Kennismaking met de dalbewoners van Midden-Afrika

Ik heb daar mensen gezien, die noch onmin noch nijd, noch rang kenden, maar die als broeders met elkaar omgingen, zich broederlijk ondersteunden en voor alle dingen een hoog geestelijk weten bezaten.

Elke bekwaamheid die mij zo zeer verbaasd deed staan om de gedachten van anderen te lezen, bezaten ze allen; het was daarom onmogelijk dat leugens en bedrog zich konden uitbreiden, een nutteloos ondernemen, dat direct de verachting van allen tot gevolg had. De vrijgevige natuur schonk hen alles voor het levensonderhoud, maar ze wisten de drijvende krachten van datzelfde door een wonderbaarlijke wilskracht te versterken en te gebruiken. Hun velden en vruchtbomen droegen een zegen, zoals die mij tot nu toe onbekend was en ongelofelijk toescheen. Eerst later werd het mij duidelijk, welke wetten hun vruchtbaarheid tot stand brachten. Wonderbaarlijk was de werking van hun wilskracht, die ze wederzijds uitoefenden, zowel op zichzelf als op alle andere levende wezens. Op afstanden, waarheen het geluid van de stem niet doorbrak, maakten zij zich met gemak verstaanbaar door de wil van de telepathie; de wet was dezelfde die mijn gastheer ontwikkeld had. De dieren gehoorzaamden hun onuitgesproken wil,  evenzo zoals de moeizaam afgerichte dieren van onze cultuurbanden, maar verreweg gewilliger en nauwkeuriger.

 

Mijn gids toonde mij het gelukkige familieleven van de dalbewoners. Beide geslachten leefden hier liefdevol elkaar aanvullend. Hier bestond geen heerszucht, geen emancipatie. In wederzijds streven elkaar liefde te bewijzen, zocht ook geen deel de grenzen te overschrijden, die voor elk geslacht zijn getrokken. Ware erkentenis van de plichten toonden zich continue in hun handelwijze. De ouderdom werd door hen geëerd, zoals ik het nooit bij andere volkeren heb gezien, en deze eerbied was begrijpelijk, daar de last van de ouderdom door de grijsaards niet waargenomen werd, want daar vond ik alleen oude mensen, die niet alleen in het volle bezit van hun lichamelijke krachten waren, maar ten gevolge van hun ervaring en hun innerlijk leven ook in het bezit van verhoogde geestelijke krachten en van het omvangrijkste weten.

 

Deze korte gang van zaken overtuigde mij niet alleen van dit alles, maar een langer verblijf zou mij onder deze oprechte mensen een juist oordeel verschaffen, dat later ook door verdere indrukken werd bewaarheid.

Als wij uit een huis traden, waar mijn gastheer mij had heen geleid, om het patriarcharische familieleven en de geordende harmonische leefwijze der bewoners te leren kennen, was mij een enorme schrik ten deel gevallen. Aanvankelijk uit de deur naar buiten tredend, bemerkte ik dicht voor mij een enorme leeuw, die zijn tanden liet zien en gromde en ogenschijnlijk op het punt stond mij aan te vallen. Snel nam ik mijn revolver, die ik aan de zijkant droeg, tevoorschijn, om mij te verdedigen, strekte de bewapende arm uit en voelde mij direct als verlamd.  De huisheer, diens huis wij zojuist wilden verlaten, had naar mij toe een afwerende handbeweging uitgevoerd, wat mij onmiddellijk onmogelijk maakte slechts nog een ledemaat te roeren.

Vervolgens schreed hij haastig naar voren, greep het geweldige dier bij zijn ruige manen, riep hem enkele woorden toe en gehoorzaam draafde deze koning van de woestijn naar een hoek van het huis, waar hij ging liggen. Lachend wendde de man zich naar mij, die nu eerst de verlamming uit mijn ledematen deed wijken en zei: “Zulke gevaarlijke huisdieren hebben jullie niet: hier bij ons zijn ze welkome, ongevaarlijke gasten, die ons niet schaden, maar dienen. Je revolver was onnodig voor de verdediging en zou, zonder mijn ingreep, mijn kinderen een speelgoed geroofd hebben, die hen lief en duur geworden is!”

We namen hiervan afscheid en onderweg drukte ik mijn gastheer mijn verwondering uit over het avontuur.

Hij zei mij: “Je mag hieruit erkennen, hoe weinig jullie en hoe zeer wij meesters van onze omgeving zijn. Elk van onze knapen zal zonder vrees het snelste roofdier tegemoet treden en het door zijn onverzettelijke wil, die zich in zijn blik laat aflezen, weten te temmen; ja, wij moedigen ze daartoe aan, daarmee ze deze kracht oefenen. Het benodigt geen wapen, onze wil is voldoende, en dat hij krachtig is, heb je aan je zojuist zelf ondervonden.

Met al je wapens: jachtgeweer, revolver en pistool, zou je als vijand hier niets uitrichten, elk van deze dalbewoners zou je met één enkele wilimpuls net zo verlammen, als elke leeuwbezitter het zou doen, van wie je voorbarig zijn dier zou neerschieten.”

 

Peinzend liep ik naast mijn gids verder. Ik kwam mij  met mijn civilisatie, met mijn kunde heel erbarmelijk voor. verminderde toch datgene, op wat ik tot nu toe geloofde, trots te zijn kunnen, tot een niets bij elkaar. Datgene waarop ik tot nu toe geloofde trots te kunnen zijn, verschrompelde tot niets.

We kwamen door een prachtige bloemige tuin en rijk gezegende velden tot gindse meer, diens spiegelgladde vlakte mij op de hoogte zo vriendelijk had aangekeken. Voor ons zag ik in matige afstand een eiland, waartoe echter geen brug leidde. Dicht loofhout en slanke palmen verhulden geheimzinnig het binnenste. Mij scheen het, als verlichtte achter het diepe groen een witte vlakte van een gebouw te voorschijn.

