie: jullie hebben je ogen slecht geraadpleegd. Kijk maar eens wat rustiger in de richting van de morgen, waar het grote wateroppervlak rood begint te kleuren, dan zullen jullie meteen op andere gedachten gebracht worden. Jullie kijken al in de goede richting; en, wat zien jullie?

4 Zoals Ik zie, maakt een nog grotere angst zich van jullie harten meester en jullie zeggen met bevende stem: o Heer en Vader, red ons, anders zijn we helemaal verloren! Want even groot en hoog als de bergtoppen verheffen vreselijke monsters hun koppen boven de eindeloos uitgestrekte golven van de zee en lijken met grote snelheid recht op ons af te stevenen. O jullie kleingelovigen en nog kleinmoedigen; waarom zijn jullie, terwijl Ik bij jullie ben, toch bang voor dingen die niets te betekenen hebben? Ik zeg jullie: gebruik maar naarstig je gezichtsvermogen, want de dingen die jullie nu zien zijn uiterst belangrijk. Span daarom je ogen nog meer in, kijk richting middernacht en zeg Me wat jullie daar zien.

5 Jullie schrikken nog meer dan eerst en kunnen nu van louter dwaze angst geen woord meer uitbrengen; wat is er dan? Jullie zien de watermassa zich daar splitsen en zien langs de vochtige wanden in de diepte een dreigend vuur, dat steeds meer naar boven komt en de golven van de zee dampend verteert. Te midden van dit vuur zien jullie een grote, vurige draak. Zeven koppen heeft hij en op iedere kop tien horens. Met zijn machtige staart splijt hij de golven en uit vier koppen, die hij reeds boven de oppervlakte van de zee heeft opgeheven, spuwt hij heftig grote vuurkogels naar alle kanten over de oppervlakte van de zee. Jullie zien nu ook hoe een massa van talloze vleermuizen en ander nachtelijk ongedierte in zijn vier wijd opengesperde muilen vlucht en hoe hij deze haastig in zijn vlammende keelgaten laat zakken. Om de koppen zien jullie dreigende stapelwolken hangen, die naarstig om de horens draaien en zich met bliksems vullen, die naar buiten geslingerd worden op het gewoel van de golven. Dat zien jullie en zijn o zo bang! Maar Ik zeg jullie: kijk nog eens tweemaal zo goed; jullie zullen achter de draak nog iets anders zien. Kijk, om zijn staart is een sterke ketting geworpen en daarachter loopt deze ketting uit in ontelbare kleinere kettingen. Kijk hoe aan het eind van zo'n ketting ontelbare menigten zijn samengebonden, die door deze machtige draak op zijn vuurweg worden meegetrokken.

6 Angstig vragen jullie nu: Vader, wat gaat er met die armzalige slaven van deze draak gebeuren? Maar Ik zeg jullie: kijk nog maar eens heel goed, dan zullen jullie spoedig ontdekken hoe deze slaven achter hun draak met vurige zwaarden in de hand juichen en zeggen: ere zij jou, machtige vorst, dat je de volkeren van de aarde hebt overwonnen en de hemelen aan jou schatplichtig hebt gemaakt! Want zo ben je een machtige rechter geworden tussen God en alle schepselen. Hemel, aarde en alle afgronden moeten voor jou buigen en de verdiensten en werken van de Zoon uit God heb jij overwonnen en jij hebt ze op aarde, boven de aarde en onder de aarde schatplichtig aan jou gemaakt. - Wel, wat zeggen jullie nu tegen deze aanhangers van deze draak nadat jullie dit hebben gehoord? Jullie huiveren tot in het diepst van je wezen. Maar Ik zeg jullie: blijf maar op je nauwe standplaats staan, kijk met vaste blik in de richting van de avond, dan zullen jullie dadelijk een andere scène voor ogen krijgen.

7 Welnu, jullie kijken al. Wat is daar dan weer voor angstaanjagends te zien? Met een bijna vertwijfelde stem zeggen jullie: Heer, als dat zo verder gaat, dan zijn we reddeloos verloren, want de draak heeft zich als een machtige, onafzienbare grote slang in een wijde kring op de golven van de zee gelegd. Als door een onafzienbare, grote, vurige ringmuur zijn we door hem omgeven. We zien nergens meer een uitweg; dus zijn we onvermijdelijk zijn buit! We kunnen niet vanaf onze standplaats omhoog komen; wat zal er van ons worden? Aan alle kanten zien we de wijd uitgestrekte oppervlakte van de zee al sterk gloeien. Talloze kolken worden zichtbaar op het gloeiende en geweldig dampende zeeoppervlak. Vurige orkanen werpen gloeiende golven hemelhoog door elkaar. O Vader, help ons voordat al deze kwellingen steeds dichterbij komen, anders gaan we zonder meer ten onder! En als de gloeiende golven, vol pestilentie en stank, vol vloek en vol verterend vuur, ons zullen verslinden, zult U ons dan wel uit die eindeloze, eeuwig verderfelijke afgrond trekken?

8 O jullie kleinmoedigen, waarom zijn jullie zo erbarmelijk en angstig aan het jammeren! Kijk maar eens naar de middag en jullie zullen zo dadelijk een andere scène te zien krijgen. Zien jullie hoe daar achter de wijde en machtig gloeiende slangenring reusachtige engelgeesten met machtige zwaarden gewapend staan te wachten op slechts één teken, één kleine wenk van Mij om de slang onschadelijk te maken? Kijk maar eens rond naar alle kanten en tel de richtende engelgeesten. Zijn het er geen twaalf? Ja, zo is het! Kijken jullie nu maar eens om je heen. De engelen hebben de wenk gekregen. En kijk, de slang ligt daar gedood en in stukken geslagen. Haar stukken zinken in de diepte van de gloeiende golven; de golven storten er van alle kanten donderend overheen. En kijk nu eens, waar zijn de golven, waar de zee?

9 Vredig land komt op de plaats van de afschuwelijke vloed tevoorschijn. En kijk, van alle kanten komen lieftallige boden, die Mijn levend woord in hun handen dragen en het als tarwekorrels overal uitstrooien. En kijk daar richting morgen: een nieuwe, heerlijke zon komt op! Uit de hemelen valt overvloedige dauw op de nieuwe grond van Mijn genade en ontferming, en nieuwe, heerlijke vruchten ontkiemen overal. Begrijpen jullie het beeld dat jullie zagen? Ik zeg jullie: dit beeld is jullie zeer nabij; het speelt zich voor jullie ogen af. Daarom moeten jullie ook niet angstig zijn, want jullie hebben in dit beeld van hogere geestelijke waarheid het einde gezien van de schandelijke hoererij. Kijken jullie nu nog eenmaal om en kijk naar de geest in wiens sfeer jullie dit allemaal hebben gezien. Kennen jullie hem?

10 Jullie zeggen: o Heer en Vader, hij komt ons heel bekend voor, maar toch weten wij nog niet goed wie hij is. Wilt U ons daarom zeggen, wie onze gastvrije vriend, die ons in zijn sfeer zo'n huiveringwekkend en heuglijk gastmaal heeft bereid, nu eigenlijk is? Dan zeg Ik jullie: deze gastvrije vriend moeten jullie toch gemakkelijk herkennen als jullie maar een beetje letten op de plaats waarop jullie je nog bevinden. Tegen wie heb Ik eens gezegd dat hij een rots is waarop Ik Mijn kerk wil bouwen, die door de poorten of machten van de hel niet zal worden overweldigd? Jullie zeggen: tegen Simon, die daarom Petrus werd genoemd. Welnu, hij is dus ook onze geestelijke gastvrije vriend. Hij ziet Mij en ziet ook jullie. Maar als Ik met jullie spreek, zwijgt hij volkomen, doordat hij vol liefde voor Mij is.

11 Treden jullie nu maar weer uit zijn sfeer, want er nadert alweer een andere, de zevende geest, in wiens sfeer wij weer heel andere dingen zullen zien. Deze zesde geest zullen we echter eveneens in ons gezelschap houden. Overdenk goed, wat jullie vandaag hebben gezien, dan kunnen jullie daarvoor bij de volgende gelegenheid een gedegen oplossing verwachten. En hiermee is het genoeg voor vandaag.

 

12.

 

De sfeer van de zevende geest.

Raadselachtige beelden van geestelijke toestanden

 

1 Kijk, de zevende geest staat hier al op jullie te wachten. Begeef je daarom meteen in zijn sfeer opdat jullie daar de ontknoping en de onbedrieglijke wegen van het heil en de eeuwige ordening mogen zien. Jullie zijn nu in zijn sfeer en kijken heel verbluft en verbijsterd om je heen. Wat zien jullie dan wel, dat jullie in zo'n vreemde stemming geraken, alsof jullie niet weten of je duur iets grappigs of iets ernstigs omgeven bent? Maar lk zie heel precies wat er in jullie omgaat en jullie innerlijke woorden, die jullie zelf nauwelijks kennen, liggen open voor Mij.

2 Jullie zeggen derhalve: hoe uit dit beeld de ontknoping van de merkwaardige dingen, zoals we voorheen hebben gezien, duidelijk zal worden, dat vatte wie het vatten kan! Wij zien echter in plaats van de ontknoping slechts een, niet direct akelige, maar wel nog meer verwarde knoop! Dus: vatte wie het vatten kan, hoe daaruit de ontknoping zichtbaar zal worden. Wij kunnen het niet. Wat moet dit dan betekenen? Hier en daar rijst een kegelvormige berg op. Mensen klimmen aan de ene zijde naar boven en glijden aan de andere kant weer naar beneden. En zij die naar beneden gegleden zijn, gaan staan en lachen om degenen die na hen navolgen, terwijl ze zeggen: dus het is toch waar, dat één gek er tien meekrijgt! Aan de andere kant zien we een heleboel schommels, die elk tussen twee tamelijk sterke en hoge bomen zijn opgehangen, en waarin enorm wordt geschommeld. Ook daar staat een menigte toeschouwers, die de schommelaars uitlacht en toeroept: hé jullie domkoppen, waarom zijn jullie zo vrolijk op die schommel waarin jullie weliswaar heel flink heen en weer vliegen, maar toch steeds op dezelfde plaats blijven? De zwaailengte van jullie schommel is de hele reis die jullie steeds weer opnieuw maken. - Dit is het tweede beeld dat we zien, zeggen jullie bij jezelf. En verder zeggen jullie nog: aan een andere kant zien we een ringmuur. Binnen deze ringmuur bevinden zich cirkelvormige banen, die spiraalsgewijs naar een in het centrum opgestelde tent toelopen. Over deze banen rennen mensen naar de tent. Hebben zij deze bereikt, dan draaien ze om en rennen weer naar buiten naar de ringmuur. Rondom de ringmuur staan hier en daar groepjes mensen, die deze ringbaanrenners achtereenvolgens uitlachen en hun vragen wat ze met dat rennen willen bereiken. Sommigen worden dit rennen beu, klimmen op de ringmuur en zeggen dan: hoe heb ik toch zo dom kunnen zijn en heb ik me daar helemaal voor niets bijna doodgerend?

3 Op een vierde plaats zien we een rond waterbassin met een doorsnee van ongeveer duizend klafter en een diepte van ongeveer een klafter. In het midden van het bassin is een groot schoepenrad aangebracht dat een doorsnee van ongeveer tien klafter heeft. Dit schoepenrad wordt door een erboven aangebrachte constructie van balken in een regelmatige draaibeweging gebracht. Daardoor wordt de hele watermassa in het bassin gedwongen eenzelfde draaiende beweging te maken, die dichtbij het wiel het snelst is en bij toenemende afstand steeds langzamer wordt.

4 Op de oppervlakte van het water is een grote hoeveelheid roeibootjes beschikbaar. In de bootjes zitten mensen die zich inspannen om vanaf de oever dichter bij het schoepenrad te komen. Als ze daar in de buurt komen, raken ze al gauw afgemat en worden dan door de naar buiten draaiende beweging van het water weer naar de oever gespoeld. Aan de oever staat weer een menigte toeschouwers, die de dwaze zeevaarders uitgebreid uitlacht.

5 De zeevaarders lijken zich daar over het algemeen niet veel van aan te trekken. Maar enkelen van hen, die reeds meer dan eens naar de oever zijn gespoeld, stappen tenslotte met verveelde en verdrietige gezichten aan de oever uit hun bootje en kunnen zich maar niet genoeg verbazen dat zij zich op de oppervlakte van het water zo lang voor niets en niemendal door het waterrad hebben laten beetnemen. Enkele van hen zien het dolle gedoe nog een tijdje aan en lachen met de andere toeschouwers om de nog druk bezig zijnde zeevaarders. Weer anderen verwijderen zich hoofdschuddend en zoeken ergens een rustig plekje om uit te rusten van hun dwaze en zinloze inspanningen. Dat is dan ook alles wat we in de veelbelovende sfeer van deze zevende geest zien. Dat zulke verschijnselen zich heel veel voordoen, zien we wel, maar het zijn steeds dezelfde. Wie derhalve in deze verschijnselen een oplossing en bovendien de onbedrieglijke wegen van de goddelijke orde kan zien, moet meer licht in zijn ogen hebben dan een heel legioen van hoofdcentraalzonnen bij elkaar op één punt! Alles wat we uit deze hele geschiedenis kunnen opmaken, is hetgeen de oude wijzen al eens hebben gezegd: er is niets nieuws onder de zon, maar alles volgt zijn vaste oude kringloop, en dat steeds weer op dezelfde manier van voren af aan.

6 Nu noem Ik jullie echter een ander, ook oud spreekwoord, dat rechtstreeks uit de natuur der dingen is afgeleid en aldus luidt: wie blind is, ziet niets! Kijk, tegen dit spreekwoord is niets in te brengen, want zo is het in het algemeen in de wereld gesteld en in het bijzonder wat de innerlijke waarneming van de geest betreft. De hele wereld lijkt op een Thomas die zei: zolang ik niet mijn handen op Zijn wondtekens en in Zijn zijde heb gelegd, zolang geloof ik niets; anders gezegd: wat ik niet met mijn handen kan grijpen en bij heldere zonneschijn niet met mijn ogen kan zien, dat is voor mij zo goed als niets, betekent niets en zegt me niets.

7 Ik zou echter eerst eens aan iedereen die zoiets beweert, willen vragen: kun jij de sterren aan de hemel met je handen pakken en kun jij ze zien bij heldere zonneschijn? Kijk, je kunt noch het een noch het ander. Bestaan daarom de sterren niet, omdat jij noch het ene noch het andere kunt? Je zegt tegen Me: de sterren zie ik tenminste 's nachts en dan kan ik hun haan berekenen. Maar Ik zeg je: jouw getuigenis strekt jou, wat scherpzinnigheid betreft, niet tot grote eer, omdat je daardoor openlijk te kennen geeft dat je Mijn ordening alleen vanuit jouw nachtzijde berekent, terwijl de ordening van de dag jou vreemd blijft. En had je geen nacht dan zou je er op klaarlichte dag bijstaan als een blinde en zou je niet eens kunnen dromen over de ordening van Mijn dingen. Het is treurig als jullie je wijsheid, wat de orde van Mijn dingen betreft alleen maar aan de nacht, maar niet aan de dag te danken hebben. Kijk, dat blijkt ook heel duidelijk uit de dingen die jullie nu gezien hebben.

8 Daar klimmen weetgierige en op sensatie beluste mensen op een berg en geloven dat ze daar de geheimen van de hemelen goed bij de kop kunnen pakken en alles wat zich daarin bevindt tot op de laatste druppel eruit kunnen halen. Daarom doen ze ook alle moeite om langs de steile wanden van de kegelvormige berg omhoog te klimmen. Hoe verder ze komen, des te minder plaats ze hebben om op te staan. Als ze de top helemaal bereikt hebben, hebben ze tenslotte helemaal geen plaats meer, worden al gauw duizelig en, omdat ze daarboven geen hemels houvast vinden, laten ze zich aan de andere kant van de berg weer vlug naar beneden glijden naar dezelfde vlakte waar ze van zijn vertrokken. Tenslotte weten ze niet, waar hun bergbeklimming toe diende en kunnen ze er ook niet omheen eerst om zichzelf te lachen en dan bij zichzelf te zeggen: nu weten we net zoveel als voorheen; al onze inspanningen waren dwaas en belachelijk. We hebben bij het omhoogklimmen geprobeerd de ander voorbij te streven; waarom? Omdat we dan allemaal weer even vlug aan de andere kant naar beneden konden glijden? Wat hebben we nu voor op degenen die geen voet op de berg hebben gezet? Niets, want ten eerste zijn we even ver als zij, en ten tweede, worden we door hen nog als dwazen uitgelachen omdat we ons zoveel moeite hebben getroost om een en hetzelfde doel te bereiken, terwijl we dat ook op een veel gemakkelijker manier hadden kunnen bereiken.

9 Maken jullie nog niets op uit dit beeld? Ik zal jullie nog iets zeggen, dan zullen jullie die zaak makkelijker begrijpen. Hoe leggen jullie deze tekst uit: `Mijn juk is zacht en Mijn last is licht'? Als Ik dit heb verkondigd, wie dwingt dan degenen die tot Mij willen komen, om bergen te beklimmen om Mij te bereiken, terwijl Ik op het vlakke land en op een kaarsrechte weg op hen wacht? - Kijk nu verder; waarom gebeurt er dus niets nieuws onder de zon?

Ik zeg jullie: om de zeer wijze reden dat de menselijke wereldwijsheid uiteindelijk daardoor vanzelf beetje bij beetje moet afstompen, omdat het tenslotte voor de hand ligt dat zij niets anders kan bereiken dan hetgeen op dezelfde manier reeds lange tijd daarvoor werd bereikt.

10 Verder kunnen jullie in dit eerste beeld ook een duidelijke verklaring vinden voor hetgeen jullie gezien hebben in de sfeer van de zesde geest. Wanneer jullie de geschiedenis van de inspanningen van de draak volgens de Openbaring van Johannes doornemen, zal het jullie toch ook overduidelijk worden hoe vaak die draak zich al de moeite heeft getroost steeds opnieuw uit zijn afgrond op te duiken of, zoals bij het eerste beeld van vandaag, de top van een of andere berg te beklimmen. Wat was nog altijd het gevolg van zijn inspanningen?

11 Hoe hoger hij klom, des te minder grond hij had om op te staan en als hij al de top had bereikt, wat was dan het gevolg? Dat hij heel vlug weer afdaalde in de diepte van waaruit hij was opgedoken, want op de top kan zich niets handhaven. Wil zich iemand daarop vestigen, dan is het toch zeker afgelopen met zijn hele werkgebied, want dit kan onmogelijk groter zijn dan de spitse standplaats waarop de werkwillige zich bevindt. Dat wordt echter iedereen die op de top bezig wil zijn duidelijk; daarom kan ook niemand op de top blijven. Iedereen zal daar heel zeker door duizelingen bevangen worden! Het gevolg van die duizeligheid is dat hij de top weer verlaat en aan de andere kant weer vlug naar beneden glijdt. Dit is een heel wijze les uit de school van de eeuwige ordening! Haar naam is onthechting', wat zoveel inhoudt als het vernietigen van alle zelfzuchtige begeerten.

12 Het heeft geen enkel nut als iemand voor het beklimmen van de berg zou zeggen: luister broeders, klim met mij, ik weet de juiste weg. Ga maar met mij mee, want alleen langs deze weg zullen we op de top een goede stevige standplaats vinden. We hebben al in het begin in het dal deze geesten horen roepen: één gek krijgt er tien mee, en kijk, niet slechts tien, maar een hele menigte klautert achter zo iemand die beweert de weg te kennen, aan. Daar de berg als kegel tenslotte maar één top heeft, wordt deze langs alle wegen goed bereikt, maar daar is het dan ook altijd: tot hier en geen haarbreed verder! Het lot wil echter, dat men aan de andere kant weer heel vlug naar beneden glijdt om weer die toestand te bereiken, vanwaar men is uitgegaan. Zie, dit beeld geeft reeds een belangrijke oplossing voor hetgeen we eerder hebben gezien in de sfeer van de zesde geest. De volgende beelden zullen ons zo'n oplossing nog veel duidelijker voor ogen brengen. Blijf daarom nog zolang in de sfeer van de zevende geest totdat we alle beelden hebben opgelost. De volgende keer komt dus de schommel aan de beurt; dan de ringmuur met zijn spiraalvormige banen en tenslotte het waterbassin. En hiermee genoeg voor vandaag.

 

13.

 

De schommel in haar overeenstemmende beeld.

Ceremoniële godsdienstcultus en het wereldse leven

 

1 Jullie hebben zeker wel meer dan eens zo'n eentonig tuinluchtschip gezien dat jullie zeer goed bekend is onder de naam schommel; ook zullen jullie al wel eens zo'n zich steeds herhalende vliegreis hebben meegemaakt. Wat hadden jullie dan voor gevoel als dit luchtschip door een kundige gezagvoerder zo echt flink heen en weer werd geduwd? Jullie zeggen: ons gevoel was allesbehalve behaaglijk en toen we dit vaartuig verlieten moesten we bijna braken van zo'n vreselijke heen- en weerreis! Om die reden is ons ook alle lust vergaan om ooit weer zo'n luchtreis mee te maken.

2 Ik zeg: deze beschrijving is heel goed en we zullen haar ook buitengewoon goed voor ons doel kunnen gebruiken. Hebben jullie je echter wel eens afgevraagd wat er met zo'n schommel zou gebeuren wanneer ze door de enthousiaste aanduwer wat al te hard in beweging zou worden gebracht? Jullie zeggen: o ja, dan slaat ze over de kop met als gevolg, dat het met de luchtreizigers heel slecht afloopt. Goed, zeg Ik, ook dit verhaal kunnen we heel goed gebruiken. Rest ons in dit opzicht nog een derde vraag en deze luidt: hoe ver komen de reizigers in zo'n luchtschip? Antwoord: na urenlang heen en weer bewegen zijn ze uiteindelijk zo ver gekomen, dat ze op hetzelfde punt waar ze zijn ingestapt ook weer uitstappen. Wat is dat dus voor een reis? Antwoord: een schijnreis, omdat men weliswaar flink in beweging wordt gezet, maar desondanks toch niet buiten de zwaailengte van zo'n luchtschip komt en men het zich tenslotte moet laten welgevallen zelfs te worden uitgelachen door een slak, die met een niet te vergelijken langzamere kruipbeweging binnen een paar uur allang meer dan de zwaailengte van onze schommel heeft afgelegd. - Zo zien we ook in de sfeer van onze geestelijke gastvrije vriend hoe een menigte mensen zich in aanzienlijk grote schommels wild heen en weer laat schommelen. Kijk maar: zolang de schommel nog een matige beweging maakt, roepen de schommelaars de aanvoerder toe: harder, harder schommelen! Maar als de schommel al bijna een halve cirkel beschrijft, roepen ze weer allemaal: stop, stop, anders slaat de schommel over de kop en zijn we verloren!

3 Zien jullie nog niets in dit eigenaardige beeld? O, het staat je zo helder als een zon voor ogen! Als jullie slechts één blik op de ceremoniële geloofscultus werpen, dan zullen jullie ons beeld dadelijk beginnen te begrijpen.

4 Een kind in zo'n ceremoniële kerk geboren en gedoopt, wordt in geestelijk opzicht reeds in zo'n schommel gelegd, en als het erin ligt, wordt de schommel ook terstond geleidelijk aan in een steeds grotere beweging gezet. Bij zo'n beweging denkt de mens dan dat hij de hemel weet wat voor grote vorderingen maakt en hoe hij vooruit komt. Alleen ziet iedereen op het eerste gezicht gemakkelijk in, hoe ver zo'n reis zal gaan! Tussen twee pijlers hangt ons luchtschip. De ene pijler betekent de zogenaamde rots van de geloofsleer, de andere pijler echter de noodzakelijkheid van staat en politiek. Deze beide zijn zo stevig mogelijk geplaatst en door dwarsbalken met elkaar verbonden. Zo gaat dan vervolgens de reis tussen deze twee pijlers door en men kan zich geen duimbreed verder bewegen dan het touw, waaraan de veelzeggende schommel hangt, lang is. Sommige schommelaars worden al gauw misselijk en bij het eerste rustpunt dat zij te baat kunnen nemen, springen ze eruit. Enkelen keren zo'n vervoermiddel voorgoed de rug toe. Alleen degenen die belang hebben bij de schommel blijven er pro forma inzitten, laten zich slechts voor de schijn heel gezapig heen en weer trekken en loven en prijzen zo'n beweging die volgens hen buitengewoon goed is voor de gezondheid. Daardoor trekken ze ook vreemden aan en zeggen tegen degenen die zo dwaas zijn weer in dit vervoermiddel te stappen: willen jullie ten volle het genot en dus de volmaakte bevrediging van zo'n tocht ervaren, dan moeten jullie je laten blinddoeken. Daar zoiets dan veel dwazen verleidt om met geblinddoekte ogen in de schommel te gaan zitten, gebeurt het dan dat deze enthousiast beginnen te roepen en zeggen: ja, nu begrijpen we pas wat voor grote geheimen achter deze eentonigheid schuilgaan, want nu is het heen en weer gaan opgehouden en vliegen we bliksemsnel door eindeloze ruimten. Dat moet toch een wonder zijn! Wie had ooit kunnen dromen, dat er achter zoiets eentonigs zoiets groots verborgen ligt?

5 Wanneer zulke geblinddoekte luchtreizigers denken al ver genoeg te hebben gereisd, dan verzoeken zij degenen die belang hebben bij de schommel om hun ogen weer vrij te willen maken. Maar de belanghebbenden, heel goed wetende wat voor gevolgen het vrijmaken van de ogen voor hun geblinddoekte luchtreizigers zal hebben, raden hun dat heel dringend af en zeggen: wee jullie, als jullie dat nu zouden wagen, want in de sfeer waarin jullie je nu bevinden, zouden jullie voor eeuwig blind worden als jullie nu de blinddoeken van je ogen zouden laten afnemen. Pas als we het grote levensdoel zullen bereiken, kunnen jullie de blinddoeken wegdoen, zodat jullie dan mogen zien hoe veilig wij jullie voor het geringe loon dat jullie ons voor die hele grote reis betaalden, naar het doel hebben gebracht.

6 Welnu; enkelen laten zich misleiden en houden braaf hun blinddoek om maar anderen, beu van die deze eigenaardige, onbestemde geblinddoekte reis, rukken de blinddoek af en merken tot hun grote ergernis dat ze zich nog tussen de twee pijlers bevinden. Ze zouden nu graag uit dit vervoermiddel springen, maar dat is nog te sterk in beweging en daarom zijn ze genoodzaakt, ondanks al hun verzet, deze eentonige reis mee te maken. Als ze zich bij de leiders beginnen te beklagen, wordt hun om allerlei redenen bevolen te zwijgen, omdat ze anders hardhandig uit de schommel worden gegooid, hetgeen hun niet al te best zou bekomen. En kijk nu eens; opdat zulke protesteerders zich noodgedwongen wel bij de uitspraak van de belanghebbenden moeten neerleggen, is aan de ene kant van de schommel een vuur aangelegd en aan de andere kant een grote hoeveelheid speren opgesteld! Wat blijft de protesteerders nu nog over? Niets anders dan zich nog langer heen en weer te laten schommelen en voor iedere schommeltocht tegen hun wil in de huur te betalen. Hoe smachtend wachten de zienden op het moment dat de schommel zal stoppen! Maar wanneer zal dat gebeuren?

7 We zullen dit op een heel gemakkelijke manier berekenen. Kijk, de dichtstbijzijnde schommel zwaait nu al heel hard, en beschrijft van links naar rechts bijna een halve cirkel. Maar kijk,, door dit harde schommelen wiebelen de pijlers al flink met de schommel mee en door de grote wrijving zijn al veel draden van het schommeltouw doorgesleten. Deze mankementen aan ons luchtschip worden zelfs door de belanghebbenden opgemerkt. Daarom durven ze dit niet meer zo hard te laten zwaaien want ze zeggen: als we het ding te hoog laten gaan, breken de touwen en liggen wij met onze passagiers of in het vuur, of in de speren. Daarom brengen we de schommel ongemerkt tot stilstand, gooien het met de protesteerders op een akkoordje, en voegen ons eveneens onopgemerkt naar hun wensen, terwijl we alles, zolang het gaat, op zijn beloop laten. Want we zien heel goed in dat er met geweld niet veel meer valt te bereiken.

8 En kijk nu opnieuw. De schommel beweegt zich over een veel kortere afstand heel onverschillig heen en weer en degenen die niet meer geblinddoekt zijn, springen er een voor een uit. We zien er nu bijna niemand meer inzitten, behalve de belanghebbenden en een enkele geblinddoekte. Jullie zien ook dat de bestuurders van de schommel ijverig moeite doen om de beide wankele pijlers met allerlei steunen zo goed mogelijk vast te zetten. Betaalde knechten klimmen langs ladders omhoog en proberen met zwakke koorden het zeer beschadigde touw zo goed mogelijk aan beide pijlers vast te maken. Omdat het touw echter niet stil hangt maar zich nog steeds heen en weer beweegt, kunnen ze nergens een veilige en stevige lus maken; dan is ze te lang, dan weer te kort, zodat ze daardoor bitter weinig kan bijdragen tot het verdere behoud van het hoofdtouw. Dat is toch een duidelijk kenmerk voor de huidige stand van zaken!

9 Wie dit slechts als een beeld van lege fantasie zou willen beschouwen, moet maar eens een vluchtige blik op het doen en laten van de huidige wereld werpen en hij zal dit vastbinden en knopen leggen over en weer tussen landen, volkeren en kerkgenootschappen heel duidelijk herkennen. Ik wil jullie slechts opmerkzaam maken op allerlei onderhandelingen tussen staten onderling, die resulteren in verschillende overeenkomsten. Wie dit ook maar met een half oog bekijkt, zal de betekenis van het bovengenoemde kunst- en vliegwerk met touwen en banden heel duidelijk zien. Nu zal de een of ander Mij tegenwerpen en zeggen: als de zaken zo liggen, waarom zijn de weer ziende protesteerders het dan eens met dit aanbinden en verstevigen van de touwen? Jullie hebben het antwoord duidelijk voor ogen: omdat de schommel nu nog tamelijk hard gaat en zij zich ook in deze fatale schommel bevinden, zijn ze bijna even bang als de belanghebbende zelf, dat het touw voortijdig zal breken. Ze laten zich het vastknopen daarom welgevallen om niet door het voortijdig breken van het touw hard mee neer te vallen, dat wil zeggen samen met de degenen die belang hebben bij de schommel. Dat dus dit vastbinden en vastknopen een duidelijk teken is van de zwakheid van het hoofdtouw, is voor jullie nu wel erg voor de hand liggend. Zou een land of volk zich tegenover de anderen sterk genoeg achten, dan zou het uit hoofde van zijn welbewuste macht wel voorschriften gaan geven en zou het zeker geen gebruik maken van lapmiddelen. Daar het echter zijn innerlijke zwakheid wel kent, neemt het zijn toevlucht tot het achteraf verstevigen, maar ondanks dit alles zal het zwakke versleten touw het geen seconde langer houden, omdat het tengevolge van de sterke slijtage nog verborgen zwakheden in zich heeft.

10 Als het hoofdtouw zal breken, zullen alle bandjes en koordjes ook onmiddellijk mee stukgaan. Kijk, dat biedt ons het tweede beeld. -

11 Neem al jullie kerkelijke en politieke zaken bij elkaar of vergelijk ieder mogelijk detail ervan met ons beeld, en jullie zullen ontdekken dat het er zowel in het algemeen als in elk detail precies mee overeenstemt. Opdat jullie dit echter nog duidelijker begrijpen, wil Ik jullie slechts als voorbeeld iets aanhalen uit zowel de sfeer van de kerk als van de staat. Uit de kerkelijke sfeer nemen we bijvoorbeeld de oorbiecht. De toestand van de schommel, waarin deze bij het heen en weer zwaaien de aardbodem het dichtst nadert, is de zondige toestand. Men biecht en verheft zich daardoor aan de ene kant met een zwaai naar de hemel, maar glijdt even vlug weer terug. Op het laagste punt biecht men weer en zwaait dan aan de andere kant naar de hemel. Zo herhaalt de mens in zijn schommelsituatie deze daad zo lang hij leeft en besluit zijn leven bij de rusttoestand van de schommel gewoonlijk weer met de biecht. De schommel zwaait dan echter niet meer omhoog, maar de mens verlaat dit leven op hetzelfde punt waar hij het is begonnen. Welke vooruitgang de geestelijke mens daardoor echter heeft geboekt, kunnen jullie nu juist opmaken uit ons beeld in de sfeer van onze geest op de geestelijke zon, namelijk dat hij nog heel lang zal doorschommelen tot ofwel het touw breekt of hij zijn als het ware vastgegroeide blinddoek kwijtraakt. Aan deze hier gegeven maatstaf kunnen jullie het hele ceremoniële kerkelijke gebeuren afmeten, en jullie zullen daarin niets anders ontdekken dan `het schommelen'. De wezenlijke zin van het hele tegenwoordige kerkelijke leven wordt ook heel treffend bezongen door elke kerkklok die bij iedere zwaai met enorm lawaai steeds een en dezelfde toon laat horen. Een harmonisch gevoelig oor kan dan luisteren zoveel het wil en voor dat doel alle mogelijke plekken uitzoeken, het zal echter toch niets anders horen en in zich opnemen dan juist voortdurend dezelfde eentonige klank, die reeds bij de eerste klepelslag duidelijk viel waar te nemen. Wat zo'n luisteraar tenslotte zal verkondigen is het volgende: van veraf is de klank nog om aan te horen, maar van dichtbij is hij onverdraaglijk; wat zoveel wil zeggen als: zolang het uit mijn buurt blijft zit ik goed! Zo hadden we dus een voorbeeld uit de sfeer van de kerk; nu nog een staatkundig voorbeeld.

12 Kijk eens naar jullie industrie en naar alle geldzaken die eigenlijk het centrale punt van heel het staatkundige leven zijn. Wie daarin niet de bedrijvigheid ziet van het voortdurend schommelen, moet wel zevenvoudig met blindheid geslagen zijn. Jullie zullen overal, zowel in het algemeen als in afzonderlijke gevallen een omhoog zwaaien en een weer spoedig terugvallen opmerken. Het ene land zwaait omhoog, het andere zwaait terug en komt weer terecht op de laagste stand van zijn schommel. Spoedig valt het eerst omhoog zwaaiende rijk weer en een ander zwaait omhoog. Zo vaak jullie nog hebben opgemerkt dat een rijk zich tot de hoogste top opgewerkt had, zo vaak was dat ook een duidelijk signaal voor zijn val, die nog veel sneller ging dan zijn zwaai omhoog.

13 Als jullie kijken naar verschillende rijk geworden particulieren die van hun privé-schommel hebben geprofiteerd, dan zien jullie dat zij in hun eigen schommel waarin zij zich op het zogenaamde hoogste punt van hun welstand bevinden, zojuist ook zijn begonnen terug te zwaaien. Bij allen komt het slechts op de lengte van het schommeltouw aan. Zijn de touwen heel lang, dan is de zwaai veel langzamer en verder reikend. Maar al zou een schom­meltouw ook van de zon tot de aarde reiken, dan zal de daaraan bevestigde schommel, als deze het hoogste punt heeft bereikt, zich toch meteen weer in haar onbeduidende diepte terugbegeven. Zo is het hele wereldse leven niets anders dan louter schommelen! - Jullie kunnen het bekijken zoals je wilt; wie van jullie Mij daaruit een of andere vooruitgang kan aantonen, geef Ik een tienvoudig eeuwig leven als geschenk! Alleen kunnen jullie ook hier het devies van de oude wijzen toepassen, dat luidt: niets nieuws onder de zon! Dat is ook mijn mening, want bij zulke in het algemeen zelfzuchtige schijn­bewegingen en vorderingen zal er onder de zon ontzettend weinig nieuws te vinden zijn.

14 Gelukkig degene die zich aan de schommel kan onttrekken, want op het vrije terrein zal hij met weinig schreden in enkele minuten meer doen dan met al dat geschommel in vele duizend jaren. Wie dus volmaakt wil worden zoals de Vader in de hemel volmaakt is, moet niets zozeer mijden als de schommelende bedrijvigheid overal in de wereld. Beter is het voor de geest en diens eeuwige leven een zwaar kruis voort te slepen, dan zich, al is het nog zo zacht, de eeuwige dood in te schommelen.

15 Welnu, jullie zullen dit beeld hopelijk begrijpen. Daarom zullen we het volgende helder in ogenschouw nemen. Maar voor vandaag laten we het hierbij!

 

14.

 

De ringmuur in zijn overeenstemmend beeld.

Vormen van de verschillende christelijke kerken

 

1 Wanneer jullie onze ringmuur met wat meer aandacht bekijken, zullen jul­lie zien dat daarbinnen niet slechts een, maar verscheidene banen aan de rand van het erbinnen liggende terrein beginnen en spiraalvormig draaiend naar de afgesloten tent toelopen. Als jullie er nog aandachtiger naar kijken, zullen jullie bovendien nog ontdekken dat al deze banen op een welberekende manier zo naar de tent toe zijn aangelegd, dat men langs geen enkele bij de ingang van dc tent kan komen. Toch wordt er aan de rand van het aanzien­lijke terrein gezegd: wie het smalste pad kan vinden en er dan, zonder op zij­wegen af te dwalen, overheen loopt, zal vast en zeker de tent bereiken, waar hem een grote beloning wacht.

2 Wat moet dat eigenaardige doorlopen van een spiraalbaan toch betekenen? Ik wil daarop geen definitief antwoord geven; jullie zullen het zonder meer vinden als je de zaak nader zult hebben bekeken. Kijk dus maar heel aan­dachtig naar deze weliswaar dwaze, maar juist in haar dwaasheid veelzeggen­de speelplaats!

3 Kijk, op iedere plek waar zo'n baan van buitenaf naar het centrum toe begint, bevindt zich ook een zogeheten baanchef, een baandirecteur en nog een grote groep andere handlangers. Kijk hoe ze allemaal buitengewoon ern­stige en heel gewichtige gezichten trekken. Op de brede muur zien jullie een grote menigte mensen van beiderlei kunne. Kijk, hoe daar aan het begin van een baan de gezamenlijke baanbelanghebbenden en voornamelijk de baan­chef hun baan als de enige juiste aanprijzen en zeggen: kom allemaal hier­heen! Deze baan is de enige juiste waarlangs jullie heel zeker bij de deur van de tent en dus ook in de tent zelf kunnen komen, waar een onschatbare prijs op jullie wacht! Maar kijk, de baanchef die vlak naast hem staat roept en zegt tegen de gasten: laat je niet misleiden! Bij ons betalen jullie veel minder baan­geld, want onze baan is de oudste, dus ook de officieel erkende; over haar zijn reeds vele duizenden in de tent aangekomen en hebben daar hun hoge prijs afgehaald. Maar de eerste baanchef komt meteen overeind, protesteert geweldig en waarschuwt de gasten indringend om de bedrieglijke verlokkin­gen van de tweede baanchef toch vooral niet op te volgen. De tweede baan­chef gaat heel opgewonden tegen zulke lasterpraat in en roept met een gewel­dige stem: ik zeg niet dat jullie hierheen mogen komen; ik laat het niet aan jullie vrije wil over of jullie langs mijn baan willen gaan of niet, maar omdat ik heel goed weet dan mijn baan de oudste en enige juiste is, wil ik jullie er met de haren bijslepen. Het is treurig genoeg dat men domkoppen zoals jul­lie zo'n onnoemelijk geluk gewoonweg met geweld moet opdringen! Weer verheft zich de eerste baanchef en roept overluid: volg mijn buurman maar! Jullie weten echter niet dat zijn baan in de buurt van de tent een verborgen en afgedekte afgrond heeft waarin iedereen die deze baan bewandelt, onher­roepelijk te gronde gaat. Bij deze uitspraak komt de tweede baanchef nog heftiger in het geweer, stuurt zonder verder een woord te zeggen zijn hand­langers de muur op, laat door hen een menigte met geweld samendrijven en op zijn baan trekken. Als zij het baangeld willen betalen doet hij blufferig grootmoedig en zegt: ik neem van jullie,, niets aan; ik wil alleen maar jullie geluk; loop daarom over mijn baan. Jullie kunnen rennen of rustig wande­len, zoals je wilt, en ik sta er helemaal voor in dat jullie hier op mijn baan nergens een verderfelijke afgrond aantreffen maar allemaal behouden in de tent zullen aankomen. Ik stel slechts als voorwaarde dat jullie vooral niet van mijn baan af gaan. Gaan jullie er uit onvoorzichtigheid of eigenmachtig vanaf, dan sta ik nergens voor in, want op elke andere baan belanden jullie in plaats van in de tent, in een of andere verborgen afgrond. En zo zien jul­lie dan de menigte voortgaan.

4 Maar zie, vlak ernaast staat alweer een derde baanchef. Hij maakt geen lawaai, trekt een heel goedmoedig en medelijdend gezicht en de gasten vra­gen hem waarom hij dat doet en wat hem dan op zo na aan het hart ligt. Hij zegt hen heel bescheiden met zachte woorden: wie zou daarbij niet droevig zijn?! Deze arme mensen gaan immers allemaal de verkeerde weg, terwijl toch alleen deze de enige juiste is, die bijna lijnrecht naar de deur van de tent loopt. Ik zeg jullie niet: kom hierheen, maar als jullie overal zullen hebben ervaren dat jullie met je vergeefse, zinloze moeite niets hebben bereikt, zul­len jullie je wel vanzelf op mijn baan begeven. Ik zeg jullie: ik vind het zelfs niet eens goed als iemand naar mijn baan loopt en daardoor de arglistige baanchefs naast mij jaloers maakt. Als hij zich overal ervan overtuigd zal heb­ben dat hij bedrogen is, zal hij zonder meer naar mij toekomen en mij als­nog graag een hoge baanprijs betalen als ik mijn baan maar voor hem wil openstellen.

5 Kijk daar, een vierde baanchef, die heimelijk en sluw naar zijn buurman omkijkt, zijn hoofd schudt en tenslotte zegt: vooruit maar! Wie het laatste lacht, lacht het best! Ik zeg jullie, mijn helpers, laat al deze muurgasten met rust. Laat die dwazen maar doen wat ze willen; wij nodigen niemand uit. Gaan jullie maar over de muur naar buiten, vang ze daar op en breng ze hier. Zodra deze domkoppen van buiten hierheen zijn gebracht, kunnen wij er zo goed als zeker van zijn dat ze geen andere baan zullen zoeken en geen ande­re zullen betreden dan de onze. We plaatsen alleen een spandoek met het opschrift: `Enige juiste baan naar het doel!', maken daarbij zo min mogelijk drukte en de vette vissen zijn allemaal voor ons.

6 Maar kijk verder! Hiernaast is alweer een andere, heel smalle baan, die er armoedig uitziet. De baanchef zit echt zorgelijk bij de ingang en lijkt zich om niemand te bekommeren. Zijn weinige helpers volgen zijn voorbeeld. Zie hoc verscheidene gasten naar deze baanchef toe gaan en hem heel heimelijk vragen: hoc staat het met jouw baan? Hij zegt daarop niets anders dan slechts deze woorden: mijn haan spreekt voor zichzelf. Wie haar wil bewandelen, zal zich ervan overtuigen of ze hem al dan niet naar zijn doel zal brengen. Deze eigenaardige en geheimzinnige woorden doen velen verbaasd staan en vrij veel baangasten beginnen zich bij hem aan te sluiten.

7 Als ze naar de prijs vragen, zegt hij: hier is geen prijs, maar wie deze baan wil betreden, die geve alles wat hij heeft, want hij zal ook alles terugvinden. Ik heb voor mijzelf echter niets nodig. Van deze voorwaarde kijken de baan­liefhebbers dan weer vreemd op en de een na de ander trekt zich weer op de muur terug.

8 Maar kijk, ernaast ligt weer een andere baan. Ze heeft een echt oude knies­oor als baanchef. Deze heeft een complete kassa voor de baan opgesteld. Hij nodigt weliswaar niemand uit maar als er iemand naar hem toekomt en vraagt: wat is dit voor baan en leidt ze wel tot in de tent? Dan zegt de baan­chef heel zachtjes en geheimzinnig tegen hem: vriend, er was nog geen baan zoals deze; deze alleen is de oudste en zij staat in verbinding met de poort van tic tent. Wil je haar bewandelen, dan zul je er geen spijt van krijgen. Alleen moet je het baangeld, dat zo en zoveel bedraagt, in fijne klinkende munt betalen. Daarvoor krijg je dan een wissel van dezelfde waarde. Als je de baan goed doorloopt en je onderweg niet door een of andere laat verleiden, kom je zonder meer in de tent en win je daardoor de hoofdprijs. Mocht je echter toch verdwalen dan is nog niet alles verloren, want met deze wissel in handen zul je voor de jouw hier ingelegde klinkende munten toch nog altijd zo en zoveel aan rente terugkrijgen. Zoals jullie zien, heeft deze baanchef een leer aanzienlijke toeloop van groot en klein, maar niet vanwege de baan, maar enkel en alleen vanwege zijn geldzaken. Vandaar dat hij barst van het goud, zilver en allerhande edelstenen. Wat de tent betreft, daarom bekommert hij, de baanchef, zich zo te zeggen niet in het minst meer, want zijn zaken zijn slechts geldzaken. Zodoende maken ook zijn baanwandelaars zich er niet erg druk om of ze de tent goed bereiken of niet, want ze hebben immers hun wissel in handen.

9 Maar kijk nog verder; daar liggen nog verscheiden, weinig betreden banen. Hun baanchefs worden door de hoofdbaanchefs slechts tot op zekere hoogte geduld. Daarom zitten deze ook heel rustig bij hun banen. Komt er een bedevaartganger bij de een of de ander, dan is dat goed; komt er echter niemand dan krijgen ze er ook geen grijze haren van. Ze zijn in zekere zin niet op de opbrengst van de baan aangewezen maar ze voorzien in hun onderhoud uit de bescheiden inkomsten van allerlei kraampjes, die ze bij hun banen hebben opgesteld. Worden zij heimelijk door iemand gevraagd: is jouw baan de juiste? Dan zeggen ze totaal-onverschillig: als deze de juiste niet is, welke zal het dan zijn? Zie, zo is dit ringbaanterrein belegerd door louter baanchefs, grote, roepende, zich beklagende, zwijgende en geheimzinnigdoende. Met uitzondering van één enkele baan, namelijk de smalste, vinden jullie overal wandelaars en zoekenden. Maar omdat aan het eind alle banen afgerasterd zijn, lopen al deze baanwandelaars tenslotte tegen de wand van de tent op. De deur bereikt niemand, want zoveel als jullie er haastig heen zien lopen, evenzoveel zullen er bij de steile wand teleurgesteld worden, omkeren en weer de vrijheid zoeken, daar ze met hun inspanning niets hebben bereikt. Iedereen verdringt zich om de baanchef die tegen klinkende munten wissels uitreikt. En zie, zelfs alle andere baanchefs sturen ongemerkt hun helpers met zakken vol zilver en goud en laten zich door hem ervoor wissels uitreiken.

10 Alleen naar onze armzalige baanchef die aan de ingang van de smalste baan rust, begeeft zich niemand. Daarom heeft ook alleen deze weinig te doen en als er al iemand naar hem toe wil gaan, wordt hij ofwel uitgelachen of er door de andere baanchefs met geweld van afgehouden.

11 Maar kijk nu nog eens goed, hoe zich op de muur een aanzienlijke menigte bekwame verkenners heeft opgesteld, die met hun ogen de smalle, geheel onbetreden baan volgen. Enkelen onder hen zeggen: kijk eens, één baan leidt werkelijk naar de deur. Maar als alle banen hier rondom enkel naar de blinde wand leiden, wie weet of dan niet juist deze smalle baan naar de deur leidt?

12 Kijk, een menigte loopt reeds rondom over de muur en volgt de baan met haar ogen. De baanchefs begrijpen niet, wat dit rondwandelen betekent, maar wee hen allen als deze gelukkige spionnen de juiste richting van de smalle baan ontdekt zullen hebben. Dan zal het hen slecht vergaan, want zij zullen ter verantwoording worden geroepen. Al hun banen zullen worden vernietigd en gelijkgemaakt aan de smalle baan en de onaanzienlijke baanchef zal de hele handel naar zich toe trekken. 13 Verwonderen jullie je daarom niet dat er op de ringmuur al herhaaldelijk gelach te horen is, vooral om de baanchefs die het hardst schreeuwen. Dit gelach heeft zijn goede reden en jullie kunnen het geloven: al deze huidige hoofdbanen moeten met hoongelach bestookt worden; al hun leringen en grote beloften moeten te schande worden gemaakt wanneer de hoofdlijn gevonden wordt! Geloof het maar, zoals deze geestelijke verschijningsvorm jullie leert, is het in werkelijkheid ook.

14 Er zijn reeds vele scherpspiedende baanverkenners op de muur en zij hebben nog slechts de laatste halve cirkel van de spiraalbaan te onderzoeken. Noch enkele blikken en schreden en jullie zullen zien dat de smalle haan heel druk bewandeld zal worden. Haar bewandelaars zullen onfeilbaar bij de deur en in de tent aankomen, zullen daar de grote schatten opnemen en deze aan alle gasten tonen.

15 Als dat zal gebeuren, zal het ook afgelopen zijn met alle andere banen. De gasten zullen zich op alle banen storten, alle omheiningen neerhalen en zo van alle kanten de deur van de tent naderen!

16 Er hoeft nauwelijks nader te worden aangegeven dat de eerst besproken baan het hiërarchendom (Katholicisme.), de tweede de Griekse kerk, de derde de protestantse, de vierde de Engelse kerk, en dat de andere kleinere banen nog verschillende andere sekten voorstellen. Als jullie dit nu weten, dan weten jullie daardoor ook wat dit beeld betekent. Wanneer jullie dit goed in je opnemen, zal jullie weer veel van hetgeen jullie in de sfeer van de zesde geest hebben gezien, duidelijk worden. De volgende keer het vierde beeld, maar nu genoeg voor vandaag.

 

15.

 

Het bassin met het liggende schoepenrad.

De profetische sfeer van Daniël

 

1 Als jullie het vierde beeld vanaf het begin goed hebben bekeken dan moet bij jullie toch de volgende voor de hand liggende vraag zijn opgekomen: waarom wordt in dit ronde waterbassin het water met behulp van een in het midden van het bassin aangebracht schoepenrad toch voortdurend rondgedraaid? Ten eerste ligt in deze vraag al een veelbetekenend antwoord besloten, namelijk opdat geen zeevaarder met zijn roeiboot dichtbij het raderwerk kan komen en ten tweede: opdat door deze gedwongen beweging van het wateroppervlak alles wat het centrum van het waterbassin wil naderen, door de van het centrum uitgaande draaibeweging van het water, ondanks alle inspanning, weer naar de buitenkant wordt gedreven.

2 Een roeier kan nog zoveel moeite doen, hij kan het raderwerk toch niet bereiken om het stil te zetten en het water daardoor tot rust te brengen, waardoor het voor elke zeevaarder mogelijk zou worden bij het centrum te komen, het hele raderwerk beet te pakken en het met vereende krachten uit het bassin te verwijderen, zodat het hele mooie rustige wateroppervlak voor het algemeen welzijn vrijgegeven zou kunnen worden.

3 Nu komt er weer een andere vraag naar boven, namelijk: wat is er dan zo bijzonder aan het centrum van dit waterbassin? Ook al is het wiel er dan, desondanks blijft er omheen toch een heel ruim wateroppervlak over. Wie zin heeft om met zijn bootje op het water rond te varen, kan dat toch nog steeds naar hartelust doen en heeft het middelpunt daar niet voor nodig.

4 Alles goed en wel zolang men niet weet wat het middelpunt, waarboven het waterrad is aangebracht, verborgen houdt. Pas wanneer men dat weet, kan men ook bij zichzelf de uitdrukkelijke wens uitspreken en zeggen: weg met dat wiel met zijn vele schoepen! Het heeft voor ons geen enkel nut. De verklaring dat het water, doordat het voortdurend door het rad in beweging wordt gebracht, niet bederft, is volkomen zinloos als men de schade, ja de grote schade, afweegt tegen het nut dat deze plek waarboven het waterrad is aangebracht, zou kunnen hebben. Welk nut zou deze plek dan kunnen hebben? Dat kan pas volkomen worden begrepen als uitgelegd wordt wat het voor een plek is waarboven het schoepenrad is aangebracht. Opdat jullie je daarover niet te lang het hoofd breken, zeg Ik het jullie meteen ronduit.

5 Deze plek is een bron vol levend water. Maar deze bron is goed dichtgestopt en als het ware met lood afgedicht; er kan dan ook niet één druppel opborrelen. Maar toch zeggen alle pocherige waterradbelanghebbenden dat al het water in het bassin een zuiver levend water is en dat het leven van dit water alleen van hen afhankelijk is. Zij hebben de macht om het water te laten leven of het te doden. Het rad zou hen door God gegeven zijn en het vermogen hebben het water tot leven te brengen zolang het door hen wordt aangedreven. Wordt het water echter niet door hen aangedreven, dan zal het daardoor dood worden en niemand meer tot leven dienen. Zij zeggen ook: alleen dit ene waterbassin is onder de vele andere gelijksoortige die zich er nog omheen bevinden, het enige bassin dat het waarachtige levende water bevat. In alle andere is het water dood en de beweging daarvan, die lijkt op die van dit levende water, is niets anders dan pure na-aperij, dus puur bedrog. Wie zich ook maar laat verleiden om zijn roeiboot in een van die andere waterbassins te leggen, gaat zonder meer ten onder.

6 Dat alleen dit het enige ware en echte, met levend water gevulde bassin is, bewijst ten eerste zijn ouderdom en ten tweede de buitengewone pracht en verhevenheid van de opgestelde stellage die het machtige levende rad dient. Ten derde bewijst zijn uitzonderlijke grootte, dat dit bassin alleen liet enige echte is. Het vierde bewijs is zijn openbaarheid, die is op te maken uit het feit dat zich op de oppervlakte van het levende water steeds het ;allergrootste aantal roeiers bevindt. En het vijfde, dat alle andere waterbassins tilt dit ene zijn voortgekomen, hetgeen bewezen wordt door hun tamelijk grote gelijkenis met dit enige waarachtige levende waterbassin.

7 Kijk nu weer eens verder. Meer dan tweederde van de steeds naar de oever teruggedreven roeiers zijn hun eentonige en nutteloze tocht op het water reeds lang beu en stappen daarom uit hun bootjes. Zij stappen totaal verslagen en teleurgesteld aan wal, keren deze weldra de rug toe en zeggen: hadden we niet wat beters kunnen doen, dan ons zo langdurig laten foppen met dat levende water? Men heeft ons gezegd: volhouden maar en zo en zoveel keer rondvaren, daarbij echter oppassen dat men de juiste kracht blijft aanwenden, zodat men ten eerste niet te dicht bij het rad komt en ten tweede ook niet te dicht bij de oever, maar voortdurend de ruimte van het water tussen het rad en de oever gebruikt. Het al te dicht naderen van het raderwerk zou de kracht van de mens spoedig verlammen. Ten gevolge van deze toestand zou hij dan onherroepelijk ten dode zijn opgeschreven.

8 Nu zijn wij wijselijk weer op de oever beland; en wat een wonder dat we nog leven! En verder zeggen zij die uit hun roeiboten zijn gestapt: dat het toch ook bij de anderen mag opkomen om eens naar de oever te kijken, zodat ze zouden zien dat het daar veel levendiger toegaat dan op dat domme wateroppervlak. Ze zouden zeker heel vlug al hun boten naar deze veel gelukkiger makende oever sturen en zich niets meer aantrekken van de machtige grootspraak van degenen die zich op de rand van het waterrad bevinden.

9 Ze spreken verder en zeggen: de Heer zij alle lof en eer dat Hij ons dit heeft ingegeven! Maar de vraag is: waar zullen we nu ander, beter water vandaan halen? 10 En verscheidene van hen zeggen: kijk daar in de richting van de morgen, niet al te ver hiervandaan liggen bergen; wie van ons weet niet dat bergen altijd goede bronnen hebben? Laten we daar dus recht op af gaan, dan zullen we zeker zuiverder levend water aantreffen dan deze oude, door het waterrad heen en weer gezwiepte levende soep. En kijk hoe daar een hele menigte zich vanaf het grote bassin heimelijk uit de voeten maakt en in de richting van de bergen trekt. Dit is al een gunstig teken. Desondanks willen wij toch nog bij ons waterbassin blijven en kijken wat zich daar nog allemaal afspeelt.

11 Valt het jullie niet op dat er zich onder de gasten op de oever een heleboel bevinden die van flinke verrekijkers voorzien zijn? Zij bekijken van alle kanten het rad en zien dat zijn schoepen al behoorlijk rot en versleten zijn. Meer dan de helft ervan ontbreekt al helemaal. Wat volgt daar wel uit? We zullen eens gaan beluisteren wat onze waarnemers elkaar te vertellen hebben.

12 Kijk, daar staat juist een stel hele pientere; ze praten heel opgewekt. De een zegt: wat heb ik je gezegd? Het moment is aangebroken; de grote schreeuwers zitten nu met de handen in het haar! Ze kunnen het rad niet stoppen om er nieuwe schoepen aan te zetten, want als ze dat zouden doen, zou het water in het bassin ook stil blijven staan, zodat het voor elke dwaze roeier dan immers spoedig voor de hand zou liggen dat het geen levend water is. Ze durven het rad ook niet meer flink aan te drijven, want dan breken de enkele lekke schoepen die er nog zijn ook nog af. Maar als dit zeer zeker zal gebeuren, zeg me dan eens beste vriend, hoe zal het er daarna met het leven­de water uitzien? Want het schoepenloze rad zal, al draait het nog zo hard, het water niet meer kunnen rond bewegen en daaraan evenmin schijnbaar leven geven als aan de gedachten die nog niet bij ons zijn opgekomen. 13 De tweede zegt: broeder, ik merk heel goed waar de zaak op uitdraait. Als de roeiers zullen merken, hetgeen volgens mijn waarneming nu reeds heel vaak het geval is, dat de beweging van het water steeds trager wordt, zal een gedeelte van hen zich er van overtuigen dat het met het zogenaamde levende water niet zo eenvoudig ligt, zodat men maar beter bij de oever uit kan stap­pen! Een ander gedeelte zal echter tengevolge van de geringe weerstand met weinig moeite het zogenaamde heiligdom van het raderwerk naderen en zal daar in ieder geval met eigen ogen datgene zien wat wij hier vanaf de oever duidelijk waarnemen, namelijk wat er met het uitdrukkelijk aangeprezen machtige rad aan de hand is. Je weet, de hoogdravende belanghebbenden zeggen erover, dat het nooit ofte nimmer stuk kan gaan en het daarom steeds dezelfde kracht behoudt om het water levend te maken. Wat zullen zij dan wel zeggen als ze de schoepen natellen en tot hun verbazing ontdekken wat er ontbreekt en bovendien nog de bedenkelijke en aanzienlijke schade aan de schoepen die nog aan het loze rad vastzitten, bemerken? Ben je het niet met mij eens? Zij zullen hun bootjes vlug van het raderwerk afwenden en naar de oever sturen.

14 En de ander zegt: dat is toch zo klaar als een klontje; vooral wanneer het water dat in de buurt van de oever nog maar weinig wordt bewogen, hun iets duidelijk zal maken dat ongeveer zo luidt: luister schippers, scheer je vlug weg van mijn oppervlakte, anders lopen jullie het gevaar om in plaats van over levend water tenslotte over een flink stinkende modderpoel te varen!

15 Hoe bevalt jullie deze dialoog? Ik ben van mening dat het geen slechte is. Maar aan de oever staat nog een andere groep die met kleine stokken de diepte van het bassin peilt, met lege bootjes naar alle richtingen vaart en doet alsof ze de rechtmatige bevaarders van het levende water zijn. Kijk, daar stapt zojuist een stel bassindieptepeilers uit en begint gewichtig met elkaar te praten. Gaan jullie er maar heen en luister wat ze met elkaar bespreken.

16 Hoor wat de eerste zegt: ik heb het altijd wel gezegd, deze hele poel is een ondiep zootje; het water is kunstmatig donker gekleurd maar heeft zelf ner­gens ook maar enige diepte. Omdat zich in dit water iets bevindt dat gemak­kelijk tot verrotting overgaat, moest het wel vlijtig geroerd worden om zijn uiterlijke frisse aanzien zo goed mogelijk te bewaren. Nu weten wij hoe de zaken ervoor staan, en is ons alles ook volkomen duidelijk. Wat denken jul­lie, op welke manier zouden we aan deze reeds te lang durende dwaasheid, een einde kunnen maken?

17 Hoor, een ander zegt: op twee manieren. Zoals jullie zien, zijn de water­radbelanghebbenden toch al door duizend angsten bevangen en weten totaal niet meer hoe ze het oude, vermolmde rad weer moeten opknappen. Wat is er nu gemakkelijker dan stiekem een gang te maken en hun fantastische water op een subtiele manier naar het laagland te laten weglopen. Wanneer hun bassin geen water meer zal bevatten, dan kunnen ze hun rad ronddraai­en zoveel ze willen, maar jullie kunnen ervan verzekerd zijn dat alle roeiers die nu nog op het water rondvaren, heel vlug op de veilige oever zullen aan­sturen, waar zij zich ervan kunnen overtuigen dat er overal volop leven aan­wezig is.

18 En hoor, een derde zegt: hebben jullie nooit gehoord dat er zich op de plaats van het rad werkelijk een bron met levend water zou bevinden? Als men die zou kunnen bemachtigen, dan zou dat wel de grootste winst bete­kenen. En hoor verder, een vierde zegt: ik krijg zojuist een heel goede inval! Wat zouden jullie ervan vinden als we het aftappen van het water achterwe­ge zouden laten maar onze gang zonder veel moeite tot onder het rad zou­den graven? Als de levende bron zich daar bevindt, zullen we haar daardoor vast en zeker tevoorschijn laten komen, zodat zij zich daarna met haar hele overvloed aan leven over alle ver uitgestrekte dalen en vlakten als een zee kan uitbreiden. Als dat gebeurt dan kunnen deze raddraaiers hun rad draaien zoveel ze willen, en wij zijn er zeker van dat we de dwazen, die zich nog in de verrotte bootjes op het vieze water laten lokken, op onze vingers kunnen tellen.

19 En de eerste zegt: bravo broeder, dat noem ik nog eens een schrandere inval! Laten we onmiddellijk de handen uit de mouwen steken, want ze heb­ben het rad niet voor niets juist op die plek geplaatst. Wat daaronder zit wordt door hen heel angstvallig verborgen gehouden. Zij vermoeden dat het vast en zeker hun ondergang betekent en hebben het daarom zorgvuldig verborgen en vlijtig dichtgestopt. Wij hebben het besluit genomen; derhalve ligt het in de hemel besloten en nu wordt er begonnen met de aanleg van de onderaardse gang.

20 En kijk nog verder: deze begeven zich met nog vele anderen naar het laag­land en ontdekken daar als goede bergdeskundigen reeds bij de eerste blik sporen van de aanwezigheid van levend water. Ze steken de spade reeds in de grond en bij de eerste stoot ontdekken ze een rijke bron die gelijk het licht van de zon met geweldige stralen naar buiten stroomt. Zij graven verder, maken de gang groter en daar ze niet op gesteenten stoten, maken ze snelle vorderingen.

21 Zie hoe zich uit de vele reeds ontdekte bronnen een stralende beek heeft gevormd, die door de dalen zijn weg zoekt. Velen die zich er niet ver vandaan bevinden, lopen zo vlug mogelijk naar de beek, die zich daar op enige afstand al tot een aanzienlijk meer heeft uitgebreid. Zijn aangename geur vult de hele wijde omgeving en zijn oevers raken steeds meer bevolkt. Nu zijn onze gang­gravers nog slechts een paar meter van de hoofdbron verwijderd. Kijk naar binnen en zie hoe zij in de sterk verlichte gang de hoofdbron steeds meer naderen.

22 En kijk, nu geeft een van hen de beslissende slag; de bron ligt open! Zij draagt de arbeiders naar buiten in de eeuwig oneindige vrijheid en beloont ze met het eeuwige leven. Met grote kracht en overvloedige rijkdom stort ze zich over alle dalen en vlakten; bergen sleurt ze met zich mee en alles wat dood was wordt door haar water tot leven gebracht.

23 Maar zie, nu merken de waterradbelanghebbenden het ook en zij schreeuwen moord en brand op hun waterradstellage! Maar het helpt niets. Ze draaien het oude waterrad krachtig rond, maar de ene vermolmde schoep na de andere vliegt eraf. Het wateroppervlak ligt aan de oevers vol met lege bootjes. Alles wat maar voeten heeft probeert bij het grote leven­gevende water te komen. Alleen de waterradbelanghebbenden zitten nu, zoals jullie gewoonlijk zeggen, in zak en as! Enkelen pakken de slechte, afge­broken schoepen van het rad en zwemmen zelfs zo goed en zo kwaad als het gaat, naar de gelukzalige oever. Alleen voor de hoofdbelanghebbenden zal er tenslotte nauwelijks een reddingsmiddel over blijven, want de bootjes zijn allemaal naar de oever gedreven en niemand wil er een naar hen toe sturen, zodat ze zich zouden kunnen redden door naar de oever te varen. Hun water begint geweldig te stinken en het levende water wil er niet in binnenstro­men.

24 Kijk, zo staan de zaken; en dat is ook de volledige ontknoping van liet akelige beeld, dat we in zijn geheel in de sfeer van onze zevende geestelijke gastvrije vriend hebben aanschouwd.

25 Jullie begrijpen nu deze beelden en dat is genoeg, want ook zoiets biedt ons de aanblik van de geestelijke zon. Zoals jullie op de zon alle materiële toestanden overeenstemmend met het betreffend hemellichaam hebben aan­getroffen, zo is het ook heel in het bijzonder met de geestelijke toestanden gesteld.

26 Wie is nu deze zevende geest in wiens sfeer jullie dit hebben gezien? Kijk, het is een oude geest speciaal bestemd voor deze tijd; het is de geest van de profeet Daniël. Nu jullie dit weten kunnen jullie weer uit zijn sfeer treden en je voor de volgende keer in de sfeer van de achtste geest begeven, die zojuist naar ons toekomt. Dus nu weer genoeg voor vandaag.

 

16.

 

De sfeer van de achtste geest.

De wereldklok en de 'laatste tijd

Het nieuwe Jeruzalem' uit de sfeer van Swedenborg

 

1 Onze gastvrije vriend is reeds hier; treed dus maar binnen in zijn sfeer. Ook deze geest zullen jullie weer zien in zijn sfeer, waarin jullie door hem wat wor­den rondgeleid. Let weer goed op hetgeen hij jullie zal laten zien en wat hij jullie zal zeggen, want daaruit zal jullie veel van wat jullie tot nu toe nog niet goed hebben begrepen, duidelijk worden. Jullie bevinden je al in zijn sfeer; vertrouw dus maar op hem want hij is een bekwame gids en in hem is veel wijsheid uit Mij. Onderweg zullen jullie nog wel te weten komen wie deze geest eigenlijk is. Luister dus nu naar hem en volg hem maar!

2 De geest zegt zojuist tegen jullie: kom, kom geliefde broeders, zoals de Heer het wil; ik zal jullie rondleiden in het rijk van waarheid en liefde!

3 Zie daar naar de morgen toe dat buitengewoon majestueuze, mooie gebergte. Kijk hoe de goddelijke zon, waarin de Heer is, al hoog boven het gebergte staat en zie hoe prachtig haar stralen als die van een liefelijk mor­genrood in de dalen en andere diepten van de wereld vallen!

4 Kijk bij deze gelegenheid ook eens achterom, dan zien jullie een grote zee, waarop zich vele grote golven bewegen. Op de golven zien jullie veel sche­pen; sommige zijn groot en andere klein. Jullie zien hoe de golven naar de oever toe dringen om deze heerlijke zonnestralen in zich op te zuigen. De schepen op de grote zee hebben ook hun zeilen zo gericht dat ze evenals de golven op de verlichte oever afstevenen. Daaraan kunnen jullie de verborgen kracht van de stralen van die goddelijke zon, waarin de Heer woont, herkennen.

5 Maar nu begeven we ons naar dat gebergte. Daar zullen we dingen van een heel andere aard aanschouwen en zien, hoe de goddelijke waarheid zich daar openbaart. Jullie vragen en zeggen: maar lieve geestelijke vriend en broeder, dat stralende gebergte lijkt nog heel ver weg te liggen, hoe kunnen we het zo vlug bereiken? 0 lieve vrienden en broeders, maken jullie je daarover geen zorgen, want onze eigen wil zal ons terstond daarheen brengen. Jullie willen het evenals ik, en kijk, we zijn al ter plaatse!

6 Jullie zeggen: o lieve geestelijke vriend en broeder, hier is het verrukkelijk; hier zouden we wel willen blijven, want zoiets prachtigs als het uitzicht vanaf dit hoge gebergte is nog nooit, zelfs niet bij benadering voor ons geestesoog verschenen.

7 Jullie zien daar naar de middag toe iets eigenaardigs en jullie weten niet wat je ervan moet denken. Jullie zien aan een vanaf het hoge firmament hangende gouden staaf een zon hangen die zich statig en langzaam heen en weer beweegt als de slinger van een klok. Jullie zouden wel willen weten wat dat is. Ik zeg jullie: laten we er maar naartoe gaan, dan zullen jullie er weldra achter komen.

8 Zien jullie daar achter deze indrukwekkende zonneslinger het buitengewoon grote vierkante gebouw, dat zich trapsgewijs en piramidevormig met zijn punt ook tot onder het hoge schijnbare hemelfirmament verheft? We zullen er naartoe gaan en het gebouw wat nader bekijken. Het opschrift aan de ene kant zal ons vooreerst de betekenis ervan duidelijk maken. Jullie willen het, en kijk, we zijn ook al ter plaatse!

9 Kijk daar eens naar boven. Op de tiende trede zien jullie twee grote lichtgevende piramiden staan; lees maar wat er op elk van de twee geschreven staat. Jullie zeggen: het schrift is ons onbekend. Wel, dan zal ik het jullie voorlezen. Op de ene piramide aan de linkerzijde staat geschreven: `Dit is de grote tijdmeter voor de geschapen dingen'. En op de andere piramide staat: `Enig juiste beweging van alle dingen en gebeurtenissen volgens de goddelijke ordening'. Uit deze twee opschriften kunnen jullie reeds gemakkelijk opmaken wat deze verschijning wil zeggen.

10 Maar gaan jullie nu met mij omhoog, minstens tot op de halve hoogte van dit gebouw. Daar zullen we de wijzerplaat van deze grote wereldklok aanschouwen, waarop jullie heel gemakkelijk ](tinnen zien hoe laat het nu is.

11 Kijk, we zijn alweer op de plaats van bestemming. Jullie zijn verbaasd dat deze wijzerplaat maar aan één kant, namelijk de linker, van cijfers is voorzien, en wel evenals bij jullie klokken van een tot twaalf. De rechterkant, die naar de morgen is gekeerd, is helemaal zonder cijfers. Dit komt, omdat hier de avondzijde alleen het tijdelijke aangeeft, en de morgenzijde het eeuwige en dus geestelijke.

12 Toen de gehele materiële schepping werd gerealiseerd, stond deze grote, lichtgevende wijzer naar beneden op het cijfer één, dat jullie nog sterk zien lichten.

13 Maar waar staat deze wijzer nu? Jullie zeggen: hij wijst al recht omhoog en zelfs al bijna naar het einde van het laatste getal. Twee kleine puntjes moet hij nog passeren en dan is zijn punt het cijferloze lichtveld binnengegaan. Weten jullie wel wat dat betekent? Kijk, dat betekent de laatste tijd!

14 Maar jullie vragen: zullen dan alle dingen ophouden te bestaan, wanneer de wijzer op het vrije witte vlak zal uitkomen? Dat zal een volgende hogergeplaatste wijzerplaat aangeven. Ga daarom met mij een paar treden hoger.

15 Kijk, daar is al een andere wijzerplaat. Wat zien jullie daarop? Jullie zeggen: daar zien we juist het tegenovergestelde; de naar de avond toegekeerde zijde is donker en zonder cijfers; de zijde naar de morgen toe is hier echter met nieuwe, helder lichtende cijfers beschreven. Daar staat echter de één bovenaan en het getal twaalf beneden. De grote wijzer raakt reeds de eerste punt van de één, die straalt als een heldere morgenster. Elk cijfer dat vanaf de één de grote kring naar beneden vormt, straalt steeds sterker en de glans van het laatste getal is als die van de zon, die daar in de morgen zo buitengewoon heerlijk straalt. Jullie hebben alles goed opgemerkt; maar wat wil het zeggen?

16 Dat zullen jullie dadelijk vernemen. Kijk, zo gaat een oude, duistere tijd in een nieuwe, verlichte over. Daarom zullen de dingen ook niet vergaan, maar er wordt hun 'een nieuwe tijd' gegeven. Zoals de eerste tijd een tijd was van de ondergang, een tijd van de nacht, zo zal deze komende tijd een tijd zijn van de opkomst en een tijd van de dag! Nu begrijpen jullie wat dit grote uurwerk betekent. Laten we onze blikken er dus weer van afwenden en de dingen die nog in eindeloze, wonderbaarlijke overvloed om ons heen zijn, nader beschouwen.

17 Jullie zien daar naar de middag toe een buitengewoon groot vierkant gebouw dat op een bijzonder grote kubus lijkt en bijna twaalfduizend klafter lang is; breedte en hoogte zijn dus gelijk aan de lengte. Boven op de vier hoeken zien jullie vier reusachtige mensengestalten met aan hun voeten vier verschillende dieren. We zullen er meteen naartoe gaan en zien wat dit allemaal betekent. Jullie willen het, en daarom zijn we ook al, zoals jullie zien, op het glanzende oppervlak van deze grote kubus. Kijk eens, daar in het midden van dit glanzende vlak staat nog een kleinere, heel sterk stralende kubus, waarop een geheel ontzegeld boek ligt.

