Gedwongen werkberoep op de Maan

[via Jakob Lorber ontvangen in 1840 van de Heer]: ‘De Zon hoort bij ons planetensysteem en de Zon is de eerste, waar de (mensen)geesten na het afleggen van hun lichamen de Zonsfeer al werkend betreden. Maar het dichtst boven de Aarde staat de Maan. Op deze Maan wordt een vreselijk strafberoep uitgeoefend voor hardnekkige materiële en zinnelijke geesten. Het is daar geheel anders dan om een vrij beroep te hebben. Op de Maan wordt evenwel dus een gedwongen strafwerkberoep uitgeoefend en meer nog dan een vrijwillig leerberoep. De leergeesten op de Maan zijn daar zo ongeveer wat op Aarde bij ons de elementaire leraren zijn, die hebben naast het leerboek tegelijk ook de tuchtroede in handen´. Waarom zoiets dan noodzakelijk is, leren we in het navolgende: ‘Want hoe ziet de Maan eruit en waarom ziet zij er zo uit? Welke relatie en gesteldheid heeft de Maan met haar bewoners en hoe worden deze geesten onderricht? Heel vaak, en meestal na duizenden jaren, komen zulke geesten terecht in de sferen van andere planeten. Vaak die het dichtst erbij staan, zoals Mercurius, Venus, daarna Mars (planeet der verdeemoediging). Dan Jupiter en nadien de heerlijke planeet Saturnus. Vandaar naar Uranus en ten slotte naar Neptunus (Miron). De geesten komen – wel te verstaan - alleen in de geestelijke sferen van zulke planeten. Dan rijst de vraag of dit wel de gewoonlijke weg is, die alle geesten hebben te gaan om uiteindelijk in de hemel te arriveren!?’ (GS 2-122) ´In het eerste geval heeft het licht geen voorwerp tegenover zich in de hoge ether, vandaar dat niemand merkt dat het licht daar is. Staat de Maan echter in haar volheid, dan zien we duidelijk haar weerkaatsend uitstralende zonlicht. Iedereen die maar enigszins met de sterrenkunde vertrouwd is, zal gemakkelijk merken hoe en waarvandaan de Maan door de Zon wordt beschenen’. (Aarde en Maan 1-52)

 

Maar de Heer zei tegen Lazarus 'Laat maar! De tijd is eeuwig en de ruimte oneindig; hoeveel er ook gebeurt, er is voor iedere daad plaats. Vannacht tijdens de Maansverduistering zag je talloze sterren, en dat was nauwelijks het tienduizendste deel van de sterren die binnen het bereik van onze ogen liggen. Ik zeg je echter dat al deze mogelijk zichtbare sterren slechts een te verwaarlozen deel vormen van het totaal der sterren die nog nooit gezien werden, zelfs niet door het scherpst ziende oog van een Birmaan uit boven-Indië, terwijl veel van die scherpzieners uit boven-Indië (Noord-Afrika) zulke scherpe ogen hebben, dat zij de bergen en kraters op de Maan goed kunnen waarnemen. En kijk, al deze oneindig vele werelden (sterren) zijn scholen voor allerlei geesten, en daaruit kun je pas goed opmaken waarom in de Schrift staat, dat Gods raadsbesluiten onnaspeurbaar en Zijn wegen ondoorgron­delijk zijn! Maak je daarom niet druk over alles wat schijnbaar volkomen onbegrijpelijk gebeurt; want God weet alles en kent de geesten en de wegen waarop Hij hen naar hun doel laat gaan!’ (GJE 6-160)

 