 

Ik vroeg mijn gids, wat dat was. Hij antwoordde: “Hier is de plaats, waar wij Hem, de Gever van het leven, de Bron van ons bestaan vereren, waar wij ons met Hem verenigen, Die de Al-Enige ware Heerser is. Ik mag je nog niet daarheen leiden, want onvoorbereid zou de lichtsterkte van deze plaats jou grijpen en je schaden in plaats van tot nut te zijn. Wil je een tijdlang bij ons verblijven, zo zal je het mysterie van elke tempel overduidelijk worden, wiens schijnsel door het groen breekt.” Opgewonden riep ik: “Vriend, mag ik blijven? Een blijmoediger aanbod is mij nog nooit (aan)gedaan!” Ernstig greep hij mijn hand en sprak: “We jagen je niet weg, als je jezelf niet wegjaagt. Voor de strevende staat alles open, maar slechts in het streven kunnen wij vrienden blijven en broeders. Mijn huis is voortaan het jouwe!”

 

Ik keek deze bijzondere man in de ogen, en mij was het, als trok mijn gehele ziel zich naar hem toe; hij echter wees met de hand naar het gindse eiland, en daar kwam het me voor, als ruiste het geheimzinnig van daar naar deze kant, als fluisterden de golven van het meer een lied, dat mijn zintuigen (om)streelden en met een droomvisioen mijn denken omgaf.

Het vurig verlangen en de vurige liefde, die mij tot mijn gids aangreep, vluchtten naar de andere kant naar dat onbekend eiland, uit wiens binnenste een bliksemstraal op te flitsten scheen, die mijn hart trof en vibrerende klanken op zijn lichtgolven droeg, die zich tot luiten, tot woorden vormden.

 

Nu vernam ik zacht, als uit de verre verte, melodieus gezang, stemmen, die in een jubelkoor de mooiste liederen zongen, en over dit gezang heen vernam ik op afstand een welluidende stem, die sprak: “Heb Mij lief in je naaste, zo eer je Mij en Mijn werken!”

 

De weldoende, rustige spraak van mijn gids, wekte mij uit mijn droom. Hij verzocht mij hem te volgen en nog bedwelmd van dat, wat mijn ziel ervoer, willigde ik zijn verzoek in.

Wij kwamen weldra terug in zijn prachtige huis. Ik bleef nu gast in het huis van mijn vriend, die zich Chorilles noemde en het ambt van een hogepriester uitoefende. Wat ik hier leerde, kan ik slechts gedeeltelijk meedelen, want hiervoor zou ik moeilijk voldoende begrip vinden.

In zijn huis, in de omgang met zijn familie, leerde ik de vrede van de ziel vinden, die ik zo lang gezocht en niet gevonden had. Het wezen van de Godheid was mij ontsluierd en onthuld stonden de geheimen van het leven en de grote geestelijke wetten voor mijn ogen, naar Wiens kennis (kennis van God) het eerst lukt, om oprecht mens te zijn.

 

We zaten op een aanbrekende avond in één van de prachtige tuinen onder schaduwschenkende palmen en bloeiende struikgewassen, als Chorilus mij de volgende inlichtingen gaf:

“Kijk om je heen, alles wat je ziet is gesterkte wil, elk blad, elke steen en elke plant wordt slechts onderhouden door het in hem wonende levensprincipe, en wat is dit principe?

Maar het is niet een kwestie, dat God Zijn ontwikkelingsgang en Zijn wezenlijkheid eerst ontvangen heeft uit deze en gene oerbasis, die het toonbeeld is van al het Zijn en van al het leven, kortom: de schepping.

De Almachtige sprak in Zijn binnenste kern het scheppingswoord uit waardoor <het worde!> eruit knalde in de ruimte van de eeuwigheid. Zou de Almachtige Zijn gegeven wil weer opeisen, dan zou onmiddellijk vernietiging het gevolg zijn.

 

In de mens wil de godheid zichzelf betrachten, in hem moet, zonder dat hij daarom zelf de godheid is noch ooit worden kan, het evenbeeld van de godheid ontwaken, dat gelijksoortig is met de Vader, dat volkomen is, alsof het de Vader is. Wat hoort hierbij? Beslist allereerst, om de wil van de Al-Vader te erkennen en deze te vervullen; want omdat er maar één wil bestaat, zo kan naast dit niets bestaan, noch zonder deze EEN, die alles omvat, door andere wegen volmaaktheid te bereiken zijn; of het begrip der volmaaktheid moest dan als deelbaar gedacht worden, die als mogelijkheid in zichzelf uiteenvalt. Wil de mens volkomen worden, zo moet hij zich met de scheppende wil verenigen, want deze is de volmaaktheid, in hem rust alles – waarheid, het hoogste Zijn, inzicht, - en doe je dat, zo vervul je de geestelijke wet, het mensengeluk ligt in de vereniging met God! –

Dit verenigen kan alleen van nut zijn, als ze vrijwillig geschiedt, maar gedwongen bewerkstelligd, wordt de mens een machine en niet het evenbeeld van God, en zulk schepsel kan ook de Schepper niet voor zijn grootste doel gebruiken, want in Hem is vrijheid, die de volmaaktheid verschaft. Bijgevolg moet ze ook in het evenbeeld bereikbaar zijn. De mens, die dit doel begrijpen moet, wordt daarom zo geplaatst, dat hij zich als buiten God voelt, hij kan zich tegenover Hem stellen in een innerlijke trots, kan een nieuwe God scheppen, wanneer hij wil, kan zich zelfs iets voorspiegelen en de godheid, die hem rondom omgeeft en haar goddelijke wetten, die zich als natuurwetten openbaren, loochenen. Een ding kan hij niet. Hij kan niet haar wil breken.

De volmaaktheid, die in de godheid rust, is slechts bereikbaar door zich met haar te verenigen. Er bestaat maar één volmaaktheid, maar één God, en die Ene wil zegt: “Word volmaakt, zoals Ik het ben!” En daarom is er ook slechts die ene weg naar God. Deze weg heet: deemoedig je! – Schepsel, jij bent een wezen, dat betekent: in je rust een ik-bewustzijn, en dit verzet zich in je en zoekt in koppigheid zijn eigen Zelf eigenzinnig tot gelding te brengen, het zou uit zichzelf het leven met inspanning willen verwerven, dat altijd maar een geschenk van de godheid kan zijn, omdat het uit haar is gevloeid.

 

Wil jij, schepsel oprecht leven, zo geef je dwaling op, alsof buiten God nog een ander leven is, wees deemoedig! Sluit je als deel aan het totale, en weet dat je alleen sterk bent als je de machtige wil van God begrijpt en laat doorstromen, die die het geluk, de welvaart en de liefde betekent en niet als jij je eigen kleine en slechts geborgen wil onbuigzaam blijft verheffen. De mens, die dan nog gelooft andere wegen te kunnen gaan, als die van het zich verenigen met God, zoekt in de natuurwetten de kracht zelf, terwijl de natuurwetten toch slechts de uitdrukking van de goddelijke krachten zijn; hij onderscheidt deze wetten wel, weet ze ook te gebruiken, maar de daarachter verborgen krachtwil vangt hij niet op.