18 Het zevende zegel zien jullie eveneens al ontzegeld en vanuit dit zegel zien jullie allerlei reusachtige vormen opstijgen. Veel geesten in witte kleren en met grote bazuinen in hun hand vluchten naar alle kanten. Kijk, daar blaast er een op de bazuin en uit de bazuin komt van alles tevoorschijn zoals: oorlog, duurte, hongersnood en pest. - Kijk, daar blaast een ander op zijn bazuin en daaruit komt een verterend vuur. Waar het neerkomt verteert het alles en de hardste stenen laat het wegsmelten als waterdruppels op een gloeiende plaat. Kijk nu daar weer, een ander blaast op zijn bazuin en een grote watervloed vol met allerhande ongedierte stroomt eruit; en kijk, daar beneden in de diepte de oude aarde, hoe ze verdrinkt in deze vloed. En kijk daar, een vierde blaast op zijn bazuin en een grote, vurige draak stort gebonden en gekneveld naar beneden daar waar jullie in een eindeloze diepte een onmetelijke, kokende vuurzee zien.

19 Maar kijk nu naar de vier grote reusachtige gestalten op de hoeken; ook zij zijn voorzien van grote bazuinen. Zie, die in de richting van de middernacht blaast krachtig op zijn bazuin, waaruit een geest tevoorschijn komt om met een grote gesel de aarde te tuchtigen. En zie, die in de richting van de avond blaast eveneens op zijn bazuin en daaruit komt een andere geest met een gloeiende en vurige bezem in zijn hand om het vuil van het aardrijk te vegen. En zie, daar in de richting van de middag blaast de grote geest eveneens op zijn bazuin waaruit een heleboel geesten komen die voorzien zijn van allerlei korven met zaden om een nieuwe vrucht in het schoongeveegde aardrijk te leggen. Maar kijk nu, de geest in de richting van de morgen blaast eveneens op zijn bazuin en daaruit komt een lichtende wolk. Daarop zien jullie talloze scharen. Boven deze wolk zien jullie een stralend kruis en op het kruis staat een mens, zo zachtmoedig, zo mild als een lam!

20 Zie, dit is het teken van de Mensenzoon. Hiermee hebben we op deze plek ook alles gezien, wat jullie hier te zien en te aanschouwen kan worden gegeven; en dit alles is het licht van de waarheid, van waaruit jullie deze dingen aanschouwen. -

21 Jullie richten je blik zojuist naar de morgen en zien tot je grote verbazing een buitengewoon prachtige, grote stad, die straalt als de heerlijke zon boven haar. Jullie zouden graag willen weten wat dit voor een stad is en zouden haar

ook nader willen bekijken. Jullie willen het! - en kijk, de stad ligt ;ti voor ons.

22 Hoe bevalt het jullie hier? Jullie zeggen: onuitsprekelijk fijn en goed, want hier ademen we toch louter liefde en alles wat we zien, heeft een buitengewoon zacht, mild en liefde ademend karakter. Verder zeggen jullie: hoc prachtig glanzen de muren van deze stad; hoe buitengewoon verheven en prachtig zijn haar poorten en wat een onbeschrijfelijk heerlijk licht straalt ons vanuit iedere poort tegemoet! Talloze overgelukkige scharen engelgeesten wandelen daar in en uit! O, daar moet het wel goed wonen zijn!

23 Jullie zeggen dat je ook graag binnen in de stad zou willen rondkijken. Ook dat kunnen jullie nu doen. Maar ik zeg jullie van tevoren: deze stad is zo oneindig groot dat we haar zelfs met de grootst mogelijke gedachtesnelheid in geen eeuwigheden volledig zouden kunnen doorkruisen; want deze stad wordt pas groot, ja steeds eindeloos groter en groter naarmate iemand dieper in haar innerlijk doordringt. Daarom zullen we ook slechts naar één poort toegaan en door die poort een blik in de stad werpen.

24 Jullie zeggen nu: in de naam van de almachtige Heer! Wat een eindeloze pracht en wat een onafzienbare rij huizen! Aan deze straat die we hier zien, lijkt wel nooit een eind te komen. Ja, ik zeg jullie ook: jullie zouden eeuwig door deze straat kunnen wandelen, maar nooit zouden jullie bij een tegenovergesteld einde aankomen; en zulke straten en pleinen zijn er zijn ontelbaar veel in deze stad. Willen jullie echter weten hoe deze stad heet, lees dan maar het opschrift boven deze poort. Er staat: de heilige stad Gods ofwel het nieuwe Jeruzalem.

25 Maar ik, die jullie hier nu heeft rondgeleid, ben de geest van Swedenborg; en hiermee hebben jullie dan ook alles gezien wat jullie door de Heer vergund was om in mijn sfeer te zien. Daarom keren we dan ook weer terug. Kijk, we zijn al op de plek vanwaar we zijn vertrokken. Treed nu uit mijn sfeer en ga naar Hem, die op jullie wacht en wiens naam is: Heilig, heilig, heilig!!! - Wel, jullie zijn weer hier; hebben jullie alles goed in je opgenomen?

26 Jullie antwoorden bevestigend, maar Ik zeg jullie: wat jullie daarvan nog niet begrijpen zal jullie te zijner tijd en wel in de sfeer van de volgende geest duidelijker worden. En dus genoeg voor vandaag.

 

17.

 

De sfeer van de negende geest (ev. Marcus).

Rondleiding in de eigenlijke geestenwereld.

Hoe het kwaad van de vleselijke liefde zichtbaar wordt in het hiernamaals

 

1 Ook deze negende geest zullen jullie zien en spreken in zijn sfeer. Hij zal jullie naar verschillende plaatsen leiden, waar jullie van alles wat je tot nu toe nog vreemd was, zullen zien en begrijpen. Daaruit zullen jullie ook veel van hetgeen tot nu toe werd gezien, in een helderder licht aanschouwen.

2 Kijk, onze nieuwe gastvrije vriend staat er al; begeef je daarom terstond in zijn sfeer en volg zijn instructies maar op.

3 Jullie bevinden je al in zijn sfeer. Let dus op, wat deze nieuwe gids jullie gaat vertellen. Hij zegt: beste vrienden en broeders, kom, kom met mij mee om te zien wat de oneindig grote Vaderliefde allemaal bewerkstelligt en hoe mild zij overal is. Verheug je bovenmate dat de Heer er behagen in schiep dergelijke dingen aan jullie geest te tonen; want jullie zullen met eigen ogen aanschouwen, hoe ondoorgrondelijk de wegen van de Heer zijn en hoe onnaspeurlijk de raadsbesluiten van Zijn oneindige eeuwige wijsheid!

4 Kijk om je heen zo ver jullie geestelijke ogen maar reiken en zeg me dan wat er allemaal voor jullie ogen verschijnt. Ik zie wel dat jullie door de grootheid van het schouwspel in verlegenheid gebracht worden, er geen raad mee weten en niet weten waar te beginnen! Daarom zal ik alles wat jullie zien, duidelijk in woorden beschrijven.

5 In de richting van de middernacht zien jullie een tamelijk kale omgeving; hoge steile bergen stapelen zich achter elkaar op en kijken als dreigende rechters neer op de prachtige vlakten. Hier en daar tussen de bergen en op de kleinere heuvels ontdekken jullie gebouwen die lijken op jullie woningen op aarde; hier en daar, meer in het laagland staat ook een klein kerkje. In de hogere sferen van deze bergen zien jullie grijze wolken voorbijtrekken en daarboven lijken de bergen uit louter sneeuw en ijs te bestaan, ongeveer zoals de hoge gletsjers bij jullie op aarde. Verder zien jullie dat deze hele noordelijke omgeving door een grote en brede rivier is afgesneden van de streek waarin wij ons nu bevinden.

6 Wanneer jullie de loop van deze rivier volgen, ontdekken jullie dat zij uit de omgeving tussen morgen en middernacht tevoorschijn komt en bijna in de vorm van een halve cirkel tussen avond en middernacht verder stroomt. Haar water wordt tot geweldige golven opgestuwd; daarom is er slechts één enkele gierpont of liever gezegd een door de stroming aangedreven schip, dat de overtocht mogelijk maakt voor de bewoners, die aan de overkant van de rivier wonen.

7 Jullie zouden wel willen weten wat dat voor bewoners zijn? Dat kunnen we gauw te weten komen. Kom maar met mij mee; de boot ligt juist aan deze oever en we zullen de rivier vrijwel moeiteloos kunnen oversteken. Jullie willen het en kijk, we zijn al aan de oever van de rivier. Stap maar moedig in het bootje en wees niet bang voor de schuimende golven, noch voor de donkere diepte van de rivier. We zullen de boot zo goed sturen dat ook niet één druppel erin zal komen.

8 Welnu, jullie zitten in de boot. Zie, de tocht gaat beter dan jullie dachten, want we zitten al midden op de rivier. Schrik maar niet van de monsters die hun koppen boven de golven uitsteken en hun muilen heel ver opensperren alsof ze hele werelden zouden willen verslinden. Want kijk, we zijn er bijna en nu hebben we de overkant dan ook helemaal bereikt. Stap maar voor mij aan land dan zal ik jullie volgen en tevens de boot aan de oever vastleggen.

9 Kijk, we zijn nu aan land. Daar tamelijk diep in een dal gelegen zien jullie een vervuild dorp. Laten we daarheen gaan en kijken wat daar allemaal te zien is. We zijn er al; hoe bevalt het jullie hier? Jullie krijgen er gewoonweg koude rillingen van. Ik zeg jullie, het ziet er daar nog goed uit, maar het zal nog fraaier worden!

10 Jullie zeggen: beste vriend en broeder! We zijn hiermee al tevreden, want de buitengewoon vieze huizen zien er uit als die van een afgebrand dorp in een of andere duistere uithoek van de aarde. De mensen die we hier zien, zien er zo haveloos uit dat men zich op aarde moeilijk iets havelozer kan voorstellen. Daar komt zojuist een stel op ons af; de man is halfnaakt. De blote delen van zijn lichaam zijn uitgeteerd en vuil en op zijn borst lijkt hij een brandwond te hebben. Zijn haren zijn voor meer dan de helft als door vuur verschroeid, ook de helft van zijn gezicht lijkt te zijn verbrand. Zijn begeleider lijkt een vrouw te zijn. Heer, wat een beklagenswaardige vrouwelijke gestalte! Zij ziet er uit alsof ze werkelijk reeds drie jaar in de grond heeft gelegen. Alleen over haar schouders hangen nog enkele vuile lompen, die er uitzien alsof ze zojuist uit een beerput zijn gehaald. Haar blote voeten lijken op vleesloze beenderen en haar armen! De ene is een halfverbrande skeletarm en de andere zit vol etter en zweren, en haar hoofd, wat een gelaatsuitdrukking! Werkelijk, wie in staat is om daaruit een andere karaktertrek dan die van de dood te halen, die moet een hoge graad van wijsheid bezitten.

11 Ja, mijn beste vrienden en broeders, laat je door deze aanblik niet van de wijs brengen, want zo zien de bewoners van deze streek hier er nog het voor­deligst uit en dit is nog maar het eerste begin van de grote ellende die deze streek herbergt. Maar laten we ons nu naar het dorp zelf begeven waar jullie echt wonderbaarlijke dingen zullen zien.

12 Daar staat al het eerste huis. Kijk eens door dit lage raampje naar binnen; wat zien jullie daar? O, jullie schrikken terug; wat is er dan? Ik weet het wel, er zijn hier geen parfumerieën! Op de vloer van deze kamer zien jullie half vergane menselijke wezens bij elkaar hokken en in hun stinkende, half van hun beenderen afgevallen en verrotte vlees wroeten. Dat is weliswaar geen prijzenswaardige aanblik, maar het is nu eenmaal niet anders, want zo uit zich hier de vleselijke liefde.

13 Jullie vragen of deze wezens dan helemaal verloren zijn? Jullie weten toch hoe groot de liefde en ontferming van de Heer is. Kijk, het vlees of beter gezegd de vleselijke lust van al deze wezens moet helemaal op de meest weer­zinwekkende wijze worden opgeteerd voordat zij in een toestand kunnen komen waarin hulp voor hen mogelijk wordt.

14 Denken jullie dat deze van jullie gezichtspunt uit bekeken hoogst ellen­dige wezens zich ongelukkig voelen in deze toestand? 0 helemaal niet! Zouden ze zich ongelukkig voelen, dan zouden ze ook graag snel willen vluchten, want ieder heeft nog zoveel kracht dat hij kan opstaan en zich ver­der stroomopwaarts begeven, want het water van de rivier heeft voor hen een zuiverende en genezende kracht. Alleen het vleselijke genot is hun element en daarom knagen ze zo lang aan hun vlees, totdat het helemaal verteerd is.

15 Jullie vragen: hebben deze mensen wel iets te eten en kunnen ze nog een of ander voedsel tot zich nemen? Kom maar mee naar het tweede huis en kijk door het raam naar binnen, dan krijgen jullie meteen een maaltijd te zien.

16 Wel, wat zien jullie daar? Maar jullie kunnen ook niet eens blijven kijken! Waarom zijn jullie dan zo plotseling van het raam weggesprongen? Ja kijk, dat brengt de vleselijke lust ook met zich mee. Op aarde hebben jullie een gezegde dat luidt: zij zijn zo gek op elkaar dat ze elkaar wel kunnen opeten! Daarom hoeven jullie ook niet zo ontdaan te zijn, als jullie gezien hebben hoe de bewoners van dit huis elkaars weggerotte lappen vlees, die vol maden en wormen zaten, opaten. Zo moet het vlees verteren, wil het vonkje van hun betere geest ooit nog vrij komen.

17 Nu vragen jullie weer of deze ongelukkige wezens niets te doen hebben. Ook dat zullen we zien. Daar is alweer een ander huis. Kijk maar door dit halfvergane raam naar binnen, dan zullen jullie meteen zien waarmee de bewoners van dit huis bezig zijn. Maar jullie vluchten alweer weg van het raam. Wat is het dan dat jullie zo vlug van het raam heeft verdreven? Is het dan zoiets bijzonders als men in het juiste licht ziet hoe de bewoners van dit huis uit het stinkende slijk op de grond halfvergane lappen vlees opvissen en deze om hun kale botten wikkelen, en als ze dan een of ander geraamte tiet dergelijke veretterde lappen vlees hebben omwikkeld, dadelijk weer aan de zinnelijke geslachtsgemeenschap denken en alle mogelijke moeite doen om zich nog enig wellustig vleselijk genot te verschaffen?

18 Waarom zijn jullie dan zo verbaasd over dit schouwspel? Gaat het er op aarde dan beter toe? Jullie zouden zo menig teder vlees dat op aarde zoveel opzien baart maar eens met geestelijke ogen moeten kunnen bekijken, dan zouden jullie nog heel wat grotere wonderen aanschouwen dan hier!

19 Jullie vragen: hebben deze arme wezens dan helemaal geen begrip van de Heer en ook helemaal geen verlangen naar Hem? Ga dan maar eens een stuk­je verder. Kijk, daar staat iets op een heuvel dat lijkt op de smerige ruïne van een bedehuis. We zullen erheen gaan; wie weet wat voor merkwaardigs we daarbinnen zullen ontdekken! Kijk, hier achter tegen de berg is een reeds enigszins vervallen poort. We hoeven maar naar binnen te kijken en we zul­len op jullie vraag onmiddellijk het passende antwoord krijgen. Wel, jullie slaan hier bijna achterover van schrik! Wat voor wonderlijks hebben jullie dan ontdekt?

20 Jullie kunnen nauwelijks ademen, laat staan spreken! Jullie moeten niet steeds zo reageren, anders zal deze wandeling niet zo snel ten einde zijn. Wat jullie hier namelijk hebben gezien is niet meer en niet minder dan volkomen natuurlijk. Denk maar eens na; de zinnelijke en begerige mens draagt zoiets toch overal met zich mee. Ook wanneer hij een bedehuis binnengaat, kan hij zien wat hij wil, en zijn zinnelijke liefde zal daarbij voortdurend actief zijn. Ieder voorwerp wordt door haar gekleurd volgens haar geaardheid. En zo zal ook aan ieder voorwerp, dat een op zinnelijkheid belust mens heeft bekeken, zo'n weerzinwekkende liefde geestelijk te zien zijn. Op grond hiervan hebben jullie in dit bedehuis op de plaats van het altaar ook niets anders dan louter geslachtsdelen van beiderlei kunne gezien. Ook een daar geplaatst heel pover onooglijk kruisbeeldje was aan alle kanten met zulke lustobjecten behangen en versierd. Jullie hebben binnen zelfs enkele mensen gezien die zich als in een museum in dit bedehuis voortsleepten en als het ware helemaal opgin­gen in de aanblik van bovengenoemde kunstvoorwerpen en zich daarin ver­lustigden.

21 Vinden jullie dit soms overdreven? Ik zeg jullie: dit is niet in het minst overdreven, maar het is de zuivere, nuchtere waarheid. Want er zijn bij jullie op aarde toch heel veel mensen die zo nu en dan wel aan de Heer denken, vooral wanneer ze een uit hout gesneden beeld van Hem zien dat Hem echter slechts grof materieel voorstelt; maar hoe lang duurt zo'n herinnering? Slechts één blik op een voor hem op de een of andere manier aantrekkelijk vrouwtje, en de herinnering aan de Heer zal evenals Zijn beeld met allerlei bekoorlijke lichaamsdelen behangen en verweven zijn! Op aarde wordt zoiets door de huid verborgen, maar voor de geest is dit alles open en bloot te zien.

22 Jullie vragen: beste vriend, daar dieper in deze smerige vallei zijn nog heel veel van dergelijke bedroevend fraaie onderkomens; is dat soms een voortzetting van deze vleselijke lofwaardigheden?

23 Hebben jullie nog zin om het volgende huis te bekijken? Jullie schudden je hoofd en daarom zal ik jullie dan ook niet verder rondleiden, maar ik zeg jullie in het kort dat jullie geen betere maar steeds slechts ergere dingen te zien zouden krijgen. Zo zouden jullie bijvoorbeeld in het volgende huis reeds alle mogelijke manieren van knapenschenderij zien. Zouden jullie nog verder gaan, dan zouden jullie zien hoe jonge meisjes door zinnelijke mannen tot ontucht worden verleid en gedwongen. Maar omdat de aanblik van verdere vleselijke gruwelen jullie echter meer zou schaden dan baten, is het dan ook beter dat jullie zoiets niet zien!

24 Ik moet jullie wel zeggen dat, hoe verder men daar binnendringt, men de mensen er qua uiterlijk in zekere zin steeds gevulder en vollediger gevormd ziet dan die daar verder stroomopwaarts. Dat komt omdat degenen die zich stroomopwaarts bevinden al meer ontmaskerd en van hun vlees ontdaan zijn dan degenen die daar meer landinwaarts wonen.

25 Kijk daar eens, diep in dat vuile dal, daar zien jullie zelfs meerdere huizen in brand staan. Jullie vragen: wat betekent dat? Dat betekent dat daar deze vleselijke lust ontaardt in kwaadaardigheid die lijkt op jaloezie bij jullie op aarde. In zo'n huis mogen jullie niet naar binnen kijken, want een dergelijke aanblik zou jullie, als je er niet op bent voorbereid, het leven kosten! Zodoende hebben we in dit ravijn dan ook niets meer te zoeken en daarom zullen we de volgende keer naar een ander dorp gaan. We zullen zien hoe het daar toegaat. Ik zeg jullie: verwacht er maar niet te veel van, want daar zullen we nog heel andere dingen te zien krijgen. En dus laten we het nu hierbij!

 

18.

 

Hoe de woeker gestalte krijgt in het hiernamaals

 

1 Voor we ons naar het andere dal begeven wil ik jullie nog in liet kort antwoord geven op een vraag die jullie me gesteld hebben. Jullie zouden graag willen weten of hetgeen jullie voorheen gezien hebben, soms de hel is. Ik kan jullie daarop noch met ja noch met nee antwoorden, maar jullie alleen maar zeggen dat wat jullie gezien hebben, wel hels van aard is maar niet de eigenlijke hel is. Want wat daar te zien is, is niets anders dan een op zichzelf staande voorstelling van het kwaad, voornamelijk met betrekking tot de begeerten van de mens daar. Waar jullie de meest uitgeteerde wezens hebben gezien, daar is het kwaad ook reeds in een soortgelijke toestand. Waar jullie echter wezens die nog meer met vlees omhuld waren, bezig zagen, daar is door die begeerte de drang tot kwaaddoen naar verhouding ook het meest actief. Op jullie aarde komt dat toch ook helder en duidelijk tot uiting, want jullie hebben toch zeker wel eens mensen ontmoet die door het veelvuldig zondigen hun zinnelijke natuur zo totaal hebben verwoest dat zij zelfs met behulp van allerlei kunstmatige stimulerende middelen niet meer in staat zijn om een volledig lichamelijk lustgevoel op te wekken. Kijk, zulke mensen verschijnen hier op de voorgrond, omdat zij zo nu en dan toch een gedachte in zich laten opkomen die hun de nietigheid en vergankelijkheid van dergelijke genoegens laat inzien. Maar op de achtergrond hebben jullie diegenen gezien bij wie de macht van de begeerte ook nog meer overeenstemt met de daadkracht tot het kwaad. Kijk maar naar zulke mensen op aarde; hoe zij er als het ware op los leven en op een schandalige manier met hun lichaam omgaan, zolang zij deze kwalijke krachten nog in zich hebben.

2 Hieruit kunnen jullie opmaken dat hetgeen jullie gezien hebben noch de hel noch de niet-hel, maar slechts de zichtbaar geworden helse geaardheid van het kwaad is. Nu we dit weten, begeven we ons dan ook met deze kennis naar het volgende eerder genoemde dal.

3 Kijk, het is slechts door een lage en tamelijk vuile bergrug van het ons reeds bekende dal gescheiden. We hoeven deze bergrug dus maar over te gaan en we zullen meteen de aard van het andere dal aanschouwen. Jullie willen het, en we zijn al op de hoogvlakte van de bergrug. Zie, daar beneden ligt het nieuwe dorp; hoe bevalt het jullie? Jullie zeggen: van veraf ziet het er bijna beter uit dan het vorige; alleen gezien het feit dat het meer in het avondgebied ligt, kunnen we er niet veel goeds van verwachten. Ja, jullie hebben gelijk; zo zal het ook zijn.

4 Jullie vragen mij waarom de gebouwen hier veel groter zijn en er over het algemeen veel respectabeler uitzien dan die van het vorige dorp. Ik zeg jullie: laten we ons maar meteen naar beneden naar het dorp begeven, dan zullen jullie spoedig het antwoord op je vraag vinden. Wel, daar staan we al voor het eerste huis. Het heeft een naar voren toe afgeronde, vuil witgekalkte muur; het heeft echter geen raam en ook geen ingang aan de voorkant. Jullie vragen; waarom is dat zo? Omdat deze kant naar de morgen toegekeerd is en deze is een gruwel voor de bewoners van dit dorp. Om dus in zo'n woonhuis naar binnen te kunnen gluren moeten we ons dus naar de achterkant van het gebouw begeven, die wel wat hoger tegen de berg op is gelegen. Daar is al een groot raam; kijk eens naar binnen en vertel me, wat jullie daar zien.

5 O, bij het eerste huis deinzen jullie al meteen terug. Hoe zal het dan bij het volgende huis met jullie gaan? Stomverbaasd zeggen jullie: om godswil, het is ongehoord, onmenselijk, ondenkbaar! Op de achtergrond zat op een brede bank een menselijk monster. Het was onmenselijk dik en had een afschuwelijke hangbuik die meer dan de helft van de kamer in beslag nam. Aan zijn hals zat de ene smerige vetkwab op de andere. Voor hem stond een aantal uitgemergelde skeletmensen die elkaar rond deze afschuwelijke vetzak verdrongen en hem smeekten om hen op te vreten! Dit monster had dan ook werkelijk verscheidene reeds helemaal afgekloven mensengeraamten op een stevige tafel voor zich liggen. Maar enkelen op de achtergrond vervloekten dit monster en wilden woedend op hem af stormen. Ze werden echter tegengehouden door degenen aan wie het monster beloofd had om ook wat van hun vlees te eten en het in zijn vet om te zetten.

6 Nu vragen jullie weliswaar: wat heeft deze eigenaardige, gruwelijke voorstelling dan te betekenen? Wie kan, mag het begrijpen, maar wij begrijpen er niets van! Maar ik zeg jullie, beste broeders en vrienden, als jullie dat niet onmiddellijk begrijpen en doorzien, moeten jullie toch op jullie aarde volslagen blind rondwandelen!

7 Is het niet een voortreffelijke voorstelling van een woekeraar en heel in het bijzonder van een zelfzuchtige industriemagnaat, die zich tot levensdoel heeft gesteld om alles wat hem binnen zijn bereik maar rente kan opleveren, op te schrokken? Geef maar eens de grens van verzadiging van zo'n woekeraar aan; gaan zijn begeerten niet tot in het oneindige? Zou hij ook maar het geringste gewetensbezwaar hebben als hij in staat zou zijn de schatten en rijkdommen van de hele wereld naar zich toe te halen? Zou hij ook maar één traan laten als hij het leven van alle weduwen en wezen op aarde naar zich toe zou kunnen trekken en opteren?

8 Ik zeg jullie: de armen komen nog in drommen naar hem toe en offeren hem have en goed; zij teren al hun krachten op door zich voor het armzaligste loon bijna totaal voor hem af te sloven. Anderen brengen het beetje dat ze hebben naar hem toe en prijzen zich gelukkig als hij het tegen een miserabele rente heeft aangenomen. Ja, veel bedrogenen gaan zelfs zo ver, dat ze het onvermijdelijk vinden door hem te worden gedupeerd, omdat, uiteraard buiten zijn schuld, de zaken nu eenmaal zo lopen.

9 Enkele eveneens hebzuchtige, maar verder op werelds gebied toch domme, arme drommels, die de schurkenstreken van deze rijke inzien, bedreigen hem met vernietiging en dood. Alleen de belanghebbenden van onze woekeraar die inzien dat ze met diens dood nog eerder ten onder gaan dan met zijn volkomen verzadiging, verhinderen zoveel mogelijk een dergelijke aanslag.

10 Wel, wat zeggen jullie nu van dit beeld? Is het niet voortreffelijk en toont het dit kwaad niet precies zoals het is? Dit was nog maar een goedaardig begin. Laten we daarom naar het volgende, iets grotere huis gaan en daar naar binnen kijken.

11 Kijk, we staan al bij het goede raam. Jullie moeten echt scherp naar binnen kijken, want omdat het huis groter is en het, zoals jullie zien, aan de achterkant slechts twee naar verhouding kleine, vuile raampjes heeft, is het binnen behoorlijk donker. Hebben jullie al gezien wat zich daarbinnen allemaal bevindt? Jullie schrikken bevend terug; dat is voor mij al een duidelijk teken dat jullie het van binnen goed hebben gezien. Maar jullie zijn niet in staat om te spreken. Dat wil ik ook heel graag geloven, want dergelijke schouwspelen doen zelfs ons, sterke geesten, hevig versteld staan, in het bijzonder omdat ze juist tegenwoordig steeds meer voorkomen en alsmaar merkwaardiger worden. Ik zie hier wel dat het nodig zal zijn dat ik vertel wat jullie gezien hebben, omdat jullie voor zo'n beeld niet gemakkelijk de juiste woorden vinden.

12 Jullie zagen hier eveneens op de achtergrond een afschuwelijk vetgemest wezen. Dit wezen had een ontzettend opgezwollen buik; zijn kop leek op de grote muil van een hyena; zijn armen leken op een paar krachtige reuzenslangen; zijn voeten leken op die van een beer. Op zijn enorm grote buik was een soort altaar opgericht. Midden op dit altaar was een tweesnijdende spies opgesteld. Jullie zagen dat er aan deze spies een massa uitgeteerde menselijke wezens waren geregen. Eén slangenarm was voortdurend bezig de wezens van de spies af te halen en ze in de muil van de veelvraat te stoppen. De andere slangenarm greep naar alle kanten om zich heen naar de armzalig en ongelukkige, naar dit huiveringwekkende vertrek verbannen mensen en de eerste de beste die hij te pakken kreeg, drukte hij dood en slingerde hem dan aan de spies van zijn buikaltaar. Het grote gejammer van de ongelukkigen maakte zijn arm des te bedrijviger. Kijk, dat is het beeld dat jullie hebben gezien.

13 Hoe bevalt het jullie? Jullie zeggen: vreselijk! En verder: dat is toch al te kras! Op aarde gaat het wel slecht toe, maar het lijkt ons, wat dit beeld betreft, toch kennelijk flink overdreven!

14 Maar ik zeg jullie: hier is niet te veel noch te weinig, maar altijd de zuivere waarheid uitgebeeld. Kijk maar eens naar bepaalde grootindustriële helden op jullie aarde. Neem een meetlat en meet daarmee de hebzuchtige muil van deze lieden. Onderzoek dan hoe het met zijn armen is gesteld en jullie zullen vaststellen dat ze precies op de slangenarmen lijken. De ene is bezig met steeds naar binnen te halen, de andere op alle mogelijke manieren met sluwheid, list en geweld buit te maken. Wanneer hij iets gevangen heeft, dan wordt dit dadelijk als offer van zijn hebzucht op het jullie reeds bekende altaar gestoken.

15 Jullie vragen: waarom staat dit altaar dan juist op de buik van dit monster? Omdat de buik het symbool is van de allerergste soort hebzucht, zelfzucht en eigenliefde. De grote buik duidt op de buitensporigheid van die liefde en het altaar op de buik duidt op het zogenaamde wereldse eerzame en verhevene en dus op de trotse en hoogmoedige inborst van zulke indrukwekkende industriebaronnen.

16 Wat betekent dan het op het altaar opgestelde tweesnijdend zwaard of de spies? Dat zouden jullie toch onmiddellijk moeten raden. Hebben jullie dan nog nooit van het handels- of wisselrecht gehoord? Kijk, daar staat het op het altaar! Daarom hoeft zich maar een of ander armzalig wezen te laten vangen of hij wordt gegrepen, zonder genade of pardon op het recht gespietst en zo met dat recht meteen doodgestoken.

17 Jullie vragen nog: wie zijn dan die vele armzalige wezens die daar vlijtig worden gevangen en waarom is de spies tweesnijdend? De vele armzaligen zijn allerlei soorten mensen. Een deel, dat het eerste wordt gevangen, bestaat uit detailhandelaars; een ander deel bestaat uit degenen die hun producten noodgedwongen aan zo'n grootspeculant moeten leveren; een derde deel bestaat uit allerlei arme buitenlandse volkeren die met zo'n huis een handelsrelatie hebben; een vierde deel bestaat uit andere kooplustige mensen; een vijfde deel uit elders gevestigde handelscompagnons; een zesde deel uit degenen die bij dat huis in dienst zijn, en dan is er nog een zevende deel dat bestaat uit degenen die in allerlei opzichten van zo'n huis afhankelijk zijn. Voor al drie categorieën staat de tweesnijdende spies steeds klaar. Maar we zouden bijna vergeten wat de twee snijkanten van de spies betekenen.

18 Dat is toch ook heel voor de hand liggend. De ene kant stelt de handels politiek van de kooplieden voor. Wat betekent dan de tweede snijkant? Datgene waarop de handelspolitiek gebaseerd is. En waarop is ze dan gebaseerd? Op het haar verleende recht om iedere tak van haar handel zo in te richten dat deze haar de meeste woekerrente oplevert. Begrijpen jullie dat? Zouden jullie dit niet goed begrijpen, zoek het dan maar op en zeg me, waar voor het handelsleven de winst wettelijk is voorgeschreven. Zo snijdt de speer aan twee kanten; aan de ene kant door de jullie welbekende koopmanspolitiek en aan de andere kant door het grenzenloze winstbejag. Deze beide snijkanten zijn zo nauw met het handelsrecht verbonden als de twee snijkanten met een zwaard. Is dit beeld niet treffend en laat het, zoals ik zei, niet meer en niet minder dan de zuivere waarheid zien?

19 Jullie zeggen nu: het beeld is juist, maar er blijft ook geen twijfel meer over bestaan dat het in de onderste hel thuishoort! In de grond van de zaak hebben jullie niet helemaal ongelijk, toch blijft de eerdere uitspraak van kracht, want dit alles betekent alleen het kwaad op zich, zonder te doelen op personen die zo'n kwaad werkelijk bedrijven. Daarom is het hels van aard, maar niet de hel zelf. Want zouden jullie zoiets in de werkelijke hel te zien krijgen, dan zou het jullie bij een aanblik van veraf reeds heel anders vergaan dan hier, vlakbij het beeld van dat kwaad.

20 Kijk, er zijn nog heel veel van zulke huizen in dit smerige ravijn. Maar omdat het kwaad van de hebzucht daarbinnen steeds innerlijker en daardoor onuitsprekelijk gruwelijker wordt voorgesteld en jullie de eerstvolgende aanblik al niet meer zouden verdragen, beëindigen we deze zaak met het bekijken van deze twee huizen. Want als dit kwaad dan overgaat in de sfeer van brandende, hebzuchtige jaloersheid, dan wordt het pas echt hels en is daardoor niet geschikt voor jullie zwakke ogen. Daarom zullen we ons de volgende keer liever naar een derde dal begeven. Daar zullen we weer heel nieuwe verschijnselen te zien krijgen en dus laten we het voor vandaag hierbij.

 

19.

 

Hoe de heerszucht gestalte krijgt in het hiernamaals

 

1 Om dit derde dal te bereiken hoeven we wederom niets anders te doen dan deze iets hogere bergketen over te gaan. Jullie willen dat en kijk, we zijn al boven. Kijk maar naar beneden, meer naar de avond toe, en het eerdergenoemde dorp kan niet aan jullie blikken ontgaan.

2 Jullie zeggen: beste vriend en broeder, behalve enkele plompe hopen aarde kunnen we niets ontdekken dat op een dorp lijkt. Toch zeg ik jullie: jullie hebben het goed gezien, want kijk maar zover jullie kunnen in het steeds nauwer en duisterder wordend ravijn, dan zullen jullie heel veel van dergelijke grote aardhopen ontdekken. Jullie zeggen: daar kan toch niemand in wonen, in wat voor slechte omstandigheden dan ook. Ik zeg jullie echter: wacht maar rustig af tot we de aardhopen helemaal hebben bereikt, dan zal alles er meteen heel anders uitzien. Als jullie willen, gaan we naar beneden.

3 Wel, we zijn al bij de eerste aardhoop; wat zeggen jullie ervan? Jullie halen je schouders op, maar ik zeg jullie: kom wat dichterbij, maar niet al te dichtbij, dan zullen jullie het schouderophalen wel laten. Jullie vragen waarom je niet te dicht bij zo'n heel onschuldig lijkende aardhoop mag komen. Ook daarop zullen jullie, als je op de juiste afstand zult zijn, dadelijk het gepaste antwoord krijgen. Kom nu maar wat dichterbij!

4 Waarom springen jullie zo verschrikt achteruit? Ik heb je toch gezegd dat deze aardhopen niet zo leeg zijn als ze op het eerste gezicht lijken. Jullie zeggen nu: in hemelsnaam! Wat is dat? Toen we slechts een paar passen dichter bij deze aardhoop kwamen, staken onmiddellijk een aantal van de ons bekende giftige slangen hun koppen door de kleine onzichtbare gaten en sperden hun giftige bekken open. Werkelijk, als we niet zo vlug waren weggesprongen, zouden ze zich zeker op ons hebben gestort en ons kwaad hebben kunnen doen. Zijn deze aardhopen dan louter slangennesten? Is hier nergens iets dat op mensen lijkt?

5 Ik zeg jullie: om daar achter te komen moeten we de aardhoop vanaf de noordkant bekijken, van waaruit hij evenwel op de meest gevaarlijke manier bereikbaar is. Daarom moeten jullie achter mij aan lopen en heel heimelijk vanachter mijn rug toekijken, dan zullen jullie wel het nodige te zien krijgen. Kom dus maar mee! Kijk, we zijn al op de goede plaats. Let goed op, daar onder aan de aardhoop is een hol zoals het bij jullie door een vos wordt gegraven. Kijk daar maar goed naar binnen, dan zullen jullie dadelijk eens iets heel anders zien. Maar als jullie iets hebben gezien, al is het nog zo afschuwelijk, dan moeten jullie je toch heel stil en rustig houden, want ren te heftige beweging of een voortijdig angstgeschreeuw kan tot gevolg hebben dat we allemaal haastig op de vlucht moeten slaan.

6 Wel, hebben jullie al naar binnen gekeken? Jullie bevestigen het mat. Ja, zo is het wel genoeg. Voor we de zaak gaan bespreken begeven we ons zo vlug mogelijk een flink eind van de hoop vandaan, want in zijn nabijheid valt er niet goed over te praten, omdat deze aardhoop vele duizenden oren heeft en op zijn hoede is. Daarom kan men alleen maar op een flinke afstand over zijn hoedanigheid spreken. Vertel me nu maar wat jullie gezien hebben.

7 Jullie zeggen: o beste vriend en broeder, vreselijk, vreselijk! Ja, het was afschuwelijk om te zien! Op de achtergrond zagen we een wezen gehurkt zitten. Dit zag er uit als een allerafschuwelijkste en verschrikkelijkste draak. Deze draak had wel een mensachtige kop, maar in plaats van haren was er een ontelbare hoeveelheid giftige slangen te zien, die naar alle kanten kronkelden en met hun vurige ogen rondkeken of er ook een buit of prooi in de buurt van hun huiveringwekkende woning zou komen.

8 Meer op de voorgrond langs de wanden zagen we weer vele ellendige menselijke gestalten, die aan handen en voeten geketend waren. Een heleboel vrije slangen kropen om hen heen, beten hun aderen open en zogen hun bloed op. Het afschuwelijke wezen op de achtergrond echter had in zijn met een slang omwonden rechterhand een gloeiend zwaard en in de andere hand een soort opgerold schriftstuk. Een slang, die om zijn linkerarm zat gekronkeld, bladerde af en toe in die rol en ging met haar tong over de vellen van het schriftstuk alsof ze het monster op de achtergrond op iets heel bijzonders attent wilde maken. Na zo'n handeling zagen we hoe vanuit een donkere achtergrond spoedig verscheidene zeer ongelukkig lijkende menselijke wezens door een flink aantal slangen naar voren werd getrokken. Het op de achtergrond zittende monster zwaaide weldra met zijn gloeiende zwaard boven hen, sloeg enkelen in stukken en liet anderen door de slangen, die mensenarmen hadden, weer ketenen en bij de anderen voegen. Dat hebben we gezien; niet meer en niet minder.

9 Ik zeg jullie: jullie hebben heel goed gekeken en alles goed in je opgenomen, maar jullie zeggen nu: beste vriend en broeder, het kwaad dat met dit afschuwelijke beeld getoond wordt, kan op aarde toch niet bestaan! Dan zeg ik jullie: er bestaan, met betrekking tot dit kwaad, op aarde nog onbegrijpelijk ergere dingen dan die welke door dit beeld worden getoond! Raad maar eens welk kwaad er achter dit beeld schuilgaat. Kijk, dit beeld stemt overeen met de wereldse tirannieke politiek van de heerszucht. Alles wat op heerszucht begint te lijken, komt innerlijk ook helemaal met het karakter van dit beeld overeen. Jullie moeten daaronder echter niet de wijze staatsmanskunst van rechtvaardige, door God gezalfde koningen en regenten verstaan, die vanzelfsprekend hun volkeren moeten bewaken, opdat zij elkaar door hun wederzijdse kwaadaardigheid niet al te zeer schade toebrengen of zelfs geheel te gronde richten. Onder dit beeld wordt alleen die helse sluwheid verstaan waarmee mensen van welke rang of stand ook, zich door middel van de meest schandelijke kruiperij een of andere heerserspositie proberen te verschaffen. Hebben zij er een bemachtigd, dan verschuilen ze zich weldra voor de buitenwereld achter een bedrieglijke deemoed, soberheid en bescheidenheid. Maar hun woning is vol loerende slangen, die op kruiperige, geslepen, geheime spionnen lijken, die met gespannen aandacht naar buiten kijken of er ook iets gevaarlijks op die zogenaamde bescheidenheid afkomt. Komt er iets in de buurt, dan wordt het meteen gegrepen en heimelijk en onopvallend naar de zogenaamde bescheiden eigenaar van dit huis gesleept. Dat het de buit in zo'n bescheiden woning niet al te best vergaat, hebben jullie aan de hand van dit beeld gezien. De slangen op zijn hoofd in plaats van haren betekenen het rusteloze streven naar steeds grotere macht. Het gloeiende zwaard in zijn hand, die door een slang is omwonden, betekent een listig verkregen machtspositie, d.w.z. een of ander ambt of vak dat zo'n heerszuchtig iemand het recht geeft om de hem toevertrouwde macht uit te oefenen. Dat het zwaard gloeiend is geeft de onverbiddelijke strengheid of het wezen van de tirannie aan. Dat zijn hand met een slang is omwonden, wil zeggen dat zo'n zwaard met grote sluwheid wordt gehanteerd. De rol in zijn linkerhand, die eveneens' door een slang omwonden is, typeert de sluwheid van zo'n heerszuchtig iemand, in wiens plannen niemand inzage mag hebben behalve zijn eigen grote sluwheid.

10 Dat jullie vanuit de achtergrond mensen door slangen naar voren hebben zien slepen, betekent dat de veelzijdige sluwheid van de tiran hen gevangengenomen heeft. De grote slangen met mensenarmen, die de gevangenen in ketenen slaan, zijn de ingehuurde handlangers van de tiran. De ketenen echter getuigen van de volslagen slaafse toestand van degenen die onder het gezag van zo iemand staan.

11 Nu hebben we alles ontraadseld. Jullie zeggen: het beeld is wel juist, maar alles bij elkaar genomen lijkt het toch wat al te overdreven. Maar ik wil jullie slechts opmerkzaam maken op enkele voorbeelden die vooral in jullie huidige tijd in ruime mate op aarde aanwezig zijn. Daaruit kunnen jullie heel gemakkelijk opmaken of dit beeld overdreven is.

12 Opdat jullie niet te lang hoeven na te denken maak ik jullie in de eerste plaats attent op al de boosaardige volksopruiers die meestal uitgaan van een hoog ideaal, maar na het uitvoeren van hun boze plannen de grootste boe ven van de mensheid zijn geworden. Robespierre is nog lang niet de ergste onder de talloos velen die de arme mensheid van de aarde vaak lichamelijk en geestelijk in een onnoemlijk ongeluk hebben gestort. En juist de werkelijk hels-satanische politiek van dat soort mensen wordt door dit beeld maar oppervlakkig weergegeven.

13 Als het raadzaam zou zijn om jullie deze in de dieper liggende aardhopen te laten zien, werkelijk, jullie kunnen me geloven, bij de eerste de beste hoop zou ook de koelbloedigste van jullie niet in staat zijn om ook maar een letter op papier te zetten. Dit soort zaken hoort tot de alleronderste en dus ook boosaardigste hel. Vanaf de bergrug hebben jullie gezien welk een enorme massa van zulke aardhopen dit afschuwwekkende ravijn bevat. Daarover kan ik jullie alleen maar zeggen dat het in elk van die aardhopen tien keer erger toegaat dan in een van de vorige.

14 En dat is voldoende. Ik moet. jullie eerlijk bekennen; alleen de allermachtigste engelgeesten, die door de Heer met alle mogelijke kracht speciaal daartoe zijn toegerust, kunnen onbeschadigd door dit dal gaan. Maar met jullie zou ik niet eens tot bij de derde aardhoop willen gaan. Zolang een dergelijke heerszucht enkel wereldse zaken op het oog heeft, zoals jullie in deze eerste aardhoop hebben gezien, zolang is het met inachtneming van de nodige voorzichtigheid voor het geestelijke ook niet schadelijk. Wanneer echter, wat bij de tweede aardhoop al tamelijk sterk het geval is, deze heerszucht haar slangenarmen ook uitstrekt naar het geestelijke, dan moet elke geest zich ook al heel goed in acht nemen, wanneer hij zo'n aardhoop zou naderen! - Daarom willen we ons tevredenstellen met hetgeen we in dit dal hebben gezien. De volgende keer zal ik jullie op een veilige en gunstig gelegen heuvel brengen van waaraf we een algemeen overzicht van de veelvoudige situaties van speciaal deze noordelijke streek zullen krijgen. En dus genoeg voor vandaag.

 

20.


Gang naar de hel

 

1 Om op deze gunstige heuvel te komen zullen we ons naar de morgenzijde van deze algehele noordelijke streek begeven en van daaruit pas onze hoogte beklimmen. De meer noordelijke streek is te afschuwwekkend om daar ver­der door te kunnen reizen en bovendien zullen we haar toch vanaf de hoog­te kunnen overzien. Ga dus met mij mee; we zullen op geestelijke manier zo vlug mogelijk ter plaatse zijn.

2 We zijn reeds bij het eerste dal en kijk nu eens naar de rivier; daar zullen jullie het echtpaar zien dat we al eerder hebben ontmoet. Kijk hoe zij zich in het water van de rivier reinigen en er ten dele ook al opmerkelijk beter uit­zien. Jullie vragen wat dat betekent?

3 Dat geeft de toestand van een mens weer, waarin hij meer dan genoeg heeft van de vleselijk ondeugd, waarbij hij dan een rouwmoedig verlangen krijgt om zich te beteren, volledig af te zien van dergelijke zonden en zich dan zo goed mogelijk te zuiveren van al het kwaad van de zonde. Jullie zien hoe moeilijk zo'n reiniging is. Deze rivier heeft maar weinig inhammen die voor zulke, zoals jullie zeggen, afgeleefde zondaars toegankelijk zijn. En zij mogen zich daarin ook niet te ver wagen. Om te beginnen is de stroming in de rivier te sterk en tevens is ze vol van verschijnselen die zulke boetelingen dreigen te verslinden.

4 Als ze echter dapper in hun inham volharden, worden ze alsmaar sterker en gezonder, krijgen steeds meer moed en als ze geheel op krachten zijn geko­men, kunnen ze zich stroomopwaarts begeven in de richting tussen morgen en middernacht waar de rivier vandaan komt. Als zij bij de plaats zijn geko­men waar jullie in de verte aan beide zijden van de rivier een heuvel zien, dan hebben ze de enige brug over de rivier bereikt waarover ze op de andere oever kunnen komen, waar zij dan de omgeving van de avond kunnen bereiken.

5 Hoe het verder met het gebied aan de avondzijde gesteld is, zullen we heel goed zien wanneer we daar na de noordelijke streek doorheen zullen reizen. Laten we ons, nu jullie dit weten, meteen naar de door ons afgesproken hoogte begeven om van daaraf deze noordelijke streek nader te bekijken.

6 Jullie vragen alweer of men van daaraf deze heuvel niet kan zien? O ja, kijk maar daar naar boven, naar die tamelijk verafgelegen hoogste witgrijze berg­top, dat is de door ons afgesproken standplaats. Jullie griezelen wel een beet­je van zo'n steile en duizelingwekkend hoge bergtop. Maar dat doet er niet toe, want we zullen hem net zo gemakkelijk beklimmen als de plek waarop we nu staan. Als jullie willen gaan we op weg. Jullie willen het en we zijn al ter plaatse. Kijk, er is tamelijk veel plaats op deze top, maar jullie moeten niet al te dicht bij een of andere rand komen en zeker niet bij die diepere, die. zoals jullie zien, naar het pikdonkere noorden is gekeerd.

7 Kom dan nu bij me staan en kijk naar beneden. Zien jullie die drie vallei­en tamelijk in de verte daar in de richting van de avond? Dat zijn de ons reeds bekende. Maar achter deze drie zien jullie er nog zeven en als jullie heel goed kijken, zullen jullie zien dat ze vol gaten zitten waaruit donkergrijze rook opstijgt. Jullie vragen wat dat betekent?

8 Dat schetst de toestand van een mens tijdens zijn aardse leven, waarin hij het goede kent, maar opzettelijk voor het slechte kiest en dan vanuit zijn innerlijke verdorvenheid tegen beter weten in handelt. De gaten, die naar het invallende licht van de middag gericht zijn, betekenen het kennen van de werkelijke waarheid; de opstijgende rook uit deze gaten echter betekent het vrij en eigenmachtig veranderen van de goddelijke waarheid in ijdel bedrog. Het verborgen vuur waaruit de rook opstijgt, is de verborgen verdorvenheid die een gevolg is van de hoogste graad van eigenliefde en de daaruit voort­komende heerszucht. Vanuit deze verdorvenheid wordt al het goede zaad van het licht veranderd in het zaad van het onkruid. Het onkruid wordt dan door het vuur aangestoken, het verbrandt en lost op in deze voor jullie zichtbare rook.

9 Jullie zien hoe deze zeven dalen door bergketens van elkaar zijn gescheiden en dat elke bergketen uit tien heuvels bestaat. Elke heuvel is met een soort kapel versierd. Wat betekent dat wel? Deze tien heuvels stellen de verheven wetten van Mozes voor. De kapellen op de heuvels duiden op de wijsheid van die wetten. De zeven dalen, die deze heuvelrijen van elkaar scheiden, geven nog eens de zeven geboden van de naastenliefde aan.

10 Nu zien jullie in deze dalen onder elke heuvel een dampend gat. De bete­kenis daarvan is het ondergraven van de goddelijke geboden en het totale verduisteren en te gronde richten van de naastenliefde, wat alles bij elkaar genomen de grote ontucht van Babel wordt genoemd. Deze rook echter is erger dan de pest. Wie hem eenmaal heeft ingeademd, wordt spoedig der­mate bedwelmd en verblind dat hij niet alleen in het dal zelf geen vrij plek­je kan vinden, maar hij kan, hoe hij zich ook wendt of keert, de plaats waar­op hij door de rook verpest werd, niet verlaten.

11 Jullie vragen: wat gebeurt er dan met zo iemand? Kijk maar wat nauwkeuriger naar beneden dan zullen jullie gemakkelijk kunnen zien hoe uit de overigens goed gesloten kapellen reddende wezens naar beneden snellen, naar zulke bedwelmde wezens toe gaan om hen van de plek weg te trekken naar vrijere plaatsen. Zoals jullie echter ook zien, zijn er maar weinigen die zich verder laten brengen. De meeste blijven heel eigenzinnig op hun standpunt staan en laten zich liever door de zwarte boden, die uit de openingen opstijgen, in deze gaten trekken dan zich door de steeds wakende bewoners van deze kapellen te laten redden.

12 Kijk, dat is het eigenlijke beeld van jullie tegenwoordige wereld en het tekent het wezen van alle verdorvenheid van de mensen tijdens hun leven op aarde.

13 Jullie zien dat deze hoge bergketen dit middernachtelijke voorgebied oneindig ver gescheiden houdt van de werkelijke duistere middernacht, die jullie achter onze rug in zijn meest huiveringwekkende en verschrikkelijke gedaante kunnen aanschouwen.

14 Voordat we een blik op deze achtergrond werpen, zullen we eerst nog onze blikken naar de kant van de ochtend richten.

15 Kijk, daar zien jullie na onze reeds bekende drie middendalen, dat wil zeggen de drie die we persoonlijk hebben bezocht, nog zeven dalen. Zoals jullie zien liggen deze, vergeleken met de door ons eerder bekeken dalen in de avondlijke omgeving, aanzienlijk hoger en er bevinden zich daar overal talrijke dorpen. Met slechts een beetje inspanning zien jullie ook gemakkelijk dat daar nergens echt orde te vinden is. Er is nergens een beetje leven te zien. Jullie zien dat de akkers grotendeels braak liggen en waar nog een tarweof ander korenveld is, steekt overal meer dan voor driekwart onkruid boven het edele graan uit. Alleen in het laatste dal naar de morgen toe ziet het er wat beter uit; maar zelfs daar is meer wanorde dan orde te zien.

16 Tevens zien jullie op dezelfde soort heuvels als tussen de dalen naar de avond toe kapellen, maar als jullie echt goed kijken, zien jullie slechts heel weinig mensen ernaartoe wandelen. De welwillende kapelwachters hebben weliswaar overal zoveel mogelijk heel gemakkelijk begaanbare wegen aangelegd, maar zelfs deze zijn voor de bewoners van deze dorpen nog veel te ongemakkelijk en te bezwaarlijk En zoals jullie zien, de mooie tuinen rondom de kapelletjes, helemaal beplant met goede fruitbomen en het mooie uitzicht vanaf deze heuvels over de rivier naar de gelukkige streken van de eeuwige morgen, zijn niet in staat deze trage zevenslapers ertoe te bewegen om uit hun slaaphoeken op te staan en naar boven naar deze kapelletjes te wandelen.

17 Jullie zeggen: dat is allemaal goed en wel en we zien het met eigen ogen, maar wat betekent dat?

18 Beste broeders en vrienden, ik ben van mening dat jullie dit toch bij de eerste oogopslag moeten doorzien. Daarom wil ik jullie daarover niets anders zeggen dan wat de Heer tegen Johannes heeft gezegd met betrekking tot dc gemeente van Sardes toen Hij zei: `Omdat jullie warm noch koud maar lauw zijn, zal Ik jullie uit Mijn mond spuwen.' Meer hoef ik werkelijk niet te zeggen; vergelijk slechts jullie zogenaamde goede of betere wereld met dit beeld en jullie zullen letterlijk bevestigd krijgen, dat het waar is.

19 Wordt er op aarde niet gezegd: ik doe toch niets verkeerds; wat gaan de zogenaamde goddelijke geboden mij dan nog aan? Als ik me rustig houd en niemand benadeel, wat wil men dan nog meer van mij? Kijk, met dit principe heeft de hele bevolking van deze streek zich in slaap gesust en bekommert de een zich niet om de ander. Als er daar iemand om hulp roept, komt niemand hem te hulp, of iemand mompelt uit een of andere slaaphoek tegen hem: help jezelf zo goed je kunt, ik zal mezelf ook helpen als mij iets mankeert. Ik heb met jou niets te maken en jij niet met mij; ieder zorgt maar voor zichzelf!

20 Kijk, daarin kunnen jullie je wereld zeker heel goed herkennen; maar waar bevindt zij zich? Ten eerste zien jullie dat zij evenals de andere erg slechte gebieden, door deze noodlottige rivier is afgescheiden van alle gelukkige gebieden en ten tweede, dat dit gebied evenals dat wat we naar de avond toe hebben gezien, heel dicht tegen dit grensgebergte tussen deze en gene zijde aan ligt. Zoals jullie zien, lopen tenslotte al deze dalen bij deze hoge bergwand uit in een duistere, zogenaamde tunnel of onderaardse gang die rechtstreeks naar die buitengewoon duistere andere wereld leidt, die zich nu achter onze rug bevindt.

21 Jullie vragen: wat is dit? Maar ik zeg jullie: nadat we dit voorgebied hebben bekeken, keren we ons enigszins om en kijken naar dat gebied aan de tegenoverliggend zijde. Drie vluchtige blikken zullen jullie meer zeggen dan jullie zouden willen weten.

22 Wel, jullie hebben je omgekeerd; wat hebben jullie daar gezien? Jullie zeggen: tot nu toe niets anders dan een steeds dichter en dichter wordend nachtelijk duister. Kijk nog eens; wat zien jullie nu?

23 O, nu roepen jullie: vreselijk, vreselijk, ellende en nog eens ellende! We zien niets anders dan vuur en nog eens vuur en gloeiende slangen die zich in de vlammen kronkelen. Goed, maar kijk nog eens; wat zien jullie nu? [)oor dit schouwspel zijn jullie, zoals ik zie, met stomheid geslagen en nu zeg ik jullie: wat zich bij jullie derde blik voor jullie ogen heeft afgespeeld, is de eerste graad van de werkelijke liet! Er is nog een tweede en een derde. Maar die kunnen jullie niet aanschouwen, want een kortstondige blik zou jullie al het leven kosten, omdat daar al de meest intense dood woont. Ik heb jullie dit laten zien om jullie duidelijk te maken waar de ondergrondse gangen vanuit al deze dalen onherroepelijk naartoe leiden.

24 Hoe zwaar voor de geest, ja voor de materiële boosaardige zware geest de terugweg wordt, kunnen jullie heel gemakkelijk opmaken uit de onmetelij­ke diepte die zich vanaf deze bergketen steil naar beneden tot in een eeuwig duistere afgrond uitstrekt. Meer hoeven jullie hierover voorlopig niet te weten.

25 Deze standplaats echter waarop wij ons bevinden, is die vrije hoogte van een mens tijdens zijn aardse leven, van waaruit hij in gelijke mate het ware en het valse, het goede en het kwade heel goed in zichzelf onderscheid.

26 Wie op deze hoogte staat, heeft de ware betekenis van het leven gevonden en kan nooit meer verloren gaan, tenzij hij zich vanaf deze hoogte als een waanzinnige naar beneden in de afgrond zou storten. Maar zoiets zal hij wel laten! Laten we nu weer vanaf deze hoogte naar beneden gaan waar het boot­je op ons wacht; jullie willen het, en kijk, we zijn alweer op de plaats van bestemming.

27 Stap maar vlug in; dan zal ik hem losmaken en jullie weer naar de geluk­kige oever aan de overkant brengen. Jullie zitten erin, de boot is losgemaakt en de tocht begint.

28 Kijk, ditmaal duiken er nog meer monsters op, die ons dreigen te verslin­den, dan bij de eerdere overtocht. Daar is trouwens de veilige oever al; nu mogen ze hun tanden in de boot zetten, wij zijn op het droge! Van hieraf zul­len we ons dan naar het gebied van de avond wenden en dit bezichtigen. We zullen echter onze schreden in deze betere streek pas de volgende keer ver­volgen en dus genoeg voor vandaag!

 

21.


Bezoek aan de avondlijke streek

 

1 Kijk, daar loopt al een hele goede weg; daar zullen we op ons gemak over­heen wandelen. Als jullie naar links kijken, zien jullie als begrenzing van een uitgestrekte vlakte tamelijk hoge maar tevens toch zacht afgeronde bergke­tens, die heel mooi begroeid zijn met ceders en allerlei andere prachtige bomen. De kruinen zijn overal vrij en elk daarvan is met een piramide versierd en op de top van elke piramide schittert een heldere ster. Als jullie vanaf hier recht vooruit kijken, zien jullie een brede vallei, die zich rechtdoor ver uitstrekt en er overal, zover jullie oog reikt, heel vruchtbaar uitziet. Op ver­schillende plaatsen in dit dal zien jullie ook liefelijke mooie gebouwen, waar mensen vlijtig in- en uitgaan. Verder zien jullie ook dat er velen druk bezig zijn met het bewerken van het land. Is het niet bijna alsof jullie op aarde in een mooie vallei zouden rondwandelen, waarin eveneens vreedzame landlie­den hun land heel vlijtig bebouwen en bewerken?

2 Als jullie je blikken naar rechts richten, zien jullie eveneens een verre, ja onafzienbaar uitgestrekte bergketen, waarvan de lagere gebieden eveneens met mooie bomen begroeid zijn, terwijl hier en daar tussen de bomen een landelijk huisje te zien is. Boven de beboste gedeelten verheft zich een bui­tengewoon steil rotsgebergte waarvan de bovenste toppen met eeuwige sneeuw en ijs zijn bedekt.

3 Jullie zeggen: deze omgeving is wonderbaarlijk mooi, alleen ontbreekt er hier en daar een meertje of een of andere mooie brede rivier. Als die daar ook nog zouden zijn, kon men zich nauwelijks een lieflijker en tevens romantisch mooiere streek voorstellen dan deze.

4 Ik zeg jullie echter: lieve broeders en vrienden, heb nog een beetje geduld; we zullen ook die dingen in rijke overvloed aantreffen, want we gaan heel vlug en zijn in deze avondlijke streek zo ver doorgedrongen dat dit jullie begrip totaal te boven gaat. Kijk maar eens achterom en schat eens aan de linkerkant de lengte van de zachte, met piramiden getooide bergketen, dan zullen jullie dadelijk merken, hoe ver we hier al zijn doorgedrongen.

5 Jullie zeggen: hoe is dat nu mogelijk? We kunnen inderdaad het einde van deze bergketen niet meer zien en het lijkt ons toe alsof hij zich ook ach­ter ons oneindig ver uitstrekt. De mooie sterren boven de piramiden zien we heel in de verte alleen nog maar als verlichte zonnestofjes glanzen. Ja, beste broeders en vrienden, in dit land reist men buitengewoon snel, zon­der dat men iets van de snelle voortbeweging merkt. Hoewel we nu, zoals jullie zien, heel rustig stap voor stap wandelen, bewegen we ons toch zo buitengewoon snel voort, dat niemand op aarde zich van deze snelheid een begrip kan vormen. Jullie kunnen het geloven: als het jullie mogelijk zou zijn om je met je aardse lichaam zo snel te verplaatsen, dan zouden jullie daarmee in één ogenblik door vele miljarden zonnewereldgebieden flitsen. Maar hoe zoiets mogelijk is, daarover zullen we nog wel een woordje wis­selen.

6 Nu richten we onze blikken weer vooruit en zetten onze reis weer heel rustig voort. Jullie vragen mij: wat is dan daar ver op de achtergrond die glinsterende vlakte waarboven, nog verder weg, aan een enigszins avondlijk, donker firmament een grote hoeveelheid sterren heel helder schitteren? Heb nog wat geduld; we zullen er wel komen. Maar kijk eens wat naar rechts en zeg me wat jullie daar van vinden. Ik lees goedkeuring in jullie ogen. Is dat niet een meer zoals het hoort te zijn?

7 Kijk eens naar al die mooie eilanden die zich boven het rustige en zuivere wateroppervlak verheffen, hoe ze allemaal bebouwd zijn en hoe elk eiland bovendien nog met een schattig huis is gesierd. Zie eens die vele mooie boten op het water, die heel goed bemand zijn en van het ene eiland naar het andere varen. Jullie zijn verbaasd; jullie zien nog niet het honderdste deel; hoe verder we zullen gaan, des te uitgestrekter wordt het meer.

8 Maar zoals jullie zien, vormt de linkeroever nog steeds een brede vallei tot aan de linker bergketen en we moeten nog een hele poos wandelen voordat we deze vallei smaller, maar daarentegen het meer breder zullen zien. Daar op een mooie groene heuvel aan onze linkerkant bevindt zich een hele mooie tempel met een gouden dak. Zoals jullie zien, bevindt zich in deze open tempel ook een menigte mensen die witte kleren dragen. Jullie zouden wel willen weten wat ze daar doen?

9 Kijk maar eens naar de nabijgelegen oever van het meer; daar stapt zojuist uit een mooie boot een gezelschap, dat zich eveneens naar deze tempel zal begeven. Vraag hun maar, en we zullen terstond vernemen wat hen naar deze tempel trekt. Als jullie het echter niet durven, wil ik het ook wel doen; let dus goed op! Ik zal iemand aanspreken.

10 Luister beste vriend en broeder in de Heer! Wat trekt jullie naar de tempel die daar op de top van de groene heuvel is gebouwd? Hij antwoordt: vriend en broeder in de Heer, zoals je zegt, waar kom jij vandaan dat je dit niet weet? Ik antwoord: waarom kijk je daarheen vanwaar ik kom? Hij antwoordt: ik kijk naar de morgen. Ik zeg: goed, als je naar de morgen kijkt, vanwaar ik kom, hoe kun je me dan vragen waar ik vandaan kom? Maar ik wil omwille van degenen die bij me zijn, dat je open en eerlijk met mij zult spreken.

11 De gevraagde buigt en zegt: machtige bode van de Heer! Een wijze vanuit de morgen, zeker een u goedbekende broeder, onderricht hier de liefde van de Heer. Om die hoge wijsheid te horen gaan we ernaartoe. Ik vraag hem: hoe lang zijn jullie reeds onsterfelijke bewoners van deze eilanden? Hij zegt: machtige bode van de Heer! Volgens aardse begrippen bewonen we deze streek al meer dan honderd jaar. Ik antwoord: zouden jullie dan niet graag wat meer naar de morgen toe willen gaan?

12 Hij zegt: we weten de weg niet, maar dit eiland werd ons toegewezen ooi ii er te wonen en om in ons onderhoud te voorzien. Er kwam niemand die ons verder bracht en het ontbrak ons steeds aan moed om uit eigen beweging een ons zo'n eindeloos lang lijkende reis te kunnen ondernemen. De meer wijzen onder ons zeggen dat de morgen, waarvan we het licht van hieraf goed zien, eindeloos ver weg ligt. Daarom denken we dat dit met onze krachten nooit te bereiken is en er blijft ons dus niets anders over dan ons grote verlangen daarheen zoveel mogelijk te temperen. Maar bovendien vinden we nog dat hetgeen we hier bezitten, al veel te veel voor ons is en dat dit alles pure genade en ontferming is van de Heer. Daarom zijn we er ook heel dankbaar voor en tevreden mee. Slechts één ding zouden we eens willen meemaken, dan zouden we voor eeuwig oneindig gelukkig zijn, en dat ene is dat we slechts eenmaal de Heer te zien zouden krijgen!

13 Ik antwoord: ga dan maar naar de tempel waar de liefde voor de Heer wordt onderwezen. Zij is de weg waarlangs de Heer naar jullie toe zal komen. Kijk, het gezelschap haast zich al over de mooie velden naar de tempel.

14 Jullie vragen mij: wat voor soort mensen waren zij dan tijdens hun aardse leven? Ik zeg jullie: dat zijn de zogenaamde gelovige christenen die hun rechtvaardiging enkel in het geloof zochten en de liefde niet werkelijk wilden aanvaarden, alsof deze voor het eeuwige leven geen waarde zou hebben. Voor hen telde alleen het geloof. Zo'n overtuiging houdt hen hier vast. Het meer betekent de ontoegankelijkheid van diegenen die de een of andere overtuiging hebben. De eilanden echter betekenen dat de overtuiging is voortgekomen uit het woord van de Heer. Omdat de waarheid niet in verbinding staat met de liefde, of anders gezegd, het ware van het geloof niet in de ware hemelse echt is verbonden met het goede van de liefde, zijn de landstreken die door deze volkeren bewoond worden overal door tussenliggend water gescheiden. De vaartuigen die jullie op het meer zien, duiden op de vriendelijke en goede handelwijze van zulke mensen op aarde. Deze handelwijze brengt, zoals jullie zien, deze eilandbewoners met elkaar in contact.

15 In deze streek aan de linkerzijde verblijven zij die vanuit de geloofswaarheden langzamerhand zijn begonnen hun liefde in goede daden om te zetten en daarom dan ook geloven in de liefde van de Heer, maar het blijft meer bij het geloof dan bij de liefde. Dit wordt aangeduid door de overal aanwezige hoge en sterke bomen, die evenwel geen eetbare vruchten dragen; vandaar dat de levensmiddelen, zoals jullie zien, slechts laag bij de grond groeien maar toch behoorlijk rijkelijk voorkomen. Zo betekenen ook de piramiden op de ronde bergruggen aan de linkerkant, met de schitterenden sterren boven de toppen, dat `het geloof het hoogste principe is van deze mensen en tevens hun enige licht. Het rijk met ceders begroeide overige deel van deze bergen betekent de macht van het geloof

16 Dat ze echter geen eetbare vruchten dragen, wil zeggen dat het geloof alleen het leven niet opwekt. En hoewel in het geloof op zich al geestelijk leven werkzaam is, geeft het echter toch maar weinig vruchten die, wanneer ze gegeten worden, het leven nauwelijks tot een hogere potentie zouden kunnen brengen.

17 De omgeving aan onze rechterzijde met het steile gebergte grenst allereerst aan het noorden. Vandaar dat dit gebergte ook zo ontoegankelijk en hoog is en de grenslijn vormt tussen avond en noorden.

18 Jullie vragen of deze omgeving ook bewoond is. O ja, maar hoofdzakelijk door goedmoedige heidenen, en ook door mensen die door beeldenverering hun harten behoed hebben voor het kwaad en daarbij overigens rechtschapen wereldburgers waren. De tempels die jullie aan de overkant hier en daar boven de bossen zien uitsteken, zijn eveneens plaatsen van onderricht, waarin zulke mensen bevrijd kunnen worden van hun dwalingen, als ze ernstig willen!

19 Zolang dat niet het geval is, worden ze gelaten zoals ze zijn en wordt hun geen dwang opgelegd. Daar we dit nu weten, kunnen we gevoeglijk onze weg weer vervolgen.

20 Jullie vragen alweer: wat staat dan daar aan de linkerzijde, waar het meer breder en het land aan de linkerzijde smaller wordt, voor buitengewoon hoge zuil? Laten we er maar naarstig op af gaan; dan zullen we haar spoedig bereiken. Kijk, ze komt alsmaar dichterbij en zoals jullie zien, zijn we er al. Lees eens wat daarboven staat. Jullie lezen goed want er staat: `Grenspaal tussen het rijk van de kinderen en het voorrijk; hetgeen een woonplaats is voor hen die nog niet in staat zijn om de overgang te maken.

21 En kijken jullie nu verder voor je, waar een onafzienbaar grote zee zich uitstrekt en waarin jullie nergens een of ander land kunnen bespeuren. Dat is die bewuste glinsterende vlakte die we eerder heel in de verte zagen liggen. Kijk maar daarginds voor je, helemaal op de achtergrond kunnen jullie ook de sterren zien. Voor vandaag zullen we bij deze zuil uitrusten en de volgende keer pas aan onze zeereis naar de verre, met sterren bezaaide achtergrond beginnen. En dus genoeg voor vandaag.

 

22.

 

De voorgrens van het kinderrijk

 

1 Jullie vragen: beste vriend en broeder, hoe zullen we dan over dit enorme zeeoppervlak komen, terwijl er nergens een boot of een schip te bekennen is waarvan we gebruik kunnen maken of dat ons kan meenemen? Ik zeg jullie: die zullen we ook niet nodig hebben. Het ligt nu aan jullie of jullie door dit water willen wandelen zoals eens het Israëlische volk door de Rode Zee of zoals Petrus eens met de Heer over het wateroppervlak heeft gewandeld. Het kan op beide manieren, en het zal gebeuren zoals jullie het willen. Jullie zeggen dat ik maar moet beslissen en aangeven wat het beste is.

2 Wat mij betreft wil ik liever de Heer volgen dan Mozes. Probeer dus met mij het wateroppervlak te betreden en heb niet de minste angst, want we zullen even gemakkelijk over het water lopen als over het land. Kijk, we staan al op het water; hoe vinden jullie deze bodem? Jullie zeggen: men loopt hier bijzonder goed. Overal waar we lopen is de bodem heel fijntjes, maar toch veerkrachtig en laat zich niet indrukken. Het water is heel helder en lijkt ook bijzonder diep te zijn. Maar het boezemt ons toch geen vrees in omdat we elkaar overtuigen dat het stevig genoeg is om ons te dragen.

3 Dat is juist, beste vrienden en broeders, zolang men nog dicht bij de oever staat, nog een heleboel voorwerpen en het vaste land om zich heen ziet en het wateroppervlak spiegelglad is. Maar wanneer men een heel eind verder is gekomen en het water steeds meer gaat golven, moet men goed oppassen om geen watervrees te krijgen en daarbij zijn evenwicht te verliezen. Maar zo stevig als het water hier is, blijft het overal; daarom proberen we onze reis te vervolgen. Houden jullie je maar stevig aan mij vast en zet geen angstige maar flinke stevige stappen, want met voorzichtige stappen zouden jullie niet veel bereiken. Zoals jullie zien is het wateroppervlak bijzonder glad en als men zijn voeten daar niet stevig op zet, kan men gemakkelijk uitglijden en vallen, en dan kost het heel veel moeite om op deze gladde bodem weer overeind te komen. Welnu, we staan stevig op onze voeten en zoals ik zie, maken jullie goede vorderingen.

4 Dus maar recht vooruit totdat we de tamelijk sterk golvende plek bereiken die daar aan de verre horizon te zien is. Kijk, we gaan heel goed vooruit. Hier en daar schommelt de bodem weliswaar tengevolge van de algehele beweging van de zee, maar zoals jullie zien, worden onze schreden daardoor niet in het minst beïnvloed.

5 Maar waarom kijken jullie zo gespannen in het water? Hebben jullie er misschien iets in laten vallen dat in de diepte is gezonken? Jullie zeggen: beste vriend, helemaal niet. We kijken alleen omlaag of er zich onder ons in het water nergens vissen of andere waterdieren bevinden. Ik zeg jullie: maak je daarover geen zorgen, er is hier geen sprake van watermonsters, maar kleine edele visjes zijn er in groten getale. Jullie zouden er graag wat willen zien? Zo ja, dan moeten jullie je een beetje omdraaien, dan zullen jullie meteen zien hoe ze vanaf de morgen naar de avond trekken. Wel, jullie hebben je omgedraaid. Kijk eens wat een enorme hoeveelheid mooie glanzende vissen vanuit de omgeving van de morgen dit hele onafzienbare water verlevendigt! Lijken ze niet op de goudvisjes bij jullie op aarde? Jullie zeggen: o ja, alleen glanzen ze veel sterker.

6 Jullie zouden wel graag willen weten, wat deze visjes hier te betekenen hebben? Deze visjes betekenen het van de eeuwige morgen uitstromende leven, dat dit element door en door doet opleven en vervolgens als vrij leven naar buiten treedt in alle oneindige ruimten van Gods eeuwige scheppingen.

7 Aangezien we nu toch even halt hebben gehouden, kijk dan ook even naar het oppervlak van dit grote water. Wel, jullie schrikken en zeggen: in godsnaam, de hele oneindigheid lijkt wel te zijn gevuld met dit water, want nergens valt er nog iets van land te ontdekken. Zo ver het oog reikt, ziet het in de verste verten niets anders dan de golvende en witachtig glanzende oppervlakte van een eindeloze zee. Ik zeg jullie echter: maak je daar niet druk om maar bedenk dat het ons met dit enorme wateroppervlak om ons heen toch niet zo slecht vergaat als eens Christoffel Columbus, toen hij met zijn slechte vaartuigen midden op de Atlantische Oceaan voer en daar angstig om zich heen keek of hij ergens land kon ontdekken.

8 Laten we onze reis maar weer vervolgen. We zijn de golven al tamelijk dicht genaderd. Als we er zijn, moeten jullie je maar goed aan mij vasthouden, want we zullen daar diepe waterdalen en hoge waterbergen moeten passeren.

9 Kijk nu, de golven komen steeds dichterbij. Houd je nu vast, nog een paar passen volgens onze geestelijke manier van voortbewegen en we zijn bij de golven. Wel, daar is al de eerste golfrand. Kijk, wat een diep waterdal en zie eens hoe het water in dit dal naar beneden stort; en kijk hoe daar een waterberg met schuimende golven zich bijna tot aan het firmament lijkt te verheffen.

