Cornelius, de hoofdman

 

Handelingen 10 [Opmerking: dit betreft vermoedelijk de Romeinse Cornelius, de broer van vice-keizer Cyrenius, aan wie de Heer tijdens Zijn ruim driejarige Levenswandelin Palestina, hem voorzegde, dat hij ooit door een van Zijn leerlingen zal worden gedoopt, dat inderdaad ook plaats vond na de Hemelvaart van de Heer! Ė zie verder Het Grote Johannes Evangelie [Nieuwe Openbaringen] Ė of ĎDe jeugd van Jezus resp. de Ďjongelingsjarení!

 

Omdat onderstaand artikel een bijzonder en ophelderende beschrijving geeft, hebben wij dit graag in onze site opgenomen!

 

1 En er was te Caesarea iemand, genaamd Cornelius, een hoofdman van de zogenaamde Italiaanse afdeling,

Opmerking 1 bij Handelingen 10:1: Cornelius wordt alleen hier in Handelingen 10 bij naam genoemd. Zijn bekering wordt echter weer genoemd in Handelingen 11:4-17[i] en er wordt naar verwezen in Handelingen 15:14 en Galaten 2:11-12.[ii] De bekering van Cornelius, zijn familie en vrienden is ťťn van de belangrijkste gebeurtenissen die in het boek Handelingen is vastgelegd.

 

Dit is het eerste vastgelegde verslag van een heiden die tot het christendom wordt bekeerd (met mogelijk de uitzondering van de Ethiopische kamerling in Handelingen 8:27-28)[iii]. Voor die tijd bestond de gemeente geheel uit Joden of Joodse proselieten die geloofden dat het onmogelijk was dat iemand een christen kon worden zonder eerst besneden te zijn of een Jood te worden.

 

Door deze wonderbaarlijke reeks omstandigheden overtuigde God Petrus ervan dat de gelovige heidenen ook Gods volk en dus kandidaten voor redding zijn (verzen 34-35). Hoewel Petrus de gemeente in Jeruzalem uitvoerig over deze gebeurtenis vertelde, was het niet voor alle broeders duidelijk dat de heidenen christenen konden worden, zoals uit Handelingen 15:1[iv] is op te maken. Op de vergadering in Jeruzalem, zoals in Handelingen 15 beschreven, pleitten Paulus en Barnabas voor de bekering van de heidenen zonder dat ze besneden hoefden te worden en de wet van Mozes moesten houden. Jakobus, ťťn van de leiders van de gemeente in Jeruzalem, was het met Paulus eens en haalde de bekering van Cornelius aan als een bevestiging dat dit waar was. Het is mogelijk dat als Petrus niet was gebruikt om al eerder het evangelie naar de heidenen te brengen, de gemeente van Jeruzalem en de leiders hadden kunnen verwerpen dat de heidenen met hen erfgenamen waren van de redding. Paulus bracht de gebeurtenis van de bekering van Cornelius bij Petrus ter sprake toen deze hem in AntiochiŽ bezocht en Paulus hem zijn huichelarij verweet.[v]

 

2 een godvruchtig man, een vereerder van God met zijn gehele huis, die vele aalmoezen aan het volk gaf en geregeld tot God bad.

 

Opmerking 2 bij Handelingen 10:2: Cornelius was een zeer godvruchtige man, maar dat was niet genoeg. Hij moest het evangelie geloven en dat is waarom de engel hem opdroeg om Petrus te laten komen. Zijn heiligheid was in die zin lonend, dat de Heer erop reageerde en iemand naar hem toezond die het evangelie van de Heer Jezus Christus aan hem bekend maakte. Als hij echter had geweigerd om in Jezus te geloven voor de vergeving van zijn zonden en er in plaats daarvan op had vertrouwd dat zijn gedrag hem aanvaardbaar maakte voor God, zou voor hem "de hel zijn losgebroken".

 

3 Hij zag in een gezicht, omstreeks het negende uur van de dag, duidelijk een engel Gods bij zich binnenkomen en tot hem zeggen: Cornelius!

 

Opmerking 3 bij Handelingen 10:3: Dit negende uur staat gelijk aan 15.00 uur. Het was de tijd voor de Joden om in de tempel te Jeruzalem te bidden (Hand. 3:1)[vi].

 

4 Hij staarde hem aan en werd zeer bevreesd en zei: Wat is er, heer! En hij zei tot hem: Uw gebeden en uw aalmoezen zijn voor God in gedachtenis gekomen.

5 En nu, zend mannen naar Joppe en nodig een zekere Simon uit, die bijgenaamd wordt Petrus:

 

Opmerking bij Handelingen 10:5: Het is zeer interessant dat deze engel Cornelius vertelde om iemand naar Joppe te sturen om Petrus te halen om Jezus tot hem te prediken. Kon de engel hem niet vertellen hoe hij wedergeboren moest worden? Natuurlijk kon hij dat wel, maar hij had niet het gezag om het evangelie te prediken. De Here Jezus gaf alleen aan fysieke mensen het gezag om Zijn getuigen te zijn (Hand. 1:8)[vii]. Als wij niet getuigen, dan zullen de engelen het niet voor ons doen (zie opmerking 4 bij Hand. 1:7)[viii].

 

6 deze is de gast van een Simon, een leerlooier, wiens huis bij de zee ligt.

7 Zodra de engel, die tot hem sprak, weggegaan was, riep hij twee van zijn huisslaven en een godvruchtige soldaat uit degenen, die voortdurend bij hem waren;

8 en nadat hij hun alles uitgelegd had, zond hij hen naar Joppe.

9 De volgende dag, terwijl dezen onderweg waren en de stad naderden, ging Petrus omstreeks het zesde uur op het dak, om zijn gebed te verrichten.

 

Opmerking 1 bij Handelingen 10:9: De reis van Caesarea naar Joppe was ongeveer 50 km. Dat was meer dan een dagreis. De dienaren van Cornelius vertrokken kennelijk de volgende dag en kwamen twee dagen nadat Cornelius de engel had gezien omstreeks het middaguur bij het huis van Simon aan. Toen Petrus met de boodschappers meeging, vertrokken ze op de derde dag na het gezicht en kwamen ongeveer 15.00 uur op de vierde dag bij het huis van Cornelius aan (vers 30).

 

Opmerking 2 bij Handelingen 10:9: In die tijd hadden de huizen veelal een plat dak, dat met een buitentrap te bereiken was en de mensen maakten veel gebruik van het dak om zich te ontspannen of om te bidden.

 

10 En hij werd hongerig en verlangde te eten, en terwijl men iets gereed maakte, geraakte hij in zinsverrukking,

 

Opmerking 3 bij Handelingen 10:10: Een zinsverrukking is als iemand zo beheerst wordt door de Geest van God dat zijn verstand niet op een normale manier functioneert, maar hij ziet, hoort en denkt alleen aan de goddelijke beelden en boodschappen die hem door God worden gegeven. Uit dit verslag van het gezicht van Petrus en vers 19 blijkt zeer duidelijk dat een zinsverrukking en een gezicht hetzelfde zijn (zie opmerking 2 bij Hand. 9:10)[ix].

 

11 en hij zag de hemel geopend en een voorwerp nederdalen in de vorm van een groot laken, dat aan de vier hoeken neergelaten werd op de aarde;

 

Opmerking 4 bij Handelingen 10:11: Dit gezicht maakte Petrus duidelijk dat de heidenen niet langer beschouwd moesten worden als onrein, maar met de Joden als mede-erfgenamen (Ef. 3:6)[x] van Gods genade en redding door Jezus (vers 28). Dit werd bereikt door Petrus allerhande soorten dieren te eten aan te bieden. Volgens Leviticus 11:1-23 en Deuteronomium 14:3-21 waren deze dieren onrein. Petrus weigerde te eten, zoals iedere goede Jood betaamt, maar de stem van de Heer bleef erop aandringen dat God ze had gereinigd en dat Petrus moest eten. Dit gebeurde drie keer om te bewijzen dat God een verandering doorvoerde in wat als rein en onrein beschouwd moest worden. De Heer vervolgde dit gezicht met een woord van kennis dat er drie mannen bij de deur stonden die Petrus zochten en dat het de bedoeling was dat hij met hen zou meegaan. Toen hij ontdekte dat deze mannen heidenen waren, werd de betekenis van het gezicht duidelijk.

 

12 hierin bevonden zich allerlei viervoetige en kruipende dieren der aarde en allerlei vogelen des hemels.

13 En er kwam een stem tot hem: Sta op, Petrus, slacht en eet!

14 Maar Petrus zei: Geenszins, Here, want ik heb nog nooit iets gegeten, dat onheilig of onrein was.

15 En nogmaals ten tweeden male, kwam een stem tot hem: Wat God rein verklaard heeft, moogt gij niet voor onheilig houden.

16 En dit geschiedde tot driemaal toe, en terstond werd het voorwerp weer opgenomen in de hemel.

 

Opmerking 5 bij Handelingen 10:16: Dit gezicht handelt niet echt over reine en onreine dieren, maar het symboliseert dat de heidenen niet langer onrein zijn (zie opmerking 4 bij vers 11). De Heer gebruikte deze waarheid echter om deze verandering te illustreren. Het is waar dat de Oudtestamentische wetten over reine en onreine dieren veranderd zijn. Iedereen die zich nog steeds houdt aan de Oudtestamentische wetten over reine en onreine dieren gelooft een demonische leer (1 Tim. 4:1-5)[xi]. De dieetwetten waren symbolisch (Kol. 2:16-17)[xii].

 

17 Terwijl Petrus bij zichzelf in onzekerheid was, wat het gezicht, dat hij gezien had, betekenen mocht, zie, daar waren de mannen, die door Cornelius afgezonden waren, bij hun navraag naar het huis van Simon aan het voorportaal gekomen,

18 en zij trachtten na geroepen te hebben te weten te komen, of Simon, bijgenaamd Petrus, daar verblijf hield.

19 En terwijl Petrus nog steeds over het gezicht nadacht, zei de Geest: Zie, twee mannen zoeken naar u;

20 sta dan op, ga naar beneden en reis, zonder bezwaar te maken, met hen mede, want Ik heb hen gezonden.

21 En Petrus ging naar beneden en zei tot de mannen: Zie, ik ben het, die gij zoekt; wat is de reden van uw komst?

22 En zij zeiden: Cornelius, een hoofdman, een rechtvaardig man en vereerder van God, die goed bekend staat bij het gehele volk der Joden, heeft door een heilige engel een godsspraak ontvangen om u te zijnen huize te nodigen en te horen wat gij zeggen zult.

23 Hij noodde hen binnen en ontving hen gastvrij. En de volgende dag stond hij op en vertrok met hen, en enige der broeders uit Joppe gingen met hem mede.

24 En de volgende dag kwam hij te Caesarea aan. En Cornelius was hen wachtende, terwijl hij zijn bloedverwanten en beste vrienden had bijeengeroepen.

 

Opmerking bij Handelingen 10:24: De engel die Cornelius opdracht gaf om Petr op te laten halen, vertelde hem niet dat hij zijn familie en vrienden moest uitnodigen om te horen wat Petrus te zeggen had. Cornelius deed dit uit eigen beweging en zij geloofden ook en ontvingen. Zelfs vůůr zijn bekering was Cornelius een getuige. Het lijdt geen twijfel dat hij een getuige bleef nadat hij wedergeboren werd en de doop met de Heilige Geest ontving (Hand. 1:8).