De natuurwet is de uitdrukking van de onveranderlijke wil, daarom kan de mens alle dingen, die aan de natuurwetten onderworpen zijn, verschuiven, veranderen en verrassende verschijnselen tevoorschijn roepen en meent nu de natuurwetten te beheersen, zoals hij uit een vulkaan een kleine lavastroming af kan wenden, die nu voor allerlei kleingeestige experimenten gebruikt worden kan, - maar de vulkaan kan hij dientengevolge nog lang niet gebieden. In zijn dwaasheid beeldt de mens zich ondanks dat in en pronkt met zijn kunnen. Kijk heen naar menige landen, die je geboorteland heten. Hoe blazen ze zich daar op en noemen zich heren der natuur.”

 

Op zoek naar geluk

Is iemand ziek, dan wordt hem ingepompt wat de chemie in het laboratorium heeft gebrouwd en deze drinkplaats moet dan genezing brengen. Dat de mensenziel, in wie de wilsdruppels sluimeren, in staat is het belichaamde woonhuis zuiver te houden en al het zieke te verwijderen, komt echter niet in jullie op.

In God en in de volkomenheid is ook gezondheid, ziekte heeft daar geen plaats, verenig jullie met Hem, laat Zijn kracht door jullie stromen en met één slag is de mens gezond.

Zo geschiedt het bij ons en daarom heeft er in dit dal ook nog nooit een ziekte gegeven. In God is overvloed en Hij geeft rijkelijk wat Zijn schepsels nodig hebben. Wij verenigen ons in het gebed met de godheid, ze zegent ons, wij zegenen onze velden en duizendvoudig is de vrucht, die ze ons geven.

 

Buiten ons dal heerst eigenbelang en hebzucht, daar kan een zegen niets baten. Volmaaktheid is niet te verenigen met slechts daaruit winst te wensen. Wie meent, dat hij  van zichzelf uit kan scheppen en ononderbroken werken volbrengen, vervalt in een Ik-motivering en opent daarmee al het leed voor dwazen. Hier heb je ook de grondslag van de vele pijn, waarover volken, mensen klagen en waarvoor God verantwoordelijk gemaakt wordt, ondanks dat de eigen dwaasheid al het leed veroorzaakt. De motivering van het ik is het ongeluk van mens en volk. Deze Ik-motivatie, het tegenstribbelen tegen het zich met God verenigen, welk laatste slechts alleen het geluk in zich bergt, vereist de weg van ervaring van het vrije schepsel, die het zich kan laten afkorten of verlengen.

 

Elk wezen is voor het geluk geboren en dit aandringen, het geluk te grijpen, is de enige prikkel van het bestaan. Elk schepsel vermoedt dat er een geluk bestaat, het worstelt ernaar en schuwt geen moeite om tot het geluk te slagen. God heeft door de openbaring de mens sinds lange tijd getoond, waarin het ware geluk bestaat en hoe het te bereiken is, maar eigenzinnig zoekt de mens zijn wegen. Hij wil het beter weten als de Schepper en gelooft niet dat zijn zelfgemaakte begrippen onjuist zijn. Hij zoekt in het materiële, in het uiterlijke, in de vergankelijke schijn, dat alleen in het geestelijke, in het innerlijke te zoeken is; hij vergeet en sluit de ogen voor het besef, dat uiterlijk aards geluk slechts oprechte vrede kan geven, als hij in het innerlijke eerst een plek gevonden heeft. Daarom creërt hij speciale geluksbegrippen zoals rijkdom, prettig leven, werkeloosheid, goed eten en drinken en allerlei zinnelijke vreugden.

 

De begrippen van dit geluk is voor hem een onfeilbare wet, en de voorstelling van zijn geestelijk idee als houder van zulk geluk lijdt aan het geloof, dat zijn God op dit verzoek hem deze dingen brengen moet, zodat hij gelukkig is. De mens klemt zich vast aan deze hem behagende zelfgeschapen god, die slechts een afgod is en die nu ook alles vervloeken moet, wat niet beantwoordt aan zijn godsdienst; want deze ik–motivering leert door haar afgod, dat alles tegen God is, wat tegen de zelfgemaakte menselijke gebruiken en tegen haar donker inzicht is. Ja, het is tegen de afgodendienst, en zolang de kracht van de ik–motivering bestaat, die deze dwaasheid bestaan laat, zo lang woedt ook de afgod door mensen tegen andersdenkende mensen. Deze met alle menselijke zwaktes opgesierde tot God verheven afgod, kan niet blijven bestaan, want de Volmaaktheid zegt: “ÍK ben jullie Heer en God, jullie moeten geen andere goden hebben naast Mij.” Daarom leid deze ik-motivatie vanzelf tot leed, pijn, omdat het – wat de mensen eerst bereidwillig scheppen in zelfgewilde eigendunk - geen voortbestaan kan hebben zonder ondersteuning van de ware wil van God, en zo wordt  de bittere ervaring dan van schitterende denkbouwsels van de  ik–motivatie vernietigd.

 

De leer van God is verkondigd op alle wegen, toont alle bekende wegen en lijkt op een rekenopgave, waarvan de rekenmeester zegt: “Zie, twee keer twee is vier, erken je deze waarheid, dan zul je daarop steunend steeds juiste berekeningen krijgen en tevreden zijn.” De mens echter zegt verstokt: “Nee, ik geloof het niet” en zegt: “Twee keer twee is vijf.”

En om deze dwazen te overtuigen, blijft de rekenmeester niets overig, dan hem te laten rekenen met zijn onjuiste formule en de eeuwige onjuiste resultaten. Het eigenzinnig bewerkstelligde leed zal opvoedend op hem werken, tot hij uiteindelijk toch gedwongen is, de enige juiste formule te erkennen. Nu erkent de ontwakende mensenziel, dat de wegen niet naar het geluk leiden, die slechts een optelsom van uiterlijke menselijke wensen zijn en wat buiten dezen stond, dat vaak dwaas als ketterij aangeduid en met fanatisme en intolerantie hartstochtelijk vervolgd werd, dat juist naar het geluk leidt. Nu licht het op. Vernietiging der ik-motivatie! Het verlangen om niet zichzelf, maar de algemeenheid te dienen, leidt tot het ware geluk, tot vereniging met God. Zaligheid is geen bezit van vergankelijke goederen, maar het bereiken van het onvergankelijke. En ik ben verbonden met de eeuwige God, zo ben ik een deel in Hem en in de eeuwigheid onsterfelijk.”