10 Jullie zeggen: o, beste vriend en broeder het zal wel onmogelijk zijn om daar overheen te komen, want het ziet er hier toch wel angstaanjagend uit! Daar slaan een paar hemelhoge golven over elkaar. En daar vormt zich een

waterkloof zo diep alsof men vanaf een hoge berg in een huiveringwekkende diepte kijkt!

11 Maar ik zeg jullie: hier zal het ons best goed vergaan, want zoals jullie zien, stroomt het waterravijn alweer vol; daarom kunnen we nu onze weg heel gemakkelijk vervolgen. Voordat we deze voor ons zwevende waterberg zullen bereiken, zal het water ook daar weer geëffend zijn. Kijk, hij is alweer omlaag gekomen; nu is onze weg weer geëffend. Maar daar is alweer een groot waterravijn; wild schuimend storten de natte wanden in de diepte. Laten we maar even geduld hebben. Dit ravijn zal spoedig weer een effen bodem worden. Kijk, de wanden hebben zich alweer samengevoegd en wij kunnen onze weg verder vervolgen. Daar komt alweer een enorme waterberg op ons af en achter ons heeft zich zojuist alweer een nieuwe watervallei gevormd. Jullie zeggen: deze enorme waterberg zal ons zeker meesleuren in het waterravijn. Maak je geen zorgen; de berg zal het ravijn alleen maar opvullen en wij zullen weer een vlakke weg krijgen. 12 Kijk nou, na onweer en regen komt zonneschijn. Met deze waterberg zijn we ook de hele golvenpartij van deze zee al gepasseerd en we hebben alweer rustig water voor ons. Maar daar heel in de verte, waar jullie een massa sterren boven het water zien, komt nog een gevaarlijke plek met grote draaikolken. Ook daarover hoeven jullie je geen zorgen te maken; zij zullen ons evenmin schaden als de golven. Kijk eens, na onze versnelde reis zijn we ook al bij deze kolken. We moeten hier steeds over de rand van de kolken verder lopen, dan kunnen ze ons niet deren. Schrik niet van het donderend geraas van deze kolken en kijk omhoog naar het firmament, hoe we ons reeds onder de sterren bevinden die we kortgeleden nog zo van veraf zagen. Spannen jullie je ogen nu nog eens goed in en kijk recht vooruit. Wat zien jullie?

13 Jullie roepen: land, land! Welnu, dan was deze zee toch niet zo eindeloos als jullie je nog kort geleden hebben voorgesteld. Kijk, daar op een landtong, die tamelijk ver in zee uitloopt, staat alweer een zuil. Jullie vragen wat deze betekent? We zullen er dadelijk zijn en jullie kunnen het opschrift zelf lezen. Nog maar een paar stappen en we zijn alweer op het droge. Kijk, daar is de zuil ook al!

14 Wat staat er op geschreven? `Voorgrens van het kinderrijk: Nu weten jullie waar we ons bevinden. Jullie zeggen: maar in hemelsnaam, dat is toch wel een ontzettend bergachtige streek! Moeten we ons soms ook nog dieper in dit bergland begeven? O ja, dat is juist de hoofdzaak; daarvoor hebben we de verre reis naar hier gemaakt. Dat moeten jullie zien want pas hier wordt de ware betekenis van de avond bekend gemaakt. Daarom zullen we ons de volgende keer in deze bergstreken wagen. En dus rusten we vandaag bij deze zuil weer uit.

 

23.

 

Wie spaarzaam zaait zal mager oogsten

 

1 Nu we hier behoorlijk van onze reis zijn uitgerust en ondertussen menigmaal uitgebreid onze blik hebben kunnen laten gaan over het gebied waar we vandaan gekomen zijn, zal de voortzetting van de reis ons zeker geen al te grote moeilijkheden meer bezorgen. Kijk, daar strekt zich al een tamelijk breed dal, waarin zich een kleine zee-inham bevindt, landinwaarts uit. Laten we onze weg aan de rechterkant van de baai vervolgen. Hier kunnen jullie alweer vrijer wandelen, want nu hebben we vaste grond onder onze voeten. Kijk daar eens voor je in de diepte van het dal waar het heel smal wordt. Daar moeten we vlug naartoe en onze eerste kleine tussenstop maken. Dus maar monter eropaf, dan zullen we spoedig ter plaatse zijn. Kijk hoe het dal steeds nauwer wordt en er aan alle kanten angstaanjagende rotsen van een hooggebergte zo sterk afhangen, als konden ze ieder ogenblik naar beneden vallen. Maar laat je daardoor niet afschrikken; niemand zal ook maar een haar gekrenkt worden.

2 Kijk, daar zijn we al bij onze smalle kloof; hoe bevalt het jullie hier? Jullie zeggen: niet bepaald goed! Dat doet echter niet ter zake; als we maar eerst een scherpere blik op deze omgeving zullen werpen, zal ze jullie wel wat beter bevallen dan nu. Zie, daar naast de kloof loopt aan de linkerkant eveneens een nauwe langgerekte kloof die naar de middag toe doorloopt. Wat zien jullie daar? Jullie vertellen wat jullie zien: we zien naar beneden glooiende bergweiden met hier en daar een schaarse akker. Hier en daar, meer in de laagvlakte, is een klein huisje als tegen de berg aangedrukt gebouwd. Wederom hier en daar zien we grote en enorm hoge watervallen omlaag storten; bomen en struiken staan er hier en daar ook. Dit dal is dus zeer nauw door bergen omsloten, zoals dat op aarde in Zwitserland te zien is.

3 Zien jullie geen mensen? Jullie zeggen: tot nu toe hebben we nog niemand gezien, maar naar het ons voorkomt, zien we zojuist daar uit de eerste boerenhut enkele heel armzalige landlieden naar buiten komen. Ze zijn, precies als op aarde, in grijze, loden jassen gekleed. Ook daar verderop zien we landlieden die er net zo uitzien en die op hun akkers bezig lijken te zijn wat onkruid uit het betere koren te wieden, en als we ons niet vergissen, zien wc daar, op een meer op de achtergrond gelegen bergweide een wat mager uitziende kudde koeien. Dat, beste vriend en broeder, is zoals je jezelf kunt overtuigen dan ook alles wat we hier aan levende wezens zien. Loopt dit dal nog verder door of eindigt het bij hetgeen we nu gezien hebben?

4 Beste broeders en vrienden, dit dal loopt nog heel ver door, wordt geleidelijk steeds breder en vriendelijker, maar is toch niet te vergelijken met de streken die we voor de eerste zuil hebben gezien. Jullie vragen: wat is wel de betekenis van dit dal? Ik zeg jullie: dit dal en nog heel veel gelijksoortige dalen zijn niets anders dan een volledige onthulling van die tekst uit de schrift die als volgt luidt: `Wie spaarzaam zaait, zal ook karig oogsten.' Jullie vragen mij nogmaals: wie waren dan deze mensen op aarde? Ik zeg jullie: het waren op aarde zeer welgestelde mensen, die in hoog aanzien stonden en de arme, behoeftige mensheid veel goeds deden. Toch waren zij voor zichzelf de grootste weldoeners.

5 Zo was de eigenaar van de eerste hut die jullie daar op de voorgrond zien, een zeer rijk man. Deze man heeft bij iedere gelegenheid de armen soms heel aanzienlijke toelagen geschonken, maar al deze toelagen tezamen maakten niet het tienduizendste deel van. zijn vermogen uit. Kijk nu, deze man had wel naastenliefde; maar als je zijn naastenliefde afweegt tegen zijn sterk overheersende eigenliefde, dan zullen jullie al gauw begrijpen, waarom hij hier nu zo'n heel schamele landman is. Jullie zeggen: we begrijpen het wel ongeveer maar nog niet helemaal. Goed, ik zal het jullie dadelijk nog eens heel duidelijk uitleggen, maar jullie moeten vooreerst weten dat men hier in het rijk van de geest ook buitengewoon veel verstand heeft van kapitaal- en renteberekening, en wel met een zodanige precisie dat er zelfs rekening wordt gehouden met de kleinste deeltjes van de renteopbrengsten.

6 Let nu goed op: deze schamele landman hier bezat op aarde een vermogen van rond de twee miljoen zilveren guldens. Volgens jullie wettelijke rentevoet bracht dit aanzienlijke kapitaal hem jaarlijks honderdduizend zilveren guldens aan rente op. Van dit kapitaal heeft deze man op aarde zo'n volle dertig jaar lang de vruchten geplukt. Daardoor is zijn oorspronkelijke vermogen nog met drie miljoen zilveren guldens toegenomen. De kosten van zijn huishouding bestreed hij met de samengestelde interest. Van deze samengestelde interest, die eveneens heel aanzienlijk was, deed hij ook allerlei uitgaven voor liefdadige doeleinden, die aan het eind van zijn leven bij elkaar opgeteld zo'n vijftigduizend gulden bedroegen. Hoe verhoudt zich deze som tot zijn basiskapitaal en de jaarlijkse rente die dit kapitaal opbrengt? Het is een vijfde deel van zijn jaarlijkse hoofdinkomen. Hij ontvangt echter jaarlijks, nadat zijn kapitaal tot vijf miljoen is gestegen, het vijfvoudige bedrag aan basisrente, terwijl de som van vijftigduizend gulden die hij aan liefdadige doeleinden besteedt, over zijn hele leven is verdeeld. Deze som wordt bij ons nauwkeurig over die dertig jaar verdeeld en het jaarbedrag wat daar dan uitkomt wordt als kapitaal aanvaard. Over dit kapitaal krijgt hij nu rente vergoed. Dit kapitaal maakt nu zijn hele bedrijf uit en de opbrengst van dit bedrijf stemt precies overeen met de wettige rente. De twee personen die zich aan zijn zijde bevinden, zijn z'n vrouw en een overleden zoon. Deze hebben in zekere zin in de geest van hun vader meegewerkt; daardoor hebben zij helemaal geen eigen kapitaal, maar moeten alle drie van de renteopbrengst van dit boerenbedrijf leven.

7 Jullie vragen: kunnen deze mensen hun bezit nooit vergroten? De mogelijkheid is wel voorhanden, maar zoiets gaat hier nog veel moeilijker dan bij jullie op aarde. Jullie weten echter hoe moeilijk het voor iemand is om zich met een kapitaal van zo'n duizend gulden langs de wettelijke weg van de rente op te werken tot miljonair. Kijk, nog moeilijker is het hier om zijn bezit te vergroten, want wat deze magere grond opbrengt is nauwelijks voldoende om deze drie personen het hoogstnodige voor hun levensonderhoud te verschaffen. Daarom komt men hier met sparen niet veel verder.

8 Er is maar één mogelijkheid voor de arme bewoners van deze streek om zich geleidelijk aan op te werken en die doet zich als volgt voor: er komen van tijd tot tijd verschrikkelijk arme pelgrims door dit nauwe ravijn binnen. Deze zijn gewoonlijk naakt en bijna uitgehongerd. Als deze pelgrims die huisjes zien, beginnen ze meteen te bedelen. Als zo'n landman in al zijn armoede zo'n bedelaar dan toch met open armen tegemoet treedt, hem in zijn schamele hut brengt, hem daar van de nodige kleding voorziet en zijn karige maal broederlijk met hem deelt, dan wordt door zo'n hulp zijn kapitaal met de helft vermeerderd, maar zo, dat hij zich er niet van bewust is. Doet hij zoiets vaker of neemt hij de zorg van zo'n heel armzalige op zich door tegen hem te zeggen: beste broeder, kijk, ik ben arm en heb niet veel, blijf echter toch maar hier dan zal ik dit weinige altijd broederlijk met jou delen zolang ik nog wat heb. En als we samen alles hebben opgemaakt wat ik heb, dan zal ik daarna met jou zonder meer naar de bedelstaf grijpen.

9 Als dat het geval is, wordt dadelijk het kapitaal van zo'n landman heimelijk verhonderdvoudigd. En mochten er bij zo'n gelegenheid nog meer behoeftigen bij hem komen die hij ook liefdevol opneemt en zo goed mogelijk verzorgt, zodat  hij als hij daartoe niet meer in staat is, bijvoorbeeld met de pelgrims naar de andere buren gaat om daar voor hen onderdak en zo mogelijk verzorging te vragen, dan wordt zijn kapitaal verduizendvoudigd; evenwel buiten zijn weten om.

10 Als het dan zover komt dat hij zich ten gevolge van zijn naastenliefde zo van zijn hebben en houden heeft ontdaan dat hij dan werkelijk met zijn pelgrim naar de bedelstaf grijpt, dan wordt hij enige tijd in die situatie gelaten zodat hij moet bedelen voor het levensonderhoud, ten eerste voor zijn opgenomen arme medemens en daarnaast pas voor zichzelf; maar voor zichzelf dan zo, dat hij steeds het grootste deel aan zijn arme broeder geeft. Dan gebeurt het, dat de Heer een engelgeest, die hij niet als zodanig herkent, naar hem toestuurt; deze informeert naar zijn situatie, waarop hij dan zegt: beste vriend, je ziet dat ik arm ben; deze armoede is me evenwel niet tot last, maar ik ga er het meest onder gebukt dat ik mijn broeder hier niet meer kan helpen. Wat denken jullie dat er dan gebeurt? Nu keert de arme broeder zich om en zegt tegen hem: ik kwam naakt naar je toe en jij hebt mij gekleed; je hebt mij, hongerige en dorstige te eten en te drinken gegeven en je sloeg geen acht op jouw gaven zodat je zelfs met mij naar de bedelstaf moest grijpen en overal brood voor mij zocht. Kijk, daarom ben Ik nu echter ook jouw grote beloning want Ik, jouw arme broeder, ben de enige Heer van de hemel en alle werelden en Ik kwam bij je om je te helpen.

11 Toen je op aarde was, heb je weliswaar spaarzaam gezaaid en een magere oogst moest daarom noodgedwongen jouw aandeel zijn, maar met jouw magere oogst heb je niet meer gewoekerd; omdat jouw hart milder is geworden kon je geen arme aan jouw hut voorbij zien gaan zonder je karige oogst met hem te delen. Dat heeft jou geholpen en je tot een rijke bewoner van de hemel gemaakt. Kijk, deze broeder die je hier tegemoet kwam, zal je binnenleiden in jouw nieuwe bezittingen.

12 Nu verdwijnt de Heer en de uitgezonden bode brengt de liefdadige, arme bewoner van deze streek over naar de gouden middag waar een nieuw eigendom, dat nauwkeurig is afgemeten naar het kapitaal van zijn liefdadigheid, op hem wacht.

13 Dan zegt de verblijde landman tegen de bode: beste vriend en broeder, ik ben eindeloos gelukkig omdat de oneindige genade en ontferming van de Heer mij zoiets heeft geschonken. Ik weet dat dit nieuwe bezit zeker heel mooi en overvloedig zal zijn. Maar zie, er zijn hier nog andere arme broeders, ik sta dit voor mij bestemde landgoed aan hen af. Laat mij maar weer teruggaan naar mijn armelijke hut, want het zou toch kunnen gebeuren dat onder de vele armen die mijn arme hut zullen bezoeken, de Heer weer eens zal verschijnen. Daarom wil ik teruggaan en in mijn hut iedere arme broeder met nog honderd keer meer liefde tegemoet treden dan tot nu toe het geval was. Werkelijk, ik kan je zeggen, als zo'n geluk mij in mijn arme hut nog eens ten deel mag vallen, dan zal ik daar in alle eeuwigheid gelukkiger zijn dan wan­neer je me de grootste en prachtigste goederen zou geven in het allermooiste gedeelte van de hemel! Laat me daarom maar weer teruggaan.

14 Vervolgens gebeurt het ook dat de geest de arme landman met zijn klei­ne familie terug laat gaan. Als deze dan in zijn armelijke hut aankomt, wacht daar de Heer hem ook al met open armen op en maakt hem zelfs tot burger van de eeuwige morgen!

15 Kijk, dergelijke taferelen vinden hier vaker plaats, maar het is nauwelijks te geloven wat een hoge graad van zelfverloochening daarvoor nodig is. Want met armoede is maar al te vaak automatisch de eigenliefde bijna onverbreke­lijk verbonden. Daarom vraagt een arme dan ook alleen hulp voor zichzelf. Heeft hij dan een kleinigheid bij elkaar gebedeld, dan is dat nauwelijks genoeg voor zijn eigen behoeften en zijn nood en armoede stellen hem nau­welijks in staat om zijn zeer karige bezit met een andere arme broeder te delen. Om die redenen vindt men op aarde onder de arme klasse dan ook vaak de afschuwelijkste afgunst. Daaruit volgt echter dat dergelijke arme bewoners van dit dal zich zoveel mogelijk voor de bedelaars verbergen. Om die reden zien jullie ook maar weinig mensen buiten hun huizen; maar dege­nen die jullie buiten zien, hebben al een goede gezindheid.

16 De volgende keer zullen we het zeer ontoegankelijke dal rechts van ons, naar het noorden toe, bekijken. En dus genoeg voor vandaag.

 

24.


De plaats en omstandigheden van stoïcijnen in het hiernamaals

 

1 Keren jullie je nu maar naar rechts, kijk naar het eerdergenoemde dal en vertel me dan wat jullie ervan vinden. Jullie zeggen: beste vriend en broeder, het ziet er verschrikkelijk woest en verlaten uit. We zien wel hier en daar tegen de bergwanden een soort kreupelhout groeien en meer in de diepte van dit bijzonder nauwe dal zien we hier en daar doornhagen, waaraan enkele ons bekende bessen groeien. Nog dieper in het dal zien we allerlei soorten distel­achtig onkruid nogal rijkelijk groeien. De noordelijke, avondlijke berghelling ziet er bijzonder kaal uit; bijna niets dan rotswanden en nog eens rotswan­den stapelen zich op en tussen de rotskloven stort zich hier en daar een machtige beek in de diepte. Alleen de naar de morgen gelegen bergwand ziet er wat vriendelijker uit en is hier en daar met een onaanzienlijke alpenhut gesierd. Maar bewoners zijn er niet te zien. Misschien bevinden ze zich die­per in het dal. Daar op de voorgrond is geen levende ziel te zien.

2 Ja, jullie hebben gelijk. Vanaf de plaats waar we ons nu bevinden, is dat ook niet goed mogelijk. Daarom zullen we ons wat verder in het dal begeven, dan zullen we spoedig iets levends tegenkomen. Kijk maar daar naar boven waar­op een met mos begroeide, vooruitstekende rots de eerste voor ons bereikba­re woonhut staat. Daar zullen we naartoe gaan. We zijn er reeds vlak bij; kijk daarom goed en let op wat daar gaat gebeuren. Wel, jullie hebben mijn raad opgevolgd. Zeg me dan ook wat jullie gezien hebben.

3 Jullie zeggen alweer: maar om godswil, dat zijn toch geen mensen. Want deze wezens zien er uit als levende skeletten en zijn bovendien zo klein als dwergen. We zouden ze eerder tot de apen kunnen rekenen dan tot een of ander mensenras. Wat is er toch met deze arme wezens aan de hand? Zo arm­zalig, uitgehongerd en volkomen naakt; nee, deze wezens lijken er helemaal niet goed voor te staan.

4 Aan de ene kant hebben jullie wel gelijk maar aan de andere kant weer niet. Want deze wezens, hoe armzalig ze voor jullie ook mogen lijken, zijn dat op hun manier, dat wil zeggen zoals zij zichzelf zien, helemaal niet. Hier wonen namelijk de zogenaamde stoïcijnen, of met andere woorden, mensen die aan zichzelf helemaal genoeg hebben. Zij handelden tijdens hun aardse leven rechtschapen, echter niet uit liefde tot de naaste en nog minder uit een of andere liefde tot God, maar uitsluitend omdat ze daarin de overwinning van hun verstand herkenden. Ze zeiden: de mens heeft niets nodig, hemel noch hel noch een God, maar alleen zichzelf en het hem leidende verstand als hoogste principe voor zijn handelen en hij zal zo handelen dat hij door zijn handelwijze niemand benadeelt, en daarom kan hij dat ook van zijn mede­mens verwachten.

5 Want, zeggen ze verder nog, als ik mij tengevolge van het hoogste principe van mijn verstand boven alle wereldse nietigheden verhef en van de wereld niets anders verlang dan een karige voeding voor mijn maag en eenvoudige kleding voor mijn lichaam, dan ben ik daarover niemand iets verschuldigd. Wat mijn maag verteert, geef ik weer aan de aarde terug en de kleding van mijn lichaam kan mettertijd de aarde bemesten. Ik ben tussen deze twee behoeften een mijzelf leidende en volkomen beheersende god en ik ben zodoende een onbeperkte heer over mijn eigen wezen!

6 Verder zeggen ze nog: mocht er al ergens een God bestaan, wat kan Hij mij geven of nemen als ik groot ben in mezelf en met verachting neerkijk op alles wat Hij mij wil geven of nemen? Wat echter zou een God mij ook geven of nemen? Het hoogste zou dit matte leven zijn dat ik met mijn verstand reeds lang diep heb leren verachten. Of is het niet aan mij zo lang te leven als ik wil? Als ik zou vinden dat het met het hoogste principe van mijn verstand te verenigen zou zijn mijzelf het leven te ontnemen, dan zou ik dat ook doen. Maar de door mijzelf erkende rechtschapenheid leert me, dat zoiets tegen het principe van het hoogste verstand zou indruisen. Wie mij het leven heeft gegeven, moet ook het recht hebben het mij weer af te nemen. De natuur heeft toch het recht de voeding die ik van haar heb gekregen, langs de natuurlijke weg terug te vorderen; de bekleding van mijn lichaam is een eigendom van de tijd en hij neemt dit pand eveneens weer terug. Dat moet het zuivere verstand goedkeuren; het moet zeggen en het zegt ook: ieder het zijne! Maar juist doordat de mens verstandelijk nog niet één zonnestofje het zijne noemt, is hij het meest verheven wezen, ja zelfs verheven boven iedere God, boven iedere hemel en is hij steeds meester over alles wat hel is. Als alle mensen zo dachten, zou iedereen genoeg hebben en niemand zou een ander ooit tot last zijn. Iedere vorm van hebzucht, afgunst, gierigheid, hoogmoed, heerszucht, vraatzucht en brasserij, ontucht, leugen en bedrog zou ons vreemd zijn. Waar leeft een God die, mocht hij het hoogste principe van het verstand zijn, tegen zulke grondbeginselen van het leven iets heeft in te bren­gen? Heeft hij er echter iets tegenin te brengen, dan is hij geen God en staat hij ver beneden het verheven menselijke verstand.

7 Kijk, deze mensen hebben op aarde zo geleefd dat ze geen vlieg ooit kwaad hebben gedaan. Zij zijn nooit iemand tot last geweest, hebben ook nooit iemand ook maar in het minst beledigd. Zij waren ook steeds boven iedere vorm van hartstocht hoog verheven. Vroeg iemand hen om een of andere gunst of dienst, dan weigerden ze die nooit, mits deze niet in strijd was met hun verstandelijke rechtsprincipes; ook verlangden zij er nooit een tegen­prestatie voor. Wilde men hun een hoge functie of een ereambt aanbieden, dan namen zij deze nooit aan, maar wezen voor zo'n gunstverlener met twee vingers op hun voorhoofd en zeiden tot hem: vriend, daar woont de hoogste functie en het hoogste ambt van een mens!

8 Als jullie nu deze mensen bekijken, oordeel dan zelf of zij een tuchtiging verdiend hebben. Jullie moeten zeggen: dat zeker niet! Volgende vraag: ver­

dienen ze een beloning? Dan is het de vraag, welke beloning moeten zij dan krijgen? De hemel verachten zij en ze willen ook niet erkennen dat God boven hun verstand staat. Daarom is het toch het meest billijk dat ze het loon mogen behouden, dat hun eigen verstand hun oplevert.

9 Maar jullie vragen: valt deze armzalige wezens hun beklagenswaardige situ­atie niet op? O nee, dat is juist hun grootste triomf, want op aarde vonden zij de gelukzaligheid van een mug al hoogst benijdenswaardig en zeiden: kijk, voor dit diertje is een nauwelijks zichtbare dauwdruppel op een blad een bui­tengewoon heerlijke maaltijd. De lichaamsbouw van dit diertje schijnt maar zeer geringe behoeften te hebben. Als wij daarentegen onze buitengewoon verkwistende lichaamsbouw beschouwen, dan kan het verstand deze alleen maar met het volste recht afkeuren. Daarom moet ik een grote buik hebben om veel te eten en daarna veel ontlasting te hebben. Een ander doel vindt het verstand hier niet, en wel omdat het graag met het kleinste genoegen zou wil­len nemen wanneer de hoogst oneconomisch ingerichte bouw van zijn nut­teloze lichaam het hem zou toestaan.

10 Ze bekritiseren verder het vele vlees aan hun voeten, aan hun zitvlak, op hun handen en overal waar het zich bevindt en zeggen: een mug heeft niets van dat alles en is daardoor al veel gelukkiger dan de plompe en onecono­misch gevormde mens.

11 Nu jullie dit weten, zal de kleine skeletgestalte van deze mensen jullie ook niet meer zo beklagenswaardig en armzalig voorkomen als bij de eerste aan­blik, want ze komt zoveel mogelijk met hun verstandelijke principes overeen. Jullie zeggen nu: dat is allemaal juist en we zien nu ook duidelijk in dat het hier dus niet anders kan en dat deze mensen zich in een andere gestalte en onder andere omstandigheden ongelukkiger zouden voelen dan juist in deze, welke hun het meest bevalt. Maar er is nog een andere vraag op de achter­grond, beste vriend!

12 Is er dan geen enkele andere mogelijkheid om deze mensen op een bete­re weg te brengen?

13 Beste vrienden en broeders, iets moeilijkers dan dat bestaat er bijna niet! Ze hebben slechts één enkele toegankelijke zijde en dat is de weg van de wetenschap! Er is echter een eindeloos geduld en uithoudingsvermogen voor nodig om deze verstandsmensen langs deze weg iets zó voor te stellen dat ze het als juist erkennen en het niet in tegenspraak met hun verstand is. Zij zeg­gen; er kan heel veel wetenschappelijk volkomen juist zijn, maar of het ook volkomen overeenstemt met de principes van het verstand, is een andere vraag. Om deze uitspraak volledig te bekrachtigen noemen ze een heleboel wetenschappelijke feiten op, die op zich volkomen juist zijn maar toch de hoogste principes van het verstand totaal tegenspreken. Ik zal jullie slechts enkele voorbeelden geven.

14 Ze zeggen bijvoorbeeld: de berekening van een verduistering is wetenschappelijk volkomen juist; maar vraag het vernuft en zijn handlanger het verstand waartoe die toevallige verduistering dient en wat de hele mensheid door de wetenschap daarbij aan belangrijks heeft gewonnen? - Zo is het ook wetenschappelijk juist dat de mens van het tot zich genomen voedsel een bepaald deel voor het onderhoud van zijn lichaamsdelen opneemt en het overtollige weer afgeeft. Wanneer jullie echter het vernuft vragen, dan kan het slechts lachen om zo'n slechte en ondoelmatig berekende verhouding. - Verder is het wetenschappelijk juist, dat water en ook andere beweeglijke stoffen door hun eigen gewicht naar de diepte worden gedreven. Wat zegt het vernuft daarop als het zijn blik langs kale bergwanden laat gaan, waarop niet eens een mosplantje kan gedijen omdat zulke hoog gelegen delen van de aarde de constant benodigde voedende vochtigheid moeten ontberen. - Kijk, uit deze enkele voorbeelden kunnen jullie voldoende opmaken hoe moeilijk het is om zulke kritische verstandsmensen een wetenschappelijk voorbeeld voor te houden dat door hen als volkomen in overeenstemming met het verstand wordt erkend. Opdat jullie echter de manier waarop zo'n bekering tot stand komt helemaal mogen doorzien en begrijpen, zullen we er de volgende keer een bijwonen. En hiermee is het genoeg voor vandaag.

 

25.

 

Een bekeringstocht naar de betere stoïcijnen

 

1 Kijk, daar beneden in het dal gaan juist drie uitgezonden boden op zo'n vangst uit. We zullen hen volgen en met een open oor naar de uitvoering van hun opdracht luisteren. Ze trekken verder het dal in en van hieraf gezien bij de derde hut, die jullie eveneens op een afgeronde, met mos begroeide rots zien liggen, zullen ze de stoïcijnen aanspreken. Kijk maar hoe ze heel behoedzaam de hut naderen en zich daarbij zo klein mogelijk maken. Daarom gaan wij er nu snel naar toe opdat ook de eerste ontvangst ons niet ontgaat. We zijn al ter plaatse; dus opgelet!

2 De aanvoerder begroet het zogenaamde hoofd van dit huisje, dat wil zeggen de allerverstandigste en tevens de leider en leraar van de andere tien personen die jullie in zijn gezelschap zien. Hoe luidt de begroeting? Luister: zeer wijze heer, jij die de zaken vanuit het juiste standpunt beziet en niet jouw scherpe verstand precies onderscheidt wat recht en onrecht, billijk en onbillijk, goedgeordend en ongeordend is. We hebben al van verre vernomen wat een wijs man jij bent, en daarom zijn we hierheen gekomen om jou over menige zaak een goede raad te vragen.

3 De verstandspreses zegt daarop: in dat geval zijn jullie mij helemaal welkom. Voor zover het in mijn vermogen ligt, wil ik jullie graag helpen, maar niet waar het mijn vermogen te boven gaat. Jullie zullen wel gehoord hebben en weten dat mijn schatten niet uit goud en zilver en allerlei edelstenen bestaan; ook worden bij mij geen maaltijden en geen van goedsmakende spijzen voorziene tafels aangeboden. Maar wat ik heb, namelijk de overwinning van het heldere verstand, daaruit mogen jullie putten zoveel je wilt. Jullie kunnen ervan verzekerd zijn dat deze schatten jullie gelukkiger zullen maken dan wanneer jullie alle gedroomde zogenaamde hemelse heerlijkheden zouden bezitten, die op zich niets anders zijn dan heimelijk uitgesproken behoeften van een geest die niet tevreden is met wat hem gegeven is. Jullie weten dat de ruimte oneindig is, en dat de mens in deze ruimte denkt. Wie zijn gedachten tot in het oneindige laat gaan, vergeet ten eerste dat hijzelf slechts een eindig wezen is; ten tweede bedenkt hij niet en wordt hij dus niet gewaar dat voor hem tenslotte uit zulke gedachten niets anders dan voortdurende ontevredenheid ontstaat. Daaruit volgt een steeds groter verlangen naar onbereikbare goederen, waaruit uiteindelijk ook een voortdurende onzalige situatie groeit, waardoor de menselijke dwaasheid alleen nog maar blindelings door onbereikbare en grootse, maar lege verwachtingen verzadigd kan worden. Bijgevolg is de hemel dan ook niets anders dan zo'n gedroomd goed, dat enkel dient ter bevrediging van de verbeeldingskracht van geesten die ontevreden zijn met wat hun werd gegeven.

4 Alleen het heldere verstand bepaalt de werkelijke grenzen van de behoeften van zijn subjectieve wezen en dat verlangt dan in alle objectiviteit slechts de juiste mate van haar eigen beperktheid, en deze maat heet: volle tevredenheid. Wie tevreden is met hetgeen hij langs de weg van zijn heldere verstand als de juiste maatstaf van zijn eigen beperktheid erkent, heeft de ware hemel gevonden en zal zich zeker eeuwig geen andere wensen, omdat hij duidelijk zal inzien, dat voor de maatstaf van zijn eigen beperktheid niets anders deugt dan juist datgene wat daarmee volkomen overeenstemt.

5 Na deze wijze woorden zegt de aanvoerder (de bode): we merken uit jouw korte inleiding al, dat jij je de overwinning van het heldere verstand volko­men hebt eigengemaakt; daarom wagen we het ook om met grootste ver­trouwen in jouw wijsheid, jou ons probleem voor te leggen. De verstands­vertegenwoordiger zegt: alles waarmee ik jullie maar van dienst kan zijn is mij welkom, leg daarom geheel vrijmoedig en zonder voorbehoud jullie pro­bleem aan mij voor! De aanvoerder (de bode) zegt: luister dan! In het gezel­schap waardoor wij werden afgevaardigd om bij jou goede raad te halen, is een grote strijd ontstaan over de noodzaak of overbodigheid van het licht. De redenen voor de noodzaak van het licht zijn net zo steekhoudend als de argu­menten ertegen, daarom kunnen we absoluut niet beslissen, welke partij gelijk heeft. De verstandsvertegenwoordiger zegt: laat enkele van jullie argu­menten en tegenargumenten horen en jullie kunnen ervan verzekerd zijn dat ik met mijn oordeel de spijker op de kop zal slaan.

6 De aanvoerder zegt: luister maar! Een reden die vóór het licht spreekt luidt als volgt: wat zouden alle dingen zijn zonder licht? Zij zouden er zo goed als niet zijn. Verder is het licht het grondprincipe van iedere werking en dus ook van ieder denken, want zonder het licht als de alles bewegende en opwek­kende kracht zou nooit iets zijn ontstaan, dus ook geen verstandig denkend wezen. Het licht is immers ook het grondprincipe van het verstand en is in de zuiverste geestelijke toestand het heldere verstand zelf. Kijk, dat is de reden die vóór het licht spreekt.

7 Het tegenargument echter luidt: nadat het licht kennelijk is voortgekomen uit de duisternis, en dus vóór het licht slechts een totaal lichtloze toestand de hele oneindigheid doordrong, is het de vraag of de oneindigheid in lichtloze toestand minder oneindig was dan nu in het volle licht. Verder luidt het tegenargument: het is iedereen bekend dat het binnenste van de hemellicha­men meestal volkomen lichtloos is en toch is de materie in zo'n lichtloze toe­stand evengoed en zelfs nog intensiever aanwezig dan op de oppervlakte van een hemellichaam, dat baadt in het licht. Als echter het hele hemellichaam, wat het inwendige betreft, heel goed kan bestaan zonder licht, dan lijkt het licht voor de dingen in de natuur toch zuiver een luxe te zijn. Verder luidt dit tegenargument: iedereen weet dat hij in de nacht van het moederlichaam werd verwekt en juist in deze nacht het leven heeft ontvangen. Om welke reden moet dan datgene wat in de nacht levend is geworden, aan het licht treden? Wie hierover ook maar een beetje nadenkt, moet vanaf het eerste moment inzien, dat het licht niet alleen totaal overbodig is, maar ook schade­lijk voor de dingen omdat zij eraan wennen en vervolgens kennelijk ongelukkig worden als ze het door een of ander toeval verliezen. Bovendien zeg­gen ze nog: wanneer de mensen totaal blind geboren zouden worden, dan hoefden zij zich ook nooit zorgen te maken over het verlies van het licht; want het is voor een oog dat aan het licht gewend is toch het grootste onge­luk om blind te worden. Daar brengen de tegenstanders weliswaar weer het volgende tegenin: in zo'n blinde, gelukkige toestand zou er dan toch hele­maal geen verschil zijn tussen een mens en een poliep diep op de zeebodem. Als een mens namelijk geen dingen zou zien, zou hij zich ook nooit een of ander denkbeeld kunnen vormen. Bij gebrek aan denkbeelden zou zich dan echter een grote vraag voordoen, namelijk hoe het er dan met het denken voor mag staan bij gebrek aan alle begrippen en vormen. Over het verlies van het gezichtsvermogen ten gevolge van een ongeluk zeggen de verdedigers van het licht: als men het als een ongeluk wil beschouwen en dit mede als argu­ment gebruikt tegen het licht, kan men dat immers ook doen met betrekking tot de andere zintuigen die niet van het licht afhankelijk zijn. Om daarom ieder ongeluk te voorkomen zou de mens zonder enig zintuig in de duister­nis geboren moeten worden. Hoe zich dan het denken van een mens zonder zintuigen kan ontwikkelen, zou men het beste aan een steen kunnen vragen! Kijk, zeer wijze man, tussen zo'n wirwar van gedachten wordt ons grote gezelschap heen en weer geslingerd. Wij hopen vol vertrouwen dat jij deze knoop zult ontwarren.

8 De verstandsvertegenwoordiger zegt: luister geachte vrienden, dit is een buitengewoon kritiek geval want hier heeft iedere partij het gelijk aan zijn kant. Omdat er volgens het inzicht van het heldere verstand maar één gelijk en geen twee gelijken bestaan, wordt het hier tamelijk moeilijk om tussen deze twee het juiste gelijk te bepalen. Dit zal alleen mogelijk zijn als we ons eigen individuele wezen binnen de perken houden; dus luister goed! We zul­len hier grondregels opstellen en dan uit deze grondregels de juiste gevolg­trekking maken. Maar om dit te kunnen, moeten we eerst een niet-bestaan, een consumerend bestaan en een vrijdenkend bestaan vooropstellen. Een niet-bestaan heeft ook niets nodig; dus geen consumptie. Bij een slechts natuurlijk consumerend bestaan wordt ervan uitgegaan dat het alleen kan bestaan als de daarvoor benodigde consumptie aanwezig is. Een dergelijk bestaan heeft de gehele materie, die zowel in de nacht als in het licht kan bestaan. Omdat de mens echter een denkend wezen is dat voor zichzelf vrij kan beslissen, veronderstelt een dergelijk hoger bestaan ook een consumptie die met dit bestaan overeenkomt, waarbij de te consumeren stof niets anders kan zijn dan - het licht! Daarom heeft het niet-bestaan helemaal niets nodig; een enkel consumerend bestaan als een product van de nacht, heeft ook niets anders nodig dan de met zijn bestaan volkomen overeenstemmende kost; en een helder vrijdenkend bestaan heeft dan ook noodzakelijk die kost nodig, die het principe van zijn bestaan is. Zo is elk principe voldoende voor zijn product en moet daarvoor noodzakelijk aanwezig zijn. Dientengevolge ontstaat uit het niet-bestaan een niet-bestaan, uit het bestaan van de nacht een nachtelijk bestaan en uit het bestaan van het licht een bestaan dat met het licht verwant is. Naargelang de mens dan door middel van zijn zuivere verstand inziet dat hij noodzakelijkerwijs uit het licht afkomstig is, moet hij dan ook inzien dat het licht in dit opzicht een voor hem noodzakelijk substraat is. Voor zover hij zich echter slechts als een dierlijke consument beschouwt en voor zichzelf een hoger vrijdenkend leven kan ontkennen, en zich dan bovendien weer kan omvormen tot een embryo in het moederlichaam, heeft hij het licht niet nodig. Een niet-bestaan heeft noch het een noch het ander nodig. Kijk nu, beste vrienden, hiermee is de onomstotelijke noodzaak voor de aanwezigheid van het licht zo duidelijk mogelijk voor jullie ogen en oren uiteengezet.

9 De aanvoerder zegt: luister wijze man, we hebben uit jouw uiteenzetting goed kunnen opmaken dat je een uitmuntend verstand bezit en weten nu precies waar we aan toe zijn. Er is echter nog één punt dat ons nog niet volledig duidelijk is. Het gaat namelijk om het volgende: waarom hebben op de hemellichamen al die talloze vegetatieve producten inclusief de soorten van het dierenrijk vóór alles het licht nodig voor hun vegetatie en hun dierlijke ontwikkeling? Het is alle natuurgeleerden maar al te goed bekend dat in een totaal lichtloze ruimte bijna geen vegetatie plaatsvindt en dat dieren in een totaal lichtloze ruimte heel vlug ziek worden en helemaal ten onder gaan. Toch schijnen ze volgens jouw uitspraak geen noodzakelijke lichtconsumenten te zijn, daar ze helemaal geen denkende wezens zijn en, volgens het resultaat van een grondig onderzoek, dat ook niet kunnen zijn. Deze bedenking maken we echt niet omdat we jouw heldere inzicht in twijfel zouden willen trekken, maar om onszelf voor iedere eventueel te verwachten valstrik te vrijwaren.

10 De verstandspreses zegt: deze bedenking is me zeer welkom. We zullen haar meteen voor de rechterstoel van het zuivere verstand slepen; luister dus! Krachtens de noodzakelijke stomheid betreffende het eigen bestaan zouden deze dingen evenmin licht nodig hebben als het donkere middelpunt van een hemellichaam dat heeft. Omdat naast hen ook wij bestaan als producten van het licht, kunnen we toch onmogelijk de omgekeerde conclusie trekken, dat wij bestaan omwille van hun, evenmin als een mens kan zeggen: ik besta opdat dit huis door mij bewoond wordt en ik het verzorg. Het huis is er voor de mens maar niet de mens voor het huis. Als het licht ons dus heeft voortgebracht, dan moest het toch noodzakelijkerwijs eerst uit zichzelf die voer waarden scheppen, die voor ons lichtverwante bestaan noodzakelijk Daarom is voor de door jullie genoemde dingen het licht ook onontbeerlijk, opdat ze als consumptie kunnen dienen voor onze lichtverwante behoeften. Ik bedoel hier echter niet de consumptie van de dierlijke maag, die ook in een donkere ruimte kan worden verzadigd, maar de hogere consumptie van de geest, die zich alleen kan verzadigen aan begrippen en vormen die net als hijzelf uit het licht voortkomen. Een boom in het middelpunt van de aarde zal met al zijn vruchten de geest geen verzadiging bieden zolang hij niet zelf in het licht wordt gebracht en aan het licht verwant wordt. Kijk, mijn lieve vrienden, hiermee is jullie twijfelachtige kwestie opgelost. Mocht er voor jullie nog iets duister zijn, deel het dan heel openhartig mee.

11 De aanvoerder zegt: geachte zeer wijze man, nadat je zeer juist jouw mening over het licht hebt uitgesproken, zul je mij zeker ook welwillend een vraag die jou zelf betreft toestaan. Deze vraag luidt: wat is dan wel de reden dat jij als zeer wijze lichtverdediger een woning in deze, geheel van het licht afgezonderde hoek hebt gekozen?

12 De verstandsvertegenwoordiger zegt: de reden is wijzer dan jij kunt bevatten. Als we de dingen in het licht willen zien en zuiver belicht van elkaar willen onderscheiden, dan moeten we volgens de juiste wiskundige regels van de optiek, zelf niet in het licht gaan staan, maar op een plaats die voldoende in de schaduw ligt. Daardoor wordt ons gezichtsvermogen versterkt en zullen we de tegenoverliggende voorwerpen scherpomlijnd zien. Maar als je de ogen naar het licht toewendt, dan worden ze erdoor verblind en je zult de voorwerpen wazig en onduidelijk zien en steeds genoegen moeten nemen met hun schaduwzijde. En daarom ligt mijn woning wel van het lichtgevende voorwerp maar niet van het praktische licht afgewend. Daaruit kun je opmaken dat mijn woning niet afzijdig van het licht staat, maar wel naar het dienstbare licht goedberekend staat toegekeerd. Als je nog andere bezwaren vindt, zul je in mij altijd de onvermoeibare bereidwilligste man aantreffen, die je in alles wat maar in zijn vermogen ligt, tevreden zal stellen.

13 De aanvoerder heeft nog een vraag aan de verstandspreses en zegt: ik zie nu weer hoe jij volgens de door jou goedberekende principes over alles denkt, spreekt en handelt. Daarom zou ik nog graag van jou willen vernemen, waarom jij je als verdediger van de lichtvoeding hebt gevestigd in zo'n onherbergzame streek, die voor de dierlijke maag evenmin als voor de geestelijke iets te bieden heeft. Is het niet erg jammer voor jou dat jij je niet in een rijkere streek hebt gevestigd, tot ware zegen van veel mensen die nog echt weinig verstand hebben? Daar zou je zelf meer voeding voor jouw geest vinden, waardoor je ook voor zwakke geesten een krachtige kost zou kunnen bereiden uit de veelheid van lichtstralen die jouw geest tegemoet komen.

14 Mijn lieve vrienden, over deze vraag zal jullie dadelijk voldoende licht gegeven worden.

 

26.

 

Vervolg van het bezoek bij de stoïcijnen

 

1 De verstandspreses: hoe bekijken jullie jezelf met betrekking tot het oneindige? Jullie zeggen: niet anders dan eindig en begrensd. Kijk, jullie geven met dit antwoord zelf al de algemene reden aan waarom ik voor mij deze streek als verblijfplaats heb gekozen. Daarom zeg ik jullie: werkelijk wijs is slechts hij, die de grenzen van zijn verstand heeft gevonden en dan met dit verstand inziet hoeveel er nodig is voor de verzadiging van zijn geest. Deze omgeving komt volkomen overeen met de door mijn verstand bepaalde grenzen en het devies van dat verstand luidt daarom: wees altijd tevreden met hetgeen overeenkomt met je beperktheid, ga nooit buiten de kring van je inzichten en ken en vind jezelf in deze kring; dan heb je het geluk van je leven in de meest volmaakte en jouw meest aansprekende vorm gevonden. Kijk, om die reden is deze omgeving, die jullie zeer onherbergzaam vinden, voor mij volkomen geschikt omdat ze niet meer biedt dan juist zoveel als overeenkomt met de grenzen van mijn verstand. Als ik derhalve iemand ergens mee van dienst kan zijn, dan kan ik dat toch alleen maar binnen de horizon van mijn inzichten; daarbuiten zou ik een leek zijn en niet in staat iemand ook maar de geringste dienst te bewijzen. Hieruit kunnen jullie opmaken waarom ik juist deze omgeving en geen andere heb gekozen om er te wonen. Mochten jullie echter denken dat ik mij door mijn wijsheid wellicht tot ijdelheid zou laten verleiden om voor anderen als een licht te stralen, dan zouden jullie je zeer in mij vergissen. Want mijn onwankelbare grondbeginsel luidt als volgt: als je iemand van dienst wilt zijn, ken dan goed de hele sfeer waarin je hem van dienst wilt zijn. Ken je die sfeer niet, blijf dan mooi thuis met je filantropie, want wie meer wil geven dan hij heeft, is of een dwaas of een bedrieger.

2 De aanvoerder zegt: zeer gewaardeerde vriend, je hebt alweer heel wijs gesproken en we kunnen er helemaal geen bezwaren tegenin brengen. Slechts voor één kwestie hebben wij nog wat opheldering nodig. En omdat je tot nn toe zo vriendelijk was ons te corrigeren en onze vragen volledig op te helderen, zul je ook wel zo goed zijn om ons in dit geval ook een goede raad te geven.

3 De verstandspreses zegt: beste vrienden, zolang jullie je hier op mijn territorium bevinden, kunnen jullie mij elke vraag stellen en ervan verzekerd zijn dat ik in staat ben over iedere kwestie die mijn gebied betreft een volwaardige opheldering te geven. Vertel me dus de kwestie waarover jullie nog twijfelen.

4 De aanvoerder zegt: je hebt bij je wijze uiteenzetting gesproken over een bepaalde limiet van de horizon van jouw kennis en dat het heel onverstandig zou zijn zich buiten deze horizon te begeven. Dit laatste begrijpen we, want werkelijk, niemand kan iets doen dat zijn krachten te boven gaat, en wil hij dat toch, dan is hij zeker een dwaas in zoverre hij zijn grenzen wil overschrijden. Maar kijk, toen je geboren werd, had jouw verstand zeker niet zo'n uitgestrekte horizon als nu het geval is. Je hebt dus kennelijk de kleine horizon van je inzichten steeds meer en meer vergroot, zodat je door dit vergroten die horizon tot de tegenwoordige verbazingwekkende omvang hebt gebracht. Het is dus de vraag of zo'n horizon als reeds volkomen gefixeerd moet worden beschouwd of dat hij nog tot verdere uitbreiding in staat is. Ik voor mij ben van mening: ook al breidt het begrensde zijn horizon nog zo ver uit, het zal desondanks nog steeds zijn begrenzing houden en nooit het gevaar lopen de oneindigheid te vullen.

5 De verstandspreses zegt: beste vrienden, jullie hebben aan de ene kant gelijk, aan de andere kant weer ongelijk. Als de mens zichzelf zou hebben geschapen, dan kon hij zichzelf ook zoveel geven als hij maar wilde, want hij zou in de oneindigheid geen gebrek hebben gevonden en dus was het ook aan hemzelf, de horizon van zijn inzichten naar believen voortdurend te vergroten. Daar de mens echter niet uit zichzelf is ontstaan, maar hem het leven gegeven is, is hem ook zijn horizon gegeven. Als jullie op aarde bijvoorbeeld een appel bekijken, dan zul je zien dat hij vanaf zijn ontstaan direct na het afvallen van de bloesem zijn horizon steeds verder uitbreidt. Is hij eenmaal tot volle rijpheid gekomen, dan kunnen jullie de appel vertellen wat je wilt, hij zal over zijn toestand niets anders kunnen zeggen dan: tot hier en niet verder, want mijn maat is vol! Maar waarom zou de appel jullie een dergelijk antwoord geven? Omdat hij eveneens een gegeven iets, maar niet een zichzelf scheppend iets is. Zouden jullie de appel nu nog verder willen laten uitdijen, dan is het toch duidelijk dat jullie hem stuk moeten maken. Kijk, bij de mens is het precies zo. Hij is een gegeven iets en niet een door zichzelf geschapen iets; daarom heeft hij ook zijn ontwikkelingsgebied gekregen. Wie dit gebied bereikt en dan voor zichzelf weet dat dit het hem toebedeelde gebied is, die is geheel zichzelf en wel zo volmaakt mogelijk. Blijft hij binnen dit gebied en benut hij dat niet geheel, dan is hij de stumperige slaaf van zichzelf en zal hij niet eens voor zichzelf bekwaam genoeg zijn. Wie zichzelf echter zodanig wil opblazen dat hij buiten zijn gebied komt, is een hoogmoedige dwaas die zichzelf te gronde richt. Het zal hem vergaan als een holle kogel die met kruit gevuld wordt aangestoken, waardoor dan het oppervlak van de kogel uit elkaar wordt gereten en de delen daarvan naar een verre horizon worden verplaatst. Maar vraag je eens af hoe het daarna met de totaliteit van de kogel staat.

6 De aanvoerder zegt: we hebben tegen jouw uitspraak in feite weer niets in te brengen want ze is op zich volkomen juist. Maar jij, beste vriend, geeft jouw antwoorden duidelijk altijd opzettelijk op zo'n wijze manier dat wij daarin steeds een nieuw aanknopingspunt vinden waarover we bij jou opnieuw raad menen te moeten inwinnen. Zo heb je bij deze wijze uiteenzetting gezegd dat de mens net als al het andere begrensde, een gegeven en niet een zichzelf scheppend iets is. Als dit zeker het geval is, rijst al gauw de vraag wie dan de gever is; want bij het gegevene wordt evenzeer een gever verondersteld als bij een of ander verschijnsel de daarmee overeenstemmende oorzaak. Daarom willen wij graag aan jou over de gever een nadere opheldering vragen.

7 De verstandspreses zegt: beste vrienden, wat de gever betreft, deze staat boven de horizon van onze kennis en we hebben alles gedaan als we onszelf herkend hebben als een gegeven iets. Willen we echter de gever bestuderen, dan doen we niets anders dan wanneer we met een passer in de hand de omtrek van de oneindigheid zouden willen opmeten. Dat is zeker waar, omdat zich boven een bepaalde cirkel tot in het oneindige grotere cirkels laten denken, waarmee de kleinste cirkel gelijkenis vertoont. Maar wanneer deze kleinste cirkel volkomen gelijk zou willen worden aan een grotere boven hemzelf, dan zou hij eerst uit elkaar getrokken moeten worden, zijn veel kortere omlijning naar de ronding van de grotere cirkel moeten uitstrekken om dan daarmee gelijk te gaan lopen. Dat is wel te doen, maar de ervaring zal Ieren dat de op deze manier uitgestrekte lijn van de kleinste cirkel misschien nauwelijks met het duizendste deel van een aanzienlijk grotere cirkellijn in aanraking zal komen. En zo zal ook slechts dit deel gelijk met haar opgaan; alle andere duizendste delen zullen echter voor deze veel kortere lijn toch eeuwig onbereikbaar blijven. Kijk, in dit voorbeeld hebben slechts twee begrensde cirkels met elkaar te maken. Neem nu eens deze kleinste cirkel en meet met zijn uitgestrekte cirkellijn de oneindige, onbegrensde cirkel en vraag je daarna af, hoe zo'n werk of onderneming, verstandelijk gezien, beoordeeld zou moeten worden. Ik denk dat er in de menselijke hersenen geen grotere dwaasheid kan worden uitgedacht; zo is het ook als wij van de oneindige Gever zouden willen doorgronden wie Hij is. Daarom is het, zoals ik al eerder heb gezegd, voor ieder mens voldoende als hij zichzelf als een bepaald gegeven erkent, en dus ook het afgegrensde gebied van zijn inzichten. Wat de Gever betreft, deze gaat de gegevene in het minst niet aan, daar Hij kennelijk oneindig verheven moet zijn boven al het gegevene. Wat kan een appel nog worden wanneer hij volledig gerijpt is? Wat een cirkel, wanneer de van een bepaald punt uitgaande lijn zichzelf weer heeft bereikt? Laat hem blijven wat hij is, dan zal hij volmaakt zijn zoals hij gegeven werd. 8 De aanvoerder zegt: je hebt ons nu over alles een goed antwoord gegeven. Maar desondanks hebben we nog één vraag en deze luidt als volgt: in de streek waar wij vandaan komen, wordt door een zo te zeggen betere groep voortdurend de liefde tot God gepredikt, maar wij weten niet hoe we dat, uitgaande van jouw wijze inzichten, moeten opvatten. Want wij verstaan onder liefde een vastgrijpen en een tot zich trekken. Maar hoe kan een begrensd wezen of een begrensde kracht een onbegrensde kracht vastgrijpen en naar zich toetrekken?

 

27.

 

De overwinning en verlossing van een wijze stoïcijn

 

1 De verstandspreses zegt: beste vrienden, alvorens op deze vraag een deugdelijk antwoord te kunnen geven, is het noodzakelijk om verschillende zaken goed van elkaar te onderscheiden. Vooreerst moet het begrip `liefde' volkomen verstandelijk uiteengezet worden; pas dan zal men daaruit kunnen opmaken hoe ze zich verhoudt tot zichzelf en tot alles wat haar omgeeft. Het begrip `liefde' is niets anders en kan onmogelijk iets anders zijn dan een behoefte die zich uit en waarvan de oorzaak kennelijk niets anders kan zijn dan een gebrek aan datgene waarnaar de behoefte uitgaat. De behoefte lijkt op honger. Wanneer een mens een stevige honger heeft, dan heeft hij zo'n enorme eetlust dat hij er als het ware van overtuigd is dat hij op zijn minst een wereld moet opeten voordat zijn honger gestild zal zijn. Maar wat zegt de werkelijke ervaring over deze fantastische voorstelling? Niets anders dan: jij hongerige mens, eet maar een enkel pond brood en je zult voldoende verzadigd zijn! Kijk, precies hetzelfde is het geval met de meer geestelijke behoefte van het begrip `liefde'. De naar liefde hongerende mens is van mening dat hij de maag van zijn hart met de hele oneindigheid moet vullen voordat hij behoorlijk verzadigd wordt. Wat is echter de oorzaak van dit onzinnige verlangen? Deze is nergens anders te vinden dan in het niet verzadigd zijn van de horizon van eigen inzichten, waardoor dan noodgedwongen de ene leegte op de andere volgt; het ene gemis volgt op het andere en bijgevolg de ene behoefte op de andere. Liefde begeert verzadiging. Daar dit vermogen tot begeren echter een puur mechanische eigenschap van de geest is, woont in haar ook niet het vermogen om te beoordelen wat ze voor haar verzadiging moet verlangen. Omdat juist door dit vermogen tot begeren een leegte in het inzicht tot uiting komt, kan dit gebrek aan inzicht, wat hetzelfde is als helemaal geen inzicht, de voor zijn verzadiging noodzakelijke voeding dan ook niet beoordelen. Bij zo'n gelegenheid keren zulke leeghoofden zich dan met hun blinde vermogen om te begeren inderdaad naar het gebied van het oneindige en zijn dan van mening dat hen uit deze eeuwige hoorn van overvloed het ontbrekende als zogenaamde gebraden vogels in de mond zal vliegen. - Hoe ijdel zo'n echt waanidee eigenlijk is, ligt toch voor de hand, omdat zulke `oneindigheidliefhebbers' in plaats van een of andere volledige verzadiging slechts een steeds grotere honger krijgen. Dat is ook heel vanzelfsprekend en aan de hand van een natuurgetrouw voorbeeld ook goed te begrijpen. Stel je eens een gewoon hongerig mens voor met naast zich een korf met brood, terwijl hij zijn mond naar de oneindige ruimte toe steeds verder openspert, alsof hij de gehele aarde, de zon en de maan en de hele sterrenhemel zou willen verslinden, maar naar het brood naast zich niet omkijkt. Dan is het toch duidelijk dat hij met zijn honger naar de oneindigheid van uur tot uur hongeriger wordt en als hij niet spoedig naar de korf grijpt, tenslotte aan de hongerdood zal zijn overgeleverd. Hieruit kunnen jullie, geachte vrienden, toch zonder verdere uitleg gemakkelijk opmaken hoe het staat met de zogenaamde `liefde voor God'. De ware liefde voor God kan bijgevolg immers niets anders zijn en uit niets anders bestaan dan dat ieder willekeurig mens zijn inzichten tot aan de hem gegeven horizon moet naleven. -

Deze verwezenlijking kan echter pas op gang komen wanneer de mens zich zelf en dus het hem gegeven domein heeft onderkend. Maar om dat te kun nen moet de mens heel zorgvuldig alle hindernissen uit de weg ruimen, zich van alle uiterlijke onbelangrijke behoeften bevrijden, en zich dan in zijcc eigen middelpunt begeven van waaruit het hem pas mogelijk wordt zijti hele horizon te overzien en zijn domein dan op te vullen met datgene wat hem is gegeven. Heeft hij dat met volharding en grote zelfverloochening tot stand gebracht, dan heeft hij ook zijn liefde of zijn begeren volkomen verzadigd. Wat hij van dit alles zal verteren, zal hij gemakkelijk meteen uit zijn eigen hem gegeven overvloed aanvullen. Dat is dan, vanuit het standpunt van het zuivere verstand bezien, een volledige en verzadigde liefde, die niet meer als honger maar steeds als een verblijdende verzadiging tot uitdrukking komt. Kijk, dat is nu voor mijn horizon de meest duidelijke opvatting. Kunnen jullie hier echter iets tegenin brengen dan kunnen jullie dat, zoals gezegd, even onbevangen doen als het mij vrij staat om te reageren op iedere tegenwerping.

2 De aanvoerder zegt: beste vriend, je hebt jouw antwoord goed doordacht en we kunnen er in wezen niets tegenin brengen. Daar je ons hebt toegestaan verder te spreken, willen we met jou nog graag een uiterst belangrijke zaak behandelen. Wees dus zo goed om naar ons te luisteren.

3 Kijk, bij ons wordt nog hoofdzakelijk iets anders geleerd en niemand wil tegen deze leer ingaan. Desondanks weten we evenwel vanuit jouw zienswijze bekeken niet wat we daarvan moeten denken. Deze leer bestaat namelijk uit het volgende:

4 God, of het allesomvattende kracht- en machtsprincipe, zou zichzelf op Zijn centrum hebben gericht, daarin een culminatiepunt van heel Zijn oneindige kracht en macht hebben gevormd en juist als culminatiepunt van heel het goddelijke Wezen in menselijke gedaante, en wel in de persoon van een zekere Jezus Christus, op de planeet aarde zijn opgetreden. Hij zou daar zelf hebben onderwezen, zou de mens als Zijn schepselen, als een broeder zijn tegemoet getreden om tenslotte uit allergrootste liefde voor Zijn schepselen, Zijn door Hem aangenomen lichaam door hen te laten doden!

5 Als bewijs van Zijn goddelijkheid verrichtte Hij dingen en daden die voor geen mens mogelijk zijn, wekte Zichzelf na drie dagen op uit de lichamelijke dood en keerde toen ten aanschouwen van velen weer in Zijn goddelijke centrum terug!

6 Hij leerde in de wereld of beter gezegd op de planeet aarde de mensen niets anders dan dat ze Hem boven alles moesten liefhebben en beloofde aan hen die dit doen, Zijn rijk, dat zou bestaan uit een steeds diepere kennis van God, uit een steeds groeiende liefde voor Hem en uit de uit deze kennis en liefde ontspringende onuitsprekelijke gelukzaligheid, die het eeuwige leven in God wordt genoemd.

7 Zie, deze zaak is niet zo onbeduidend als je denkt. In de omgeving waar wij vandaan komen, woont deze Christus, en we hebben ons er nog steeds zeer duidelijk en levendig van kunnen overtuigen dat alle schepselen in de hele oneindigheid Hem gehoorzamen. Van Zijn kant is één enkele wenk voldoende en talloze legers van werelden houden op te bestaan en weer een wenk, en talloze legers vullen weer de eindeloze diepten van de eeuwig oneindige ruimte. Wat zeg je nu over ons probleem, dat wij je hier in jouw sfeer hebben voorgelegd?

8 De verstandspreses zegt: als jullie hele verhaal geen hersenschim is, dan is wat betreft het zich concentreren van de oneindige macht en kracht in een of ander centrum, bepaald niets onmogelijks gelegen, omdat uitgaande van elk gegeven punt, oneindig veel lijnen denkbaar zijn. Wat de menswording van dit goddelijke kracht- en machtscentrum betreft, daar is wel het een en ander tegenin te brengen alhoewel het zuivere verstand zoiets juist niet als een volkomen tegenstrijdigheid kan aannemen. Dat echter dit Wezen dan hoofdzakelijk de liefde tot Hemzelf heeft geleerd, komt de zuivere denker voor als puur egoïsme van de kant van het goddelijke Wezen. Aanvaarden we bij het Goddelijk Wezen of bij de in zichzelf geconcentreerde oerkracht echter de egoïstische behoefte, dan houdt ze om te beginnen op absoluut te zijn; en zou men dit kunnen betwisten, dan staat al het bestaande een totale vernietiging te wachten.

9 Het moet derhalve met deze liefde anders gesteld zijn, en dan kan het goddelijke centrum zich heel goed in een menselijke vorm openbaren. Wanneer deze door jullie beschreven liefde echter alleen een hongerige is, dan moet het voor jullie toch voor de hand liggen, in welke handen het wezenlijke van alle dingen zich zou moeten bevinden als de oneindige macht en kracht zich als het ware noodgedwongen met hen moest verzadigen.

10 Daar jullie mij echter over deze Christus verder nog hebben verklaard, dat Hij in zekere zin op grond van Zijn belofte Zich als de zich altijd openbarende almacht en oerkracht werkzaam onder jullie zou bevinden, dan moeten jullie toch duidelijk inzien dat ik vanuit deze mij gegeven sfeer niets kan zeggen, noch ervoor noch ertegen. Het komt bij dergelijke zaken altijd op eigen ervaring aan.

11 Zou ik deze Christus of het vermenselijkte goddelijke centrum, zelf-kunnen aanschouwen, dan zou ik ook heel zeker weten in hoeverre het waar is. Maar zo, geachte vrienden, moeten jullie genoegen nemen met wat ik heb gezegd. Maar kunnen jullie deze Christus hier bij me brengen, dan kunnen jullie ervan verzekerd zijn dat ik zijn Wezen, voorzover het in mijn sfeer ligt, niet onverstandig zal beoordelen, maar er mag niets boven mijn sfeer uit gaan!

12 De aanvoerder zegt: stel dat deze Christus als het meest liefdevolle Wezen hiernaartoe zou komen en je zou gebieden Hem te volgen, wat zou je dan doen?

13 De verstandspreses zegt: als Hij dat is en ik Hem erken als datgene wat jullie over Hem hebben verteld, dan valt er toch niets beters te bedenken dan dat de oneindig kleinere potentie de oneindig grotere, noodgedwongen door zichzelf gedreven moet volgen, omdat er dan geen uitweg mogelijk en denkbaar is. Ligt de zaak niet zo, dan is het toch ook duidelijk dat ik niet eigenmachtig uit mijn sfeer kan treden omdat ik met mijn sfeer, zoals ik al voldoende heb uitgelegd, een gegeven iets, maar niet een zichzelf scheppend iets ben.

14 De aanvoerder zegt: kijk dan naar Mij, Ik ben Christus, wat wil je nu van Mij?

15 De verstandspreses zegt: als jij Christus bent, laat mij dat dan zien en ik zal je volgen.

16 En Christus als de aanvoerder zegt: het worde licht in deze sfeer en jij, kale streek, worde tot een paradijs!

17 Kijk nu, de verstandspreses valt voor de Heer neer, aanbidt Hem en zegt: het is dus waar dat voor God alle dingen mogelijk zijn! Heer, omdat U mij armzalige, door zichzelf verbannene, zo genadig was, vraag ik U mij op te nemen in Uw sfeer!

18 Maar laat mij in Uw genadesfeer de allergeringste zijn! Ik weet dat U mijn horizon kunt verwijden, net zoals U mijzelf zoals ik ben, uit Uzelf hebt gegeven; ik ben aan deze sfeer als de meest bekrompene van alle levende sferen gewend geraakt, laat me dan ook als de allergeringste onder al degenen die U voor Uw genade waardig hebt bevonden, in deze sfeer blijven. Geloof me, o Heer, en zie het in mijn geheel van u uitgegane wezen, dat mijn geest nooit in staat was zich voor te stellen dat ik U, oneindige Gever, ooit in Uw Oerwezen zou aanschouwen. Omdat ik U nu zo heb aanschouwd, zijn door deze aanblik ook alle grootste levensvoorwaarden van mijn geest vervuld.

19 En de Heer zegt: volg Mij dus en je zult daar waar Ik onder Mijn kinderen verblijf, zeker niet de geringste zijn! Maar niet hier, eerst daar zul je in Mij de meeste liefdevolle heilige Vader erkennen!

20 Kijk, beste vrienden, dit is nog een van de allerbeste manieren om zo'n pure verstandsgeest uit zijn sfeer te verlossen. Maar er zijn in deze voor jullie zichtbare omgeving nog heel veel van zulke geesten, bij wie het niet zo gemakkelijk gaat als bij deze. Dat is in het bijzonder het geval, wanneer zulke stoïcijnse verstandsgeesten daarbij als gevolg van hun geleerdheid ook nog een aanzienlijke graad van hoogmoed in zich hebben, wat nu juist niet zelden voorkomt. Het zou voor jullie niet goed zijn om zo'n bekeringsproces bij te wonen, want jullie kunnen gevoeglijk aannemen dat er niet zelden honderden pogingen mislukken. Zodoende zullen we ook deze streek weer verlaten en ons dieper in het middelste ravijn begeven. En daarmee genoeg voor vandaag.

 

28.

 

De dalen van rijken, geleerden, vernuft- en verstandsmensen

 

1 Kijk, daar zijn we alweer op onze eerste standplaats. Jullie zijn er wel wat huiverig voor om je daarin te begeven, maar het ravijn heeft tussen de steile rotswanden nog steeds zoveel ruimte, dat we heel gemakkelijk over de wat rotsachtige weg kunnen trekken. Op weg daarheen zullen jullie links en rechts veel nauwe, diepe ravijnen ontdekken. Aan de linker- of middagzijde hebben deze dalen volkomen dezelfde betekenis als die, welke we gezien hebben in het eerste dal links, waar de rijken van de aarde wonen. Het verschil bestaat alleen hieruit, dat de bewoners van deze dieperliggende dalen steeds armer zijn aan weldaden, alhoewel ze op aarde des te rijker waren aan aards vermogen.

2 In de dalen rechts bevindt zich het woongebied van allerlei geleerden, vernuft- en verstandsmensen. Hoe dieper en verder afgelegen het dal is waarin zulke zielen wonen, des te verder stonden zij met hun wetenschap op aarde van de Heer af. Nu jullie dit weten, kunnen we onze weg dan ook goed voorbereid beginnen en ons naar die streek begeven, waar jullie buitengewoon belangrijke zaken zullen leren kennen. Daar gaan we dan!

3 Jullie vragen waar al dat water eigenlijk vandaan komt, dat zich van weerskanten vanuit dalen in dit nauwe ravijn stort en er als een woeste bergbeek doorheen stroomt tot in de baai van de grote zee? Dit water betekent de kennis en de daaruit voortvloeiende nuttige toepassingen die zulke mensen door middel van hun verstand en vernuft langs proefondervindelijke weg hebben ontleend aan de natuurkundige eigenschappen van de dingen. Het water dat van rechts komt is, zoals jullie zien, veel troebeler. Dat stelt het vele onware voor dat in al die geleerde kennis voorhanden is, en het iets minder troebele dat van de linkerkant komt, betekent dat de rijken van de wereld met hu n geringe wetenschappelijke rijkdom toch beter wisten te rekenen dan de eigenlijke pure geleerden. Dat het water hier in dit ravijn samenkomt, betekent dat het vermogen van de wetenschap en het vermogen aan wereldse schatten altijd samengaan en tenslotte op hetzelfde neerkomen. Want de geleerde zoekt de wetenschap om door haar rijk te worden aan wereldse schatten; maar degene die rijk is aan wereldse schatten, zoekt de wetenschap om met behulp daarvan zijn vermogen nog groter te maken. Dat is de reden dat jullie het water van links ook lang niet zo sterk zien bruisen als dat van rechts. Dat betekent bovendien dat degene die rijk is aan wereldse schatten zich steeds op een politieke manier onder de geleerden weet te bewegen om van hun geleerdheid het een of het ander voor zijn speculatieve behoefte te bemachtigen. Dit weten we nu ook en daarom kunnen we onze reis weer vervolgen.

4 Kijk, ginds nog tamelijk ver op de achtergrond rijst een rechte hoge stenen muur op. Daar houdt ons dal links en rechts ook op. Soms opent zich deze muur en er ontstaat een ruime kloof. Als men er op dat moment is, kan men daarin doordringen, maar als men zo'n moment niet treft, dan is daar geen doorgang mogelijk. Jullie vragen: ook niet op de manier waarop wij ons in de noordelijke omgeving op de bergen hebben verplaatst? Ik zeg jullie: hier ook niet op die manier, en wel omdat jullie nog iets aards in je hebben. Wij zullen echter toch het moment aantreffen waarop de muur zich zal openen. En omdat zich meteen achter de muur een hele grote vlakte uitstrekt, zullen we tot aan het moment dat de wand zich weer sluit gemakkelijk door de tamelijk brede spleet komen. Kijk, nu zijn we reeds bij de muur; heb maar wat geduld, hij zal weldra opengaan. Ik zeg nu: open je! En de machtige muur wijkt al uiteen. Nu is de spleet groot genoeg; dus maar vlug erdoorheen! We zijn de spleet gelukkig gepasseerd en kijk nu eens om, de muur is alweer stevig gesloten.

5 Kijk nu maar eens voor je uit in de omgeving waarin we ons nu bevinden; hoe bevalt ze jullie? Jullie zeggen: wat een vraag! Hoe zou deze omgeving ons bevallen, het is hier zo donker dat we eigenlijk meer tasten dan zien. We moeten ons aan jou vasthouden, anders zijn we kennelijk verloren, want we zien niet eens de grond waarop we staan. We weten dus niet waarop we lopen; is het steen, zand, modder of water. Want zoals gezegd, we zien hier niets; niet eens jou of onszelf.

6 Ja lieve vrienden, hier is het nu eenmaal zo. Jullie vragen mij, of er in deze streek misschien ook levende wezens bestaan? Ik zeg jullie: je vindt niet gauw een streek die zo dichtbevolkt is als deze, want hier kan men werkelijk zeggen: op deze markt der duisternis wemelt het van de mensen.

7 Jullie zouden wel graag wat licht willen hebben, zodat we plaatselijk toch wat konden waarnemen? Maar ik zeg jullie: het zou ons niet goed bekomen als we ons hier van licht zouden bedienen, want we zouden dan dadelijk door de bewoners van deze streek bijna zo omringd zijn als een wormpje dat op een mierenhoop valt. Heb nog maar wat geduld; onze ogen zullen zich spoedig zo verwijden dat we evenals een nachtuil ook in dit duister wat te zien zullen krijgen. Laten we daarom nog iets verder lopen. Wel, zien jullie al iets? Jullie zeggen: heel zwak beginnen we al waar te nemen dat de grond waarop we staan overwegend uit louter zand bestaat; en daar voor ons lijkt zich iets te bewegen.

8 Ja, jullie hebben gelijk. Laten we er dus maar op af gaan, dan zal het jullie spoedig duidelijk worden wat zich daar beweegt. Kijk nu, het bewegende komt naar ons toe: het is een ineengedoken, armzalig uitziende mensengestalte. Willen jullie haar vragen, wie zij is? Jullie durven niet; dan zal ik het doen. Luister maar, ik zal de gestalte aanspreken.

9 Wat doe jij hier, armzalig wezen? Waar kom je vandaan? De gestalte zegt: ik ben al ongeveer drie aardjaren in deze omgeving, loop rond als een wild dier maar vindt niets, waarmee ik mijn grote honger kan stillen. Waarom ik na mijn sterven op aarde in zo'n miserabele omgeving moest belanden, weet ik echt niet. Ik was op aarde een vooraanstaande heer en bekleedde een hoge functie. Deze functie heb ik steeds als een rechtschapen en trouwe ambtenaar uitgeoefend. Ik liet me door niets omkopen, maar handelde streng volgens de wet, vervulde zodoende mijn plicht en werd door iedereen geacht. Ik werd zelfs door mijn koning gewaardeerd en onderscheiden. Ik deed met mijn verdiende salaris vrijwillig veel goeds en leefde in ieder opzicht voorbeeldig, hetgeen navolging verdiende. Toen ik tenslotte het tijdelijke verliet, kwam ik in deze afschuwelijke omgeving terecht, waarin ik, zoals gezegd, reeds ongeveer drie jaar lang rondzwerf, en nergens is een uitweg te vinden.