In gesprek met Marcus, de Romein en Agricola

‘Dat de mensen ook vreugde kunnen beleven aan de fraai getooide Aarde, heb Ik nooit verboden; als ze daarbij in hun hart maar altijd denken aan Degene die de Aarde zo mooi gemaakt en getooid heeft, want dat zal verheffend werken op hun hart en gemoed. Want wie de werken van God met de juiste ogen bekijkt, kan er ook wel met een zuivere vreugde van genieten. De vrienden van de mooie natuur van de Aarde zijn ook zeker betere mensen en zijn gemakkelijk rijp te maken voor Gods rijk. Maar de vrienden van de dode schatten der Aarde, de vrienden van haar Mammon, zijn moeilijk tot een beter licht te bekeren. Dat is te zien bij de Farizeeën en vele andere rijke joden en bij de vele kooplieden, wisselaars en handelaren. Deze lieden het rijk Gods te verkondigen, zou hetzelfde zijn als de Moren wit te willen wassen. Dit soort mensen zijn als de zwijnen, die jullie nooit met de parels uit de hemelen moeten voeren. Want mensen van dit soort zullen na hun lichamelijke dood eerst hun doodzonden op de kale Maan moeten afwassen, en van het rijk Gods zullen ze steeds een behoorlijk eind verwijderd blijven; want ze zullen in het nieuwe Jeruzalem nooit binnengelaten worden. Mensen die gespeend zijn van iedere liefde voor God en voor hun naaste, zijn ook gespeend van het rijk Gods in zichzelf. Ze moeten dan ook in hun zwarte schijnlicht blijven! De Maan zal hun woonplaats zijn, en alleen maar aan die kant die hij onveranderlijk en onwrikbaar naar de materie van deze Aarde toekeert. Wat Ik jullie hier nu gezegd heb is weliswaar iets nieuws, maar het is waar; we zullen daar bij een andere gelegenheid misschien nog een paar woorden aan wijden, hoewel het Mij geen genoegen doet om veel woorden te verspillen aan zwijnenstallen en kerkers voor dwazen. -Hebben jullie dat allemaal nu goed begrepen?' (GJE 8-78)

 

Hierop wendde de Heer Zich weer tot de Romein Marcus en vroeg hem of hij het ook begrepen had. Marcus zei: 'Nou en of ik het begrepen heb! Maar met mijn gedachten ben ik nog steeds bezig met de Maan, die in zekere zin een strafplaats is voor te wereldzuchtige wereldse mensen. U hebt ons beloofd, dat U ons daar nog iets over zult zeggen en uitleggen; daarom vragen wij U nu of U Uw belofte aan ons ook wilt nakomen.’ Ik zei: 'Dat zal Ik ook doen; want wat Ik beloof, gaat ook in vervulling, alleen moet daarvoor ook de juiste tijd komen. Kijk, het is nu nog dag omdat de zon nog niet ondergegaan is; laten we dus wachten tot het nacht wordt en de sterren de aarde verlichten, dan kan Ik jullie zoiets beter uitleggen dan bij klaarlichte dag, als jullie blik nog teveel door aardse beelden vertroebeld is. (GJE 8-80)

(Opmerking: De Zon en de Maan hebben geen specifieke naam, wat wel het geval is bij de planeten Mars of Venus, enzovoort, die met een hoofdletter geschreven worden. Een planeet kan één of meerdere Manen hebben. Gemakshalve schrijven we hier Zon en Maan met een hoofdletter. De benaming van een planeet is al een speciaal iets. Als we aarde of grond bewerken dan schrijven we ‘aarde’ dus nooit groot, maar zelfstandige planeten wel. Dit wordt echter abusievelijk – in de meeste literatuur – verkeerd geschreven. De Maan staat voor het vrouwelijk symbool, temeer  omdat  de vrouw en niet  de man haar  Maanstonden kent. Het Maanritme van 28 dagen is verdeeld in tweemaal veertien dagen! Het boek ‘Aarde en Maan’ is vanuit de Duitse taal vertaald. De vertaler of vertaalster zou evengoed de vrouwelijke vorm van ’haar of ‘zij’ gebruikt kunnen hebben. In de Franse taal is Maan (La Luna) en daarom ook vrouwelijk. Het Frans komt uit het Latijn en dus een oorspronkelijk woord.) Het nu navolgende is ontleend uit het boek ‘Aarde en Maan’ door Jakob Lorber.