 

Ik vroeg nu Chorillus, hoe de verbinding met God op zijn zekerst bereikt werd, en hij antwoordde mij: “Je vraag is het geheim van al het leven, ze sluit het antwoord eigenlijk al in zich, en juist omdat dit geheim evenzo eenvoudig is, wordt het door de mensen niet gevonden. Laat het scheidingsgevoel niet in je opkomen, zo zul je met God ook verbonden zijn – vraag de mensen, of ze zich met God verbonden voelen. Ze zullen je alleen met nee beantwoorden. Nu, vraag ze verder, waarom ze nee zeggen moeten. De weinig werkelijke oprechten zullen je bekennen, dat een of ander gevoel van schuld de hindernis is; die anderen zullen met lege smoesjes, met niet-weten of met leugens deze ongemakkelijke vraag afwijzen, en je zult daaraan de geestelijke trage, de onwillige, verstokte en ook de sluwe mensen herkennen kunnen, die zich liever in elk inzicht afsluiten, alleen om de innerlijke rechter van elk schuldgevoel te verdoven. Voel je echter in je de verbinding van een remmend schuldgevoel, zo zul je ook in staat zijn, om dat te mijden, wat het teweegbracht en je zult je reinigen en ten slotte het gevoel van toenadering en verbinding met God verkrijgen. Hoe meer vorderingen je maakt, des te meer openbaart zich je ook de Goddelijke kracht, en in deze verbinding zul je ten slotte uitgerust zijn met Hem en dingen volbrengen kunnen, die de onwetende niet begrijpt noch voor mogelijk houdt.

 

In God is alles, want God is alles. Ben je in en met God, zo heb je ook alles, want de Vader geeft de Zoon kracht – en jullie moeten volkomen zijn zoals de vader –. Vermoed je niet, welke geweldige belofte  in deze woorden ligt?” Er drong zich mij een vraag op de lippen en aarzelend vroeg ik Chorillus: “Voel jij je verbonden met God, de Vader?” Ernstig en eenvoudig antwoordde mij Chorillus: “Ja, mijn vriend! Het is een opgave, hier aan deze afzonderlijke plaats, die geen mensenvoet zonder de hoogste Wil kan betreden, de verbinding rechtschapen te houden, dat het doel van ieder mens moet zijn. Oneindig ongeluk en pijn zou het betekenen wanneer deze aardbol zich totaal verduisterd bevond. Gloeit onder de as ergens nog zo een zwak vonkje, zo kan bij juiste verzorging toch altijd daaruit een helder vuur doen ontvlamd worden. Het geloofsvuur mag niet uitdoven. Wij verhoeden het, wij onbekende dalbewoners om niet uit de ik–motivatie en niet om des loon wils, maar alleen uit de liefde tot God en tot onze mensenbroeders. Alle kracht ontvangen wij door Hem, en de Geest van God leidt ons in  alle geheimen van Zijn Schepping en Zijn Wezen. Ik heb nooit je taal van tevoren gesproken, maar ik begrijp en spreek ze nu, omdat ik in verbinding met God ben en in Hem is niets vreemds, Hem is niets onbekends.

 

Ik ervaar uit hetzelfde principe, wat aan gene zijde van deze berg geschiedt, voor zover het nodig is dat te weten zonder een krant. We zijn hier over alle gebeurtenissen sneller en grondiger georiënteerd, dan via telegrafie en post, die nieuws kunnen bemiddelen, want God is overal tegenwoordig en heeft de menselijke voorzieningen niet nodig. Ben je met God verbonden, zo heb je alles, alles. –

Dan pas ben je heerser in en buiten je en geen speelbal meer van de natuurkrachten, wier scherpzinnige koppen gemakkelijk enkele boeien weten aan te leggen, maar een kenner van de Goddelijke wil en wet, die aan alle krachten onderworpen zijn. Want deze zijn de werkingen van Zijn bestendige wil, en je vind vervolgens elke heerschappij in en door God.–“

Verbaasd keek ik naar Chorillus en zei zacht: “Niemand kan God zien en het leven behouden, hoe kan de mens zich dan met Hem zo nauw verbinden, dat de Alkracht door hem heenstroomt?” Hij antwoordde: “Mijn vriend, als je helder en duidelijk wist wat de liefde vermag, dan zou je niet zo dwaas vragen. In deze is alles mogelijk, dit is het oerprincipe van al het Zijn, in haar liggen alle sleutels verborgen, ze lost alle raadsels op. De liefde van God is ondoorgrondelijk en alleen door de liefde worden wij aan God gelijk. –

Je zag dat eiland waarvan ik je zei, daar vereren wij Hem, de Heiligste. Er voer geen weg, geen brug tot hem, omgeven door water is het een afgesloten heiligdom. Ontvlam in je de ware liefde, zo zal het vurige verlangen je naar onze tempel (heen) leiden. Het water zal je dragen en op de kristallen vloed zul je, zoals wij het doen, naar ons eiland kunnen wandelen, dat je het hoogste mysterie onthult, dat is de liefde van God. –

 

Wat nut je al het weten en dring je niet door tot dit binnenste geheim, waardoor je alles onthult kan worden, dan was het als een holle noot. Neem en ontvlam in je deze liefde, zo lost alles zich op, wat je nog onduidelijk is en de volgende weg naar God laat zich vervolgens zien.

 

Chorillus verhief zich en liet mij in diepe gedachten verzonken, alleen achter. Liefde! Dit woord van zo oneindige betekenis, van zo geheimzinnige diepte en zo vaak foutief opgevat, het greep al mijn zintuigen aan. Hoe neem en ontvlam ik de liefde in mij? Hoe houd ik van een wezen, dat ik niet kan zien en niet doorgronden?