 

25 En toen het geschiedde, dat Petrus binnentrad, kwam Cornelius hem tegemoet, viel hem te voet en bewees hem hulde.

26 Maar Petrus richtte hem op en zei: Sta op, ik ben zelf ook een mens.

 

Opmerking bij Handelingen 10:26: Petrus wees de aanbidding van Cornelius af, omdat hij wist dat aanbidding alleen voor God is bestemd (zie opmerking 1 bij Matt. 8:2). Hierbij zette hij een precedent waar alle voorgangers zich aan zouden moeten houden. Het is gemakkelijk voor de mensen om een te hoge dunk te hebben van degene die hen Gods Woord brengt, maar een voorganger die werkelijk Jezus predikt zal duidelijk maken, zoals Petrus deed, dat Jezus de enige is die onze aanbidding waard is.

 

27 En terwijl hij zich met hem onderhield, kwam hij binnen en vond er velen bijeen;

28 en hij sprak tot hen: Gij weet, hoe het een Jood verboden is zich te voegen bij of te gaan tot een niet-Jood; doch mij heeft God doen zien, dat ik niemand onheilig of onrein mag noemen.

 

Opmerking 2 bij Handelingen 10:28: De waarheid reikt ver boven Jood en heiden uit. Het geldt voor alle rassen ter wereld. Iedereen die zijn geloof op Jezus vestigt voor zijn gehele redding kan en zal behouden worden (Rom. 10:11-13)[xiii].

 

29 Daarom ben ik ook zonder tegenspreken op uw uitnodiging gekomen. Ik zou nu wel willen weten, om welke reden gij mij uitgenodigd hebt.

30 En Cornelius zei: Juist vůůr vier dagen, van dit ogenblik af gerekend, was ik op het negende uur thuis in gebed;

31 en zie, een man stond voor mij in een blinkend kleed, en hij zei: Cornelius, uw gebed is verhoord en aan uw aalmoezen is voor God gedacht geworden.

32 Zend dan iemand naar Joppe en ontbied Simon, die bijgenaamd wordt Petrus; deze is als gast in het huis van Simon, een leerlooier, aan de zee.

33 Ik heb dan terstond iemand tot u gezonden en gij hebt er wel aan gedaan hier te komen. Wij zijn dan nu allen aanwezig voor het aangezicht Gods, om te horen al wat u door de Here opgedragen is.

34 En Petrus opende zijn mond en zei: Inderdaad bemerk ik, dat er bij God geen aanneming des persoons is,

35 maar onder elk volk is wie Hem vereert en gerechtigheid werkt, Hem welgevallig,

 

Opmerking bij Handelingen 10:35: Petrus begreep nu dat de heidenen door God volledig geaccepteerd waren in Zijn gezin door geloof in Jezus en niet door een proseliet van het Jodendom te worden. Omdat God hen had geaccepteerd, accepteerde Petr Cornelius en de zijnen en at hij zelfs met hen (Gal. 2:12)[xiv]. Maar toen Jakobus vanuit de gemeente te Jeruzalem mannen stuurde om uit de eerste hand een verslag te krijgen (Gal. 2:12), trokken Petrus en de zes mannen die bij hem waren (Hand. 11:12) zich terug van Cornelius en zonderden ze zich af uit vrees voor wat de Joden mochten denken. Petrus kon geen onwetendheid aanvoeren toen Paulus hem in Galaten 2:11-14 daarop aansprak. Petrus was de eerste apostel die de openbaring ontving dat de heidenen gered konden worden.

 

36 naar het woord, dat Hij heeft doen brengen aan de kinderen IsraŽls om vrede te verkondigen door Jezus Christus. Deze is aller Heer.

37 Gij weet van de dingen, die geschied zijn door het gehele Joodse land, te beginnen in Galilea, na de doop, die Johannes verkondigde,

 

Opmerking bij Handelingen 10:37: Uit de verklaring van Petrus kunnen we opmaken dat Cornelius en zijn vrienden al over Jezus hadden gehoord. Hoewel nergens in de Schrift wordt vermeld dat Jezus ooit in Caesarea bediende, zou het ondenkbaar zijn ervan uit te gaan dat iedereen die in IsraŽl woonde niet de wonderbaarlijke verhalen over Jezus had gehoord. Het is opmerkelijk dat iemand die de waarheid zocht, zoals Cornelius deed, niet eerder de verklaringen van Jezus als de Joodse Christus had onderzocht.

 

38 van Jezus van Nazareth, hoe God Hem met de heilige Geest en met kracht heeft gezalfd. Hij is rondgegaan, weldoende en genezende allen, die door de duivel overweldigd waren; want God was met Hem.

 

Opmerking 3 bij Handelingen 10:38: In dit vers geeft Petrus een zeer korte en toch zeer beschrijvende samenvatting van het leven en de bediening van Jezus. Jezus was gezalfd met kracht en met de Heilige Geest. Hij gebruikte deze kracht om goed te doen, niet kwaad. Dit is ťťn van de belangrijkste kenmerken van God en het is ťťn van de gemakkelijkste manieren om te onderscheiden wat van God en wat van de duivel is. God is een goede God en de duivel is een kwade duivel. Als iets slecht is, dan is het van de duivel. Als het goed is, dan is het van God (zie opmerking 5 bij Joh. 10:10)[xv].

 

Jezus genas allen die door de duivel overweldigd waren. Door allen te genezen liet Jezus ons daarom de volmaakte wil van de Vader zien (zie opmerking 1 bij Matt. 8:16)[xvi]. Dit vers zegt ook dat zij "door de duivel overweldigd waren" (zie opmerking 3 bij Marc. 1:32)[xvii] en niet door God. God is niet Degene die ziekte brengt. Het is de duivel, en hij doet het alleen maar om te stelen, te slachten en te verdelgen (Joh. 10:10)[xviii].

 

39 En wij zijn getuigen van al hetgeen Hij gedaan heeft in het land der Joden zowel als te Jeruzalem; en zij hebben Hem gedood door Hem te hangen aan een hout.

40 Hem heeft God ten derden dage opgewekt en heeft gegeven, dat Hij verscheen,

41 niet aan het gehele volk, doch aan de getuigen, die door God tevoren gekozen waren, aan ons, die met Hem gegeten en gedronken hebben, nadat Hij uit de doden was opgestaan;

 

Opmerking 4 bij Handelingen 10:41: In de Schrift staat nergens dat Jezus na Zijn opstanding aan ongelovigen verscheen (vgl. opmerking 1 bij Marc. 16:9). Hij kon Pilatus of Herodes op hun knieŽn hebben gedwongen, maar Hij kon of wilde hen niet tot geloof brengen (zie opmerking 8 bij Luc. 16:31)[xix]. Dat is niet Zijn manier (Heb. 11:6)[xx]. Geloof moet uit eigen wil komen.

 

42 en Hij heeft ons geboden het volk te prediken en te betuigen, dat Hij het is, die door God is aangesteld tot rechter over levenden en doden.

43 Van Hem getuigen alle profeten, dat een ieder, die in Hem gelooft, vergeving van zonden ontvangt door zijn naam.

 

Opmerking 5 bij Handelingen 10:43: Het Griekse woord dat hier met "vergeving" is vertaald is "aphesis". Het wijst op ontslag, vrijlating, vrijheid, kwijtschelding en verlossing en duidt aan: een boete of straf annuleren, kwijtschelden, vergeven, tot de oorspronkelijke toestand herstellen.

 

In het Nieuwe Testament wordt het woord ďaphesisĒ vijftien keer als "vergeving" vertaald (Matt. 26:28; Marc. 1:4; 3:29; Luc. 1:77; 3:3; 24:47; Hand. 2:38; 5:31; 10:43; 13:38; 26:18; Ef. 1:7; Kol. 1:14; Heb. 9:22; 10:18), ťťn keer als "loslating" en ťťn keer als "vrijheid" (beide keren in Luc. 4:19).

 

44 Terwijl Petrus deze woorden nog sprak, viel de heilige Geest op allen, die het woord hoorden.

 

Opmerking 1 bij Handelingen 10:44: Deze heidenen werkten geen enkel ritueel af, herhaalden geen enkele leerstellige verklaring, ze waren nog niet gedoopt, zoals sommige mensen leren dat je dat moet zijn om gered te kunnen zijn (zie opmerking 9 bij Marc. 16:16)[xxi] en toch gaf God hen de Heilige Geest. Iemand die verloren is kan de Heilige Geest niet ontvangen (zie opmerking 27 bij Joh. 14:17)[xxii]. Hieruit kunnen we opmaken dat God uitsluitend op basis van het geloof in hun harten redding gaf.

 

Opmerking 2 bij Handelingen 10:44: In dit geval ontvingen de heidenen de doop in de Heilige Geest tegelijk met hun wedergeboorte. In andere gevallen kwam de Geestelijke doop later (zie opmerking 3 bij Hand. 8:16). God, die de harten van alle mensen kent (Hand. 1:24)[xxiii], moet hebben gezien dat deze mensen er klaar voor waren om alles te ontvangen wat de Heer voor hen had en dus gaf Hij het allemaal in ťťn keer aan hen. Er is geen aanzien des persoons bij God (Rom. 2:11) en Hij zal tegenwoordig hetzelfde doen voor de gelovigen.

 

45 En al de gelovigen uit de besnijdenis, die met Petrus waren medegekomen, stonden verbaasd, dat de gave van de heilige Geest ook over de heidenen was uitgestort,

 

Opmerking 3 bij Handelingen 10:45: Sommige geleerden hebben berekend dat deze gebeurtenis wel tien jaar na de Pinksterdag plaatsvond. In ieder geval was Petrus, en mogelijk ook een aantal andere Joden, al zo lang wedergeboren en wandelde hij al zo lang met de Heer in zo'n intieme relatie dat zijn schaduw mensen genas (Hand. 5:15) en anderen uit de dood werden opgewekt (Hand. 9:41)[xxiv]. Toch waren ze totaal verrast om te zien dat God de heidenen aanvaardde, wat toch duidelijk in de geschriften van het Oude Testament was voorzegd (Jes. 11:10; 42:6; 49:6, 22; 60:3-16; 62:2; 66:19; Jer. 16:19-21; Mal. 1:11) en waarvan Jezus Zelf had gesproken (Matt. 8:11-12; 21:42-43; Joh. 10:16; Luc. 4:25-27; 13:29).

 

Dit illustreert dat de Heer ons niet onmiddellijk in alle waarheid leidt, maar dat er een groeiproces is (Jes. 28:9)[xxv]. Iedere gelovige heeft genoeg Ďblinde vlekkení zodat we niet het recht hebben om een Ďbetweterigí gedrag aan te nemen. "Indien iemand zich inbeeldt enige kennis verworven te hebben, dan heeft hij nog niet leren kennen, zoals het behoort" (1 Kor. 8:2).

 

46 want zij hoorden hen spreken in tongen en God grootmaken. Toen merkte Petrus op:

 

Opmerking 4 bij Handelingen 10:46: Spreken in tongen werd als bewijs gebruikt dat Cornelius en deze andere heidenen de Heilige Geest hadden ontvangen.

 

47 Zou iemand het water kunnen weren, om dezen te dopen, die evenals wij de heilige Geest hebben ontvangen?

 

Opmerking 5 bij Handelingen 10:47: De waterdoop kwam na hun bekering en de doop in de Heilige Geest.

 

48 En hij beval hen te dopen in de naam van Jezus Christus. Toen verzochten zij hem nog enige dagen te blijven.

 

Handelingen 11

 

1 De apostelen nu en de broeders in Judea hoorden, dat ook de heidenen het woord Gods aangenomen hadden.

2 En toen Petrus naar Jeruzalem gegaan was, verschilden zij, die uit de besnijdenis waren, met hem van mening,

 

Opmerking 1 bij Handelingen 11:2: De terminologie "uit de besnijdenis" wordt altijd gebruikt om Joden te onderscheiden. Het voert terug naar het verbond van de besnijdenis dat God in Genesis 9-14, 23-27 met Abraham en met al zijn zaad maakte. De term werd synoniem voor Joden in het algemeen en werd gebruikt om de natie IsraŽl te onderscheiden (Rom. 2:25-26; 3:30; 4:9; Gal. 2:9)[xxvi].