10 En ik, jullie gids, vraag hem verder: mijn beste vriend, dat mag dan wel waar zijn, maar heb je bij het uitoefenen van je functie wel ooit eens aan Christus de Heer gedacht en geloofd? Heb je ooit uit liefde voor Hem iets gedaan? Heb je wel alle nog zo eenvoudige mensen als jouw broeders beschouwd? Zeg eens, hoe staat het daarmee? De armzalige zegt: hoe kan een ontwikkeld man in zo'n oudewijven-Christus geloven? Desondanks heb ik echter om niemand in politiek opzicht te ergeren, aan alle christelijke dwaasheden deelgenomen. Wie kan zo dwaas zijn om van een man die een hoge staatspost bekleedt, te verlangen dat hij de ruwe straatlummels als zijn broeders beschouwt? En om iets uit liefde voor de oudewijven-Christus te doen, zou men toch werkelijk eerst zo dwaas moeten worden om aan zo'n Christus te geloven om pas dan te zien of men uit een zekere liefde voor Hem iets zou kunnen doen. Desondanks geloofde ik toch in een God en dacht vaak bij mezelf: als deze God rechtvaardig is, wat Hij toch kennelijk moet zijn, dan moet Hij, indien er na de dood een leven is, een rechtvaardig man als ik ook volle gerechtigheid laten wedervaren. Dat er leven is na de dood ondervind ik al drie afschuwelijke jaren lang; want zo lang zal het wel zijn dat ik hier rondzwerf als een wild dier. Maar helaas moet ik in deze toestand ondervinden dat er geen God bestaat; want zou er een of andere God bestaan, dan zou Hij mij even goed moeten behandelen als mijn koning dat heeft gedaan. Daar echter zeker alles het werk van het blinde toeval is, ben ik dan ook weer in dit blinde toeval teruggevallen en moet nu maar afwachten wat dit weer van mij zal maken. Hebben jullie soms iets voor mijn maag, geef me dan iets te eten, want ik ben buitengewoon hongerig en heb behalve een toevallig gevonden mosplantje geen voedsel.

11 En ik, jullie gids, zeg tegen hem: luister vriend, er bestaat een God die rechtvaardig is en deze God is niemand anders dan jouw oudewijvenChristus! Laat dit een genadestraal voor jou zijn, opdat je zult weten tot wie jij je moet wenden als het je nog slechter zou vergaan dan nu.

12 Kijk, al wat jij hebt gedaan, al was het op zichzelf nog zo rechtvaardig, heb je allemaal uitsluitend uit eigenliefde gedaan. Want jouw liefde was jouw rechtschapen aanzien en verder het algemeen bemind zijn en de hoge waardering van de wereld. Daarom heb je ook niets anders meegebracht dan jouw eigenliefde, die sindsdien geen licht heeft omdat haar het licht van de wereld werd afgenomen. Het licht van de geest en zijn gerechtigheid echter is Christus! Wend je in je hart tot Hem, dan zul je, naargelang de mate van je ommekeer, licht en brood ontvangen. Maar verlaat ons nu.

13 Kijk, hoe hij nu nadenkend wegsluipt; en merken jullie hoe de zwarte wolk boven hem wat grijzer wordt? Dat komt doordat hij nu over Christus begint na te denken. Maar laten wij verder gaan; er zullen zich nog heel veel interessantere gevallen voordoen.

 

29.

 

In het rijk van de duisternis van het ongeloof

 

1 Kijk, niet ver van ons vandaan beweegt weer iets; zien jullie het? Jullie zeggen: o ja, als onze ogen ons niet bedriegen, zijn het ditmaal twee bijzonder lange, magere en totaal tot op de botten weggeteerde mannelijke wezens. Jullie hebben gelijk; laten we ons daarom maar wat voortbewegen, dan zullen we hen spoedig hebben ingehaald. Kijk, daar zijn ze al. Nog merken ze niets van onze aanwezigheid en dat is voorlopig ook goed, want zo kunnen we hen afluisteren en horen wat ze met elkaar bespreken. We zullen ons aan deze twee ook niet laten zien, maar uiteindelijk slechts met een influistering zo op hun gevoel inwerken, dat de een of de ander mogelijkerwijs tot andere gedachten komt. Open dus jullie oren en luister, want zo dadelijk zullen ze over hun belangrijkste probleem met elkaar van gedachten gaan wisselen.

2 A zegt: het vergaat jou, geachte vriend, dus ook al niet beter dan mij. Hoe lang verblijf jij al op deze plaats? B zegt: geachte vriend, naar mijn gevoel kunnen het nauwelijks enkele weken zijn; maar hoe lang ben jij al hier? A zegt: geachte vriend, naar mijn gevoel zeker wel zo'n twintig jaar. B zegt: het is mij totaal onbegrijpelijk hoe ik hier terecht ben gekomen; je kunt me geloven, want toen jij al een grijsaard was heb je mij als een actieve jongeman van zo'n twintig jaar nog heel goed gekend. Ik heb altijd geleefd zoals ik het volgens mijn inzichten voor rechtschapen en redelijk hield. Ik vervulde heel trouw mijn geestelijke ambt, en heb nooit, wat de bepalingen van de kerk betreft, ook maar één letter verzuimd. Ik preekte altijd volkomen in de geest van de alleenzaligmakende kerk. Zoveel als maar mogelijk was ondersteunde ik naar vermogen degenen die ik werkelijk als behoeftig beschouwde, dat wil zeggen die buiten hun schuld tot armoede vervallen waren. In het heilige misoffer gaf ik toch elke dag God de eer en ik kan me tot aan mijn laatste uur geen dag herinneren waarop ik het brevier zou hebben verwaarloosd. Ik voegde mij naar alle verordeningen van de kerkelijke overheid en zou in staat zijn geweest op leven en dood te vechten voor de rechten van de heilige kerk. Ik was streng in de biechtstoel en meen ook heel veel zielen voor de hemel te hebben gewonnen. Naar de geest van de leer van Christus heb ik de armen bedeeld, de hongerigen gespijzigd, de dorstigen gelaafd, de naakten gekleed en de gevangenen verlost, en daarom verwachtte ik na mijn sterven, vooral omdat ik me bovendien verzekerd had van een volle aflaat van zijne heiligheid de paus, heel zeker in de hemel te komen.

3 Maar hoe het gesteld is met de door mij zo zeker verwachte hemel, dat zie jij hier even goed als ik! Weet je, beste vriend, ik heb heimelijk wel vaak gedacht maar nooit openlijk uitgesproken, dat het christendom inclusief' Christus niets anders is dan een gecultiveerd heidendom en heb daarom ook in Christus en de drie-eenheid weinig vertrouwen gehad. Daarom is het voor mij nu heel duidelijk hoezeer ik met mijn heimelijk wantrouwen gelijk had. Wel, wat zeg jij daarop?

4 A zegt: ja, mijn beste, achtenswaardige vriend, wat moet ik daarop zeggen? Ik was geen priester maar leefde toch, men kan wel zeggen, bijna even streng, zoals mij de, vanzelfsprekend betere priesters dat onderwezen hebben. Ik had in zekere zin ook wel heel wat twijfels, maar ik dacht bij mezelf, het mag zijn zoals het is, ik leef heel rustig zoals de priesters het mij geleerd hebben; dat kan voor mij toch onmogelijk verkeerd zijn. Want ik dacht bij mezelf: is hun leer verkeerd en onzinnig, dan is dat hun verantwoording maar ik was mijn handen in onschuld! En mocht God werkelijk zo'n rechtvaardige rechter zijn, als alle priesters op de preekstoel over Hem hebben gepreekt, dan moet Hij mij belonen, vooropgesteld dat Hij werkelijk bestaat. Bestaat er echter geen God, dan is het toch zonder meer allemaal om het even hoe men leeft. Bestaat er een leven aan gene zijde., dan moet dit toch zeker overeenkomen met het al dan niet eerlijke karakter van de mens. Bestaat er geen leven na de lichamelijke dood, dan zal er zeker ook weinig van afhangen hoe iemand op aarde geleefd heeft. Daaruit kun je nu zien dat ik op aarde als een volkomen eerlijke, verstandige en steeds gehoorzame man heb geleefd. Nu ben ik al zo lang hier, en dit is nu de beloning!

5 Niets dan een bijna ondoordringbare buitengewoon ijzige nacht, door geen nog zo droevige dag meer afgewisseld, geen voedsel behalve wat zanderig mos en dit alles moet stroken met de door jullie priesters vaak gepreekte liefde, barmhartigheid en rechtvaardigheid van God?! Ik denk er nu al meer dan twintig jaar over na of er een God bestaat of niet, en als ik eens iemand ontmoet en met hem over dit onderwerp spreek, dan weet tenslotte toch niemand iets meer dan ik. Daarom verbaast het mij des te meer dat jij als gewezen priester, die toch steeds voor het zogenaamde rijk Gods hebt gewerkt, met precies hetzelfde lot bedeeld bent als ik. Ik denk dat we allemaal met Christus voor de gek gehouden zijn, want het is me vaak raadselachtig voorgekomen dat een God zich heeft kunnen laten doden! De oude, wijze Hebreeërs kenden Christus zeker beter dan wij en wisten Hem dan ook als een Joodse piëtistische dweper naar behoren uit de weg te ruimen om Hem daarna heel netjes de vroeger gelukkige Romeinen als een gezouten premie in de schoot te werpen omdat zij hun koningsstad hadden verwoest. Zij bleven bij hun oude God die toch kennelijk een veel goddelijker aanzien had dan onze gekruisigde. Alleen moesten wij naderhand ten gevolge van die geniale Joodse streek de God aannemen, die het door hen meest versmade wezen was. Ik denk dat dit laatste wel begrijpelijk is, want zou Christus werkelijk iets te betekenen hebben, dan moest hier in deze, ik kan je zeggen, eindeloos grote wereldsfeer toch iemand iets reëels over Hem weten. Maar je kunt er duizenden ontmoeten, die allen als louter nuchtere en bescheiden mensen zijn te beschouwen, maar niet één weet ook maar iets van Hem af. Ik kan je zeggen: ik heb al mensen ontmoet die zich reeds een- tot tweeduizend jaar in deze streek bevinden en ook al helemaal aan het mos eten gewend zijn. Deze waren toch tegelijk met Christus op aarde, als er onder ons gezegd ooit een Christus bestaan heeft, en toch weten zij evenmin iets van Hem af als wij. Sommigen van hen beweren zelfs deze naam nooit te hebben gehoord. Kijk, dat zijn zo mijn ideeën die ik mij in de loop van mijn verblijf hier en zo nu en dan ook al tijdens mijn aardse leven mij heel heimelijk heb gevormd. Hoe bevallen ze jou?

6 B zegt: gewaardeerde vriend, ik moet openlijk bekennen dat er voor jouw ideeën veel te zeggen valt. Aan de andere kant kan ik van de verstandige Joden, die de kennis van de ware God bezaten, toch weer niet volkomen als waarheid aannemen dat het hun erom te doen was, uit wraak tegen een grote natie zoals die van de Romeinen, hen met een quasi galgenaas als God op te schepen. Er waren juist in die tijd onder de Romeinen ook heel wijze mannen en het zou daarom niet erg verstandig geweest zijn, deze grote en wijze natie voor zo dom te houden dat ze haar geprezen en veelbezongen betekenisvolle goden voor zo'n erbarmelijke zouden hebben ingeruild.

7 Daar je mij echter in dit opzicht jouw mening al hebt kenbaar gemaakt, wil ik jou ook openhartig vertellen wat ik tijdens mijn aardse leven zo vaak bij mezelf heb gedacht, en deze gedachte luidt als volgt: de Romeinen, met name de Romeinse priesterstand, hadden gaandeweg gemerkt dat het op den duur met al hun goden spaak zou lopen. Zodoende zochten zij langzamerhand voor het steeds zinnelijker geworden volk naar een meer aanschouwelijke mythe en ze deden het voorkomen alsof de opperste god Jupiter zich zeer over de mensheid had ontfermd. Omdat onder alle volksstammen de Joodse natie het verst van het echte godendom afstond, zou Jupiter zelf zijn neergedaald en in de gedaante van een jood het volk de waarheid over de juiste godenleer van Rome hebben geleerd. Zo'n leer was voor de joden een gruwel, vooral omdat hen in die tijd de Romeinen heel zwaar op de maag lagen. Zij deden dus alles om deze ware god Jupiter in menselijke gedaante verdacht te maken. Pilatus zou heel goed geweten hebben wie Christus werkelijk was; daarom heeft hij Hem ook zoveel mogelijk verdedigd. Omdat de Joden zich echter helemaal niet tot bedaren lieten brengen en Pilatus zelfs als mederebel bij de keizer dreigden aan te klagen, dacht Pilatus bij zichzelf: ik lever de Almachtige aan jullie uit; Hij zal zeker beter weten dan ik, wat Hij met zich zal laten doen. Deze heeft zich toen pro forma op Romeinse wijze door de Joden laten kruisigen, stond toen echter als Jupiter heel gemakkelijk weer uit de dood op en liet toen de hogepriesters te Rome berichten, wat zij nu te doen hadden. Voor deze priesters was dit koren op hun molen en ze onderwezen het volk dan ook zoals ze zich deze mythe met goedkeuring van de Romeinen in het jodenland hadden voorgesteld. Ze verzonnen er mettertijd nog een menigte martelaars bij, hebben misschien met goedkeuring van de keizers wel enkele echte of loze gruweldaden uitgevoerd, waarmee ze het domme volk bij dergelijke gelegenheden een heleboel wondertekenen op de mouw speldden. Zo ging het oude, reeds verwaterde heidendom onder hetzelfde pontificaat op ons over en wij zijn noodgedwongen onnozel genoeg geweest, zo'n echte kleinburgerlijke streek als klinkende munt aan te nemen. Daarvoor wordt ons nu volgens mij ook de rekening van ons nieuw gecreëerde heidendom gepresenteerd.

8 A zegt: mijn gewaardeerde vriend, ik moet je openhartig bekennen dat kennelijk meer te zeggen is voor jouw mening dan voor de mijne. Alleen begrijp ik dan niet hoe men bij zo'n sluwe onderneming het nieuw gecreëerde heidendom op het jodendom heeft kunnen baseren. Naar mijn weten, voor zover mij uit het zogenaamde evangelie bekend is, beroept Christus zich uitsluitend op de zogenaamde profeten van de joden, daarom is het dan ook niet erg aannemelijk dat de trotse, wijze Romeinen zich van de religie van de voor hen zeer verachtelijke joden zouden hebben bediend voor het creëren van een rendabele religie. Verder moet ik je heel openlijk bekennen dat de absolute leer van Christus, op enkele onbeduidende wonderdwaasheden na, op zichzelf een hele menselijke, wijze leer is, die naar mijn mening helemaal niet voor de maar al te bekende Romeinse hebzucht deugt. Om die reden valt niet gemakkelijk te bewijzen dat ze een werk van de Romeinse priesterstand is, maar het is beslist wel een werk van de joden, want uit de geschiedenis weet men maar al te goed hoe de Romeinen zich tegen de opkomst van deze leer hebben verzet.

9 B zegt: mijn geachte vriend, in dit opzicht ben je veel te weinig ingewijd in de geheime sluipwegen van liet priesterdom. Je hebt in de geschiedenis wel gelezen dat verschillende Romeinse keizers zich daadkrachtig tegen het invoeren van deze religie hebben verzet, maar noem mij ook eens een Romeinse pontifex die zich met name daartegen zou hebben verzet! Kijk, zo was de zaak fijn bekokstoofd en deze nieuw gecreëerde religie had nooit een betere ingang gevonden dan juist door de schijnbaar noodzakelijke wrede tegenwerking van de Romeinse keizers. Dat deze nieuw gecreëerde religie op het jodendom gebaseerd werd, heeft de volgende voor de hand liggende reden: omdat de Romeinse wijzen door hun veelzijdige veroveringen voldoende gelegenheid hadden om met veel religies bekend te raken, konden zij heel gemakkelijk tot de conclusie komen dat een nieuw te creëren religie op geen betere gebaseerd zou kunnen worden dan juist op deze joodse. Daarom hebben zij ook hun mens geworden Zeus om goede redenen in het Jodenland laten optreden, want zij wisten precies dat alle andere religies er nog slechter aan toe waren dan de hunne.

10 A zegt: ja beste vriend, nu komt jouw zaak inderdaad in een heel ander licht te staan en ik kan er nu niet meer omheen, mij helemaal bij jouw mening aan te sluiten. Ja, ja, als het niet zo was, vanwaar kwam dan deze goud- en zilverzucht van het tegenwoordige roomse pontificaat? Desondanks moet ik hierbij toch nog bekennen dat de eigenlijke zuivere zedenleer van Christus, waar ze ook vandaan mag komen, boven alle kritiek verheven en goed is. Dat heeft mij ook nog het meest aan het christendom gebonden. Dat zich mettertijd menige zelfzuchtige parasiet op deze zuivere boom heeft vastgezet, dat, sta me toe, is ook onmiskenbaar; maar ik moet je zeggen, en dat idee komt juist bij me op: als ik mogelijkerwijs ooit ergens zo'n zuivere Christus zou ontmoeten, werkelijk, ik zou Hem onmogelijk vijandig gezind kunnen zijn!

11 En B merkt op: ja, als Hij zou bestaan, dan denk ik er ook zo over; maar daar ligt nu juist de hond begraven.3 En A merkt op: weet je wat, laten we het graf van deze hond gaan zoeken, en hebben we het gevonden, dan hebben we toch op z'n minst een zinnebeeld van trouw gevonden! - Kijk, boven A wordt het al wat lichter, maar boven B nog lang niet. Omdat we hier niets meer te doen hebben, begeven we ons nu weer op pad.

 

30.

 

Een geestelijk filosoof en een kwezel

 

1 Kijk, als jullie iets kunnen onderscheiden, kunnen jullie zo'n vijftig normale passen van ons vandaan weer een ander stel zien. Laten we er recht op af gaan, dan zullen we hen dadelijk bereiken. Ook dit stel hoeft ons niet te zien. We vinden wel een plekje voor ons doel, dus gaan we er maar monter op af, zodat we weer iets nieuws te horen krijgen. Wel, we zijn al bij hen en zoals jullie zien, is er deze keer bij dit paar een verschil in geslacht vast te stellen. Een bijzonder magere vrouw, die er uitgeput uitziet en een man, die bijna tot op de laatste druppel bloed uitgeteerd is, en nauwelijks nog genoeg kracht lijkt te hebben om zich moeizaam voort te slepen. Kijk, zij reikt hem de hand en verwelkomt hem.

2 Luister nu, wat deze twee allemaal met elkaar zullen bespreken. Zij zegt: de lieve hemel moge u groeten! Het verheugt mij van ganser harte dat het lieve toeval ons eindelijk eens bij elkaar heeft gebracht. Toch moet ik u bekennen dat ik nooit had gedacht u op zo'n plaats te ontmoeten, want ik heb altijd gedacht dat u, God weet hoe zalig, al in de hemel bent omdat u, voor zover ik me kan herinneren, op aarde toch zo'n vroom en rechtschapen man was. U was toch een zeer geleerde professor voor de geestelijkheid en er zijn door u zo veel brave en waardige geestelijken in de zielzorg gegaan. En nu, lieve hemel, moet ik u hier op deze miserabele plaats zo ellendig aantreffen, waarin ik, de lieve God weet waarom, twee maanden geleden ook terecht ben gekomen.

3 En hij zegt: ja geachte vriendin, het spijt me echt dat u zich ook hier bevindt, maar het is nu eenmaal zo. U bent hier evenals ik als een bedrogene. De hemel (als hij bestaat) weet, hoe we op aarde gouden verwachtingen hebben gekoesterd over een gelukkig leven in het hiernamaals. Maar hoe gelukkig dit leven is en wat het loon is voor al onze goede daden op aarde, ervaar ik nu reeds verscheidene jaren en u, geachte vriendin, volgens uw zeggen ook al twee maanden lang.

4 Zij zegt: nee, mijn lieve hemel, als ik er aan terugdenk wat een streng leven u hebt geleid en hoe u op aarde helemaal geen bezittingen hebt gehad. Wanneer u preekte zaten alle mensen in de kerk toch maar te zuchten en te wenen en wat voor mooie lessen en vermaningen hebt u in de biechtstoel gegeven. Hoc aandachtig hebt u het heilig misoffer opgedragen; daarom kan ik werkelijk niet begrijpen, hoe ti hier terecht bent gekomen. Voor mensen zoals wij is dat wel te begrijpen, want men heeft misschien menige zonde in de biecht verzwegen omdat men zich deze ondanks alle gewetensonderzoek niet meer kon herinneren. Maar hoe u, die dat toch allemaal wel heeft gekund en zijn leven met al zijn doen en laten zeker grondig heeft onderzocht, hier terecht bent gekomen, dat zal zoals gezegd, de lieve hemel weten, als er al een mocht bestaan. Hebt u dan helemaal geen vermoeden waarom u hier terecht bent gekomen?

5 Hij zegt: o geachte vriendin, ik heb maar al te veel vermoedens, maar mijn vermoedens hierover zult u niet gemakkelijk begrijpen. Zij zegt: o, ik smeek u, vertel me daar maar vrijmoedig iets over; wie weet of me dat niet van nut kan zijn. Hij zegt: welnu, ik zal u er het een en ander over vertellen, maar het is niet mijn schuld als u er niets aan hebt. Daarom zal ik u ronduit zeggen wat mijn vermoeden is.

6 Ik vermoed dat er noch een God noch een of andere hemel bestaat en ik vermoed om gegronde redenen dat wij mensen niets anders zijn dan werken van de natuur. Wanneer de grove materie als een huls van de natuurlijke levenskracht wegvalt, blijft de natuurlijke levenskracht nog een tijd lang bestaan. Maar ook zij sterft geleidelijk aan af; de kracht verspreidt zich in de ruimte zoals de kracht van het buskruit buiten de loop van een kanon, en dan is het met de mensen die zoveel hoopten en verwachtten voor eeuwig gedaan. Als u mij goed aankijkt en ziet hoe ik nu reeds de uiteindelijke totale ontbinding en vernietiging nader, zal mijn vermoeden u zelfs in deze stikdonkere nacht nog helderder worden dan op aarde de zon op een heldere middag.

7 Zij zegt: och mijn lieve hemel, als hij bestaat, zoals u zegt! Dat is toch verschrikkelijk! Ja, ja, u moet het toch beter weten dan ik. Op aarde heb ik namelijk ook soms gedacht, zoals mij eens een echt geleerde en voorname heer heeft gezegd, dat er niets meer is na de dood. Nu zie ik pas in dat die heer de waarheid heeft gesproken; daarom zal het mij mettertijd ook vergaan zoals het u nu vergaat. Op aarde heb ik, als het echt slecht met me ging, toch altijd nog kunnen zeggen: mijn God en mijn Heer, verlaat mij niet! Maar wat kan ik nu doen, als er geen God bestaat? Zou u mij, geachte vriend, dan ook nog willen zeggen hoe het er vervolgens met Christus en Zijn moeder, de maagd Maria, die allerzaligst zou zijn, voorstaat? Waarom hebben we dan op aarde zoveel rozenkransen tot hen beiden moeten bidden, en waarom hebt u zo aandachtig zovele missen gelezen, als het allemaal is zoals u me nu hebt gezegd?

8 Hij zegt: ja lieve vriendin, dat is mij ook hier pas echt duidelijk geworden. De hoge heren op aarde hadden het gewone volk immers niet in toom kunnen houden als ze niet een of andere God en dus een of andere religie voor hen hadden uitgevonden. Met religie echter hebben zij gemakkelijk spel bij het in bedwang houden van het domme gepeupel. Dat werkt dan echt ijverig voor hen, zodat zij zich zonder zich om een of ander werk te bekommeren in hun paleizen en burchten op zachte bedden en stoelen onbekommerd kunnen vetmesten. Daarom worden ook overal geestelijken en leraren aangesteld die zelf behoorlijk dom worden gehouden om dan op hun beurt ook het gewone volk weer dom te houden. Wanneer echter zulke geestelijken dan toch hun verstand gaan gebruiken, worden zij gauw bevorderd, waardoor ze dan ook een goed leven kunnen leiden zodat hun verstand geen gevaar oplevert voor de hoge heren. Maar om zo'n religie, die op zichzelf niets betekent, een meer betekenisvol tintje te geven, moet ze met allerlei mystieke, dat wil zeggen nietszeggende ceremoniën worden opgesierd, anders zou ze op het gewone volk niet de vereiste uitwerking hebben. Ziet u, geachte vriendin, zo was het ook in mijn geval.

9 Op aarde heb ik heel goed ingezien dat het met het leven in het hiernamaals heel anders gesteld moest zijn dan ik zelf vanaf de kansel heb gepreekt. Ik heb me hierover, wel te verstaan, slechts heel vertrouwelijk tegenover de grote machthebbende heren uitgelaten en om opheldering gevraagd. Die opheldering heb ik echter nooit gekregen, maar in plaats daarvan kreeg ik al spoedig, ik weet zelf niet hoe en waarom, een belangrijke promotie: ik werd een goedbetaalde professor en tenslotte zelfs rector van een seminarie. Ik denk echter dat de heren hebben ingezien dat ik voor een lagere post te pienter was. Daarom gaven ze me een betere, zodat ik met mijn pienterheid, uit eigenbelang enkel nuttig en niet schadelijk zou zijn. Ik heb weliswaar altijd als een doodeerlijk man geleefd, maar wat dom van me was en waar ik nu nog spijt van heb is, dat ik om te beginnen toch niet helemaal heb ingezien dat ik met zo'n promotie werd bedrogen; en vervolgens dat ik op mijn goedbetaalde post een, al was het maar ogenschijnlijk, dan toch voor mijn eigen welzijn, te dwaas, geestelijk streng leven heb geleid. Ik heb daarbij wel gedacht: zo'n leven van zelfverloochening zal me zeker binnenkort een bisschoppelijke waardigheid bezorgen. Maar daarin heb ik me deerlijk vergist, want de hoge heren hebben precies berekend dat ik voor de mij toebedeelde post de juiste graad van domheid bezat, zodat ik voor hen niet meer gevaarlijk Icon zijn. Daarom lieten ze mij ook onbezorgd op mijn plaats. Ziet ti, geachte vriendin, zo staat het wat religie betreft met alles in de wereld. Daarom zei ik ook in het begin al dat wij beiden bedrogen zijn.

10 Zij zegt: nee maar, nu gaat me in een keer een licht op! Had ik dat op aarde maar geweten, wat had ik dan plezierig kunnen leven! Want ik was zoals men zegt, een mooi en bovendien welgesteld meisje. Hoeveel keurige jongemannen hebben niet naar mijn gunst gedongen, maar uit louter religiositeit durfde ik nauwelijks iemand aan te kijken en ben omwille van Onze Lieve Heer en de zalige maagd Maria een oude vrijster gebleven en heb bovendien al tijdens mijn leven bijna mijn gehele vermogen aan de kerk vermaakt.

11 O, wat was ik dom! Was ik maar een vrolijke hoer geworden, dan had ik nog wat genoten! Nu is op mij het spreekwoord: `Een bange hond wordt zelden vet', van toepassing. Nee, beste vriend, als het werkelijk is zoals u daarnet hebt gezegd, dan zou ik wel alles willen verwensen en vervloeken! Maar nee, dat zal ik niet doen. Als het me echt slecht zal vergaan zal ik toch, al is het maar gewoontegetrouw, God en de zalige maagd Maria aanroepen. Op aarde, dat kan ik me goed herinneren, heeft het aanroepen van Christus en onze lieve vrouw mij toch enige malen geholpen; daarom denk ik, ook al zouden zij niet bestaan, dat ik door dit aanroepen misschien niets gewonnen maar toch ook niets verloren heb. Ik hoef me trouwens echt geen verwijten te maken dat ik door mijn levenswandel bij wijze van straf nu hier, in dit duistere oord moet zijn. Het enige is dat ik me misschien te veel met de geestelijken heb opgehouden, hetgeen echter mijn eer en zedelijkheid niet heeft aangetast, want op dat gebied heb ik me nooit iets gegund. Wel heb ik vaak mensen die me slecht leken, zwartgemaakt en heb hen soms, natuurlijk alleen maar bij de geestelijkheid, ook flink door het slijk gehaald. Met hen heb ik ook alle lutheranen, joden, Turken en heidenen in Naam van God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest vervloekt; maar de geestelijke heren hebben gezegd dat men dat als een rechtgelovige christin zeker moest doen. Zij zeiden echter wel dat men daarnaast ook voor hen moest bidden, opdat zij konden overgaan tot de ware religie. Dus heb ik ook dat gedaan en heb hen eerst, zoals het betaamt, vervloekt en daarna voor hen gebeden. Alleen zal dat misschien enigszins verkeerd geweest zijn; verder zou ik werkelijk niets weten. Aan de armen heb ik ook gegeven; weliswaar niet zoveel, want ik gaf mijn vermogen liever aan de kerk, omdat ik dacht dat de geestelijken het beter konden verdelen dan ik. Zo ben ik, hoe meer ik over mezelf nadenk, echt `volkomen onschuldig' hier terechtgekomen. Maar natuurlijk, als het is zoals u eerder zei, dan heeft mij het ene evenmin als het andere geschaad nog

gebaat.

12 Maar zoals gezegd, ik blijf hij het aanroepen van God en onze lieve vrouw en zal me dan ook op deze plaats voortslepen zolang het gaat. Misschien kom ik mettertijd iemand anders tegen die me wat beters weet te vertellen dan u, mijn overigens zeer gewaardeerde vriend. En dus vaarwel, want ik zie wel in dat ik in uw gezelschap niet gelukkiger word. Het was me ook veel liever geweest, naar ik nu voel, dat ik u helemaal niet had ontmoet! Want nu zie ik pas duidelijk in dat domheid gelukkiger maakt dan een nog zo scherpzinnig verstand.

13 Ik ben maar blij dat ik niet in het door mij zo vaak gevreesde `vagevuur' of zelfs in de hel ben terechtgekomen. Want eigenlijk gaat het mij helemaal nog niet zo slecht, omdat ik behalve honger geen pijn heb. Die honger moet ik weliswaar stillen met gras, wat hier nog volop voorhanden is. Als het maar niet erger wordt zal ik aan deze kost best wel wennen. Dus vaarwel!

14 Hij zegt: ja, ja, u ook vaarwel en zorg maar dat u van uw gras eten goed aankomt. Ik wens u in ieder geval een goede eetlust! Overigens had ik nog niet het geluk op overvloedig grasland te komen, maar mos en wel heel schaars was tot nu toe mijn enige voedsel.

15 Kijk, beiden verwijderen zich; hij meer in noordelijke richting, zij echter meer in de richting van de middag.

16 Jullie zeggen: waarom zij zich hier in deze omgeving bevindt, zien wij eigenlijk niet zo goed in. Wat hem betreft lijkt dat, naar zijn uitlatingen te oordelen, gegronde redenen te hebben.

17 Mijn lieve vrienden! Dat zouden jullie toch op het eerste gezicht moeten zien. Hoe is het dan met de liefde gesteld van iemand die bepaalde dingen doet waarvan hij of zij zelf vindt dat ze goed zijn, maar dan vooral omwille van het loon dat daar onmiddellijk of in de toekomst op volgt? Is dat geen eigenliefde? Want wie het goede en juiste doet uit wat voor eigenbelang dan ook, houdt teveel van zichzelf en doet alles om zichzelf zo goed mogelijk te verzorgen. Zo was het haar ook enkel om de hemel te doen, waarvoor ze haar hele have en goed heeft weggegeven, zoals een ander met zijn vermogen een of ander aards goed koopt. Van waarachtige liefde voor Christus, die altijd hoogst onbaatzuchtig moet zijn, had ze echter geen flauw idee! Daarom moet hier haar honger naar beloning ook helemaal worden uitgedreven en moet zij genoodzaakt worden God omwille van Hem Zelf te zoeken en naar Hem te verlangen. Pas dan zal het voor haar mogelijk zijn om dichter bij de ware liefde en genade van de Heer te komen. - Zo moet ook hij zich eerst gevoelsmatig als volkomen vernietigd beschouwen eer hij in staat is om een hogere genade te ontvangen.

18 Toch moeten jullie niemand als zijnde totaal verloren beschouwen, maar weet

 

wel dat er voor menigeen volgens jullie tijdrekening honderd, duizend en nog eens duizendjaar kunnen vergaan, voordat hij in staat is om een hogere genade te ontvangen.

19 Opdat jullie echter nog nader ervaren om welke verschillende redenen heel veel mensen hier belanden, zullen we ons nog verder voorwaarts begeven. Pas wanneer we hele gezelschappen zullen ontmoeten, zal jullie nog een veel groter licht opgaan en dan zullen jullie zien, met welke talrijke dwaasheden de tegenwoordig op aarde levende zogenaamde `betere mensheid' in wezen behept is en dat ze haar goede daden vooral uit eigenbelang verricht. En daarbij laten we het voor vandaag.

 

31.

 

Oord van duisternis.

Daar is geween en tandengeknars

 

1 Kijk, daar tamelijk ver van ons vandaan, waar een heel mat roodachtig grijs licht te zien is, bevindt zich reeds een gezelschap van zo'n dertig mensen van beiderlei kunne. Laten we er met frisse moed op af gaan, dan zullen we hen spoedig hebben ingehaald. Wel, kunnen jullie al iets onderscheiden? Jullie zeggen: o ja, het lijkt daar een bont gewirwar te zijn; het komt ons voor alsof dit gezelschap in een handgemeen is verwikkeld. Ik zeg jullie: dat hebben jullie niet verkeerd gezien, maar zoiets is slechts een schijnwerkelijkheid'. Op enige afstand ziet een geestelijk dispuut eruit alsof het een handgemeen is. Laten we daarom nog wat dichterbij gaan, dan zal de situatie er al meteen heel anders uitzien. Kijk maar, hoe dichter we bij dit gezelschap komen, des te rustiger worden hun handen; maar in de plaats daarvan horen we van alle kanten een soort geknars als van een korenmolen bij jullie. Af en toe horen jullie ook stemmen die iets weg hebben van gehuil.

2 Jullie zeggen: het lijkt bijna alsof hier bewaarheid wordt wat de Heer tegen de kinderen van het licht zei over degenen die in de uiterste duisternis zullen worden uitgestoten: daar zal `geween en tandengeknars' hun lot zijn! Ja, ja, beste vrienden, dat wordt daar ook mee bedoeld en het heeft helemaal dezelfde betekenis. Wat echter geestelijk gezien onder het huilen en tandenknarsen en liet uitgestoten worden in de buitenste duisternis wordt verstaan, zullen jullie dadelijk niet eigen oren en ogen ervaren. Nog enkele schreden en kijk, we zijn al waar we willen zijn.

3 Wat zien jullie hier? Jullie zeggen: de aanblik is zo slecht nog niet; afgezien van de zeer uitgeteerde gezichten waaraan we hier reeds gewend zijn, ziet dit gezelschap er heel dragelijk uit. Het staat rondom een spreker die juist aanstalten maakt om een voordracht te houden.

4 Lieve vrienden, jullie hebben gelijk. Juist voor deze redevoering heb ik jullie hierheen geleid. Jullie zeggen echter: aangezien dit hele rijk van de nacht slechts een eindeloos vlakke zandbodem lijkt te zijn en we hier nergens een verhoging hebben gevonden, zouden wij wel eens willen weten hoe het deze spreker mogelijk is om zich een flink stuk boven zijn toehoorders te plaatsen. Het is goed dat jullie dit vragen, want hier heeft het meest onbeduidende een grote betekenis. Deze spreker heeft van zand een heuveltje opgeworpen en aangestampt, maar zoals de samenstelling van zijn sprekerspodium is, zo zal ook zijn toespraak zijn. Zolang de spreker op zijn zandpodium rustig blijft, zal deze hem wel dragen. Als hij echter daarop wat meer houvast zoekt, zal de zandheuvel ineenzakken en zal hij vanaf zijn hoogte omlaag komen tot op dezelfde bodem waarop zijn toehoorders zich bevinden. Nu heeft hij een teken gegeven dat hij zal spreken; dus zullen we in het verborgene ook heel goed naar hem luisteren.

5 Kijk, hij begint; dus luister maar. Geachte vrienden en vriendinnen, ik heb van jullie allen persoonlijk vernomen hoe jullie op aarde allemaal en ieder afzonderlijk, de een op het ene, de ander op een ander gebied, als volkomen rechtschapen en eerlijke burgers hebben geleefd en gehandeld. (Instemming van alle kanten.) Als `goede christenen' waren jullie ook in juiste mate weldoeners voor de noodlijdende mensheid. Bij alle ongelukkige gebeurtenissen stonden jullie namen bij de hoogste giften met grote letters in alle kranten. Dat was ook niet meer dan billijk, want zelfs een blinde en dove moet inzien, dat er met betrekking tot een ondersteuning niets bestaat wat lof- en prijzenswaardiger is dan het bekendmaken van de namen van die mensen, die altijd liefdadigheid hebben beoefend. Ten eerste weet de arme mensheid door zo'n openbare bekendmaking, tot wie ze zich in tijden van nood moet wenden en ten tweede worden daardoor duidelijk toch nog anderen aangemoedigd om toe te treden tot de aangename menslievende kringen van de bekende grote weldoeners der mensheid. (Luide bijval van alle kanten.)

6 Ja, jullie waren er altijd bij als het ging om het stichten van liefdadige instellingen en ik kan met diepe ontroering in mijn hart zeggen, dat jullie in de ware zin van het woord ware, edele en eerbiedwaardige burgers van de aarde waren. (Buitengewone bijval van alle kanten en men hoort de toehoorders met grote ontroering zeggen: heerlijke, goddelijke spreker, goddelijke man!)

7 Jullie hebben de kunsten en wetenschappen altijd gesteund, jullie hebben de staat als voorbeeldige burgers trouw gediend, ja, men kan van jullie zeggen dat jullie volkomen volgens de zin van het evangelie hebben geleefd, want jullie hebben, zoals iedereen kan weten, altijd God gegeven wat van God is en de keizer wat des keizers is. Nooit waren eer- en roemzucht de beweegredenen van jullie nobele daden, maar altijd was de absolute noodzaak de drijfveer voor al het grote en prachtige dat jullie tot stand hebben gebracht. (Weer bijzonder veel bijval vermengd met tranen, zuchten en wenen!) Zodoende was jullie leven onberispelijk als de zon aan de meest heldere hemel, dat wil zeggen geachte toehoorders, zoals het was op de aarde waar we hebben geleefd; want hier is van een zon geen spoor te bekennen. Maar, geachte toehoorders, sta me nu toe een grote en belangrijke vraag te stellen:

8 Wat is nu jullie beloning voor zulke voortreffelijke en eervolle handelingen? Waar is de hooggeprezen hemel die beloofd was aan degenen die zich steeds als zuivere en voorbeeldige christenen hebben waargemaakt? (Zeer grote instemming van alle kanten en verscheidene stemmen zeggen nog klagend na: ja, waar is de bedrieglijke hemel waarvoor we om die te verwerven zoveel offers hebben gebracht?)

9 Geachte toehoorders, deze zandgrond hier, deze meer dan `Egyptische duisternis' en onze geprezen karige 'moskost' zijn de beloning en de hemel die de priesters ons zo buitengewoon fraai hebben afgeschilderd! (Weer bijzondere bijval.)

10 Waar is de rechtvaardige God voor wie jullie zo veel edele daden hebben verricht? Want er staat immers in het evangelie: wat jullie voor de armen zullen doen, dat hebben jullie voor Mij gedaan en jullie zullen daarvoor in de hemel een grote schat ontvangen. Verder staat er: met de maat waarmee jullie meten, zal ook voor jullie in overvloed gemeten worden. Welnu geëerde toehoorders, dat hebben jullie allemaal gedaan; jullie hebben duizend armen ondersteund en waren altijd bijzonder rechtvaardig naar maat en gewicht.

11 Maar waar is nu de schat in de hemel en waar de rijkelijk teruggegeven maat van alle weldaden die jullie als waarachtige christenen hebben gedaan? (Er klinkt nog na: ja, waar is dat alles?)

12 Hier hebben we het: de hemelse schat is deze duisternis en de hooggeprezen beloning die in de hemelen overvloedig over ons uitgestort zou worden, bestaat uit het schaarse mos dat op aarde hoogstens door de eland wordt

gevreten, maar waarmee wij ons nu moeten verzadigen als een hooggeprezen hemels loon.

13 Hoe vaak hebben we op aarde bij verschillende bijzondere gelegenheden het `Te Deum laudamus' ingezet en hebben de priesters ons van alle kansels toegeschreeuwd: daar in het lichte rijk der hemelen zullen jullie pas het grote en eeuwige Te Deum laudamus inzetten. Geëerde toehoorders, veroorloof mij hier een vraag te stellen en die luidt als volgt:

14 Hoe zit het nu hier in dit prachtige hemelrijk met het zo hooggeprezen Te Deum laudamus? Jullie halen je schouders op; werkelijk, ik zou niet alleen met mijn schouders willen protesteren maar met mijn hele lichaam, als ik niet zou moeten vrezen dat daardoor mijn zeer wankele sprekerspodium mij van mijn hoge standplaats zou laten vallen. Ik denk, zonder voorbij te willen gaan aan iemands mogelijk goede mening, dat onze kelen door deze buitengewoon vette kost voor deze verheven hymne nauwelijks een klankvolle stem zullen krijgen; nu doet zich in deze helder verlichte hemel toch nog een heel gewichtige vraag voor, namelijk:

15 Bestaat er eigenlijk wel een of andere God? En het `met Abraham en Isaäk plaatsnemen aan een met hemelse spijzen welvoorziene tafel' lijkt hier ook niet vanzelfsprekend te zijn! Als ik nu op aarde zou zijn, kon ik me erop beroemen een van de meest steekhoudende uitleggingen over dergelijke veelbelovende schriftteksten te kunnen samenstellen. Zo zou ik 'Abraham en Isaäk' als duisternis en zand voorstellen en de welvoorziene tafel als het mooie IJslandse mos, een werkelijk waardige kost voor rendieren en elanden! En aan degene die ons kan zeggen dat wij er beter aan toe zijn dan deze armzalige dieren van het met ijs bedekte noorden, zal ik ogenblikkelijk mijn wankele podium afstaan. Ik denk echter dat we, om dat in te zien, slechts aan onze buik hoeven te voelen om te vernemen, hoe deze zwaar te verteren kost er nog als dor stro in rondbruist. Als we bovendien nog één blik op deze goed verlichte grond werpen, dan is het bewijs voor ons eland- en rendierschap meer dan duidelijk geleverd.

16 De goede wereldverlosser Christus heeft waarschijnlijk ook niet goed geweten hoe het hemelrijk waarover Hij preekte er uit ziet, want had Hij dat geweten, dan had Hij zich zeker niet aan het kruis laten slaan. Als Zijn geprezen God-Vader Hem na de kruisiging, evenals ons, heeft laten zitten, dan zal deze in wezen werkelijk eerbiedwaardige man heel verbaasd hebben staan kijken, toen Hij tenslotte het door Hem ingestelde heilige avondmaal veranderd zag in deze mooie mosvlakte. Om deze te zien moeten wij zeker niet minder moeite doen dan de parelvissers om de parels te zien op de boden van de zee. Dat dit allemaal werkelijk zo is, hoeft verder helemaal niet meer te worden bewezen. Maar nu, geëerde toehoorders, stel ik jullie een andere belangrijke vraag en deze luidt als volgt:

17 We zijn nu eenmaal hier, dat staat buiten kijf; maar hoe lang moeten we in dit sobere rijk blijven wonen? Zal het met ons bestaan ooit nog eens goed aflopen? Of zullen we het allerzaligste genoegen hebben misschien voor eeuwig rond te moeten dolen in deze met zegeningen overspoelde landouwen? Kijk, dat is een buitengewoon belangrijke vraag; maar juist deze belangrijke vraag roept om iemand die haar zou willen beantwoorden. Geëerde toehoorders, wat dat betreft kunnen jullie ervan verzekerd zijn dat jullie eerder van een steen een antwoord krijgen dan van mij. Ik wil niemand bij voorbaat uitsluiten, want zoveel hoofden zoveel zinnen. Ik denk echter dat bij deze buitengewone verlichting van ons grote toneel, iemand hierover amper iets zinnigs aan het `daglicht' kan brengen, want om iets in een helder licht te stellen moet er ook licht voorhanden zijn en voor daglicht is zon nodig.

18 Hier echter iets duidelijk aan het licht brengen betekent met andere woorden niets anders dan zichzelf en alle anderen voor gek verklaren. Ook is het waar dat de grote geleerden van de aarde hier heel veel tijd om na te denken zullen krijgen. Gelukkig zijn ze, als ze veel materiaal meebrengen, want met deze drie elementen: duisternis, zand en mos, zullen ze heel gauw klaar zijn. Microscopen en andere kijkinstrumenten kunnen ze gevoeglijk op aarde achterlaten, want ze mogen blij zijn als ze met het blote oog op de zanderige bodem een schraal mosveld ontdekken. En ook voor astronomen is hier belachelijk slecht gezorgd. Geleerden en zeer belezen bibliothecarissen zullen zich ook ontzettend vervelen, want op dat gebied zullen ze hier niets vinden. Ook voor grote artiesten en virtuozen is het hier slecht zakendoen, want ze zullen allemaal letterlijk niet in het gras, maar in het mos moeten bijten! Hier begrijp ik het gezegde: `in het gras bijten' ook pas volkomen en zie in dat het zeker van veel oudere oorsprong moet zijn dan menig auteur en geschiedschrijver had kunnen dromen. Dit spreekwoord moet afkomstig zijn van de oeroude Egyptische wijzen, die zeker wel iets afwisten van het heerlijke lot dat de stervelingen hier wacht.

19 Zeer geëerde toehoorders, als trouwens alle op aarde levende mensen een lot wacht zoals wij nu hebben, wat ik bepaald niet wil betwijfelen, dan ben ik van mening dat de eerlijke Mozes en de doodeerlijke Christus in dit opzicht met hun wetgeving een zeer wankele en zinloze weg zijn ingeslagen. Zouden zij, en heel in het bijzonder Mozes met zijn wonderstaf, in plaats daarvan op de aarde hebben geslagen en daarbij hebben gezegd: zon verduister, we hebben voor onze domheid genoeg aan sterrenlicht, en jij aarde moge tot een zandwoestijn worden waarop niets anders dan hier en daar echt IJslands mos zal groeien, dan had de hele strenge wetgeving van donder en bliksem mooi achterwege kunnen blijven. Want onder die omstandigheden moet het zondigen toch vanzelf een grotere zeldzaamheid worden dan echte diamanten in Groenland, Spitsbergen of Nova Zembla. Ik zou wel eens willen zien wie hier zou kunnen roven of stelen en wie hier met deze vette kost en ons bekoorlijk skeletachtige uiterlijk nog wellustig kan zijn. Ook een leugenaar zou ik hier, als ik het had, met goud willen betalen; en wat zou iemand hier tot moord kunnen aanzetten? Om daar achter te komen, zou voor ons met al onze schatten en rijkdommen, zeker nog veel moeilijker zijn dan voor astronomen met hun optische instrumenten, het ontdekken van planeten van andere zonnen. Om kort te gaan, we kunnen doen en praten wat we willen, toch ben ik ervan overtuigd dat we ons lot geen zier zullen verbeteren! Ik heb hier reeds reizen ondernomen, verder dan die van Christoffel Columbus, en deze zee van zand en duisternis in alle richtingen doorkruist, maar mij is het geluk niet ten deel gevallen om: land, land! te kunnen uitroepen maar alleen: nacht, mos en zand! Daarom besluit ik mijn redevoering met de volgende mening:

20 Onder alle mensen die ooit de aarde betraden, houd ik Christus voor de allereerlijkste. Hij heeft de uitvoerige wet van Mozes, die een sterk tiranniek karakter heeft, in zekere zin opgeheven en in plaats daarvan de enige wet van de naastenliefde gepredikt. Omdat onder deze wet, men kan hem bekijken zoals men wil, intelligente wezens onder welke omstandigheden dan ook, toch het gelukkigst kunnen leven, ben ik er voor dat ook wij hier, omwille van het goede, trouw blijven aan deze wet, Christus als een waarachtig achtenswaardige man in gedachten houden en dan onder deze omstandigheden met ons inderdaad zware lot zo tevreden mogelijk zijn. Ik denk dat daardoor ons lot, hoelang het ook mag duren, zo dragelijk mogelijk zal zijn.

21 Toch vraag ik jullie, geachte toehoorders, mijn wens niet zonder meer als een vaste wet te beschouwen, want zoals ik al zei, moeten mijn slotwoorden slechts als een welgemeende wens worden opgevat. Als we ons echter steeds meer sociaal gaan gedragen, denk ik dat we juist daardoor met vereende krachten ons lot veel gemakkelijker zullen dragen dan wanneer iedereen dat alleen maar voor zichzelf doet. Ik van mijn kant zal altijd bereid zijn, zoveel liet maar in mijn vermogen ligt, jullie met mijn woorden intensief ter zijde te staan. Met deze wens en deze verzekering besluit ik mijn toespraak. (Algemene luide bijval van alle kanten.)

22 Zoals jullie zien, komt de spreker heel behoedzaam van zijn wankele sprekerspodium en wordt door het hele gezelschap heel vriendelijk onthaald. Velen drukken hem de hand en zeggen: in gezelschap van een man die het hart op de juiste plaats heeft, is het overal goed toeven. Daarom zijn we heel blij, jou, lieve en dierbare vriend, te hebben gevonden en willen we je heel graag in alles volgen, wat er ook gebeurt.

23 Kijk nu, hoe het boven dit gezelschap iets lichter wordt, hoe de spreker en het hele gezelschap zich daarover beginnen te verbazen en hoe de spreker zich nog eenmaal laat horen en zegt: ja, ja, zoals ik al dacht, als de doodeerlijke Christus met Zijn menslievende leer ons geen licht brengt, dan blijven we eeuwig gasten van de nacht!

24 Kijk nu, het wordt alweer aanmerkelijk lichter en kijk eens achterom, hoe vanuit de morgenzijde twee door de Heer gezonden boden zich haasten om nog veel meer licht onder dit gezelschap te brengen. We zullen daarom nog wat afwachten en zien wat er hier verder zal gebeuren.

 

32.

 

Geboorte vanuit de duisternis.

In een eerste graad van het levenslicht

 

1 Kijk, het gezelschap ziet deze twee boden ook al. Onze belangrijkste redenaar gaat hen vriendelijk tegemoet om hen even vriendelijk op te nemen. Zoals jullie het bijna zelf kunnen horen, zegt hij tegen hen:

2 Wees mij en ons allen duizendmaal welkom! Ik ken jullie weliswaar niet, maar ik zie wel dat jullie, mensen zoals wij, of zojuist van de aarde hier zijn aangekomen of ergens een betere weide moeten hebben gevonden dan wij, want jullie zien er onvergelijkelijk beter uit dan wij met ons allen bij elkaar. Zijn jullie pas van de aarde aangekomen, dan maak ik jullie er meteen op attent, dat de zogenaamde Robinsons op aarde er stukken beter aan toe zijn dan wij. Voor deze bewering hebben jullie geen ander bewijs nodig dan ons enkel van top tot teen te bekijken. Ons onmenselijk goede uiterlijk zal jullie dan op het eerste gezicht zelfs in deze nog zeer aanzienlijke duisternis heel duidelijk tonen, hoe het er hier met het goede leven voorstaat. Daarbij kan ik jullie wel verzekeren, dat er hier helemaal geen ziektes voorkomen, want wat kan er hij ons nog ziek worden? We kunnen hoogstens die ziekten krijgen die eventueel de stenen kunnen krijgen, want ik denk, wanneer men bijna al zijn levenssappen kwijt is, men dan ook alle ziekten kwijt is. Het enige euvel dat iemand hooguit in het begin gaat plagen is honger, een maagklacht dus. Maar zoals gewoonlijk de honger de beste kok is, zo is er dan ook voor hem al gauw een kost waarmee hij zijn kookkunst buitengewoon op de proef kan stellen. Kijk, daar aan onze voeten op het zand is zo'n probeerseltje voor onze maag te zien. Het is mos; men zou kunnen zeggen, echt IJslands en Siberisch mos. De schaarse dauwdruppels die tussen de blaadjes zitten, zijn bovendien ook het enige dorstlessende middel dat in deze enorme zandwoestijn te vinden is. Trek je er dus niets van aan als deze situatie misschien wel eeuwig zal duren, want geduld en gewoonte maken voor iemand tenslotte alles dragelijk. We zouden allen heel blij zijn als jullie met je enigszins fosforescerende gewaden bij ons willen blijven, want ik kan jullie verzekeren dat men eerder aan alles kan wennen dan aan deze duisternis. Daarom kunnen jullie je wel voorstellen dat jullie fosforescerende schijnsel ons allen als een zon voorkomt! - Maar nu lieve vrienden, zouden jullie misschien zo vriendelijk willen zijn om te vertellen wat de reden is dat jullie van de aarde naar hier zijn gekomen of, als jullie van een betere weidegrond komen, mij mee te delen wat jullie ertoe gebracht heeft deze te verlaten en je hierheen te begeven?

3 De een zegt: arme vriend, je vergist je ten zeerste in ons, want we zijn noch van de aarde noch van een of andere betere weidegrond in deze streek naar jullie toegekomen, maar wij komen van de Heer, die Christus heet en die jij slechts als een doodeerlijke man beschouwt, terwijl Hij toch de enige Heer van hemel en aarde is. Hij heeft ons naar jullie toe gestuurd om je te tonen wat de reden is dat jullie al zo lang totaal onbeholpen in deze streek ronddolen.

4 Wanneer jullie je afvragen: hoe hebben we op aarde geleefd, dan zal jullie heldere en duidelijke herinnering je zeggen: wij allen hebben altijd eerlijk en redelijk gehandeld en geleefd. Maar vragen jullie je verder af: waarom hebben we zo geleefd en gehandeld, dan zullen jullie niets anders kunnen zeggen dan: we hebben voornamelijk alleen maar voor ons eigen welzijn geleefd. Wereldse eer, werelds lof en het daarop gebaseerde aanzien bij andere mensen waren de voornaamste beweegredenen van al onze nobele daden. We waren steeds trouwe leden van staat en kerk. Waarom dan? Misschien uit liefde voor God? Hoe zou dat mogelijk zijn terwijl we God toch in het geheel niet kenden en dus ook niet wisten wat Zijn heilige wil kon zijn. Ons trouwe lidmaatschap van staat en kerk was er ten eerste op gebaseerd om juist daardoor heel gemakkelijk veel meer voordelen te kunnen bemachtigen dan anderen die hij staat en kerk niet in zo'n gunstig aanzien stonden als wij.

Verder lag aan deze geestelijk blinde trouw aan staat en kerk deze gedachte ten grondslag: is er volgens de leer van de priesters en andere verkondigers van onsterfelijkheid aan gene zijde een of ander leven na de dood, dan kunnen wij bij een dergelijke handelwijze toch niet te gronde gaan. Is er zo'n leven niet, dan zal de door onze daden verworven roem tenminste op aarde bij onze kinderen en kleinkinderen toch blijven voortleven en men zal misschien over honderden jaren nog over ons spreken en zeggen: dat waren mannen en dat waren tijden, waarin zulke mannen hebben geleefd!

5 Kijk, zoals gezegd, moet jullie innerlijk je zoiets ook zeggen. Zodoende zijn jullie toch kennelijk zonder enig innerlijk begrip uit het aardse leven in dit geestelijke leven overgegaan en jullie wisten absoluut niet wat er voor het geestelijke leven nodig is, nog minder hoe het geaard is en waaruit het bestaat. Wat was derhalve vanzelfsprekender dan dat jullie in dit geestelijke leven niets anders konden aantreffen dan slechts datgene wat jullie van je stoffelijke leven naar hier hebben meegebracht, namelijk een hoogst beklagenswaardige, magere gestalte van jullie wezenlijke karakter en een volslagen duisternis over de begrippen van het geestelijke leven. Met andere woorden: jullie kwamen als het ware hier zoals een embryo bij de natuurlijke verwekking van de mens in het moederlichaam komt, waar ook alom volslagen duisternis heerst. Het embryo voedt zich in zekere zin slechts met het afval uit het bloed van de moeder, totdat het met zo'n toch wel uiterst magere en onsmakelijke kost de natuurlijke kracht bereikt waarmee het zich uit dit duistere ontstaansoord bevrijdt. Zo bevonden ook jullie je hier in zekere zin in een `moederlichaam' en hebben jullie je ook met de steeds gelijksoortige afval daarvan moeten voeden.

6 Maar omdat zich in jullie nog een levende vonk voor het eeuwige leven bevond, namelijk jullie geringe liefde en hoogachting voor Christus, heeft deze vonk jullie geestelijke embryo's gerijpt voor de geboorte uit jullie eigen duistere sfeer. Het zal jullie vergaan zoals jij aan het slot van je toespraak tegen jouw gezelschap hebt gezegd: als ons met Christus nergens een licht opgaat, kunnen we er zeker van zijn dat deze duisternis voor eeuwig ons eigendom zal blijven.

7 Derhalve hebben jullie in Christus het licht gevonden. En jullie zullen dan ook ervaren wat de Heer tot een van Zijn leerlingen heeft gezegd, namelijk, dat niemand het eeuwige leven en dus het Rijk Gods ten deel kan vallen, die n let wedergeboren wordt. Dit zei de Heer inde nacht tegen Zijn leerling om hem daarmee aan te tonen dat elke niet-wedergeboren geest zich in een nacht bevindt zoal, een embryo in het moederlichaam, en dat de Heer ook in de nacht naar de

nog niet wedergeboren geest komt om hem uit deze nacht in het licht van het eeuwige leven tot wedergeboorte te brengen.

8 Omdat nu, tengevolge van jullie ontwaakte maar nog geringe liefde voor de Heer, de tijd van de nieuwe geboorte is aangebroken, zijn wij hierheen gestuurd om jullie uit je geestelijke geboorteplaats te halen en jullie naar een plaats te brengen waar jullie als kinderen zullen worden verzorgd. Daardoor zullen jullie weer nieuwe levenskracht kunnen vergaren om met deze krachten, naarmate ze meer of minder ontwikkeld zullen zijn, in een sfeer te komen die door de Heer precies aan jullie krachten zal zijn aangepast.

9 Denk echter nooit aan een hemel alsof het een oord van beloning is voor de goede werken die de mens op aarde heeft volbracht, maar bedenk dat de hemel uit niets anders bestaat dan uit jullie eigen liefde voor de Heer!

10 Hoe meer jullie de Heer met liefde zullen omvatten en hoe deemoediger jullie ten opzichte van Hem en al jullie broeders zullen zijn, des te meer zul je van de waarachtige hemel in je dragen. Scharen jullie je dus achter ons en volg ons!

11 Kijk eens hoe het hele gezelschap zich verheugt en deze twee boden volgt.

12 Jullie vragen waarheen ze dit gezelschap wel zullen brengen. Keer je maar eens om en kijk, daarginds al behoorlijk ver achter ons, zie je de bekende geopende hoge wand; merken jullie nog niets? Ziet dat er niet bijna zo uit als het opengaan van de moederschoot bij de geboorte van een kind?

13 Jullie zeggen: inderdaad, als bij toverslag begrijpen we dit nu als een wonderbaarlijke overeenkomst. Maar als het gezelschap door deze kloof is gegaan, waar komt het dan terecht? - Wat gebeurt er met het kind vlak na de geboorte? Jullie zeggen: het wordt in zachte windsels gewikkeld en dan in een wieg gelegd; het bevindt zich dus nog steeds in zeer beperkte levensomstandigheden. Jullie hebben toch, toen we aan de andere kant vanaf de morgen deze wand naderden, de vele dalen links en rechts gezien? Kijk, dat zijn die windselen en dat is de wieg. In deze dalen worden deze mensen dus geplaatst. Het gaat er daar ongeveer toe zoals jullie het heel in het begin in enkele van zulke dalen links en rechts hebben leren kennen.

14 Zoals een pasgeboren kind niet van vandaag op morgen tot man wordt, gaat ook een wedergeboren geest, vooral in het rijk van de geesten, slechts langzaam vooruit. Nu weten jullie in welke omgeving jullie je bevinden. Daarom mag het jullie ook niet verbazen dat jullie onder de velen die zich hier voortbewegen nagenoeg geen hogere leraren aantreffen, want dat zou hier even nutteloos zijn als wanneer iemand op aarde al onderricht zou willen geven aan een kind dat zich nog in de moederschoot bevindt.

15 Wanneer voor een kind de geschikte tijd is aangebroken om het te onderrichten, weten jullie zonder meer. Daarom zijn deze boden hier ook niet als leraren, maar als waarachtige geestelijke `verloskundigen' te beschouwen! Daar we dit nu weten kunnen we ons weer wat verderop begeven waar zich een heel nieuw tafereel aan ons zal voordoen. En dus genoeg voor vandaag!

 

33.

 

Over geestelijke verschijningsvormen

 

1 Als jullie eens heel goed willen kijken, dan zullen jullie wat meer naar rechts iets gewaarworden dat op een soort stofwolk lijkt. Jullie bevestigen dat je het ziet; dat is goed. Laten we ons daarom maar heel vlug naar deze stofwolk begeven, dan zullen we er spoedig dichterbij komen en haar gedetailleerder beschouwen. Jullie vragen: wat betekent hier zo'n stofwolk eigenlijk? Ik zeg jullie: niet bepaald veel; jullie hebben op aarde vaak iets gehoord over de zogenaamde grootdoeners, en kijk, dit is een overeenkomstig beeld van hen. Waarom en op welke manier, daarvan kunnen jullie je in de nabijheid van dit verschijnsel spoedig overtuigen. Daarom nog maar enkele schreden en we zijn bij het verschijnsel.

2 Kijk nu, daar zijn we al; wat zien jullie? Jullie zeggen: we zien nu geen stofwolk meer maar in plaats daarvan een groot gezelschap van dwergachtig verkommerde mensen van beiderlei kunne. Deze dwergmensen bluffen tegen elkaar, gaan op hun tenen staan en de een wil nog groter zijn dan de ander. De kleinsten nemen zelfs zand in hun hand, werpen het boven zich omhoog en lijken daardoor de anderen te willen aanduiden wat voor reuzen zij zijn. Jullie hebben het goed gezien, want zo komt de aard van hun gezindheid tot uitdrukking.

3 Nu gaan we heel dicht bij hen staan en dit gezelschap zal zich meteen weer heel anders voordoen. Kijk, nu zijn we hen heel dicht genaderd. Wat zien jullie nu? Jullie zeggen: nu komen ze ons wat groter voor, kijken elkaar uiterst voorkomend en vriendelijk aan en gedragen zich tegenover elkaar als kokette vrouwspersonen in een gezelschap. Jullie hebben het weer goed gezien, maar jullie vragen nu waaraan het ligt dat men zo'n gezelschap vanuit verschillende posities ook steeds anders ziet. Dat komt omdat het op aarde ook zo is. Van dichtbij durft niemand een machtige de waarheid in het gezicht te zeggen en zelfs de machtigen onder elkaar vermijden dat; vandaar dat allen elkaar het hof maken.

4 Wanneer zo'n gezelschap uiteengaat, verheft zich eenieder voor zich boven de anderen en heeft overal wat op aan te merken. Zo wil iedereen zich dus boven de ander verheffen; maar niemand waagt het nog om hardop iets bepaalds uit te spreken, maar maakt slechts vage toespelingen. Alleen voor zichzelf weet hij alles als het ware vanuit het hoogste standpunt te beoordelen; dat is de betekenis is van het `zand boven zich omhoog gooien' of met andere woorden, zijn verstand boven dat van alle anderen verheffen. Ver van zo'n gezelschap verwijderd wordt alles met de scherpste ogen bekeken; het hele gezelschap wordt veroordeeld en alle gesprekken en al haar doen en laten voor niets dan zinloos geklets of loze opschepperij gehouden.

5 Wanneer jullie nu deze twee gegeven situaties naast elkaar zetten, kunnen jullie daaruit de volgende conclusie trekken: van veraf bezien treedt het werkelijke aanzicht van een zaak naar voren; dichterbij gaat het totaalaanzicht al meer en meer verloren en in plaats daarvan komen de afzonderlijke delen meer naar voren. Van heel dichtbij gezien is van het oorspronkelijke aanzicht helemaal niets meer te ontdekken; in plaats daarvan springen de details des te duidelijker in het oog.

6 Wie dit nog niet helemaal begrijpt, maak ik opmerkzaam op een natuurlijk verschijnsel in de materiële wereld. Wanneer hij zich bijvoorbeeld op zo'n tien uur gaans verwijderd van een aanzienlijk gebergte bevindt, dan overziet hij dat geheel, en het ligt als een bepaalde afbeelding voor hem. Nadert hij het gebergte dan tot op een uur gaans, dan zal het beeld als het ware in delen uiteenvallen en hij zal nu verscheidene voorgebergten en dalen ontdekken die van veraf slechts een geheel met de hoofdberg leken te vormen. Klimt hij nu echter de berg zelf op, dan vergaat het hem als iemand die door de bomen het bos niet meer ziet, want dan is er van de eerste aanblik geen spoor meer te bekennen. Ik denk dat, door dit voorbeeld enigszins aandachtig te beschouwen, de betekenis van de drie verschijningsvormen van ons gezelschap volkomen duidelijk voor ons zal worden. Maar nu vragen jullie en zeggen: dat is allemaal heel duidelijk maar hoe is het verder nog met dit gezelschap gesteld? Wat voor mentaliteit heeft het? We kunnen het niet opmaken uit het gedrag van deze wezens, want hun hele doen en laten en hun taal lijken meer op een pantomime dan op een of andere conversatie met verstaanbare woorden.

7 Ik zeg jullie: dat is toch volkomen duidelijk. Jullie moeten werkelijk nog heel blind zijn als jullie niet kunnen raden waar het vandaan komt en waar het naar toe gaat. Kijk, dit is een gezelschap van louter grote, wereldse en egoïstische zogenaamde rijksambtenaren, die hun ambt enkel uitoefenden voor hun eigen belang maar niet voor dat van de hele staat en zijn burgers.

8 Op aarde gingen deze mensen bijzonder hoffelijk en vriendschappelijk met elkaar om, maar desalniettemin wist een ieder van hen zich op een hele slimme manier tegenover de ander te doen gelden. Niemand vertrouwde de ander en vond het daarom nodig hem langs allerlei slinkse wegen zo te manipuleren dat de ander niet veel geheimen voor zijn buurman kon hebben. Wat is echter zo'n zelfzuchtige vriendschap en zo'n heel doelbewuste hofmakerij anders dan een brutale behaagzucht, die op zich niets anders is dan een wortel of een zaadje van de eigenlijke ontucht. Zo werpt namelijk ook een hebzuchtige en wellustige hoer een man vriendelijke en veelzeggende blikken toe om hem in haar val te lokken en daarna iets van hem los te krijgen. Zo draagt ook een gier een schildpad omhoog om daarna, door haar te laten vallen, een lekker hapje te bemachtigen.

9 Zulke mensen zijn dan van weinig nut voor het algemeen belang en komen er daarbij zelf door de nog grotere listigheid van de anderen ook niet al te best vanaf. Ja, zulke mensen lijken nog het meest op spelers die elkaar 's avonds vriendelijk en broederlijk opzoeken en heel aardig zijn tegen elkaar. Zitten zij echter eenmaal aan de speeltafel, dan kan het niemand ook maar iets schelen wanneer zijn speelgenoot huis en hof aan hem zou verspelen.

10 Jullie zeggen nu: maar beste vriend, dat zijn toch kennelijk slechte mensen. Hoe komen zij dan hier terecht; zijn ze dan toch niet verloren? Ik zeg jullie: jullie oordelen hier te streng. Kunnen jullie dan geen onderscheid maken tussen de gewelddadige dieven en de zogenaamde arme gelegenheidsdieven? Kijk, daaruit bestaat ook ons gezelschap. Door hun positie op aarde hebben zij in zekere zin van overheidswege een politiek recht verkregen om zo te handelen en ze zijn er ook van overtuigd dat ze helemaal volgens de regels van hun beroep hebben gehandeld.

11 Maar hier in het rijk van de geesten wordt een mens voor een handeling nooit veroordeeld wanneer hij deze heeft uitgevoerd met een rechtvaardigheidsgevoel dat zijn geweten niet verontrustte en dat was ook bij deze mensen het geval. Voor hen is niets volle werkelijkheid, noch het goede noch het kwade, maar alles is in zekere zin slechts een politieke, min of meer slimme komedie. Om die reden zijn ze ook hier, opdat al het ijdele en valse in hen mag worden verteerd. Wanneer dat, al gaat het uiterst langzaam, tot stand is gebracht, worden ze pas uit deze omgeving herboren en komen in de dalen rechts op de achtergrond terecht, waar we onze stoïcijnen hebben leren kennen.

 

34.

 

Wederzijdse beïnvloeding van echtgenoten in het hiernamaals

 

1 Jullie zeggen: dat is volkomen juist en we begrijpen het. Maar omdat we in het gezelschap ook vrouwen hebben gezien, die toch geen openbare functie te vervullen hadden, is het de vraag wat zij hier doen en waarom ze in zekere zin met dit gezelschap tot een eenheid versmolten zijn.

2 Mijn beste vrienden, jullie zouden je over jezelf moeten verbazen dat jullie dit niet ogenblikkelijk begrijpen.

3 Is het dan niet van oudsher zo dat de in ieder opzicht veel zwakkere vrouw niets hartstochtelijker wil en begeert dan juist datgene waartegen ze het minst is opgewassen, namelijk heersen en regeren. Wanneer mannen een of andere functie bekleden en trouwen of reeds getrouwd zijn, dan is het vast en zeker altijd het geval dat de vrouw tenslotte meer regeert dan de eigenlijk tot regeren bevoegde man.

4 Om hun plannen te kunnen doorvoeren gebruiken ze al hun vrouwelijke listen en de man moet wel heel standvastig zijn, wil hij niet door zijn `Eva beetgenomen worden.

5 Jullie vragen weer: ja, maar wat is dan de reden dat de vrouw met haar listen gewoonlijk de overwinning behaalt? Ik zeg jullie: de reden is heel natuurlijk en daarom ook heel begrijpelijk. Als jullie bedenken dat de vrouw eigenlijk de wortel is van de man, dan zal jullie daardoor al het andere gemakkelijk te verklaren zijn.

6 De stam van een boom staat weliswaar met zijn takken in het licht van de hemel, zuigt etherische kost uit de stralen van de zon op en niemand merkt dat hij desondanks zijn hoofdvoedsel voornamelijk van zijn wortels krijgt. Als nu de wortels tegen de boom zouden samenzweren en zich tengevolge daarvan van hem zouden losmaken, wat zou er dan heel spoedig met de boom gebeuren? Hij zou verdorren en tenslotte geen vruchten meer dragen.

7 Kijk, dat weet de vrouw in haar hart en ze voelt heel goed aan hoezeer de man haar nodig heeft. Als ze echter slecht is opgevoed en daardoor een verdorven gemoed heeft, doet ze hetzelfde wat niet zelden de wortels van een boom doen; ze laten namelijk uit de aarde nieuwe loten opschieten, voeden deze, en daardoor wordt aan de boom de hem toekomende voeding onttrokken. Uit zulke wortelscheuten zal zeker nooit een krachtige en vruchtdragende boom groeien, maar in plaats daarvan een op de boom gelijkend struikgewas. Als de boon niet de hogere kost uit de hemel een dergelijk misbruik van de wortels niet krachtig tegengaat door zijn takken en twijgen flink uit te breiden en de kwalijke wortelscheuten met zijn sterke schaduw laat verwelken om ze tenslotte tijdens een gunstig jaargetijde of met behulp van de winter te verstikken, dan is dat duidelijk zeer nadelig voor zijn eigen bestaan en werkterrein.

8 Zo gaat het ook met een man die een heerszuchtige vrouw heeft die in alles wil imponeren. Als hij niet in staat is haar met zijn mannelijkheid krachtig tegen te werken, zal de vrouw hem spoedig helemaal hebben omsingeld met haar wilde scheuten en zal hij steeds zwakker worden, tenslotte wegkwijnen en al zijn kracht zien opgaan in de onoverwinnelijke zich mannelijk gedragende worteluitwassen van zijn vrouw. Dat is dan de vrouwelijke heers- en regelzucht!

9 Een ander voorbeeld zien jullie bij je kinderen, die in hun zwakheid vaak sterker zijn dan de allergrootste held, voor wie duizenden en nog eens duizenden sidderen. Laten we aannemen dat de held een vader is die een klein kind heeft dat nog nauwelijks in staat is iets verstaanbaars te brabbelen. Er mogen duizenden naar deze held toekomen om hem van een idee af te houden, toch zullen ze zeker niets bereiken. Maar dit kind hoeft hem maar aan te kijken, hem toe te lachen en dan tegen hem te zeggen: papa, blijf bij me, ga ditmaal niet weg, want ik ben zo bang dat je ongelukkig wordt; en de held wordt teergevoelig en luistert naar zijn kind.

10 Na dit voorbeeld keren we weer terug naar de vrouwen. Zoals jullie weten krijgt de stem van de man in zijn jongelingsjaren reeds een krachtige mannelijke klank; die van de vrouw behoudt de klank van het kind. Kijk, zoals de vrouw deze klank behoudt, zo behoudt zij ook voortdurend in zekere zin min of meer het hele kinderlijke wezen in zich. Tengevolge van dit vermogen bezit ze dan ook de kinderlijke macht die, zoals gezegd, niet zelden groter is dan de wilskracht van een nog zo groot wereldbeheersende veldheer.

11 Tengevolge van dit vermogen kan de vrouw dan ook vanuit de wortel op de man inwerken. Ziet zij dat er langs de weg van gewone `vrouwelijke politiek' bij de man niets te bereiken valt, dan grijpt de vrouw al gauw naar de voor haar kenmerkende zwak lijkende kinderlijkheid, waarmee ze dan ook meestal de krachtige man overwint.

12 Ik denk dat door dit voorbeeld alles nog duidelijker voor jullie wordt, zodat jullie daaruit zonder veel moeite kunnen opmaken waarom er in dit gezelschap ook vrouwelijke wezens zijn opgenomen. Jullie moeten echter nog weten dat de vrouw in de geestelijke wereld bij de man blijft zolang deze zich niet volkomen van alle ballast van de wereld heeft gezuiverd.

13 Menige man zou eerder, ja zelfs veel eerder tot geestelijke zuiverheid geraken, als hem zijn altijd in dezelfde omstandigheden meer zinnelijke vrouw daarin niet zou hinderen. Daarom zou ons gezelschap voor wat de mannen betreft, er reeds lang veel beter aan toe zijn als zich daarin geen vrouwen zouden bevinden.