Verliefdheid en echte liefde

De familie van mijn gastvrienden, bij wie ik verbleef en die mij met de grootste vriendelijkheid opgenomen had, bestond uit zijn echtgenote, zijn zoon, die mij in dit dal geleid had, en een dochter van buitengewone schoonheid. Moeder en dochter verzorgden het binnenshuis en waren weinig voor me zichtbaar. De charme en puurheid, die zich in het wezen van de dochter tot uitdrukking kwamen, hadden mij van begin af aan gevangen genomen. Alle gindse dames van de Europese maatschappij, die voordien de mij bekende krans van de vrouwelijkheid uitmaakten, leken mij als karikaturen in vergelijking tot deze jonge maagdelijkheid, die onbewust de van haar hart uitgaande betoverende prikkel leefde en het hart overwinnen moest. Ik wist, dat Chorillus, die zo goed gedachten lezen kon, ook mijn gevoelens van deze aard kende, nooit echter roerde hij deze aan. De vermaning, de liefde in mij te ontvlammen, gaf daarom mijn gedachtegang een richting, die wel vergeeflijk lijken zal, vooral ik dit bekoorlijke wezen op het terras voor het huis zag, de naar het huis toegestapte vader opgewekt begroette. “Liefde, liefde?” vroeg mijn ziel. “Is deze liefde tot God dezelfde, die de man tot een vrouw voelt?

Is deze liefde dan ook niet een pure vlam, die de afglans van het Goddelijke in zich verbergt? Stemt de wederkerige liefde niet gelukkig, openen zich niet de poorten van de hemel voor de liefhebbenden, voelen niet ook deze zich onttrokken aan het wereldse radarwerk, alleen in het bewustzijn van het wederzijds in zich opgaan? – Leeft niet in de vrouw ook mijn naaste, die ik liefhebben moet? Doe ik onrechtvaardig als ik dus een vrouwelijk wezen met de hele gloed van mijn hart omhels en deze als mijn godin aan mijn hele wezen wijdt, om in haar bezit gelukkig te zijn en gelukkig te maken?”

 

Terwijl ik zo zinspeelde, drong zich mij een beeld op uit mijn verleden. Al lang was ik de kleine episode vergeten, en merkwaardig, nu was ik niet los te komen van dit beeld. Het is de drukke straat van een grote stad, een oud moedertje staat bevriezend aan de tochtige straathoek, vragend spreken haar tranende ogen, duidelijker dan de afgebroken woorden, die een aalmoes afsmeekt. Ik reik haar vol medelijden een geldstuk aan. Nauwelijks is het gebeurd, dan wendt een knap bloemenmeisje zich tot mij, biedt mij lachend en knikkend een boeket bloemen aan. Ik neem hem, geef het ondeugend plagende meisje, zonder naar de prijs te vragen, een geldstuk en kijk de lieflijke deerne begerig na.

Het aangereikte geldstuk had een drievoudige waarde van het bedrag dat het oud-moedertje ontvangen had. Waarom staat dit al lang vergeten beeld zo duidelijk plotseling voor mijn geest? Mijn geweten legt mij die vraag voor – Waarom maakte je hier een onderscheid, waar lag de behoeftigheid? Handelde je rechtvaardig?

 

Mij nu ergerde achteraf mijn begane handelwijze voor lange tijd. Daar boven op het terras staat nog het mooie meisje, haar blik zwerft naar de verte, ze ziet mij niet, die ik, gedekt door bloeiende struiken, bewonderen kan. In mijn hart welt het verlangen vurig op. Ik zou naar haar toe willen rennen, de lieflijke gestalte aan mij drukken en aan haar voeten de bekentenis van mijn liefde stamelen. Ja, dat is liefde! De liefde, die God in het hart van de mens gelegd heeft, zodat hij gelukkig moet zijn op aarde en Hem dan danken voor dit Goddelijk geschenk. Ik verdraag het niet, dit snakkende gevoel, dit brandende verlangen.

 

Nu is het ogenblik geschikt mij aan de maagd te openbaren. Ze is alleen, daarom op naar haar – en dan naar Chorillus om hem te zeggen, hoe snel de liefde mij gegrepen en ontvlamt heeft. Maar zie, daar nadert Chorillus zich zijn dochter. Ik schrik, waarom? Hij leidt ze in het huis. Onwillekeurig duik ik me achter het bloeiende struikgewas, zodat zijn blik mij niet treft. – Waarom? Ik ben mij toch van geen schuld bewust? – En toch – ik voel mij onbehaaglijk, alsof ik een zonde had begaan. Stappen klonken achter mij langs de weg, die van de woningen der dalbewoners door de tuin omhoog naar de hoogte voeren.

 

Alsof ik op een boze daad was betrapt, zo schrik ik op en zie de zoon van Chorillus dichterbij stappen. Vriendelijk groette mij de mooie jongeling. Ik kon echter zijn heldere blik niet verdragen en sloeg de ogen naar de grond. Ik wist  echter maar te precies, dat mijn nog niet overwonnen opwinding en mijn geheime gedachte hem niet verborgen waren.

 

Hij liep naar mij en zei zacht: “Vriend, heeft de hartstocht je weer gepakt? Waarom schrik je voor mij? Is het niet de opdracht van de mensen te strijden en te onderscheiden – geloof je, dat ik je zou veroordelen, omdat je nog worstelt en je innerlijke krachten nog niet helemaal hebt ontwikkeld?! – O nee, vrees dat niet – Kom, laat ons rusten!” Hij nam de plaats in die voordien zijn vader ingenomen had en ik voegde mij tot hem.

 

“Je weet niet van waar ik kom. Ik wil het je zeggen. Ik heb zojuist mijn bruid verlaten en kom uit het huis van haar ouders! – Verrast zag ik de jongeling aan, nam zijn hand en riep uit: “zo houd ook jij van een vrouwelijk wezen, die je als je vrouw eens gedenkt om naar huis te leiden? O spreek, je ziet de chaos van mijn gevoelens, verlos mij van het wezen van de pure menselijke liefde. Wat is deze liefde en hoe is ze voor God gerechtvaardigd?”

 

“Ik wil proberen je deze vragen te beantwoorden en hoop, dat je me begrijpt. Wat jullie in jullie landen liefde noemt, heeft meestal niets gemeen met haar zuiver wezen. Ervaren jullie door een hebzuchtige neiging iets te behalen, zo geloven jullie liefde te voelen. Aangespoord door het gevoel voor schoonheid, voelen jullie een welbehagen, en met deze ontstaat de wens naar genietend bezit. Dit wensgevoel voert zich vaak op tot en met krankzinnigheid, en  dat moet dan liefde zijn. Deze hartstochtelijke gewaarwording in de mens verlangt alles van het onderwerp waarop men zich richt, en zowel man als vrouw, die aan haar verslaafd worden, zijn weldra alleen geneigd, alles van het andere aandeel te verlangen en zelf echter zo  weinig mogelijk te geven.