 

In dit geval verwijst "uit de besnijdenis" naar de Joodse christenen. Deze mensen waren wedergeboren, maar hadden nog niet de openbaring ontvangen dat het christendom anders was dan het Jodendom en dat de mannen niet besneden hoefden te worden om gered te zijn.

 

3 en zij zeiden: Gij zijt binnengegaan bij onbesnedenen en hebt met hen gegeten.

4 Maar Petrus begon hun alles in geregelde orde uiteen te zetten en zei:

5 Ik was in de stad Joppe in gebed en zag in zinsverrukking een gezicht: een voorwerp daalde neder in de vorm van een groot laken, dat aan de vier hoeken uit de hemel neergelaten werd, en het kwam vlak bij mij.

6 Toen ik er scherp naar keek, bemerkte ik en zag ik de viervoetige dieren der aarde, de wilde en de kruipende dieren en de vogelen des hemels.

7 En ik hoorde ook een stem tot mij zeggen: Sta op, Petrus, slacht en eet!

8 Maar ik zei: Geenszins, Here, want nog nooit is iets, dat onheilig of onrein was, in mijn mond gekomen.

9 Doch ten tweeden male antwoordde mij een stem uit de hemel: Wat God rein verklaard heeft, moogt gij niet voor onheilig houden.

10 En dit geschiedde tot driemaal toe; en alles werd weer opgetrokken in de hemel.

 

Opmerking 2 bij Handelingen 11:10: Zoals Jozef zei toen hij de droom van Farao uitlegde (Gen. 41:32)[xxvii] benadrukt de herhaling van een droom of gezicht (zie opmerking 2 bij Hand. 9:10)[xxviii] dat het vaststaat en dat het spoedig zal gebeuren. Het gezicht van Petrus werd drie keer herhaald waarmee gezegd werd dat het onveranderlijk was en spoedig zou gebeuren.

 

11 En zie, terstond daarop bleven drie mannen voor het huis staan, waarin wij waren, die uit Caesarea tot mij waren gezonden.

12 En de Geest zei tot mij, dat ik met hen moest medegaan zonder bezwaar te maken. En met mij gingen ook deze zes broeders, en wij zijn het huis van die man binnengegaan;

 

Opmerking 3 bij Handelingen 11:12: Wanneer Petrus over zijn bezoek aan Cornelius vertelt aan de gemeente in Jeruzalem voegt hij twee details toe aan het verslag zoals het in Handelingen 10 staat. Dit vers zegt dat er zes Joodse broeders waren die hem vergezelden en vers 16 onthult dat Petrus zich de profetie van Jezus herinnerde (Hand. 1:5)[xxix] over de doop met de Heilige Geest toen hij zag dat Cornelius en de anderen profeteerden en in tongen spraken.

 

13 en hij heeft ons medegedeeld, hoe hij een engel in zijn huis had zien staan, die tot hem zei: Zend iemand naar Joppe en nodig Simon uit, die bijgenaamd wordt Petrus;

14 deze zal woorden tot u spreken, waardoor gij en uw gehele huis behouden zult worden.

15 En toen ik begonnen was te spreken, viel de heilige Geest op hen, evenals in het begin ook op ons.

16 En ik herinnerde mij het woord des Heren, hoe Hij zei: Johannes doopte wel met water, maar gij zult met de heilige Geest gedoopt worden.

17 Indien nu God hun op volkomen gelijke wijze als ons de gave heeft gegeven op het geloof in de Here Jezus Christus, hoe zou ik dan bij machte geweest zijn God tegen te houden?

 

Opmerking 4 bij Handelingen 11:17: De doop met de Heilige Geest werd door Petrus gebruikt als een bewijs van redding. Jezus had gezegd dat de (verloren) wereld de Heilige Geest niet kan ontvangen (Joh. 14:17)[xxx]. Daarom voert Petrus aan dat ieder die de Heilige Geest ontvangt wedergeboren moet zijn.

 

18 En toen zij dit gehoord hadden, kwamen zij tot rust en verheerlijkten God, zeggende: Zo heeft dan God ook de heidenen de bekering ten leven geschonken.

 

Opmerking 5 bij Handelingen 11:18: Het valt op dat in het verslag van Petrus het verslag van de waterdoop van Cornelius ontbreekt. Als waterdoop noodzakelijk was geweest voor de vergeving van zonden, zoals sommigen leren, dan zou het geen zin hebben gehad dat een engel tot Cornelius had gesproken of dat ze de Heilige Geest hadden ontvangen of wat er ook maar gebeurde, toen ze de waterdoop niet ontvingen. Dat Petrus de waterdoop weglaat illustreert dat de vroege kerk niet geloofde dat waterdoop onmisbaar was voor behoud (zie nogmaals opmerking 9 bij Marc. 16:16 (ook aangehaald bij Handelingen 10:44 hierboven) en opmerking 2 bij Hand. 2:38)[xxxi].

 

19 Zij dan, die verstrooid werden door de verdrukking, welke in verband met Stefanus plaats vond, trokken verder tot FeniciŽ, Cyprus en AntiochiŽ toe, zonder tot iemand het woord te spreken dan alleen tot de Joden.

 

Opmerking 1 bij Handelingen 11:19: FeniciŽ, of PhoeniciŽ, was een smalle strook land tussen de Middellandse Zee en het Libanongebergte. Het strekte zich tot ongeveer 25 km ten zuiden van Tyrus uit (net ten noorden van de berg Karmel) en in het noorden ongeveer tot Arvad. De voornaamste steden waren Tyrus en Sidon. Jezus bezocht dit gebied tijdens zijn aardse bediening (Matt. 15:21; Marc. 7:24, 31)[xxxii]. FeniciŽ werd nooit door de IsraŽlieten veroverd (zie opmerking 3 bij Marc. 7:26)[xxxiii].

 

Opmerking 2 bij Handelingen 11:19: Cyprus is een eiland in het noordoostelijk deel van de Middellandse Zee, ongeveer 96 km uit de kust van SyriŽ en 64 km ten zuiden van de kust van CiliciŽ. In de dagen van Herodes de Grote (zie opmerking 1 bij Luc. 1:5)[xxxiv] was Cyprus vermaard vanwege de kopermijnen. De apostel Barnabas kwam van Cyprus (Hand. 4:36)[xxxv].

 

Paulus en Barnabas reisden later naar Cyprus tijdens hun eerste zendingsreis (Hand. 13:4)[xxxvi]. Het evangelie was door deze gelovigen al naar Cyprus gebracht, maar ze hadden het alleen nog maar aan de Joden verkondigd. Paulus kon de Romeinse landvoogd Sergius Paulus bekeren door het oordeel dat kwam op een tovenaar die Elymas werd genoemd (Hand. 13:12)[xxxvii].

 

Opmerking 3 bij Handelingen 11:19: AntiochiŽ was een belangrijke plaats in SyriŽ. Het was na Rome en AlexandriŽ de op twee na grootste stad in het Romeinse rijk. NicolaŁs, ťťn van de zeven diakenen (Hand. 6:5)[xxxviii] kwam uit AntiochiŽ. De gelovigen die vanwege de vervolging naar AntiochiŽ waren getrokken predikten het evangelie aan de heidenen daar en een groot aantal heidenen werd bekeerd.

 

Barnabas werd vanuit de gemeente in Jeruzalem uitgezonden om de berichten te onderzoeken dat heidenen tot het geloof in Jezus werden bekeerd en hij reisde helemaal naar AntiochiŽ. Nadat hij naar Tarsus was gegaan om Paulus te zoeken, bleven Barnabas en Paulus een groot aantal jaren in AntiochiŽ (Hand. 11:26; 12:25; 13:1; 14:26-28; 15:35)[xxxix] waarna ze vertrokken voor hun eerste twee zendingsreizen vanuit AntiochiŽ. In AntiochiŽ werden de discipelen voor het eerst christenen genoemd. Toen Petrus AntiochiŽ bezocht berispte Paulus hem openlijk tegenover de gemeente voor diens schijnheiligheid (Gal. 2:11-14)[xl].

 

20 Doch er waren onder hen enige Cyprische en Cyreense mannen, die, te AntiochiŽ gekomen, ook tot de Grieken spraken en hun de Here Jezus predikten.

21 En de hand des Heren was met hen, en een groot aantal kwam tot het geloof en bekeerde zich tot de Here.

 

Opmerking 4 bij Handelingen 11:21: De term "de hand des Heren" verwijst naar de kracht en zegen van de Heer die bij hen was. Waarschijnlijk werd dit gemanifesteerd door tekenen en wonderen (Marc. 16:20)[xli].

 

Opmerking 5 bij Handelingen 11:21: Hoewel het evangelie voor het eerst door Petrus aan de heidenen was gepredikt (Hand. 10:28-43) begonnen zich hier de heidenen in grote aantallen tot het christendom te bekeren. Dit had tot gevolg dat de gemeente in Jeruzalem Barnabas uitzond om te onderzoeken wat er gaande was (vers 22).

 

22 En het bericht daarvan kwam de gemeente van Jeruzalem ter ore en zij vaardigden Barnabas af naar AntiochiŽ.

 

Opmerking 1 bij Handelingen 11:22: Het veroorzaakte verontrusting in Jeruzalem dat de heidenen gered werden zonder dat ze proselieten van het Jodendom werden. Deze kwestie had opgelost kunnen worden door de wonderbaarlijke gebeurtenissen waardoor het evangelie bij Cornelius en zijn huishouden werd gebracht, maar er waren nog veel Joodse christenen die zich ijverden voor de wet van het Oude Testament en geloofden dat mannen besneden moesten worden om gered te kunnen zijn.

 

Uiteindelijk moest er een vergadering van alle gemeenteleiders worden gehouden om deze zaak te bespreken (Hand. 15) en men kwam tot de slotsom dat heidenen christenen konden worden zonder dat ze Jood werden. Bij veel gelovige Joden was er echter nog steeds dezelfde geest of houding om te denken dat geloof in Christus niet voldoende was voor ware redding. Paulus moest deze verkeerde gedachten vaak weerleggen. De brieven aan de Romeinen, Galaten en HebreeŽn werden voor het uitdrukkelijke doel geschreven om erop te wijzen dat geloof in Jezus het enige vereiste voor redding is.

 

23 Toen deze aankwam en de genade Gods zag, verheugde hij zich en wekte allen op om naar het voornemen van hun hart de Here trouw te blijven;

 

Opmerking 2 bij Handelingen 11:23: Barnabas was getuige van de genade van God in het leven van deze heidense gelovigen. Er kan worden aangenomen dat hij bewijs zag en hoorde van de doop in de Heilige Geest (evenals de vrucht van de Geest Ė Gal. 5:22-23)[xlii] en dat hij er daardoor van werd overtuigd dat ze ware gelovigen waren, net zoals de doop in de Heilige Geest Petrus ervan had overtuigd dat Cornelius wedergeboren was (zie opmerking 4 bij Hand. 11:17).

 

Opmerking 3 bij Handelingen 11:23: Het woord "voornemen" betekent hier een vast besluit. Het kost inspanning om de Heer te blijven aanhangen. Zonder dit voornemen of vast besluit zullen onze harten op een natuurlijke manier voor de Heer worden verhard (zie opmerking 10 bij Marc. 6:52;[xliii] Heb. 3:13)[xliv]. De mensen verlaten de Heer niet opzettelijk. Het gebeurt omdat ze hun redding verwaarlozen (Heb. 2:3)[xlv]. Rechabeam, de zoon van Salomo, "deed kwaad" omdat hij zijn hart er niet op had gezet om de Heer te zoeken (2 Kron. 12:14)[xlvi].

