INLEIDING EVANGELISTEN

image001

 

Matthéus benadrukt, dat Jezus de koning van Israël is, de beloofde Messias van het Oude Testament. Daarom wordt er veel waarde aan toegeschreven te laten zien, dat in Hem zich de voorspellingen der profeten op de komende Verlosser duidelijk hebben vervuld. Dit boek stelt een fantastische brug tussen het Oude- en het Nieuwe Testament voor.

 

Markus laat de geboortegeschiedenis weg zoals ook het Koninklijke geslachtsregister. Na een tamelijk korte inleiding begint hij onmiddellijk met de beschrijving van de publieke diensten van de Heer. De treffende boodschap in het Marcusverhaal in Mark.7:37: ‘ En zij ontzetten zich bovenmate zeer, zeggende: Hij heeft alles wel gedaan, en Hij maakt, dat de doven horen, en de stommen spreken.’

 

Lukas beschrijft Jezus als de volkomen mens. In dit boek wordt uitvoerig over de wonderbaarlijke geboorte verhaald. Hier wordt vanaf Lukas 3:23-38 over de afstamming van Adam tot Jezus gesproken. De boodschap van Lukas vertelt ons dat de Heer familie is van de hele mensheid. Het medegevoel van Jezus voor mensen in nood staat centraal. De genade van God beperkt zich niet alleen tot het volk van Israël, maar ook voor alle volkeren op deze Aarde.

 

Johannes laat zien dat de mens Jezus tegelijk ook eeuwig God Zelf is. Hij deelt ons mee dat God in zijn Zoon (liefde) zich volkomen heeft geopenbaard. Wie de zoon van God kent, kan ook God de Vader kennen en zich als kind van Deze Vader op een eeuwig leven verheugen.

 

Over de Evangelisten zelf

De schrijver van het Johannes Evangelie zegt: Dit is de discipel (de discipel van wie Jezus veel hield) die getuigenis over deze dingen aflegt en die deze dingen heeft geschreven (Joh. 21:24).

De schrijver van het boek Lukas zegt: ‘Deze zijn aan ons overgeleverd door hen die van het begin af ooggetuigen en dienaren van de boodschap zijn geworden (Lukas 1:2).

De apostel Paulus spreekt over degenen die getuigen waren geweest van de opstanding van Jezus en zei: ‘De meesten van hen zijn tot op dit ogenblik nog in leven.. maar sommigen zijn ontslapen.’ 1 Kor.15:6. Wij zijn getuigen van deze dingen! Zoals gij ook zelf weet! (Hand. 2:22) – Josephus bevestigd dat Jezus een historisch persoon was, maar maakt nauwelijks van Jezus gewag.

 

De Heer: ‘Wat de eerste vraag betreft, zo is in haar opzicht dit al een kleine toelichting in het eigenlijke Johannes Evangelie aangestipt. Alleen om jullie deze kwestie nog meer duidelijker te maken, moeten jullie weten, dat de evangelist Matthéus door Mij eerst dan werd opgenomen, als Ik bij Mijn reis naar Kis in een middenstation tussen Kapernäum en Kis hem aantrof als een tollenaar in dienst van de Romeinen. Daarom werd Mij ook het verwijt gemaakt, dat Ik met tollenaars en zondaars omging.

 

Omdat echter deze Matthéus goed bij pen was en zich niet meer van Mij wilde scheiden laten, zo werd hij door Mij als schrijver opgenomen, maar slechts meer voor de feiten, terwijl Mijn Johannes het Woord, dat Ik leerde, had op te tekenen en Matthéus nu en dan geestelijke delen van Mijn leer en predikingen voor zich aantekende, maar dezelfde (Matthéus) steeds bij gelegenheden zich echter door Johannes liet corrigeren; want Matthéus hat voor feiten een goed, maar voor de leer een zwak geheugen.

 

Van Mijn familieachtergrond wist hij, zolang hij met Mij rondtrok, erg weinig en wat hij wist, deelde bij gelegenheid Jakobus, Simon en Johannes hem mee. Hij schreef dit echter niet op de plaats zelf op, maar eerst enkele jaren na Mijn opstanding, toen hij in plaats van Judas Iskarioth tot apostel werd gekozen.

 

Deze apostel zelf – als de evangelist – had zijn evangelie heel ordelijk en correct samengesteld en maakte toen daarmee zijn reizen in de zuidoostelijke omstreken van Azië.