Na enige tijd van de roes, nadat de hartstocht niet meer in consumerende vlammen oplaait, volgt dan meestal de spijt, de teleurstelling, zelfs de haat. – In de tijd echter, waarin de hartstocht nog brandt, vind je bij beide delen wantrouwende jaloezie, die tirannie en onvrede in de nasleep heeft. Deze grote mengelmoes van helse, kwellende eigenschappen, die, elk naar de beteugelende wilskracht van enkelen, ongeremd zijn of in bepaalde aangrenzing der welopgevoedheid verblijven, noemt de wereld dan liefde, en volgens de mate die meestal slechts werkingen te gronde richt, ontwikkelt zich hierin de dwaasheid om de kracht van de liefde te kunnen afmeten.

Hoe zo heel anders is toch de reine, ware liefde. Deze stelt niet als de hoofdvoorwaarde op, te bezitten en dan te genieten; nee, ze wil voor alle dingen onbaatzuchtig geven en vraagt en overweegt niet of een tegenprestatie ook verleend wordt.

Ware liefde weet ook te verdragen, te ontzeggen, terwijl de onware liefde zich direct bij een dergelijke uitdaging in woede of haat verandert, want alles, dat de zelfzucht nabij treedt, wordt door deze wraakzucht bevochten.

Ware liefde tot de mensen maakt ook geen onderscheid per persoon, of oud, jong, mooi of lelijk in het uiterlijk, ze omsluit alles met gelijke zachtmoedigheid, zoals ook God al Zijn schepsels zonder onderscheid Zijn zegeningen verschaft. –

Houd je van een meisje, zo moet niet het bezit van haar voor jou de hoofdzaak zijn, zodat je haar jaloers bewaakt, maar de wederkerige aanvulling heb je in het oog te houden. – Ontbreekt deze, zo kan een roes van de zintuigen je dit gebrek niet vervangen, maar een diepste berouw is het besliste gevolg. Vind je echter de gezochte aanvulling, dan zal ook een vroegere scheiding onmogelijk worden, want wat zich aanvult tot een harmonische eenheid, wat dus God bijgevolg samenvoegt, dat kan ook eeuwig niet meer gescheiden worden. Wat echter – en hoe vaak, ja meestal geschiedt het zo bij jullie – alleen invulling vond van de wederkerige begeerte zonder innerlijke, diepere harmonie, ook dat heeft ondanks alle uiterlijke banden zich nooit gehandhaafd en scheidt zich weer, zodra het kan.

Je bent op mijn zuster verliefd, vriend. Is je liefde helemaal rein? – Hartstocht schept lijden, onreinheid en het gevoel van schuld. – Je begrijpt mij wel. – In God alleen is de reinste liefde. Ben jij met Hem verbonden, zo vallen alle slakken van je af.

Doch daarbij behoort een sterkere, grotere, onontstellende wil, een innerlijk stralend geloofsvuur, – vervolgens ontwaakt een liefde, die hoger staat dan de liefde der geslachten onder elkaar, zelfs wanneer deze een pure is. Deze grijpt beiden, man en vrouw, en wel hen, die in harmonische aanvulling verbonden zijn, want deze zijn Gods kinderen door haar geworden.

Wij dalbewoners kunnen Hem, de Heer, niet vergeten vanwege een vrouw of een man, daarom is echter ook ons huwelijk anders geaard dan die van de wereld. Heerszucht, wederkerig verdriet en misvattingen kennen we niet; want deze heersen alleen daar, waar de aanvulling ontbreekt, en zonder deze bestaat bij ons geen huwelijk. –“


Naar de tempel

Mij grepen de woorden van de jonge man zeer aan en zijn hand nemend, riep ik uit: “O, had ik jouw wijsheid, hoe gelukkig was ik! – Leef in God, zo heb je alles. Ik bezit niets. Alleen in Hem is de volheid, Hij is de Bron, die ons alles verschaft.” Hij stond op en naar het eiland wijzend, die het heiligdom verborg, voer hij verder: “Zoek Hem en wees er zeker van, Hij zal zich laten vinden.” Met snelle voetstappen verwijderde de jongeling zich en liet mij alleen.

 

De zon was ondergegaan en de met de tropen kenmerkende snelheid, zonder overgang van de schemering, brak de nacht binnen. In korte tijd heerste rondom diepe stilte, de sterren keken flikkerend van het hoge hemelgewelf, en de Maan wierp zijn milde licht af op de zich tot in rust gereedmakende Aarde. Doch in mijn hart wilde geen rust intrekken. – Onrustig klopte het; een hoeveelheid gedachtes en vragen doorstormden mijn ziel.

 

Ik keek op naar de lichtende sterrenhemel. Alsof ooit de aanblik van hetzelfde zo is, terwijl rondom diepe rust heerst, geschikt, om de mens een begrip van de almacht en kracht van God te geven; want dit gewemel van lichtende werelden, die in geordende banen hier intrekken, zonder zich te verwarren, zijn dringend sprekende getuigen van Zijn wijsheid en van Zijn kracht. Hoe klein voelt de ziel zich daar, hoe wordt ze doordrongen van het gevoel van de eigen nietigheid, erkent ze als stofje in de ruimte, en dan evenwel dringt haar het besef op, dat ze meer als niets moet zijn, omdat anders haar niet de aanleg gegeven was, het heelal met haar betekenissen te doordringen en de wetten van de Almachtige te erkennen.

 

Heb ik deze aanleg slechts gekregen, zodat het bewustzijn van mijn niets-zijn mij verbrijzelt en overlevert aan de wanhoop? Dan ben Je wreed, Schepper der wereld! Heb ik ze gekregen, daarmee Ik je enkel en alleen bewonder en aanbid in steeds diepere aanschouwen van Je almachtige kracht en ondoorgrondelijke onpeilbare wijsheid en uiteindelijk toch erken, dat ik niets en Jij alles bent, dan ben ik niets beter dan een machteloze, arme slaaf, die slechts door welwillendheid en geduld het genot van de onuitputtelijke schatten van de machtige Heer verkrijgt.