 

24 want hij was een goed man, vol van de heilige Geest en van geloof. En een brede schare werd de Here toegevoegd.

25 En hij vertrok naar Tarsus om Saulus te zoeken; en toen hij hem gevonden had, bracht hij hem naar AntiochiŽ.

 

Opmerking 1 bij Handelingen 11:25: Barnabas had vriendschap met Saulus gesloten toen hij door de gemeente van Jeruzalem werd afgewezen (Hand. 9:26-27)[xlvii]. In dit vers is het vele jaren later en Barnabas wordt door God opnieuw als een instrument gebruikt in het leven van Saulus om hem in de openbare bediening te brengen. Alleen de Heer weet hoe het zou zijn gegaan als Barnabas er niet was geweest om de apostel Paulus te bemoedigen. God gebruikt altijd mannen en vrouwen om Zijn wil te volvoeren. Hoewel we misschien niet een zichtbare wereldwijde bediening hebben, zou ťťn van de mensen die alleen wij kunnen bereiken wel eens iemand kunnen worden die de volken voor Christus in opschudding brengt.

 

26 En het geschiedde, dat zij een vol jaar in de gemeente gastvrij ontvangen werden en een brede schare leerden en dat de discipelen het eerst te AntiochiŽ christenen genoemd werden.

 

Opmerking 2 bij Handelingen 11:26: De naam "christen" komt van het Griekse woord "Christianos" dat " zoals Christus" of "volgeling van Christus" betekent. Het wordt drie keer in het Nieuwe Testament gebruikt (hier, en als "christen" in Hand. 26:28 en 1 Petr. 4:16)[xlviii]. De naam ontstond niet bij de volgelingen van Christus, maar het was een term van minachting die de tegenstanders van het christendom gebruikten om de volgelingen van Christus te hekelen als zouden ze zich net zoals Jezus van Nazaret gedragen die beweerde dat Hij de Christus was.

 

Hoewel het niet de bedoeling was van de ongelovigen om zich met deze naam vleiend uit te laten, was het eigenlijk ťťn van de grootste complimenten die ze een gelovige konden geven. De gemeente nam deze naam voor zichzelf aan en gebruikte hem reeds in de tweede eeuw na Christus om zichzelf te beschrijven.

 

Als velen die zich tegenwoordig christenen noemen gearresteerd zouden worden op beschuldiging zoals Christus te zijn, zou er voor velen van hen niet genoeg bewijs zijn om ze te veroordelen. Dat was niet het geval in de gemeente van de eerste eeuw. Zelfs hun vijanden gaven toe dat ze zoals Jezus waren.

 

27 En in die dagen kwamen profeten van Jeruzalem te AntiochiŽ;

 

Opmerking 1 bij Handelingen 11:27: De profetische bediening is altijd erg belangrijk geweest voor Gods volk. In het Oude Testament zijn meer dan 300 verwijzingen naar profeten en in het Nieuwe Testament meer dan 160. In het Nieuwe Testament is de "profeet" de een na hoogste positie in de gemeente, die alleen door de "apostel" wordt overtroffen (1 Kor. 12:28)[xlix]. De gemeente van Christus is gebouwd op het fundament van apostelen en profeten (Ef. 2:20)[l].

 

Een profeet is de spreekbuis van God (2 Kon. 17:13, 23; 21:10; 24:2; Hos. 12:10; Amos 3:7)[li] door wie Hij specifieke aanwijzingen, waarschuwingen of bestraffingen geeft. Hoewel profetie niet beperkt is tot toekomstige gebeurtenissen, gaat een groot deel van de profetische bediening wel over de toekomst. Profeten werden ook gebruikt om het gezichtspunt van God te geven op voorbije en actuele gebeurtenissen (1 Kon. 20:13-14; 2 Kron. 12:5)[lii], om mensen voor een bediening te zalven (1 Sam. 10:1; 16:1, 13; 1 Kon. 19:15-16; 2 Kon. 9:1-6)[liii], om de gerechtigheid van God te prediken en om te bemoedigen (Neh. 6:7; Hand. 15:32; 1 Kor. 14:3)[liv], als geestelijke adviseurs aan koningen (2 Sam. 7)[lv], en om de plannen van God bekend te maken (1 Sam. 28:6; 1 Kon. 14:1-18; 22:7; 2 Kon. 3:11; 2 Kron. 18:6; Ezech. 14:7)[lvi].

 

Abraham werd een profeet genoemd, hoewel hij nooit toekomstige gebeurtenissen voorzegde of vonnissen uitsprak. In de Schrift worden tien profetessen en ťťn valse profeet genoemd (zie opmerking 1 bij Luc. 2:36)[lvii].

 

De toets voor een ware profeet die toekomstige gebeurtenissen voorspelt is of deze profetie uitkomt. "Als een profeet spreekt in de naam des HEREN en zijn woord wordt niet vervuld en komt niet uit, dan is dit een woord, dat de HERE niet gesproken heeft; in overmoed heeft de profeet het gesproken, gij zult voor hem niet vrezen." (Deut. 18:22).

 

en ťťn uit hen, genaamd Agabus, stond op en gaf door de Geest te kennen, dat een grote hongersnood zou komen over het gehele rijk, die dan ook gekomen is onder Claudius.

 

Opmerking 2 bij Handelingen 11:28: Agabus was een profeet die naar AntiochiŽ kwam gedurende de tijd dat Saulus en Barnabas daar de volgelingen onderwezen. Hij profeteerde dat er een wereldwijde hongersnood zou komen, die in de dagen van keizer Claudius ook kwam. De geschiedenis vermeldt een grote hongersnood in het vierde jaar van Claudius, wat in 45 na Chr. zou zijn geweest (zie opmerking 3 bij dit vers). Dit plaatst de gebeurtenis die hier beschreven wordt kort voor dit jaar. Deze zelfde Agabus ontmoette Paulus vele jaren later in Caesarea, waar hij profeteerde dat Paulus gebonden en aan de heidenen uitgeleverd zou worden (Hand. 21:10-12), wat ook inderdaad gebeurde (Hand. 21:33)[lviii].

 

Opmerking 3 bij Handelingen 11:28: In het Nieuwe Testament worden vier Romeinse keizers genoemd. De eerste keizer is Augustus, of Octavius, een achterneef van Julius Caesar, ťťn van de grootste generaals aller eeuwen en dictator van Rome die omstreeks 44 v. Chr. werd vermoord. Augustus deelde aanvankelijk de Romeinse troon met Marcus Antonius en Lepidus, maar werd uiteindelijk alleenheerser van Rome en kreeg de keizerstitel. Augustus vaardigde het bevel uit dat de hele wereld belasting moest betalen, wat als gevolg had dat Jozef en Maria naar Betlehem moesten gaan waar Jezus werd geboren (Luc. 2:1-7)[lix]. Augustus stond toe dat er op zijn kosten dagelijks in de tempel werd geofferd. Caesarea Filippi en Caesarea aan de Zee werden door Herodes ter ere van hem gebouwd (zie opmerking 3 bij Luc. 3:1)[lx]. Hij stierf omstreeks 14 na Chr. op 67-jarige leeftijd.

 

De tweede keizer die in de Schrift wordt genoemd is Tiberius. Hij was de aangenomen zoon van Augustus en er wordt naar hem verwezen in MatteŁs 22:17, Marcus 12:14; Lucas 3:1; 20:22; Joh. 19:12. De stad Tiberias aan het meer van Galilea werd door Herodes Antipas voor hem gebouwd (zie eveneens opmerking 3 bij Luc. 3:1). Tiberius stierf in 37 na Chr. op 79-jarige leeftijd.

 

De derde keizer die in de Schrift wordt genoemd is Claudius. Hij volgde in 41 na Chr. keizer Caligula op en stierf in 54 na Chr. op 64-jarige leeftijd omdat zijn vrouw Agrippina hem had vergiftigd.

 

De vierde keizer die in de Schrift wordt genoemd is Nero. Naar hem wordt verwezen in Handelingen 17:7; 25:8, 10-12, 21; 26:32; 27:24; 28:19; en Filippenzen 4:22. Hij was de aangenomen zoon van Claudius en stond bekend om zijn wreedheid, inclusief het vergiftigen van zijn stiefbroer Britannicus om de troon te bemachtigen. Hij beschuldigde de volgelingen van Christus ervan dat ze Rome in brand hadden gestoken, wat een massaslachting onder de christenen tot gevolg had. Hij werd door zijn troepen in de steek gelaten en pleegde in 68 na Chr. op 32-jarige leeftijd zelfmoord.

 

29 En de discipelen besloten, dat elk van hen naar draagkracht iets zenden zou tot ondersteuning van de broeders, die in Judea woonden;

30 dit deden zij ook en zij zonden het aan de oudsten door de hand van Barnabas en Saulus.

 


Eindnoten Handelingen 10 en 11:

(Om in Word terug te gaan: zet de cursor vlak voor de eindnoot, klik rechts, kies "Ga naar eindnoot")

 



Hand. 11:12 En met mij gingen ook deze zes broeders, en wij zijn het huis van die man binnengegaan; 13 en hij heeft ons medegedeeld, hoe hij een engel in zijn huis had zien staan, die tot hem zei: Zend iemand naar Joppe en nodig Simon uit, die bijgenaamd wordt Petrus; 14 deze zal woorden tot u spreken, waardoor gij en uw gehele huis behouden zult worden. 15 En toen ik begonnen was te spreken, viel de heilige Geest op hen, evenals in het begin ook op ons.

 

Hand. 15:14 Simeon heeft uiteengezet, hoe God van meet aan erop bedacht geweest is een volk voor zijn naam uit de heidenen te vergaderen.

Gal. 2:11 Maar toen Kefas te AntiochiŽ gekomen was, heb ik mij openlijk tegen hem verzet, omdat het ongelijk aan zijn kant was. 12 Want voordat sommigen uit de kring van Jakobus gekomen waren, at hij met de heidenen aan ťťn tafel, maar toen zij kwamen, trok hij zich terug en zonderde zich af uit vrees voor de besnedenen.

 

Hand. 8:27 En hij stond op en ging. En zie, een EthiopiŽr, een kamerling, een rijksgrote van Kandake, de koningin der EthiopiŽrs, haar opperschatbewaarder, was naar Jeruzalem gegaan om te aanbidden; 28 en hij was op de terugweg en las, in zijn wagen gezeten, de profeet Jesaja.

 

Hand. 15:1 En sommigen, uit Judea gekomen, leerden de broeders: Indien gij u niet besnijden laat naar het gebruik van Mozes, kunt gij niet behouden worden.

 

Gal. 2:11 Maar toen Kefas te AntiochiŽ gekomen was, heb ik mij openlijk tegen hem verzet, omdat het ongelijk aan zijn kant was. 12 Want voordat sommigen uit de kring van Jakobus gekomen waren, at hij met de heidenen aan ťťn tafel, maar toen zij kwamen, trok hij zich terug en zonderde zich af uit vrees voor de besnedenen. 13 En [ook] de overige Joden huichelden met hem mede, zodat zelfs Barnabas zich liet medeslepen door hun huichelarij. 14 Maar toen ik zag, dat zij niet de rechte weg bewandelden naar de waarheid van het evangelie, zei ik tot Kefas ten aanhoren van allen: Indien gij, die een Jood zijt, naar heidens en niet naar Joods gebruik leeft, hoe kunt gij dan de heidenen dwingen zich als Joden te gedragen?

 

Hand. 3:1 Petrus nu en Johannes gingen op naar de tempel tegen het uur des gebeds, dat is het negende.

 

Hand. 1:8 maar gij zult kracht ontvangen, wanneer de heilige Geest over u komt, en gij zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde.