 

Er hebben in Jeruzalem, in Galilea, in Samaria, zo ook in Tyrus en Sidon, zich wel vijf Mattheüssen voorgedaan, en elk schreef een evangelie van Mattheüs; daaronder dat er in een te Sidon verschenen evangelie onbetwistbaar nog wel de alleraanneembaarste was.

 

De andere vier Mattheussen-Evangeliën (deze waren dus niet in overeenstemming met het Mattheus-Evangelie van Sidon) werden bij de grote kerkenverzameling te Nicea (concilie) - als volledig apocrief verworpen en het Sidonische werd mogelijkerwijs als echte Evangelie bewaard. En zo is ook dit Evangelie gedeeltelijk apocrief, hoewel de schrijver zich alle denkbare moeite gaf, de zaak zo waar als mogelijk weer te geven.

 

Hij zelf schreef eigenlijk, in plaats van deze ene, zelfs veertien evangeliën, al naar gelang hem ergens deze zaak van welwillende ooggetuigen bekend werd gegeven. Uit deze veertien schreef hij dan een vijftiende, dat naar beoordeling van vele deskundigen als het juiste en waarste werd verklaard.

 

En deze pseudo-Mattheus, die eigenlijk l’Rabbas heet, is de feitelijke schepper (schrijver) van het huidige Mattheus-Evangelie (in de Bijbel).

 

Het werkelijke (Mattheus-Evangelie) echter bevindt zich vandaag de dag nog in een grote boek- en geschriftencollectie in een aanzienlijke bergstad in het Achter-Indië, die wel de grootste en uitgebreidste is na de verbrande Alexandrinische (documenten) op de gehele Aarde. Deze bestaan uit meerdere miljoenen exemplaren van diverse soorten boeken en geschriften,  tot welke verzameling jammer genoeg alleen de hogepriesters, die onder de opperpriesters van  Brahmas staan, toegang hebben. De Birmanen alleen bezitten hiervan echter een verkort afschrift.

 

Jullie zouden ook wel graag willen weten, hoe het met de apostel Mattheus in deze landen van India tot een einde gekomen is?

 

Hij is daar heel goed terecht gekomen, mocht echter zijn leer alleen aan de priesters bekendmaken en verder aan geen ander mens. Hij vond echter toch nog in zijn oude dagen – geleidt door Mijn geest – een gelegenheid, om te ontsnappen bij de Birmanen en leerde ze heel wat wijsheden en schreef hen dan ook het al vooraf genoemde korte Evangelie voor.

 

In enkele betere tradities wordt deze apostel en ook nog als kameraad „de apostel van India“ genoemd.

Daaruit zullen jullie wel gemakkelijk kunnen opmaken, hoe het met de jullie bekende Evangelie van Mattheus zich verhoud, zoals het ook met het geciteerde 13e hoofdstuk, waar het heet, of Ik niet de zoon van de timmerman Jozef ben, of Mijn moeder niet Maria heet en Mijn broeders niet Jakob, Joses, Simon, Judas en Johannes? En – ‘zijn zusters, zijn ze niet allen bij ons? Vanwaar overkomt Hem dan dit alles?

 

Om dit te begrijpen, moet men weten, wat er al in het Johannes is genoemd, dat Ik eens naar Nazareth kwam, daar in de Synagoge leerde en soms menig teken deed; en als daarover zich zelfs Mijn apostelen en leerlingen zich begonnen op te houden, Ik tegen hen zei: ‘de profeet geldt nergens minder dan in zijn eigen Vaderland’, Nazareth verliet en nadien daarheen niet weer.

 

Wat echter Mijn zogeheten broeders en zusters betreft, deze waren wel kinderen van Jozef uit zijn eerste huwelijk, maar niet kinderen van Maria, diens enige en niet de eerste, maar wel was Ik de enigste zoon als de eerste. 

 

Wat echter de zusters betreft, zo waren zij niet de dochters van Jozef, maar diens arme aanverwante familie, en men noemde ze daarom ook zusters doordat ze volledig leefden en handelden naar de gedachten en de wil van Jozef en Maria.

 

Drie van deze broeders trokken met Mij mee, namelijk Jakobus, Simon en Johannes; twee echter bleven thuis en waren bezig met het handwerk van Jozef en verzorgden Maria tot zoverre, als Ik ze Johannes voor verdere verpleging aan hen toevertrouwde.