 

Wezen en bestemming van de Maan

Wat de Maan betreft, deze is een vast hemellichaam, meer nog dan de Aarde; zij is in zeker opzicht een kind van de Aarde, dat wil zeggen dat zij uit bestanddelen van de Aarde is gevormd. Zij is aan de Aarde toegevoegd, opdat zij haar uitstromende magnetische kracht op zal vangen en die, al naar gelang de Aarde die nodig heeft, weer aan haar zal teruggeven: daarom is haar loop om de Aarde ook zo buitensporig. Want deze richt zich altijd naar de grotere of kleinere hoeveelheid van het aanwezige magnetisme op de Aarde; daartegenover richt de loop van de Maan als drager van deze stof zich ook, naar de eventuele behoeften van de Aarde aan deze natuurlijke levensstof - Dat is de voornaamste functie van de Maan. Als een planeet kleiner is dan de Aarde heeft hij geen Maan nodig. De functie van de Maan wordt dan overgenomen door vrij hoge gebergten, wat bijvoorbeeld bij Venus, Mercurius, Mars en nog een paar veel kleinere planeten het geval is; maar de grotere planeten moet één of soms meer Manen hebben om aan hun planeet de al genoemde dienst te verlenen. Ook op de Maan leven evenals op de Aarde mensen en talrijke andere wezens, alleen met dat onderscheid, dat geen (enkele) Maan aan de voortdurend naar de planeet toegekeerde zijde bewoond is, maar altijd aan de tegenovergestelde kant, omdat hij aan de kant waarmee hij naar de planeet is toegekeerd niet voorzien is van lucht, noch van water, van vuur of van alles wat maar voor het organische leven nodig is.

 

Je vraagt je af, waarom dat zo is. Het antwoord luidt: Omdat geen Maan een beweging om zijn eigen as mag hebben - omdat de aantrekkingskracht van de Aarde, of trouwens elke planeet die op enige afstand van zijn Maan staat, nog te krachtig werkt. Zou de Maan nu een rotatie om zijn eigen as hebben, - al zou die nog zo langzaam zijn - dan zou ten eerste door een dergelijke rotatie de aantrekkingskracht van die planeet in dezelfde verhouding ver­sterkt worden als de rotatie van de Maan zich verhoudt tot de rotatie van de Aarde, d.w.z.: wanneer de Maan in zijn rotatie de rotatie van de Aarde in tijd zou benaderen, zodat hij zich ongeveer in dezelfde tijd om zijn as draaide als de planeet, dan zou door de daar­door toenemende aantrekkingskracht van de planeet zich weldra het ene deel na het andere van de Maan losmaken en op de aarde neerstor­ten. De Maan zou zeer weinig gediend zijn met een even langzame ro­tatie als de planeet heeft, vanwege de gelijkmatige verdeling van de lucht, het water en dus ook van het vuur, en alles zou dan net zo zijn als het nu is op de van de planeet afgewende kant van de Maan. Want het water, de lucht en het vuur moeten op een hemellichaam, met een naar verhouding aangepaste snelheid, door de hoog oprijzen­de bergen mee rondgedraaid worden; anders zouden deze voor het or­ganische leven zo noodzakelijke elementen zich ophopen op de afgewende kant van het centrale lichaam, vanwege de middelpuntvlie­dende kracht en hun eigen zich verplaatsende gewicht.

 

Als dat echter het geval zou zijn, vraag je dan eens af wie er op zo'n hemellichaam zou kunnen leven? Zo'n wezen zou alleen maar zolang leven als het zich onder de lucht  - en waterlaag bevond; als de planeet zich echter hier uit weg zou draaien, dan moest het noodzakelijkerwijs in de luchtledige ruimte stikken, als het niet al eerder in het water zou zijn verdronken. Kijk, dat zou nu ook bij de Maan het geval zijn, als zij een even langzame rotatie had als de Aarde! Zij zou, om lucht, water en vuur gelijkmatig over haar oppervlakte te verdelen, een vijfmaal snellere draaiing om haar as moeten hebben, dat wil zeggen: zij moest zich in vierentwintig aarduren vijfmaal om haar eigen as draaien, wat dan niets anders ten gevolge zou hebben dan reeds na vijf jaar de vol­komen vernietiging van de Maan, terwijl de Aarde over bezaaid zou zijn met deeltjes van de Maan. Wat de op de Aarde neerstortende mas­sa's teweeg zouden brengen, hoef Ik jullie niet nader te verklaren, maar zeg alleen, dat dan niemand in leven zou blijven. Als je dit een beetje verstandig bekijkt, zul je wel begrijpen waar­om de Maan geen rotatie heeft en daarom ook steeds dezelfde kant naar de Aarde keert. Om echter de Maan en zijn bewoonbaarheid helemaal te begrijpen, moet men weten dat de Maan eigenlijk alleen maar op de naar de Aarde toegekeerde kant 'Maan' is; aan de andere zijde is hij geen 'Maan', maar een heel stevig stuk Aarde. Wat dus 'Maan' is, is niet vast, maar heel losjes, bijna als een enigszins vast zeeschuim; de vastere delen stij­gen als bergen omhoog, maar de zachtere delen zijn nis- en trechter­vormig in de richting van het centrum van het hemellichaam ingezon­ken. In enkele daarvan bevindt zich atmosferische lucht die nog niet heeft kunnen ontwijken en die, als je door sterke verrekijkers kijkt, er bijna als water uitziet. Alle hoogten, evenals de minder diepe trechters, hebben geen atmosferische lucht, maar alleen ether, zoals die zich in de vrije ruimten tussen Zon en planeten bevindt.

