Gedicht van de Schepper

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]:

 

Luistert allen, gij late kinderen van Mijn genade, hoe Ik u onthaall

luistert, hoe Ik u allen uitnodig aan Mijn grote gastmaal!

Komt allen, die trouw van harte zijt, hier in Mijn midden, en doet mede

met ’t gemeenschappelijk loven van Mijn naam, nog volgens d’oude zede,

die Meduhed u zo vroom en trouw wist te leren

daar hij – als eerste – Mij in zijn hart heeft willen begeren!

 

Neemt dus zijn goed en zinnig voorbeeld wel in acht;

ziet zijn ogen, mond en oren, en zijn witte baard, zo zacht,

als veilige tekenen van zijn vroom en zeer wijs spreken!

O, dat jullie allen in dit alles hem geleken!

Zodat ook gij straks worden kunt Mijn lieve, trouwe kinderen,

die dat kwade slangenbroed niet meer vermag te hinderen.

 

Ziet, schoon spoelen van haar gruwelen zal Ik spoedig heel deez’ Aarde,

der zondaren streven naar Mijn liefde zal dan blijken zonder waarde!

Maar als gij van binnen trouw en vroom van hart zult blijven,

zal Ik Mijn watervloeden graag aan u voorbij doen drijven!

En als Ik straks Mijn toorn zal ontkluisteren van zijn banden,

dan zult gij veilig zijn geborgen: Ik zorg voor hogere landen!

 

Dan zullen op Aarde alle geslachten klagen,

en de ‘groten’ zullen geen hoongelach meer wagen.

En als dan d’hoge watervloeden ruisend stromen over de bergen,

zullen ze slechts weinig kinderen sparen: dat zijn Mijn liefdedwergen.

Ja, zeer klein werden ze en heel veel minder waard;

hun groot gebrek aan liefde heeft hen zeer ontaard!

 

Ziet op dus naar Mijn licht-doorstroomde hemelzalen,

Ziet Mijn sterren stralend van Mijn gena verhalen.

Ziet hoe de vlakten der Aarde worden verlicht door de Zon.

Ziet hoe de Maan haar begeleidt, welwillend van toen ze begon.

Ziet alle werelden gehoorzamen aan Mijn wil.

Doet gij ook zo dus al uw werken steeds heel stil.

 

Ge wilt het wezen van de sterren geheel doorleven?

Hoor! Ik zeg: de liefde zal het juiste antwoord geven!

Als het hart volkomen zuiver op de liefde zal zijn gericht,

zal Ik de fakkel van Mijn genade geven als een licht;

daar leest een ieder dan gemak’lijk in fel en vlammend schrift,

Gods naam in grote letters heel duidelijk gegrift.

 

O gij, klein hart, in nauwe borstkas ingesloten,

kendet gij de bron, waaruit zo groots ge zijt ontsproten…,

dan zouden er geen vragen over de dode materie in u rijzen;

ge liet ze, onbekommerd, dan graag zweven op hun eigen wijzen,’

wetend dat de Schepper Zelf van al deez’nietig kleine dingen…,

onbeduidend vergeleken met een hart, dit steeds met liefde wil omringen.

 

Dát, wat voor zwakke mensenkinderen zo vaak als groots opdoemt,

wordt door Mijn liefde daarentegen slechts zo klein genoemd!

Want die dingen in de ruimten, ze zijn als niets zo klein…

gelijkend mensenharten, die nog niet ontkiemd in liefde zijn!

Houdt daarom niets voor groot dan slechts Mijn liefde-trouw

en, wat direct daarna komt: des zondaars waar berouw.

 

Ik alleen ben groot, daar Mijn liefde en machtig besturen,

en een vrije geest, die in orde is gegrondvest, zal voortduren.

Wat betekenen Mijn Zonnen in hun onbekende banen?!

Slechts dat ze u als al het andere, steeds uw zwakte manen!

Wat zijn zij meer…in het licht van Mijn volmaakte Godheid…

dan ’t afgevallen hulsje van een zojuist ontpopte mijt?

 

Stel dat g’eens tot in het centrum al dezer werelden in mocht keren…

om daar dan het geruis te horen van hun snelle vluchten door de sferen…

Om daar ook de sterkte te meten van aller zonnen felste licht…

en d’almacht te verstaan, waarmee Ik al dat groots verricht…

Zoudt ge ook dan nog nader tot Mijn grote liefde kunnen komen?

Neen zeg Ik; aan vertwijfeling zoudt ge niet kunnen ontkomen!

 

Zoudt gij ook kunnen besturen daar de grote hemelwagen?

En hem – net als grote geesten – snel naar de sterren jagen?

Kondt g’uit uw mond ook lichtende zonnen baren, zonder weeën?

En hen onderdompelen – zoals Ik de Mijnen – in de golven van de zeeën?

Dan nog zou al uw kracht, naast de Mijne, een vergelijk behoeven:

ze is als zand en stof in oude leem- en steengroeven!

 

Kijk op naar ’s hemels blauwe randen,

Kijk over golven naar der zeeën verre stranden,

maar geloof gerust, omdat Ik ’t u zeg: grenzen zijn daar niet,

waar men overdag zeeën van licht van de zon en ’s nachts de sterren zie!

En heel de inhoud van uw grote zee is zelfs niet te vergelijken

met slechts een druppel der daargindse ‘kleinste’ sterrenrijken.

 

Richt daarom uw oog op Mij, gij kleine mensenrij,

en beperk uw weetgierigheid maar tot Mij.

Heinde en ver, ja overal moet ge Mijn liefde zoeken!

Laat uw blikken alom dwalen tot in de vreemdste hoeken!

De tekenen van Mijn naam zult g’overal kunnen vinden;

maar laar u dan ook door niets anders dan door Mijn liefde binden!

 

Ja, zelfs het gras zal u over Mij verblijdend informeren,

mits g’u maar onophoudelijk van Hanochs zonden af blijft keren!

En als g’elkaar, als broeders nu, steeds trouw wilt blijven minnen,

en in bedwang houdt voor elkaar uw ongeregeld’ aardse zinnen,

dan zal grote genade tot u komen van boven..

en u zal getoond worden hoe men de Vader moet loven.

 

Zo kniel dan neder op deez’ aard’, de moeder van uw zonden,

schudt af het stof der slang, ’t maakt dodelijke wonden!

Dank Mij, jullie Redder, vol nieuwe vreugde in het hart

en laat aan Mij gewijde tijd je nooit brengen tot enige smart!

Laat de macht van Mijn liefde jullie diep in de harten raken,

dan zal het licht van Mijn genade je tot nieuwe mensen maken!

[bron: De Huishouding van God – door Jakob Lorber – 1840]

www.zelfbeschouwing.info