 

De namelijk schijnbare tegenspraken zullen jullie ook vinden in het Evangelie van Lukas; want deze Evangelist schreef eerst meer dan vijftig jaar na Mij het Evangelie en evenzo ook de Apostelgeschiedenis van Handelingen. Maar ook zijn Evangelie is een verzameling van datgene, wat hij door ijverige nasporing over Mij en de apostelen tot stand heeft gebracht.

 

Alles, wat hij geschreven had, had hij naar zijn bekende vriend Theophilus naar Athene verzonden, waaruit Theophilus dan weer een Evangelie uit het Evangelie van Lukas omschreef, en dit met sommige bijvoegingen verrijkte, maar zo nu en dan ook sommige onjuistheden in hetzelfde toevoegde, waaruit zich dan sommige tegenspraken ontstonden, vooral in de natuurmatige spelling der letters, met name Mijn overdreven tiranniek optreden in het zogenaamde ‘jongste gericht’, die met de enige nog en de meest juiste korte Evangelie van Johannes beslist niet overeenstemmen, maar geestelijk in ieder geval een belichting toelaten – en wij zullen het nog vaker over deze en nog veel meer over het andere hebben in de volgende dictaten. En derhalve voor nu oké. Amen. [HiG.03_64.03.18,01-19]

 

Ik heb gisteren bij jullie al gewag gemaakt, dat van het buitengewone ‘jongste gericht’ in het Evangelie van Mattheus (l’Rabbas) en nog meer bij de Evangelist Lukas, uitvoerig daar een grote vermelding is gemaakt, en dat juist dit jongste gericht veelvuldig schuld daaraan was en nog is, dat vele mensen van Mijn leer zichzelf daarvan helemaal hebben afgewend, ze hebben vanuit hun pure verstand zichzelf leringen uit hun intellectuele krachten gevormd en hun naaste mensen hetzelfde geleerd, zelf gehandeld en ernaar geleefd en wilden van de schrikdragende leer en profeten niets meer horen en weten.

 

Want ze zeiden, en weliswaar niet onterecht: Hoe kan een eindeloos wijze eeuwige God, uit welke grote en kleine schepsels zichtbaar en voelbaar slechts de liefde ademt, juist het grootste aantal van de mensen enkel daarom alleen in het bestaan geroepen heeft, om ze na een kort leven op een materiële wereld, die toch al uit pure dood en ellende is samengesteld, na het wegtreden, in de geestelijke wereld eeuwig te kwellen en te plagen voor de vergrijpen, die ze in hun lichaam op de Aarde hebben begaan?

 

Ik zeg het jullie, zulks was niet eenmaal de hoogste en boosaardigste tirannen op de wereld mogelijk. Want het is zeker dat sommigen van jullie de geschiedenis van de oertijd, de voortijd, de natijd en de huidige tijd niet onbekend is, dat te grote tirannen aan het einde voor zichzelf begonnen te vrezen, en dat sommigen uit hen zomaar zijn weggevlucht zonder een speciale reden; op zulk een vlucht vanwege de toenemende vrees voor zichzelf, vonden zij ook hun gewoonlijke ondergang. [HiG.03_64.03.19,01-3] 

 

 

Hoe ziet dat er bij zulk een leer uit van die verschrikkelijke enigste jongste gerichtsdag, in welke de twee jullie bekende na-Evangelisten l’Rabbas i.p.v. Mattheüs en Theophilus i.p.v. Lukas, in menig opzicht in strijd waren tegen met Mijn liefde en wijsheid en zich daaraan schuldig gemaakt hebben?

 

Het meest en huiveringwekkendste is echter eerst gebeurd na de grote kerkverzameling (comité) van Nicea – zowel aan de kant van de Griekse, nog meer echter aan de kant van de Romeinse opperbisschoppen. Want deze hebben alle moeite gedaan, voor een deel uit het heidense Tartarus en voor een deel uit de oude Joodse school van het jongste gericht, het vagevuur en de hel deze de levendigste kleuren te verlenen; zij hebben van Mij een persoon gemaakt – als de jullie bekende Äakus, Minos en Rhadamantus, die het aan gene zijde gerichtsambt leidt over de zielen van de verstorvene zielen.