 

Hij zei tot hen: Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft,

Opmerking 4 bij Handelingen 1:7: De discipelen hadden zojuist de vraag gesteld wanneer Jezus het koningschap voor IsraŽl zou herstellen (vers 6). Zoals te merken is aan de reacties van veel mensen in de evangeliŽn, hadden de meeste mensen er geen idee van dat Jezus voor de tweede keer zou komen om een fysiek koninkrijk van God op aarde te vestigen. Zij dachten dat de eerste komst van de Messias en de oprichting van het koninkrijk op hetzelfde moment zouden plaatsvinden.

Jezus gaf geen rechtstreeks antwoord, maar zei in plaats daarvan dat de tijd waarop dit zou plaatsvinden tot de beschikking van de Vader was. Jezus had eerder al gezegd dat noch Hij, noch de engelen de dag en het uur wisten van deze gebeurtenis (Marcus 13:32). Dus in Zijn antwoord aan de discipelen zei Jezus dat het buiten hun zeggenschap of bevoegdheid ging om het tijdstip van Zijn tweede komst te weten.

Hij maakt nu echter wel openbaar dat met de komst van de Heilige Geest een aantal dingen ter beschikking van de discipelen zijn gekomen en Hij vertelt hen vervolgens dat ze Zijn getuigen zullen zijn. De kracht om te getuigen van het evangelie aan anderen is overgedragen aan ons, de volgelingen van Jezus, en staat niet onder de directe zeggenschap van God. Daarom is het niet juist om bij God te pleiten om iemand te behouden. Hij heeft Zijn deel al gedaan en nu moeten wij ons deel doen. God zal voor ons niet het evangelie prediken. Zelfs aan de engelen is het niet toegestaan om voor ons het evangelie te prediken (Hand. 10:3-5). We hebben de kracht gekregen om getuigen te zijn. Het is niet de keuze van God dat sommigen nog steeds niet het evangelie hebben gehoord. Het is omdat we niet getrouw zijn geweest om Zijn getuigen te zijn.

 

Nu was er te Damascus een discipel, genaamd Ananias; en de Here zei tot hem in een gezicht: Ananias! En hij zei: Zie, hier ben ik, Here.

Opmerking 2 bij Handelingen 9:10: Een gezicht is een bovennatuurlijke voorstelling van een zichtbare (en vaak hoorbare) boodschap van God in de geest van iemand. Als iemand slaapt als dit gebeurt, dan is het een droom, of, zoals de Bijbel het noemt, een nachtgezicht (Gen. 46:2; Job 33:15; Dan. 2:19; Hand. 18:9) wat niet gezien wordt met onze fysieke ogen, maar het is een mentaal beeld.

Als iemand wakker is en een gezicht ziet, dan toont de Heer hem iets in zijn geestesoog, hoewel het voor die persoon zo werkelijk kan zijn dat hij echt denkt dat hij het met zijn fysieke ogen ziet. In het geval van Ezechiel (Ezech. 8:1-11:24) waren anderen aanwezig toen hij dit gezicht had (8:1), maar ze werden niet zoals hij in de Geest naar Jeruzalem gebracht (8:3). EzechiŽls lichaam bleef op de plek waar hij was terwijl hij in zijn geest naar Jeruzalem werd gebracht. In Handelingen 12:9dacht Petrus niet dat wat hij ervaarde echt was, maar hij dacht dat hij een gezicht zag. Hieruit kunnen we concluderen dat een gezicht niet een fysieke werkelijkheid is, maar een geestelijke gebeurtenis.

Volgens Numeri 24:4, 16 en Handelingen 10:19, 10 zijn een zinsverrukking en een gezicht hetzelfde. In een zinsverrukking of gezicht zijn de fysieke ogen van iemand open en gewoonlijk hebben ze een starende blik, maar ze zien niet de normale fysieke beelden. In plaats daarvan ontvangen ze rechtstreeks bovennatuurlijke beelden van God.

De verheerlijking van Jezus op de berg (Matt. 17:9) wordt een gezicht genoemd en is daarom wellicht iets dat niet plotseling fysiek gebeurde. In plaats daarvan werden de geestelijke ogen van de discipelen geopend om een glimp van de heerlijkheid van Jezus te zien die daar altijd al was geweest, maar waarvoor ze verblind waren als ze met hun fysieke ogen keken. Dit is waarschijnlijk hetzelfde wat met de dienaar van Elisa gebeurde toen de Heer zijn geestelijke ogen opende om de vurige paarden en wagens te zien die hen omringden (2 Kon. 6:17).

De Schrift geeft duidelijk aan dat Abraham (Gen. 15:1), Jakob (Gen. 46:2), Balaam (Num. 24:4, 16), SamuŽl (1 Sam. 3:1, 15), Natan (2 Sam. 7:17; 1 Kron. 17:15), Jesaja (Jes. 1:1), EzechiŽl (Ezech. 1:1; 7:13; 8:13; 11:24), DaniŽl (Dan. 2:19: 8:1-27; 9:21-24), Nebukadnezar (Dan. 2:28), Zacharias (Luc. 1:22), Petrus (Hand. 10:10, 19), Johannes (Openb. 9:17), Ananias (Hand. 9:10), Cornelius (Hand. 10:3), en Paulus (Hand. 16:9-10; 18:9; 2 Kor. 12:1) allemaal gezichten hadden.

Hoewel het woord "gezicht" niet wordt genoemd, komen we de voorwaarden voor een gezicht tegen bij de dienaar van Elisa (2 Kon. 6:17) en Micha (1 Kon. 22:19-22). Zoals in de eerste alinea van deze opmerking genoemd, zijn dromen gezichten (zie opmerking 3 bij Matt. 1:20).

 

Ef. 3:6 (dit geheimenis), dat de heidenen mede-erfgenamen zijn, medeleden en medegenoten van de belofte in Christus Jezus door het evangelie.

 

1 Tim. 4:1 Maar de Geest zegt nadrukkelijk, dat in latere tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, doordat zij dwaalgeesten en leringen van boze geesten volgen, 2 door de huichelarij van leugensprekers, die in hun eigen geweten gebrandmerkt zijn, 3 het huwelijk verbieden en het genot van spijzen, welke God toch geschapen heeft om met dankzegging te worden gebruikt door de gelovigen, die tot erkentenis der waarheid gekomen zijn. 4 Want alles wat God geschapen heeft, is goed en niets daarvan is verwerpelijk, als het met dankzegging aanvaard wordt: 5 want het wordt geheiligd door het woord Gods en door gebed.

 

Kol. 2:16 Laat dan niemand u blijven oordelen inzake eten en drinken of op het stuk van een feestdag, nieuwe maan of sabbat, 17 dingen, die slechts een schaduw zijn van hetgeen komen moest, terwijl de werkelijkheid van Christus is.

 

Rom. 10: 11 Immers het schriftwoord zegt: Al wie op Hem zijn geloof bouwt, zal niet beschaamd uitkomen. 12 Want er is geen onderscheid tussen Jood en Griek. Immers, ťťn en dezelfde is Heer over allen, rijk voor allen, die Hem aanroepen; 13 want: al wie de naam des Heren aanroept, zal behouden worden.

 

Gal. 2:12 Want voordat sommigen uit de kring van Jakobus gekomen waren, at hij met de heidenen aan ťťn tafel, maar toen zij kwamen, trok hij zich terug en zonderde zich af uit vrees voor de besnedenen.

 

De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verdelgen; Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed.

Opmerking 5 bij Joh. 10:10: Met de dief die hier wordt genoemd wordt specifiek verwezen naar de dieven en rovers van vers 8 die beweerden boodschappers van God te zijn, maar het niet waren. Ze waren zelfgericht (stelen), wreed (slachten) en destructief (verdelgen), wat in scherpe tegenstelling staat met de ware herder die onbaatzuchtig en vriendelijk is en Zijn leven voor de schapen neerlegde. Dit vers is de lakmoestest om tegenwoordig de valse boodschapper van God te onderscheiden, evenals de demonische inspiratie die erachter zit. De duivel steelt, slacht en verdelgt, maar God dient het Goddelijke "zoe"-leven toe (zie opmerking 6 bij dit vers).

 

Toen het nu avond werd, bracht men vele bezetenen tot Hem; en Hij dreef de geesten uit met zijn woord en die ernstig ongesteld waren genas Hij allen.

Opmerking 1 bij Matt. 8:16: In de evangeliŽn genas Jezus zeventien keer alle zieken die aanwezig waren (Matt. 4:23-24; 8:16-17; 9:35; 12:15; 14:14,34-36; 15:30-31; 19:2; 21:14; Marc. 1:32-34,39; 6:56; Luc. 4:40; 6:17-19; 7:21; 9:11; 17:12- 17). Er zijn 47 andere gebeurtenissen waar Hij ťťn of twee mensen per keer genas (Matt. 8:1-4,5-13,14-15,28-34; 9:1-8,20-33; 12:10-13,22-23; 15:21-28; 17:14-18; 20:30-34; Marc. 1:21-31,40- 45; 2:1-12; 3:1-5; 5:1-20,25-43; 7:24-37; 8:22-26; 9:14-29; 10:46-52; Luc. 4:33-39; 5:12-15,17-26; 6:6-10; 7:1-17; 8:27- 39,43-56; 9:37-42; 11:14; 13:11-17; 14:1-5; 18:35-43; 22:51; Jn. 4:46-54; 5:2-15; 9:6-7; 11:43-44). Nergens vinden we dat Jezus weigerde om iemand te genezen. In het licht van de verklaring van Jezus dat Hij niets uit Zichzelf kon doen maar alleen wat Hij de Vader zag doen (Joh. 5:19 en 8:28-29), zijn Zijn daden genoeg bewijs dat het altijd Gods wil is om te genezen.

 

Toen het nu avond werd en de zon onderging, brachten zij tot Hem allen, die ernstig ongesteld waren, en de bezetenen.

Opmerking 3 bij Marc. 1:32: In de Schrift wordt er tien keer verslag van gedaan dat Jezus boze geesten (of demonen) uitdreef (Mat. 4:24; 8:16,28-34; 9:32-33; 12:22; 15:22-28; Marc. 16:9; Luc. 4:33-35; 9:38-42; 13:11-13). Bij die gebeurtenissen waren de demonen oorzaak van doofheid (Matt. 9:32-33; Luc. 11:14), blindheid en doofstomheid (Matt. 12:22), maanziekte (of krankzinnigheid), epileptische aanvallen, zelfmoordpogingen, schuimbekken, tandenknarsen, schreeuwen (Matt. 17:14-21; Marc. 9:14-29; Luc. 9:39-42), verkromdheid van de ruggegraat (Luc. 13:11-13), en andere ziekten en aandoeningen (Matt. 4:23-24; Hand. 10:38). Jezus zond Zijn discipelen uit met de opdracht om het evangelie te prediken en boze geesten uit te drijven (Matt. 19:1, 7-8) en ze oefenden gezag uit over hen (Luc. 10:17).

Er is veel strijd gevoerd over de vraag of een Christen al dan niet demonisch bezeten kan zijn. Het Griekse woord voor "bezeten" is "daimonizomai" en betekent letterlijk "gedemoniseerd". De Bijbel maakt geen duidelijk onderscheid tussen de mate van demonische activiteit (zoals onderdrukt, depressief of bezeten, enz.), maar zegt alleen maar dat mensen gedemoniseerd zijn. Alle Christenen moeten tegen geestelijke machten vechten (Ef. 6:12) en als we niet de gehele wapenrusting van God aandoen, zal satan ons zeker kunnen beÔnvloeden of zelfs beheersen.

Als iemand heeft toegestaan dat een boze geest zodanig toegang in zijn leven heeft gekregen dat die boze geest hem kan beheersen, dan is meestal de hulp van een Geestvervulde gelovige nodig die van zijn gezag (macht) in Jezus weet om gezag over die boze geest te kunnen nemen en deze uit te drijven. Degene die bevrijding ontvangt moet de boze geest ook weerstaan. Als de persoon die bevrijding ontvangt niet oprecht vrijgezet wil worden, zal dit de bevrijding weerhouden of de trieste situatie die Jezus in MatteŁs 12:43-45 beschreef tot gevolg hebben.