14 Zo vaak een of andere man een goed voornemen heeft en in zijn hart een betere weg wil inslaan, weet zijn vrouw hem door haar heerszucht daar altijd vanaf te houden en hem een andere weg te wijzen. Met andere woorden: een man die een dergelijke vrouw heeft, komt in de geestelijke wereld nog veel moeilijker van haar af dan op aarde. Ook al wil hij zich van haar losmaken, toch weet zij hem door haar smeekbeden en allerlei kinderlijke aanstellerij weer te bewegen om bij haar te blijven en laat hem op alle mogelijke manieren beloven haar nooit te zullen verlaten.

15 Ja, het is zelfs vaak het geval dat mannen met een goed hart in dit oord aankomen met vrouwen die zichzelf eigenlijk helemaal rijp hebben gemaakt voor de hel. Zulke vrouwen zijn de gevaarlijkste en tevens ook de hardnekkigste, want hun hart hangt aan datgene wat de hel toebehoort, maar ook om verschillende baatzuchtige en heerszuchtige overwegingen aan hun man.

16 Daar echter haar gezindheid kennelijk naar de hel trekt en de betere man niet voldoende kracht bezit om zich van haar los te maken en zich bijgevolg overgeeft aan de ogenschijnlijke zwakheid van zijn vrouw, trekt zij hem geleidelijk aan over de grenzen van dit gebied en over de al aan jullie bekende stroom met zich mee op de, zoals jullie plegen te zeggen, meest onschuldige manier de hel in. Het kost dan zelfs de krachtigste engel het allergrootste geduld en de grootste moeite om zo'n man uit handen van zijn helse vrouw te bevrijden. Volgens jullie tijdrekening kan zo'n karwei vaak honderden jaren duren. En kijk, ook in dit gezelschap bevinden zich enkele van zulke vrouwen.

17 Jullie zeggen nu wel: maar hier zou de Heer toch kunnen ingrijpen en een geweldige streep door de rekening van zulke vrouwen halen. - Voor een dergelijke interventie is wel iets te zeggen zolang iemand niet bekend is met de hogere wegen van de goddelijke ordening. Maar wie deze kent weet maar al te goed dat zoiets met het oog op het behoud van het leven van de geest zo goed als onmogelijk is.

18 Jullie moeten weten dat de liefde van een mens zijn leven is en dit leven draagt hij in zich. Maar hoe komt het dat een man zich door een vrouw heeft laten overwinnen? Doordat hij haar te zeer in zijn liefde heeft opgenomen. De man moet hij zichzelf te rade gaan en de liefde voor zijn vrouw en die voor de Heer op een uiterst gevoelige weegschaal leggen; deze beide soorten liefde dan met angstvallige zorgvuldigheid afwegen en er goed op letten, waar het overgewicht aan het licht komt. Hij moet daarbij heel goed bij zichzelf nagaan welk verlies voor hem dragelijker zou zijn: het verlies van zijn geliefde vrouw waarbij ook alle voordelen van deze verbintenis voor hem wegvallen, of de liefde van de Heer.

19 Maar zoiets moet, zoals gezegd, niet bij een oppervlakkige opmerking blijven, waarbij iemand bijvoorbeeld zou zeggen: ik offer voor de liefde van de Heer niet een, maar wel tien vrouwen op. Nee, deze levensvraag moet altijd met volle overtuiging beantwoord worden.

20 Nemen wij het geval waarbij de Heer zo'n man, die met woorden beweert dat hij de Heer tienmaal meer liefheeft dan zijn vrouw, zijn vrouw zou wegnemen, namelijk door de dood van het lichaam.

21 Wanneer de man dan in zichzelf in alle ernst en met volle overtuiging kan zeggen: Heer, ik dank U dat U mij dit hebt aangedaan, want ik weet immers dankzij mijn liefde voor U, dat alles wat U doet het allerbeste is. Wanneer voor zo'n man bovendien de liefde tot de Heer echt een meer dan voldoende vergoeding zou zijn voor het verlies van zijn vrouw, dan is de liefde tot de Heer in hem werkelijk groter dan die voor zijn vrouw.

22 Wordt hij echter treurig over die handelwijze van de Heer en zegt hij: Heer, kijk, ik heb U zo lief; waarom hebt U mij zo'n verdriet en zo'n leed aangedaan? Waarlijk, jullie kunnen het geloven, zo'n man houdt meer van zijn vrouw dan van de Heer!

23 Wanneer zo'n man zijn vrouw ook nog verscheidene jaren overleeft, haar mettertijd vergeet en zich helemaal naar de Heer heeft toegewend, dan heeft hij desondanks zo'n liefde toch niet volkomen uit zijn hart verbannen. Want mocht zijn vrouw dan na tien jaar weer terugkomen dan zou hij als betoverd zijn en zijn vrouw weer met de grootste liefde opnemen, zeker wanneer ze hem bovendien als het ware geestelijk verjongd tegemoet zou treden.

24 Jullie vragen nu weliswaar weer: hoe is dat dan mogelijk als toch in zo'n geval een weduwnaar zich zo geheel aan de Heer heeft overgegeven? Maar ik vraag jullie: was deze overgave vrijwillig of veeleer slechts noodgedwongen? Zou hij dit gedaan hebben wanneer de Heer hem zijn vrouw niet had afgenomen? Bij de Heer echter telt alleen de vrije wil en dientengevolge de volledige zelfverloochening in alles.

25 Deze man treurde over het verlies van zijn vrouw. Daarom wendde hij zich tot dc Heer om hij Hem de nodige troost, geruststelling en volledige genezing van rijn gebroken hart te vinden.

26 Wat betekende in dit opzicht dan de Heer voor hem? Was Hij wel de centrale liefde in het hart van zo'n man of was Hij niet veeleer slechts een kalmeringsmiddel, een dekmantel voor de geleden pijn en dus ook een genezende pleister daarvoor? Nu kunnen jullie zeker niets anders zeggen dan dat de Heer hier slechts het tweede was, namelijk middel, dekmantel en pleister. Maar wie kan zeggen dat een liefde uit dankbaarheid gelijkwaardig is aan de fundamentele liefde van het hart?

27 Is dit onderscheid niet ook te maken tussen de liefde die een gelukkig gemaakt mens voor zijn weldoener voelt, en de liefde voor het geluk zelf dat hem ten deel gevallen is? Ik denk dat er tussen deze twee soorten liefde een heel groot verschil bestaat, want de liefde voor de weldoener is slechts een gevolg van de fundamentele liefde die in de ontvangen gelukzaligheid woont en is zodoende geen fundamentele, maar een ondergeschikte liefde.

28 Wat stelt zij echter voor met betrekking tot de Heer, aangezien de mens zijn allergrootste geluk toch alleen van de Heer mag verwachten? Zo bezien moet al het andere voor Hem van nul en gener waarde, en dus voor eeuwig overbodig zijn. Hij zou toch in zichzelf oprecht moeten kunnen zeggen: als ik de Heer maar heb vraag ik noch naar een hemel noch naar een aarde en dus nog veel minder naar een vrouw.

29 Hieruit kunnen jullie heel goed begrijpen waarom ik jullie er zeer indringend opmerkzaam op heb gemaakt, hoe buitengewoon grondig een man zijn liefde voor de Heer en die voor zijn vrouw moet onderzoeken, want de Heer zegt immers Zelf: wie zijn vader, zijn moeder, zijn vrouw, zijn broeder en zijn kinderen meer liefheeft dan Mij, is Mij niet waardig!

30 Nu vragen jullie weer: is zo'n man dan tengevolge van zijn ondergeschikte liefde voor de Heer verloren? Dat zeker niet, maar hij kan niet tot de Heer komen voordat hij de eigenlijke grond van zijn liefde voorgoed vaarwel heeft gezegd en zijn ondergeschikte liefde tot hoofdliefde heeft gemaakt.

31 Wat voor moeilijkheden dat in dit geestelijke rijk vaak met zich meebrengt, hebben we ten dele bij dit gezelschap kunnen zien. We zullen dit uiterst belangrijke punt bij een volgende scène echter nog veel duidelijker en grondiger in de praktijk aanschouwen. Dan zullen jullie zien hoe vaak zo'n ogenschijnlijk helemaal uitgedoofde, verkeerde echtelijke liefde weer opnieuw oplaait wanneer zulke echtgenoten in de geestenwereld weer bij elkaar komen. Daarom laten we dit gezelschap ongestoord zijn weg vervolgen en begeven we ons weer wat verder.

 

 

35.


Een echtpaar in het hiernamaals

 

1 Kijk, niet ver van ons vandaan zullen jullie een paar menselijke wezens zien. Het zijn een man en een vrouw en wel juist in een situatie die we heel goed voor ons doel kunnen gebruiken. Daarom gaan we er nu vlug naar toe zodat we hen dadelijk inhalen. Jullie vragen hoe de relatie is tussen die bei­den. Ik zeg jullie: voor ons doel kon ze niet beter zijn dan ze is. Het is een relatie waarbij de vrouw slechts zes jaar eerder dan haar man overleden is. De man heeft veel om haar getreurd, maar heeft zich na verloop van een paar jaar helemaal in de armen van de religie geworpen en trouw naar zijn verworven inzichten geleefd. Maar nu is ook hij van de aarde weggeroepen en pas kort­geleden hier aangekomen. Deze inleiding is voorlopig voldoende; de bijzon­derheden zullen jullie in de geest aan de hand van de praktijk ervaren.

2 Nu we bij deze gelegenheid, zoals jullie zien, ons paartje gelukkig hebben ingehaald, hoeven jullie niets anders te doen dan te letten op hun gesprek dat dadelijk zal beginnen en waaruit jullie al het nodige zullen kunnen opmaken. Luister nu! Zij begint zojuist haar man een vraag te stellen en zegt:

3 Ik ben bijzonder blij dat ik jou na zo'n lange tijd eindelijk weer eens zie en ook geloof ik dat van nu af aan geen dood ons meer zal scheiden. Maar ver­tel me nu ook voor zover je kunt, of mijn laatste wilsbeschikking nauwkeu­rig werd nagekomen, want dat gaat me bijzonder ter harte.

4 De man zegt: mijn boven alles geliefde vrouw, opdat je ziet hoe punctueel jouw laatste wilsbeschikking werd nagekomen, kan ik je slechts zeggen dat ik zelf in mijn laatste wilsbeschikking niets anders heb gedaan dan de jouwe weer opnieuw bevestigen. In mijn laatste wilsbeschikking heb ik mij dus pre­cies aan die van jou gehouden, enkele onbeduidende legaten daargelaten. Verder is ons gehele vermogen, dat door mij nog met enkele duizenden is vermeerderd aan onze kinderen vermaakt. Ben je daarmee tevreden?

5 De vrouw zegt: mijn steeds geliefde echtgenoot, op de legaten na volko­men! Zeg me daarom, hoeveel mogen deze wel bedragen, en aan wie zijn ze vermaakt? Lieve vrouw, zegt hij, de legaten bedragen bij elkaar niet meer dan tweeduizend gulden, zijn in vijven verdeeld en op één na aan vier verwanten van jou vermaakt. Slechts één deel moest ik fatsoenshalve aan de bedeling vermaken. Ik zou zoiets ook niet hebben gedaan als jij niet soms al tijdens jouw leven had aangegeven om deze verwanten van jou te gedenken. Maar wint de armen betreft, weet je toch dat men ten eerste al iets moet doen van­wege de buitenwereld en daarna ook iets omwille van God, omdat we toch christenen zijn en geen heidenen. Overigens betekent deze aalmoes van twee­duizend gulden toch niets vergeleken met ons achtergelaten grote vermogen, want zoals ik tenslotte heb berekend, krijgt elk van onze achtergebleven zeven kinderen een rond bedrag van honderdvijftigduizend gulden. Bovendien hebben alle kinderen geleerd om zuinig met geld om te gaan en kun jij dus evenals ik heel gerust zijn over jouw achtergelaten vermogen. Aan mijn zijde kun je nu samen met mij op zoek gaan naar een ander vermogen dat ons hier op z'n minst in een overeenkomstig gelukkige situatie kan bren­gen waarin we kunnen leven zoals we althans op aarde hebben geleefd.

6 Zij zegt: ik wil daarmee wel tevreden zijn als onze kinderen maar goed ver­zorgd zijn. Wel zou elk kind met die tweeduizend gulden wat kleingeld in handen hebben gehad en had het daarmee voorlopig kunnen beginnen zon­der direct de interest van het grote kapitaal te moeten aanspreken. Omdat het nu eenmaal zo is en we er niets meer aan kunnen veranderen, moet ik me er wel bij neerleggen.

7 Wat je echter zegt over een ander, hier bruikbaar kapitaal, vraag ik je als je steeds trouwe liefhebbende echtgenote, al jouw simpele gedachten wat dit betreft toch van je af te zetten; want er zijn reeds zes jaar verstreken waarin ik in grote angst en zorg door deze duistere en eenzame woestenij ronddwaal, terwijl het enige wat ik hier door verschrikkelijke hongersnood gedreven aan eetbaars kon vinden, een soort mos is. Af en toe is er hier en daar ook een soort heel dor gras te vinden waarmee men tenslotte zijn maag kan vullen. Zou je niet toevallig vanaf de aarde met nog wat schemerlicht juist op deze plek zijn aangekomen, dan zouden we elkaar in alle eeuwigheid moeilijk ooit hebben kunnen treffen.

8 Hij zegt: maar mijn geliefde vrouw, heb je er dan helemaal geen vermoe­den van om welke redenen je op deze donkere plaats terecht bent gekomen? Ik denk toch dat jouw te wereldse gezindheid je hier heeft gebracht. Je was wel een heel spaarzame en in onze wereldse verhoudingen zeer eerzame vrouw en je was verder ook buitengewoon verstandig; alleen was de leer van het ware christendom jou vaak een doorn in het oog. Je hebt je er soms niet zo gunstig over uitgelaten en hield je meer aan de wijsheid en de filosofie van de wereld. Ik heb je vaak gezegd, lieve vrouw, als er in het hiernamaals een leven bestaat, dan denk ik dat men daarin aan alle wereldwijsheid niet genoeg heeft; daarom zou het beter zijn zich aan Gods woord te houden, want het tijdelijke duurt maar kort. Als er echter een eeuwigheid bestaat, zul­len we niet onze tijdelijke wijsheid zoals gezegd, heel moeilijk onze weg vinden. Kijk lieve vrouw, dat zijn letterlijk de woorden die ik heel vaak in ver­trouwen tot je heb gesproken en zoals ik nu tot mijn grootste en betreurens­waardigste verbazing merk, zijn deze jammer genoeg maar al te goed uitge­komen. Daarom, denk ik nu, lieve vrouw, dat het voor ons de allerhoogste tijd is, als men dat hier zo kan zeggen, om ons helemaal vrij te maken van alle wereldse herinneringen en ons voor genade en ontferming tot onze Heer Jezus Christus te wenden. Want als Hij ons niet helpt zijn we voor eeuwig verloren; omdat ik in mezelf heel zeker weet en aanvoel dat er voor ons bui­ten Christus in de hele oneindigheid geen God en geen helper meer is. Helpt Hij ons dan zijn we geholpen; helpt Hij ons niet dan zijn we voor eeuwig reddeloos verloren! Nu zou ik willen dat ik ons hele vermogen aan de bede­laars had vermaakt en dat onze kinderen daardoor bedelaars zouden zijn geworden. Dat zou ons hier zeker meer zegen gebracht hebben dan al onze wereldwijze zorg voor het materiële welzijn van onze kinderen. Omdat we onze wereldse dwaasheid nu niet meer kunnen veranderen, blijft ons, lieve vrouw, zoals gezegd niets anders meer over dan dat we ons in alle ernst met uitsluiting van alle andere gedachten of wensen, alleen tot Christus wenden opdat Hij voor ons, ondanks onze grote dwaasheid, genadig en barmhartig mag zijn en juist deze dwaasheid door Zijn oneindige genade en erbarmen aan onze kinderen mag goedmaken.

9 De vrouw zegt: ik heb altijd wel gedacht dat jij je religieuze, dweperige dwaasheid ook naar deze wereld zou meebrengen. Wat hebben ik en jij op aarde dan ooit voor kwaad gedaan? Waren we dan niet altijd rechtvaardig tegenover iedereen? Zijn we ooit iemand iets schuldig gebleven of hebben we ooit een huisbediende het overeengekomene niet gegeven? Als er een of ande­re God zou bestaan of volgens jouw mening een of andere `Christus', dan zou het toch de grootste onrechtvaardigheid zijn dat Hij mensen zoals wij zou belonen met hetgeen we hier voor ons zien. Welke God zou het een mens dan ook maar in het minst kwalijk kunnen nemen dat hij geen geloof heeft kunnen hechten aan een `oude sage' die vol zit met onzin en belachelijke zaken. Ik geloof namelijk, en dat kan toch een blinde zien, dat als een God iets aan het menselijk geslacht gelegen zou zijn, vooropgezet dát er een God bestaat, de mens zich toch niets onrechtvaardigers zou kunnen dromen dan dat deze God slechts eenmaal persoonlijk, toegerust met algehele wonder­macht, tot de mensen zou zijn gekomen, en dan alleen tot de mensen van een heel klein gebied terwijl de gehele aarde toch bevolkt was.

10 Zeg me daarom, kan God dan zonder meer verlangen dat die mensen en volkeren die niet in hetzelfde gebied en vooral niet in dezelfde tijd met Hem hebben geleefd, onvoorwaardelijk moeten aannemen dat Hij het was die deze leer heeft gesticht? Kan God, als Hij bestaat en rechtvaardig is, hen kwa­lijk nemen dat ze dat niet kunnen? Of kunnen de mensen en volkeren niet tegen God, mocht Hij misschien bestaan, optreden en zeggen: hoe wilt u oogsten, als U niet hebt gezaaid? Hoe wilt U over ons rechtspreken als U een onrechtvaardige God bent? Wilt U echter rechtvaardig rechtspreken, oordeel dan degenen die U hebben gezien en tot wie U hebt gepreekt. Maar laat ons met rust, want we hebben U nooit gezien en hebben ons nooit van Uw bestaan kunnen overtuigen. Het woord dat ons is overgeleverd en van U afkomstig zou zijn, kan ons nooit oordelen, omdat het evengoed verzonnen als waar kan zijn en nog veel eerder verzonnen dan waar. Zolang we op aarde hebben geleefd, hebben we slechts de oude natuur gezien; van U echter geen enkel spoor. We zijn op de wereld gekomen als zuivere kinderen van de natuurkrachten. De mensen en wereldse leraren hebben ons pas kennis bij­gebracht. Ons hele leven lang was er van U geen spoor te bekennen. Waarom wilt U dan over ons rechtspreken, terwijl U ons nooit een bewijs dat van Uw bestaan en geaardheid zou getuigen, wilde geven?

11 Kijk, lieve man, dat is toch zo duidelijk als op aarde de zon op een hel­dere middag. Je ziet dit alleen nog niet in, omdat je nog veel te kort hier bent. Wanneer je zo lang hier zult zijn als ik dan zal het je zelfs in deze dichte duis­ternis volkomen helder worden. Als bewijs van mijn liefde en trouw zeg ik ook nog dat je hier aan de zijde van de jou boven alles liefhebbende vrouw je zogenaamde God-Christus zo lang en zo krachtig je maar wilt mag aan­roepen; toch sta ik met mijn liefde en trouw er voor in dat je na jarenlang roepen tot het duidelijke inzicht zult komen dat ik, jouw altijd trouw lief­hebbende vrouw, met mijn natuurlijke verstand helderder zie dan jij met al jouw zogenaamde godgeleerdheid.

12 Een oud spreekwoord zegt over de bijbel: o bijbel, o bijbel, je bent voor de mens een euvel! En kijk, dat spreekwoord heeft gelijk. Zouden de men­sen op aarde de moed hebben om deze oude joodse onzin met wortel en tak uit te roeien en daarvoor in de plaats het zuiver menselijke verstand te stel­len, dan zou de wereld wat haar cultuur betreft reeds honderden jaren verder zijn. Nu echter moet deze oude onzin, om welke redenen dan ook, nog steeds behouden blijven waardoor de meest eerzame en rechtschapen men­sen de handen voor het fijnere werk vaak gebonden worden. Wat is het gevolg? Denk eens na met je anders toch goede verstand! Waar vindt men de meest liederlijke, slechte en arme mensen? Zeker nergens anders dan juist daar waar overwegend de bijbel en vooral de nieuwe christelijke leer thuis is. Ga naar Rome, ga naar Spanje, ga naar Engeland en je zult mijn woorden bevestigd vinden.

13 De mensen verlaten zich op een God en beginnen in afwachting van Zijn hulp, te luieren! Maar de hulp komt niet, dus het natuurlijke gevolg is dat dergelijke mensen verarmen en al worden het niet allemaal slechte kerels, toch worden ze tenslotte de vlijtige en nijvere mensen tot last. Men roept alom en zegt: God is oneindig goed, hoogst liefdevol en buitengewoon barmhartig; maar Hij zou desondanks toch zeker iedere bedelaar laten verhongeren als deze niet door zijn werklustige medemensen zou worden verzorgd.

14 Kijk, lieve echtgenoot, voor eerlijke, vlijtige en daardoor welgestelde mensen is het voor de luie geestelijkheid makkelijk preken over een oneindig goede en barmhartige God. Maar laten we deze mensen buiten beschouwing, dan zullen we spoedig zien welk een treurig einde zulke preken nemen. Zouden deze zwarte of witte schreeuwers op aarde weten hoe het met het leven in het hiernamaals gesteld is, dan zouden ze zeker anders preken of in plaats daarvan de ploeg die gewin opbrengt ter hand nemen. Er kan best een God bestaan als oerkracht die het hele universum leidt, maar een God zoals de joodse bijbel leert, bestaat zeker niet.

15 Hij zegt: o geliefde vrouw, je bent met je gedachten op een verschrikkelijk dwaalspoor, want ik heb juist bij beroemde theologische schrijvers gelezen dat zuiver helse geesten precies zo praten als jij. Ik kan je verzekeren dat dit ook de enige geldige reden is waarom jij je hier in deze eeuwige nacht bevindt. Werkelijk waar, ik word echt verschrikkelijk bang om jou! Want met zulke principes zie ik je onherroepelijk voor eeuwig verloren gaan! Als je absoluut geen andere principes wilt aanvaarden dan voel ik me noodgedwongen verplicht je voor altijd te verlaten.

16 Zij zegt: en jij zou in staat zijn om mij, jouw trouwe, jou eeuwig liefhebbende vrouw zoiets aan te doen? Ik zeg je dat ik zoiets niet zou kunnen, al was je werkelijk tot de hel verdoemd! Ik zou je in het vuur niet willen verlaten en jij wilt mij vanwege mijn verstandige woorden verlaten? Het staat ook jou vrij om mij jouw mening op een verstandige manier uiteen te zetten, maar het mag geen onzin zijn, want ik houd te veel van je om je op dwaalwegen te laten belanden. Volg mij maar, ik wil je naar een andere plaats brengen waar het beter zal zijn dan hier en waar jij pas in een groter gezelschap gevoeglijk zult ervaren, hoe men er hier aan toe is.

17 Hij zegt: mijn lieve vrouw, ik wil je immers niet verlaten, want daarvoor houd ik te veel van je en daarom zal ik je ook volgen waarheen je me maar wilt brengen, omdat ik zie dat je hij al je onwetendheid aangaande de ware

religie toch steeds even eerlijk van hart bent. Jij bent nog steeds mijn goede vrouw waarop ik verder niets heb aan te merken, behalve dat ze mijn inzichten niet kan delen. Als je dan ook in dit rijk der duisternis een of andere betere plaats weet, breng me er dan maar heen, dan zullen we wel zien wat daar allemaal te doen valt. Kijk, ze pakt zijn arm en leidt hem verder. Maar wij zullen dit interessante paar volgen om getuige te zijn van het welslagen van deze verhouding. Zij gaan, dus gaan wij hen achterna.

 

36.

 

Het echtpaar en een leugengeest

 

1 Jullie moeten je er niets van aantrekken als jullie ogen deze keer wat meer op de proef worden gesteld, want onze weg loopt meer naar het noorden en daar wordt het steeds donkerder. Desondanks zullen we voor onszelf nog altijd zoveel licht hebben, dat ons bij deze gelegenheid niets zal ontgaan.

2 Horen jullie nog niets vanuit de verte? Jullie zeggen: we horen wel iets, maar het is heel wat anders dan een menselijke stem; het klinkt eerder alsof men van tamelijk veraf het geratel van veel wagens hoort. Ook klinkt het af en toe als het donderend geraas van een grote, veraf gelegen waterval. Jullie vragen wat dat te betekenen heeft. Laten we ons paar maar achterna gaan, dan zullen we daar spoedig achter komen.

3 Kunnen jullie daarginds nog niet iets vaag roods onderscheiden, een schijnsel als van een stuk matgloeiend ijzer? Kijk in die richting, want daar wacht ons een belangrijke vertoning.

4 Luister, het komt steeds dichterbij en het eigenaardige lawaaierige geratel verandert steeds meer in natuurlijke rauwe menselijke stemmen. Maar nu blijven we staan, want de massa begeeft zich rechtstreeks hiernaartoe en zoals jullie zien, heeft ook onze elkaar zeer liefhebbende voorhoede pas op de plaats gemaakt.

5 Kijk eens hoe hij bang hij is voor hetgeen er komen gaat en uit grote angst en vrees achteruitdeinst. Zij grijpt hem echter bij de arm en smeekt hem bij alles wat haar dierbaar is om slechts voor deze ene keer naar haar te luisteren en te blijven, omdat dit nu juist het geluk is dat zij hem voorspeld heeft en dat hij moet leren kennen om zich ervan te overtuigen in hoeverre zij gelijk of ongelijk had.

6 Hij vraagt haar wat hetgeen hen nadert en hem zo huiveringwekkend voorkomt dan wel mag zijn. En zij zegt tegen hem: wat dat is, wat dat is?! Louter diep nadenkende mensen zijn het, wat je spoedig met eigen ogen duidelijk zult zien en met eigen oren duidelijk zult horen.

7 En kijk nu, hij stelt zich daarmee tevreden en wacht op de dichterbij komende diep nadenkende groep. Zie, het tamelijk grote gezelschap is er bijna. Ons paar gaat hen beleefdheidshalve tegemoet. Ook wij moeten, al is het niet uit beleefdheid maar met een ander doel, hetzelfde doen.

8 Kijk, nu komen ze bij elkaar en begroeten elkaar met de grootst mogelijke hoffelijkheid. Daarom gaan wij ook nog wat dichterbij opdat ons niets ontgaat.

9 Zoals jullie zien, komt er uit het midden van het gezelschap een knokige en uitgeteerde mannelijke gestalte, die zich naar ons paar begeeft. De vrouw ontvangt hem bijzonder liefdevol en welwillend. Ook de man van de vrouw maakt een diepe buiging voor deze mannelijke gestalte.

10 De mannelijke gestalte zegt: zeer geachte dame, het doet me buitengewoon veel genoegen dat mij het bijzondere geluk ten deel is gevallen u weer de onze te mogen noemen, want met uw verstand en uw verdere buitengewoon innemende gedrag bewijst u ons gezelschap een grote eer en geeft u ons werkelijk het mooiste sieraad. Wel mijn lieve dame, mocht u iets op uw tedere hart hebben, dan zou het voor mij de grootste zaligheid zijn als u mij zo'n zoete hartenwens zou willen toevertrouwen.

11 Zij zegt: mijn hooggewaardeerde en bovenal zeer geëerde vriend, ziet u, deze man hier aan mijn zijde is mijn teder geliefde aardse echtgenoot. Hij heeft zich op aarde bij al zijn handelwijzen buitengewoon rechtvaardig, goed en profijtelijk gedragen, zodat ik in alle ernst moet bekennen dat ons huwelijk heel gelukkig was. Want wat kan een vrouw zich voor een gelukkiger huwelijk wensen, dan wanneer ze een man heeft die aan alle verlangens van het vrouwelijk hart tegemoet komt? Wat dat betreft zou ik, op enkele onbeduidende kleinigheden na, niets aan te merken hebben.

12 Maar nu komt er een belangrijke kwestie waarover we het nooit eens konden worden en waardoor er dan ook regelmatig enige ergernis tussen ons beiden was. Ik zal u de reden van deze ergernis zo goed als het voor een vrouw maar mogelijk is uitleggen en u, mijn zeer geëerde vriend, zult dan zeker zo goed willen zijn om mijn man daarover een paar woordjes toe te fluisteren die hem beslist volkomen zullen genezen.

13 De gestalte zegt: ik smeek u mijn zeer geachte dame, u bent veel te goed! Ik geef u de verzekering dat het voor mij een grote eer en een heel bijzonde~

re gelukzaligheid zal zijn als ik tot mezelf zal kunnen zeggen dat ik een zo lieftallige dame met mijn persoontje heb mogen dienen. Daarom vraag ik u mij de kwestie die u op uw hart hebt toe te vertrouwen. Zij zegt: ach, mijn zeer gewaardeerde vriend, u bent veel te goed en te bescheiden en juist deze grote goedheid en bescheidenheid boezemen mij zoveel vertrouwen in, dat ik niets voor u achter zal houden; wees dus zo goed om naar mij te luisteren.

14 Ziet u, wat deze fatale kwestie betreft kan ik ronduit zeggen, dat mijn overigens brave, goede en beminnelijke man een bijbel- en dus ook een Christusfanaat is. De reden echter waarom hij zich in de armen van deze belachelijke sekte heeft geworpen is, dat hij van arme afkomst is. Daarom werd hem, zoals het in het algemeen bij de arme klasse het geval is, deze oude bedelfilosofie reeds vanaf de wieg ingeprent. Maar hoe moeilijk het naderhand is zo'n met de moedermelk ingezogen en dus tot eigen vlees geworden onzin eruit te krijgen, weet u, zeer geëerde vriend, zeker beter dan ik. Met deze bedelfilosofie is mijn trouwens zeer gewaardeerde man nu ook hier beland in het rijk waar de oerkrachten van de natuur heersen, zoals u ons al vaak allervriendelijkst hebt uitgelegd. Maar dat wil er bij hem niet in! Hij is nog verknocht aan zijn Christus en wil zich zelfs van mij losmaken om deze zeker nergens aanwezige Christus op te zoeken. Nu heb ik u, mijn geleerde en zeer geëerde vriend, heel in het kort mijn probleem voorgelegd, en daarom vraag ik u of u zich over mijn in dit opzicht arme man zou willen ontfermen.

15 De gestalte zegt: o, als het anders niets is, zullen we dat hier in het rijk van de naakte waarheid wel vlug en makkelijk voor elkaar krijgen. Nu wendt de gestalte zich tot de man, reikt hem vriendelijk de hand en zegt: beste vriend, is datgene waarover uw beminnelijke echtgenote zich zojuist bij mij heeft beklaagd u werkelijk ernst?

16 De man zegt: geachte vriend, ik moet u eerlijk bekennen dat ik beslist niet geloof dat wij het, hoe bijzonder lief en dierbaar mijn echtgenote me ook is, over deze kwestie ooit eens zullen worden. Want hoe het ook moge gaan, ik ben vast besloten om eeuwig aan mijn geloof in Christus vast te houden! En ik ben er ook vast van overtuigd dat deze naam mij steeds veel troost heeft gegeven en ook steeds mijn onfeilbare, gelukkige en leidende ster was. Ben ik ooit op een dwaalweg geraakt, dan zeker alleen doordat ik me niet standvastig aan Christus heb gehouden. Als ik me dan echter weer tot Christus had gewend, werd ik vaak weer als bij toverslag geholpen!

17 U als denkend en wijs man zult dus zelf inzien dat het van mijn kant zeer onbillijk zou zijn, mij van ver zo'n weldoener te verwijderen, vooral nu ik Hem, naar het mij voorkomt, het meest nodig heb. Daarom geachte vriend, doet u voor mij in dit opzicht vooral geen moeite, want ik geef u openhartig de verzekering dat u bij mij niets zult bereiken. Ik was lang genoeg een dwaze slaaf van de charmes van mijn vrouw. Ik heb na haar overlijden in Christus mijn Heer geleerd om deze te kunnen ontberen en ik hoop dat ze me hier niet meer zullen beïnvloeden, vooral omdat door de dood van mijn lichaam de huwelijksband met mijn vroegere vrouw heeft opgehouden te bestaan. Wil zij mij echter volgen dan zal ze mij ook altijd waardevol en dierbaar zijn. Maar mijn Christus opgeven voor haar zal ik nooit doen, al trok ze me ook met alle geweld naar het middelpunt van een of andere hel! Is ze ermee tevreden dat ik tenminste ongehinderd met mijn Christus bij haar kan zijn, dan wil ik mijn oude liefdesbanden met haar niet verbreken, maar is ze dat niet, dan heb ik bij deze mijn laatste woord in haar aanwezigheid gesproken.

18 De gestalte zegt tegen de man: beste vriend, ik heb u van begin tot eind geduldig aangehoord en kan over uw uitlatingen alleen maar in alle ernst zeggen dat ik deze ten zeerste betreur. Opdat u evenwel weet met wie u te doen hebt (nu neemt de gestalte zijn toevlucht tot een leugen) zeg ik u dat ik de grote leraar Melanchthon ben, over wie u op aarde zeker wel iets hebt gehoord. De man zegt: o ja, maar wat wilt u daarmee zeggen? De gestalte zegt: geachte vriend, niets anders dan dat ik zeker beter weet wat Christus is dan u, want ik heb tot aan het laatste uur van mijn aardse bestaan met uitzonderlijke ijver in de zogenaamde christelijke wijngaard gewerkt en ik zou voorwaar zelfs zonodig voor Christus de dood zijn ingegaan. Ik heb niet alleen de roomse maar ook de meer zuivere leer van Luther van alle overbodige ballast gezuiverd; ik leefde letterlijk volgens de zin van deze leer en wat was het gevolg? Dat hoef ik u, geachte vriend, niet met veel woorden uit te leggen, want één blik van u op mijn hele wezen zal u het resultaat van mijn leven volgens de zogenaamde kwintessens van het christendom laten zien. Meer hoef ik u niet te zeggen. Laat het dus maar op het oude 'experientia docet' ( Al doende leert men.) aankomen, dan ben ik ervan overtuigd dat we elkaar, als alles goed gaat, na verloop van honderd jaar precies zoals we nu tegenover elkaar staan weer zullen ontmoeten. U mijn vriend, bent hier nog een volslagen nieuweling en weet niet hoe men leeft in het rijk van de centrale oerkrachten. Wanneer u echter enkele tientallen jaren door deze eeuwige nacht zult zijn opgejaagd en daardoor danig uitgehongerd zult zijn, zullen zeker ook meer solide en praktische inzichten in uw, van alle wereldse dwaasheden bevrijde hoofd, een ruimere plaats vinden dan nu.

19 De man zegt tegen de gestalte: zeer geachte vriend, als ti op dit gebied zo'n goed gefundeerde kennis bezit, laat me dat dan eens horen. Ik ben er echt niet afkerig van om naar u te luisteren, maar zal desondanks bij mijn mening blijven als de uwe mij niet volkomen overtuigd heeft.

20 De gestalte zegt: goed mijn vriend, ik wil u er eerst eens opmerkzaam op maken, wat voor vruchten het christendom welbeschouwd op aarde heeft afgeworpen. De Romeinen waren een groot volk zolang ze bij hun goddelijke verstandsleer bleven. Al hun werken waren groots en vol wijze betekenis. Hun rechtsprincipes zijn tot nu toe nog de basis voor alle staats- en volkenrechtelijke wetten. Maar toen het christendom was binnengeslopen, sloop ook de dood voor het grote Romeinse volk binnen. Nu verblijven op de plaats waar eens het grootste en heldhaftigste volk woonde, luie, nietsdoende priesters, een hoeveelheid ellendig gepeupel, en een groot aantal dieven en rovers liggen met de rozenkrans in de hand langs de wegen op de loer, waardoor geen voetreiziger meer zeker is van zijn leven. Ziet u, dat is een vrucht uit de tuin van het christendom! Reis eens door het prachtige Spanje, bekijk deze natie uit oude tijden en ga daarna naar de christelijke Middeleeuwen; dan zal het aan uw blikken niet ontgaan hoe door louter christelijke zegen duizenden en nog eens duizenden bloeden, en duizenden en nog eens duizenden boven vlammende brandstapels tot as verbrandend, vertwijfeld hun laatste adem uitblazen! Kijk eens naar de aandoenlijke invoering van het christendom onder Karel de Grote, hoe hij met deze zegen duizenden en nog eens duizenden over de kling heeft laten jagen! Reis van daar naar Amerika; sla de geschiedenis er op na en ze zal u talloze meest beklagenswaardige en jammerlijke voorbeelden tonen van de christelijke zegeningen die daar hebben plaatsgevonden! Ga van daar naar mijn tijd en bekijk de zegenbrengende gruwelen van de dertigjarige godsdienstoorlog. U kunt de oergeschiedenis van alle volkeren kritisch bekijken, en mocht u in staat zijn mij daarin gelijksoortige gruwelscènes aan te tonen, dan verplicht ik mij u eeuwig in mijn armen rond te dragen.

21 Ik wil u verder niet opmerkzaam maken op de veelvuldige zegeningen van het christendom die elders en op andere tijden plaatsvonden, maar laat u in plaats daarvan slechts de toestand zien van de tegenwoordige volkeren die het christendom nog niet kennen, zoals de bijna eeuwig vreedzame Chinezen en nog andere aanzienlijke volkeren in Azië en die op de nog niet ontdekte eilanden. U moet wel volslagen blind zijn als u nu niet met één oogopslag het verschil ziet tussen het christendom en de ware wijsheid van nog oudere, meer ervaren en vreedzame volkeren. Toch zeg ik u, dat al deze grote, schadelijke gebreken van liet christendom of veeleer van liet nieuwe jodendom nog goed te praten zouden zijn als iemand zou zeggen: deze historische feiten zijn allemaal wel waar, maar Christus heeft ze nooit geleerd en Hij kan dus onmogelijk de schuld dragen van al het onheil dat de verbreiding van Zijn leer met zich mee heeft gebracht, want Zijn leer was immers zuiver en bijzonder menslievend. Beste vriend, dat klinkt allemaal heel mooi en daarom was ikzelf ook tijdens mijn hele leven op aarde een vurig verdediger van het christendom. Pas hier zag ik in deze leer het eigenlijke gif voor de volkeren en dat is de duidelijke verwijzing naar luiheid en nietsdoen. De mens, die toch al een aangeboren neiging tot luiheid heeft, vindt in deze leer de beste verdediger van deze neiging, omdat hem kennelijk gezegd is niets anders te doen dan een zeker geestelijk rijk te zoeken, waardoor de gebraden vogels hem dan zonder meer in de mond zullen vliegen. Ziet u, verscheiden wijze mannen hadden niet veel tijd nodig om zich ervan te overtuigen dat het met deze gebraden vogels op niets zou uitlopen. Daarom grepen ze naar andere middelen, namelijk het oude vertrouwde zwaard, lieten het eenmaal gekerstende volk bij zijn blindheid en verschaften zich dan de gebraden vogels met het zwaard in de hand. Vriend, denk hierover zoals u wilt, toch zult u wat het christendom betreft, onmogelijk tot een andere conclusie komen, ongeacht alle hogere, geestelijke ervaringen die men hier in gelouterde toestand, zoals in mijn geval, na verloop van verscheidene eeuwen heeft opgedaan. Waarde vriend, ik ben nu uitgesproken en u kunt doen wat u wilt. Wees overigens steeds verzekerd van mijn hoogachting en mijn vriendschap; het zal mij ook een groot genoegen zijn als we elkaar over een paar eeuwen weer zullen ont moeten. - Kijk, de ander gaat weg en trekt met zijn hele gezelschap weer verder, ons paar alleen achterlatend. Over het effect van deze `prachtige redevoering' en dit bijzonder mensvriendelijke onderricht zullen we pas de vol

gende keer meer ervaren. En dus genoeg voor vandaag.

 

37.

 

De zwakheid van de man.

De gang van de vrouw naar de hel

 

1 Kijk, het gezelschap is al helemaal verdwenen, maar ons paartje staat nog in gedachten op dezelfde plek. Zij vraagt hem: wel geliefde echtgenoot, wat zeg je daar nu op? Hij bezint zich even en zegt: mijn lieve vrouw, hier valt in ieder geval niet meer veel op te zeggen. Ofwel de spreker heeft gelijk, dan is de zaak inderdaad beslist en hoeft niemand er meer iets over te zeggen, of hij heeft ongelijk, dan blijf ik bij mijn principes en dan valt er ook niet veel te zeggen. Of hij gelijk of ongelijk heeft, is niet zo vlug vast te stellen, maar dat moet mijn eigen ervaring mij eerst na verloop van tijd leren.

2 Zij zegt: maar beste man, houd je mij, je trouwe vrouw en deze waardige man dan voor leugenaars omdat je zijn overtuigende woorden niet dadelijk wilt geloven? Kijk, mensen zijn pas geneigd te liegen en elkaar te bedriegen als ze daarmee zelf voordeel kunnen behalen. Maar zeg me eens welk voordeel kunnen leugen en bedrog iemand hier opleveren? Hier is immers niets te winnen noch te verliezen; maar één ding is zeker: een gezelschap is er wat de verzadiging van zijn maag betreft altijd slechter aan toe dan iemand die alleen door deze eindeloze streek dwaalt. Een enkeling vindt al gauw nog voldoende eetbaar mos of gras om in geval van nood zijn maag mee te kunnen vullen, maar zijn er meer bij elkaar, dan zijn zij met zo'n plekje mos zeker slechter af dan een enkeling.

3 Je vraagt mij wat ik daarmee wil zeggen? Mijn allerliefste man, niets anders dan dat ik, noch deze verstandige man, jou omwille van eigen voordeel willen overreden om van jouw oude bijbelgeloof af te zien. Want als wij ieder voor onszelf verdergaan, hebben we daar toch beiden profijt van omdat ieder afzonderlijk zich er op deze karige bodem altijd gemakkelijker doorheen kan slaan dan twee of meer bij elkaar. Als we je dus hadden willen beliegen of bedriegen dan hadden we jou toch zeker bij je principes gelaten en je zou als consument ten gevolge van je principes van ons weg zijn gegaan. Wij wilden jou beslist niet beliegen of bedriegen, maar we hebben je alleen de zuivere waarheid getoond, waarvan op aarde geen sterveling zou kunnen dromen, en allerminst zo'n verstokte bijbel- en Christusfanaat als jij. Waar wil) e dan nog over nadenken? Kom toch eens tot bezinning en volg mij, je eeuwig liefhebbende vrouw. Zo je dan op aarde niet naar mij hebt willen luisteren, doe dat dan tenminste hier in het rijk van de naakte waarheid, waar ik nu al zes jaar meer ervaring heb dan jij. Kijk, op aarde is er niets dan bedrog, omdat iedereen daardoor iets wint of tenminste denkt iets te winnen, maar hier is aan al het winnen een einde gekomen; daarom vallen leugen en bedrog vanzelf weg. Geloof me, mij bindt niets anders aan jou dan mijn liefde; dat is nog de enige winst die ik door jou heb. Maar als jij steeds dwaas aan oude, onbeduidende principes vasthoudt, valt voor mij ook dit gewin weg. Wij kunnen daarom alleen maar gelukkig zijn als onze inzichten en ons gevoel volledig met elkaar in overeenstemming zijn. Kunnen we deze harmonie niet tot stand brengen, dan zal ik je eerlijk moeten bekennen dat ik zonder jou, gelukkiger zal zijn dan met jou, leeghoofd, aan mijn zijde. Ik ben nu niet meer in staat nog meer ten gunste van jou aan te voeren, behalve het volgende: omdat ik je oprecht liefheb en altijd heb liefgehad, heb ik hier dan ook al het mogelijke gedaan om je mijn eeuwige, plechtig beloofde liefde en trouw te bewijzen. Maar jij, die mij nooit hebt liefgehad, bent bereid om mij voor altijd uit liefde voor je dwaasheid te verlaten. Oordeel nu, wat je wilt doen.

4 Kijk, de man begint zich achter de oren te krabben en zegt na een poosje tegen zijn vrouw: mijn lieve vrouw, ik heb uit jouw woorden opgemaakt dat je me werkelijk liefhebt. Dat kan ik onmogelijk ontkennen. Maar ik zie alleen niet in, dat wanneer in deze donkere geestenwereld noch met waarheid noch met leugen en bedrog iets te winnen of te verliezen valt, waarom wil jij mij dan volkomen zinloos een zekere waarheid opdringen, waarmee tenslotte evenmin iets te winnen valt als met mijn zogenaamde door jou en de geleerde man bewezen dwaalleer? Daarom ben ik van mening dat, als jouw liefde voor mij werkelijk zo intens is als je me daarnet hebt aangetoond, je mij dan evengoed kunt volgen als ik jou, tenzij je op de weg van jouw waarheid reeds iets beters hebt gevonden. In dat geval wil ik jou wel volgen om me van de betere realiteit van jouw waarheid te overtuigen. Is dat niet het geval dan is het toch om het even waar we naartoe gaan.

5 Ik denk altijd maar: we hebben op aarde wel zogenaamd als christenen geleefd, hebben ook het evangelie gelezen maar er in wezen nooit naar geleefd. We leefden en handelden volgens onze eigen inzichten en voor ons eigen voordeel, maar van het daadwerkelijk uitoefenen van de leer van Christus was noch bij mij en nog veel minder bij jou ooit sprake.

6 Kijk, die leer zegt: `Heb God lief boven alles en je naaste als jezelf.' Hebben we dit ooit gedaan? Als ik mijn hart vraag dan antwoordt het mij nu geestelijk oprecht dat de liefde voor God hem volkomen vreemd is gebleven. Maar jij geloofde nooit in een God, dus moet jouw hart nog meer van deze belangrijke liefde verstoken zijn dan het mijne.

7 Verder staat er in het woord van het evangelie: `Wie met Mij het leven wil binnengaan, neme zijn kruis op en volge Mij!' Zeg eens, mijn lieve vrouw, wanneer hebben wij zoiets gedaan op aarde? Ik heb nooit een kruis gedragen en jij nog veel minder; ons hele kruis bestond enkel uit louter wereldse geldzorgen.

8 Verder staat er in het evangelie dat de Heer tegen de rijke jongeling zegt: `Verkoop al je aardse goederen, verdeel de opbrengst onder de armen en volg Mij, clan zul je het eeuwige leven bezitten.' Maar wat zegt de grote Leraar tegen de jongeling of eigenlijk tegen Zijn apostelen toen deze zich na zo'n verkondiging wenend van de Heer verwijderde? Kijk, die woorden waren vol bijzondere betekenis en naar het me voorkomt, ondergaan wij nu juist de treurige betekenis van deze woorden die als volgt luiden: `Het is voor een kameel gemakkelijker om door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke door de poort van het hemelrijk.'

9 Verder staat er nog in de Schrift dat de Heer vele gasten voor een feestmaal liet uitnodigen en dat de genodigden vanwege hun wereldse zaken geen tijd hadden om te verschijnen. Zeg eens, zijn wij niet keer op keer uitgenodigd en hebben we gevolg gegeven aan deze uitnodiging? Wel, mijn lieve vrouw, we hebben het geheel en al aan onszelf te danken, dat het ons nu zo vergaat en dat we ons nu op deze plaats van uiterste duisternis bevinden waar gehuil en tandengeknars is en waarvan de Heer eveneens gezegd heeft dat met name mensen zoals wij in die uiterste duisternis zullen worden geworpen.

10 Omdat hier geen geloof in de Heer te vinden is en jouw eerbiedwaardige gezelschap evenals jij ontkennend over Hem heeft gesproken, ben ik van mening dat het zich om dezelfde reden hier bevindt als wij beiden. Als de grote liefde en barmhartigheid van Christus ons allen niet helpt, ben ik ervan overtuigd dat alle eeuwigheden die geheel met melanchthonische waarheden gevuld zouden zijn, ons bitter weinig kunnen helpen.

11 Overigens, als jij met de door jouw vermeende waarheid ergens al iets beters hebt gevonden, dan wil ik jou, zoals gezegd, daarheen volgen om je daarmee te tonen dat ik jou ook liefheb en dat ik je niets van mijn principes zal opdringen zoals jij mij jouw zogenaamde waarheid hebt opgedrongen.

12 De vrouw zegt: praat maar zoveel je wilt, ik heb nu eenmaal gelijk. Ik kan je weliswaar niet de verzekering geven nu al iets beters te hebben gevonden, maar desalniettemin ben ik van mening dat, wanneer je mij wilt volgen, we binnen niet al te lange tijd een plaats kunnen vinden waar licht in overvloed zou kunnen zijn. Want kijk, hier aan onze rechterkant ben ik eens, afgaande op mijn innerlijke gevoel, lange tijd rechtdoor gelopen, waarna ik uiteindelijk bij een brede stroom uitkwam. Aan de overkant van de stroom zag ik een machtig gebergte en achter het gebergte kwam er licht op als het gloren van het vroege morgenrood. Zou men maar op de een of andere manier de stroom kunnen oversteken, dan zou men naar mijn overtuiging in een lichtere omgeving dan deze moeten komen.

13 De man zegt: welnu, ik zal je volgen; leid me er maar heen. Maar nu gaan ook wij, want jullie moeten dit tot aan de ontknoping mee aanzien!

 

38.

 

In de eerste graad van de hel

 

1 Jullie zeggen: beste vriend, wij volgen dit paar zoals het voor ons uit gaat al geruime tijd even blind en stilzwijgend als deze nacht is, en kijk, er is nog nergens iets te zien van het morgenrood achter de bergen waarover de vrouw sprak. Waar is het dan? Zou de vrouw werkelijk haar man betogen hebben? Ik zeg jullie: heb nog even geduld, dan zullen jullie dit lofwaardige morgenrood nog vroeg genoeg te zien krijgen. Let maar op ons paar, hoe de vrouw steeds vrolijker, de man daarentegen steeds bedroefder en somberder wordt.

2 Jullie vragen: waarom? Het antwoord ligt voor de hand: zij nadert het element waarnaar haar liefde uitgaat; daarom wordt ze ook blijmoediger. Maar bij hem is het tegenovergestelde het geval. Hij nadert een hem niet verwant element, wordt niet door zijn liefde getrokken maar veeleer door de liefde voor zijn vrouw in hem meegesleurd.

3 Het vergaat hem bijna als de minnaar in de verhalen van de ouden, die over de liefde van de schone Sirenen gaan. Zolang de minnaar vanuit zijn sfeer de hem betoverende Sirene aanschouwde, was hij vol verrukking. Een omhelzing van zo'n geliefde leek hem het toppunt van geluk te zijn. Toen hij echter zijn geliefde naderde en deze hem in haar zachte armen sluitend naar beneden in haar element begon te trekken, ging de aanvankelijke fantastische bekoring verloren en kwamen hevige schrik en doodsangst daarvoor in de plaats.

4 Kijk, precies zo gaat het ook hier. De man merkt dat het gaandeweg steeds duisterder wordt. Zo'n steeds ondoordringbaarder wordende nacht is niet zijn element, maar de vrouw voelt zich des te behaaglijker naar mate het donkerder wordt, omdat de meest volslagen duisternis het element van haar liefde en dus ook van haar leven is. Maar nu kunnen jullie reeds vanuit de verte een dof geraas horen, ongeveer als van een verafgelegen grote waterval.

5 Jullie vragen wat dat betekent? Ik zeg jullie: niets anders dan dat we tamelijk dicht bij de grensrivier komen die we reeds leerden kennen bij ons bezoek aan de noordelijke streek. Daarom maar dapper er op af, dan zullen we de oever spoedig bereiken. Jullie vragen nu alweer naar het eerdergenoemde morgenrood achter de bergen, dat nog steeds niet te zien is. Heb nog maar wat geduld. Wanneer we de oever van de rivier bereikt hebben, waar we nu al heel dichtbij zijn, hetgeen jullie uit het steeds sterker wordende geraas kunnen opmaken, zal het morgenrood in de verte achter de bergen zeker te zien zijn. Let nu goed op en kijk goed naar de grond, want we hoeven nog maar enkele schreden te gaan, dan is de oever bereikt.

6 Stop nu; we zijn al bij ons doel en kijk daar langs de rivier, daar ver op de achtergrond is een vrij sterke, rode gloed te zien, net als bij een verre grote brand. Maar let nu weer op het gesprek van ons paar. Zij zegt: wel mijn lieve echtgenoot, wat zeg je nu, had ik gelijk of niet? Kijk daar wat een prachtig morgenrood, en hier is de brede rivier. Wat zullen we nu doen om in die verlichte streek te komen? Kijk, we kunnen de rivier niet over maar we kunnen wel met de stroom mee langs deze oever lopen. Het wordt steeds lichter zoals je met eigen ogen kunt zien en mettertijd zullen we ook zeker de gehele lichte streek bereiken.

7 De man zegt: mijn lieve zeer gewaardeerde vrouw, het lijkt me dat er met dit licht iets niet in de haak is. Wat die rode gloed betreft, die lijkt met een echt morgenrood absoluut geen verwantschap te hebben. In mijn ogen lijkt ze niet op een gloed die van de zon afkomstig is, maar veelmeer op die van een brandende stad achter de bergen. Of daar een stad in brand staat wil ik nog betwijfelen, maar dat er brand is, dat staat zeker buiten kijf. Ik wil daarom ook zover met je meegaan totdat we van dit vuur een tamelijk sterk licht krijgen, maar verder zal ik niet gaan. Want men kan toch niet weten waar het vandaan komt, en daarom is het altijd verstandiger om er ver vandaan te blijven, want een mens kan beter uit de buurt blijven van de dingen die hij niet kent en die helemaal niet aan zijn natuur verwant zijn.

8 Zij zegt: nee maar, wat praat jij toch een onzin! Nu ziet men pas hoe dom je eigenlijk bent; maar waardoor komt dat? Ik zeg je, enkel en alleen doordat jij je op aarde ten eerste maar weinig hebt bekommerd om de eigenlijke uitwerkingen van de oerkrachten van de natuur, waardoor je nu dan ook niet goed in staat bent dergelijke verschijnselen te verklaren. Ten tweede ben je nog veel te kort hier en heb je nog veel te weinig gelegenheid gehad om zulke verschijnselen te observeren en je daarover te laten onderrichten door de wijzen van deze streek. Maar kijk, daar langs de oever komen zojuist twee mannen aanlopen. Laten we hen tegemoet gaan; ik ben ervan overtuigd dat je er veel profijt van zult hebben als je met hen een gesprek zult beginnen. De man zegt: ja, lieve vrouw, ik was toch altijd al een grote vriend van mannen die veel kennis bezaten; waarom zou ik dat dan nu niet zijn?

9 Maar nu zeg ik jullie: let vooral goed op. De man begroet de grotere en imposantere zeer hoffelijk. Deze maakt een koele buiging en vraagt aan de man van de vrouw: wat heeft jullie, nachtgespuis, de weg uit het duister naar die domeinen van het licht gewezen?

10 De man zegt: zeer achtenswaardige vriend, ik ben pas enkele dagen geleden hier in deze diepe nacht aangekomen, maar mijn vrouw bevindt zich reeds zo'n zes jaar in deze streek. Zij wist van deze lichtdomeinen af; ik wist niets maar voelde slechts een grote drang naar licht zodat me dus niets anders overbleef dan me als geheel onervaren persoon door mijn meer ervaren vrouw naar hier te laten leiden. Daarom zult u mij, achtenswaardige vriend, dit toch niet als een fout willen aanrekenen? Heeft iemand met deze stap verkeerd gehandeld, dan was het kennelijk alleen mijn vrouw.

11 De vreemdeling zegt: en zoiets durf jij als man hier te bekennen? Werkelijk, je lijkt me ook niet veel bijzonders te zijn, want mannen die de leiding van hun vrouw nodig hebben, staan bij ons in hetzelfde aanzien als de apen. Hierop wendt de vreemdeling zich tot de vrouw en zegt tegen haar: is dat werkelijk uw werk geweest, mijn allerbeminnelijkste, liefste dame? Zij zegt: o achtenswaardige vriend, ik moet helaas tot mijn schande bekennen dat deze, mijn overigens echt lieve man, zeker liever honderd en nog eens honderd jaar uit louter domme en onbenullige liefde voor de u welbekende Joodse filosoof in de dichtste duisternis mos en dor gras zou willen eten, dan dat hij de weg van het licht zou willen bewandelen, hetgeen hem niet alleen door mij, maar ook door de bijzonder wijze u welbekende geleerde die zich Melanchthon noemt, is aangeraden.

12 De vreemdeling zegt: o zeer achtenswaardige, beminnelijke dame, ik heb werkelijk oprecht medelijden met u, maar daarentegen bewonder ik toch ook weer uw sterke innerlijke kracht waarmee u zo onvermoeibaar bezig bent om zo'n onhandige man op het rechte pad te brengen. Allerliefste achtenswaardige dame, u moet mij maar niet kwalijk nemen dat ik, wanneer ik in dit verlichte en steeds helderder wordende tijdperk ook maar iets hoor over de oude christelijk-joodse filosofie, van louter ergernis uit mijn vel zou kunnen springen. Ja, deze komt me nog veel dommer en onnozeler voor dan wanneer iemand zich zou voornemen om trouw te blijven aan een vreselijk ouderwetse, meer dan duizend jaar oude klederdracht, terwijl de hele wereld rondom hem reeds lang de grotere voordelen van de nieuwe kleding heeft ingezien en deze dus ook zonder meer heeft geaccepteerd.

13 Nu wendt de vreemdeling zich tot de man en zegt tegen hem: is het echt waar, wat jouw werkelijk zeer verstandige vrouw over je heeft gezegd?

14 Kijk, de man is wat verbouwereerd en weet niet onmiddellijk wat hij deze man, die hem zeer geleerd voorkomt, moet antwoorden. Christus wil hij niet loslaten, en iets over Hem zeggen lijkt hem in het bijzijn van deze hem zeer machtig en geleerd voorkomende man niet erg raadzaam. Daarom zwijgt hij.

15 Maar de geleerde vreemdeling wendt zich opnieuw tot hem en zegt: ja mijn beste vriend, als het met jou zo is gesteld, dan kom je volgens mij aan de kost zonder te betalen. Begrijp je me? De man zegt: nee, ik begrijp niet wat je bedoelt. De vreemdeling zegt: dat verbaast me nu niet meer. Wat dat `zonder te betalen' betreft, was het reeds bij de oude wijze Romeinen en Grieken gebruikelijk dat men gekken en dwazen overal gratis de kost gaf. Zelfs in deze tijd verleent men mannen zoals jij kosteloos het eervolle gekkendiploma, waarmee ze dan gemakkelijk in een goed ingericht gekkenhuis kunnen worden opgenomen. Dat zal jou toch zeker niet onbekend zijn, want naar ik weet was jij op aarde toch vertrouwd met bestuurlijke en staatkundige zaken. Begrijp je nu wat ik bedoel?

16 De man zegt: helaas moet ik het wel begrijpen, maar sta mij nu ook toe jou een vraag te stellen. Wie geeft jou met al je geleerdheid eigenlijk het recht om mij, nadat ik jou toch bijzonder hoffelijk tegemoet kwam, zo grof te behandelen, zoals op aarde een vreselijk pedante schoolmeester dat met een domme armlastige leerling doet? De vreemdeling zegt: luister beste vriend, dat ik je wat bars bejegende was slechts een bijzondere onderscheiding van mijn kant, die je uitsluitend aan jouw degelijke vrouw te danken hebt. Anders had ik zo'n domme Christuslummel heel anders bejegend, en zo'n bejegening zou jou zeker voor eeuwig het verlangen naar een lichte streek hebben ontnomen. Maar wanneer je voor rede vatbaar bent, de zijde van je vrouw kiest en me de verzekering kunt geven dat je spijt hebt van je oude wereldse domheid, waardoor je eigenlijk in deze duisternis beland bent, dan zal ik jou (begrijp wel, enkel omwille van je vrouw) in de buurt van gindse lichte plaats naar een onderwijsinstelling brengen waar je, als je niet al te traag van begrip bent, tot een beter inzicht zult komen.

17 De man zegt heel deemoedig en verbluft: beste geachte vriend, als dat zo is dan vraag ik jou me daarheen te brengen. Op aarde behoorde ik als student toch altijd tot de besten en zal in jouw school zeker ook niet de slechtste zijn.

18 De vreemdeling zegt: goed, ik zal je aannemen maar denk er om, met slechte resultaten zul je het hoge college weer meteen moeten verlaten en teruggestuurd worden naar je oorspronkelijke nacht. Maar ben je een uitstekende student dan zal jou een rechtvaardige onderscheiding ook niet worden onthouden. Maar wat jouw oude christelijk-joodse filosofie betreft, raad ik je bij voorbaat aan om er in de hogeschool niet veel over te spreken, anders loop je het gevaar ronduit te worden uitgelachen. Zoiets is een ongunstig teken, want dwepers zijn niet geschikt voor de studie van serieuze, hoge wetenschappen; daarvoor kan men slechts nuchtere en beheerste denkers gebruiken.

19 Nu valt de vrouw voor de geleerde op haar knieën en dankt hem al voor­af met de meest vleiende woorden voor zo'n buitengewone gunst. En de geleerde geeft haar ten antwoord: ja, ja, mijn geachte liefste dame, u bent de enige van de duizenden, ja miljoenen bewoners van deze nachtelijke streek aan wie hij dat te danken heeft. Volg mij dus maar!

20 Kijk, de vrouw grijpt de arm van haar man, volgt de geleerde en zegt onder het lopen tegen hem: wel, wat zeg je nu? Ik hoop dat je nu toch inziet dat de verhoudingen hier heel anders liggen dan jij op aarde gedroomd hebt. De man zegt: lieve vrouw, dat is een duidelijke zaak, maar of deze verhou­dingen goed en nuttig zijn, zal de toekomst leren. Onder ons gezegd, mij komt de hele geschiedenis nog altijd heel bedenkelijk voor, maar zoals gezegd, de tijd zal uitwijzen wat ervan terechtkomt.

21 In een tekst van de eerbiedwaardige apostel Paulus staat: `Onderzoek alles en behoud het goede'. Dat zal ik ook hier doen, maar diep in mijn hart denk ik dat van deze eigenaardige beproeving helemaal niets of toch maar bitter weinig goeds te verwachten is. Dit steeds feller wordende licht, dat me voor­komt alsof men steeds dichter een stad nadert die in lichterlaaie staat, lijkt me namelijk voor het belichten van het goede absoluut niet geschikt te zijn. Maar zoals gezegd, het komt allemaal slechts op de proef aan. Kijk maar eens wat verder langs deze rivier; daar ver op de achtergrond wordt hij bijna gloei­end en het lijkt alsof de golven zich in een gloeiende nevel oplossen. Het is alsof we een vuurzee naderen, die deze rivier opschrokt.

22 De vrouw zegt: ja mijn lieve man, hier is het zaak de werkende krachten tot in hun diepste wezen te leren kennen en dat geeft wel een wat grootser aanblik dan wanneer men op aarde een armzalige student ziet, die bij het treurige licht van een schemerlampje een Romeinse schrijver bestudeert.

23 Kijk, hier is een boot aan de oever vastgelegd. De bootsman zegt: als jul­lie me willen volgen, je grootste geluk tegemoet, stap dan in deze boot waar­mee we stroomafwaarts varen naar de verheven contreien van het licht.

24 De vrouw stapt heel vlug in de boot, maar de man krabt zich bedenkelijk achter de oren en weet niet wat hij moet doen. Om echter niet alleen achter te blijven en ook in zekere zin fatsoenshalve stapt hij in de boot. Nu wordt de boot losgemaakt en zie eens hoe hij als een pijl uit de boog stroomafwaarts wegschiet. Maar nu gaan wij ook snel, want zo vlug als dit vaartuig is, zijn ook wij en als het nodig is ook nog wat vlugger.

25 Nu hebben we de hoot reeds bereikt. Kijk hoe het water er onder steeds meer begint te gloeien tot daar, waar de rivier in een bergspleet uitmondt. Laten we daarom vlug een voorsprong tot over dit gebergte nemen en onze boot bij de monding van de rivier opwachten. Schrik maar niet want ook hier zijn wij onschendbaar; ons zullen al deze verschrikkingen die jullie daar zullen zien, niet deren.

26 Kijk, we zijn er al. Jullie schrikken nu omdat jullie de rivier als een brede gloeiende waterval in een verschrikkelijke, onafzienbare diepe vlammenzee donderend naar beneden zien storten en jullie vragen wat dit dan wel bete­kent.

27 Ik zeg jullie: dit is de eerdergenoemde `hogeschool', waarin onze arme man de fundamentele werking van de oerkrachten leert kennen, of beter gezegd: dit is de eerste graad van de hel!

28 Maar kijk nu weer naar de rivier; zojuist komt onze boot aan. De man staat handenwringend met zijn armen omhoog en wil uit het bootje sprin­gen, maar de vrouw slaat haar armen om hem heen, houdt hem vast en kijk, nu stort de boot met het viertal omlaag rechtstreeks de hogeschool binnen!

29 Jullie vragen: moeten wij daar soms ook nog in afdalen? Ik zeg en zei immers toch al van tevoren dat jullie de hele ontwikkeling tot aan het einde mee moeten aanzien, omdat jullie anders maar de helft zouden weten van hetgeen de binding van zo'n dubbele liefde in een hart wil zeggen. Wees maar niet bevreesd voor deze vlammen, want ze zijn slechts een verschij­ningsvorm van het helse. Ter plekke echter zal alles er weer heel anders uit­zien. Volg me dus zonder angst!

 

39.


Waar bevinden zich hemel en hel?

 

1 Jullie zeggen: wat gaat het daar steil naar beneden en de weg loopt over zoveel klippen en steile hellingen! Ja, ja, beste vrienden, dat lijkt alleen maar zo voor jullie; maar degenen van wie het gemoed met deze plaats overeen­stemt, hebben er een brede en goed begaanbare weg. Laten we daarom maar dapper verder gaan; het zal niet lang duren voordat we de zichtbaar gewor­den vlammenzee bereikt hebben.

2 Kijk hoe daar beneden de vlammen langzamerhand beginnen te verdwijnen, zodat jullie heel veel gloeiende plaatsen zonder vlammen erboven zien. Maar jullie vragen: moeten wij daar soms overheen lopen? Ik zeg jullie: maak je daarover geen zorgen want dit zijn allemaal maar verschijningsvormen, die de gemoedstoestand weergeven van degenen die daar beneden wonen. De `vlam' betekent de werkzaamheid van het kwaad, de boven de vlammen opstijgende `walm' komt overeen met het totaal verkeerde, en de `gloed' verwijst naar de volkomen eigenliefde en dientengevolge de verkeerd gerichte ijver en de slecht geworden wil van diegenen die zich in zo'n eigenliefde bevinden. Maar hoe dit alles zich ter plaatse in details ontwikkelt, zullen jullie dadelijk met eigen ogen zien.

3 Kijk nu nog eens naar beneden; wat zien jullie nu? Jullie zeggen: de vlammen zijn helemaal verdwenen en de gloed heeft zich tot hopen verzameld; maar tussen de hopen zien we stikdonkere nacht. Jullie vragen nog eens: waar is toch de rivier die we eerder helemaal gloeiend omlaag zagen storten? Deze rivier is eveneens slechts een verschijningsvorm en duidt op de gang van het verkeerde zoals dat uitmondt in het kwaad. Zo geeft deze afgrond ook de diepte van het kwaad aan en hoe dit eveneens sluwe en goeddoordachte plannen smeedt om zijn slechte voornemens uit te voeren.

4 Omdat jullie dit nu weten zullen we er moedig op af gaan om zo vlug mogelijk bij ons doel en dus ook bij ons gezelschap te komen. Nog maar enkele passen en kijk, we zijn reeds in de vlakte en dus ook helemaal in de diepte. Jullie zien hier nu helemaal niets, want de duisternis is zo diep dat jullie met het licht van je ogen nooit iets zouden kunnen zien. Daarom is het nodig dat we ons voldoende licht verschaffen om hier iets te kunnen onderscheiden. Toch mag niemand van de hier aanwezigen iets van ons licht merken. Daarom moeten jullie je stevig aan mij vasthouden en de sfeer van een geest niet dichter naderen dan jullie door mij wordt toegestaan. 5 En kijk eens, we hebben nu al zoveel licht als nodig is om dit oord nader in ogenschouw te nemen. Wat merken jullie hier op? Jullie zeggen enigszins opgewonden: om Gods almachtige en allerbarmhartigste wil, wat is dit toch voor een huiveringwekkend oord! We zien niets anders dan zwart zand en zwart gesteente en dat is het enige, waaruit de bodem van deze streek bestaat. En tussen het zand en het gesteente stijgt hier en daar damp op zoals we dat vaker op aarde hebben gezien wanneer er kolen verbrand worden. Verder vragen jullie: waar zijn hier dan wezens te zien? Deze streek lijkt wel helemaal uitgestorven. Ja, mijn lieve vrienden, dat is ook maar een verschijningsvorm en deze stelt de `dood' voor! Maar maak je geen zorgen over de afwezigheid van wezens in dit oord, want jullie zullen er spoedig meer dan genoeg te zien krijgen.

6 Kijk, daar niet ver van ons vandaan is iets te zien dat lijkt op een tamelijk grote brandstapel bij jullie op aarde. We zullen deze stapel eens van dichtbij bekijken, dan zullen jullie je er spoedig van kunnen overtuigen uit welk materiaal hij bestaat. Wel, we zijn al op de juiste afstand; bekijk hem nu maar wat beter. Wat zien jullie? Jullie zeggen alweer: maar in Gods almachtige Naam, wat is dat toch? Dat zijn toch louter mensen, die als haringen op elkaar gepakt en bovendien nog met hele sterke ketenen zodanig aan de grond bevestigd zijn, dat het zeker voor niemand mogelijk is zich in deze toestand ook maar het minst te bewegen. Wanneer dit hier echt zo is dan ziet het er met de eeuwigdurende vrijheid van de geest bijzonder merkwaardig uit.

7 Ja, ja, beste vrienden, bekijken we het vanuit ons hemelse licht dan ziet het er op het eerste gezicht inderdaad zo uit. Daarom is het echter slechts een `verschijningsvorm' die met de ware situatie overeen komt. In diepste wezen geeft deze verschijningsvorm eigenlijk weer, hoe een gezelschap gevangen wordt gehouden door haar eigen totaal verkeerde instelling en het daaruit voortvloeiende kwaad. Laten we nu echter deze stapel verlaten en verdergaan. Kijk, daar voor ons is alweer een nog grotere hoop. We zijn er al dichtbij, zeg me nu wat jullie daar zien. Jullie zeggen: beste vriend, we zien hier hetzelfde als voorheen, alleen is de hoop kegelvormig en zijn er een massa ketenen overheen geworpen waarmee deze wezens stevig lijken te zijn samengeperst, zodat hun lichamen als het ware zijn platgedrukt. Alleen kunnen we nergens ontdekken hoe hun gezichten eruitzien, want deze wezens liggen allemaal met hun gezicht naar beneden gericht. Jullie vragen: vriend, bevindt ons vroegere viertal zich misschien ook in deze hoop? Nee vrienden, we zullen nog wel bij hen komen. Nu we hier alles gezien hebben gaan we weer wat verder.

8 Kijk, vrij ver van ons verwijderd is een echte berg te zien, en omdat we alweer op de juiste afstand zijn, kunnen jullie hem wat nader bekijken. Wat zien jullie? Jullie zeggen alweer: maar om Gods almachtige en rechtvaardige wil, wat is dat nu weer! Dat zijn eveneens louter menselijke wezens die zijn opgestapeld onder kettingen en ijzeren roosters. Tussen hen bevinden zich ook een heleboel slangen en adders die met hun afschuwelijke ogen naar alle richtingen kijken en hun tong vlug in en uit laten schieten. Wat wil dit zeggen? Het wil zeggen dat dit een gezelschap is dat al meer en meer vanuit zijn verkeerde instelling tot het Kwaad is overgegaan. Laten wc nu van hieraf maar weer verder gaan. Kijk, daar niet ver van ons vandaan is een heel gebergte dat jullie niet zo gemakkelijk in één oogopslag kunnen overzien. Dat is ook niet nodig, want één plek spreekt voor het geheel. Hier is al de voet van een van de uitlopers van dit gebergte; bekijk hem wat beter en zeg me wat jullie zien. Jullie zeggen: we zien er niets anders dan allerlei soorten gevelde en gekne­velde gedrochten; slechts hier en daar steekt er nog een platgedrukt geraam­te van een menselijk kadaver tussenuit. Wat betekent dat nu weer? Het stelt de reinste eigenliefde voor en het is de verschijningsvorm van wereldse macht, grootheid en rijkdom, die ontstaat wanneer deze attributen op aarde voor egoïstische en slechte doelen worden gebruikt.

9 Jullie vragen alweer en zeggen: maar beste vriend, we weten nog heel goed dat we ons in jouw sfeer en in wezen op de geestelijke zon bevinden, waar we eigenlijk niets dan hemelse zaken verwachtten; hoe komt het dan dat we hier ook de complete hel aantreffen? Ja, mijn lieve vrienden, is jullie bij je overgang naar de geestelijke zon dan niet tegelijkertijd door de Heer Zelf uitgelegd dat het geestelijke het meest innerlijke, het allesdoordringende en alles­omvattende is? Als het geestelijke zo geaard is, dan doordringt het immers alle planeten en de hele sfeer, zover als het licht van de natuurlijke zon door­dringt; maar zuiver geestelijk genomen nog oneindig veel verder. Bijgevolg bevinden jullie je nu niet in de sfeer van de eigenlijke zon, maar in de spe­cifieke sfeer van jullie planeet. Zoals alle planeten hun licht en hun warmte van de eigenlijke zon ontvangen en haar werking al deze planeten door­dringt, zo is dat ook het geval met de geestelijke zon, daar we op de trillin­gen van haar geestelijke stralen ook het geestelijke van haar planeten door­schouwen. Omdat we dit nu beter begrijpen zal het jullie hopelijk toch ook duidelijk zijn dat men langs deze geestelijke weg ook het geestelijke wezen van de hel, voor wat jullie planeet betreft, heel duidelijk kunnen door­schouwen.