 

Deze kant van de Maan wordt dan ook niet door organische wezens bewoond, maar haar bewoners zijn van geestelijke aard. Deze geestelijke bewo­ners waren tijdens hun aardse leven louter wereldgezinde mensen en worden nu ter verbetering daarheen verbannen, zodat ze zich op deze manier nog genoeg aan de wereld kunnen vergapen. En als ze na lange tijd merken, dat het aangapen van de wereld geen vruchten oplevert en als ze luisteren naar de daarheen gezonden leraren, dan worden de­genen die zich wel willen beteren dadelijk op een hogere, gelukkiger trap van vrijheid gebracht; de minder volgzamen echter krijgen op de Maanaarde weer een lichaam en moeten daar een heel armzalig en kommerlijk bestaan leiden. In de eerste plaats hebben ze daar met grote koude en duisternis te kampen, ten tweede met een ondraaglijke hitte; want de nacht duurt daar bijna veertien volle dagen en de dag duurt even lang. Tegen het eind van elke nacht wordt het daar zo koud als op Aarde aan de Noordpool en in de middag en tegen het eind van de dag wordt het zo warm, dat geen levend wezen het aan de oppervlakte kan uithouden. De bewoners, evenals alle organische wezens, wonen daar in de Maan-Aarde. In deze onderaardse woning moeten ze zowel de helft van de dag doorbrengen als de helft van de nacht; daarom zijn daar ook geen huizen en steden zoals op de aarde, maar de woningen liggen diep in grond, hier en daar ook in de bergspleten en holen. Er groeien daar geen vruchtdragende bomen, maar alleen wortelgewassen, zoals bijvoorbeeld op Aarde de aardappelen, bieten, penen en dergelijke. Deze gewassen worden bij het aanbreken van de dag geplant en tegen het eind van de dag zijn ze al rijp. (Opmerking: overdag duurt veertien dagen, de nacht eveneens zolang).

 

Als de nacht­schemering begint, komen de mensen uit hun holen tevoorschijn en oogsten deze gewassen en brengen ze dadelijk in hun onderaardse wo­ningen; 's nachts voeden ze zich hier dan mee alsook de hele daarop ­volgende dag. Van de huisdieren moet alleen een soort schaap genoemd worden, dat voor de bewoners dezelfde functie heeft als het rendier voor de noordelijke volken op Aarde. Er zijn zowel in de rivieren alsook in de meren, die op de Maanaarde vrij veel voorkomen, nog heel veel waterdieren en ook enkele soorten kleine vogels, die lijken op de aardse spreeuwen, - als­ook grote menigten insecten en andere één-, twee-, drie - en viervoeti­ge aardediertjes; hun doel en hun nadere beschrijving zullen we later horen. Voorlopig moet hetgeen nu verteld is genoeg zijn. Maar hoed je er vooral voor in de toekomst ooit zelf een bewoner van dit armzalige hemellichaam te worden. Want deze geel glanzende levensschool is een heel armzalig schoolgebouw en het zou beter zijn op Aarde één dag veertien maal te sterven, dan daar maar één dag te leven; want de bewoners daar hebben het veel slechter dan degenen die hier op de kerkhoven begraven liggen. Deze weten niet dat ze begraven zijn, maar de bewoners van de Maan moeten in hun graven leven en worden daar vaak in hun onderaardse behuizingen door instorting of door plotselinge overstromingen begraven. Wat de nog verdere bemerkenswaardige verschijnselen, zowel van de Maanaarde als van zijn bewoners betreft, die zal Ik bekendma­ken bij een volgende gelegenheid. Denk nu eens over wat gezegd werd na en zie vooral toe dat je de lentetijd van je leven goed beseft en benut, dan zul je zelfs in de Maan, als alles daarvan je onthuld is, een zeer be­langrijk teken van de Mensenzoon aan de hemel zien! Amen. Dat zeg Ik jullie, nu komend op de wolken des hemels. Amen, amen, amen.­