De beste manier om bevrijding toe te dienen is door Gods Woord (Ps. 107:20; Matt. 8:16; Joh. 8:31-33; 15:3; 17:17). Als iemand het Woord ontvangt, zal dit hem vrijzetten en hem ook helpen zich te beschermen voor de situatie waarin een boze geest probeert terug te komen met zeven andere boze geesten. In ernstige gevallen van demonisering heeft iemand echter duidelijk de hulp van een gelovige nodig en dat is de reden waarom Jezus alle gelovigen het gezag over boze geesten gaf (Matt. 10:1; Marc. 16:17).

Gezalfde lofprijs en aanbidding zal ook boze geesten uitdrijven (1 Sam. 16:23 en zie opmerking 4 bij Matt. 4:9 vergeleken met Matt. 21:16 en Ps. 8:2). Als iemand God kent en standvastig is in zijn relatie met Hem is er geen probleem om boze geesten uit te drijven. Maar zoals in Handelingen 19:13-17 wordt geÔllustreerd zou iemand die Jezus niet werkelijk "kent" zich niet aan bevrijding moeten wagen.

 

Joh. 10:10 De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verdelgen; Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed.

 

Doch hij zei tot hem: Indien zij naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen zij ook, indien iemand uit de doden opstaat, zich niet laten gezeggen.

Opmerking 8 bij Luc. 16:31: De grootste getuigenis die iemand ooit kan ontvangen is de getuigenis uit Gods Woord. Het evangelie is "de kracht van God tot behoud" (Rom. 1:16-17). We zijn door het Woord van God wedergeboren (1 Petr. 1:23 en zie opmerking 1 bij Matt. 9:38). Geloof tot behoud komt door het horen van het Woord van God (Rom. 10:17). Wonderen trekken de aandacht van mensen, maar brengen geen redding voort. Als dat wel zo zou zijn geweest, zou iedereen die getuige was van de wonderen die Jezus deed zich hebben bekeerd.

 

Hebr. 11:6 maar zonder geloof is het onmogelijk (Hem) welgevallig te zijn. Want wie tot God komt, moet geloven, dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken.

 

Wie gelooft en zich laat dopen, zal behouden worden, maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden.

Opmerking 9 bij Marcus 16:16: Deze tekst heeft velen doen geloven dat de waterdoop een onderdeel is van de verlossing en dat de ervaring van het wedergeboren worden zonder waterdoop geen realiteit kan zijn. Door dit soort denken zou, gebaseerd op Joh. 6:40, het aanschouwen van Jezus een voorwaarde moeten zijn voor redding.

Het is geloof in het verlossende werk van Christus waardoor we behouden worden, niet door onze handelingen. Jakobus schrijft echter dat geloof zonder werken dood is (Jac. 2:20). Alleen geloof redt, maar reddend geloof komt nooit alleen; er moet naar gehandeld worden. Hier verwijst Marcus naar als hij spreekt over de doop.

De waterdoop is een opdracht van Jezus en het is de eerste handeling nadat iemand tot geloof is gekomen. Deze verklaring van Marcus zou ook vertaald kunnen worden als "wie gelooft met reddend geloof (m.a.w. geloof dat werken voortbrengt) zal behouden worden". In die zin is de waterdoop erg belangrijk. Het is een gelegenheid om te handelen naar onze nieuwe geloofsbekentenis. Bij een ieder die weigert om de opdracht van Jezus om zich te laten dopen in water te volgen is het twijfelachtig of hij nu wel of niet echt gelooft.

Er zijn echter schriftuurlijke voorbeelden van mensen die wedergeboren waren voordat ze in water werden gedoopt. Cornelius en zijn vrienden waren vervuld met de Heilige Geest en spraken in tongen voordat ze in water werden gedoopt (Hand. 10:44-48). In Johannes 14:17 staat dat Jezus zei dat een ongelovige niet de Heilige Geest kan ontvangen (zie opmerking 27 bij Joh. 14:17), dus Cornelius en zijn vrienden moesten al wedergeboren zijn voordat ze zich lieten dopen.

Toen Petrus voor de gelovigen in Jeruzalem verhaalde over de bekering van Cornelius, verwees hij naar de doop in de Heilige Geest als bewijs van de bekering van heidenen, maar hij noemde nooit hun waterdoop (Hand. 11:1-8). Dit zou ondenkbaar zijn geweest als de vroege gemeente de waterdoop als een vereiste voor redding had beschouwd.

In Handelingen 19:1-7 kwam de apostel Paulus ook een aantal discipelen tegen die in Jezus waren gaan geloven door de prediking van Johannes de Doper en door Johannes in water waren gedoopt, maar zij hadden niet gehoord van de doop in de Heilige Geest. Paulus doopte hen opnieuw met de Christelijke doop en toen ontvingen ze de Heilige Geest, maar het feit blijft dat ze volgelingen van Jezus waren voordat ze op de juiste manier in water waren gedoopt.

De waterdoop is het teken van het nieuwe verbond, net zoals besnijdenis het teken van het oude verbond was. In Romeinen 4 maakt de apostel Paulus het overduidelijk dat hoewel Abraham besneden was, zijn besnijdenis enkel een teken was. Abraham was gerechtvaardigd voor God voordat hij besneden werd. Paulus voert in Galaten 5:1-6 aan dat iedereen die zijn vertrouwen stelt in het besneden zijn buiten de genade staat en dat Christus hem geen nut zal doen.

De besnijdenis was een gebod van God die gehouden moest worden (Gen. 17:9-14), maar toch was Abraham 13 jaar voordat hij werd besneden al gerechtvaardigd (Gen. 15:6 + Gen. 17:23-26). Evenzo is de waterdoop een gebod, maar het houden van dit gebod brengt geen rechtvaardiging voort.

Jezus sprak over de vergeving van zonden zonder dat hij over de waterdoop sprak (Matt. 9:2; Luc. 7:48,50; 18:14; 19:9; 23:43) en Petrus (Hand. 3:19-4:4) en Paulus (Hand. 13:38-43 + 1 Kor. 1:13-17) deden dit ook.

Filippus vertelde de Ethiopische eunuch, die aan Filippus vroeg om hem te dopen, dat als hij met zijn hele hart geloofde, hij gedoopt kon worden (Hand. 8:37). Filippus gebruikte alleen maar de waterdoop nadat iemand al tot geloof was gekomen. Op deze manier gebruikt Marcus de waterdoop.

 

17 de Geest der waarheid, die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet; maar gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn.

Opmerking 27 bij Joh. 14:17: De verklaring van Jezus dat de wereld de Heilige Geest niet kan ontvangen is erg belangrijk. Dit betekent dat totdat iemand is wedergeboren (zie opmerking 2 bij Joh. 3:3) hij niet de Heilige Geest kan ontvangen. Ongelovigen kunnen de doop in de Heilige Geest niet ontvangen (zie opmerking 28 bij dit vers). Petrus gebruikte dit in Handelingen 11:15-17 als een bewijs van redding.

 

Hand. 1:24 En zij baden en zeiden: Wijs Gij, Here, die aller harten kent, die ene aan, die Gij van deze twee hebt uitgekozen.

 

Hand. 5:15 zo zelfs, dat men de zieken op straat droeg en op bedden en matrassen legde, opdat, wanneer Petrus voorbijkwam, ook maar zijn schaduw op iemand van hen zou vallen.

Hand. 9:41 en hij gaf haar de hand en richtte haar op; toen riep hij de heiligen en de weduwen en stelde haar levend voor hen.

 

Jes. 28:9 Wie wil hij kennis leren en wie wil hij een openbaring doen verstaan? Hun die van de melk gespeend, aan de borst ontwend zijn?

 

Rom. 2:25 Want besneden te zijn heeft wel betekenis, indien gij de wet volbrengt, maar indien gij een overtreder van de wet zijt, is uw besnijdenis tot onbesnedenheid geworden. 26 Zal dan, indien de onbesnedene de eisen der wet in acht neemt, zijn onbesnedenheid niet voor besnijdenis gelden?

Rom. 3:30 Indien er namelijk ťťn God is, die de besnedenen rechtvaardigen zal uit het geloof en de onbesnedenen door het geloof.

Rom. 4:9 Geldt deze zaligspreking dan de besnedene of ook de onbesnedene? Wij zeggen immers: Het geloof werd Abraham tot gerechtigheid gerekend.

Gal. 2:9 en toen zij de genade, die mij geschonken was, opmerkten, reikten Jakobus, Kefas en Johannes, die voor steunpilaren golden, mij en Barnabas de broederhand: wij zouden naar de heidenen, zij naar de besnedenen gaan.

 

Gen. 41:32 Dat de droom tot tweemaal toe aan Farao herhaald is, wil zeggen, dat de zaak bij God vaststaat, en dat God die haastig zal volbrengen.

 

10 Nu was er te Damascus een discipel, genaamd Ananias; en de Here zei tot hem in een gezicht: Ananias! En hij zei: Zie, hier ben ik, Here.

Opmerking 2 bij Handelingen 9:10: Een gezicht is een bovennatuurlijke voorstelling van een zichtbare (en vaak hoorbare) boodschap van God in de geest van iemand. Als dit gebeurt als iemand slaapt, dan is het een droom, of, zoals de Bijbel het noemt, een nachtgezicht (Gen. 46:2; Job 33:15; Dan. 2:19; Hand. 18:9) wat niet gezien wordt met onze fysieke ogen, maar het is een geestelijk beeld.

Als iemand wakker is en een gezicht ziet, dan toont de Heer hem iets in zijn geestesoog, hoewel het voor die persoon zo werkelijk kan zijn dat hij echt denkt dat hij het met zijn fysieke ogen ziet. In het geval van Ezechiel (Ezech. 8:1-11:24) waren anderen aanwezig toen hij dit gezicht had (8:1), maar ze werden niet zoals hij in de Geest naar Jeruzalem gebracht (8:3). EzechiŽls lichaam bleef op de plek waar hij was terwijl hij in zijn geest naar Jeruzalem werd gebracht. In Handelingen 12:9 dacht Petrus niet dat wat hij ervaarde echt was, maar hij dacht dat hij een gezicht zag. Hieruit kunnen we concluderen dat een gezicht niet een fysieke werkelijkheid is, maar een geestelijke gebeurtenis.

Volgens Numeri 24:4, 16 en Handelingen 10:19, 10zijn een zinsverrukking en een gezicht hetzelfde. In een zinsverrukking of gezicht zijn de fysieke ogen van iemand open en gewoonlijk hebben ze een starende blik, maar ze zien niet de normale fysieke beelden. In plaats daarvan ontvangen ze rechtstreeks bovennatuurlijke beelden van God.

De verheerlijking van Jezus op de berg (Matt. 17:9) wordt een gezicht genoemd en is daarom wellicht iets dat niet plotseling fysiek gebeurde. In plaats daarvan werden de geestelijke ogen van de discipelen geopend om een glimp van de heerlijkheid van Jezus te zien die daar altijd al was geweest maar waarvoor ze verblind waren als ze met hun fysieke ogen keken. Dit is waarschijnlijk hetzelfde wat met de dienaar van Elisa gebeurde toen de Heer zijn geestelijke ogen opende om de vurige paarden en wagens te zien die hen omringden (2 Kon. 6:17).