10 jullie moeten je de hemel en de hel niet materieel ruimtelijk, als van elkaar verwijderd voorstellen, maar enkel als toestand. Ruimtelijk kunnen hemel en hel zich dus naast elkaar bevinden, zoals een hemelse goede mens naast een helse, slechte kan lopen en zelfs met hem op één bank kan zitten. De een heeft de volmaakte hemel in zich en de ander de volkomen hel. Als bewijs hiervan kan ik jullie ogenblikkelijk in mijn eigen sfeer laten zien dat zich hier even goed de hemel als de nu door jullie aanschouwde hel kan bevinden, want jul­lie zien dit alles toch zonder meer in mijn sfeer en jullie hoeven slechts één stap buiten mijn sfeer te zetten of jullie zullen je weer op dezelfde plaats bevinden vanwaar jullie oorspronkelijk in mijn sfeer zijn binnengetreden.

Daar jullie dit nu weten kunnen we dit gebergte weer verlaten en dit alles ook in een ander licht bezien.

11 Let nu op, het licht is veranderd. Hoe zien jullie deze bergen nu? Jullie verbazen je erover dat je nu in plaats van de berg ineens helemaal vrij rond­wandelende groepen ziet en zelfs allerlei woningen, die ten dele op smerige kroegen, ten dele op oude zwarte ridderburchten lijken en zie, dit alles zelfs in een roodachtig schemerlicht.

12 Maar kijk, niet ver voor ons staat een oude ridderburcht, die tegen een rotsgebergte lijkt te zijn gebouwd. Daar zullen we naartoe gaan. Kijk, we zijn er al; de poort staat open. We zijn hier onzichtbaar, daarom gaan we deze burcht binnen, dan zullen we zien hoe het er daar toegaat. Welnu, daar is de eerste zaal al. De wanden zijn behangen met allerlei moord- en folterwerk­tuigen. Daar op de achtergrond zit op een troon de zogenaamde kasteelheer. Hij overlegt met zijn krijgsmakkers op welke manier ze de goederen en schat­ten van de eigenaar van een naburige, gelijksoortige burcht kunnen bemach­tigen. Luister hoe hij hun opdraagt om de burcht waarop ze het gemunt heb­ben in alle stilte te overvallen, alles wat er leeft meedogenloos neer te sabelen en vervolgens naar de schatten te grijpen. Degene die zich hardnekkig verzet, moet, zoals al vaker is gebeurd, meegenomen worden, waarna zo'n gevange­ne zich dan de allerpijnlijkste folteringen moet laten welgevallen. Welnu, het besluit is genomen en het beraad wordt beëindigd. Allen grijpen naar de wapens en rennen naar buiten. Omdat we hier niets meer te doen hebben, rennen ook wij hen achterna.

13 Kijk, daar voor ons, niet ver hier vandaan ligt reeds de genoemde burcht. Hij wordt omsingeld en let nu op, de vreselijke slachting begint. De boos­aardige wezens vechten verwoed tegen elkaar, waarbij de bewoners van de tweede burcht in stukken worden gehakt. En kijk verder; daar wordt zojuist het ons bekende viertal door de krijgsmakkers van onze vorige burchtbezit­ter gekneveld en wel opgebracht. Laten we ons bij hen aansluiten en de dia­loog tijdens de tocht eens aanhoren. Hoor, de man zegt tegen de vrouw: o jij ellendige slang, nu heb ik je door! Mijn angstige vermoeden heeft me altijd heimelijk toegefluisterd dat jij van een slechte geest doortrokken bent! Dat is nu de hogeschool en jouw erbarmelijke licht waarover je op een listige manier als een zogenaamd geestelijk wezen vol ervaring hebt gehuicheld en mij hebt voorgelogen. Deze nu eveneens geknevelde boosaardige professor van deze hogeschool zit nu ook met ons in deze afschuwelijke gevangen­schap, waarin ons zeker een allerafschuwelijkst lot te wachten staat.

14 De vrouw zegt: hoe kun je nu zo over mij denken? Wie kan er iets doen aan een onvoorzien ongeluk? Ik heb het met jou toch alleen maar goed bedoeld. De man zegt: zwijg, jij ellendige slang! Aan jou alleen heb ik het te danken dat ik me nu kennelijk in de hel bevind. Tussen mij en jou zal nu iedere band voor eeuwig verbroken zijn. En U, mijn Jezus, op wie ik me altijd heb beroepen, help mij uit deze verschrikkelijke gevangenschap. Ik wil liever als het Uw allerheiligste wil is, vele duizenden jaren in dat duistere oord ronddolen om daar voor al mijn gebreken te boeten, dan hier nog één ogenblik langer in dit oord van verschrikking, dat voor eeuwig totaal van Uw genade en erbarming lijkt te zijn uitgesloten, te verblijven! 0 Jezus, help mij! O Jezus, red mij!

15 Kijk nu, twee vermomden komen zojuist haastig op deze stoet af. Kijk, ze zijn er al. Ze leggen hun vermomming af en zoals jullie zien, zijn het twee straffende engelen van de Heer. Elk van hen heeft een vlammend zwaard in de hand. De een zwaait ermee over de overwonnen burcht, waardoor de verscheurde en in stukken geslagen wezens zich weer tot hele gestalten samenvoegen die beginnen te weeklagen over het geleden onrecht. De andere engel zwaait met zijn zwaard over de eerste beruchte burcht, waardoor deze, zoals jullie zien, in lichterlaaie komt te staan. Brandende en huilende gestalten storten zich overal uit de openingen, ramen en deuren naar buiten en vervloeken deze twee wrekende engelen.

16 Kijk verder; een engel slaat met zijn vlammende zwaard midden tussen ons viertal. De ketenen zijn verbroken. De man valt voor de beide engelen neer en smeekt hen om genadige redding. En de ene engel grijpt hem vast en trekt hem met zich mee, maar de vrouw grijpt hem ook vast en schreeuwt tot haar man om genade en erbarming en om haar toch vooral niet te verlaten. Kijk, hoelang zij zich met haar man door de engelgeest laat voortslepen! Kijk nu, de beide engelen bewegen zich omhoog en de ene draagt de man, terwijl de vrouw zich laat meedragen en de man niet los laat. Pas nu, al op grote hoogte, maakt de andere engel door een slag met zijn zwaard de vrouw met veel moeite los van de man. Abrupt valt ze nu huilend in haar element terug en de man wordt naar de grens van het kinderrijk gebracht, waar het er echter nog heel schraal en donker uitziet.

17 Nu hebben jullie zo'n bevrijding gezien en nog wel een van de beste. Er zijn echter nog talloze en veel verschrikkelijker en hardnekkiger soorten, waarvan jullie de aanblik, zelfs in woorden uitgedrukt, maar moeilijk zouden verdragen. Daarom zullen we nu weer naar onze oorspronkelijke plek teruggaan en vandaar dan overstappen naar de omgeving van de middag. Dus genoeg voor vandaag.

 

40.

 

Waar bevinden de heidenen zich aan gene zijde?

 

1 Dat er in het jullie nu al welbekende avondlijke nachtgebied nog vele, ja talloos vele situaties bestaan zoals we die tot nu toe leerden kennen, hoeft nauwelijks nog te worden vermeld.

2 Mocht iemand vragen: waar zijn dan de hier nieuw aangekomen heidenen? Dan zeg ik jullie dat ook zij meestal in deze omgeving belanden, maar dat desondanks zulke plaatsen van aankomst hier streng van elkaar gescheiden zijn, zodat een heiden onder deze omstandigheden niet in de buurt kan komen van plaatsen waar gelovige christenen van welke sekte dan ook terechtkomen.

3 Dat onderscheid wordt zelfs in de hel gemaakt en nergens wordt, zoals jullie misschien denken, alles zonder enige orde dooreen geworpen. Zo'n onderscheid is namelijk absoluut noodzakelijk, want zouden zulke geesten bij elkaar gelaten worden dan zouden ze elkaar tengevolge van hun innerlijke kwaadaardigheid dermate te gronde richten dat ze langs geen enkele weg, behalve langs die van totale vernietiging, meer te bereiken zouden zijn.

4 Jullie moeten je dat als volgt voorstellen: zoals er op aarde verschillende elementen bestaan die elkaar voortdurend vijandig bejegenen en vernietigen, zo bestaan er in de geestelijke sferen eveneens zulke basiselementen die niet met elkaar in aanraking mogen komen. Zouden ze wel met elkaar in aanraking komen, dan zouden er in de geestelijke sferen soortgelijke effecten tevoorschijn komen als men op aarde zou krijgen wanneer men vuur en droog stro of vuur en buskruit bij elkaar zou brengen of wanneer men water over een uit leem opgetrokken gebouw zou laten stromen. Daarom is in de geestenwereld, waar voor geen geest enige terughoudendheid meer mogelijk is, zo'n onderscheid strikt noodzakelijk.

5 Wanneer iemand zou vragen: hoe ziet het er dan eigenlijk op die aankomstplaats van heidense geesten uit? Dan moge hem gezegd zijn dat het voor een christelijke geest niet veilig is om met wat voor geest dan ook zulke plaatsen te bezoeken.

6 Alleen de Heer Zelf zou iemand moeten brengen en begeleiden, anders zou het voor iedereen eerder gevaarlijk dan nuttig zijn om zulke plaatsen te bezoeken.

7 Maar voor we ons naar de omgeving van de middag begeven zullen we eerst nog eens kijken wat onze geredde man doet, en in welke omstandigheden hij nu verkeert. Kijk, onze rotswand staat alweer open, daarom zullen we terstond van deze gelegenheid gebruikmaken en ons door de spleet naar de uiterste grens van het kinderrijk begeven. Kijk, we zijn er al. De wand heeft zich weer achter ons gesloten en we zullen ons nu in het zeer nauwe dal dat langs de wand naar de middag loopt, begeven. Kom dus vlug met me mee! 8 Kijk, daar ver op de achtergrond is een moerassige, vochtige hoek te zien en daar helemaal achterin staat een eenvoudige houten hut waaromheen het tamelijk donker is, omdat deze hoek door hoge rotsen wordt ingesloten. Daar zullen we naartoe gaan, want daar is onze man nu geplaatst.

9 Jullie vragen: waarom dan in zo'n eenzame woestenij en bovendien nog in zo'n moerassige, vochtige uithoek? Beste vrienden, met zulke moeizaam uit de hel geredde geesten kan men in het begin onmogelijk anders handelen, omdat zulke mensen toch altijd iets van die hel in zich hebben opgenomen, dat overeenkomt met het vuur uit die hel. Dat uit zich steeds min of meer door een noodgedwongen zelfzuchtige begerigheid, want het is zoals bekend, eigen aan elke noodsituatie, dat ze de zelfzucht in zekere mate als permanente begeleidster heeft. Wie zich in gevaar bevindt, vergeet gewoonlijk alles en is enkel op eigen redding bedacht. De arme bedelt alleen voor zichzelf en de zieke zoekt slechts voor zichzelf een geneesmiddel. Wie in het water valt probeert zich te redden en wie de vlammen reeds boven zijn hoofd ziet uitkomen, denkt gewoonlijk alleen aan zichzelf en probeert aan het verwoestende element te ontkomen. Pas wanneer hijzelf in veiligheid is denkt hij aan de anderen die hetzelfde lot met hem deelden.

10 Daarom is deze plaats heel doelmatig voor onze man. De vochtige bodem is geschikt om zijn zelfzuchtige vuur te doven en de tamelijk grote duisternis zal ook heel heilzaam zijn voor zijn ogen die aan de dichte duisternis gewend waren. Een plotseling sterk licht zou even funest voor hem zijn als de felle zonnestralen voor de ogen van een pasgeboren kind. Bovendien komt zijn hele hebben en houden hier ook precies overeen met de renteberekening van het kapitaal, dat hij als christen uit geloof en liefde voor de Heer aan de echte armen heeft gegeven. Jullie moeten daaronder niet verstaan de jullie al bekende legaten die hij vóór zijn overgang van de aarde naar het geestenrijk had opgesteld, maar alleen de giften die hij als gelovige christen helemaal in het geheim vanuit zijn eigen gevoel van medelijden aan de armen heeft verstrekt. Dat kapitaal kan echter alles bij elkaar nauwelijks iets meer dan zo'n tweehonderd gulden in zilvermunten hebben bedragen. Wanneer jullie dit kapitaal, dat hij eigenlijk uit liefde tot de Heer aan de armen heeft gegeven, vergelijken niet liet grote kapitaal dat hij de zijnen naliet, dan rillen jullie

ook de mathematisch juiste vergelijking vinden tussen zijn eigenliefde en zijn liefde voor de Heer.

11 Ook zo'n overdreven zorg voor de kinderen is eigenliefde, want wie de Heer meer zou liefhebben dan zichzelf in zijn kinderen, zou ook naar verhouding de Heer meer gegeven hebben dan zichzelf in zijn kinderen. Jullie vragen: waarom dan? Omdat de Heer hem daardoor het inzicht zou verlenen waardoor hij zonneklaar zou hebben ingezien dat de Heer oneindig veel beter voor zijn kinderen kan zorgen en hen ook beter zou verzorgen dan dat hij zichzelf en zijn kinderen uit eigenliefde heeft verzorgd. De Heer heeft namelijk niet gezegd: wat jullie voor je eigen kinderen zullen doen, dat heb je voor Mij gedaan, maar Hij heeft alleen aan de armen, naakten, hongerigen, dorstigen en gevangenen gedacht en toen gezegd: `Wat jullie voor hen hebben gedaan dat heb je voor Mij gedaan.'

12 Hij heeft ook niet gezegd: als jullie in Mijn Naam je eigen kinderen opnemen, dan hebben jullie Mij opgenomen, maar Hij heeft bij een gelegenheid waarbij veel armen hun nog armere kinderen bij Hem brachten alleen gezegd: `Waarlijk, wie zo'n arm kind heeft opgenomen in Mijn Naam, die heeft Mij opgenomen'.

13 En verder zegt de Heer nog: `Wie zijn vader, zijn moeder, zijn vrouw, zijn broeder en zijn kinderen meer liefheeft dan Mij, is Mij niet waardig:

14 Hier zou menigeen willen zeggen: dit alles heeft toch slechts een diepe geestelijke betekenis. O ja, zeg ik, de allerdiepste, omdat het een allerzuiverst en rechtstreeks woord is van God. Maar daarop vraag ik: waarom zoeken jullie het goud niet aan de oppervlakte van de aarde maar graven jullie diepe schachten en uitgestrekte mijngangen? Jullie vragen: hoe moeten we dat opvatten? Ik zeg jullie: niets is gemakkelijker dan dat; wie bij het goud wil komen moet ook aandacht besteden aan de bovenlaag van de aarde, want die moet hij doorbreken om uiteindelijk door die buitenste aardkorst heen bij de inwendig gelegen goudlagen te komen. Zo moet ook eerst de letterlijke betekenis van Gods woord geheel in acht worden genomen vóór men de geestelijke kan begrijpen, weliswaar in zijn juiste en doelmatige betekenis.

15 Wanneer jullie nu onze man bekijken, dan zullen jullie ontdekken dat hij meer dan een miljoen eigenliefde en slechts iets meer dan tweehonderd gulden liefde voor de Heer heeft meegebracht. Dit is wel een zeer treurige situatie. Zijn behuizing is echter, zoals jullie zien, precies aangepast aan de rente van dit kapitaal. Het komt er dus nu op aan, hoe hij dit kapitaal zal gebruiken. Het zal niet uitblijven dat hem van de tegenovergestelde kant heel armzalige wezens zullen bezoeken, die om hulp zullen smeken. Gaat hij al zijn krachten inzetten om zulke arme broeders zoveel hem maar mogelijk is met het allernoodzakelijkste te verzorgen, dan zal zijn kleine kapitaal al gauw vertienvoudigd, ja verhonderdvoudigd worden, waardoor hij dan in betere oorden zal worden geplaatst. Hij zal echter niet langs de aangegeven weg tot de Heer komen voordat zijn hier verworven kapitaal tienmaal groter is geworden dan dat wat hij zijn kinderen of zijn eigenliefde heeft nagelaten. Toch zijn ook hier uitzonderlijke gevallen mogelijk, maar deze moeten van dusdanige aard zijn als jullie heel in het begin als voorbeeld hebben gezien; dat wil zeggen als iemand alles wat hij heeft weggeeft en bovendien nog met al zijn krachten zijn broeders ondersteunt, is bij zo'n gelegenheid ook een heel spoedige en volkomen verlossing uit deze plaats mogelijk is. In dat geval lijkt zo'n mensengeest dan op de vrouw die in de tempel offerde terwijl ook anderen offerden. De vrouw gaf weliswaar met de anderen vergeleken het kleinste offer, maar toen de Heer vroeg, wie van allen het meest geofferd had, zei men: kijk deze, en die daar! Maar Hij antwoordde: deze vrouw heeft het grootste offer gebracht, want zij gaf alles wat ze bezat.

16 Zoals jullie zien is het hier dus een volkomen rechtvaardige, op de grote liefde en ontferming van de Heer gegronde louteringsschool voor het eeuwige leven.

17 Daar we nu al deze zaken die door iedereen goed in acht moeten worden genomen, hebben leren kennen, kunnen we deze streek gevoeglijk verlaten en ons naar de middag begeven. Jullie vragen weliswaar naar de weg, maar ik zeg jullie: maak je daarover geen zorgen, we zullen bij deze overgang niet zoveel tijd nodig hebben als op de weg hiernaartoe. Maar we zullen ons waarachtig geestelijk op weg begeven en dan ook meteen daar zijn, waar we willen zijn. Op de weg daarheen moet er weliswaar nog met veel tussenstadia rekening worden gehouden, maar daar ze volkomen lijken op die welke we reeds achter ons hebben, hoeven jullie je alleen maar alles wat je tot nu toe gezien hebt echt goed te herinneren, dan zullen jullie je al deze overgangen die van deze streek naar de middag leiden, gemakkelijk kunnen voorstellen.

18 Het uitgestrekte water vormt de voornaamste scheidingslijn, die men langs de gebruikelijke weg niet kan overschrijden, want dit grote water duidt op de hoge graad van wijsheid die nodig is om in de middag te komen. Daarom moeten zij die overgaan naar de middag heel sterk worden in het vuur van de liefde, opdat ze een overeenkomende graad van wijsheid verkrijgen zoals die door dit uitgestrekte water wordt aangegeven. Daar we nu ook dit weten, zullen we ons de volgende keer zoals gezegd, zonder verder om te zien ineens naar de stralende middag begeven. Dus genoeg voor vandaag.

 

41.

 

Bezoek aan de middag.

De werking van waarachtig geloof en daadwerkelijke liefde

 

1 Kijk nu, zoals ik heb gezegd en nog voordat jullie erop bedacht zijn, zijn we ook al waar we willen zijn. We zijn dus al in de middag. Zeg me eerst hoe het jullie hier bevalt en wat jullie allemaal zien.

2 Jullie zeggen: het bevalt ons hier uitstekend; toch moeten we bekennen dat we hier nog meer verwachtten dan we nu voor ons zien. Deze streek lijkt op een bekoorlijk mooi landschap, zoals er op aarde zeker heel veel zijn; maar iets bovenaards verheven moois kunnen we hier niet herkennen.

3 Ja lieve vrienden, jullie hebben in wezen wel gelijk; er schijnt hier, zoals jullie zien, eveneens een zon en ze staat in deze streek precies op het hoogste punt. Verder ziet de hemel er ook lieflijk blauw uit, net als bij jullie op aarde. Rondom zien jullie een rijke verscheidenheid van vruchtbare velden en heuvels begroeid met fruitbomen; zelfs wijngaarden in jullie stijl ontbreken niet. Hier en daar zien jullie ook heel aanzienlijke bergen boven de kleinere heuvels uitsteken; jullie zien eveneens hier en daar aardig gebouwde huisjes waar mensen in- en uitgaan; ook op de velden zien jullie hier en daar sommige mensen bezig met het verzamelen en bewerken van de vruchten.

4 Het is waar, oppervlakkig gezien heeft alles hier een frappante gelijkenis met de mooie landschappen op aarde. Maar ik zeg jullie, als we een van deze woningen wat dichter naderen, zal de inrichting daarvan jullie meteen wat anders leren. Kijk, juist aan deze straat die tussen een dubbele rij fruitbomen doorloopt, ligt, zoals jullie zien, een echt schattig huisje. Daar zullen we naar toe gaan en zien hoe het er vanbinnen uitziet.

5 Wel, we zijn reeds bij ons doel. Kijk, de eigenaar van dit huis staat juist bij de ingang maar kan ons niet zien, want voor de bewoners van de middag zijn wij nog onzichtbaar. Toch voelt hij aan dat er zich meer innerlijke wezens in zijn nabijheid bevinden. Daarom luistert hij in zichzelf en zoals jullie zien lijkt hij daardoor op iemand die plotseling diep in gedachten verzonken is. We zullen ons dan ook meteen in zijn woning begeven.

6 Kijk, we zijn al in het inwendige van dit huis; hoe bevalt het jullie? Jullie slaan de handen in elkaar van verbazing en zeggen: maar in hemelsnaam, hoe is zoiets nu mogelijk?! We zien dat het huis vanbinnen buitengewoon prachtig versierd is en ook lijkt het huis vanbinnen onvergelijkelijk veel groter dan vanbuiten. Als we door een of ander raam naar buiten kijken, zien we van de vroegere omgeving niet het geringste spoor meer, maar alles is heel anders en weergaloos grootser. Overal zien we wonderbaarlijke, indrukwekkende paleizen en tempels; de verafgelegen bergen schitteren als waren ze met de lichtmaterie van de zon zelf overgoten en een wijde vlakte strekt zich voor ons uit. Op deze vlakte staan talloze paleizen van een onvoorstelbaar wonderbaarlijke en indrukwekkende schoonheid. In het midden stroomt een rivier; haar golven glinsteren alsof de allermooist geslepen diamanten door elkaar worden gerold terwijl de oevers begroeid zijn met reusachtig grote bomen. Dergelijke bomen hebben we ook wel op de natuurlijke zon gezien, maar deze zijn nog duizendmaal prachtiger, want ze lijken allemaal doorzichtig en hun gebladerte schittert naar alle kanten als een levendig deel van een regenboog. Hoe prachtig is toch ook het inwendige van dit gebouw! Zoiets hebben we in natuurlijk opzicht alleen op de middengordel van de zon gezien, maar met dit vergeleken was alles daar maar plomp en onvolmaakt, want hier is alles toch met zo'n, men zou kunnen zeggen oneindig verregaande zuiverheid en precisie uitgebeeld, dat men wel jarenlang vol grootste verbazing zou kunnen blijven stilstaan bij een klein detail. De eindeloze kleurenpracht die overal heerlijk en passend verdeeld is, is op zich al zo hemels aantrekkelijk, dat we met recht niet meer kunnen besluiten dit woonhuis te verlaten.

7 Ja, ja, lieve vrienden, zo is het; het inwendige krijgt hier reeds zijn waarde. De waarde is nog wel te meten maar toch al zo groot dat ze jullie begrippen te boven gaat, want zij is de werking van het licht uit de wijsheid die ontspringt uit het ware geloof in de Heer, en door dit ware geloof, dan ook naar evenredige verhouding uit de daadwerkelijke liefde, die een lagere rangorde is van de eigenlijke liefde voor de Heer.

8 Jullie vragen: wordt zo'n huis hier dan door slechts één enkele zalige mensengeest bewoond? O nee, laten we ons maar van dit eerste vertrek naar het tegenoverliggende begeven, dan zullen jullie daar verscheidene gelukkige mensengeesten, en wel van beiderlei kunne, aanschouwen. Kijk, daar op de achtergrond bevinden zich zo'n dertig wezens. Het zijn allemaal bewoners van dit huis en de man die we bij de ingang zagen, is een dienaar van allen die er wonen. Hij doet zijn uiterste best om allen van al het mogelijke te voorzien. Daarom is hij ook de grootste onder hen en op den duur geheel de eigenaar van dit huis.

9 Zien jullie niet hoe buitengewoon prachtig deze dertig bewoners gekleed zijn? Sommigen dragen zelfs stralende kronen op hun hoofd, zijn overgelukkig; en in hun gelukzalige gevoel prijzen zij de Heer.

10 Maar kijk nu eens naar onze man die nog bij de deur staat, hoe eenvoudig ziet hij eruit. Een wit gewaad dat door een eenvoudige ceintuur om zijn middel bijeengehouden wordt, is alles wat hij van deze hemelse pracht voor zichzelf heeft genomen. Hij zou zich weliswaar heel mooi kunnen tooien, maar daarin schept hij geen genoegen. Zijn zaligheid bestaat slechts daarin, dat hij zijn broeders en zusters zo gelukkig maakt als maar in zijn vermogen ligt. Wat hij verkrijgt door de liefde en genade van de Heer, draagt hij meteen over aan zijn vrienden en als het hun grote vreugde geeft, is hijzelf tot tranen toe geroerd. En als hij alles heeft weggegeven is hij het gelukkigst!

11 Maar jullie vragen: waarom is hij dan niet bij het gezelschap? Dat kunnen jullie gemakkelijk uit zijn gelaatsuitdrukking opmaken. Hij is vol van grootse gedachten en denkt erover na, wat hij weer voor zijn gezelschap zou kunnen doen om hen een nieuwe zaligheid te bereiden. Kijk, hij heeft al iets gevonden. Ik heb jullie immers vooraf gezegd dat hij ons niet ziet maar wel een vermoeden van ons heeft. Daarom keert hij steeds meer in zichzelf om ons gewaar te worden en probeert al op voorhand iets voor zijn gezelschap van ons te verkrijgen. Ook spiedt hij om zich heen of hij niet ergens een pas gearriveerde kan ontdekken die nog geen onderkomen heeft, opdat hij hem dadelijk tegemoet kan gaan om hem in zijn woning op te nemen.

12 Zolang wij in het huis verblijven zal hij ons niet zien, maar als we weer naar buiten gaan dan zal hij ons zien. Dan zullen jullie ook zijn onnoemelijke vreugde zien en in hem een bijzonder liefdevolle en gastvrije man ontdekken. Laten we dus naar buiten gaan.

13 Kijk nu, hij ziet ons, valt meteen voor ons op zijn knieën en zegt: o, mij nog onbekende hogere vrienden van de Heer, ik heb jullie aanwezigheid wel gevoeld maar was niet in staat jullie te zien. Daar mij nu echter de genade ten deel valt jullie te zien, verzoek ik jullie omwille van de oneindige liefde van de almachtige Heer, om mij toch niet zo snel weer te verlaten. Ga liever nog eenmaal met mij mijn woning binnen, opdat ik mijn kleine gezelschap met jullie aanwezigheid nog veel gelukkiger kan maken, want jullie zullen zeker iets meer weten over de Heer, onze liefdevolle Vader. Vertel het ons, want één woord van Hem is ons heel wat meer waard dan alle heerlijkheden die we hier in onnoemlijke overvloed bezitten.

14 Nu zeg ik tegen hem: Gemaniël, sta op, dan zullen we met jou je huis binnengaan. Kijk, hij staat op, strekt zijn armen naar ons uit en gebaart deemoedig, daarbij vriendschappelijk en liefdevol glimlachend, dat we hem voor mogen gaan. Kom dus met me mee, want nu zal ook het hele gezelschap ons te zien krijgen.

15 Zie hoe het hele gezelschap opstaat en ons blij tegemoet komt. Luister nu hoe Gemaniël ons bij het gezelschap zal introduceren. Hij zegt: zien jullie wel, mijn innig geliefde broeders en zusters, ik heb jullie immers gezegd dat de algoede Heer en Vader ons zeker heel spoedig een groot geluk ten deel zal laten vallen door een van zijn verheven vrienden naar ons toe te zenden, opdat wij van hem een woord van de Vader mogen vernemen! En kijk, de algoede Vader is al aan onze innigste wens tegemoetgekomen, want nog eer we er op bedacht waren traden deze verheven vrienden ons huis al binnen.

16 In het begin konden onze ongezegende ogen hen weliswaar vanwege hun grote heerlijkheid nog niet aanschouwen, maar de grote genade van de Heer heeft onze ogen gezegend, waardoor we hen tot onze grote zaligheid nu in ons midden zien. We weten nog niet wie zij zijn en hoe ze heten, maar we begrijpen dat ze grote, innige vrienden van de Heer zijn en dat is al onze grootste zaligheid!

17 Kijk, nu wendt hij zich tot ons en vraagt bescheiden om een woord van de Vader, terwijl hij zegt: verheven vrienden van de Heer, ik weet wel dat een woord van de Vader, zelfs door jullie mond uitgesproken, te heilig is om door ons op een waardige manier te worden aangehoord; maar onze liefde voor Hem, de oneindig goede Vader, laat ons geen rust; daarom vragen we jullie er heel deemoedig om!

18 Nu zal ik hun dan ook een woord van de Vader geven. Luister dus: luister beste Gemaniël en ook jullie, zijn huisgenoten, broeders en zusters, zo spreekt de Heer: `Laat de kleinen tot Mij komen want aan hen is het hemelrijk!' Kijk hoe allen nu stralend neerzinken terwijl Gemaniël zuchtend van liefde zegt: ja, ja, dat is waarlijk het woord en de stem van de Vader; wie niet klein is en gelijk aan de kindertjes, zal het hemelrijk niet binnengaan! O lieve broeders en vrienden, laat deze allerheiligste woorden tot hoogste sier en grootste rijkdom van ons huis worden.

19 Daarom willen we voor eeuwig en altijd klein zijn, opdat ons daardoor misschien ook eens de grote genade ten deel zal vallen, dat de Heer onze streek zal bezoeken, zodat wij naar Hem toe kunnen gaan; en mochten Zijn verheven vrienden ons dat willen beletten, dat Hij dan ook allergenadigst tegen ons moge zeggen: `Laat de kleinen tot Mij komen en hinder hen daaraan niet, want aan hen behoort het hemelrijk.'

20 Nu hebben jullie gezien hoe het hier toegaat. Jullie vragen mij heimelijk: deze geesten zijn toch kennelijk reeds in de hemel; hoe kunnen ze dan zo spreken alsof nog niemand van hen de Heer had gezien? Maar ik zeg jullie: zij vier weliswaar de Heer voortdurend zoals jullie op aarde de zon zien; dat betekent zoveel als: het licht van God is boven hun hoofden, hetgeen duidt op de sfeer van de wijsheid.

21 Daar echter het menselijke van de Heer de allerzuiverste liefde uitbeeldt, een liefde die nog heel anders geaard moet zijn dan ze hier is, zijn zij ook nog niet in staat om het menselijke van de Heer te aanschouwen en zodoende kunnen ze dus steeds verder vervolmaakt worden. Het gebeurt ook, hoewel maar zelden, dat de Heer deze streek ofwel rechtstreeks of door een hogere engelgeest bezoekt. Dan worden ook altijd de kleinsten van deze streek aangenomen en naar de morgen geleid.

22 Maar nu zullen wij ook dit huis zegenend verlaten en in deze streek verder trekken; we gaan over de hoge bergen die jullie daar in de verte zien. Daar zullen we weer een ander gedeelte van de middag leren kennen. Daarom genoeg voor vandaag.

 

42.

 

Verschil in snelheid van reizen in het hiernamaals

 

1 Jullie vragen: maar beste vriend, zullen we niet eerst afscheid nemen van de vriendelijke bewoners van dit huis en hen bedanken voor hun liefdevolle ontvangst? Lieve vrienden, het spijt me echt dat jullie me daar niet eerder aan hebben herinnerd, want nu bevinden we ons al op de top van een van de bergen die we eerder in de verte zagen, terwijl ons huisje al ver achter ons ligt! Dat verbaast jullie enigszins en daarom zeggen jullie: maar beste vriend, hoe kan het toch dat we hier zo snel als de gedachten wandelen, terwijl we in de noordelijke en avondlijke omgeving, op enkele zeldzame uitzonderingen na, duidelijk slechts stap voor stap hebben gelopen? Uit vroegere ervaringen weten we weliswaar dat men in de geest zo snel als de gedachte vooruit kan gaan. Dat is dus niet zo vreemd. Maar dat we juist in die streek, die op zich heel arm aan verschijnselen was die men tot de mooie en heerlijke kan rekenen, stap voor stap zijn gegaan, maar daarentegen in deze hemelse streek al dat heerlijke bijna onopgemerkt vlug voorbijschieten, dat is het wat ons bevreemdt.

2 Lieve vrienden, jullie oordelen wel heel juist volgens jullie wijsheid, maar niet volgens de geestelijke wijsheid. Wanneer we ons in dit grote rijk van de geesten in die streken bewegen waar de omstandigheden natuurlijk geaard zijn, dan is juist daar alles vertraagd, en ons langzame voortgaan in zulke streken geeft dan ook heel wezenlijk en aanschouwelijk de moeizame vooruitgang van de geest weer. Hoe dieper we in dergelijke streken waren doorgedrongen, des te moeizamer en langzamer werd ook onze gang. Maar hier, waar de geest al zijn volle vrijheid geniet, is hij van zulke ketenen bevrijd, waardoor zijn voortschrijden veel minder gehinderd en dus ook sneller wordt.

3 Jullie zeggen nu: beste vriend, dat is allemaal juist, goed en waar, maar we herinneren ons dat we in het begin in de noordelijke streek toch eens een snelle bergtocht hebben gemaakt, toen we vanuit de hel eveneens bijzonder vlug terug waren in het kinderrijk en onze reis van het kinderrijk naar hier ook slechts één ogenblik duurde. Hoe moet men dat nu begrijpen? - Beste vrienden, het verbaast me werkelijk zeer dat jullie zoiets nog niet begrijpen, terwijl jullie precies hetzelfde toch al vaak op aarde hebben ervaren bij de ontwikkeling van jullie geest. Ik zal jullie dit aan de hand van slechts één voorbeeld duidelijk maken, dan zullen jullie deze drie, voor jullie onverklaarbare verschijningsvormen van snelreizen meteen grondig doorzien en volkomen begrijpen.

4 Wanneer jullie bijvoorbeeld in de wiskunde of in een of andere wetenschap onderwezen werden en jullie moesten je bij dat onderwijs de een of andere moeilijk te begrijpen hoofdstelling analytisch aantoonbaar eigen maken, omdat bijna het hele complex van die wetenschap met het volledige begrip van die stelling samenhangt, dan heeft het jullie zeker echt veel moeite gekost om zo'n stelling volkomen te begrijpen. Ja, jullie moesten daarbij van punt tot punt stapje voor stapje vooruitgaan. Wat gebeurde er nu als jullie zo'n hoofdstelling volkomen hadden begrepen? Heeft jullie geest niet juist daardoor een snelle vlucht genomen en zich dan met grote snelheid een inzicht verworven, waarmee hij datgene wat hij vroeger zo moeizaam doorvorste en onderzocht in een oogopslag overzag? Maar dat is niet alles; hij trok uit deze door hem nu begrepen stelling ook nog andere conclusies die hem eerst totaal vreemd waren en werd dus tengevolge van zo'n snelle vlucht zelf een ziener, een onderzoeker, een uitvinder en zelfs een schepper van toekomstige waarheden! Begrijpen jullie nu zo'n snelle vlucht?

5 Kijk, precies zo is het ook met de geest; want wat jullie op aarde het werk van de geest of van de gedachten noemden, is hier in het rijk van de geest pure werkelijkheid. We gingen dan ook weer met langzame schreden naar de avond toe, leerden langs deze weg allerlei toestanden kennen en kwamen via onze leerzame weg zelfs in de onderste voor jullie geest bereikbare diepte.

Alles moest voor jullie tot het uiterste ontleed worden. Wat heeft jullie geest daarmee gedaan? Hij heeft een tweede belangrijke stelling geleerd. Door het leren van deze belangrijke stelling was dan weer een tweede snelle opwaartse vlucht mogelijk.

6 We kwamen bij het kinderrijk aan en wel bij de uiterste grens. Daar moesten we nog een derde belangrijke tussenstelling bestuderen die met al het voorafgaande een heel belangrijke verbinding vormde en als een goede voorbode voor het vervolg in de middag diende. Daar jullie zo'n belangrijke tussenstelling vlug en gemakkelijk begrepen hebben, was ook de daarop volgende snelle opwaartse vlucht van de geest in deze lichtstreek even vanzelfsprekend als alle andere.

7 We zijn nu in de omgeving van het hogere licht. Hoe kan het jullie verbazen, dat we met onze al veel rijpere en meer geoefende geest daar sneller voortgaan dan in de twee vorige streken? Maar ik zeg jullie: hier maken we slechts kleine, hoewel snelle stappen, maar gaan in deze omgeving niet verder dan het oog van onze geest reikt.

8 Wanneer we echter vanuit deze omgeving de morgen zullen naderen, zullen we nog oneindig grotere en snellere bewegingen maken. En kijk, dat is geestelijk weer heel natuurlijk. Iets dergelijks is immers eveneens al duidelijk te zien bij de meer gewekte geesten op een hemellichaam, waar een geoefende denker een voorwerp dat men hem ter beoordeling voorlegt, heel vlug zal doorzien en in al zijn delen degelijk en grondig zal ontleden. Wel moet hij nog altijd een voorwerp voor zich hebben, want zonder zo'n voorwerp houdt de activiteit van zijn geest op.

9 Zo kunnen ook wij de ruimten die we hier zien zeer snel doorlopen. Maar wanneer de geest in een nog veel vrijere en meer ongebonden toestand terechtkomt, houdt hij zich niet meer bezig met het ontleden van gegeven objecten, maar omdat hij al overal in die materie de potentie van het oneindige heeft gevonden, wordt zijn blik oneindig veel dieper en zijn snelheid of zijn voortgang veel volmaakter. Begrijpen jullie dit allemaal goed? Jullie bevestigen het en ik zeg: dat is goed en daarom kunnen we onze blik van deze mooie hoogten weer meteen op de nog veel mooiere omgeving die voor ons ligt richten.

10 Jullie verbazen je erover dat we vanaf dit mooie hooggebergte, dat we eerder vanuit het ons al bekende huisje in de verte zagen liggen, nu niet in een dal kijken, maar in plaats daarvan over de mooiste, wijd uitgestrekte en vruchtbare velden, die zich vanaf onze standplaats, en op gelijke hoogte daarvan geheel vlak voor ons uitstrekken. Maar jullie verbazen je er nog meer over hoe de rivier, die jullie al eerder gezien hebben, daar buitengewoon mooi en breed, vrij en open tegen het gebergte opstroomt.

11 Jullie zeggen: maar beste vriend, dat is toch kennelijk heel onnatuurlijk! Jullie hebben gelijk zolang jullie zo'n fenomeen met wereldse ogen bekijken, maar geestelijk gezien is dat heel anders, en toch even natuurlijk als het op een ander hemellichaam natuurlijk is, dat het water van boven naar beneden stroomt.

12 Jullie vragen: hoezo dan? Dat kunnen we niet goed begrijpen. Dat dacht ik wel, maar toch zouden jullie al zover moeten zijn dat jullie ook dit verschijnsel uit jezelf zouden kunnen begrijpen. Vertel me eens: waarom stroomt dan op de hemellichamen het water naar beneden? Jullie zeggen: door zijn eigen gewicht. Wat bepaalt dan het gewicht van het water? Jullie zeggen: de aantrekkingskracht van het centrale zwaartepunt van de aarde of van een ander hemellichaam. Goed geantwoord! Als het centrale zwaartepunt van de aarde het gewicht en dus ook het naar beneden stromen van het water bewerkstelligt, wat kennen jullie in deze geestelijke omgeving dan in zo'n centraal, alles naar zich toe trekkend gravitatiepunt? Is het niet de Heer, die woont in de allerhoogste hoogte?! Kijk, om die reden is het stromen van het water tegen de bergen op hier ook even geestelijk natuurlijk als het op de hemellichamen natuurlijk is dat het water naar beneden stroomt. Dat begrijpen jullie nu; hopelijk kunnen jullie dan ook begrijpen wat dit gebergte en het zich op gelijke hoogte daarachter uitstrekkende land betekent.

13 Jullie zeggen weliswaar: we hebben wel een vaag vermoeden, maar heel beslist kunnen we ons daar nog niet over uitspreken. Maar ik zeg jullie dat zoiets juist uit jullie mond heel eigenaardig klinkt, want waarom hebben jullie dan in een huis met verscheidene verdiepingen trappen aangebracht en waar dienen die voor? Jullie glimlachen en zeggen: dat spreekt toch vanzelf. Hoe kan men anders van een lagere naar een hogere verdieping komen? Men zou zich met veel moeite met een touw omhoog moeten laten trekken. - Goed, omdat jullie de huizen op aarde al zo comfortabel inrichten, kunnen jullie toch niet denken dat de grote Bouwmeester misschien minder goede inzichten zal hebben dan jullie?

14 Hebben jullie nooit gehoord hoe eens de oude Jacob droomde over een ladder waarlangs engelgeesten op en af gingen, terwijl de Heer zelf zich bovenaan de ladder bevond? Kijk, hier hebben we al een sport of trede van juist deze hemelladder. Daar echter elke trede van deze hemelladder beduidend meer te betekenen heeft dan een trede van een trap in jullie huizen, zien we op deze eerste trede dan ook talloze, wonderbaarlijke en heerlijke dingen, die we echter pas bij de volgende gelegenheid nader zullen bezien, en dus is het weer genoeg voor vandaag.

 

43.

 

Merkwaardige omgeving en woning van zalige geesten

 

1 Wanneer jullie op deze heerlijke plek wat rondkijken, wat zien jullie dan en wat valt jullie het meest op? Jullie zeggen: beste vriend, het zou gemakkelijk praten zijn als men maar woorden zou hebben om de talloze dingen die we hier zien te beschrijven! Wanneer men echter de woorden daarvoor niet heeft, blijft er niets anders over dan hoogstens met een vinger te wijzen naar datgene wat ons het meest opvalt.

2 Wat onze ogen daar aanschouwen, kan noch een gebouw noch een boom noch een berg genoemd worden. Het is in zekere zin een samengevoegd geheel van de meest verschillende, maar op zich genomen, volmaakte bestanddelen. Ja, ja, jullie zouden aan de ene kant wel gelijk kunnen hebben, maar als jullie wat scherper kijken, dan zullen jullie de voorwerpen wel duidelijker kunnen onderscheiden.

3 We zullen het eens proberen. Wat zien jullie daar recht voor ons aan de rechterkant van de rivier? Jullie zeggen: we zien een enigszins kegelvormige heuvel die aan de onderkant door een soort ringmuur is omgeven. Deze ringmuur lijkt meer op een levende tuinhaag dan op een eigenlijke muur, maar het gebladerte lijkt toch weer uit een soort muur te groeien.

4 De muur zelf is hier en daar doorzichtig gekleurd, ongeveer zoals een regenboog; zijn hoogte zal nauwelijks een klafter bedragen. Boven de muur zijn bogen als van glas aangebracht. Boven de bogen loopt een soort goot als van goud en in deze goot bewegen voortdurend allerlei gekleurde, stralende bollen die een doorsnee van ongeveer twee handbreedten hebben, terwijl de afstand tussen de bollen een halve klafter bedraagt. De laatste top van deze enigszins kegelvormige heuvel is met een soort tempel versierd. De zuilen zien eruit zoals slanke populieren bij ons op aarde. Toch ziet het dak eruit alsof het van gepolijst goud is en het lijkt alsof het meer vrij boven de zuilen zweeft dan dat het er op de een of andere manier mee verbonden is. Boven op het dak bevindt zich weer een doorzichtige, stralende bol.

5 Kijk, beste vriend, dat is het nu, wat wij hier in eerste instantie op de rechteroever van deze prachtige rivier zien. Het lijkt echter of dit alles één geheel is. Onze ogen hebben nog nooit zoiets gezien en een mens kan zich zoiets ook nauwelijks voorstellen. Daarom weten we ook niet wat het is, waarvoor het dient en welke naam het heeft. Het biedt het oog weliswaar een buitengewoon merkwaardig en prachtig schouwspel, maar dat is ook het enige reële dat we er tot nu toe uit kunnen opmaken.

6 Wel, geliefde vrienden, jullie hebben alles goed bekeken en dus kan ik jullie al zeggen dat dit hier dan ook een woning van zalige geesten is. Jullie zeggen weliswaar: dat zal wel zijn, maar tot nu toe kunnen we nog niets ontdekken van de bewoners van zo'n merkwaardig woonhuis. Maar ik zeg jullie: laten we maar wat dichter naar deze merkwaardige woning toe gaan, dan zullen jullie de bewoners spoedig te zien krijgen. Kijk, we zijn reeds vlak bij de muur en hier is ook een toegangsdeur. Laten we door deze deur gaan, dan zullen we dadelijk bij de bewoners van dit gebouw komen.

7 We zijn nu in het gebouw; kijk eens rond en zeg me wat jullie er nu van vinden. Jullie zetten grote ogen op en zeggen: ja maar, wat is dat nu weer voor een voor-de-gek-houderij!? We zijn nauwelijks door de eigenaardige ringmuur die we daarnet zagen, of de ringmuur is er al niet meer, de heuvel is weg, dus is ook de merkwaardige tempel verdwenen, en het hele land, zover ons oog reikt, ziet er nu heel anders uit dan eerst. Eerder zagen we op de vlakten, op soortgelijke hogere of kleinere heuvels een groot aantal van zulke zonderlinge woongebouwen. In plaats daarvan zien we nu een heleboel indrukwekkende paleizen in schitterende stijl gebouwd en aan de oever van de rivier, die als enige nog is overgebleven, zelfs aanzienlijk grote steden. Lieve vriend, wat heeft deze metamorfose nu weer te betekenen? Waarom konden we dan niet even goed de merkwaardige woning, die we eerder van buitenaf al zagen, ook vanbinnen als dezelfde herkennen?

8 Ja beste vrienden, naar aardse maatstaven zou dat inderdaad vanzelfsprekend juist zijn, maar naar geestelijke maatstaven gaat dat absoluut niet op. Jullie zeggen: heeft de geest zijn ogen dan niet om de dingen te zien zoals ze zijn? Waarom hoeft hij een voorwerp dan slechts van één kant te bekijken om te weten hoe het er uitziet, maar is het voor hem verdwenen en als het ware niet meer aanwezig, zodra hij het van een andere kant wil bekijken.

9 Ja lieve vrienden, wanneer jullie op aarde een voorwerp met je stoffelijke ogen bekijken, zal dit voorwerp steeds constant blijven en niet veranderen, en jullie zullen het als zodanig altijd aan zijn uiterlijke vorm herkennen. Stel nu eens dat iemand er niet meer genoeg aan heeft om steeds weer dezelfde uiterlijke vorm te bekijken, maar graag het wezen van het gehele voorwerp zou willen leren kennen en wel vooreerst door het mechanisch te ontleden. Heeft hij het voorwerp in een voldoende aantal onderdelen opgedeeld en deze afzonderlijk bekeken, dan zal hij vervolgens nog zijn toevlucht nemen tot de scheikunde en het ontlede voorwerp in allerlei oersubstanties doen uiteenvallen, waarna hij in plaats van het oorspronkelijke voorwerp enkel en alleen grondstoffen krijgt waaruit het voorwerp als vorm heeft bestaan.

10 Zou ik jullie nu ook niet kunnen vragen: waarom is na zo'n scheikundige ontleding de vroegere vorm van het onderzochte voorwerp niet meer te zien? Jullie zeggen: beste vriend, dat is toch heel natuurlijk want door het ontleden van het voorwerp moest toch onvermijdelijk de vroegere grove uiterlijke vorm verloren gaan. Goed, zeg ik, maar wat was de aanleiding of de oorzaak dat de delen, die voorheen een heel bepaalde vorm uitbeeldden, zo moesten worden opgelost? Jullie halen de schouders op en zitten om een deugdelijk antwoord verlegen. Welnu, dan zal ik jullie daar een antwoord op geven. De oorzaak was de geest, die dieper wilde doordringen in het meer inwendige van de materie. Hij heeft die wegen bewandeld en is tot het inwendige van de materie doorgedrongen, maar daardoor is toch duidelijk de oorspronkelijke vorm zo goed als totaal verdwenen.

11 Kijk nu, wat op aarde nog altijd meer mechanisch wordt gedaan om aan de behoeften van de geest tegemoet te komen, manifesteert zich hier in de geest als mooiste, harmonische werkelijkheid. Want als jullie hier een af ander ding dat jullie eerst van buiten hebben gezien, binnengaan, dan wil dat zeggen: jullie gaan binnen in de innerlijke betekenis en dus ook in de totale ontleding en oplossing ervan, anders gezegd, jullie dringen door tot het wezen van het aanschouwde. Daarom hoeft men dan ook hier van binnenuit de van buitenaf geziene vorm niet meer waar te nemen, maar wel de diepere betekenis die geestelijk met de uiterlijke vorm overeenkomt.

12 Om jullie dit nog duidelijker te laten zien, zal ik jullie uitleggen wat de overeenstemming is tussen datgene wat jullie van buitenaf gezien hebben en hetgeen jullie nu binnen zien. De `stroom' of rivier betekent hier het voortdurende en ook altijd zichtbare geestelijk leven op zich, bestaande uit de liefde en de wijsheid, of wat identiek is, uit het ware van het geloof en het goede van de liefde. De `heuvel' die we het eerst op de rechteroever van de rivier zagen, betekent eigenlijk het omhoog streven van de wijsheid; het zachte glooien van de heuvel wil zeggen dat de wijsheid uit de liefde voortkomt. De 'ringmuur' die de heuvel omsluit betekent dat de wijsheid zich nog steeds binnen een bepaalde vorm beweegt. Dat de ringmuur rondom de heuvel loopt, betekent dat de wijsheidsvorm door de liefde wordt verzacht; dat er bladeren uit de muur groeien wil zeggen dat de wijsheidscirkel vol leven is en dat dit leven eveneens liefde is. Deze muur is hier en daar doorzichtig gekleurd, hetgeen duidt op de eenwording van liefde en wijsheid. De `bogen' boven deze ringmuur geven de orde van de wijsheid aan wanneer ze met de liefde is verenigd. De `goot' die boven de bogen loopt stelt een open opnamevat voor, dat een weg is van het licht. De in deze goot zich voortbewegende en stralende 'bollen' betekenen het echte leven dat voortkomt uit de wijsheid wanneer deze met de liefde verenigd is.

13 De `tempel' op de heuvel, waarvan de zuilen op levende populieren lijken waarboven zich een zwevend gouden dak bevindt dat helemaal bovenaan voorzien is van een stralende bol, geeft aan dat zo'n wijsheid door liefde voor de Heer tot leven wordt gebracht; vandaar de levende zuilen. Het `zwevende dak van goud' staat voor de rijkdom van de goddelijke genade van uit zo'n liefde; de `stralende bol' boven het dak betekent de levendige hoge wijsheid in de goddelijke zaken. Kijk, dat is nu eenmaal onze vorm.

14 Wanneer we er nu binnengaan, is hij ook verdwenen, maar in plaats daarvan zien jullie dan de jullie getoonde verheven werkelijkheid die in zo'n sfeer, waarin de wijsheid met de liefde voor de Heer verbonden is, tot uitdrukking komt. Al deze paleizen, gebouwen en steden komen wat hun doelmatigheid betreft dan ook overeen met het goede van de liefde en de alom prachtige vorm van de stralende wijsheid.

15 Zodoende hebben we ons deze belangrijke zaken weer eigen gemaakt en kunnen we ons in deze streek dan ook verder begeven en de heerlijkheden in ogenschouw nemen. We zullen evenwel nergens zo'n gebouw binnengaan, want daarin zouden we weer heel andere dingen te zien krijgen; daar zou dan weer veel uit te leggen en te bespreken zijn en er zou immers geen eind aan komen. Zullen jullie echter eenmaal zelf zuiver geestelijk zijn en je dus in een totaal geestelijke toestand bevinden, dan zullen jullie de eindeloze verscheidenheid en wonderbaarlijke veelvuldigheid zonder meer eeuwig te zien en te beschouwen krijgen. Voor ons is het echter zaak hier te doorgronden hoe al het geestelijke zich ontwikkelt. Nu kunnen jullie je ogen dan ook de kost geven en in alle richtingen de grote wonderbaarlijke heerlijkheden naar hartelust bekijken, en dan zullen we de volgende keer alles wat jullie gezien hebben resumeren en daarna weer verdergaan. En hiermee is het genoeg voor vandaag.

 

44.

 

Schoonheid en pracht van de middag.

Onderricht over het wezen van liefde en wijsheid

 

1 Wel, jullie hebben naar alle kanten rondgekeken en ontelbare en omvangrijke heerlijkheden van allerlei soort gezien. Zeg me nu wat jullie van het vele wat jullie gezien hebben het meest heeft aangesproken. Jullie zeggen: beste vriend, ook jou is het gegeven om in ons innerlijk te zien; wees daarom zo goed en resumeer voor ons het beste en mooiste dat we gezien hebben. Goed dan, dat wil ik wel doen, want ik lees in jullie ogen en van jullie gezichten, wat je van al het aanschouwde het beste beviel.

2 Het waren niet de eindeloos grote, buitengewoon prachtige, blinkende paleizen die jullie het beste bevielen. Ook de steden die aan de rivier liggen wekten niet jullie verdere belangstelling. Maar daar, meer op de achtergrond aan de overkant van de rivier naar de morgen toe, zagen jullie liefelijke heuvels waarop kleine, enigszins armoedige huisjes staan. Daar hebben jullie het meest naar staan kijken.

3 Ik zeg jullie, als men hier op wereldse wijze naar uiterlijke schoonheid zou oordelen, dan zou men kunnen zeggen: lieve vrienden, jullie hebben een slechte smaak. Maar wanneer we geestelijk oordelen dan moet ik jullie zeggen: lieve vrienden, jullie hebben een fijne neus en daarom is jullie vermoeden heel juist dat er achter deze klein lijkende nederzettingen nog iets veel verheveners schuilgaat dan hier zo op het eerste oog te zien is.

4 Daarom zeggen jullie ook heimelijk bij jezelf: beste vriend en broeder, als we moesten kiezen, dan zouden we wel honderd van die prachtige paleizen die we hier zien willen inruilen voor één zo'n huisje.

5 Jullie hebben zeker geen ongelijk, maar desalniettemin verdient zo'n grandioos paleis hier in deze omgeving toch ook onze aandacht. Bekijk er maar eens een heel goed, en zie hoe het is opgetrokken uit een glanzend wit gesteente en precies zeven verdiepingen telt, waarvan elk een hoogte heeft van dertig el. Elk paleis heeft vier complete voorgevels; in elke gevel zitten zeventig grote ramen, die onderling zeven el uit elkaar liggen. Uit elk raam straalt licht als dat van de zon, terwijl elke gevel rondom voor de stralende ramen langs, en dat bij alle verdiepingen, versierd is met een zuilengang die straalt alsof hij van zuiver gepolijst, doorzichtig goud is. Het dak van zo'n paleis ziet eruit alsof het met grote diamanten platen bedekt is. Rondom dit grote paleis is bovendien nog een evenredig grote, prachtige tuin aangelegd waarin jullie duizenden prachtige, wonderbaarlijke bloemen en nog eens duizenden van alle mogelijke soorten heerlijke fruitbomen zien. Tussen de bloemen en de fruitbomen zien jullie piramiden die blinken in alle kleuren. Jullie zien dat de toppen van de piramiden versierd zijn met grote, sterk stralende bollen. Boven op deze bollen zien jullie zoiets als een kroon, die punten heeft waaruit bronnen ontspringen en waarvan het water in de stralende lucht omhoog spuit zover jullie oog reikt. In deze stralenlucht worden deze kleine druppeltjes groter, waarna zij dan in allerlei kleuren en in de mooiste ordening weer majestueus langzaam in de tuin vallen, om daar in talrijke heerlijke hemelse geuren op te lossen.

6 Als jullie je ogen nog eens wat meer inspannen zien jullie ook in zo'n tuin heel veel bijzonder mooie, heerlijke zalige mensen van beiderlei kunne rondwandelen. Kijk, daar dicht bij de ingang van deze prachtige tuin staat een man. Hij is gekleed in wit byssus en draagt een blinkende kroon op zijn hoofd. Zijn gezicht is wit als sneeuw, zijn haar is gekleurd alsof het van goud was. Kijk eens hoe prachtig dit alles is!

7 Zijn huidskleur komt heel mooi uit tegen de stralend rode garnering van zijn gewaad en de gordel om zijn lendenen, glinstert hij niet alsof hij uit vele sterretjes bestond? En kijk nu, daar komt juist een vrouwelijke geest naar de ingang van de tuin; hoe bevalt jullie deze wel?

8 Jullie zeggen: vriend, bij de aanblik van dit wezen raakt men geheel buiten zinnen; werkelijk, zoiets volmaakts kan een sterfelijk mens zonder acuut gevaar voor zijn leven niet eens aanschouwen, laat staan bedenken! De bijna meer dan hemelse schoonheid van dit vrouwelijke geestwezen gaat werkelijk alle menselijke begrippen te boven! Wat een eindeloos verheven zoete vriendelijkheid op haar gezicht; welke onmetelijke zachte vormen en wat een prachtige gelaatskleur! Het glanzende, weelderig lichtblonde haar, op het bovennatuurlijk mooie hoofd een schitterende kroon als van de prachtigste diamanten, het glanzende hemelsblauwe gewaad met zachtrode garnering; ach hoe harmonisch en mooi is dit toch allemaal! We zien ook de ene arm waarboven dit prachtige gewaad door middel van een allermooiste sierspeld in plooien bijeen wordt gehouden. Wat een ronding en harmonie in deze arm! Hij lijkt zo zacht als een milde zucht van het mooiste morgenrood in de lente! En, o beste vriend, behalve haar arm zien we van deze engelenvrouw ook nog haar voet en haar been tot boven de knie. Waarlijk, zo'n schouwspel is zelfs voor een geestelijk oog te veel, want de harmonische zachtheid en volmaaktheid is immers met geen pen te beschrijven. Waarlijk, alleen voor God is liet mogelijk om zo'n onuitsprekelijke harmonie te scheppen! Bovendien beste vriend, zien we op de lichte achtergrond nog een heleboel van zulke hemelse heerlijkheden. Werkelijk, in zo'n gezelschap een gelukkige medebroeder te zijn, zou toch wat al te veel zaligheid zijn!

9 Ja, lieve vrienden, er zijn hier eindeloos veel van zulke heerlijkheden; daarom vraag ik jullie nog eens: hoe bevalt jullie nu zo'n paleis? Jullie krabben je wat achter de oren, wat volgens mij wil zeggen: beste vriend, bij nader inzien hebben we eigenlijk niets meer op zo'n paleis tegen als we het vergelijken met die huisjes daar op de heuvel aan de overkant van de rivier! We zouden met zo'n zaligheid, vanzelfsprekend in de zuiver geestelijke toestand die daarvoor noodzakelijk is, in alle eeuwigheid tevreden zijn, vooral als ons zo nu en dan ook de genade ten deel zou vallen de Heer te zien. Als dat echter niet het geval zou zijn, dan zouden we zeker op onze woorden terugkomen.

10 Ja geliefde vrienden, zoals het jullie nu vergaat bij de aanblik van al deze heerlijkheden, is het al velen vergaan. Het verschil ligt alleen hierin, dat jullie hier vrijblijvend langs komen. Maar geesten die hier werkelijk aankomen staat hier nog een hele zware beproeving te wachten waarin zij zich, zichzelf verloochenend, moeten waarmaken, wanneer ze van hier over de rivier in het heuvelland met de eenvoudige huisjes willen komen.

11 Jullie vragen, wie zijn eigenlijk deze zalige geesten die dit paleis bewonen en waar komen ze vandaan? Het zijn geesten ten dele van arme, en ten dele ook van rijke families op aarde, die mettertijd vanuit de jullie reeds bekende avond hier zijn aangekomen. Een gedeelte van hen is echter ook hier ten gevolge van hun op het geloof aan de Heer gebaseerde streng geregelde en rechtschapen levenswijze op aarde. Verder dieper in de middag zouden jullie ook zalige heidense geesten aantreffen die op aarde trouw volgens hun geloof hebben geleefd en in de geestenwereld het geloof in de Heer bereidwillig hebben aangenomen.

12 In het paleis hier voor ons wonen zielen die al van oorsprong gelovige christenen waren en wel uit de sekte van de calvinisten. Drie van hen waren op aarde rijk; zij zijn hier juist niet de rijksten maar behoren meer tot de dietiende klasse. De beide eersten die jullie bij de poort hebben gezien en daar nog zien, waren op aarde heel arm. Hij was alpenherder in Zwitserland en zij was eveneens een heel onaanzienlijke koehoedster. Mettertijd leerde deze vrome herder de goede christelijke eigenschappen van het meisje kennen en hij heeft haar toen volgens zijn confessie tot vrouw genomen. Dit paar leeftic hun hele leven lang heel kuis met elkaar. Ze hadden ook enkele kinderen; deze werden volgens hun christelijke geloofsovertuiging streng opgevoed en deze principes werden dan door vijf opeenvolgende geslachten trouw in acht genomen. Zo zien jullie hier dus iets wat zelden voorkomt, een zalige familie bloedverwanten, bestaande uit ouders, kinderen en kleinkinderen. De beiden die jullie zien zijn dus de stamouders van de hele familie. De drie ondergeschikten in dit gezelschap zijn weliswaar ook verwanten van deze familie, maar zij waren mensen die zich door gelukkige aardse omstandigheden op werelds gebied hebben opgewerkt en daardoor voornaam en rijk zijn geworden. Door zo'n aardse rijkdom en aards aanzien hebben ze tijdens hun aardse leven ook veel voordeel en comfort genoten, wat de andere arm gebleven familieleden vreemd is gebleven. Daarom moeten zij hier nu juist ook veel dingen ontberen waarvan de armere familieleden nu ten volle kunnen genieten. Desalniettemin zijn ze hier ook voor jullie zo te zien toch onuitsprekelijk gelukkig, omdat ze hun wereldse aanzien en hun rijkdom merendeels voor goede doelen gebruikt hebben.

13 Wij willen echter, daar we nu eenmaal hier zijn, de beiden voor hun tuinpoort toch een kort bezoek brengen, zodat jullie enigszins kunnen zien welke geestelijke gezindheid zij hebben. Laten we er daarom maar eens naartoe gaan. Kijk, ze hebben ons al gezien en haasten zich naar ons toe; maar zoals jullie zien blijven ze nu plotseling staan. Wat mag daarvan de oorzaak wel zijn? Ze vermoeden nog iets zinnelijks in jullie; daarom willen ze liever afwachten tot wij naar hen toekomen. Kijk nu, we zijn bij hen en de bijzonder mooie man ontvangt ons met de volgende woorden: wees gegroet met de zuiverheid van het woord van de Heer! Mag ik, de geringste dienaar van dit huis, jullie vragen welke zuivere en goede bedoeling jullie hierheen heeft geleid?

14 Omdat jullie hier niet in staat zijn te spreken moet ik in jullie plaats wel het woord voeren. Lieve vriend, jouw vraag is rechtvaardig en uit de toon van je woorden klinkt de zuivere wijsheid van de hemelen maar kijk, een ding ontbreekt eraan en dat ene is de liefde! Je hebt weliswaar je huishouding heel goed op orde en je hele, prachtige bezit komt voort uit jouw zuivere wijsheid; maar kijk, één zandkorreltje in het rijk van de liefde van de Heer overtreft al veelvuldig al deze heerlijkheden! Kijk, zij die hier bij mij zijn, zijn leerlingen in de liefde en ik ben uit allerhoogste liefde voor hen een leider in naam van de Heer. Erken en begrijp ons vanuit dit gezichtspunt. Zie, reinheid van zeden is een prachtige deugd en de rechtvaardige is een vriend van de Heer, maar als een zondaar boete doet uit liefde voor de Heer, dan is Hem die liever dan negenennegentig mensen zoals jij, die met alle reinheid van zeden er nooit behoefte aan heeft om boete te doen.

15 En jij, reine vrouw van deze reine man, jouw levenswandel was werkelijk

als die van een allerreinste ster, en een nooit geschonden kuisheid was jouw weg naar dit heerlijke rijk! Maar in de eeuwige morgen wonen zeer veel vrouwen die maar al te vaak tegen hun vlees gezondigd hebben. Maar deze zondaressen hebben hun schuld ingezien, verdeemoedigden zich berouwvol voor de Heer en ontbrandden toen in grote liefde voor Hem, zodat ze niets anders meer zochten dan zoveel genade van Hem te ontvangen dat Hij zich over hen zou mogen ontfermen, en hen na hun dood zou mogen opnemen bij de allerminsten onder hen die zich mogen verheugen over Zijn oneindige erbarming! En kijk, zij wonen nu in de eeuwige morgen allerzaligst en voortdurend in gezelschap van de Heer! Waarlijk, heerlijk en buitengewoon schitterend is hier alles, maar de allerkleinste strohut in het rijk waar de Heer woont, heeft oneindig meer waarde dan al deze pracht!

16 Kijk eens, hoe dit paar nu met de hand op het hart eenstemmig zegt: o machtige vrienden van de Heer, jullie hebben ons met weinig woorden oneindig veel gezegd. We hebben weliswaar al heel lang het vermoeden gehad dat er nog iets hogers en verheveners moet zijn dan dit hier, maar we wisten de weg niet, want onze wijsheid was in staat hier het meest verhevene tot stand te brengen. Nu weten we dat dit alles slechts werd toegelaten, opdat we daaruit steeds meer de liefde zouden mogen erkennen. Zeg ons daarom wat we moeten doen om slechts één druppel van de echte, waarachtige liefde waardig te worden.

17 Nu zeg ik tegen hen: lieve vriend en jij lieve vriendin, hebben jullie nooit gehoord wat de Heer tegen de rijke jongeling heeft gezegd: `Geef alles weg en volg Mij!' En hebben jullie in het Boek niet gelezen waarin de Heer een eeuwig geldende vergelijking heeft getrokken, toen vooraan in de tempel een rechtvaardige farizeeër aan de Heer zijn daden, volkomen volgens de wet van Mozes, kenbaar maakte, terwijl tegelijkertijd helemaal achter in de tempel een arme zondaar zich van berouw op zijn borst sloeg en zei: `O Heer, ik ben niet waardig mijn ogen naar Uw heiligdom op te heffen!' Wie van beiden heeft de Heer hier gerechtvaardigd? Jullie zeggen: de deemoedige zondaar. Kijk, hieruit kunnen jullie nu heel gemakkelijk de eigenlijke weg naar de Heer vinden. Handel dus ook zo want het woord van de Heer geldt ook ten volle in de hemelen en wel voor alle eeuwigheden!

18 En verder: voor Hem bestaat er niets wat rein is of rechtvaardig, want Hij alleen is rein, rechtvaardig, goed en barmhartig! Houden jullie je niet voor volmaakt maar doe wat de zondaar in de tempel deed en wat een jullie welbekende medegekruisigde van de Heer deed, en dan pas zullen jullie de ware rechtvaardiging vinden die bestaat uit de enige liefde tot de Heer. Word arm, ja wordt volkomen arm, opdat jullie rijk mogen worden in de liefde van de Heer!

19 Kijk, nu staat het paar op en keert wenend terug. En zie hoe allen zich voor het paleis verzamelen en aandachtig naar dit stamouderpaar luisteren. Kijk hoe ze allen hun sieraden afleggen en ook hun prachtige kleren verwisselen voor heel armoedige kleding en hoe het stamouderpaar al deze heerlijkheden aan de drie armsten overdraagt. Zoals jullie zien haast zich nu een groot gezelschap van honderden mensen naar buiten naar ons toe.

20 Jullie vragen: maar beste vriend, wat zullen we met hen doen? Maar ik zeg jullie: maak je daarover maar geen zorgen; jullie zullen bij deze gelegenheid een waarlijk hemels schouwspel te zien krijgen, waarbij je zoals jullie plegen te zeggen, bijna horen en zien zullen vergaan! Maar zo'n schouwspel zullen we pas de volgende keer te zien krijgen. En hiermee is het genoeg voor vandaag.

 

 

45.

 

De overeenstemmende betekenis van eten en drinken van de hemelse geesten.

Het hemelse huwelijk

 

1 Kijk nu, het tamelijk grote gezelschap is al dicht bij ons. Kijk eens naar die lieve kinderen, hoe het ene nog hemels mooier is dan het andere! De aanblik van elk van hen toont jullie weer een andere schoonheid. De mannelijke engelen hebben een jeugdige kracht en hun gezichtsuitdrukking is buitengewoon zacht en ernstig. Hun ogen zijn groot, hetgeen betekent dat ze rijk aan licht zijn; hun neuzen zijn fraai gevormd en heel gevoelig, hetgeen wil zeggen dat ze teergevoelig zijn en een scherp aanvoelingsvermogen hebben. Hun mond is zacht en meestal gesloten, wat betekent dat de wijsheid discreet is. Hun kin is eveneens zacht en zonder baard. Dat wat wil zeggen dat de eigenlijke wijsheid open is en niet wordt omhuld met een wildgroei van mystiek. Glad en rond is hun hals, hetgeen betekent dat de waarheid principieel beschouwd heel vanzelfsprekend en een op zich afgerond geheel is. Zie verder de zachtheid van hun handen; dat betekent dat de wijsheid alles met goed overleg aanpakt en niets onvolmaakts wil aanraken.

2 Jullie zeggen nu: het is merkwaardig dat het mannelijke wezen zich hier bijna in dezelfde mooie ronde vormen vertoont als het vrouwelijke, en wel op een manier dat men tenslotte nauwelijks nog weet waarin men als mannelijke geest een groter welbehagen zou scheppen, in de buitengewoon prachtige mannelijke gestalte of in de vrouwelijke. Dat heeft, mijn lieve vrienden, zijn reden in het waarachtige hemelse huwelijk, en wel omdat er in de Schrift staat dat man en vrouw één vlees zullen zijn. Daarom verschillen ze hier ook maar weinig en zijn, zoals de Heer gezegd heeft, allen gelijk aan de engelen van God!

3 Jullie vragen of er hier bij de geesten geen verschil in geslacht bestaat. Ik zeg jullie: dat is hier net zo goed het geval als op de hemellichamen, en de geesten eten en drinken hier ook en verrichten dus ook hun noodzakelijke behoefte. Verder genieten deze hemelse echtelieden ook de `echtelijke genoegens' zoals op aarde; maar dat alles heeft hier een heel andere betekenis dan op de hemellichamen.

4 Het eten en drinken wil zeggen: het opnemen van het goddelijk goede en goddelijk ware, en wat jullie onder de zinnelijke geslachtsdaad verstaan, betekent hier de vereniging van het goede van de liefde en het ware van het geloof tot een liefdevolle ontplooiing. Dit alles verhoudt zich hier als oorzaak, werking en doel. Wie aldus wil werken, moet immers eerst het werkende principe dat daaraan ten grondslag ligt in zich opnemen en dat is hier hetgeen onder het opnemen van voedsel wordt verstaan.

5 Het verteren van deze voeding bewerkstelligt en ondersteunt het voortdurende leven van de geesten. Het leven wil en kan echter niet een geïsoleerd opzichzelfstaand iets zijn, maar het grijpt het object dat hem aantrekt en met hem overeenstemt vast en schenkt daaraan zijn vertrouwen, zodat daardoor als het ware uit twee levens een volkomen eenheid ontstaat. Dit kan men beschouwen als het doel. Het doel wordt dan zinvol omdat een verenigd leven in alle opzichten een krachtiger werking heeft dan een opzichzelfstaand leven, wat niet als een volmaakt leven kan worden beschouwd omdat daarin geen enkel doel en dus ook geen groei tot uitdrukking komt. Begrijpen jullie dat?

6 Jullie zeggen: beste vriend, ten dele wel maar geheel duidelijk is het ons nog niet. Welnu, ik zal het nog eens wat nader belichten. Jullie hebben ook op aarde reeds een overeenkomstige daad die lijkt op de geslachtsdaad van de geesten.

7 Wat gebeurt er eigenlijk als een levenskrachtige man een of andere vrouw zogenaamd magnetisch behandelt? Hier gebeurt niets anders dan dat de man met zijn krachtige geest de zwakkere geest van de vrouw binnendringt, deze daardoor opwekt en met zijn kracht ondersteunt, doordat hij zich met haar voor een bepaalde tijd magnetisch verbindt en gedeeltelijk fijnstoffelijk verenigt of anders gezegd met haar een `geestelijke echtverbintenis' aangaat.

8 Wat is de uitwerking van deze verbintenis? Als jullie maar enigszins de veel­vuldige verschijnselen op dit gebied beschouwen dan kunnen jullie onmoge­lijk wat anders zeggen dan: de kracht van de zwakke vrouwelijke geest is door de daarmee verenigde kracht van de mannelijke geest zeer verhoogd en kan in zo'n toestand dingen tot stand brengen die een geïsoleerde geest in zijn natuurlijke toestand toch hoogst zelden en dan nog slechts heel moeizaam tot stand kan brengen. Helderziendheid, het in zichzelf en anderen inzicht krijgen en, kort gezegd, het krachtige, helder geestelijke doordringen in anders ondoorgrondelijke diepten van de schepping, is het gevolg van zo'n vereniging.

9 Welnu, precies zo is geestelijk de zogenaamde geslachtsdaad geaard. Het is een elkaar vastgrijpen van twee innig verwante geestelijke potenties en het gevolg daarvan stemt dan ook overeen met de jullie bekende handeling die we zojuist hebben besproken. Nu zeggen jullie wel dat het allemaal duidelijk is, maar jullie vragen nog op welke manier deze handeling hier wordt ver­richt. Ik zeg jullie: zo'n handeling wordt op dezelfde manier verricht als bij echtelieden maar er is daarbij van een of andere vorm van zinnelijkheid geen enkel spoor te bekennen.

10 In de eerste Kerk, de Adamitische, werd de geslachtsdaad bij de mensen, die toentertijd voortdurend met de hemel in contact stonden, eveneens veel meer op een geestelijke dan op een zinnelijke manier verricht. Bij gelegenheid van zo'n daad werden de beide echtgenoten meer dan anders door de god­delijke Geest doordrongen, raakten daardoor lichamelijk in slaap, ontwaak­ten spoedig uit deze natuurlijke slaap en werden dan één in de geest en daar­door ook volkomen in hemelse vervoering gebracht. Eerst in die toestand verrichtten ze de geslachtsdaad en werden al spoedig daarna weer gescheiden en lichamelijk in de natuurlijke sfeer teruggeplaatst.