En Ik moet bijgevolg verschrikkelijk onverbiddelijk en onbarmhartig om alles te berechten, te verdoemen en eeuwig hen tot de hel verbannen, wat niet in overeenstemming is en zich voegt met de verordeningen en bevelen van de zogenaamde heilige vader in Rome.

 

Ik meen jullie hiermee genoeg gezegd te hebben, dat noch Ik nog iemand anders de uitvinders en leraren kunnen zijn van allen van hen.  [HiG.03_64.03.19,15,17]

 

Houdt jullie je daarom slechts aan de Evangelist Johannes, want dit Evangelie, zijn openbaring, is door zijn hand geschreven. Wat echter de twee andere Evangelisten betreft, zoals Mattheus en Lukas, zo heb Ik jullie reeds laten zien, welke gesteldheid het met deze beiden en diens Evangelie voorstaat. Volgens Johannes is Markus nog het meest in aanmerking te nemen, want dat, wat hij in alle verkortheid weergaf, heeft hij grotendeels uit de geschriften en leren van de apostel Paulus geput.

 

En zie, daarin bestaat geestelijk Mijn vasten en die van de Evangelist tot materiële vertelling over de verzoeking van de duivel aan Mijn persoon. [HiG.03_64.03.19,21-22]

 

Waarom heb Ik, als alwetende en almachtige God en Heer het dan toegelaten, dat Mijn rein gebrachte Woord, tot de apostelen en zelfs tot vele andere mensen van de zovele Evangelisten niet zelden overgeleverd waren op de tegensprekende aard, en dat door Mij hier tegenover weinig ondernomen was?

 

En tot dit doel deugen dan ook de in zich materiële of tegensprekende evangeliën. De pure geest ontvangen ze dan toch, want een ieder die een beetje door Mij wordt verlicht, kan dat al ontdekken. [HiG.03_64.03.20,28]

Nu, wie dat weet, zal Mij onmogelijk ongelijk kunnen geven, dat Ik zulke raad heb doen toekomen, daarmee voor de gevolgen vrede en eensgezindheid onder hen behouden blijft. De Evangelist heeft echter op zichzelf, daar hem het schrijven al wat lastiger geworden is, hij mogelijk met zo weinig woorden zulks wil weergeven om zich tijd en moeite te besparen; want het schrijven ging in die tijd niet zo rap, maar slechts zeer moeizaam en langzaam. En tot zo’n schrijfwijze, die tegenwoordig een slechts matige schrijver in de tijdspanne van twintig tot dertig minuten had neergeschreven, zo had l’Rabbas in Sidon, een Lukas in Jeruzalem en een Theophilus in Athene, Korinthe of Syrakus, waar zij zich vaak tijdelijk ophielden, bij al hun vlijt minstens acht dagen nodig; want zij moesten letters met stalen stiften in een daarvoor eigen vervaardigde harde steenplaat ingraveren, of zij moesten deze met een fijn schilderpenseel op perkament gewoonlijk aftekenen.

 

Voor de geoefende schilder of schrijver met een penseel ging het met het optekenen van de letters natuurlijk om wat snelheid, maar ook niet om een erg belangrijke schrijfwaar zoals de oude griffel (stift). En dat was ook de reden, waarom de schrijver dit in Mijn tijd zo kort samenvatte. En een l”Rabbas, tot hij zijn laatste, dat is zijn vijftiende Evangelie op het perkament voor zich had, had hij voor zulk een werk bijna vijfentwintig jaar nodig, en was hij daarbij ook nog zeer vlijtig en ijverig. Dat dan dergelijke schrijvers voor zich dat zo kort mogelijk samenvatten, alleen de kernpunten in zekere zin benadrukten en de bijzaken voor de verklaring van de hoofdpunten weglieten, zal jullie nu wel duidelijk zijn.

 

Maar, vraagt dan al iemand gemakkelijk: Mozes en ook andere profeten uit de voortijd hebben toch uitgebreide boeken geschreven; hoe lang heeft dan vervolgens Mozes nodig gehad, om alleen de bekende vijf boeken te schrijven met weglating van het 6e en 7e boek, naast nog een belangrijke profetische bijlage?