De Schrift geeft duidelijk aan dat Abraham (Gen. 15:1), Jakob (Gen. 46:2), Balaam (Num. 24:4, 16), SamuŽl (1 Sam. 3:1, 15), Natan (2 Sam. 7:17; 1 Kron. 17:15), Jesaja (Jes. 1:1), EzechiŽl (Ezech. 1:1; 7:13; 8:13; 11:24), DaniŽl (Dan. 2:19: 8:1-27; 9:21-24), Nebukadnezar (Dan. 2:28), Zacharias (Luc. 1:22), Petrus (Hand. 10:10, 19), Johannes (Openb. 9:17), Ananias (Hand. 9:10), Cornelius (Hand. 10:3), en Paulus (Hand. 16:9-10; 18:9; 2 Kor. 12:1) allemaal gezichten hadden.

Hoewel het woord "gezicht" niet wordt genoemd, komen we de voorwaarden voor een gezicht tegen bij de dienaar van Elisa (2 Kon. 6:17) en Micha (1 Kon. 22:19-22). Zoals in de eerste alinea van deze opmerking genoemd, zijn dromen gezichten (zie opmerking 3 bij Matt. 1:20).

 

Hand. 1:5 Want Johannes doopte met water, maar gij zult met de heilige Geest gedoopt worden, niet vele dagen na deze.

 

Joh. 14:17 de Geest der waarheid, die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet; maar gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn.

 

En Petrus antwoordde hun: Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave des heiligen Geestes ontvangen.

Opmerking 2 bij Handelingen 2:38: Deze Joden werden in hun hart geraakt door de toespraak van Petrus en ze deden een beroep op Petrus en de andere apostelen om hun te vertellen wat ze moesten doen om het met God in orde te kunnen maken. Petrus vertelde ze toen dat ze zich moesten bekeren en zich laten dopen tot vergeving van zonden. Onder Christenen is over dit vers veel strijd gevoerd.

Bekering is niet het grootste twistpunt. Velen zullen niet ontkennen dat bekering erbij hoort om behoudenis te verkrijgen (zie opmerking 1 bij Matt. 3:2en opmerking 3 bij Lucas 15:18). Het werkelijke twistpunt is de waterdoop, en meer in het bijzonder of de waterdoop een vereiste is of een bewijs van behoudenis. De waterdoop is een opdracht van Jezus en zou gehoorzaamd moeten worden, net zoals ieder andere opdracht die Hij gaf, maar als wij ons geloof in de waterdoop stellen als een middel tot redding, dan is dat een belediging voor Christus en voor wat Hij voor ons heeft gedaan. We zeggen dan dat Jezus niet voor alles heeft voldaan en dat er nog een prijs is die wij moeten voldoen om behouden te worden.

Degenen die prediken dat de waterdoop noodzakelijk is om redding te verkrijgen, prediken ook altijd andere heilige daden die we moeten doen om gered te worden, omdat ze geloven dat geloof in wat Christus heeft gedaan niet genoeg is. Ze geloven dat we bepaalde dingen moeten doen om gered te worden en ze halen dit vers aan met de waterdoop als een voorbeeld. Als iemand dat gelooft, verschuift de last van behoudenis van Jezus op ons.

Het antwoord op dit probleem is in dit vers te vinden in het kleine woord "tot". Het Griekse woord dat in dit vers met "tot" is vertaald is "eis" en dat kan betekenen "vanwege, als een gevolg van, opdat", of het kan ook betekenen "om te verkrijgen".

Zoals in opmerking 9 bij Marcus 16:16 is uitgelegd, zijn er twee voorbeelden van verschillende groepen mensen die wedergeboren werden voordat zij in water werden gedoopt. Daarom kan de waterdoop niet een vereiste zijn om redding te verkrijgen. Het moet daarom een handeling zijn die als een gevolg van de vergeving van zonden komt. Het is een daad van gehoorzaamheid die alleen iemand die al wedergeboren is kan verrichten (Hand. 8:36:37).

De waterdoop is een uiterlijke blijk van een innerlijke verandering. Het is uiterst nuttig als een daad die de duivel weerstaat en als een getuigenis die ons als ťťn met Christus vereenzelvigt, maar het kan ons niet redden (zie opmerking 55 bij Matt. 7:21 en opmerking 21 bij Matt. 23:26).

 

Matt. 15:21 En Jezus ging vandaar en trok Zich terug naar de omgeving van Tyrus en Sidon.

Marc. 7:24 En Hij stond op en vertrok vandaar naar het gebied van Tyrus. En toen Hij een huis was binnengegaan, wilde Hij niet, dat iemand het wist; maar Hij kon niet verborgen blijven. 31 En toen Hij weder uit het gebied van Tyrus vertrokken was, kwam Hij door Sidon naar de zee van Galilea, midden in het gebied van Dekapolis.

 

Deze vrouw was een Griekse, een Syrofenicische van geboorte.

Opmerking 3 bij Marc. 7:26: FeniciŽ was een gebied aan de kust van de Middellandse Zee waar nu het moderne Libanon ligt. In de tijd van Jezus stond FeniciŽ onder het gezag van SyriŽ, vandaar het woord Syrofenicisch. Het gebied bij Tyrus en Sidon was ongeveer 60 tot 80 km ten noordoosten van het Meer van Galilea, wat betekende dat het ongeveer twee tot drie dagreizen was voor Jezus en Zijn discipelen vanuit het land Gennesaret.

 

Er was in de dagen van Herodes, de koning van Judea, een priester, genaamd Zacharias, behorende tot de afdeling van Abia, en zijn vrouw was uit de dochters van Ašron en haar naam was Elisabet.

Opmerking 1 bij Luc. 1:5: De Herodes waar hiernaar verwezen wordt is Herodes de Grote. Hij was de zoon van Antipater die in 47 v. Chr. gouverneur van Judea was geworden. Herodes de Grote kreeg in 37 v. Chr., op voorspraak van Antonius en Octavius, van de Romeinse senaat de titel "Koning van Judea". Deze Herodes bouwde de tempel in Jeruzalem waar in Johannes 2:20 en Marcus 13:1 naar verwezen wordt. De gebeurtenissen die in het eerste hoofdstuk van Lucas worden beschreven gebeurden tegen het einde van zijn regering. Herodes de Grote stierf in 4 v.Chr. Zijn zoon ArchelaŁs volgde hem op de troon (Matt. 2:22). Herodes de Grote is degene die de kinderen in Bethlehem afslachtte (Matt. 2:16-18 en zie opmerking 3 bij Lucas 3:1).

 

Hand. 4:36 En Jozef, die van de apostelen de bijnaam Barnabas gekregen had Ė wat betekent: zoon der vertroosting Ė, een Leviet, uit Cyprus afkomstig.

 

Hand. 13:4 Dezen dan, door de heilige Geest uitgezonden, trokken naar SeleuciŽ en voeren vandaar naar Cyprus.

 

Hand. 13:12 Toen de landvoogd zag, wat er gebeurd was, kwam hij tot geloof, zeer getroffen door de leer des Heren.

 

Hand. 6:5 En dit voorstel vond bijval bij de gehele menigte, en zij kozen Stefanus, een man vol van geloof en heilige Geest, Filippus, Prochorus, Nikanor, Timon, Parmenas en NikolaŁs, een Jodengenoot uit AntiochiŽ.

 

Hand. 11:26 En het geschiedde, dat zij een vol jaar in de gemeente gastvrij ontvangen werden en een brede schare leerden en dat de discipelen het eerst te AntiochiŽ Christenen genoemd werden.

Hand. 12:25 Barnabas nu en Saulus keerden terug uit Jeruzalem na hun liefdedienst te hebben volbracht, en namen ook Johannes, bijgenaamd Marcus, mede.

Hand. 13:1 Nu waren er te AntiochiŽ in de gemeente aldaar profeten en leraars, namelijk: Barnabas, Simeon, genaamd Niger, Lucius van Cyrene, ManaŽn, de zoogbroeder van Herodes, de viervorst, en Saulus.

Hand. 14:26 en vandaar voeren zij naar AntiochiŽ, waar zij aan de genade Gods waren opgedragen voor het werk, dat zij volbracht hadden. 27 En daar aangekomen, riepen zij de gemeente bijeen en gaven verslag van al wat God met hen gedaan had, en dat Hij ook voor de heidenen een deur des geloofs had geopend. 28 En zij vertoefden daar geruime tijd met de discipelen.

Hand. 15:35 En Paulus en Barnabas bleven te AntiochiŽ en leerden en verkondigden met vele anderen het woord des Heren.

 

Gal. 2:11 Maar toen Kefas te AntiochiŽ gekomen was, heb ik mij openlijk tegen hem verzet, omdat het ongelijk aan zijn kant was. 12 Want voordat sommigen uit de kring van Jakobus gekomen waren, at hij met de heidenen aan ťťn tafel, maar toen zij kwamen, trok hij zich terug en zonderde zich af uit vrees voor de besnedenen. 13 En [ook] de overige Joden huichelden met hem mede, zodat zelfs Barnabas zich liet medeslepen door hun huichelarij. 14 Maar toen ik zag, dat zij niet de rechte weg bewandelden naar de waarheid van het evangelie, zei ik tot Kefas ten aanhoren van allen: Indien gij, die een Jood zijt, naar heidens en niet naar Joods gebruik leeft, hoe kunt gij dan de heidenen dwingen zich als Joden te gedragen?

 

Marc. 16:20 Doch zij gingen heen en predikten overal, terwijl de Here medewerkte en het woord bevestigde door de tekenen, die erop volgden.]

 

Gal. 5:22 Maar de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing. 23 Tegen zodanige mensen is de wet niet.

 

52 want zij waren bij de broden niet tot inzicht gekomen, maar hun hart was verhard.

Opmerking 10 bij Marcus 6:52: Meestal denken we bij iemand met een verhard hart aan een persoon die op een verschrikkelijke manier tegen God rebelleert. Hoewel het waar is dat zo'n persoon ook inderdaad een verhard hart heeft, gaat het er in dit geval om dat de discipelen verharde harten hadden, omdat ze "innerlijk bovenmate ontsteld waren" (vers 51) en "verbijsterd waren" (vers 50) om Jezus op het water te zien lopen.

Het woord "verhard" dat hier gebruikt wordt, betekent "gevoelloos, koppig of onbuigzaam, of ongevoelig voor". De discipelen haatten God niet, maar ze waren zo ontvankelijk geworden voor de natuurlijke wereld en de beperkingen daarvan dat ze ernstig in verwarring waren toen ze Jezus deze wetten zagen overtreden. Daarom hadden ze een verhard hart (zie opmerking 3 bij Marcus 8:17).

We zien dus dat in dit geval een verhard hart betekent dat je gevoeliger bent voor of meer gedomineerd wordt door het natuurlijke denken dan door het bovennatuurlijke denken. Als we deze Bijbelse definitie van een verhard hart gebruiken, dan hebben we allemaal gebieden waarin we verhard (of ongevoelig) zijn voor God (zie opmerking 3 bij Marcus 8:17 voor de kenmerken van een verhard hart).

Onze harten worden verhard (ongevoelig) als we op andere dingen letten dan op God en Zijn wegen (als we daarover nadenken, bestuderen, overpeinzen of mediteren). In dit geval dachten de discipelen niet aan zondige dingen zoals moord, overspel, diefstal, enz. Hun gedachten werden volkomen in beslag genomen door de storm en hoe ze hun leven konden redden. Ze waren echter bezig met de natuurlijke methoden van bevrijding. Ze hadden moeten denken aan een wonderbaarlijke bevrijding, omdat ze uit gehoorzaamheid aan het bevel van Jezus de zee waren opgegaan.