11 Om deze reden werd deze daad toentertijd ook `éénslaap', `medeslaap' of ook `bijslaap' genoemd. Daar de mensen mettertijd echter door allerlei wereldse genoegens aardser en zinnelijker werden, begonnen ze ook zonder geestelijke voorbereiding in hun aardse sfeer de vrouwen zuiver lichamelijk te beslapen, raakten daarbij niet meer in een geestelijke slaap of beter gezegd in een natuurlijke slaap opdat de geest vrij zou worden. Daardoor werden de vruchten als resultaat van oorzaak en werking dan ook zoals de oorzaak en de werking zelf waren. Jullie zeggen immers zelf: `Ex trunco non fit Mercurius'.( Uit een boomstronk ontstaat niets goddelijks.) Hoe is het derhalve dan mogelijk om langs zuiver dierlijk natuurlijke weg vruchten van de geest te verwekken? Ik ben van mening dat, als jullie slechts enigszins acht slaan op deze belangrijke, oudhistorische, volkomen ware beschrijving, jullie je nu ook de zuiver hemelse geslachtsdaad juister en waar­diger kunnen voorstellen dan jullie anders mogelijk zou zijn geweest, terwijl jullie deze daad, door zijn tegenwoordige, puur zinnelijke verschijningsvorm, op grond waarvan de wetten van Mozes met betrekking tot de onkuisheid werden gegeven, noodgedwongen als onzuiver en dus ook onheilig moesten beschouwen.

12 Dit weten jullie nu. Maar wat betekent dan de geestelijke `verrichting van de noodzakelijke behoefte', die met de natuurlijke overeenkomt? Wat bete­kent dan de natuurlijke? Niets anders dan het wegwerken van de uiterlijke vorm, nadat deze als draagster van levenbevattende substanties, deze sub­stanties heeft afgegeven. Kijk, het leven kan zich onmogelijk anders manifeste­ren en uiten dan slechts in een met haar overeenkomende vorm. Deze vorm komt overeen met alle uiterlijke vliesachtige omkledingen van de dingen. Ook al zijn de vruchten die jullie hier zien, niets anders dan louter levende overeenstemmende vormen, voortgekomen uit de liefde en de wijsheid van de Heer, maar dan zoals hier zichtbaar wordt, ook als overeenkomstige vormen van waarachtig geloof en daadkrachtige liefde, kunnen ze toch niet zonder een uiterlijke vorm worden voorgesteld, evenmin als een gedachte zich kan manifesteren zonder woorden.

13 Als jullie dus woorden horen, dan eten jullie geestelijke vruchten. De woor­den als vormen worden door jullie weer heel vlug geestelijk weggewerkt, maar de betekenis van de woorden blijft in jullie. Kijk, dit stemt volkomen overeen met deze geestelijke verrichting van de noodzakelijke behoeften. 14 De vormen zijn de dragers van het levende. Daar het levende echter puur god­delijk en dus het meest innerlijke en allerzuiverst geestelijke is, kan het ook door geen uiterlijke geest volkomen zuiver worden opgenomen. Daarom schept de Heer dan overeenstemmende liefdevormen, die dan dragers van Zijn leven zijn. Willen we derhalve dit leven in ons opnemen, dan moeten we het samen met de vorm opnemen. Pas in ons wordt de vorm als levensdrager ver­nietigd; het leven wordt daardoor vrij en verenigt zich al spoedig met het even­eens goddelijke leven in ons, sterkt het en houdt het levendig. De vorm zelf, als vernietigde huls, wordt dan volgens de ordening van de Schepper uit ons gehele levende wezen verwijderd.

15 Bij jullie op aarde noemt men zoiets het `afval' maar hier wordt dat de scheiding genoemd. Bij jullie is de vorm grofstoffelijk, bij ons is het eveneens geestelijk, dus onmiddellijk vervluchtigend en geheel verdwijnend. Daar jul­lie dit nu allemaal weten zullen we weer terugkeren naar ons grote, wonder­mooie gezelschap.

16 Kijk, ons vroegere stamouderpaar staat reeds bij ons. Hij komt naar mij toe en zegt: machtige bewoner van de eeuwige morgen en toch zeker een heel geliefde vriend van de Heer, zie, we hebben nu alles verlaten en ons gehele bezit en onze kostbaarheden op jouw aanraden weggegeven. Je ziet dat we met velen zijn en toch is er niet één onder ons die anders gezind zou zijn dan ik ben. We staan hier nu deemoedig voor je; zeg jij, die hier in Naam van de Heer bent, maar wat je wilt en wat de wil van de Heer is, dan zullen wij het doen!

17 Nu zeg ik tegen hen: geliefde broeders en zusters, heb geen spijt dat jullie gekozen hebben voor de liefde voor de Heer en volg ons in Zijn Naam! Kijk daarginds, aan de andere kant van de rivier waar jullie op min of meer onherbergzaam lijkende heuvels op gepaste afstand van elkaar kleine onaanzienlijke huisjes zien liggen, daar zal ik jullie naartoe brengen en ieder zijn eigen woning geven. Jullie zullen daar weliswaar niet zo aangenaam en mooi wonen als hier in dit prachtige paleis, maar daaraan zullen jullie moeten wennen, want in de eeuwige morgen in voortdurende tegenwoordigheid van de Heer woont men niet in zulke paleizen, maar in heel eenvoudige kleine hutten. Ook is men daar niet zo schitterend gekleed als hier maar de waarachtige kinderen van de Heer lopen bijna geheel naakt rond. Daar mag niemand werkeloos zijn, want de Heer weet zijn kinderen voortdurend volop bezig te houden.

18 Hier hadden jullie `zalige rust' en genoten heerlijk en vredig van alles wat jullie in zo'n rijke overvloed bezaten; daar wordt men echter niet zo onderhouden. Men moet er werkelijk ijverig werken om zijn dagelijks brood te verdienen.

19 Hier hoefden jullie nergens om te vragen of voor te danken, want de Heer gaf jullie alles vrij uit Zichzelf in de grootste overvloed, maar daar zullen jullie altijd de Heer en de Vader moeten vragen en danken.

20 Hier had iedereen als zelfstandig heer zijn eigen tafel en kon eten en drinken naar eigen welgevallen. Daar heeft niemand een eigen tafel, maar moeten allen bij de Vader aan tafel komen.

21 Hier kunnen jullie eten wat je wilt, maar daar is de regel: eet wat jullie op tafel wordt voorgezet.

22 Als jullie met deze ruil tevreden zijn, volg me dan! Daardoor zal evenwel jullie wil niet het geringste geweld worden aangedaan.

23 Luister, nu zegt het hele gezelschap: o grote lieve vriend van de Heer, al bezaten we hier duizend van zulke paleizen, dan zouden we deze toch verlaten als we dicht bij de woning van onze grote heilige Vader mogen zijn als de slechts allerlaatste en allergeringste dienaren! Alle voorwaarden die je ons hebt gesteld, zijn toch te groot en te verheven voor ons. Als we maar waardig worden bevonden de broodkruimels van de tafel van de Heer te mogen ontvangen, dan zouden we daardoor reeds onuitsprekelijk gelukkiger zijn dan hier, omdat we bij al deze grote pracht precies datgene moeten ontberen wat enkel en alleen voor alle engelen de allerhoogste zaligheid uitmaakt, namelijk het aanschouwen van de Heer, die vooral een voortreffelijke, heilige Vader is voor hen die bij Hem in de morgen wonen.

24 We worden de Heer hier ook wel gewaar in de heilige genadezon boven ons, maar de Vader te midden van Zijn kinderen kunnen wij niet aanschouwen!

25 Breng ons dus maar waarheen je wilt en geef ons een plaats volgens jouw hemelse inzicht. Wij zullen je volgen!

26 Nu zeg ik: volg me dan over deze rivier naar het gindse heuvelland. Laat je niet afschrikken door de golven die jullie eerder niet konden dragen, omdat jullie grondbeginsel niet de eigenlijke `grondslag van het leven' was, namelijk de liefde voor de Heer. Maar nu is deze liefde jullie basis geworden, zodat het water van deze rivier jullie zal dragen, want dat vertegenwoordigt immers jullie basis. Kijk hoe allen ons nu volgen en hoe het water van de rivier hen draagt als een stevige bodem!

27 Zodoende zullen we ons gezamenlijk naar het heuvelland daarginds begeven en ons gezelschap daar installeren. Daarna kijken we nog wat zich daar allemaal zal afspelen en hoe tevreden het gezelschap daar zal zijn.

 

46.

 

In het heuvelland van de eeuwige morgen. Een klein liefde-examen.

Hoe stellen jullie je de Heer voor?

 

1 Kijk, met de ons reeds bekende manier van snelreizen zijn we ook al ter plaatse. Daar juist voor ons staat al zo'n huisje. Ziet het er niet bijna uit zoals bij jullie op aarde een echt lieflijk alpenhuisje in Zwitserland? Jullie zeggen: ja inderdaad, zo ziet het er werkelijk uit. Er is weliswaar een groot verschil tussen zo'n huisje en een paleis of zelfs een grote stad zoals we die eerder meer beneden in de laagvlakte zagen, maar desondanks zouden we dat huisje liever bewonen dan zo'n paleis.

2 Goed, we zullen nu zo'n huis binnengaan, de inrichting bekijken en ook de eventuele bewoners zien. Kijk, we zijn al binnen. Jullie vragen nu: maar beste vriend, hoe komt het dat dit huis inwendig niet verandert op de gebruikelijke geestelijke manier, maar een onveranderlijk huis is waar het inwendige volkomen met het uitwendige overeenkomt?

3 Lieve vrienden, dat zullen jullie gaandeweg in de omgang met de bewoners van deze streek precies leren begrijpen en wel in de loop van de geleidelijke ontwikkeling van onze zienswijze, en hoe de bewoners zich in de omgang met hen aan ons zullen voordoen.

4 Zien jullie hier ook niet allerlei landbouwwerktuigen? Er zijn sikkels, houwelen, harken, klemhaken en pikhouwelen; zelfs de ploeg en de eg ontbreken niet en als jullie goed rondkijken, zien jullie achter het huis zelfs een schuurtje en een stal voor een of twee paar ossen. En daar zien jullie weer een keuken, hier een kamer voor het personeel en daar vooraan een echt smaakvol ingerichte kamer voor de eigenaars van dit huis. Wat zeggen jullie daarvan?

5 Het verbaast jullie wel enigszins, zoals ik zie, want jullie zeggen bij jezelf: werkelijk, het lijkt ons allemaal heel gezellig en we zouden hier inderdaad zonder meer graag willen blijven, maar toch maakt deze totaal aardse inrichting in deze blijkbaar echte hemel een wat vreemde indruk.

6 Mijn lieve vrienden, ik heb wel gedacht dat jullie zoiets een beetje vreemd zouden vinden. Maar het zou heel wat verstarde aartspapen, die zich de hemel voorstellen als een eeuwig nietsdoen, waarschijnlijk nog meer bevreemden. Hoe het dergelijke mensen hier echter vergaat, zullen we tijdens de voortzetting van onze wandeling door de omgeving van de middag nog voldoende te weten komen.

7 Opdat jullie zullen weten waarom jullie hier al deze landbouwwerktuigen net zo hebben aangetroffen als op aarde, zeg ik jullie voorlopig slechts dat dit soort gereedschap onmogelijk ooit op aarde zou zijn uitgevonden als het niet eerst in volkomen overeenstemmende wijze en vorm in alle hemelen voorhanden zou zijn geweest.

8 Daarom hoeft het jullie niet te verbazen dat jullie hier in het geestelijke rijk van de hemel de meest oorspronkelijke vinden, want al dit gereedschap duidt het werken uit liefde aan en het staat hier ter beschikking als middel voor het voortbrengen van het goede en vruchtbare. Meer hoeven we voorlopig niet te weten.

9 Kijk, daar komt zojuist de eigenaar van dit huis terug van zijn akker. Wc zullen naar hem toegaan, hem groeten en hem onze vraag voorleggen. Hij heeft ons al gezien en komt ons met open armen tegemoet. Hoe bevalt jullie zijn kledij? Jullie zeggen: beste vriend, voorwaar niet slecht, want we zijn gewend zulke kledij te zien. Hij ziet eruit als een echt godvruchtige, ijverige landman op onze aarde. We zien dat hij een gewoon, niet al te fijn overhemd aanheeft en een broek die eveneens van hetzelfde linnen is vervaardigd. Dat is dan ook alles wat we aan deze goede man ontdekken. Als hij geen rode gordel om zijn middel zou dragen, zou hij nauwelijks van een landarbeider te onderscheiden zijn.

10 Ja mijn lieve vrienden, hier gaat het er al niet meer zo luisterrijk aan toe als daar in de paleizen. Jullie vragen nu wel en zeggen: beste vriend, zou dit dan wel een hogere graad van zaligheid zijn dan die daar beneden in de eindeloze vlakte, welke overgoten is met talloze heerlijkheden en onuitsprekelijke pracht? Ik zeg jullie: de graad van zaligheid is hier des te hoger naarmate hij in uiterlijke heerlijkheid en pracht achterblijft. Het waarom zal jullie spoedig duidelijk worden. Kijk, onze man is er al en dus zullen we hem dan ook dadelijk ontvangen.

11 Luister, hij zegt: wees duizendmaal welkom, geliefde broeders. Ik zie dat jullie nog een aanzienlijk gezelschap hebben meegebracht. Ik weet wel wat zij hier zoeken. Ik zeg jullie echter ook meteen, dat het deze lieve goede mensen nog heel wat inspanning en zelfverloochening zal kosten eer zij aan dit hogere leven gewend zullen zijn, en zelfs dan zal het hun nog meer moeite en aanzienlijke inspanning kosten voordat zij zich dit hogere leven volkomen eigen hebben gemaakt. Maar jij, mijn beste broeder, weet immers dat met liefde en geduld alle moeilijkheden overwonnen kunnen worden.

12 Daarom zal ik dan ook niet nalaten om al het nodige voor de waarachtige, eeuwige, levende verzorging van deze lieve broeders en zusters te doen.

13 Nu lieve vrienden, zullen we mijn woning binnengaan en het stamouderpaar van dit gezelschap meenemen om met hen de nodige voorbereidingen te treffen, zodat zij al spoedig volgens de eeuwige liefdesordening kunnen worden ondergebracht. Laten we dus gaan!

14 Kijk, onze gastheer wenkt dit paar al en het begeeft zich op deze wenk heel verheugd samen met ons in zijn woning. We zijn reeds in de kamer; let dus goed op alles wat zich hier zal afspelen.

15 Onze gastheer zegt tegen het echtpaar: lieve vrienden, ik heet jullie welkom uit het diepst van mijn hart; zeg mij frank en vrij wat je bewogen heeft jullie grote heerlijkheid te verlaten om hier op de heuvels, waar geen pracht, rijkdom en overvloed aanwezig zijn, jullie verdere vooruitgang te zoeken.

16 De man antwoordt: hemelse vriend, ik ken je nog niet, weet niet wie je in wezen bent, maar omdat jij me vanuit jouw diepste wezen vraagt naar de beweegreden van onze onderneming, zeg ik je dat de Heer de enige beweegreden van mijn en dus ons aller onderneming is.

17 De gastheer zegt: dit van jullie te vernemen is de grootste vreugde van mijn hart. Maar de Heer heeft jullie toch al een onmetelijk grote beloning geschonken; willen jullie dan nog meer? Ik ben namelijk van mening dat het toch voldoende moet zijn als de Heer jullie alles heeft gegeven wat jullie in het diepst van je hart maar kunnen bedenken en daarom vind ik dan ook dat jullie onderneming bijna op ondank lijkt.

18 De man zegt: lieve vriend, oppervlakkig bekeken kan het er wel op lijken, maar volgens ons innerlijk niet. Kijk eens, wat zou jij dan in mijn plaats doen, als je heerlijkheden zou bezitten die nog duizendmaal mooier zouden zijn om te zien dan de mijne, maar bij al die onuitsprekelijke heerlijkheden de heilige Gever toch nooit echt te zien zou krijgen? In jouw grote liefde tot de Heer zou je zeker liever alles verlaten, om daardoor zo mogelijk steeds nader tot de Heer te komen.

19 De gastheer zegt: lieve vrienden, dat zie ik heel goed in en ik weet ook waarom je dit tegen mij hebt gezegd. Maar weet je ook heel zeker dat je de Heer hier te zien krijgt en wanneer? Weet je zeker dat dit een van de streken is waar de Heer werkelijk persoonlijk verschijnt?

20 De man zegt: lieve vriend, dat weet ik weliswaar niet zeker, maar zoveel weet ik wel, dat de Heer het kleine liever heeft dan het grote, want Hij heeft Zelf gezegd: `Laat de kleinen tot Mij komen!' Daarom geloof ik niet dat ik mij op een dwaalweg bevind nu ik hier voor jou sta, nadat ik uit liefde tot de Heer al mijn pracht verlaten heb en de eenvoud en nederigheid van deze heuvels heb gezocht.

21 Onze gastheer zegt: lieve vriend, je hebt me goed geantwoord, alleen denk ik dat jouw antwoord hier misplaatst is, want de Heer zegt zoiets immers alleen voor de wereld daar Hij toch duidelijk verkondigt dat alle wereldse grootheid Hem een gruwel is en verder zegt Hij: `Wie op aarde de geringste is, die is voor Mij of in de hemelen de grootste.' Je bent nu echter niet meer op aarde maar je bent in de hemel. Op aarde was je klein, ja, je was een onopvallende herder in de Alpen en daarom heeft de Heer jou in de hemel groot gemaakt. Vraag je dus eens af, wat je zoekt.

22 De man zegt: beste vriend, ik besef echt wel dat jij me in wijsheid uit de Heer oneindig ver overtreft, maar ik weet ook dat ik in de loop van mijn langdurige grote zaligheid de Heer toch nooit anders heb gezien dan enkel in lijn heilige genadezon.

23 De gastheer zegt: wat wil je dan nog meer? Heb je dan nooit gelezen: `De Heer God Jehova woont in het ontoegankelijke licht'? Wil je Hem dan meer naderen dan voor jou mogelijk is?

24 De man zegt: beste vriend, dat is waar maar de Heer God Jehova was op aarde ook een mens en heeft dus onze natuur aangenomen en als mens de zijnen toegezegd, dat ze eeuwig bij Hem zullen wonen. Hij heeft zelfs tot de medegekruisigde misdadiger gezegd: `Heden nog zul je met Mij in het paradijs zijn!' Ook de apostel Paulus verheugde zich erop bij de Heer te komen. Daarom geloof ook ik dat het in Gods hemelen ergens mogelijk moet zijn de Vader in Christus menselijk te ontmoeten en Hem met een hart boordevol liefde en met een allerzaligste blik in de ogen te aanschouwen!

25 De gastheer zegt: goed, omdat jij het zo gelooft mag je hier blijven, want wat de Heer op aarde heeft gezegd, is waarlijk in gelijke mate ook gesproken voor alle hemelen en wel omdat juist alle hemelen gemaakt zijn uit het woord dat de Heer op aarde heeft gesproken. Maar nu, mijn lieve vriend, komt er iets anders.

26 Kijk, daar beneden was je een heer in jouw luisterrijke, grote grondbezit en je hele gezelschap was dat eveneens. Maar hier zullen jullie moeten dienen en brood en voedsel met het werk van eigen handen verdienen. Zoals je ziet moet ik zelf ook werken en de grond hier bebouwen opdat ik kan oogsten en in mijn onderhoud voorzien.

27 De grond is weliswaar door de Heer zeer gezegend en brengt meer dan honderdvoudige vrucht op, maar desondanks moet hij vlijtig bewerkt worden anders laat de Heer Zijn zegen er niet op gedijen. Daarom zullen jullie hier moeten ploegen en de velden met allerlei landbouwgereedschappen moeten bewerken, met sikkels het veld opgaan om koren te maaien, het in schoven binden, in de schuren brengen en daarna dorsen. En dat zullen jullie allemaal als knechten en niet als eigenaren van een of ander stuk grond moeten doen. Ja, jullie moeten daarbij zelfs veel vlijt aan de dag leggen, want men zal niet dulden dat iemand van jullie lui rondloopt!

28 Denk er goed over na, en vinden jullie dit voor jezelf raadzaam, blijf dan hier, want aan arbeid is hier geen gebrek, maar vaak wel aan arbeiders. Staan deze onherroepelijke voorwaarden jullie echter niet aan, dan kunnen jullie gerust weer naar jullie heerlijkheden teruggaan.

29 De man zegt: o lieve vriend, maak je daarover geen zorgen. We zijn wel sinds lange tijd aan het luie leven gewend, maar de gezegende arbeid daarom nog niet ontwend. Want wat wij allemaal op aarde deden uit eigenbelang, dat zullen we hier zeker nog duizendmaal liever doen uit liefde voor de Heer en vanuit deze liefde ook uit liefde voor jou, jij die zeker een belangrijke vriend van de Heer bent!

30 De gastheer zegt: wel, als dat zo is, blijf dan maar hier. De man zegt: maar lieve vriend, we zijn met ruim honderd man; hoe wil je ons allemaal in jouw bescheiden huisje onderbrengen? De gastheer zegt: lieve vriend, maak je daarover geen zorgen! Heb je dan nooit gehoord wat de Heer als mens op aarde heeft gezegd? Heeft Hij niet gezegd: `In het huis van Mijn Vader zijn vele woningen'? Kijk daar bij die heuvels, zover jullie oog reikt in de omgeving van de morgen, en zie eens hoeveel eendere huizen daar staan. Daar zullen jullie allemaal wel een plekje vinden. Jullie vragen van wie al deze woningen wel zijn? Ik zeg jullie: deze woningen behoren allemaal slechts aan één eigenaar toe en daarom zal ik jullie daar onderbrengen en jullie allen het werk aanwijzen. Jullie vragen of ik een bevoegd beheerder voor de eigenaar van al deze woningen ben? Lieve vrienden, als ik dat niet zou zijn, hoe zou ik dan hier zo tegen jullie kunnen spreken? En hoe zou ik het mij kunnen veroorloven jullie met andermans wil lastig te vallen als ik niet bevoegd zou zijn daarover rechtmatig en naar eigen welgevallen liefdevol te beschikken?

31 Jij en je vrouw kunnen hier in mijn woning verblijven, maar jouw geliefde gezelschap zal ik in mijn naaste omgeving verdelen. Ga dus maar naar buiten en vertel het hun!

32 Het echtpaar gaat naar buiten en deelt met een vriendelijk gezicht het nieuws mee aan het angstig wachtende gezelschap. Kijk nu hoe het hele gezelschap dankbaar op de knieën valt en de Heer ervoor dankt, dat Hij zo genadig voor hen was en hun allen dit onderkomen, waar zij zich vreugdevol dienstbaar kunnen maken heeft laten vinden.

33 Nu gaat onze gastheer naar buiten, legt allen zijn handen op en wijst hun de woningen aan waarheen ze zich moeten begeven.

34 Zie nu eens hoe de vroegere vormen van ons gezelschap na de handoplegging veranderd zijn. Hun vroegere witte kleur ging over in een natuurlijke roodachtige kleur en hun buitengewoon subtiele, tere wezen is echt stevig geworden. En kijk hoe opgewekt, monter en vergenoegd ze er nu uitzien, terwijl er vroeger in hun gelaatsuitdrukking een geheimzinnige, wijze ernst lag.

35 Ze gaan uit elkaar en bij iedere hun aangewezen woning wachten de bewoners hen al met open armen op.

36 Maar nu komt onze gastheer met het stamouderpaar van dit gezelschap weer binnen en hij vraagt hun zojuist: lieve vrienden, hoe stellen jullie je de {-leer eigenlijk voor; zouden jullie Hem als Hij eens voor je zou staan wel herkennen?

37 De man zegt: o mijn vriend, die ons in Naam van de Heer zo liefdevol hebt opgenomen, dat is een vraag die buitengewoon moeilijk te beantwoorden is! Want in onze religie op aarde hebben we ons nooit met het menselijke, visuele uiterlijk van de Heer beziggehouden, maar slechts met Zijn woord en we dachten daarbij: in deze wereld zal de Heer zich zonder meer meteen aan ons te kennen geven en we zullen Hem aan Zijn stem en uit Zijn woorden herkennen. Maar nu zie ik pas in dat de waarachtige liefde voor de Heer naast Zijn woorden ook de gestalte van Zijn wezen wil omvatten. Dat is voor haar echter niet gemakkelijk omdat ze daar nooit aandacht aan besteedde en dus ook niet in zich heeft opgenomen. Dus zul jij, lieve vriend, nu ook wel zo goed willen zijn om ons de gestalte van de Heer te beschrijven.

38 De gastheer zegt: welnu, omdat jullie dat levendig uit de grond van je hart wensen zeg Ik jullie: kijk naar Mij, want precies zoals Ik eruit zie, zo ziet ook de Heer in Zijn menselijke gestalte eruit.

39 De man zegt: ach lieve vriend, dat is voor mij een grote troost en een grote vreugde en ik ben reeds overgelukkig zo'n volkomen evenbeeld van de Heer voor mij te zien. Maar wat een zaligheid zal het dan zijn als ik de Heer Zelf mag aanschouwen!

40 De gastheer zegt: waarlijk, jouw liefde voor de Heer is groot geworden; verheug je daarom ten volle want zie, Ik ben de Heer, en jij zult nu eeuwig bij Mij wonen!

41 Kijk hoe alles plotseling is veranderd; en hoe er nu niets meer te zien is van de omgeving van de middag. Toch is de vroegere eenvoud van deze omgeving gebleven en zij is de alleen waarachtige, eeuwige, allerhoogste morgen van de Heer! Voor ons is het echter nog geen tijd om hier te verblijven, maar om ons volgens de wil van de Heer nog verder in de middag te begeven. Laten we daarom verdergaan!

 

47.

 

De 'rooms-katholieke' hemel.

In de uiterste middag

 

1 Zoals jullie zien is de omgeving die wij zagen alweer verdwenen. Van de heuvels en de gebouwen op de heuvels is niets meer te zien; we bevinden ons midden in de middag. Dat kunnen jullie opmaken uit de in haar hoogste punt staande zon en uit de grote pracht van deze streek evenals uit de ons reeds bekende rivier die van hieruit naar de morgen stroomt. Jullie vragen: maar beste vriend, hoe is het toch mogelijk dat deze eindeloos allerzaligste morgenstreek nu helemaal voor onze ogen verdwenen is?

2 Lieve vrienden, begrijpen jullie dan nog niet dat de 'morgen' de daadwerkelijke liefde' en de `middag' de onderzoekende wijsheid' betekent? We zijn echter nu weer `in het onderzoeken', dus op de weg van de wijsheid en zodoende in de middag en deze ligt buiten de liefde.

3 Jullie zeggen nu wel: we bevonden ons eerst ook in de middag en konden van daaruit toch de streek van de morgen zien. Waarom kan dat nu dan niet? Waren we toen dan niet buiten het gebied van de daadwerkelijke liefde?

4 Lieve vrienden, we waren toen ook wel in de middag, maar we bevonden ons aan de oever van de rivier en deze geeft aan, hoe liefde en wijsheid in elkaar grijpen en in het eeuwige leven overgaan. Toen waren we dus in het centrum tussen liefde en wijsheid en daarom konden we ook beide streken tegelijkertijd heel goed overzien. Omdat we toen werkelijk in de morgen zijn overgegaan, konden we ook van daaruit de streek van middag eindeloos ver overzien; waarom? Omdat de wijsheid uit de liefde voortkomt! Het is precies zo, als wanneer iemand het grondbeginsel van iets kent en daardoor ook zeker de werking daarvan zal zien en begrijpen. Maar wie alleen de werking ziet, kan van haar uit niet zo licht het grondbeginsel zien, behalve wanneer hij van het punt uitgaat waar oorzaak en gevolg in elkaar overgaan. Nu jullie dit zeker zullen inzien, zullen we ons dan ook ongehinderd naar buiten in de uiterste middag begeven, waar jullie dingen zullen zien die jullie zeer aangaan.

5 Kijk, we zijn al op de plaats van bestemming. Maar nu zeggen jullie: beste vriend, daar voor ons zien we alweer een eindeloos ver uitgestrekte zee en aan de uiterste horizon zien we voor de eerste keer in deze geestelijke wereld wolken zoals we die op aarde op mooie heldere dagen aan de hemel hebben zien opkomen. Het lijkt ons ook dat de zon hier niet meer recht in het zenit staat, maar zich meer achter ons bevindt zodat we al een schaduw voor ons zien. Moeten we hier soms ook weer over het oppervlak van de zee wandelen?

6 Mijn lieve vrienden, deze zee staat in verbinding met de zee die we al eerder in de avondlijke omgeving tegen zijn gekomen. Zij strekt zich. ook eindeloos ver uit in de richting van de avond tussen middag en morgen. Maar recht hiertegenover waar jullie de wolken zien, is zij begrensd door een oever, waarachter zich dan weer een voor jullie begrippen eindeloos groot landschap uitstrekt. Dit gebied wordt `de uiterste middag' genoemd, en daarheen zullen we ons dan ook begeven.

7 Jullie vragen alweer hoe we hier over die zee zullen komen? Daartoe zullen we weer op onze gebruikelijke snelle manier reizen en zeggen: hier en daar, en we zullen zijn waar we willen zijn! Kijk eens om, we zijn reeds waar we willen zijn! Het gehele zeeoppervlak ligt al achter ons en kijk eens omhoog, we bevinden ons al onder de witte wolken. Jullie zeggen nu: beste vriend, de wolken stralen hier werkelijk heel mooi, maar de zon is niet meer te bekennen; waar is die dan gebleven?

8 Vrienden, de zon schijnt hier ook wel, maar haar wezen wordt steeds zo door de wolken bedekt dat men haar licht slechts in gebroken toestand en de zon zelf maar zelden door de wolken heen ziet. Jullie vragen: wat is dit dan voor een omgeving en wat heeft zij te betekenen?

9 Kijk, dit is de zogenaamde rooms-katholieke hemel, waarin de meeste vrome rooms-katholieken komen als zij liefdevol en nauwgezet naar hun geloof hebben geleefd. Daarom is deze hemel veeleer een `proefhemel' dan een echte blijvende. Hoe zich dit allemaal ten opzichte van elkaar verhoudt zullen we in de loop van de nadere beschouwing van deze hemel nog duidelijk te zien krijgen.

10 Richt je blik maar eens wat landinwaarts, dan zullen jullie weldra een groot aantal van de jullie welbekende roomse kerken en kloosters aanschouwen. Daar, niet ver van ons vandaan staat op een vlakte al een heel statige kerk; we zullen zien wat zich daarbinnen afspeelt. Horen jullie het klokgelui? Jullie zeggen: waarlijk beste vriend, dat klinkt precies zoals we het zo vaak op aarde hebben gehoord. Luister nu nog wat oplettender; jullie zullen zelfs orgelklanken horen. Jullie vragen wat er nu eigenlijk in de kerk te doen is.

11 Ik zeg jullie: we zullen juist op tijd zijn voor de eerste zegen. We zijn al bij de ingang van de kerk en zien het hoogaltaar waarop een heleboel kaarsen branden. Kijk nu hoe de geestelijke de monstrans pakt en op dezelfde manier als op aarde de vele aanwezigen de zegen geeft. Omdat we hiermee de zegen hebben ontvangen zullen we ook de mis bijwonen.

12 Kijk, de hele ceremonie verloopt net als bij jullie op aarde en jullie zien dat de hele ceremonie van de mis onder begeleiding van het gebruikelijke orgelspel ten einde loopt en zojuist de tweede zegening begint. Jullie vragen: beste vriend, welke heilige wordt er dan op het hoogaltaar vereerd? We kunnen niet zien wat die afbeelding voorstelt.

13 Laten we wat dichterbij gaan; kijk, zij is heel duidelijk en ook heel mooi geschilderd `de heilige drievuldigheid'. Het enige verschil is dan ook, dat hier in deze proefhemel op het hoogaltaar geen andere afbeelding mag voorkomen. Van de heide zijaltaren echter stelt het rechter de gekruisigde Heiland en het linker de Heilige Geest in de gedaante van een duif voor. Ook op deze zijaltaren mag niets anders voorkomen. Dat gebeurt opdat de hier aangekomenen niet tot een of andere afgoderij zullen worden verleid, waardoor ze een `zogenaamde heilige' dezelfde eer zouden bewijzen die volgens hun begrippen alleen aan God toekomt.

14 Om die reden worden ook de zogenaamde heiligen met inbegrip van de pausen altijd ver gehouden van deze streek; en mochten hier al pausen aankomen, dan mogen ze toch niet als zodanig maar slechts als heel eenvoudige priesters worden beschouwd. Maar jullie zeggen: beste vriend, hoe ziet het er dan vervolgens uit met de zogenaamde `hemel', waarin de `drie goddelijke personen' op een lichte wolk bij elkaar zitten en alle zaligen met de engelen, eveneens op lichte wolken, rondom deze drie-eenheid knielen en zo God van aangezicht tot aangezicht aanschouwen en aanbidden?

15 Wacht maar even totdat deze `godsdienst' afgelopen is, dan zullen we dadelijk de zogenaamde hemelbestijging door de geesten die nu deze eredienst bijwonen in ogenschouw nemen. Zoals jullie horen verkondigt de priester nu juist aan zijn kerkgangers de direct na de dienst op handen zijnde `hemelvaart'. Dus gaan ook wij de kerk uit en wachten buiten de gebeurtenissen af.

 

48.

 

Processie bij een zogenaamde hemelbestijging

 

1 Kijk, we zijn al buiten en nu stromen ook de goed op de hemelvaart voorbereide en van palmtakken voorziene geesten de kerk uit. De priester volgt hen in vol ornaat met de monstrans in de hand. Boven hem zien jullie nog een zogenaamde `hemel', die gedragen wordt door vier in het wit geklede mannelijke geesten, terwijl alle geesten zich in rijen voor hem opstellen en een jullie welbekend processievaandel volgen. Nu begint de processie met de gebruikelijke processieceremoniën. Zelfs de belletjes ontbreken niet; een kruisbeeld wordt voor de hemel uitgedragen, en het jullie welbekende `Heilig, heilig, heilig is onze Heer God Zebaoth' wordt door het hele processiegezelschap gezongen en gebeden.

2 Kijk, nu begeeft zich de processie naar een kleine heuvel. Ook wij zullen de stoet daarheen volgen. Deze heuvel is zeer misleidend, want hij kan niet

zo gemakkelijk worden beklommen als men op het eerste gezicht zou denken.

3 De weg die daar naar boven loopt is de eigenlijke `katholieke hemelweg'. Als men daarlangs op de eerste, voor ons zichtbare hoogte aankomt, ziet men pas een tweede die weer hoger ligt. Is men op deze tweede hoogte beland, dan ontdekt men pas weer een derde en dat gaat zo verder al naargelang de gemoedstoestand van de `hemelvaarders'. Soms moeten ze meer dan duizend van zulke hoogten bestijgen eer ze bij de zogenaamde `hemelse wolkenregionen' aankomen.

4 Het gebeurt dan ook bij zo'n hemelbestijging niet zelden dat menigeen schoon genoeg krijgt van de te lange weg. Men wendt zich bij zo'n gelegenheid dan tot de geestelijke en vraagt hem hoelang de reis nog wel mag duren. De geestelijke geeft hun dan altijd de schrifttekst ten antwoord, die als volgt luidt: `Wie volhardt tot het einde zal zalig worden'. Na zo'n antwoord gaat de stoet dan weer verder.

5 Hebben ze weer zo'n vijftig hoogten overwonnen, dan wordt aan de geestelijke gevraagd of men na zo'n lange reis niet wat mag uitrusten. Dan geeft de geestelijke hun het volgende antwoord: `Bid zonder ophouden'. In de geestelijke wereld betekent dat, dat men nooit mag rusten als men eenmaal op weg is naar de hemel. Want men moet heel goed weten dat de trage en de lauwe door de mond Gods wordt uitgespuwd en niet wordt binnengelaten in het hemelrijk. Daarom moeten ze maar al hun krachten verzamelen en verder gaan totdat ze gelukzalig de poort van de hemel hebben bereikt. Na zulke vermanende woorden trekt de stoet weer verder. 6 Wanneer na de volgende vijftig beklimmingen de geestelijke zelf moe wordt en ook zijn hele gezelschap nauwelijks nog tot klimmen in staat is, zegt de geestelijke dan ook: luister, schapen van mijn kudde, hier zijn we halverwege. Nu zullen we God de eer geven en Hem danken dat Hij ons dit punt heeft laten bereiken.

7 Op zo'n plek wordt dan halt gehouden, men knielt neer en dankt God zoals de geestelijke voorstelt, en wel eerst God de Vader, dan de Zoon en ten slotte God de Heilige Geest.

8 Als het hele gezelschap op deze manier wat is bijgekomen, gaat de stoet weer verder. Maar daar de geestelijke aan zijn eigen voeten merkt dat hij bij eventueel verdere heuvels niet zo gemakkelijk meer een mars zonder te rusten zal kunnen volhouden, kondigt hij nu meteen aan dat bij het beklimmen van elke volgende hoogte een 'kruiswegstatie' wordt gebeden. Bij die gelegenheden ritst hij dan zelf uit. Wanneer de twaalf of in het ongunstigste geval de veertien staties ten einde zijn en de elkaar opvolgende, steeds iets steiler wordende hoogten nog niet ophouden, wordt na de laatste statie gelast de rozenkrans te nemen en deze eveneens op de eventuele nog volgende hoog­ten in gedeelten te bidden. Is de rozenkrans op deze manier ook uitgebe­den en komt er nog steeds geen einde aan de alsmaar steiler wordende hoogten, dan wenden allen zich tot de priester en vragen hem wat het toch betekent dat er met al zijn verordeningen toch geen eind komt aan deze hoogten.

9 Dan zegt de geestelijke: ja, lieve schapen van mijn kudde, hier is pas het moment gekomen, dat er voor het hemelrijk geweld nodig is; zij die het met geweld naar zich toetrekken zullen het bezitten. Tevens verordent de geeste­lijke nog dat men van nu af aan bij elke nieuw te beklimmen hoogte een psalm van David moet bidden. En zo gaat de stoet dan met veel moeite weer voorwaarts.

10 Daar onze stoet al deze lotgevallen echter ook meemaakt en aan den lijve ondervindt, zullen we hem vanaf deze laatste rozenkranspauze tot aan het einde op de voet volgen.

11 Kijk, de volgende hoogte is al heel steil en het vraagt enorme inspannin­gen om haar te beklimmen. Na lang en moeizaam klimmen heeft ons gezel­schap de hoogte bereikt. Kijk eens hoe allen meteen op de kleine vlakte gaan liggen; de geestelijke haalt zelf een kleine psalmbundel tevoorschijn, plaatst de monstrans intussen naast zich en begint de eerste psalm zo langzaam mogelijk te lezen, opdat hij en het hele gezelschap wat meer rust krijgen.

12 Nu is de eerste psalm gelezen en onze geestelijke neemt de monstrans weer op maar zegt tegen de vier hemeldragers dat zij, omdat ze toch al heel dicht bij de ware hemel zijn, deze kleine erehemel gevoeglijk ter plaatse kun­nen laten staan.

13 Na deze aanwijzing staan allen weer op en beginnen ook dadelijk aan de moeizame bestijging van de volgende hoogte. Zoals jullie zien wordt deze beklimming nagenoeg op handen en voeten uitgevoerd en onze geestelijke, de vaandeldrager en de kruisdrager begint het steeds slechter te vergaan. Daarom laat de geestelijke zich dan ook zo goed als het gaat door enkele erva­ren bergbeklimmers omhoog trekken; de vaandel- en kruisdragers echter gebruiken hun hemelse insignes als bergstok.

14 Met veel moeite en inspanning is er weer een hoogte beklommen. De vlakte daarboven is zo krap, dat ons gezelschap maar ternauwernood een rustplaats kan vinden. Nadat iedereen is gaan liggen, begint de priester de tweede psalm te lezen. Maar zoals jullie zien, wordt hij nu zelf ook geweldig bang, want voor zich ziet hij weer een nog steilere hoogte en als hij omlaag kijkt, begint het hem vreselijk te duizelen.

15 Wat moet hij nu doen? Hij wordt hierover door zijn medehemelbestijgers met vragen bestormd; tevens wordt hem ook gevraagd waar dan de treden naar de hemel zijn. En de priester zegt: ik denk dat deze geweldige bergter­rassen de treden zijn, vandaar dat jullie nu zelf ervaren hoe gezuiverd van elke zonde men moet zijn, wil men er op deze enorme hemeltreden niet door belast worden. Verder zegt hij nog: we zullen ons hier moeten opsplitsen, want het zou wel eens kunnen zijn, dat we op de volgende trede, omdat de ruimte steeds krapper lijkt te worden, niet meer allemaal een plaats kunnen vinden om daar tijdens het lof voor de Heer en de goddelijke drie-eenheid uit te rusten. Daarom gaan jullie, die het dapperst zijn, vooruit. Rust boven zolang uit totdat jullie zien dat wij hier opbreken en beklim dan onmiddel­lijk de volgende trap, als er nog een mocht zijn.

16 Zoals jullie zelf met je innerlijke ogen kunnen zien, staat de helft van het gezelschap op en beklimt weer op handen en voeten de wel heel steile hoog­te. Sommigen komen bovenaan, maar anderen die minder kracht hebben, glijden weer naar beneden. De geestelijke vraagt aan degenen die al boven zijn of er nog een hoogte komt. Zij roepen terug: victorie!!! Er is geen hoog­te meer; we staan aan het begin van een uitgestrekte vlakte. Heel in de verte zien we ook al het hemelse wolkendek en in het midden een sterk licht. We kunnen alleen nog niet ontwaren wat het is.

17 Kijk nu, iedereen staat op en zet al zijn krachten in om naar boven te komen. De geestelijke bindt de monstrans op zijn rug en klimt eveneens zo goed en zo kwaad als het gaat op handen en voeten naar boven.

18 Eindelijk na veel moeite en inspanning hebben gelukkig allen deze laat­ste hoogte beklommen, loven nu de geestelijke en zeggen: dit is toch een dui­delijk bewijs dat niemand zonder zo'n geestelijke leidsman in de hemel kan komen. Maar de geestelijke zegt: ja, geliefde kinderen, dat is wel waar omdat God het Zelf zo heeft bepaald, maar niet mij, alleen God komt de eer toe! Want als ik naar mezelf kijk dan heb ik jullie in zekere zin eerder door vroom bedrog dan door mijn inzicht naar hier gebracht. Daar echter de Heer Zijn apostelen zelfs heeft aangeraden om slim te zijn, ben ik daardoor voor jullie gerechtvaardigd en het welslagen van mijn leiding toont jullie nu aan, dat ik jullie volgens de leer van onze alleenzaligmakende kerk volkomen redelijk en getrouw heb geleid. Laten we ons hier dus weer in de bekende volgorde opstellen en op weg gaan naar het eeuwige doel.

19 Opnieuw gesterkt begint men aan de tocht over deze uitgestrekte hoogvlakte en zie eens hoe bijzonder vlug onze stoet zich hier nu voortbeweegt. De hemelse wolken komen alsmaar dichterbij en we bevinden ons reeds onder het hemelse wolkendek. Jullie zien daar een hoge muur met daarin een gouden poort, die echter gesloten is. De geestelijke treedt naar voren en zegt: lieve kinderen, we hebben gevraagd en ons werd gegeven; we hebben gezocht en hebben gevonden. Nu komt het op het kloppen aan. Dus mag de drager van het kruis daarmee het eerst aankloppen en wel drie keer: in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest, dan zal de poort zeker worden opengedaan.

20 Het gebeurt zoals de geestelijke gezegd heeft. En werkelijk, als hij de derde keer klopt gaat de deur open en Petrus met de aartsengel Michaël verschijnen, onderzoeken ons gezelschap nog en laten het dan ook zonder uitzondering de hemel binnengaan. Alleen de specifieke attributen van Petrus en de aartsengel Michaël worden weggelaten opdat tenminste de eerste al te materiële vonk in hen die de hemel binnengaan, wordt uitgedoofd.

21 Jullie zouden graag willen weten of het werkelijk Petrus en de aartsengel Michaël zijn? Ik zeg jullie: dit alles is slechts een verschijningsvorm die in naam van de Heer door engelgeesten tot stand wordt gebracht. Zo is ook deze hele hemel ontstaan en dat moet allemaal ook zo zijn, want anders zou het niet mogelijk zijn om vat te krijgen op geesten die zich hebben gebaseerd op iets dat onjuist is.

22 Daarom treft iedereen de geestelijke wereld en de hemel aan, zoals hij zich deze, gebaseerd op zijn geloof, in de geest heeft geschapen, met als enige uitzondering het vagevuur. Dit laat de Heer niet toe omdat daardoor grote schade toegebracht zou kunnen worden aan de geesten, als deze zich in zo'n beklagenswaardige toestand dan in plaats van tot de Heer slechts des te krachtiger tot de heiligen zouden wenden, of hulp van misoffers op aarde zouden verwachten. Dit alles zou de geest mettertijd geheel en al doden omdat de geest in dit opzicht helemaal zou afzien van eigen werkzaamheid en zijn zaligheid slechts zou zoeken in de directe of indirecte barmhartigheid van God, hetgeen met andere woorden gezegd niets anders zou betekenen dan het begaan van een geestelijke moord aan zichzelf!

23 Jullie vragen nu: hoezo dan? Dat is toch gemakkelijk te begrijpen! Het leven van de geest bestaat immers enkel en alleen bij de gratie van de daarin aanwezige liefde en de juist met deze liefde overeenkomende werkzaamheid.

24 Wat gebeurt er op aarde met iemand die zich aan elke activiteit onttrekt? Hij wordt tenslotte totaal krachteloos en zo zwak dat hij zich nauwelijks nog tegen een vlieg kan verzetten. Als hij dan tengevolge van zijn totale inactiviteit onontkoombaar in de grootste ellende geraakt, dan leert de ervaring op aarde maar al te vaak dat zo'n toestand voor de mens meestal de oorzaak van zelfdoding is. In de geestelijke wereld zou daardoor eveneens een geestelijke zelfmoord plaatsvinden, omdat zulke lijdende geesten ondanks het aanroepen van heiligen geen verlossing ervaren, waardoor zij dan totaal ongelovig en wanhopig zouden worden, wat de ware geestelijke dood tot gevolg heeft!

25 Waarom dan? Omdat geestelijke wanhoop zoveel wil zeggen als een volkomen gewelddadige afscheiding van de Heer. Om die reden wordt zo'n toestand zelfs in de hel niet toegelaten. Wanneer het kwaad daar al te actief wordt, laat de Heer dit kwaad ook bestraffen en wel uitermate gevoelig. Wordt het kwaad daardoor weer beëindigd dan houden ook straf en pijn op.

26 Wat echter deze (katholieke) hemel betreft, hij is geen belemmering voor het leven van de geest en kan hier als een goede, levendige school worden beschouwd waarin de geesten de ware hemel pas beginnen te herkennen. Hoe dat echter in deze hemel in zijn werk gaat, zullen we bij de volgende gelegenheid zo grondig mogelijk in de geest beschouwen. Hiermee genoeg voor vandaag.

 

49.

 

Aan Abrahams tafel bij het aanschouwen van de heilige drievuldigheid

 

1 Omdat ons gehele gezelschap al werd binnengelaten, proberen ook wij door deze gouden poort te komen. Om die reden hebben `Petrus' en 'Michaël' de poort ook opengelaten want ze weten wel, wat wij hier komen doen.

2 Jullie kennen de velerlei voorstellingen van de hemel die vooral in de katholieke kerk gangbaar zijn. Zouden jullie niet volledig in die voorstellingen zijn ingewijd, dan worden jullie dat hier wel degelijk. Kijk dus naar voren; ons talrijke gezelschap volgend, naderen we al de eerste scène.

3 Wat zien jullie daar niet ver voor ons? Jullie zeggen: we zien op de uitgestrekte achtergrond een buitengewoon prachtig paleis waarboven een uit lichte wolken samengestelde tekst te lezen is. Als we het goed zien, staat er geschreven: `Woning van Abraham'.

4 Goed, zeg ik; wat zien jullie nog meer? Jullie zeggen: wij zien rondom dit grote gebouw een zeer grote en uitgestrekte tuin die al enkele stappen van ons vandaan lijkt te beginnen.

5 Het is werkelijk wonderbaarlijk; we zien een bijna onafzienbare tafel die van de meest kostelijke spijzen voorzien lijkt te zijn en als we goed kijken, ontdekken we aan beide zijden een groot aantal gasten, die zich al flink tegoed doen. Ook zien we een heleboel bedrijvige wezens die de gasten ijverig bedienen, en ook nog dat menige gast zich heel belangstellend met deze dienende geesten over het een of andere onderwerp onderhoudt.

6 Ik zeg jullie: dat zien jullie heel goed. Daarom zullen we ons terstond met ons gezelschap, dat juist op de tafel afstevent, in deze tuin begeven en alles wat er bij de tafel gebeurt in ogenschouw nemen.

7 Kijk, Petrus en Michaël wijzen nu een ieder van het gezelschap een plaats aan en zeggen tegen hen: nemen jullie in het hemelrijk nu plaats aan de tafel van Abraham, Isaäk en Jacob en geniet daar in bovenaardse overvloed van de vruchten van de aardse werken die jullie altijd onverdroten uit grote liefde voor de hemel en ter ere van God hebben volbracht. Met stralende gezichten gaat ons gezelschap aan tafel en begint al spoedig heel monter de spijzen en dranken te nuttigen. We laten ons gezelschap nu echter ongestoord en welgemoed zijn honger stillen en gaan weer wat verder.

8 Kijk, ginds aan het eind van deze bijna onafzienbaar lange tafel zitten in volle glorie Abraham, Isaäk en Jacob en daar vlak voor ons is een gast met een hemelse tafeldienaar in gesprek. Wat zouden die met elkaar bespreken? Laten we wat dichterbij gaan dan zullen we het wel horen.

9 Hoor maar, daar vraagt een reeds oververzadigde gast, die volgens jullie tijdrekening al ongeveer vier weken aan deze tafel zit te eten, aan de tafeldienaar: beste vriend, hoe lang zal deze heerlijke maaltijd nog duren? Waarop de bediende aan de gast vraagt: allerbeste vriend, waarom vraag je me dat? De gast zegt wat verlegen: goede vriend, ik zou het je niet vragen - ja, als ik op aarde zou zijn, dan zou ik zeker denken dat ik met zo'n vraag een zonde zou begaan, maar omdat ik nu in de hemel ben, waar men niet meer kan zondigen, weet ik ook dat zo'n vraag geen zonde is.

10 De eigenlijke reden voor mijn vraag is deze: kijk, voor God altijd alle lof en eer! Het is weliswaar onbeschrijfelijk heerlijk om hier te zijn en de spijzen en dranken smaken werkelijk hemels voortreffelijk, maar desondanks moet ik je eerlijk bekennen dat deze voortdurende eentonigheid me wat begint te vervelen. Daarom heb ik je gevraagd hoelang deze maaltijd nog zal duren.

11 De tafeldienaar zegt: wel beste vriend, heb je op aarde dan nooit gehoord dat de hemelse vreugden eeuwig en onveranderlijk voortduren? Hoe kun je mij dan vragen hoelang deze maaltijd nog zal duren? Kijk, zo'n maaltijd duurt toch eeuwig.

12 Kijk, nu schrikt onze gast en zegt tegen de tafeldienaar: ja beste vriend, dat zie ik wel in, maar ik heb op aarde ook horen spreken over het eeuwige aanschouwen van God. Ik zie daar ver op de achtergrond wel Abraham, Isaäk en Jacob, maar van God de Vader, God de Zoon en God de Heilige Geest is nergens iets te bespeuren.

13 De bediende zegt: mijn beste vriend, denk je dan dat de Goddelijke drieeenheid vlak voor je neus moet zitten? Kijk eens omhoog daar boven Abraham, Isaäk en Jacob, dan zul je dadelijk God in Zijn drievuldigheid in het ontoegankelijke licht aanschouwen. Je zult toch op aarde vaker hebben gehoord dat God in de hemel woont, waar alle zaligen Hem van aangezicht tot aangezicht kunnen zien, dat wil zeggen van het aangezicht van de Vader tot aan het aangezicht van de Heilige Geest, maar eigenlijk woont de Goddelijke drie-eenheid in het ontoegankelijke licht! Wel beste vriend, wil je misschien een nog volmaaktere hemel?

14 Onze gast zegt: o beste vriend, ik zeg je, geenszins; ik ben volkomen tevreden als ik tenminste maar een dienaar zoals jij zou mogen zijn, om op die manier toch wat beweging te hebben. Of als het geoorloofd zou zijn om tenminste zo nu en dan in deze mooie tuin wat rond te wandelen; dat zou dan naar mijn mening deze hemelse zaligheid aanzienlijk verhogen!

15 De tafeldienaar zegt: lieve vriend, wat hoor ik daar uit jouw mond? Het lijkt wel of jij ontevreden bent over hetgeen God jou in de hemel heeft toebedeeld. Je praat over bewegen en rondwandelen in deze tuin; heb je dan zelf niet altijd gebeden: God, geef hun de eeuwige rust en de eeuwige vrede? Heb je hier geen eeuwige rust en geen eeuwige vrede? Wat wil je hier dan voor beweging?!

16 De gast wordt helemaal verlegen en zegt tenslotte tegen de tafeldienaar: lieve vriend, ik erken dat dit allemaal juist is en dat het hemelrijk hier waarachtig in letterlijke zin tot uitdrukking komt en ik zie ook in dat het ten gevolge van de voor eeuwig uitgesproken waarheid niet anders kan zijn. Wanneer ik daarentegen bedenk dat ik hier op deze plek eeuwig moet blijven zitten, werkelijk, beste vriend, dan lopen de koude rillingen over m'n rug; bovendien moet ik met betrekking tot de hemelse zaligheid en vreugde, eerlijk bekennen dat ik als armzalige landman op aarde beduidend gelukkiger was dan hier bij dit eeuwige vooruitzicht in de hemel! Daar ik nu echter eenmaal in de hemel ben, zij alles aan God opgeofferd! Het beste is hier nog, dat men niet kan zondigen.

17 De tafeldienaar zegt: ik zie wel, dat je ontevreden bent met de hemel. Maar wat moet ik met je beginnen? Omwille van jou kan de hemelse orde toch niet verstoord worden!

18 De gast zegt: beste vriend, ik heb ooit eens op aarde gehoord en ook op schilderijen gezien dat de zaligen, knielend op wolken, God onafgebroken aanschouwen, maar hier is slechts een tuin; waar zijn dan de wolken? De dienaar zegt: lieve vriend, bekijk de bodem maar eens wat nauwkeuriger, dan zul je heel gauw de losse ondergrond ontdekken. Denk je soms dat dit een aardrijk is? Kijk maar, ik zal met mijn hand de bodem wat loswoelen, dan zul jij je er terstond van kunnen overtuigen, dat we ons allemaal op `hemelse wolken' bevinden.

19 Kijk, de dienaar schuift het gras wat opzij en onze gast ziet tot zijn niet geringe verbazing dat de ondergrond werkelijk slechts uit lichte wolken bestaat. Na zich ervan te hebben overtuigd, wendt hij zich meteen weer met de volgende vraag tot de bediende: beste vriend, als de bodem hier zo vreselijk losjes is, is het dan ook mogelijk dat iemand er bij een wat ondoordachte, onhandige beweging doorheen kan vallen? En als dat mogelijk is, waar valt hij dan in? Er zal zich hier onder ons toch niet het vagevuur bevinden?

20 De tafeldienaar zegt: beste vriend, daar hoef je helemaal niet bang voor te zijn, want je bent nu immers een buitengewoon lichte geest en deze bodem is voor jou even stevig als ooit het aardrijk was voor jouw lichaam.

21 De gast zegt verder: beste vriend, sta me nog één vraag toe: is deze bodem alleen hier in de omgeving van deze tafel zo stevig, of is hij overal zo? De bediende zegt: vriend, waarom vraag je naar dingen die je niet aangaan? Hier, waar jij jouw zaligheid geniet, zie je heel goed dat de bodem voor eeuwigheden stevig genoeg is. De uitgestrekte tuin hoef je bovendien niet te betreden; waarom zou jij je om zijn stevigheid bekommeren. Omdat je mij echter gevraagd hebt, wil ik je wel zeggen dat de tuin overal dezelfde stevige ondergrond heeft, anders zou hij ons immers niet dragen als we voortdurend overal de overvloedige vruchten voor deze eeuwige tafel verzamelen en ze hiernaartoe brengen.

22 De gast is nu eindelijk tevreden en de tafeldienaar wil zich verwijderen, maar onze gast schiet juist weer iets te binnen. Daarom zegt hij nog het volgende tegen de tafeldienaar: beste vriend, daar we nu eenmaal al over zoveel van gedachten hebben gewisseld, zou ik je toch nog één ding willen vragen, maar wel helemaal onder ons. Wat zou er met iemand gebeuren, als hij, omdat hij schoon genoeg heeft van het lange zitten, wellicht toch eens zou opstaan en daar over die prachtige velden een kleine wandeling ging maken?

23 De tafeldienaar zegt: gebeuren zou er niets, maar je weet toch dat God niet graag ziet dat een zalige geest niet met Zijn voorschriften tevreden zou zijn. Wat er dus met jou zou kunnen gebeuren kan ik je niet goed uitleggen, maar zoveel is zeker, dat jouw lege plaats direct zou worden ingenomen en dat jij dan verder weer onderaan zou moeten aanschuiven. Trouwens, mijn lieve vriend, ik zie dat jij tijdens ons hele gesprek nauwelijks één keer naar de drie-eenheid hebt opgekeken, terwijl er gezegd is dat jullie onafgebroken God zullen aanschouwen!

24 De gast zegt: beste vriend, dat is allemaal goed en wel, maar kijk, mijn hele wezen snakt naar meer vrijheid en indien mogelijk ook naar een of andere bezigheid, want bij God, ik moet je zeggen: zoals het nu is, houd ik het geen moment meer uit, laat staan een eeuwigheid! 25 Kijk nu, onze gast staat op en loopt weg zo hard hij kan en zoals jullie goed kunnen zien, vindt zijn voorbeeld navolging. De tafeldienaren zitten hen achterna en als ze hen hebben ingehaald zullen ook wij hen inhalen en dan onze verdere beschouwingen houden en zien hoe deze geschiedenis zal aflopen. Maar nu genoeg voor vandaag.

 

50.

 

Onhoudbaarheid van deze materiële voorstelling van de hemel

 

1 Kijk, we zijn al bij elkaar en kijk nu verder; het weggelopen gezelschap is bij de grens van de grote tuin aangekomen. Deze is daar omgeven door een doorzichtige muur die, zoals jullie je er innerlijk van kunnen overtuigen, ogenschijnlijk wel een hele mooie versiering voor deze tuin is; maar omdat hij doorzichtig is, heeft hij de fatale eigenschap dat men daardoorheen voorbij de tuin in een verschrikkelijke afgrond kijkt. Onze gasten zouden nog graag een poging doen om nog verder te komen en zouden ook zonder veel moeite over de muur kunnen klimmen, maar de fatale ons reeds bekende situatie verhindert zo'n onderneming. We zien ons hele gezelschap dan ook totaal verbluft bij de muur staan en geen van de gasten weet nu wat hij verder zal doen. Zoals jullie tevens zien, komen er al verscheidene tafeldienaren op hen af terwijl een aanvoerder van de dienaren naar het wat schuchtere gezelschap toe gaat en hen als volgt aanspreekt: lieve vrienden en broeders, wat hebben jullie nu gedaan? Het gezelschap antwoordt: vergeef ons beste vrienden, we deden niets anders dan datgene wat wij in ons als een noodza­kelijke levensbehoefte voelden. We kunnen jou vanuit onze meest innerlijke levensdrang verzekeren dat deze hemel, waarvan de gesteldheid ons nu maar al te goed bekend is, onmogelijk de echte kan zijn en daarom hebben we ook een poging gedaan om in beweging te komen.

2 De eerste tafeldienaar zegt: ik begrijp wel dat het lange zitten en het voort­durende eten evenals het alsmaar saaie aanschouwen van jullie goddelijke drievuldigheid jullie begon te vervelen, maar als jullie weer terugdenken aan jullie leven, dan hebben jullie toch werkelijk tot aan je laatste uur voor niets anders gebeden dan voor `de eeuwige rust' en voor `een eeuwig stralend licht', en bovendien dat jullie ook aan de `tafel van Abraham, Isaäk en Jacob in het hemelrijk verzadigd mochten worden' en aldaar God, die `in het eeuwige ontoegankelijk licht woont', van aangezicht tot aangezicht mochten aan­schouwen. Wanneer jullie dat nu allemaal letterlijk en getrouw hebben gekregen, waarom konden jullie er dan niet tevreden mee zijn?

3 De gast die het woord voert zegt daarop: beste vriend, ik zal je in naam van het hele gezelschap antwoorden; wees dus zo goed om naar ons te luisteren. Op aarde geloofden we vast en zeker aan alles wat onze kerk ons te geloven voorhield. We dachten bij onszelf: wanneer we redelijkerwijs streng volgens de leer van de kerk leven, werkzaam in het geloof volgens de liefde die het geloof tot leven brengt, dan kan het met ons in geen geval misgaan. Er werd ons immers steeds gepreekt dat deze kerk niet kan dwalen of falen omdat ze voortdurend in het bezit van de Heilige Geest zou zijn. Welnu, we hebben werkelijk wel alles bereikt wat de kerk ons heeft geleerd en waaraan we ook altijd vast hebben geloofd.

4 Maar helaas ging ons pas bij het bereiken van al wat we geloofden een ander licht op en ten gevolge van dit licht hebben we ook het vermoeden gekregen dat er ergens een ander soort hemel zou moeten zijn, want de hemel waarin we ons nu bevinden is immers letterlijk en figuurlijk gespro­ken niets anders dan je reinste gevangenschap. Waartoe dient een eeuwig goed­voorziene tafel, waartoe de eeuwige aanschouwing van de drie goddelijke personen als er door de eeuwen heen nooit eens een weldadige verandering optreedt? En dan, neem me niet kwalijk beste vriend, dat eeuwig moeten zit­ten! Deze gedachte moet mettertijd toch elke nog zo beschroomde geest tot wanhoop brengen!

5 We moeten wel toegeven dat het zitten geen pijn veroorzaakt zoals op aarde het geval was. Ook is het bepaald niet onaangenaam om zich voortdurend in een heel prettig en vroom gezelschap te bevinden; ook ons oog wordt bij het aanschouwen van de goddelijke drie-eenheid altijd zeer aangenaam getrof­fen. De spijzen en dranken zijn zo smakelijk dat ze ons gehemelte en onze maag niet gaan tegenstaan. Zo nu en dan hoort men van de vele gasten aan tafel ook hele liefelijke, aangename gezangen die heel prettig in de oren klin­ken.

6 Kijk, dat zou allemaal wel in orde zijn, maar als je bedenkt beste vriend, dat daar die verschrikkelijke eeuwigheid nog eens bijkomt, dan moet je toch, als je tenminste een beetje levendig, menselijk gevoel in je hebt, zelf ook tot in het diepst van je ziel huiveren. Want zoals men op aarde gewoonlijk zegt, is het logisch en juist dat het leven een vrije bewegende kracht is. Kijk, deze kracht voelen we in onszelf, maar we moeten ondanks dit levendige gevoel eeuwig aan tafel zitten! Is dat niet duidelijk in tegenspraak met het begrip leven?

7 Bovendien moet ik hier op grond van mijn ervaringen die ik op aarde heb opgedaan, nog een opmerking aan toevoegen en ik geloof dat je daaruit gemakkelijk kunt opmaken hoe onnatuurlijk deze hemel met betrekking tot het menselijke gevoel is. Toen ik destijds op aarde een jonge levenskrachtige man van ongeveer dertig jaar was, ontmoette ik als vrijgezel bij toeval eens een meisje, dat ik zo hemels mooi. vond dat ik in mijn hart zei: mijn God en mijn Heer, als U mij dit meisje tot vrouw geeft zal ik daar gelukkiger mee zijn dan wanneer U mij dadelijk vrije toegang tot de hemel zou geven! Ik heb ook direct in mijn hart gezworen dat deze hemelse engel mijn vrouw moest worden. Na zo'n eed deed ik dan ook al het mogelijke om haar tot de mijne te maken. Dat kostte me heel wat moeite en inspanning, maar hoe harder ik voor deze aardse engel moest vechten, des te gelukkiger dacht ik, zou ik mij voelen als ik haar eenmaal zou bezitten. Ja, in mijn fantasie ging ik werkelijk zo ver dat ik me voorstelde dat, wanneer deze vrouwelijke engel voor altijd voor me zou staan en ik haar steeds van top tot teen zou kunnen bekijken, ik daar onmogelijk ooit genoeg van zou krijgen.

8 En zie, na een bijna twee jaar durende bittere strijd werd deze engel wer­kelijk mijn vrouw. Voorwaar, de eerste tijd geloofde ik zelf nauwelijks dat ik echt de gelukkige was die nu met het volste recht tegen deze engel kon zeg­gen: mijn liefste vrouw! Ik was overgelukkig! Maar kijk, na ongeveer twee jaar was deze engel voor mij zoiets gewoons geworden dat het me vaak behoorlijk veel zelfverloochening kostte om tenminste fatsoenshalve en eers­halve bij haar thuis te blijven. In het begin was ik in mijn hart ook zo jaloers dat ik op een echte engel uit de hemel kwaad zou zijn geworden als die het had gewaagd om in de huurt van mijn hemelse ideaal te komen. Maar na twee jaar, moet ik je tot mijn eigen schande eerlijk bekennen, was ik vaak echt blij als mijn hemelse ideaal zo nu en dan eens bezoek kreeg, zodat ik tijd vond om wat in de vrije, goddelijke natuur te wandelen.

9 En kijk, toen al dacht ik bij mezelf: mijn God en mijn Heer, als het later met de hemel ook zo gesteld is, dan zal deze niet bepaald aan de behoeften van de mens voldoen. Toch dacht ik daarnaast: mocht de hemel ook zo'n eeuwige eentonigheid zijn, dan zal God de gevoelens van een onsterfelijke geest wel zo veranderen dat hem de eeuwige eentonigheid toch een eeuwig onuitsprekelijke zaligheid zal bereiden. Nu heb ik dan de werkelijke hemel geproefd en ik zeg je, het gaat me geen haar beter; integendeel, nog aanzienlijk slechter dan het mij in mijn aardse hemel is vergaan. Wanneer de Heer dat fatale gevoel van verveling, vooral bij het vooruitzicht op de eeuwige eentonigheid niet uit mijn lichaam verwijdert, zou ik werkelijk veel liever voor eeuwig op aarde houthakker willen zijn. Want, beste vriend, ik zeg je nog eens, het idee dat alles wat men hier geniet, zonder de minste afwisseling eeuwig zal duren, is iets verschrikkelijks!

10 Oordeel nu zelf over hetgeen ik in mijn wanhoop heb gezegd en doe met ons wat je wilt. Naar die tafel laat ik me echter niet meer brengen, al doe je nog zoveel moeite! Nog liever wil ik eeuwig in deze tuin rondzwerven en als ik honger krijg, zelf iets te eten van de bomen proberen te bemachtigen; maar zoals gezegd: ik ga niet meer terug naar de tafel!

11 Ik moet je ook zeggen dat de herinneringen aan mijn werkzame aardse leven mij hier werkelijk een nog groter genoegen verschaffen dan de hele hemelse tafel, met uitzondering vanzelfsprekend van de aanschouwing van de goddelijke drie-eenheid. Daarover zou weliswaar ook nog het een en ander te zeggen zijn, maar dat thema is te heilig en wij zijn niet waardig om ons daarover nader uit te spreken. Beoordeel daarom slechts dit en handel ernaar.

 

51.

 

De ware drie-eenheid.

De zonde tegen de Heilige Geest

 

1 De tafeldienaar zegt: lieve vriend, ik begrijp heel goed wat je mij wilt zeggen, maar ik begrijp niet waarom je tijdens je aardse leven je geen andere voorstelling van de hemel hebt gemaakt, terwijl je toch vaak de brieven van Paulus hebt gelezen. Zeg eens, wat dacht je daarbij dan als je las: 'Zoals de boom valt, blijft hij liggen'? Je haalt de schouders op en weet niet wat je mij moet antwoorden. Maar ik zeg je, dat de boom nu juist jouw geloof voorstelt en met andere woorden niets anders betekent als: zoals je gelooft, zo zal het voor je worden! Zoals namelijk het geloof is, zo is ook het inzicht; uit het inzicht komt ook de aansporing tot handelen voort; zoals de aansporing tot handelen is, zo is ook de liefde die toch het meest eigenlijke leven van de geest is.

2 Kijk, zo hebben jullie allemaal in een hemel geloofd, zoals die nu voor jullie ligt en jullie handelden ook redelijk goed om deze hemel te verwerven. Zoals de boom in het aardse leven na het vellen volgens jullie innerlijke beleving in het geestelijke is gevallen, zo ligt hij nu ook. Ik kan jullie onmogelijk een andere hemel geven dan die, welke jullie jezelf hebben gegeven, want er staat toch in de Schrift: `Het rijk Gods komt niet met uiterlijk vertoon, maar het is binnen in jullie.' Daarom is deze nu aanwezige hemel een product dat voortgekomen is uit jullie innerlijke geloofsovertuiging. Wat willen jullie nu doen? Kunnen jullie afstand doen van je geloof? Kunnen jullie misschien luthers of zelfs zuiver evangelisch worden?

3 De gast zegt: beste vriend, daarvoor moge ons de heilige drie-eenheid bewaren, want dat zou ons tenslotte nog in de hel kunnen brengen.

4 De tafeldienaar zegt: wat willen jullie dan eigenlijk? Er blijft voor jullie derhalve niets anders over dan voor eeuwig hier te blijven in de meest volkomen rust.

5 De gast zegt: beste vriend, wat denk je, zouden we misschien weer terug mogen keren naar de plaats waar we meteen na onze dood zijn aangekomen? Daar zou ik veel liever willen zijn en alles willen doen, wat mij ook zou worden aangeraden. Kort en goed, voor een sobere kost zou ik alle werkzaamheden willen verrichten, die voor anderen nuttig zijn. Dat zou me, naar mijn gevoel, oneindig veel liever zijn dan het eeuwige zitten hier!

6 De dienaar zegt: ja, ja, lieve vriend, ik begrijp dat allemaal evengoed als jij; alleen begrijp ik niet, zoals ik je al eerder heb gezegd, waarom jij op aarde niet tot een betere voorstelling van de hemel wilde komen, terwijl je je toch vaak tijdens een langdurige mis ontzettend zat te vervelen en vaak vurig verlangend zat te wachten op het 'Ite missa est'.

7 De gast zegt: o, beste vriend, ik geef toe dat je het precies geraden hebt; zo is het me heel vaak vergaan. Ik heb die fout ook altijd trouw gebiecht maar kon hem toch niet van mij afbiechten! De geestelijke heeft me uitgelegd dat dit het kwaadaardige werk van de duivel was, waarna ik met veel zelfverloochening probeerde me het heilige misoffer zo aangenaam mogelijk voor te stellen, maar jammer genoeg was al mijn moeite vergeefs. Ik bad wel uit een goed missaal alle gebeden mee en hield me dus tijdens de mis zo goed en aandachtig mogelijk bezig, maar ik kon het niet zover brengen dat het me uiteindelijk speet dat het misoffer was afgelopen. Ik was eigenlijk innerlijk altijd heel blij als ik weer uit de kerk was. 's Zomers, als het niet al te warm was en bovendien het misoffer door goede koormuziek werd begeleid, ging het nog wel, maar 's winters, beste vriend, ik moet je eerlijk bekennen, heb ik het vaak beschouwd als een soort vagevuur dat ons zuivert van onze zonden, dus allerminst als een voorspel van de hemel. Dat ik op aarde zo'n monotonie accepteerde en mij ook daarom de monotonie van de hemel, zoals ik me die voorstelde en zoals die ons werd geleerd, verdraaglijk leek, komt doordat ik me met dergelijke monotone voorstellingen toch in een wereld bevond die door allerlei gebeurtenissen en eigen activiteiten steeds vol afwisseling was.

8 Maar hier, waar iedere afwisseling in één klap verdwenen is, hier, waar geen nacht meer is, niets te doen, eeuwige lediggang, voortdurend hetzelfde uitzicht, kijk, hier merkt men pas hoe vreselijk vervelend dat is. Daarom vraag ik je, praat jij eens voor ons met Abraham, Isaäk en Jacob, en vraag, of zij ons iets te doen willen geven of, zoals eerder gezegd, ons weer willen laten afdalen naar de lagere streek waar we misschien toch wat te doen kunnen krijgen, want hier houden we het in geen geval uit!

9 De tafeldienaar zegt: maar wat verlang je dan?! Wat wil je hier dan doen? Wat beneden? Hebben jullie op aarde al niet geloofd en gezegd: de Heer God Zebaoth is een almachtige God en heeft geen hulp van mensen nodig? Alleen op aarde laat Hij hen uit barmhartigheid werken zodat zij de hemel kunnen verdienen. Hier in Zijn Rijk echter, zou het met alle werk gedaan zijn! Kijk, dat was eveneens jullie geloof, maar wat wil je hier naast de goddelijke almacht doen? Zou deze jouw dienst wel nodig hebben?

10 De gast zegt: o, beste vriend, geloof me, ik zie mijn enorme vergissing nu in en geef openlijk toe, dat we ons hier met z'n allen letterlijk in een strafhemel bevinden, want door jouw vraag ben ik me daarvan volkomen bewust geworden. Als de Heer ons uit louter erbarming heeft laten werken om de hemel te verdienen, dan zie ik werkelijk niet in waarom Zijn barmhartigheid, Zijn oneindige liefde en goedheid juist in de hemel zouden ophouden.

11 Beste vriend, ik kan van je gezicht aflezen dat je iets anders in petto hebt. Daarom vragen we je allemaal dringend, hou ons niet langer in onzekerheid en zeg ons, wat de waarachtige wil van God is. We willen immers alles doen en ons in alles schikken, maar breng ons niet meer terug naar deze, in de letterlijke zin van liet woord, lange en daardoor ook bijzonder saaie tafel; want werkelijk, ikzelf zou als het mogelijk was liever sterven en dus ophouden te bestaan, dan me een vraatzuchtige poliep te wanen op de bodem van deze onmetelijke lichtzee!