 

Dieren op de Maan

Evenals op Aarde zijn op de Maan vele soorten klassen van dieren, zowel in de lucht als op de Maanaarde en in het water. Onder alle dieren is maar één tamme soort dat in aardse taal ‘Maanschaap' heet; alle andere soorten zijn niet tam, dat wil zeggen, dat ze niet dienstbaar zijn in de menselijke samenleving. Dit Maanschaap is voor de Maanbewoners dat, wat het rendier is voor de noordelijke volken. Het ziet er als volgt uit: het lichaam is helemaal rond, als een volle zak meel. Dit lichaam wordt op vier poten gedragen die niet lan­ger zijn dan een handbreedte, en voorzien zijn van vier hoeven. Zijn kop is volkomen gelijk aan die van een aards schaap en zit op een hals van een el lengte en een vierde el dikte. Het heeft twee lange oren, die lijken op die van een ezel. Op zijn kop heeft het maar één hoorn, die voorzien is van naar alle kanten gerichte vingerlange, zeer scherpe uitsteeksels. Verder heeft het nog een staart, die op de staart van een leeuw lijkt, met aan het eind een flinke bos haar. Zijn kleur is wit en zijn hele lichaam is, zoals bij aardse schapen, met wol be­dekt. Het is van groot nut voor de Maanbewoners.

 

Ten eerste voedt het hen met zijn overvloedige, goudkleurige melk. Ten tweede maakt de Maanmens uit zijn rijkelijke wol al zijn kleren, die bestaan uit een soort hemd en mantel, die door beide geslachten gedragen worden. Ten derde maakt het met zijn hoorn de aarde los en de mensen gooien dan in de losgewoelde aarde de zaden van wortel­vruchten, die dan in veertien dagen naar aardse tijd gerekend, tot volle rijpheid komen. Zo'n dier wordt vaak driehonderd maandagen oud. (Opmerking: dat is circa 300x28=8400:365=23 jaar)  Als het sterft wordt het gestroopt en zijn vel wordt in de onderaardse kamers als bed gebruikt, maar het vlees wordt naar een insectenhoop gesleept; de insecten lijken veel op jullie mieren. Deze eten in korte tijd al het vlees van de beenderen af en als dit gebeurd is, komen de mensen weer, nemen de beenderen benevens de hoorn mee en maken daar hun werktuigen van. Dit is het nut van dit tamme dier. Er zijn nog veel dieren op de Maanaarde, die min of meer gelijkenis vertonen met de dieren op Aarde; maar ze zijn allemaal kleiner dan deze en ook kleiner dan het al bekende schaap, dat als het ware de koning der dieren is. Onder alle Maandieren zijn naast het schaap vooral twee soorten de aandacht waard; dat is ten eerste de driepotige muilaap en ten tweede de éénpotige duiker en springer. De driepotige muilaap heeft de grootte van een kat. Zijn kop lijkt op die van een aap met dat verschil, dat hij zijn muil tot halverwege de hals kan openen. Zijn twee voorpoten lijken volkomen op apepoten, maar wat zijn enige achterpoot betreft, die lijkt op de slurf van een olifant en kan tot een handbreedte samengetrokken wor­den, waardoor hij dan ook in een verhouding tot het hele dier heel dik wordt, maar hij kan in het tegenovergestelde geval tot een lengte van twee meter worden uitgerekt.