Als ze waren blijven denken aan het wonder dat ze even daarvoor Jezus hadden zien doen (de wonderbare spijziging), dan zouden ze niet zo verbaasd zijn geweest om te zien dat Jezus op het water naar hen toe liep. Tenslotte had Hij hen opgedragen om in het schip te gaan (zie opmerking 1 bij Matt. 14:22) en daarom was hij verantwoordelijk voor hen. Hij was ook maar een klein eindje van hen vandaan en Hij bevond zich in dezelfde storm, dus ze hadden kunnen weten dat Hij bekend was met hun situatie. Ze hadden kunnen verwachten dat Jezus zou komen om ze te redden, zelfs als Hij daarvoor op het water had moeten lopen. Want iemand die vijfduizend mannen van voedsel kon voorzien (de vrouwen en kinderen nog niet eens meegerekend) met vijf broden en twee vissen en daarbij ook nog meer overhield toen Hij klaar was dan toen Hij begon, kon zeker ook wel op het water lopen.

Maar hun verharde harten verhinderden hen om de geestelijke waarheden te zien (Marcus 8:17-18 en zie opmerking 3 bij Marcus 8:17) en hield hen gedomineerd door slechts het natuurlijke denken, wat volkomen ontoereikend was om hun probleem op te lossen. Dit is de reden waarom tegenwoordig mensen die weten wat het Woord zegt het nog steeds niet in hun leven zien werken. Ze zijn gevoeliger voor angst en twijfel dan voor de waarheden van het Woord van God, eenvoudigweg omdat ze meer hebben gedacht aan dingen die angst en twijfel met zich meebrengen.

We kunnen deze wetten over het verharden van onze hart nemen en ze op een positieve manier gebruiken. We kunnen eigenlijk onze harten verharden voor twijfel door het Woord van God te overdenken. Het is een denkbaar en bereikbaar doel om net zo gevoelig voor God en het geloof te worden als we voor satan en twijfel zijn geweest.

 

Heb. 3:13 maar vermaant elkander dagelijks, zolang men nog van een heden kan spreken, opdat niemand van u zich verharde door de misleiding der zonde.

 

Heb. 2:3 hoe zullen wij dan ontkomen, indien wij geen ernst maken met zulk een heil, dat allereerst verkondigd is door de Here, en door hen, die het gehoord hebben, op betrouwbare wijze ons is overgeleverd.

 

2 Kron. 12:14 Hij deed wat kwaad is, want hij had er zijn hart niet op gezet de HERE te zoeken.

 

Hand. 9:26 En te Jeruzalem aangekomen, trachtte hij zich bij de discipelen te voegen, maar allen schuwden hem, daar zij niet konden geloven, dat hij een discipel was. 27 Maar Barnabas trok zich zijner aan en bracht hem bij de apostelen en verhaalde hun, hoe hij onderweg de Here had gezien, en dat deze tot hem gesproken had, en hoe hij te Damascus vrijmoedig was opgetreden in de naam van Jezus.

 

[xlviii]Hand. 26:28 Maar Agrippa zei tot Paulus: Gij wilt mij wel spoedig als Christen laten optreden!

1 Petr. 4:16 Indien hij echter als Christen lijdt, dan schame hij zich niet, maar verheerlijke God onder die naam.

 

1 Kor. 12:28 En God heeft sommigen aangesteld in de gemeente, ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, verder krachten, daarna gaven van genezing, (bekwaamheid) om te helpen, om te besturen, en verscheidenheid van tongen.

 

Ef. 2:20 gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is.

 

2 Kon. 17:13 De HERE had IsraŽl en Juda gewaarschuwd door alle profeten, alle zieners: Bekeert u van uw boze wegen en onderhoudt mijn geboden en inzettingen, volgens de gehele wet die Ik uw vaderen heb geboden, en door mijn knechten, de profeten, u heb doen overbrengen. 23 totdat de HERE IsraŽl van voor zijn aangezicht verwijderde, zoals Hij gesproken had door al zijn knechten, de profeten.

2 Kon. 21:10 Daarom sprak de HERE door zijn knechten, de profeten.

2 Kon. 24:2 Hij zond hen tegen Juda om het te gronde te richten, volgens het woord dat de HERE gesproken had door zijn knechten, de profeten.

Hos. 12:11 En Ik zal tot de profeten spreken en Ik zal veel gezichten geven, en door de dienst van profeten zal Ik in gelijkenissen spreken.

Amos 3:7 Voorzeker, de Here HERE doet geen ding, of Hij openbaart zijn raad aan zijn knechten, de profeten.

 

1 Kon. 20:13 Doch zie, een profeet naderde tot Achab, de koning van IsraŽl, en zei: Zo zegt de HERE: hebt gij die gehele grote, rumoerige schare gezien? Zie, Ik geef die heden in uw macht; dan zult gij weten, dat Ik de HERE ben.

2 Kron. 12:5 Toen kwam de profeet Semaja tot Rechabeam en de oversten van Juda, die wegens de komst van Sisak te Jeruzalem bijeen waren, en zei tot hen: Zo zegt de HERE: gij hebt Mij verlaten, nu heb Ik ook u verlaten en gegeven in de macht van Sisak.

 

1 Sam. 10:1 Toen nam SamuŽl de oliekruik, goot haar uit over zijn hoofd, kuste hem en zei: Heeft de HERE u niet tot vorst over zijn erfdeel gezalfd?

1 Sam. 16:1 De HERE zei tot SamuŽl: Hoelang zult gij nog leed dragen over Saul, en Ik heb hem toch verworpen, dat hij geen koning meer over IsraŽl zal zijn? Vul uw hoorn met olie en ga heen: Ik zend u naar de Betlehemiet IsaÔ, want onder zijn zonen heb Ik Mij een koning uitgezocht. 13 SamuŽl nam de oliehoorn en zalfde hem te midden van zijn broeders. Van die dag af greep de Geest des HEREN David aan. Daarna stond SamuŽl op en ging naar Rama.

1 Kon. 19:15 Daarop zei de HERE tot hem: Keer op uw schreden terug, naar de woestijn van Damascus, en als gij daar gekomen zijt, dan zult gij HazaŽl zalven tot koning over Aram. 16 Voorts zult gij Jehu, de zoon van Nimsi, zalven tot koning over IsraŽl; en Elisa, de zoon van Safat, uit Abel-Mechola, zult gij zalven tot profeet in uw plaats.

2 Kon. 9:1 De profeet Elisa riep een van de profeten en zei tot hem: Gord uw lendenen, neem deze oliekruik met u en ga naar Ramot in Gilead.

 

Neh. 6:7 Zelfs hebt gij profeten aangesteld, om over u in Jeruzalem uit te roepen: Er is een koning in Juda!

Hand. 15:32 Judas en Silas, die zelf ook profeten waren, bemoedigden en versterkten de broeders met vele woorden.

1 Kor. 14:3 Maar wie profeteert, spreekt voor de mensen stichtend, vermanend en bemoedigend.

 

2 Sam. 7:4 Maar in die nacht kwam het woord des HEREN tot Natan: 5 Ga, spreek tot mijn knecht, tot David: Zo zegt de HERE: zoudt gij voor Mij een huis bouwen om in te wonen?

 

1 Sam. 28:6 En Saul vroeg de HERE, maar de HERE antwoordde hem niet, noch door dromen noch door de Urim noch door de profeten.

1 Kon. 14:2 Toen zei Jerobeam tot zijn vrouw: Maak u reisvaardig en verkleed u, zodat men niet kan merken, dat gij de vrouw van Jerobeam zijt, en ga naar Silo; daar woont immers de profeet Achia. Hij heeft mij voorzegd, dat ik koning over dit volk zou worden.

2 Kon. 3:11 Maar Josafat vroeg: Is hier geen profeet des HEREN om door hem de HERE te raadplegen?

Ezech. 14:7 Of ik breng het zwaard over het land en zeg: Zwaard, gij zult in het land rondtrekken; en Ik roei daar mens en dier uit.

 

Ook was daar Hanna, een profetes, een dochter van FanuŽl, uit de stam Aser. Zij was op hoge leeftijd gekomen, nadat zij met haar man na haar huwelijksdag zeven jaren had geleefd;

Opmerking 1 bij Luc. 2:36: In de Schrift worden zes vrouwen als profetessen genoemd: (1) Mirjam (Ex. 15:20); (2) Debora (Jud. 4:4); (3) Chulda (2 Kon. 22:14; 2 Kron. 34:22); (4) Noadja (Neh. 6:14); (5) de vrouw van Jesaja (Jes. 8:3); en (6) Hanna (Luc. 2:36). Filippus had vier dochters die profeteerden (Hand. 21:9), wat het totale aantal profetessen op 10 brengt. Andere vrouwen profeteerden ook: (1) Rachel (Gen. 30:24); (2) Hanna (1 Sam. 2:1-10); (3) Elisabet (Luc. 1:41-45); en (4) Maria, de moeder van Jezus (Luc. 1:46-55). Eťn vrouw noemde zichzelf een profetes, maar was een valse profetes (Openb. 2:20). JoŽl profeteerde dat wanneer de Heilige Geest uitgestort zou worden "uw zonen en dochters zullen profeteren" (JoŽl 2:28).

Van deze tien profetessen waren er drie getrouwd (Debora, Chulda en de vrouw van Jesaja), ťťn was weduwe (Hanna), vier waren maagden (de dochters van Filippus) en van twee van hen, Mirjam en Noadja, werd de huwelijkse staat niet genoemd.

 

Hand. 21:10 En toen wij daar verscheidene dagen bleven, kwam uit Judea een zeker profeet, genaamd Agabus. 11 Toen deze bij ons gekomen was, nam hij de gordel van Paulus, en zich voeten en handen bindende, zei hij: Dit zegt de heilige Geest: De man, van wie deze gordel is, zullen de Joden te Jeruzalem zo binden en uitleveren in de handen der heidenen.

Hand. 21:33 Toen naderde de overste, liet hem grijpen, en met twee ketenen boeien, en deed er onderzoek naar, wie hij was en wat hij gedaan had.

 

Luc. 2:1 En het geschiedde in die dagen, dat er een bevel uitging vanwege keizer Augustus, dat het gehele rijk moest worden ingeschreven. 4 Ook Jozef trok op van Galilea, uit de stad Nazaret, naar Judea, naar de stad van David, die Betlehem heet, omdat hij uit het huis en het geslacht van David was, 5 om zich te laten inschrijven met Maria, zijn ondertrouwde vrouw, welke zwanger was.

 

In het vijftiende jaar van de regering van keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus stadhouder over Judea was, en Herodes viervorst over Galilea, en zijn broeder Filippus viervorst over Iturea en het land Trachonitis, en Lysanias viervorst over Abilene.

 

Opmerking 3 bij Lucas 3:1: Deze Herodes, bekend als Herodes Antipas, was de zoon van Herodes de Grote (zie opmerking 1 bij Luc. 1:5) en hij heerste over Galilea. Zijn broer, Herodes ArchelaŁs, heerste over Judea en Samaria (Matt. 2:22). Een andere broer, Filippus, die in dit vers wordt genoemd, had een vrouw die Herodias heette (vers 19), die de dochter was van weer een andere zoon van Herodes de Grote, Aristobulus, die niet in het Nieuwe Testament wordt genoemd. Deze Herodias verliet haar echtgenoot (en oom) Filippus en trouwde met Herodes Antipas. Johannes de Doper sprak hierover zijn afkeuring uit (Marc. 6:17-20). Herodias won het van de afkeur van Johannes de Doper en zij liet hem onthoofden. De zoon van Herodes Antipas, Herodes Agrippa I, wordt in Handelingen 12 genoemd. Hij werd door een engel des Heren geslagen en door wormen gegeten. De kleinzoon van Herodes Antipas was Herodes Agrippa II, die bijna door Paulus werd overgehaald om Christen te worden (Hand. 26:28). Bron: Vertaling Bible Commentary van Andrew Wommack - Bijbelcommentaar - Handelingen Ė hoofdstuk 10 en 11 - Wiebrig Calderhead, 2008

www.zelfbeschouwing.info