 

Wanneer kreeg ik dan dit brandende verlangen naar wijsheid, dit inzicht dat mij in staat stelt te beginnen om dit verlangen te stillen, deze geestelijke aanleg, die geen grens kent om het heelal te doordringen, deze gedachtewereld, die noch tijd noch ruimte kent, en ten slotte dit korte leven op een ellendige, misschien de ellendigste planeet van een zonnesysteem, dat toch slechts weer opnieuw het beschermingsgebied is van een hoger en machtiger systeem?

 

“God, U Die dit heelal beheerst en doordringt, ik vind niet de sleutel tot het doel van het bestaan en Uw heersen. Als niet hogere doelen U besturen, ‘en het worde!’ eruit knalt en naar buiten dondert in de eeuwigheid van de ruimte. Hogere doelen, die U misschien slechts versluiert, zodat de algemene mensheid ze niet ontheiligt, doch die U aan elk openbaren zult, die oprecht een verlangen daarnaar draagt om ze te onderscheiden.”

 

Deze woorden riep ik zacht en vol verlangen naar de sterrenhemel, en toen welde in mij de gedachte op, zó vurig en innig en toch zo vredesvol, zo gelukkig stemmend, het borrelde omhoog uit mijn binnenste hart, verwachtingsvol en uitkijkend.

 

Het was alsof nu meteen voor mij een lieve persoon moest verschijnen, ook al was het een voor mij totaal onbekende, die mij liefdevol en vreugdevol zou omhelzen om mij aan haar trouwe hart geborgen te voelen.

Voor mij gold niet meer om een vrouw met inspanning te verwerven en deze te omhelzen in het gevoel der liefde, nee, veel meer kostbaarder, hoger en reiner flitste het op in mijn diepste ziel en mijn lippen lispelden vurig: “Vader, lieve Vader!” Ik sprong op. Het trok mij voort, heen naar dat heiligdom, dat geheimzinnig door de golven van de zee werd omruist.

Met snelle voeten liep ik haastig langs de mij bekende weg en spoedig stond ik aan de oever van de in het maanlicht zilveren schuimende zee. Aan de overkant verhief zich het donkere eiland. In zijn binnenste verborg hij het doel, maar het water scheidde mij. Tot nu toe had ik niet eenmaal eraan gedacht, dat deze hindernis mij zou afhouden om het doel te bereiken – het verlangen, de verwachting liet mij elke belemmering vergeten, maar nu schrokken mijn voeten voor de kibbelende golven terug, die ze bevochtigden en tranen stegen mij in de ogen, toen ik de vervulling van mijn vurige wens zag mislukken.

 

Daar ruiste het weer zo geheimzinnig naar deze kant zoals toentertijd, als ik met Chorillus voor de eerste keer dit eiland aanschouwde. Een klinken en ver bruisen scheen uit het binnenste te weerklinken – het vormde zich tot luiten, tot woorden en duidelijk vernam ik: “Liefde overwint alles – ze kent geen belemmering, - maar geloof – geloof – geloof!”

 

En weer welde het in mijn hart vurig op en jubelend trok het door mijn geest: “Ja Vader, ik geloof U, ja ik geloof in U!” Ik keek slechts naar het eiland aan de overzijde – het water bekommerde mij niet meer – een stap voorwaarts – en opgetild voelde ik mij gedragen voortgezet. Ik betrad de tegenoverliggende bodem, betrad de onder de hoge bomen en palmen slingerende weg en stond weldra voor een marmeren tempel, wiens deuren wijd geopend waren. Zacht licht verlichtte het binnenste heiligdom. Niemand weerde mij de toegang.”


Epiloog

Mijn vertellende vriend had de laatste zinnen steeds zachter uitgesproken en staarde nu droomverloren in de leegte. Het gezelschap, dat klaarblijkelijk onder gemengde gevoelens naar zijn verhaal luisterde, werd uiteindelijk ongeduldig, toen hij geen neiging toonde zijn vertelling voort te zetten; van diverse kanten klonk hem een “Nu, en verder?” tegemoet.

Mijn vriend schrok op uit zijn gepeins en keek de vrager rustig aan. “Bent u deze geheimzinnige tempel binnengedrongen en wat vond u daar?” vroeg de professor. “Zeker deed ik dat, en ik vond het versluierde Isisbeeld, de waarheid!” “Dat is interessant. Mag men weten, hoe zich dit dan ontsluiert en tot zijn recht komt,” antwoordde de professor spottend.

Medelijdend zag Kristjan hem verder aan en antwoordde: “Deze aanblik heeft mij, zoals u ziet, niet vernietigd, wel echter verlicht. Het heeft mij het raadsel van het bestaan en het grootste geheim van God opgelost. U, waarde professor, kon echter weliswaar gevaar lopen om bij de onthulling van de sluier erg teleurgesteld te worden, want elk standbeeld mocht voor u niet eenmaal de waarde bezitten van het antieke!” “Oho, mijn beste, als u zo daarvan overtuigd bent, zo schuw niet uw ontdekking, ik zal erg objectief oordelen,” gaf de aangesprokene als antwoord.

 

“Nu goed, we zullen zien. Luister: ik heb in die tempel beseft, dat alleen de oneindige liefde van Gods Geest het universum geschapen heeft. Dat God oprecht van de mens houdt als een vader. Hij wenst, ja vraagt zelfs aan de mens om Hem weer lief te hebben zoals de vriendelijke Vader, en dat Hij Zijn kinderen alle eigen macht en kracht wil en zal geven, indien  het schepsel weer oprecht van Hem houdt, zodat het volmaakt wordt als de Vader.

Voor dit doel is Hem geen offer te groot, ja de Almachtige buigt Zich zelfs voor de nederige wil uit liefde voor haar schepsels. Ze verdraagt ook nu nog alles uit liefde en om de liefde op te wekken, schiep ze het heelal en al het levende, geeft ze de mensen een aards bestaan, voorziet hen van al het nodige met alle bekwaamheden die tot inzicht leiden. Kortom, God is de liefde, in Hem vinden we alles!” –

 

Teleurgesteld zei de professor en gelijktijdig de hoofdkoster: “Maar dat is toch een oeroude geschiedenis, die ons al lang bekend is.” Mijn vriend antwoordde: “Werkelijk, mijne heren?”