 

Jullie zullen wel vragen: Waarom zo'n wonderlijke gestalte? Kijk, zoals we al weten is de temperatuur van de Maan heel anders dan de temperatuur op Aarde. In verloop van bijna 28 aarddagen wordt de Maanaarde met meters dikke sneeuw bedekt, daarna in de volgende zeven aarddagen vaak in alle richtingen overstroomd en spoedig daarna weer door een niet uit te houden zonnehitte geteisterd. Kijk, de muilaap moet zich steeds, vanwege zijn bestemming, in de atmosferische lucht bevinden en daardoor heeft hij zijn slurfach­tige voet nodig; want tijdens de nacht of winter staat hij op zijn ver­lengde voet en reikt zo boven de oppervlakte van de sneeuw uit en lokt daar een soort nachtvogels, die wel lijken op kleine vleermuizen, naar zich toe en vangt ze daar of laat ze eigenlijk veel meer in zijn wijd opengesperde, weldadige warmte uitstralende muil naar binnen vlie­gen en verteert ze dan snel. Dat was dus één bestemming van die lange voet. Als de sneeuw echter begint te smelten en het water vaak meerdere voeten hoog de mijlenverre vlakten overdekt, die ook op het bewoonbare gedeelte van de Maan door hoge gebergten worden omringd, dan moet dit dier als hij niet wil verdrinken, dank zij deze achterpoot weer boven de watervlakte uitkomen. Tijdens de hitte van de dag gaat hij de rivier in en staat daar vaak dagenlang zo in het water, dat zijn kop en twee poten boven de oppervlakte van het water uitsteken. Stijgt het water, dan verlengt hij zijn voet en zakt het, dan maakt hij zijn voet evenredig korter. Valt zo'n rivier dikwijls hele­maal droog, dan beweegt hij zich zo voort, dat hij vooruitschuift door zijn achterpoot zover mogelijk te verlengen. Met zijn voorpoten houdt hij zich dan aan iets vast, totdat hij de slurfvoet helemaal heeft ingetrokken, waarop hij weer de vier lange tenen aan het eind van zijn achterpoot in de aarde steekt en zijn hele lichaam weer tamelijk behendig vooruitschuift. Deze gang houdt hij zolang vol, tot hij weer water heeft bereikt waar hij zich dan weer vlug in begeeft evenals tevoren, op zijn achtervoet. Overdag bestaat zijn voedsel uit een soort vliegende kreeften, die wel wat lijken op het vliegende hert van de Aarde.

 

Wat de zogenaamde springers en duikers betreft, deze dieren hebben één poot en zijn een soort variëteit van de muilaap. Ze bezitten echter een veel grotere elasticiteit in die poot dan de muilaap, waardoor ze zich ook springend kunnen voortbewegen. 'Duiker' heet hij, omdat hij in staat is zich zo samen te trekken, dat hij in ineengedoken toestand er uit ziet als een middelgroot brood dat op de grond ligt. Als hij dan echter wil springen, rekt hij zich plotseling uit tot een lengte van vijf el. Door dit plotseling uitrekken werpt hij zich ongeveer vier of vijf meter omhoog, hij springt altijd in de vorm van een boog, zodat een dergelijke sprong niet zelden een lengte van tien tot veertien meter bereikt. Hij springt meestal heel vlug na el­kaar en is, vooral overdag, zo snel, dat hij elke vogel in de lucht inhaalt. Zijn voedsel is gelijk aan dat van de muilaap en zo ook zijn woonplaats. Zulke dieren bewonen met nog veel anderen alleen maar de vlakten en komen zelden met de mensen in aanraking, omdat deze alleen op de bergweiden wonen.

 

Op de bergen wonen behalve de bekende schapen en de mierachtige insecten, alleen nog maar een groot aantal kleine vogels, wier grootte nauwelijks die van de aardse spreeuw evenaart; de klein­ste zijn niet groter dan jullie vliegen. Ook het water is door allerlei soorten vissen en wormen bewoond en vooral door heel veel kleine kreeften, waarvan al eerder een vliegend soort werd vermeld. Ook zijn er schaaldieren zoals deze voorkomen in de zeeën op aarde. Van deze soort is de zogenaamde 'blauwe kogel' merkwaardig, omdat dat een dier is dat zijns gelijken op Aarde niet heeft. Deze blauwe kogel kan zich in twee halve kogels delen, die dan met kleine spierbandjes verbonden blijven. Hij voedt zich door wormen tussen de beide halve kogels sa­men te wrijven, het vocht in zich op te zuigen en de overblijfselen weer met water weg te spoelen. Deze 'blauwe kogel' die de grootte heeft van een flinke meloen, bezit nog de eigenschap, dat zijn oppervlak ‘s nachts zo sterk glanst, dat de stromen en de meren daardoor een veel lichtere glans krijgen dan de zee op aarde onder de keerkringen; want men zal nog wel niet weten dat de zee onder de keerkringen op Aarde zo'n sterk licht geeft als de sneeuw bij volle Maan. Alle overige Maandieren zullen wel van minder belang voor jullie zijn, omdat ze ten eerste veel gelijkenis vertonen met de dieren op aarde - alleen zijn ze in verhouding veel kleiner - en ten tweede omdat jullie hun geestelijke bestemming nu nog onmoge­lijk kunnen begrijpen; en ook al zouden jullie die begrijpen, dan zou dat jullie van even weinig nut zijn als de sneeuw die duizend jaar vóór Adam op Aarde viel.

