Caesarea Philippi bij Tiberias

Bij de hut van Marcus, oude krijgsman

 

[De Heer] IK zeg: "Doe dat, want Ik heb er trek in! Daarna kun je ook een aantal gevulde vaten door je kinderen naar de stad Caesarea Philippi laten brengen, zij zullen een goede opbrengst geven!" Marcus boog diep, liep vlug de keuken in naar zijn vrouwen gaf opdracht voor het morgenmaal, waaraan zijn vrouw en de zes dochters meteen heel ijverig begonnen. De twee zonen vulden twee vaten vol met de mooiste vissen en reden daarmee naar de stad, die nauwelijks een uur van daar gelegen was, want zij hadden hun ochtendbrood al met wat wijn genuttigd. GJE2-180 [4,5]

Caesarea Filippi, pathway

[Pad naar Cesarea Philippi, het feitelijke Cesarea Philippi was gelegen enkele kilometers aan de westzijde van Tibereas]

 

Dat was voorlopig voldoende voor de vijf en nu pas begonnen zij de omgeving wat beter in zich op te nemen en zich af te vragen waar ze zich bevonden. Zoveel begrepen ze er wel van, dat zij zich aan de Galilese zee bevonden, alleen konden ze niet ontdekken, waar precies. Toen zei CYRENIUS tegen hen, omdat hij het meest naar hen had geluisterd: "Jullie zijn nu in de buurt van de stad Caesarea Philippi op het bezit van de oude Romeinse soldaat Marcus, die jullie voorzien heeft van wijn, brood en zout”.

 

Op het ogenblik is hij hier niet, omdat hij in zijn huis bezig is voor vanmiddag. Als hij terugkomt, zullen jullie hem in jullie tegenwoordige meer heldere toestand wel nader leren kennen, want toen hij jullie brood, wijn en zout gaf, vertoefden jullie meer in het hiernamaals dan hier en hebben jullie beslist weinig oog gehad voor zijn zeer achtenswaardige persoonlijkheid." - GJE3-34 [5,6]

 

Cesarea Philippi was vroeger een kleine en wat versterkte stad in het Grieks-Galilese gebiedsdeel en lag wat landinwaarts vanaf de Galilese zee. Het lag nauwelijks een uur van de plek, waar Jezus bij Marcus, oud-militairkameraad van Cyrenius vertoefde. Dit was verderop hoger gelegen bij Marcus zijn huis. Toen het volk na een half uur al helemaal weggestroomd was en er zich buiten Mij en de leerlingen niemand meer op de bergtop bevond, ging Ik met de leerlingen ook van de berg af, naar de oever van de zee, (Opmerking: twee uur gaan van de omgeving van Magdala en drie uur gaans van Tyrus) waar juist een schip vrij was en op een vracht wachtte. Dus kwamen wij zeer gelegen.

 

Maar toen de schippers Mij herkenden, bogen zij diep voor Mij, want zij kenden Mij van Kana in Galilea. Zij vroegen daarom ook geen loon, maar smeekten Mij om een zegen voor hun nieuw begonnen bedrijf. En IK zei tegen de schippers: " Als het voor jullie niet al te ver uit de richting is, stuur het schip dan naar de grens van Magdala, waar Ik iets te doen heb!" - En de schippers maakten het schip los van de aanlegpaal, en spoedig kwam er een gunstige wind, die het schip in korte tijd tot aan de grens van het gebied van Magdala dreef. (Matth. 15:39)

 

De volgende dag zond Ik enige leerlingen vooruit naar Caesarea Philippi, dat ook een kleine wat versterkte stad in het Grieks-Galilese gebiedsdeel was en wat landinwaarts vanaf de Galilese zee lag. Zij moesten in opdracht van Mij vooraf in deze omgeving navraag doen naar wat de mensen daar van Mij dachten, en of ze eigenlijk al iets over Mij hadden gehoord. GJE2-173 [9,10] en 2-174 [13]

www.zelfbeschouwing.info