12 De tafeldienaar zegt: lieve vriend en broeder, kijk, nu pas ben je rijp en kan ik jou en jullie allen de waarheid meedelen. Luister dus:

13 De hemel die jullie hier zien, is niets anders dan een verschijningsvorm van jullie onjuiste geloof, de drie-eenheid die jullie zien, stelt het toppunt van jullie dwaling voor.

14 Hoe hebben jullie ooit kunnen denken dat drie goden tenslotte toch één God kunnen zijne Dat elk van deze drie goden iets anders zou verrichten en deze drie toch volkomen één in wezen en natuur zouden zijn? Voorts, hoe hebben jullie je een nietsdoende God kunnen voorstellen, terwijl Hij toch in alle eeuwigheid het meest actieve wezen is? Kijk, op grond hiervan hebben jullie je dan ook een eeuwig werkeloos leven voorgesteld zonder te bedenken dat het leven een energie is, die God vanuit Zijn eeuwige energie al Zijn levende schepselen heeft ingeblazen.

15 Heeft de Heer op aarde niet geleerd dat Hij en de Vader volkomen één zijn? Heeft Hij niet gezegd: `Wie Mij ziet, ziet de Vader'? Heeft Hij niet ook gezegd: `Geloven jullie, dat Ik in de vader ben en de Vader in Mij is?' Kijk, dat alles had jullie toch best op de gedachte kunnen brengen dat de Heer slechts Eén is en dus ook maar één persoon; maar geen driegod, zoals jullie je Hem hebben voorgesteld.

16 Jullie zeggen nu wel: beste vriend, je weet toch hoe ons geloof aan banden werd gelegd. We konden toch onmogelijk iets anders weten dan hetgeen de kerk ons, enerzijds onder allerlei bedreigingen van eeuwige straffen in de hel en anderzijds door de steeds onduidelijke aanprijzingen van de hemel, heeft geleerd en waaraan ze altijd nog heeft toegevoegd: `Geen oog heeft ooit gezien, geen oor heeft ooit gehoord en in geen mensenhart is opgekomen wat God bereid heeft voor hen die Hem liefhebben!'

17 O vrienden en broeders, ik weet maar al te goed, dat jullie bedrogen en geweldig misleid zijn. Daarom is nu ook het verlossende ogenblik aangebroken waarop jullie de ware God en de ware hemel zullen leren kennen.

18 Jullie hebben in het woord van de Heer gelezen met welke uiterlijke vormen Hij het hemelrijk heeft vergeleken. Als jullie, welke vorm dan ook, slechts enigszins nauwkeurig beschouwen, moet het je toch in één flits duidelijk worden dat de Heer nooit een inactief, maar een in allerlei vormen zeer actief hemelrijk heeft verkondigd.

19 Wenden jullie je dan nu ook tot de enige Heer Jezus Christus, want Hij alleen is God van hemelen aarde. Wend je echter in je liefde tot Hem; dan zullen jullie meteen in Hem en uit Hem in jezelf de ware bestemming van het eeuwige leven vinden en dan ook heel duidelijk aanschouwen.

20 Deze (onjuiste) drie-eenheid echter moet in jullie ten onder gaan, opdat jullie de ware drie-eenheid, die de liefde, de wijsheid en de daaruit voortkomende daadkracht in de enige Heer Jezus is, mogen leren kennen.

21 Denk niet dat er bij de doop van Christus een goddelijke driepersoonlijkheid geopenbaard werd, want wat daar gebeurde was slechts een verschijningsvorm, door de Heer toegelaten, opdat de mensen daardoor in de ene Heer de volle almacht en de volle goddelijkheid zouden herkennen. Toen heeft namelijk de wijsheid van God, die als Zijn eeuwige Woord uit de liefde voortkomt, het vlees aangenomen en heette Gods Zoon, hetgeen zoveel wil zeggen als: de wijsheid is de vrucht van de liefde en komt uit haar voort zoals het licht uit de warmte. De zichtbare gestalte van Gods geest boven de Zoon betekende slechts dat de eeuwige, oneindige kracht van God weliswaar evenals de wijsheid voortkomt uit de liefde, maar toch door de wijsheid werkt, zoals de warmte van de zon in het voortgeplante licht de uitwerkingen teweegbrengt.

22 Wanneer jullie dit allemaal nu inzien, zullen jullie ook gemakkelijk begrijpen dat, omdat in de Heer het totale oneindige licht der wijsheid voorhanden was, in Hem dus ook de totale oneindige liefde, evenals de uit beide voortkomende oneindige, goddelijke daadkracht voorhanden moest zijn.

23 Johannes zegt immers ook: `In Christus woont de volheid van God' en hij zegt ook: `In het begin was God; en God was het Woord en het Woord was bij God; het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond.' Jullie zeggen weliswaar dat er geschreven staat: `In het begin was het Woord, God was het Woord, want het Woord was bij God en God was in het Woord.' Dat betekent hetzelfde, want God en Woord is een en hetzelfde als Zoon en Vader. Of wanneer jullie zeggen: Woord en God, wat eveneens hetzelfde is als Zoon en Vader, is het ene niet eerder dan het andere, want Vader en Zoon of God en het Woord, of liefde en wijsheid zijn vanaf alle eeuwigheid volkomen één. Daarom mogen jullie de tekst uit Johannes ook draaien zoals jullie willen, zijn getuigenis heeft steeds dezelfde betekenis, namelijk dat de Heer Eén is, zowel als Vader, als Zoon en als Geest!

24 Jullie vragen hoe men het dan moet begrijpen dat de Heer zegt, dat de zonde tegen de Vader en de Zoon vergeeflijk is, maar de zonde tegen de Heilige Geest' niet. Dat is toch heel begrijpelijk; wie strijdt tegen de goddelijke liefde wordt door de goddelijke liefde gegrepen en geheeld; wie strijdt tegen de goddelijke wijsheid wordt door de goddelijke wijsheid eender behandeld. Maar zeg zelf eens, als er een dwaas zou zijn die werkelijk tegen de oneindige goddelijke macht en kracht in opstand zou willen komen, wat kan hem anders te wachten staan dan dat de oneindige goddelijke kracht hem eveneens aangrijpt, maar hem dan weg blaast de oneindigheid in, vanwaar hij een hopeloos lange terugweg zal hebben te gaan om mogelijkerwijze weer dichter bij Gods liefde en erbarming te komen.

25 Kijk, dit allemaal doet immers steeds een en dezelfde Heer, die zich aan ieder mens openbaart naargelang de mens wil. Wie het derhalve tegen zijn kracht wil opnemen, hem zal de Heer ook laten proeven hoe Zijn almacht smaakt vergeleken met de onmacht van een schepsel! Maar denk vooral niet dat de Heer zo'n dwaze strijder zal verdoemen of vernietigen, want de Heer doet alles vanuit Zijn oneindige liefde, opdat niemand verloren zal gaan. Overdenk dit allemaal in jullie harten; daarna zal ik terugkomen en jullie leiden naar hetgeen jullie in jezelf gevonden en erkend zullen hebben.

 

52.

 

De ware armoede van de geest.

Het gevaar van de blinde twijfelzucht

 

1 Kijk nu eens! De tafelbedienden verwijderen zich en ons gezelschap steekt de koppen bij elkaar. In het geestelijke betekent dat: één van zin worden. Waar hebben ze het nu over? Een beetje geduld maar, dan zullen we het spoedig gewaarworden. Degene die eerst het meest met de tafeldienaar heeft gesproken en eens op aarde een landman was, zal nu spoedig op de voorgrond treden en het hele gezelschap een voorstel doen. Jullie zouden het al graag willen horen, maar ik zeg jullie: in de geest kan dat niet zo plotseling plaatsvinden. Het opnamevermogen van een geest in zijn meest zuivere en volmaakte toestand werkt volgens jullie begrippen weliswaar ongelooflijk snel, maar dat van een meer onvolmaakte geest daarentegen des te moeizamer en langzamer. Jullie vragen: waarom is dat zo? Dat is toch gemakkelijk te begrijpen, omdat de geest niets heeft waarop hij terug kan vallen; zijn enige bezit is slechts zijn innerlijk.

2 De volmaakte geest heeft het volmaakt goede en ware in eindeloos grote overvloed in zich; daarom kan hij het geestelijk reëel ware en goede zo ongelooflijk snel opnemen. De meer onvolmaakte geest heeft echter niets anders dan misvattingen in zich. Als hij nu met het goede en volkomen ware vooruitgang wil boeken, dan moet hij eerst zijn misvattingen als zodanig erken­nen, deze uit zichzelf verwijderen en daardoor in grote armoede vervallen, opdat hij een waarachtig arme van geest wordt. Pas door deze armoede of vol­slagen geestelijke leegte komt de goddelijke vonk, die het liefdevolle goede is, dan vrij, begint zich steeds meer uit te breiden en vult dientengevolge de vroegere geestelijke leegte met nieuw licht op. Pas in dit licht wordt het opnamevermogen van de geest steeds volmaakter. En zo zien jullie dat het ons gezelschap nogal wat moeite kost om dit aanschouwelijk voorgestelde beeld van de hemel kwijt te raken.

3 Zij zien nog steeds alles wat ze in het begin hebben gezien. Dat getuigt ervan dat hun innerlijke bewustwording van het ware en goede nog niet veel is veranderd. Jullie zouden nu wel graag willen weten wat daarvan de oorzaak is, daar de tafeldienaar dit hele gezelschap de waarheid toch danig onder de neus heeft gewreven, zoals jullie plegen te zeggen.

4 Ik zeg jullie, daar is vaak maar één reden voor aan te wijzen: al deze katho­lieke hemelhelden zijn in wezen niets anders dan blinde sceptici. Scepsis is echter voor de mens wat de houtkever is voor de bomen: er hoeft maar één enkel puntje niet helemaal steekhoudend te zijn of het zal zich ontwikkelen tot een zich rijkelijk reproducerend, schadelijk waarheidsinsect, dat tenslotte grote bossen met bomen vol van leven en kennis te gronde richt.

5 Jullie vragen nu: beste vriend, wat is dan dit gevaarlijke punt bij dit gezel­schap? Ik zeg jullie: dit punt op zich verdient nauwelijks aandacht, maar de scepticus, die aan alle vezels van de boom van leven en kennis knaagt, plaatst dit onbeduidende puntje onder een sterk vergrotende microscoop en ontdekt dan in dit onopvallende punt hele bergen van oneffenheden, die zich dan niet meer met het natuurlijke beeld van het oppervlak van het levende hout laten verenigen.

6 De oorzaak is te vinden in het feit dat deze sceptici met hun verstandelij­ke microscoop steeds op dit onbeduidende punt gefixeerd blijven, waarbij geen van hen op het idee komt om de microscoop van hun verstand over de grenzen van dit punt heen te richten, waardoor zij zouden zien, hoe dit hun zo oneffen voorkomende punt met het andere levenshout verbonden is.

7 Opdat jullie nu zien waaruit dit punt bestaat, maak ik jullie erop attent dat de tafelbediende de aangehaalde schriftteksten, oppervlakkig gezien, wat door elkaar heeft gegooid. De correctie hebben jullie tijdens het gesprek meteen gehoord. De tafelbediende heeft ogenschijnlijk een tekst van Paulus genomen en hem Johannes in de mond gelegd. Omdat de woordvoerder en nog enkele anderen van dit gezelschap tamelijk goed thuis zijn in de Schrift, is hun dit opgevallen en dat is dan ook hoofdzakelijk de reden waarom ze de koppen bij elkaar hebben gestoken.

8 Onze spreker heeft hen er meteen heimelijk op gewezen en gezegd: mijn lieve, zalige vrienden, als deze tafelbediende echt thuis zou zijn in de godde­lijke waarheid, dan zou hij Paulus toch niet zomaar met Johannes hebben verwisseld. Zo heeft hij kennelijk Johannes iets in de mond gelegd, wat alleen Paulus heeft gezegd, en dat is voor mij genoeg om aan te nemen dat deze die­naar in de eigenlijke goddelijke waarheid niet thuis is. Daarom hoeft alles wat hij heeft gezegd waarschijnlijk niet al te serieus worden genomen.

9 Ik ben van mening dat deze hemel weliswaar een ware en volmaakte hemel is, maar het verhaal en de belering over die tafelgevangenschap berust volgens mij slechts op een vermoeden van de tafeldienaar, die ons daarmee behoor­lijk om de tuin heeft geleid. Wij zijn vrij en kunnen aan tafel gaan wanneer wij willen, maar als we willen kunnen we ook in deze grote tuin gaan wan­delen. Ik ben ook van mening dat het ons vrij staat om dat grote, prachtige paleis daar achter die grote lange tafel te bezichtigen en misschien zelfs wel te bewonen, want de Heer heeft toch gezegd: `In het Rijk van Mijn Vader zijn vele woningen'! Daarom kunnen er in dit buitengewoon grote paleis immers een heleboel woningen zijn. Het is ook best mogelijk dat er verder­op nog een enorm aantal van zulke paleizen voorhanden is. Daarom denk ik dat we niet meer op onze niet bepaald bijbelvaste tafeldienaar moeten wach­ten, maar ons dadelijk naar eigen goeddunken en genoegen naar het grote paleis kunnen begeven. We zijn hier namelijk niet meer in staat om te zon­digen; daarom kunnen we ook doen wat we willen!

10 Het is toch zeker beter om met een helder bewustzijn in de hemel te zijn, dan volgens de wat vergezochte mening van onze tafeldienaar in een waar­achtige boerenhemel te komen. Zou dit niet de echte hemel zijn, dan kun­nen wij daar ook niets aan doen, aangezien ons op aarde nooit een andere werd voorgehouden. En als het er, zoals we op aarde hebben geleerd, hier uitermate rechtvaardig toegaat, wat ook ongetwijfeld het geval zal zijn, dan zou ik wel eens willen weten waarom wij een tijdlang met een valse hemel moeten worden gefopt. We hebben toch altijd in een echte en waarachtige hemel geloofd maar niet in een fop- of schijnhemel. Het zou toch werkelijk infaam van ons zijn als we God ervan zouden verdenken dat Hij ons met deze hemel slechts voor de gek wil houden. Laten we daarom dapper voor­waarts gaan!

11 Zien jullie nu hoe dit punt als een houtkever het hele vroegere bos van goede inzichten heeft aangetast; onze sceptici zijn weer helemaal tot hun oude dwalingen vervallen. Jullie vragen nu wel: ja, waarom heeft de tafeldie­naar dat dan gedaan? Ik zeg jullie: de dienaar heeft in geestelijke zin juist gesproken, maar onze door dwalingen bevooroordeelde sceptici hebben hun verstandsmicroscoop niet over de grens van het punt van twijfel heen gericht, waardoor ze de goede nevenverbindingen hadden kunnen ontdekken.

12 Jullie zullen wel hebben gemerkt dat de dienaar de tekst van de apostel Paulus niet volledig heeft uitgesproken en het begrip `wezenlijk' of ook `lichamelijk' of `stoffelijk' heeft weggelaten. Kijk, dat is een heel belangrijk verbindingspunt. Dit verbindingspunt is nu juist datgene wat dit gezelschap mist, want zo'n verbindingspunt betekent nu juist de daadkrachtige liefde vanuit het zuivere geloof in de Heer.

13 Kijk nu verder; het gehele evangelie van Johannes, dat het innerlijke, levende woord of de liefde voor de Heer weergeeft, is in hemelse zin samenge­vat in de door de dienaar uitgesproken tekst en geeft, wat de Heer betreft, enkel en alleen het juiste licht.

14 Maar Paulus neemt dit licht, dat bij Johannes de liefde van de Heer is, levendig in zich op. Op grond daarvan zegt Paulus dan ook: `Nu leef ik niet meer, maar Christus leeft in mij!' Daarom is de door de tafeldienaar aange­haalde tekst helemaal van Johannes en kan niet van Paulus zijn, omdat het dit hele gezelschap nog ontbreekt aan het wezenlijke van de liefde voor de Heer. Het verdere verloop van deze belangrijke ontwikkeling zullen we in de nabijheid van dit gezelschap spoedig kunnen aanschouwen.

 

53.

 

Verrassingen in de schijnhemel

 

1 Kijk nu, het hele gezelschap brengt zijn voornemen ten uitvoer en begeeft zich langs de muur richting paleis. Maar let nu op, zo meteen zal zich een beslissende scène voordoen, want het gezelschap zal spoedig voor een kloof komen te staan die tot aan de tafel doorloopt. Niemand zal in staat zijn om een voet over de kloof te zetten en als iemand omlaag kijkt, zal hem een ont­zettend diepe kloof aangapen.

2 Zie, het gezelschap komt op de bewuste plaats aan; de welbespraakte aan­voerder als eerste. Nog enkele schreden en hij deinst al terug en schreeuwt: maar in godsnaam, wat is dat nu?! Hier, kont eens kijken, dat is een afgrond die lijnrecht de hel in lijkt te gaan! Nee, als ik onze tafeldienaar weer eens tegenkom, zal ik hem toch eens duidelijk te verstaan geven hoe grondig hij thuis is in deze hemelse geografie. Heeft hij eerder niet gezegd, toen hij aan tafel achter mij de wolkenbodem iets heeft losgewoeld, dat de grond van deze grote tuin overal even stevig is? En nu zien we hier tot onze grootste verba­zing deze verschrikkelijke klooft

3 Een ander uit het gezelschap gaat naar de spreker toe en zegt heel gewich­tig: broeder, niet zo luid, want anders zou de tafeldienaar ook wel eens tegen jou kunnen zeggen dat jij niet goed thuis bent in de Heilige Schrift. Kijk, nu weet ik toch beter raad te verschaffen. Dit is zeker de kloof waardoor inder­tijd de rijke vrek in de hel met Abraham in de hemel heeft gesproken en hem om een druppel water en nog meer heeft gesmeekt. Deze kloof is daarom zeker als eeuwig gedenkteken bewaard gebleven. En aangezien we niet over de kloof heen kunnen, wat voor ons `zalige geesten' wel wat zonderling klinkt, gaan we maar weer onze weg terug en sluipen heel ongemerkt weer aan tafel.

4 De eerste spreker zegt: broeder, je hebt gelijk, het zal zeker zo zijn. Daarom heb ik, evenals alle anderen, besloten jouw raad op te volgen. Welnu, het gezelschap maakt rechtsomkeer en gaat de weg terug. Maar kijk, andermaal doet zich een heel fataal probleem voor: ook achter hen heeft zich een kloof gevormd en zodoende staat ons arme gezelschap nu als tussen twee vuren en heeft een nauwelijks enkele meters brede landtong waarlangs het naar de tafel kan gaan.

5 Maar luister nu naar wat onze woordvoerder zegt als hij de tweede kloof ziet. Zijn woorden luiden: oho, om 's Heren wil! Wat is dat voor een hemel­se schurkenstreek? Gaat het zo toe in de hemel? Dit is toch niets anders dan een stiekeme streek van onze lofwaardige tafeldienaar. Die zal vanuit een of andere geheime schuilplaats ons gesprek hebben afgeluisterd, en heeft toen door middel van de hem ten dienste staande geestelijke tovermiddelen deze afgronden gevormd, en nu staan wij hier ten einde raad. Hij laat zich ook helemaal niet zien; ik denk dat hij wat onze toestand betreft, toch al van verre lont moet ruiken. Werkelijk, als die lummel nu zou komen opdagen, zou ik mij zelfs met mijn hemelse armen aan hem kunnen vergrijpen. Deze twee afgronden hier; het is toch iets verschrikkelijks. Als we niet zo voorzichtig waren, dan zou de een of ander zeker al God weet waar daar beneden liggen! Hij zegt verder: lieve vrienden, en nu mijn hemelse broeders en zusters, ik heb aanvankelijk gezegd, en ik blijf erbij, dat deze hele hemel niets anders is dan fopperij. De tafeldienaar heeft ons allemaal bedot; niet onze wandeltocht zijn we beetgenomen en daardoor zijn al onze aardse verwachtingen van de hemel in rook vervlogen. Het enige dat nog ontbreekt is nog zo'n kleine afgrond overdwars en we zitten allemaal mooi hemels in de knoei!

6 Een ander zegt tegen hem: broeder, broeder praat niet zo luid! Heb je op aarde nooit het oude spreekwoord gehoord: als je van de duivel spreekt trap je hem op zijn staart? Nu onze dienaar het zich heeft gepermitteerd deze dubbele grap met ons uit te halen, zou hij wellicht ook op het idee kunnen komen om nog een streep door onze tafelrekening te halen. Daarom denk ik dat we heel rustig en bescheiden over deze landtong naar de tafel moeten gaan, anders zou het kunnen gebeuren dat we met z'n allen hier een kleine hemelse hongerkuur moeten ondergaan. Ik ben van mening: als men in de hemel eigenlijk niet kan zondigen, dan is dat eigenmachtig handelen misschien ook niet helemaal juist. Het zou best mogelijk zijn dat er in de hemel voor ongehoorzame hemelse geesten ook een soort hemelse straf bestaat. Daar weet weliswaar geen sterveling iets vanaf, maar zoals jij en jullie allemaal weten, konden wij op aarde nooit iets concreets over de hemel te weten komen en daarom kunnen wij pas hier wat meer met de daarvoor geldende regels vertrouwd raken. Ik ben van mening dat we hier met de allerheiligste drie-eenheid voor ogen wat berouw moeten tonen, opdat ons onze misstap vergeven moge worden.

7 De woordvoerder zegt: beste broeder, ik kan je geen ongelijk geven, maar mij komt het voor dat de omstandigheden hier lijken op die in de verdichtsels van de oude Romeinen over een zogenaamd Scylla en Charybdis, daarom ben ik van mening dat er bij deze vormgeving van de hemel van geen enkele kant veel te winnen zal zijn. Moeten we hier blijven, dan staat ons kennelijk eeuwige honger te wachten; komen we bij de tafel, dan wil dat weer zeggen eeuwig blijven zitten en eeuwig eten en drinken. Ik zou zeggen, wie van jullie zin heeft om weer terug te gaan naar de tafel, laat die in ieder geval zijn geluk beproeven, mits hij niet bij een kloof overdwars uitkomt. Ik blijf hier en ga geen stap verder voordat de tafeldienaar terug komt, zoals hij heeft beloofd, en mij een bevredigende verklaring over het ontstaan van deze kloven geeft.

8 Kijk nu, een groep gaat via de landtong en loopt zonder problemen door. Bij nader inzien echter wil onze woordvoerder nu toch liever de groep achterna gaan. Hij begeeft zich nu ook met het bij hem achtergebleven gezelschap op weg. Maar kijk, hij vindt inderdaad op zijn pad de van tevoren vermoede dwarse uitloper waar hij niet overheen kan springen. Luister, hoe deze hemelbewoner in krachtige bewoordingen over deze hemelse inrichting begint uit te varen en zegt: nou, daar heb je het! Zoals ik al dacht; dat is me toch een hemel, je zou je geen betere kunnen wensen! Lieve broeders en vrienden, dat zijn nu de zogenaamde hemelse vreugden! Ik moet eerlijk bekennen dat ik me niet kan herinneren, dat ik mij ooit zolang ik op aarde heb geleefd, in een grotere en fatalere verlegenheid heb bevonden dan in dit oord van zaligheid.

9 Als ik nu nog terugdenk aan alles wat ik op aarde heb gedaan om deze hemel te verdienen! Hoe vaak ik wel heb gevast; hoeveel honderden, ja duizenden rozenkransen ik heb gebeden; hoeveel missen ik heb betaald en bij hoeveel ik zelf met volle aandacht aanwezig ben geweest; hoeveel armen ik mijn hele leven lang te eten heb gegeven, terwijl ik zelf een arme boer was...! Ja, ik moet oprecht bekennen dat ik mij op aarde voor deze hemel gewoonweg het vel over de oren heb laten halen. En nu geniet ik, en jullie allemaal, het veelbelovende loon en wel op dit door drie afgronden begrensde vierkante plekje, vanwaar we de heilige drie-eenheid weliswaar kunnen aanschouwen tot onze ogen het begeven, maar waarbij we ons niet mogen verroeren, omdat we anders al gauw daar beneden liggen, God weet waar! Het ontbreekt er nog maar aan, dat dit kleine vierkante stukje hemelland langzamerhand in de afgrond begint te zakken. Dan zou ons bij God toch niets anders overblijven dan op goed geluk mee naar beneden te zakken, God weet waarheen, of we zouden ons tegen wil en dank op de muur moeten begeven en daarop tussen twee afgronden moeten balanceren, mits de muur niet ook nog mee naar beneden zakt. Nee, beste vrienden, als ik nu denk aan de werkelijk moeizame weg waarlangs de priester ons op een volgens mij enigszins verdachte manier heeft geleid, nadat we in de geestelijke wereld waren aangekomen, en wat een inspanning het ons heeft gekost voordat we de gouden hemelpoort hadden bereikt, dan kan ik van louter ergernis wel uit elkaar ploffen, want daar beneden is het ons toch heel wat beter vergaan dan hier!

10 Kijk, een ander stoot onze spreker aan, wijst met zijn vinger naar de dwarskloof en maakt hem erop attent hoe er zojuist een flink stuk naar beneden is gezonken. Onze woordvoerder trekt zich wat terug en zegt heel bedremmeld: Nou, wat heb ik gezegd, we zullen zeker nog als ruiters op de muur komen te zitten. Werkelijk, als ik vanuit mijn rotsvaste geloof niet zeker zou weten dat men vanuit de hemel toch zeker niet meer in de hel kan worden geworpen, dan zou ik bij dit armzalige hemelse leven moeten beweren dat hier alles voor zo'n prijzenswaardige rit doeltreffend is voorbereid. Ik denk dat we beter meteen op de muur af kunnen gaan, want men kan niet weten hoeveel ruimte er na een eventuele tweede breuk overblijft. Zijn we echter eenmaal op de muur dan laten we ons daar achterwaarts afglijden totdat we buiten dit fatale vierkant zijn, vervolgens proberen we bij de uitgangspoort van de hemel te komen, waarna we dan over de ons reeds bekende lange, moeizame weg weer teruggaan. God geve ons slechts zoveel erbarmen en geluk dat de muur ons niet fataal wordt. Ik ben van mening dat we op die manier wel in staat zijn om heelhuids uit deze hachelijke situatie te komen.

11 Kijk, na deze woorden gaat iedereen vlug naar de muur. De muur is bereikt, maar deze is helaas wat te hoog om er op te kunnen klimmen. Daarom vormt ons gezelschap nu levende ladders en neemt de muur als het ware stormenderhand.

12 Ze hebben zich uiteindelijk naar boven gewerkt, maar als de laatste man naar boven getrokken is, begint de muur om te buigen en onze eerste woordvoerder zegt: beste vrienden, de moed niet verliezen! God de Heer zij alle eer; nu maar zien waar we terechtkomen! Het is me allemaal om het even, want het is nu duidelijk dat, met uitzondering van de goddelijke drie-eenheid, die we nog steeds zien, deze hemel puur bedrog is. Onze achtenswaardige tafeldienaar laat zich helemaal niet meer zien en hoewel hij ons stellig heeft beloofd terug te komen, laat hij ons in deze allerhoogste hemelse nood lelijk zitten. En kijk nu, ons halfhangende stuk muur is nu afgebroken en wij gaan mee omlaag, God weet waarheen!

13 Nu gaan ook wij mee en luisteren al tijdens de tocht naar onze spreker. Zijn gezelschap ziet er wanhopig uit; alleen onze spreker laat de moed niet zakken. Hij troost zijn lotgenoten zo goed hij kan en zegt: lieve broeders, zit er maar niet over in; de Heer wil toch steeds het allerbeste voor de mens. Wij kunnen niet weten waar deze reis goed voor is. Misschien gaan wij nu bij deze gelegenheid een waarachtige, geestelijke, buitengewoon interessante hemelreis maken en nader kennismaken met de zeker veel lager liggende sterrenhemel, en misschien komt het zo uit dat we zelfs in een vreemde, mooie wereld terechtkomen. Ik zeg maar: 's Heren wil geschiede! Doodgaan kunnen we niet; het zal ons wellicht beter gaan dan in de hemel daarboven. Het zou wel heel beroerd zijn als we de hele eeuwigheid door zo moesten blijven vallen, maar dat is toch nauwelijks aan te nemen, want dan moest zelfs de voor ons allemaal noch steeds zichtbare drie-eenheid slechts een geestelijk meteorologisch verschijnsel zijn. We moeten echter al heel diep beneden zijn, want het hele beeld van de drie-eenheid wordt uiterst klein. Nee, beste vrienden, het mag dan zijn zoals het is, maar ik ben toch ontzettend benieuwd waar we na deze geestelijke luchtreis terecht zullen komen.

14 Kijk, iemand uit het gezelschap maakt de spreker erop attent dat hij beneden, heel in de diepte een geweldig groot water ziet. De spreker ziet het nu ook en zegt: voor zo'n onderlaag zal ons stuk muur zeker geen bescherming van betekenis bieden, maar het maakt me nu allemaal niets meer uit, want onder zulke omstandigheden heb ik werkelijk genoeg van het leven! En zo mag komen wat wil, water of geen water, het is me allemaal om het even! En kijk nu, het hele gezelschap bereikt het wateroppervlak; hun stukje muur verandert in een bootje, waarin zich het hele gezelschap nu ongedeerd bevindt. Het begint te waaien en het bootje vaart over de golven.

15 In de richting tussen morgen en middag duikt zojuist, alsof het uit het water omhoog stijgt, een prachtig, uitgestrekt land op en onze spreker zegt tot zijn gezelschap: ik heb jullie toch gezegd dat we aan de vorige hemel niet veel verloren hebben. God de Heer zij alle lof en dank voor deze wonderbare redding! Ook onze fraaie tafeldienaar zij alles vergeven; maar als ik hem weer eens tegenkom, zal ik hem toch eens goed de les lezen! Kijk nu, het bootje nadert het land, maar kijk nog eens beter, daar aan de oever staat onze welbekende tafeldienaar ons snelvarende gezelschap op te wachten. Ook onze spreker moet hem nu wel herkennen, want hij kijkt stomverbaasd naar de oever. Wat er verder gaat gebeuren zullen we de volgende keer in ogenschouw nemen.

 

54.

 

Bevrijding uit de schijnhemel

 

1 Kijk nu, naargelang het vaartuig de oever nadert, herkent onze woordvoerder zijn tafeldienaar, die hij zich nog goed herinnert, ook steeds beter. Daarom wendt hij zich tot zijn gezelschap en zegt: kijk daar eens, als dat niet onze fraaie tafeldienaar is, dan is onze natte ondergrond geen water. O, hij is het; zijn hele manier van doen, zijn gezicht, zijn lange blonde haren; kort en goed, hoe dichter we bij hem komen des te beter herken ik hem! Had ik nu maar een klein beetje almacht, dan zou ik graag een kleine donderbui op hem afsturen. Aangezien ik dat niet kan, zullen hem toch tenminste als we bij elkaar zijn, enkele goedgekozen, scherpe woorden uit mijn mond treffen. Ik kan toch niet geloven dat er in dit geestenrijk, dat wil zeggen daarboven in die verdachte hemel en hier beneden in dit land, twee geesten te vinden zijn die als twee druppels water op elkaar lijken. We zullen daarom ook niet doen alsof we hem al eerder hadden gezien, maar afwachten wat hij zelf wellicht gaat zeggen als we allemaal aan land zijn. Zegt hij echter niets, dan zal ik wel een gesprek met hem aanknopen en zeker te weten komen of hij de tafeldienaar is of niet! Een ander uit het gezelschap zegt tegen de woordvoerder: luister vriend, stel dat deze geest, die kennelijk op ons staat te wachten, de ons bekende tafeldienaar is, dan denk ik heel anders over de manier waarop we met hem moeten omgaan dan jij, beste vriend en broeder. Kijk, het was toch zonder meer jouw en ons aller wil om uit de vorige zit-, eet- en gaaphemel weg te komen. De dienaar heeft jou dat bij mijn weten ook toegezegd. Dat hij juist daarboven niet meer naar ons toe is gekomen, verbaast me helemaal niet, want, sta me toe, ten eerste ben jij meteen na zijn vertrek vanwege de verkeerde tekst tegen hem van leer getrokken en ten tweede heeft niemand van ons, juist om die reden, zijn raad met betrekking tot onze gedragsregels in acht genomen. Dat hij ons daarom min of meer aan ons lot heeft overgelaten en ons inderdaad in grote verlegenheid heeft gebracht vind ik, in aanmerking genomen dat we hem werkelijk bruut behandeld hebben, zonder meer volkomen terecht. Omdat we zo wonderbaarlijk werden gered en ongedeerd zijn gebleven, en dat zeker alleen aan hem te danken hebben, ben ik van mening dat we onze donderbui, onze scherpe woorden en slimme benaderingswijze beter achterwege kunnen laten. Anders zou hij misschien op het idee kunnen komen ons nog eens te vergeten en dit land dat nu zo dichtbij is, eveneens zo losjes te maken als dat daarboven in de hemel.

2 De woordvoerder zegt: zeer geachte vriend en broeder, goedbeschouwd heb je gelijk; ik was wat heetgebakerd, maar jou woorden hebben me nu volkomen nuchter gemaakt. Deze dienaar kon wel eens een vermomde engel zijn, hoewel ik bij hem nog geen vleugels heb gezien, maar die kan hij best onder zijn gewaad verborgen hebben. En als dat zo is - de heilige drie-eenheid sta me bij - dan zouden we toch aan het kortste eind trekken, want zo'n engel moet ontzettend sterk zijn. Ik heb me eens door een echt vrome geestelijke laten vertellen dat zo'n engel met zijn enorme kracht heel gemakkelijk met één slag van zijn grote, vlammende zwaard de hele aarde in tweeën kan slaan. Als we hem hier dus wat al te grof bejegenen zou best eens kunnen blijken dat hij onder zijn gewaad behalve zijn vleugelpaar ook een goed gevormd, vlammend zwaard verbergt. Ik wil verder niet spreken over wat hij daarmee, gezien onze ontzettende zwakheid, allemaal zou kunnen doen.

3 Ik ander zegt: ja, ja, beste vriend en broeder, op dit punt heb jij weer gelijk. Ook al lijkt hij niet zo goed thuis te zijn in de Heilige Schrift, daarom kan hij toch wel een echte engel zijn; en dus zullen wij hem dan ook heel deemoedig tegemoet treden.

4 Een derde uit het gezelschap merkt op: luister broeders, zes ogen zien meer dan twee! Ik ben van mening dat wij ook met betrekking tot de Heilige Schrift en de tekstverwisseling, of beter gezegd de naamsverwisseling beslist geen ophef moeten maken. Hoe kunnen wij eigenlijk weten welke plaats het goddelijke woord bij hemelse geesten en in het bijzonder bij engelen inneemt, hoe zij het lezen en hoe zij het begrijpen? Het is ook heel goed mogelijk dat Johannes deze uitspraak over Christus wel heeft gedaan, maar deze niet zelf heeft opgeschreven; ook kan zij door de vele overleveringen, evenals bij mijn weten een hele brief van Paulus, voor de wereld verloren zijn gegaan. In de hemel zullen dergelijke zaken zeker niet verloren gaan. Daarom denk ik, zoals reeds gezegd, dat wij wat dat betreft ons in onze onwetendheid wat bescheidener moeten opstellen. Zoals jullie weten was ik op aarde zelf een geestelijke en zelfs doctor in de theologie en heb als zodanig in het heilige boek ook wel menig hiaat gevonden. Maar ik heb me getroost met de gedachte dat als dergelijke verdwenen passages voor het heil van de mensen onontbeerlijk zouden zijn, de Heer het ook nooit zou hebben toegelaten dat ze verloren zouden gaan. En verder dacht ik nog dat dergelijke passages eens in de hemel voor een hoger geestelijk doel in zuiverste vorm aanwezig zullen zijn. Kijk, de woordvoerder en ook alle anderen zijn met dit voorstel volkomen tevreden.

5 Inmiddels is ons vaartuig bij de oever aangekomen en het hele gezelschap, meer dan honderd man sterk, begeeft zich aan land, waar de tafeldienaar die hen staat op te wachten, hen met open armen tegemoet gaat. Onze woordvoerder gaat heel eerbiedig naar hem toe en zegt: ben je het, of ben je het niet? De tafeldienaar zegt: ja, ik ben het! En we zijn hier weer samengekomen, zoals ik je boven al te kennen heb gegeven. Je hebt je met jouw gezelschap niet aan de door mij gestelde voorwaarden gehouden, en naarmate je hiervan bent afgeweken, heb ik de mijne ook moeten bijstellen. Toch wilde ik je van jouw schijnhemel bevrijden. Daarom moest ik aan de hand van jouw veranderde maatstaf ook een andere weg bewandelen om jou en dit hele gezelschap uit de schijnhemel te halen.

6 Je vraagt mij nu wat de hoogst wonderbaarlijke betekenis van zo'n eigenaardige weg is en je vraagt verder nog wat de kennelijke tegenspraak tussen de door mij aan tafel getoonde stevigheid en de daarna toch spoedig volgende plaatselijke, complete instorting van die hemel betekent. Want in zijn natuurlijke betekenis zou zoiets flagrante oplichterij zijn. Ik zeg je: dat heeft allemaal een betekenis die volkomen met jullie innerlijk overeenstemt, want toen ik je, nog aan tafel, de stevigheid van jouw hemel liet zien, toonde ik jou niets anders dan de nog stevige grondvesten van jouw op misvattingen berustende hemel.

7 Toen jij echter in mijn nabijheid de onvolmaaktheid en weerzinwekkende dwaasheid van jouw hemel begon te voelen, verhief je je uit het centrum van jouw dwaling en vluchtte met velen die, heimelijk ook door mij aangespoord, jouw inzichten deelden. Op de uiterste grens van jouw dwaling toonde ik jou alles wat jou nog aan je dwaze hemel bond. Daar had je aandacht aan moeten schenken, maar zelfs aan de grens van jouw dwaling bleef je daar nog aan vasthouden en wilde je maar niet inzien wat ik tegen je gezegd had. Daarom wilde je dan ook in je dwaling verdergaan. Niet ik, maar het woord dat ik tot je heb gesproken, heeft ondanks jouw wil om je eigen weg te volgen, jouw dwaling losgeweekt, zodat er op menige plaats een scheur ontstond waardoor je heel gemakkelijk de geheel verkeerde basis van je schijnhemel vermocht in te zien. Ja, tenslotte heeft mijn woord jou helemaal gevangengenomen. Zij die nog te zwak waren, werden daardoor door een nieuwe kloof van jou gescheiden en zo werd jij, zoals gezegd, volkomen gevangen.

8 Omdat daardoor jouw dwaling steeds meer begon in te zakken, vluchtte jij met jouw gezelschap op de muur. Deze muur was het goddelijke Woord, dat weliswaar in jou is blijven hangen, maar in al zijn fragmenten voor jou nog totaal onbegrijpelijk was. Daarom had hij voor jou en jouw gezelschap ook geen draagkracht. Hij leek uiteen te wijken en viel met jullie in de diepte, dat wil zeggen het Woord, dat tot dan toe alleen jullie verstand bezighield, viel voor een klein deel in de levende diepte van jullie harten. Al spoedig zagen jullie een groot water onder je, dat jullie dreigde te verslinden. Maar dit water was niets anders dan de zichtbare wijsheid van inzicht, die in dit geringe fragment van het Woord, dat in jouw diepte viel, verborgen is. Met deze 'woordmuur' in jouw hart bereikte je al gauw de grote, lichte zee van inzicht en het Woord werd voor jou en jullie allemaal een zekere drager over de oneindige stromen van goddelijke wijsheid, die ook in dit kleine Woordfragment verborgen ligt. Toen je heimelijk het Woord steeds meer in je opnam, droeg het jou naarmate je opnamevermogen groeide, steeds dichter naar een vaste levensoever toe. En je kon deze niet bereiken voordat dit woord volkomen zou zegevieren over de eigendunk van jouw hart. Het Woord heeft echter gezegevierd en daarom ben je daarmee ook op de vaste oever beland.

9 Denk maar eens terug aan al die belachelijke kletspraatjes, die trouwens allemaal een product van jouw goedmoedige oppervlakkigheid zijn; dan zul je gemakkelijk inzien hoe onhoudbaar en leeg al jouw begrippen over God en hemel zijn. Nu pas bevind je je op de eerste ware grond van het Woord; zoek daarom ook op deze grond, dan zul je, evenals jouw gezelschap, God en de hemel vanuit een heel ander gezichtspunt leren kennen.

10 Kijk daar, tussen morgen en middag staat een groot paleis. Daarheen moeten jullie je begeven. Jullie zullen daar alles vinden wat je nodig hebt.

11 Onze woordvoerder zegt: o, lieve hemelse hooggewaardeerde vriend, wil je dan niet zo goed zijn om ons daarheen te begeleiden? De vermeende tafeldienaar zegt: dat is niet nodig, want jullie zullen de weg daarheen niet missen, maar ik zal zo snel als een gedachte vooruitgaan en jullie daar ontvangen en introduceren. Daar pas zullen we enkele woorden over Johannes en Paulus nader belichten, dan zullen we wel zien wie van ons op het gebied van het Woord het meest kundig is. Volg mijn raad dus op en ga daarheen. Amen! Kijk, de vermeende tafeldienaar is plotseling verdwenen en ons nogal verblufte gezelschap begint de aangegeven weg op te gaan. Wij zullen hen weer volgen en getuige zijn van al het gedenkwaardige dat zich nog zal voordoen.

 

55.

 

Eerste solide woonplaats na de schijnhemel.

Onbegrijpelijke drie-eenheid.

De evangelische Christus

 

1 Onze woordvoerder zegt tegen zijn gezelschap: nee maar, dat is toch merkwaardig! Tot nu toe heb ik altijd geloofd dat geesten alleen voor de mensen op aarde zo plotseling onzichtbaar kunnen worden, maar dat geesten ook voor geesten onzichtbaar kunnen worden is voor mij iets spiksplinternieuws. Wie mij kan zeggen hoe deze geest, die ongetwijfeld een engel moet zijn, zo vlug voor onze ogen kon verdwijnen, nou, die weet meer dan ik. Bij mijn arme leven: ik ben van mening dat men op aarde eerder in de maan kan bijten dan op deze vraag een antwoord vinden. Een ander geeft hem ten antwoord: beste vriend, kijk, dat vind ik nu weer niet zo vreemd, want op aarde heb ik vaker gehoord dat engelengeesten bliksemsnel kunnen reizen. Omdat deze echte engelengeest dus zo vlug voor onze ogen verdween, is dit niets anders dan een duidelijke bevestiging van hetgeen we op aarde al zo vaak hebben gehoord.

2 Een derde zegt: beste vrienden, alles goed en wel wat betreft het engel-zijn van onze tafeldienaar, maar voor zo'n snelle vlucht zou hij toch eerst zijn vleugels in beweging moeten zetten. Zolang ik bij een engel geen vleugels zie, geloof ik nog niet dat het een engel is, want alle vrome mensen op aarde zouden altijd de engelen met vleugels hebben gezien, hetgeen echter alleen maar mogelijk was in een toestand van zogenaamde geestelijke vervoering, dus altijd slechts met geestelijke ogen. Als vrome mensen de engelen Gods echter altijd met vleugels hebben gezien, waarom wij, die nu toch zelf geheel geest zijn, dan niet?

3 De eerste woordvoerder zegt: beste vriend, wat dat betreft moet ik je openlijk zeggen dat dit verlangen voortkomt uit een zeer zwakke geestesgesteldheid. Iedereen weet toch dat deze vleugels slechts op grote snelheid duiden en dus enkel een zinnebeeld zijn. Daarom kan zo'n geest heel goed een engel zijn zonder dat hij een paar zichtbare vleugels heeft. Het opvallende is alleen, zoals ik al zei, dat de ene geest voor de andere onzichtbaar kan worden. Het brengt me zelfs niet van de wijs dat wij als geesten niet in staat zijn zo snel vooruit te gaan als onze tafeldienaar, want daar zal ook wel een zekere oefening voor nodig zijn; al doende leert men! Maar zoals ik zeg, dat onzichtbaar worden laat me niet los. Genoeg hierover. Als we hem weer eens zullen ontmoeten, zoals hij heeft gezegd, dan zal hij het ons wel uitleggen.

4 Bekijk liever eens deze echt wondermooie omgeving; werkelijk, deze is me wel duizendmaal liever dan onze vroegere verheven hemel. Hier zou ik wel willen wonen en ergens daar op de bergen zo'n echt gemoedelijke landman worden. Kijk toch eens naar dat weelderige gras, de wondermooie bloemen, die mooie lanen met bomen, die naar het lijkt de edelste soorten vruchten dragen; en dan de kleine beekjes. En kijk eens daar voor ons, hoe deze grote, prachtige vlakte omgeven is door een schitterend gebergte en hoe deze bergen zonder uitzondering gesierd zijn met wondermooie paleisachtige gebouwen. Als mijn ogen me niet bedriegen, dan zie ik op de dichtstbijzijnde bergen ook in het wit geklede levende wezens die voor de paleizen wandelen. Dat bevalt mij goed! Deze omgeving lijkt toch veel meer op een hemel dan die waarin we als eeuwige vraatzuchtige poliepen maar moesten blijven zitten.

5 Ja, het is buitengewoon prachtig. Men ziet hier weliswaar niets van de drieeenheid, maar daarentegen wordt deze omgeving door een schitterende zon verlicht. En als ik het eerlijk mag zeggen, moet ik jullie bekennen dat ik bij het aanschouwen van al deze pracht de aanblik van de heilige drie-eenheid hier even goed kan missen als destijds op aarde; maar in plaats daarvan komt er een ,ander idee bij mij op.

6 Als we hier ergens Christus de Heer eens konden ontmoeten, en wel zoals Hij eens op aarde heeft geleefd en Zijn apostelen heeft onderricht, dan zou dat voor mij bij al dit moois wel het allerhoogste genot zijn. Want één ding moet ik jullie nog eerlijk bekennen: de aanblik van de goddelijke drie-eenheid is op zich wel heel verheven, maar ik zou mij werkelijk in het diepst van mijn hart een infame leugenaar voelen als ik zou beweren dat deze aanblik mij ook maar enigszins een warm gevoel van liefde zou hebben gegeven. Ik heb mij daar wel zoveel mogelijk toe gedwongen, maar het is me niet gelukt om de drie personen in gelijke mate met liefde te omvatten. Want hield ik van de Vader, dan kon ik niet tegelijkertijd ook van de Zoon houden. Toen ik mij daarvan bewust werd, kwam de gedachte bij mij op dat de Vader evenals de Zoon dit wel eens ongunstig konden opvatten. Wilde ik alleen van de Zoon houden, dan vroeg ik me af of de Vader daar wel tevreden mee zou zijn.

7 Ook moet ik oprecht bekennen, dat mijn innerlijke strijd om de Heilige Geest in de vorm van een duif lief te hebben, tevergeefs was. In dat geval had ik even goed een stuk hout kunnen liefhebben als deze derde goddelijke hoogst onpersoonlijke persoon. De Heilige Geest werd met mijn liefde dus het minst bedacht en wel omdat ik het nooit zover heb kunnen brengen om zijn wezen te doorgronden en mij daarbij iets voor te stellen. Vader en Zoon lagen mij steeds nader aan het hart; als het er maar geen twee waren geweest, maar alleen óf de een óf de ander, dan zou ik in staat zijn geweest heel veel hetzij van de ene of van de andere te houden.

8 Ik heb weliswaar vaak heimelijk gedacht: als Christus zich maar eens vanaf Zijn hoge troon ergens heen had begeven waar ik Hem heel alleen te pakken had kunnen krijgen, dan had ik Hem waarlijk uit het diepst van mijn hart kunnen liefhebben, maar met mijn veel te geringe liefde voor dit ontoegankelijke licht, heb ik, zoals gezegd, de Vader noch de Zoon in hun ontoegankelijke licht kunnen naderen. Ik vind het trouwens volkomen tegennatuurlijk om liefde, of het nu een geestelijke of een lichamelijke betreft, op iets in de oneindigheid te richten, want liefde verlangt een bereikbaar object, iets onbereikbaars liefhebben vind ik klinkklare onzin.

9 Toen ik nog op aarde was, heb ik eens geprobeerd of ik niet verliefd kon worden op zo'n echt mooie ster. Voor dat doel bekeek ik zo'n ster langdurig en dwong mijn hart zo goed ik maar kon; maar denken jullie dat ik in staat was echte liefde voor die ster in mij op te wekken, zoals voor een goede vriend of een sympathieke vriendin? O, daartoe was ik nimmer in staat!

10 Zo verging het mij niet veel beter niet mijn liefde voor de drie-eenheid en voor het heiligste altaarsacrament; want zo vaak ik ter communie ben gegaan en daarna mijzelf afvroeg of mijn hart meer naar het sacrament of meer naar mijn vrouw en kinderen trok, moest ik tot mijn schande bekennen dat mijn liefde voor vrouw en kinderen heel wat sterker was dan die voor het heilige sacrament. Zo kon ik de drie-eenheid evenals het heilige altaarsacrament nooit echt in mijn hart sluiten, maar het slechts met een zeker geheimzinnig, heilig ontzag benaderen. Ja, ik ging tenslotte zo ver met mijn heilig ontzag, dat ik de natuurlijke liefde van het hart voor God letterlijk als zonde beschouwde.

11 Alleen met Christus was het anders. Als ik Zijn heilige evangeliën las, stelde ik me Hem steeds als aanwezig voor en tijdens mijn armzalige leven heb ik daarbij altijd gedacht: als ik de genade zou hebben die de apostelen ten deel is gevallen, werkelijk, dan was ik zelf een apostel geworden en zou zonder de minste moeite, uit louter liefde voor Hem, vrouw en kinderen hebben verlaten! Ja, ik moet jullie ook zeggen dat ik eigenlijk, als ik er goed over nadenk, alles slechts uit liefde voor de evangelische Christus heb gedaan, waartoe mij bovenal enkele gelukzalige dromen over Hem het meest liefdevol hebben aangespoord.

12 Met de heilige drie-eenheid en het heilige altaarsacrament bleef ik steeds onwillekeurig voortdurend innerlijk worstelen. Want voor deze te mysterieuze, onbegrijpelijke, goddelijke verhevenheden was mijn hart als het ware omgeven door eeuwig noordpoolijs. Vrienden, ik wil met deze bekentenis niemand iets opdringen; ik heb alleen maar in deze vrije omgeving mijn hart eens flink gelucht. Jullie kunnen hetzelfde doen, want voordat we het aangeduide paleis zullen hebben bereikt zal er nog enige tijd verstrijken.

13 Verscheidene uit het gezelschap melden zich en zeggen: vriend en broeder, wij kunnen jouw oprecht verzekeren dat het ons in dit opzicht nooit een haar beter is vergaan. Wij geloofden alles wel plichtmatig, maar we waren vaak vervuld van een geheimzinnig, heilig ontzag, waardoor we volkomen afgestompt raakten, maar dan in de evangelische Christus weer geheel onze rust terugvonden. Om die reden ontvlamde niet zelden in ons hart een grotere liefde voor de allerzaligste moeder van God en ook voor menig andere heilige dan voor de allerhoogste, goddelijke Verhevenheid, die we wel vreesden, en dat vaak tot in een zekere mate van vertwijfeling. Om liefde op te brengen voor datgene wat we zo erbarmelijk vreesden, is echter wel iets meer nodig.

14 Het is ook de vraag of we in deze omgeving ook de zalige maagd Maria of' een andere heilige te zien zullen Krijgen, want in de hemel waar we ons bevonden, was daarvan zelfs met de grootste oplettendheid geen spoor te bekennen. Vriend, jij die anders steeds de beste invallen hebt, kunt ons hierover misschien ook wel wat vertellen.

15 De woordvoerder zegt: lieve vrienden, over deze kwestie moeten we, denk ik, niet te veel vragen, maar ons uitsluitend beijveren om ten eerste zo vlug mogelijk het ons aangewezen paleis te bereiken om daar de beloofde opheldering te krijgen over het door mij en ons allen niet begrepen woord van God, vooral dat bij Paulus en Johannes, en ten tweede kunnen we ons, aangezien de goddelijke drie-eenheid voor ons onzichtbaar is geworden, maar beter weer aan onze evangelische Christus houden. Volgens Zijn uitspraak: `In het Rijk van Mijn Vader zijn vele woningen' lijkt deze plaats hier toch heel wat meer op een hemel dan die daarboven, waar we maar één enkele woning zagen. Nu genoeg hierover, want kijk, onze vermeende tafeldienaar komt ons alweer tegemoet. Laten ook wij hem dan maar heel stil en rustig tegemoet gaan.

 

56.

 

Op weg naar Christus

 

1 Kijk, ze zijn samengekomen en onze vermeende `tafeldienaar' vraagt onze woordvoerder al hoe de reis naar hier hun is bevallen en wat voor opmerkingen ze zoal hebben gemaakt. Onze woordvoerder zegt: lieve vriend en broeder van zeker bijzonder hoge geaardheid, ik zeg je, een oud spreekwoord zegt: `Veel geschreeuw en weinig wol!' Zo was het ook met ons. We hebben onder elkaar over veel onbeduidende dingen gekletst, die bij elkaar genomen maar weinig gewicht in de schaal der waarheid zouden hebben gelegd. Daarom zal het mijns inziens niet nodig zijn om voor jou onze dwaasheden, die je al van onze gezichten kunt aflezen, te herhalen. Behalve een onderwerp dat weliswaar niet belangrijk is omdat ik het heb uitgesproken, maar omdat het op zich belangrijk kan zijn.

2 De vermeende tafeldienaar vraagt de woordvoerder: waaruit zal dit betekenisvolle onderwerp dan wel bestaan? Kijk, we hebben tot het paleis nog een flink stuk te gaan; daarom kun je het mij immers wel vertellen. Onze woordvoerder zegt: beste vriend en broeder, als je mij geduldig wilt aanhoren wil ik jou heel graag vertellen waaruit dit zowel voor mij als voor liet hele gezelschap meest belangrijke onderwerp bestaat. Je geeft me een wenk en zegt dat ik kan spreken; dus zal ik ook alles wat ik maar in mezelf kan vinden openhartig naar voren brengen. Op aarde had ik heel heimelijk ook al wel zulke denkbeelden, maar eigenlijk waren ze niets anders dan vluchtig voorbijtrekkende fantasieën die altijd weer, zoals het betaamde, plaats moesten maken voor mijn katholieke geloof. Mijn fantasieën bestonden en bestaan nu nog meer dan destijds uit het volgende: nummer één was voor mij altijd de zo hooggeplaatste, onbegrijpelijke drie-eenheid, tot Wie ik nooit de liefde van mijn hart geheel en al kon verheffen, wat ik ook maar deed of wilde. Ik had wel een erbarmelijke vrees, die samenging met een ongelofelijk heilig ontzag. Dat was dan ook alles wat ik voor dit allerhoogste, drievuldige Wezen voelde. Meer kon ik van mijn hart onmogelijk gedaan krijgen.

3 Als ik erover nadacht dat men God moet liefhebben boven alles en wel met al zijn levenskracht en mij daarbij afvroeg: is dat bij jou wel het geval, of hou je eigenlijk van je vrouw, kinderen en allerlei vrienden diep in je hart niet duidelijk meer dan van de allerheiligste drie-eenheid? - dan kwam altijd het ondubbelzinnige antwoord bij mij op, dat ik aanzienlijk meer van mijn vrouw, kinderen en menige vriend hield dan van de heilige drie-eenheid. Ja, ik moet er eerlijkheidshalve nog aan toevoegen dat ik eigenlijk niet kon begrijpen hoe het een mens mogelijk kon zijn, deze drie-eenheid lief te hebben. Hoe meer ik namelijk mijn liefde op het grootse begon te richten, des te meer werd ik mij ervan bewust dat een mens niet eens in staat is om voor het al te grote, liefde op te brengen. Ik heb dat ook door middel van allerlei fantasievoorbeelden bij mijzelf uitgeprobeerd.

4 Eens dacht ik bij mezelf: zou je wel een heel mooie vrouw kunnen liefhebben als zij ongeveer twee keer zo groot zou zijn als een kerktoren? In mijn fantasie stelde ik mij zo'n vrouw dan ook zo levendig mogelijk voor en - de hemel mag weten hoe het gebeurde - heeft mijn verbeeldingskracht dit gedaan of een of andere geest, hoe het ook zij, ik zag werkelijk een verschijning van zo'n immens grote vrouwelijke gestalte. Voorzover ik me kan herinneren, kon men deze gestalte werkelijk mooi noemen, maar in plaats van dat er in mijn hart iets van liefde ontwaakte, heeft zich enkel een helse schrik van mij meester gemaakt. Daardoor werd het mij duidelijk dat het menselijk hart niet in staat is al te grote dingen lief te hebben, maar dat het door iets dergelijks ontsteld raakt als een schuchter kind dat voor het eerst een gepantserde held ziet.

5 Zo heb ik mijn hart ook gevraagd of ik wel in staat zou zijn om een berg of de gehele aarde lief' te hebben. Ik probeerde ook daarvoor liefde in mijn hart op te wekken, maar het verging me daarbij als een niet al te sterk en krachtig mens, die een buitengewoon zware last moet optillen. Ik stelde me bij deze liefdespoging zo menig grote held voor en dacht dan bij mezelf: zij moeten de aarde toch vurig hebben liefgehad als ze zo verwoed hebben gevochten om haar te bezitten. Maar dan zei mijn hart mij: deze helden hebben niet de aarde liefgehad, maar alleen zichzelf; zij wilden geen vaders, maar slechts heren en heersers op aarde zijn. Toen ik dat ontdekte, vond ik mijn principe nog meer bevestigd en ik zag nog duidelijker in, dat een mens nooit het voor hem al te grote in liefde kan omvatten. Zo wilde ik ook eens verliefd worden op een ster. Ook dat ging niet, want hij was te ver weg en ik voelde me bij deze liefde als een vis op het droge, die wel voortdurend naar water hapt maar desondanks geen druppel in zijn keel krijgt. Met dergelijke vreemde liefdesvoorbeelden heb ik mijn hart vaak op de proef gesteld, maar het liep altijd op niets uit.

6 Zo verging het mij dan ook, zoals gezegd, met mijn liefde voor de allerheiligste drie-eenheid geen haar beter, integendeel nog veel slechter. Want voor de tot nu toe genoemde liefdesproeven was ik, behalve voor die reusachtige vrouwenverschijning, niet bang. Voor de drie-eenheid was ik echter altijd onuitsprekelijk bang, omdat ik door mijn geloof dit allerhoogste Wezen slechts als een onverbiddelijke, strenge rechter kende, die de mensen tijdens hun korte leven op aarde eigenlijk alleen maar genadig is op grond van een leven van voortdurende strenge boetedoening. Is de mens eenmaal gestorven, dan houdt deze schaarse genade voor eeuwig op en wacht de zondaar niets anders dan eeuwige verdoemenis en in het gunstigste geval het verschrikkelijke vagevuur. Van een hemel is vóór het laatste oordeel al helemaal geen sprake. Wanneer dat eventueel zal plaatsvinden, daarover worden zelfs alle engelen door de wijsheid in de steek gelaten. Er wordt weliswaar achteraf een lange zaligheid beloofd, maar wel een zoals wij die onlangs hebben geproefd.

7 Als je dit, beste vriend, allemaal samenvat en wel ten eerste het heel merkwaardige, geheimzinnige, onbegrijpelijke Wezen van Gods drie-eenheid, ten tweede de onuitsprekelijke en onverbiddelijke strengheid van dit Wezen als rechter, ten derde de hel, het vagevuur, het laatste oordeel en daarbij ten vierde nog de eeuwige gaap- en eethemel vergezeld van een eeuwige rust, dan zou ik het hart willen kennen dat zelfs met de grootste inspanning zo'n Godswezen met vurige liefde zou kunnen omvatten.

8 Met nummer één ben ik klaar; maar beste vriend, nu komt er een niet veel beter mininier twee, en dat is liet niet minder mysterieuze allerheiligste altaarsacrament. Ik wil jouw bij deze gelegenheid slechts op één domme gedachte van mij attent maken. Kijk, onze leer toont ons in de hostie onfeilbaar en onweerlegbaar de volmaakte Godheid. Nu zijn er toch vele kerken en in elke kerk vele hosties. Wanneer bijvoorbeeld verscheidene priesters tegelijkertijd de mis hebben gelezen en zij niet zelden bijna allemaal tegelijk consacreerden, vriend, dan kostte het mij vaak een hele strijd om mij onder elke hostie het eigenlijke Goddelijke Wezen voor te stellen en wel volmaakt en ongedeeld. Maar hoe verging het mij bij deze voorstelling? Waarlijk, ik kon de gedachte aan verscheidene goden niet van mij afzetten, vooral als ik daarbij nog bedacht en tevens met eigen ogen het uitgestalde allerheiligste zag, waarin de volmaakte God aanwezig was; dan nog een even volmaakte God, die bij de gedaanteverandering door verscheidene priesters werd getoond, waarbij ik me onvermijdelijk ook nog een volle communieciborie met meer dan honderd goden moest voorstellen.

9 Stel je nu eens voor hoe het me dan heel vaak te moede was, vooral als ik deze hostie met mijn liefde wilde omvatten. Bij de aanblik van de vele kon ik me er toch onmogelijk één voorstellen; en daarom was ik eigenlijk genoodzaakt er niet een lief te hebben. Het beste voelde ik me altijd nog bij die in de monstrans, want die hield nog het langste stand. Dit is nog het minst domme van mij, maar een andere gedachte maakte zich dan altijd van mij meester en die kon ik onmogelijk verwerken. Ik verzoek je echter mij niet uit te lachen, als ik je die ga vertellen.

10 Kijk, dit probleem bestond uit het volgende: als ik zo'n volmaakte godhostie bekeek, dan kwam vaak deze vertwijfelde gedachte bij mij op waarin ik mij afvroeg: als dit de volmaakte, ware God is zoals het geloof me leert, hoe ziet het er dan met de eigenlijke God in de hemel uit? Moet Hij dan altijd helemaal naar beneden komen, of blijft de Vader in de hemel terwijl de Zoon naar beneden komt, of vervult de Heilige Geest deze dienst?

11 Ik heb daar zelf enkele keren navraag naar gedaan, maar kreeg nooit een ander antwoord dan dat dit een ondoorgrondelijk goddelijk mysterie is en het bijna een van de grootste zonden is om daarover na te denken en dat dit heel gemakkelijk tot een zonde tegen de Heilige Geest kan leiden.

12 Op zo'n antwoord moest ik mijn domme gedachten dan ook zo veel mogelijk verdringen, want ik zag maar al te goed in dat men daarover op aarde nooit tot klaarheid zou komen, waarom ik mij dan maar altijd met de geestelijke wereld heb getroost. Ik heb daarbij weliswaar over de woorden van Christus nagedacht, die gezegd heeft dat dit Zijn lichaam is, maar niet Zijn Godheid. Maar ook dat heeft mij weinig geholpen. Het beste gevoel had lk nog als ik mij daaronder levend brood uit de hemel voorstelde, dat voor de gelovige mens een spijs voor het eeuwige leven kan zijn en ik leefde met dit geloof zo goed als het maar kon tot aan het einde van mijn aardse leven.

13 Dat was nu, beste vriend, mijn fantasie nummer twee. Bij nummer drie had ik nog een andere en wel over de Christus uit het evangelie. Nu moet ik je wel oprecht bekennen, dat ik op deze werkelijk voortdurend net als een Magdalena verliefd was. Als ik over Hem droomde en zo menige scène uit Zijn levensloop voor mij zag, dan, moet ik je zeggen, stond mijn hart steeds in vuur en vlam. Ik weet ook niet hoe het kwam en ik kon doen wat ik wou, toch was ik ondanks de katholieke leer niet in staat Hem als een onverbiddelijke rechter te beschouwen. Want de scène met de moordenaar aan het kruis en de manier waarop Hij stervend aan het kruis voor zijn beledigers de Vader om vergeving vroeg, verder het verhaal van de verloren zoon, van de barmhartige Samaritaan, van de tollenaar en de farizeeër in de tempel en dat van de echtbreekster en nog vele andere, waren altijd als een sterke muur waartegen mijn gehele katholieke rechtersgeloof niet was opgewassen. En zo stelde ik mij dan ook op mijn manier de hemel voor en wel als volgt:

14 Als de hemel nu eens als een heel mooi aards landschap zou zijn, waar men dan ook het onuitsprekelijke geluk zou hebben Christus alleen te ontmoeten, door Hem te worden onderricht en als leerling van Hem ook een liefdadig en vruchtbaar liefdewerk te doen kreeg, dan zou dat toch een hemel zijn zoals geen sterveling zich mooier, zaliger en verhevener zou kunnen voorstellen.

15 Ik heb ook vaak bij mezelf gedacht: als het mogelijk zou zijn om op deze manier bij Christus te zijn, al was het maar af en toe, dan was de allereenvoudigste hut voor mij de hoogste hemel! Ja, ik heb ook niet zelden gedacht: als ik U, allerliefste Christus, maar zou hebben, dan zou ik niet meer vragen om een hemel noch om een gelukzalige aarde! Kijk beste vriend en broeder, dat zijn zo mijn fantasieën. Gedachten zijn toch vrij en daarom kan alles nog zijn zoals God het wil! Je kunt daarover denken zoals je wilt; vind je dat we hier iets van kunnen leren, dan is het goed, zo niet, dan geschiede zo als altijd de wil van de almachtige, drie-enige God! 16 De vermeende tafeldienaar kijkt onze woordvoerder glimlachend aan en zegt tegen hem: luister mijn lieve vriend, jouw fantasieën zijn beter dan je denkt; vooral jouw derde fantasie, die is onbetwistbaar de beste. Het is waar, in de Godheid liggen weliswaar eeuwig ondoorgrondelijke dingen, verhoudingen, wegen en raadsbesluiten besloten die nooit door een geschapen wezen begrepen kunnen worden, maar niet betrekking tot jouw liefde voor Christus zal je spoedig een helder licht opgaan. Ik kan je al bij voorbaat zeggen, dat jou en je hele gezelschap deze fantasiehemel zeker weldra ten deel zal vallen! Daar we nu reeds voor de deur van het paleis staan, gaan we er binnen, alwaar je nadere bijzonderheden zult ervaren.

 

57.

 

Het levenspaleis van het gezelschap.

Het zaad voor het hemelrijk, Gods Woord

 

1 Kijk, ons gezelschap kijkt vol verwondering naar de poort, want deze is van blinkend goud en de omlijsting is bezet met diamanten en robijnen. De woordvoerder zegt dadelijk tegen de vermeende tafeldienaar: maar beste vriend, dat is toch wat al te veel van het goede; als ik het goed zie, zou ik bijna kunnen beweren dat de waarde van deze poort naar aardse maatstaven waarachtig alle schatten en rijkdommen van de gehele aarde overtreffen. Want om te beginnen is de poort op z'n minst al zo'n drie klafter hoog en bovendien helemaal massief. Ik laat de waarde van het goud nog buiten beschouwing, maar die vuistgrote diamanten en robijnen, o hemelse goedheid!

2 De rijkste keizer zou er niet één kunnen aanschaffen, maar hier zitten er maar liefst verscheidene honderden in! Waartoe dient hier eigenlijk zo'n verkwisting? De vermeende tafeldienaar zegt: beste vriend, het is goed zo. Bij God vindt geen verkwisting plaats. Heb je ooit de sterren aan de hemel geteld, die allemaal schitteren met hun eigen licht en stuk voor stuk meer dan een miljoen maal groter zijn dan de aarde die jij hebt bewoond? Zou je dan ook niet willen zeggen: waartoe zo'n verkwisting van zonnen in dit onmetelijke heelal?

3 Kijk, de Heer is rijk genoeg en Zijn schatten zijn onmetelijk, daarom is deze kleine versiering hier ook niet in het minst als verkwisting aan te merken. De versiering van deze toegangspoort is namelijk heel doelmatig en betekenisvol en laat jou zien, hoeveel waar geloof en goede liefde er in jou is. De `gouden poort' betekent echter jouw levenswandel, die het gevolg is van je ware geloof en daadkrachtige liefde. Laten we nu door de poort het paleis binnengaan.

4 Let op, nu gaan ze naar binnen. Laten ook wij meegaan, zodat we er bij dijn als zich zo dadelijk een belangrijk tafereel gaat afspelen. Kijk nu eens naar onze woordvoerder; hij staat met zijn hele gezelschap heel verbluft om zich heen te kijken. Waarom dan? - Jullie kunnen het gemakkelijk raden, omdat onze brave woordvoerder niets meer van het hele paleis ziet, want hij bevindt zich nu aan de zijde van de vermeende tafeldienaar in een grote, tienzuilige tempel. De zuilen bestaan uit louter diamanten, de voetstukken zijn van goud, de kapitelen van doorzichtig goud, het dak van robijnen en de vloer van louter amethisten tegels. Als men vanaf de tempel naar alle richtingen kijkt, ziet men rondom een eindeloos uitgestrekte vlakte, die hier en daar onderbroken wordt door heuvels, die met gelijksoortige tempels versierd zijn. De vlakte zelf is echter overal begroeid met prachtige fruitbomen van allerlei soort. Alles is zo mooi geordend als was het door een heel beroemde tuinarchitect aangelegd.

5 Laten we nu echter eens luisteren naar hetgeen onze woordvoerder gaat zeggen en wat voor antwoord hij geeft wanneer de vermeende tafeldienaar hem vraagt hoe hem het paleis bevalt. Zijn antwoord luidt: maar beste vriend en broeder, wat is dat nu weer voor een nieuwe, hemelse fopperij? Ik heb mij in mijn fantasie reeds de mooiste kamers van het paleis voorgesteld, maar nauwelijks door de poort naar binnen getreden, was het hele paleis als weggeblazen! Op de plaats van het paleis staat hier nu inderdaad deze onuitsprekelijk prachtige tempel en er omheen eindeloos ver naar alle richtingen ziet men in plaats van de door mij gefantaseerde paleiskamers, dit landschap van onuitsprekelijke schoonheid. Nee, dit lijkt me alweer onverklaarbaar! Wie zoiets kan verklaren, moet minstens tienduizend jaar voor Adam geboren zijn, want van Adams kinderen is er waarschijnlijk niet één tegen deze verschijning opgewassen. Zeg me eens, beste vriend en broeder, kun jij daar iets van begrijpen?

6 De vermeende tafeldienaar zegt: maak je daarover geen zorgen; ik zal je slechts één gelijkenis geven, waardoor je alles gemakkelijk zult begrijpen. Let dus goed op! Als je, toen je nog op aarde leefde, ooit een zaadkorrel hebt bekeken, dan heb je hem altijd in zijn eenvoudige vorm gezien. Je nam die zaadkorrel en legde hem in de aarde. Al gauw verging de zaadkorrel, en in plaats daarvan groeide er uit de aarde een mooie plant, die bijna jouw gehele aandacht in beslag nam. Toen zei je: mijn God, hoe is dat toch mogelijk? Was dat dan allemaal al in de vroegere zaadkorrel aanwezig, vroeg je je af. Jouw gevoel en verstand zeiden dan: hoe zou deze zaadkorrel zich zo hebben kunnen ontwikkelen als niet alles al in zijn kiem aanwezig was geweest? Toen vond je dat de innerlijke pracht van de zaadkorrel heel wat groter was dan de eerdere uiterlijke naakte vorm daarvan.

7 Welnu beste vriend, heeft de grote Leraar van de mensheid het hemelrijk niet ook eens vergeleken met een mosterdzaadje? Je zegt: o ja, dat weet ik heel goed. Let nu op, het mosterdzaadje is het Woord in zijn uiterlijke ofwel letterlijke vorm, maar wanneer dit Woord in de aarde van het hart wordt gelegd, dan schiet het omhoog en wordt als het ware een boom waarin de vogels van de hemel wonen. Wat betekent dan wel de boom? De boom betekent het innerlijke, geestelijke van het uiterlijke Woord en de vogels betekenen het hemelse, dus de oerstaat vanwaar het Woord gekomen is.

8 Zo betekent het hele wezen van de boom de wijsheid, die uit de liefde voortkomt en alleen die wijsheid is in staat het hemelse te herkennen. Zal de boom, wanneer hij tot rijpheid komt, dan niet een duizendvoudige rijkdom aan zaden opbrengen? Wanneer je nu echter zo'n rijkdom aan zaden opnieuw in jouw aardrijk uitstrooit, zal dat dan voor jou, omdat je nu in plaats van één, duizend bomen aan jouw aarde ziet ontspruiten, niet al een grote oogst opbrengen? Je zegt: ja, dat zal zeker zo zijn; maar is jou in de eerste, eenvoudige zaadkorrel zo'n onvoorstelbare rijkdom opgevallen? Kijk, zo is het ook met de hemel gesteld.

9 Je kunt niet zomaar ergens in een hemel komen, maar jij moet jouw eigen hemel zelf maken. Het zaad voor het hemelrijk is het Woord Gods; wie dat in zich opneemt en er naar handelt heeft deze hemelse zaadkorrel in zijn aardrijk gelegd, waardoor de hemel als een boom daaruit zal opgroeien.

10 Luister nu verder! Toen we bij de poort van het paleis kwamen, zag je dat deze versierd was met diamanten omdat jij het Woord in jezelf hebt opgenomen, en met robijnen omdat je naar het Woord hebt gehandeld. Dat waren dus nog louter uiterlijke zaadkorrels. Het gehele paleis stelde jouw totale leven voor en de poort met de diamanten en robijnen geeft derhalve aan, dat jij je de toegang tot jezelf door middel van Gods Woord hebt verschaft.

11 We gingen door de poort; wat wil dat zeggen? Kijk, niets anders dan: we zijn het innerlijk van jou en van jullie allen binnengegaan, ofwel we zijn de innerlijke betekenis van het Woord binnengegaan. Het Woord is echter niet zomaar een leeg woord, en het is niet waar op dezelfde manier als wanneer iemand zegt: een en een is twee, maar het Woord is wezenlijk waar! En alles wat je hier ziet en nog oneindig veel meer en diepere dingen zijn in het god-delijke Woord reeds zo geschapen aanwezig, als talloze planten of bomen met hun vruchten reeds in één enkele zaadkorrel aanwezig zijn. Het enige verschil is, dat een zaadkorrel voortdurend hetzelfde voortbrengt wat al in aanleg aanwezig is, zonder bijzondere verandering van vorm, terwijl het Woord van God zich als zaad uit de hemel in een onnoemelijke verscheidenheid uit.