 

“Nu, ik zei toch meteen, dat mijn ontdekking niet eenmaal de waarde van het antieke voor u zou hebben. Als echter deze waarheid zo oeroud is, waarom laat u dan deze niet levendig worden in uw hart, zodat ze ook bruikbare vruchten doet ontstaan? – Ja, deze waarheid is oeroud, maar herkend werd ze tot nu toe nog niet. Alleen de woorden zijn gehoord geworden, zonder méér te zijn dan woorden, die uit letters zijn samengesteld.

Jullie onderzoeken de letters erg precies en verklaren in hoge mate intelligent, dat deze nu eenmaal zo samengesteld moeten zijn, en als ze anders gerangschikt zijn, dan misschien zelfs onzinnige woorden konden opbrengen. Daarom is het ook erg interessant te weten, hoezo juist zulke letters zich tot andere woorden en wel tot onzin laten beetnemen. De geest echter, die in de uiterlijke woorden schuilgaat, ziet en beseft haar niet, want de waarheid laat zich niet zomaar prijsgeven, maar deze moet verworven worden. De Godheid Zelf komt om deze sluier van het Isisbeeld op te heffen.

Probeert de mens dit echter eigenzinnig en met een schuldige bedoeling, zo vervalt hij in afgestomptheid, dwaasheid en stompzinnigheid. Jullie willen van mij weten, wat ik in het heiligdom anders nog te weten ben gekomen? Zoek eerst zelf ieder dal (diepte*) te verwerven en in dat heiligdom door te dringen, dat het innerlijkste en het geheimzinnigste van elk afgezonderde plaats bevat, om de stem van de Vader te vernemen. Maar doe het zoals ik. Schuw niet de weg door onvruchtbare woestijnen en steppen; laat alles achter, wat jullie nog aan mensen verbindt, laat jullie door het vertrouwen leiden en door de hoop, in het geval jullie vermoeid zijn. Jullie bereiken dan ieder gezegend oord der vrede, waar de mensenliefde priesterschap uitoefent.

* (vertaler)

Overwin de leeuw van de eigen wil, scheur uit je hart de begeerte en de lust en laat jullie dragen vol vast geloof, zelfs over de afgronden, die anders de zekere dood in zich verbergen. Zo bereiken jullie het heiligste en kostbaarste doel in de tempel van de Vader en kunnen nu, onbekommerd voor jullie leven de ontsluierde waarheid zien.

Lukt het jullie dan terug te komen, zo zal je uit de priesterhand de weer verworven onschuld ten deel vallen.”

 

Deze woorden maakten op de aanwezigen een heel merkwaardige indruk, over het algemeen zelfs een afstotende. De fysicus mompelde: “Heeft men ooit van zulk een nonsens gehoord?” De arts, tot wie zich de hebzuchtige familieleden voegden, schudde het hoofd, fronste het voorhoofd en drukte zich zachtjes uit met: ”Religieuze waanzin met beginnende grootwaan!”

 

De kerkkoster stond op en maakte aanstalten om weg te gaan, terwijl de overigen met domme gezichtsuitdrukking mijn vriend aanstaarde en klaarblijkelijk niet juist wisten, hoe ze zijn woorden moesten opvatten. Uiteindelijk verhieven zich allen, en de industriedirecteur meende verachtelijk: “Eh, U hebt ons daar dus wat mooi wijsgemaakt met uw dwaze geschiedenis. Ik had nooit geloofd, dat een man als u zo enorm kon liegen. Ik dank u echter voor verdere dergelijke schertsen!”

 

Alle aanwezigen keerden zich nu tot de deur, om het huis te verlaten, als mijn vriend met luide stem riep: “Nog één ogenblik. Als ik uit die tempel terugkeerde, waar ik de heiligste waarheid vernomen en herkend heb, toen brandde in mijn hart het vurige verlangen, om ook mijn stamfamilie mijn inzicht over te brengen en door het verworven geluk deze mededeling te doen. Ik uitte Chorillus de wens om terug te keren en een verkondiger van mijn ervaringen te worden. Toen raadde hij me af en sprak: <Je zult geen geloof vinden. Men zal je in het gezicht uitlachen en je bespotten. Predik jij je waarheid, zo zal men ze voor een leugen houden. Want alleen die rein van hart is, stoot zich niet aan haar waarheid. Alleen wie de ademtocht van de Godheid bespeurt en op haar zachte weeën acht, kan inzicht verwerven. Probeer echter, of je open oren vindt en keer dan met de nieuwe ervaring tot ons terug. Wanhoop echter niet, wanneer je ervaringen verwerpelijk zullen zijn, want of hier in onze dalen, of ergens anders op een of ander afgelegen plaats op Aarde, wie daar de tempel van de Vader zoekt, is in staat hem overal te vinden. Alleen zal helaas het voor de hand liggende het minst geëerd worden. Allen, die zich daar verenigen in de liefde tot de Vader, zijn ook met ons verbonden en zijn onbewuste dalbewoners, onze broeders!> – “Ik zie, Chorillus heeft waar gesproken, en zo gaat jullie je wegen, ik ga mijn weg.” –

 

“Hoe moeten wij deze dwaasheid nog langer aanhoren,” zei opzettelijk luid de familie, nam de arts in hun midden en ging ijverig en zacht redetwistend naar buiten. De overigen volgden hen en spoedig waren de verlichte kamerruimtes leeg tot op ons beide na.

 

Ik greep de hand van mijn vriend en vroeg bezorgd: “Wat zul jij doen? Deze en gene broeden bedenkelijke plannen uit!” “Heb geen vrees om mij,” antwoordde hij. “Ik ben beschermd tegen alle aanslagen. Maar wie ben jij gezind: ik geloof je en erken de waarheid van je woorden. Wil je me volgen?”

“Waarheen?”

“Naar Chorillus!”

“Je weet, ik heb hier dierbare ouders; ik mag ze niet verlaten, en zei Chorillus niet, óveral kan men een dalbewoner worden?”

 

Mijn vriend drukte mij de hand en zweeg. We gingen van elkaar uiteen. Een paar dagen later wilde ik hem bezoeken, maar het huis was toen door hem verlaten.

Mijn vriend had alles aan een vreemde familie verkocht en al op de dag na die merkwaardige avond zich verwijderd uit de stad zonder afscheid. Niemand weet, waarheen hij zich heeft gewend.

www.zelfbeschouwing.info