 

Robert Bloem over de Maan

Robert vraagt meteen wat dat eigenlijk voor een wereld is; misschien een donkerder gedeelte van de zonnewereld? Ik zeg: 'O nee, dat is de Maan van de Aarde. Kijk eens naar haar duistere land en daar iets verder weg naar een kleine groep dwergachtige, menselijke wezens! Dat zijn de eigenlijke bewoners van de Maanzijde, die steeds van de Aarde afgekeerd is. Hun grootste lust zijn hun vrouwtjes, die ze uit pure liefde en tederheid meestal op hun schouders ronddragen. Boven hen zien jullie heel montere geesten rondzweven. Dat zijn de zielen van gestorven Maanmensjes. Het is hun een vreugde om voor hun nog sterfelijke broeders goed te zijn en hen voor allerlei gevaren te behoeden. Hun aandacht is er hoofdzakelijk op gericht, dat de zeer materiële geesten, die de kale zijde van de Maan, die steeds naar de aarde toegekeerd is, bewonen, niet bij de bewoners van de begroeide kant van de Maan kunnen komen, omdat ze deze in hun huis, dat uit een ondergronds hol bestaat, aanzienlijke schade zouden kunnen toebren­gen. Voorlopig weten jullie genoeg over de inrichting van dit kleine hemellichaam. Langs de weg van jullie toekomstige bezigheden zullen jullie alles door en door leren kennen. Daarom willen we ons ook niet langer bezighouden met het beschouwen van deze kleine wereld, maar ons direct naar de eerste deur van de avondlijke, westelijke wand begeven en van daar weer opnieuw de buitenwereld beschouwen.' (Bron: Hemel en Hel 1)

 

De zwakte van de Maan

Lorber beschrijft in het eerste deel van ‘Hemelse Gaven’, dat er nog dieper gekeken moet worden naar de Maan en de manier waarop en waarom de Heer dit alles zo heeft gemaakt. ‘Want zie, de Maan heeft vlekken en veel donkere plekken en de Aarde heeft koude maar vaste polen en heeft hoge bergen en lage dalen, heeft bronnen, beken, rivieren en stromende wateren, zeeën en grote en kleine meren. De Zon heeft ook vlekken, grote en kleine. Wat wil de Heer hiermee zeggen? Dit alles zijn liefdewerkingen en werkingen van Zijn genade, die met de warmte en het licht corresponderen en die de eeuwige liefde en de macht van God is. Zie daarom ook de zwakte van de Maan en van haarzelf, hoe deze beide op elkaar lijken. Daarmee weten wij onmiddellijk, op welke wijze haar wezen daarin ligt opgesloten. Zie ook naar de aardse sterkte en haar gedrag, want voor onze ogen onthult de Aarde zich. Zo wordt de Aarde vergeleken met haar sterkte en haar kracht, de Maan echter met haar zwakte. Van de Noordpool tot de Zuidpool der Aarde moet de starre rust van de Aardegeest in de liefde tot de liefde daar zijn, zodat alles wat haar geest omgeeft en in een gestadige ordening beweegt en daardoor voor het gemeenschappelijke doel van de eeuwige instandhouding werkzaam kan zijn. Van deze rust hangt alles af en zonder deze rust kan ook niets bereikt worden’. ‘Wie niet is als de polen der Aarde, schrijft Lorber, die doordringt niet zijn innerlijkste, zoals de lijn tussen de polen van het centrum der Aarde. Onze liefde moet koud zijn, zoals het ijs der polen, zodat wij in staat zijn om alle warmte van de Goddelijke liefde op te nemen’. (Hemelse Gaven 1-5)

www.zelfbeschouwing.info