 

Daarop zeg ik jullie, dat volgens zijn toenmalige geschriften alle de door hem geschreven boeken, wat de totale hoeveelheid betreft, niet zoveel uitmaakte, zoals een Evangelie van Johannes door Mij, want Mozes schreef nog in de hem welbekende Egyptische hiëroglyfenschrift. En eerst in de tijd van de richters, die in dit schrift nog wel bedreven waren evenals in hun overeenstemmingen, werden de boeken van Mozes met de oude Hebreeuwse letters op het perkament gebracht, dat men in de oude stad Pergamus nog wel verstond zulks te bereiden.

 

Maar zelfs dit schrift was voor de meesten levende Joden in Mijn tijd onbegrijpelijk, omdat de klinkers tussen de medeklinkers niet voorkwamen; en men vond zich genoodzaakt een nieuw afschrift te maken, aan welke de zogenaamde oude Schriftgeleerden gedurende tweehonderd jaar zelf deelnamen. De naam Schriftgeleerde roert ook iets aan, maar niet alsof hij de juiste zin van de schrift verstond, in welke stukken de meeste Schriftgeleerden benevens de farizeeën de reinste schaapskoppen waren, maar omdat ze de oude klinkerloze schrift uit de tijden van de richters konden lezen. Daarom moeten jullie het ook niet als een wonder nemen, dat er tussen Mij en zulke Schriftgeleerden steeds tot een woordenwisseling kwam, aan wie zij vanwege hun bewezen blindheid geen welgevallen hadden. Met dit worden de beide bovenste desbetreffende teksten begrijpelijk genoeg duidelijk gemaakt. [HiG.03_64.03.21.a,10-14]

 

Uit dit zal een ieder overtuigd zijn, en vooral een bekwame en zeer ervarene en bekend met het Hebreeuwse schrift, dat Ik dit door de pseudo-evangelist Mattheus of nog beter de door jullie al bekendgemaakte l’Rabbas in Sidon opgeschreven drie opvallende verzen in het tiende hoofdstuk, slechts even bij de gelegenheid heb uitgesproken, die Ik jullie zojuist bekend gaf, en woordelijk op die wijze, zoals Ik ze jullie nu heb weergegeven. Want datgene in de vertaling, die jullie als heel tegenstrijdig met Mijn Geest uit de Evangelisten benadrukt hebt, werden vanzelfsprekend Mijn hoofdleer van de naastenliefde, zoals ook de wet van Mozes deze regelrecht teniet doen. [HiG.03_64.03.21.b,11]

 

Dit uitzendschap van Mij duurde niet al te lang. Als Ik bij Mijn wandelingen naar Kis bij Kisjonah kwam en Zelf na enige dagen van Mijn aanwezigheid daar in gezelschap van al Mijn vrienden en meerdere van zijn huisgenoten een tamelijk hoge berg beklom, zo liet Ik op de bekende gemaakte en wonderbaarlijke wijze al Mijn twaalf uitgezonden apostelen door Mijn onzichtbare dienaren door de lucht op deze berg brengen, op welke Ik Mij bevond, en liet Mij door hen zo het een en ander vertellen. En zie, zij vertelden Mij, dat zij bij alle gebieden goed aangekomen waren, en dat ze enkel op een plaats een bezeten knaap hadden aangetroffen, diens boze geesten op hun bevel geen gevolg opleverden.

 

Dus maakten ze ook bezwaar tegen de jullie bekende Johannes in Samaria, die uit vrije beweging Mijn Naam en Mijn in Samaria vernomen leer predikte en in Mijn naam ook wonderen deed; en Ik vroeg ze dan, of hij voor Mij of tegen Mij zei: En ze zeiden: Voor U! – en Ik zei dan: dan laten we hem ongestoord werken. [HiG.03_64.03.22.a,11]

 

Het was evenzo ook volkomen juist, wat de andere Evangelisten en apostelen over deze aangelegenheid gesproken hebben;  maar met het echte Evangelie van Mattheus weten jullie al, dat het de dezelfde gesteldheid had. [HiG.03_64.03.22.b,03]

 

De pseudo-evangelist Mattheus was weliswaar een volkomen eerlijk en waarheidszoekende man en was zeer ijverig in het vorsen naar de waarheid omwille daarvan, wat toen gebeurde, ongeveer twintig jaar vroeger, toen hij zijn evangelie samenstelde en begon te schrijven. In deze tijd was in heel het land van Judea geen apostel van Mij meer aan te treffen, hoewel het aan andere getuigen voor deze tijd gek genoeg niet ontbrak. [HiG.03_64.03.22.b,04]

 

Hoe het echter bij zulke gelegenheden in zijn werk gaat, dat wisten zelfs vele mensen uit al die vele plaatsen, die Ik bezocht, over Mij het een en ander te vertellen; meestal alleen over datgene wat zij zelf in hun woonplaatsen van Mij gezien, gehoord en beleefd hebben. En zo is het dan ook begrijpelijk dat een l’Rabbas zoals ook vele andere Evangelisten zelfs bij de oprechtste wil onmogelijk in staat was, alles over en door Mij gedane, geleerde en aan Mij aangebodene volmaakt voor de dag te komen. [HiG.03_64.03.22.b,05]

 

Ja, zal men hier vragen: waarom heb Ik dan niet Zelf zulke mensen nog meer verlicht, opdat ze dan in staat geweest waren, alleen de pure volkomen waarheid op het perkament te brengen? [HiG.03_64.03.22.b,06]

 

Ik zeg echter, dat Ik bij heel eerlijke mensen, die dit streven hadden, het aan dit ook nooit liet ontbreken. Wat echter later de reeds zeer zelfzuchtig geworden wereld uit zulke eerlijke overlevering gemaakt heeft, daarvoor kan Ik niet helemaal instaan, omdat ieder mens zijn volkomen vrije wil heeft. Dat Ik het ook nooit aan waarnemingen heb laten ontbreken, toont jullie sinds  – zogezegd, al vanaf Mijn tijd tot aan al de grote en kleine bijeenkomsten, die door Mijn geest der opgave was gesteld, de ingeslopen leugens van de waarheid te scheiden en ze te verwerpen voor de hele gemeente. Hoewel echter het onkruid overal onder de tarwe woekerde, zo gelukte het ze toch niet, hetzelfde volledig te verdelgen. En zo gebeuren ook in deze tijd, zoals hier en ook elders, zelfs enorme schiftingen gedaan werden; maar de vijand der waarheid zal tegen haar niet meer in staat zijn daar tegen in te gaan. [HiG.03_64.03.22.b,07]

 

Men stelt weliswaar nu vanuit een zeker geleerde kant de bewering, dat het Evangelie van Johannes niet door zijn hand geschreven is. Maar Ik zeg, dat het door zijn hand geschreven is. Natuurlijk, zolang hij als apostel met Mij rondtrok, schreef hij slechts fragmenten op, terwijl hij het gedenkwaardigste opschreef. Maar in zijn zogenaamde verbanning op het eiland Patmos, die voor hem beslist geen verbanning was, omdat hij door zijn schrijverij, een rechtschapen en machthebbende Romein op zijn hand had, ontrok hij de woede van achtervolgende Joden. Johannes kon het Evangelie van Johannes op de bekende vesting van de Griek Cado verder schrijven; deze leefde van tijd tot tijd ook in Jericho, en hij was aan Maria’s zijde. Hij maakte geen bezwaren tegen Johannes om zijn Evangelie in een juiste volgorde te brengen en gaf daarin voor het nageslacht zoveel bekendmaking, als zij voor hun ziel nodig hadden. Van al het andere echter zegt hij (Johannes) aan het einde, dat Ik zelfs nog zoveel geleerd en gedaan heb, wat niet in dit boek beschreven is, en zou iemand dat in die boeken kunnen schrijven, zo zou zulks de wereld niet begrijpen. En met deze afdoende opmerking sloot hij zijn Evangelie – dichtbij en net rond de tijd, als Jeruzalem door de Romeinen werd verwoest, waarop Johannes nog een geruime tijd leefde en zijn geschiedenis onder de titel ‘Openbaring van Johannes’ op het perkament aanbracht. [HiG.03_64.03.22.b,11]

 

Bij deze gelegenheid werd hij in het schrijven wel meerdere malen ondersteund door een overijverige genegen vriend, omdat hij toen al over honderd jaar telde. Deze vriend voerde ook de naam Johannes, die hij bij gelegenheid liet geven door Johannes, toen de Evangelist hem doopte en Mijn Geest over hem uitgoot; want van geboorte af was deze Johannesvriend een Griek en voerde natuurlijk ook een heel andere naam, aan welke voor ons weinig of niets gelegen is, omdat hij doorgaans geen historische beroemdheid was, hoewel hij tot het dienaarschap van de Griek Cado behoorde. [HiG.03_64.03.22.b,12] 

www.zelfbeschouwing.info